<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR32938_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening WWB 2010, gemeente Berkelland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Berkelbericht 2 februari 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening WWB 2010, gemeente Berkelland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147, lid 1;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikelen 7, 8 en 10;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, artikelen 34, 35 en 36;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen, artikelen 34, 35 en 36;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet STAP van 29 december 2008, Staatsblad 590;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Verbetering Arbeidsmarktpositie Alleenstaande Ouders.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-01-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-02-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvergadering 27 januari 2010, collegevoorstel 17 december 2009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening WWB 2010, gemeente Berkelland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Berkelland;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17
                        december 2009;</al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, de artikelen 7 en 8 en
                        10 tweede lid van de Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35 en 36 van de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers
                        en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al/><al>gelet op de wet Stap van 29 december 2008 Staatsblad 590,</al><al>en de wet Verbetering Arbeidsmarktpositie Alleenstaande Ouders van 29
                        december 2008, staatsblad 595;</al><al/><al>gelet op de EG-verordening Werkgelegenheidssteun (nr. 2204/2002, Pb EG 2002,
                        L 337/3) en de EG-verordening de minimissteun (nr. 69/2001, Pb EG 2001, L
                        10/30), alsmede de Beleidsaanbeveling van belang voor het opstellen van de
                        gemeentelijke re-integratieverordeningen in het kader van de Wet Werk en
                        Bijstand (Verzamelcirculaire SZW, april 2004);</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de:</al><al><vet>RE-INTEGRATIEVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>- ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand en de Algemene</al><al>wet bestuursrecht.</al><lijst><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk</al></li></lijst></li></lijst><al>arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al><al>c.IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><lijst><li nr="d."><al>Awb: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="e."><al>uitkeringsgerechtigde: de persoon met een uitkering ingevolge de
                                    wet, de IOAW of de IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>Anw-er: de persoon met een uitkering ingevolgde de</al><al>Algemene nabestaandenwet die als niet-werkende werkzoekende
                                    ingeschreven staat bij het Uitvoeringsinstituut
                                    Werknemersverzekeringen (UWV);</al></li><li nr="g."><al>Ngger: niet-uitkeringsgerechtigde zoals omschreven in</al><al> artikel 6, onder a, van de wet;</al></li><li nr="h."><al>WSW: wet sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="i."><al>ondersteuning: het bieden van ondersteuning bij
                                    arbeidsinschakeling van personen als bedoeld in artikel 7 eerste
                                    lid, onder a van de wet;</al></li><li nr="j."><al>voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid,</al><al>onder a, van de wet; een instrument binnen een
                                    re-integratietraject dat ingezet wordt om belemmeringen bij
                                    aanvaarding van algemeen </al><al> geaccepteerde arbeid weg te nemen;</al></li><li nr="k."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: iedere vorm van betaalde arbeid
                                    niet zijnde werk in het kader van de WSW, met uitzondering van </al><al>illegale arbeid en arbeid tegen een lager loon dan het wettelijk
                                    minimum en rekening houdend met gewetensbezwaren zodanig dat
                                    deze strikt persoonlijke omstandigheden zwaarwegend zijn en </al><al>een onvermijdelijk conflict opleveren met het te verrichten
                                    werk;</al></li><li nr="l."><al>gesubsidieerde arbeid: werk, waarbij de werknemer over het
                                    algemeen wel in staat is om productieve arbeid te verrichten, </al><al>maar waarbij een verschil bestaat met de loonkosten van de
                                    werkgever en de mate waarin een gemiddelde werknemer deze
                                    productieve arbeid verricht;</al></li><li nr="m."><al>werknemer in gesubsidieerde arbeid: de werknemer als bedoeld in
                                    artikel 10, tweede lid, van de wet.</al></li><li nr="n."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van</al><al> de gemeente Berkelland;</al></li><li nr="o."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Berkelland;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>- BELEID EN FINANCIEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht College</titel></kop><al>1.Het college biedt aan de uitkeringsgerechtigde tot 65 jaar, de Nugger
                            en de Anw-er alsmede de werknemer in gesubsidieerde arbeid,
                            ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voor zover het college dat
                            noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die
                            arbeidsinschakeling.</al><al>Artikel 40, eerste lid, van de wet is overeenkomstig van
                            toepassing.</al><al>2.Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                            van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij
                            gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de
                            mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbenden, het meest
                            doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid en/of </al><al>maatschappelijke participatie.</al><al>3.Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                            ondersteuning en voorzieningen en zorgt voor een evenwichtige aanpak
                            binnen de verschillende doelgroepen.</al><al>4.Het college kan bij het bepalen van het aanbod van voorzieningen
                            prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en
                            maatschappelijke-, economische- en conjuncturele ontwikkelingen.</al><lijst><li nr="5."><al>Het college bevordert de beschikbaarheid van flankerende
                                    voorzieningen die belemmeringen voor toetreding tot de
                                    arbeidsmarkt kunnen opheffen.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan, in overeenstemming met het UWV en gelet op
                                    artikel 7 lid 3 van de WWB, de voorzieningen als bedoeld in deze
                                    verordening aanbieden aan personen aan wie het UWV een uitkering
                                    verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><al>1.De volgende personen hebben aanspraak op ondersteuning bij
                            arbeidsinschakeling en</al><al>op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening
                            gericht op arbeidsinschakeling:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitkeringsgerechtigde;</al></li><li nr="b."><al>de Anw-er;</al></li><li nr="c."><al>de Nugger;</al></li><li nr="d."><al>de werknemer in de gesubsidieerde arbeid.</al><lijst><li nr="2."><al>Voor de Nugger en Anw-er geldt, dat slechts eenmalig
                                            aanspraak op ondersteuning en een noodzakelijk geachte
                                            voorziening bestaat, voor zover het partner inkomen niet
                                            meer bedraagt dan 130% van het netto Wettelijk Minimum
                                            Loon als bedoeld in artikel</al></li></lijst></li></lijst><al>37 Wwb.</al><lijst><li nr="3."><al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die
                                    gesteld zijn in deze verordening, de beleidsregels en
                                    deuitvoeringsbesluiten.</al></li><li nr="4."><al>Geen aanspraak op ondersteuning bestaat indien er sprake is van
                                    een voorliggende voorziening welke naar mening van het college
                                    in voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de
                                    belanghebbende.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verplichtingen van belanghebbende</titel></kop><al>1.Een persoon die door het college een voorziening wordt aangeboden is
                            verplicht hiervan gebruik te maken.</al><al>2.De persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de
                            verplichtingen die voortvloeien uit de wet, deze verordening, alsmede
                            aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening
                            heeft verbonden.</al><al>3.Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening,
                            niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, dan kan het college de
                            uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de
                            maatregelenverordening en conform hetgeen hierover is</al><al>bepaald in artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ.</al><al>4.Een persoon die deelneemt aan een voorziening is verplicht tot het
                            verstrekken van inlichtingen aan het college die nodig zijn voor het
                            bepalen van een geschikt traject en/of een geschikt
                            re-integratie-instrument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Criteria ontheffing arbeidsverplichting</titel></kop><al>1.Het college kan met inachtneming van artikel 9, tweede lid en artikel
                            9a, van de wet, onderscheidenlijk artikel 37a en 38 van de IOAW en
                            artikel 37a en 38 van de IOAZ bepalen dat aan belanghebbende tijdelijk,
                            geheel of gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de in artikel 4,
                            eerste lid en tweede lid, van deze verordening genoemde verplichtingen,
                            indien:</al><al>a.het betreft een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor
                            een tot zijn last komend kind tot 5 jaar en die daartoe een verzoek
                            indient en voldoet aan de bepalingen welke daarvoor zijn opgenomen in de
                            WWB, IOAW of IOAZ.</al><al>b.belanghebbende om medische of dringende redenen niet in staat is om
                            te</al><al>werken.</al><al>2.Ontheffing van de arbeidsplicht wordt slechts verleend voor een door
                            het college vast te stellen periode.</al><al>3.Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een
                            ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen.</al><al>4.In aansluiting op het gestelde in het eerste tot met het derde lid,
                            kan aan een uitkeringsgerechtigde van 57½ jaar en ouder voor de
                            resterende uitkeringsduur ontheffing van de arbeidsplicht worden
                            verleend, indien is beoordeeld dat de afstand tot de arbeidsmarkt
                            nauwelijks meer valt te overbruggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Sluitende aanpak</titel></kop><al>1.Elke persoon die op grond van artikel 3 aanspraak kan maken op
                            ondersteuning zal, voor zover dit door het college noodzakelijk wordt
                            geacht, een aanbod voor een voorziening worden gedaan gericht op
                            inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al>2.Ten behoeve van de uitvoering kan de gemeente een nadere prioriteit
                            toekennen aan bepaalde doelgroepen.</al><al>3.Het eerste lid is niet van toepassing indien het college heeft bepaald
                            dat voor deze persoon een volledige ontheffing van de
                            arbeidsverplichting geldt.</al><al>4.Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in
                            het eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Budget- en subsidieplafond</titel></kop><al>1.Het college kan bij uitvoeringsbesluit één of meer subsidie- of
                            budgetplafonds vaststellen voor door hen aan te wijzen specifieke
                            voorzieningen. Een door het college ingesteld subsidie- of
                            budget-plafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een
                            specifieke voorziening.</al><al>2.Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in
                            aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>- VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>1.Het college bepaalt welke voorzieningen in elk geval kunnen worden
                            aangeboden, alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover
                            daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al><al>2.Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                            uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere
                            verplichtingen verbinden.</al><lijst><li nr="3."><al>Het college kan een voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                            verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                            wet niet nakomt;</al></li></lijst></li></lijst><al>b.indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van
                            deze verordening;</al><al>c.indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij
                            geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;</al><al>d.indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                            bijdraagt aan arbeidsinschakeling.</al><lijst><li nr="4."><al>Bij uitvoeringsbesluit kan het college ten aanzien van het
                                    re-integratiebeleid en de voorzieningen, als bedoeld in dit
                                    artikel, nadere regels stellen. Deze regels kunnen betrekking
                                    hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanbod van voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>het aanbod van scholing of opleiding als bedoeld in
                                            artikel 9 lid 8 en 9 en artikel 10a lid 5 van de
                                            wet;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;</al></li><li nr="d."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van voorzieningen;</al></li><li nr="e."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                    -vaststelling;</al></li><li nr="f."><al>de aanvraag van- en de besluitvorming over subsidies;</al></li><li nr="g."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten;</al></li><li nr="h."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                    verstrekken van subsidies.</al></li></lijst><al>i.de hoogte van het premiebedrag als bedoeld in artikel 10a lid 6 van de
                            wet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>- SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de
                            uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><al>Het college brengt eenmaal per jaar verslag uit aan de raad over de
                            doeltreffendheid en de effecten van het beleid. Dit verslag sluit aan
                            bij het verslag als bedoeld in artikel 77 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt, na de bekendmaking, in werking met
                            terugwerkende kracht ingaande 1 januari 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Re-integratieverordening WWB
                            2010, gemeente Berkelland”.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 27 januari 2010</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE RE-INTEGRATIEVERORDENING WWB 2010</titel></kop><al/><tussenkop>Algemene toelichting:</tussenkop><al>De Wet werk en bijstand (WWB) geeft burgemeester en wethouders de opdracht om
                    zorg te dragen voor de re-integratie van bijstandsgerechtigden, Nuggers en
                    Anw-ers. De WWB draagt aan de gemeenteraad op om een verordening vast te stellen
                    waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt
                    neergelegd. Tevens wordt hierin de aanspraak van burgers op ondersteuning bij
                    re-integratie geregeld.</al><al>De basis voor de verordening is neergelegd in artikel 8, eerste lid, onder a, en
                    tweede lid en artikel 10, eerste en tweede lid, van de WWB.</al><al>Naast deze wettelijke basis valt uit de memorie van toelichting af te leiden
                    welke zaken in of via de verordening geregeld moeten of kunnen worden. Deze
                    zaken zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanspraak van de doelgroepen op ondersteuning door de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>het beleid ten aanzien van de diverse doelgroepen en
                            subdoelgroepen;</al></li><li nr="-"><al>het beleid ten aanzien van de combinatie van werk en zorgtaken;</al></li><li nr="-"><al>de beschikbaarheid van financiële middelen.</al></li></lijst><al>In de gemeente Berkelland wordt het beleid op een aantal niveaus geregeld:</al><al>1.In de verordening zelf.</al><al>Gekozen is voor een procedurele vorm. Uitgangspunt hierbij is dat de contouren
                    van het beleid voor langere tijd kan worden vastgelegd. Een procedureel
                    ingerichte verordening heeft als voordeel flexibiliteit. Beleid kan verder
                    ontwikkeld of bijgesteld worden nadat de verordening is vastgesteld zonder dat
                    deze steeds moet worden aangepast.</al><al>2.In beleidsregels/uitvoeringsbesluiten.</al><al>Deze geven aan burgemeester en wethouders de mogelijkheid om ten behoeve van een
                    adequate uitvoering van het re-integratiebeleid flexibel te kunnen
                    handelen.</al><al>In deze verordening wordt onder andere vastgelegd: de verhouding tussen raad en
                    college alsmede enkele algemene artikelen over de opdracht aan het college, de
                    aanspraak op ondersteuning, de verplichtingen van belanghebbende, de sluitende
                    aanpak en de inzet van voorzieningen.</al><al/><tussenkop>Staatssteun</tussenkop><al>Ondanks het feit dat gemeenten beleidsvrijheid hebben met betrekking tot de
                    inrichting van het re-integratiebeleid, worden zij toch gebonden aan de regels
                    die de Europese Unie stelt.</al><al>Dit betreft onder meer het onderwerp staatssteun, wat is neergelegd in de
                    Verordening Werkgelegenheidssteun (Nr. 2204/2002) en de Verordening de
                    minimis-steun (Verordening (EG) Nr. 69/2001).</al><al/><al>De Europese regelgeving over staatssteun kan een beperking van de mogelijkheden
                    voor het gemeentelijke re-integratiebeleid opleveren. Van belang is om na gaan,
                    in hoeverre de gemeentelijke verordening voldoet aan de voorwaarden uit de
                    Europese verordeningen.</al><al>Indien in de gemeentelijke verordening sprake is van een <cursief>generieke
                        regeling</cursief>, dan worden de subsidies niet aangemerkt als staatssteun.
                    De bepalingen uit de EG-verordeningen zijn dan niet van toepassing. Generiek wil
                    zeggen, dat <cursief>niet op voorhand </cursief>bepaalde bedrijven of groepen
                    van bedrijven of sectoren expliciet in de verordening worden uitgesloten van
                    subsidiëring.</al><al>Naast de inhoudelijke regels vragen de EG-verordeningen om uitgebreide
                    informatiestromen richting Europese Commissie. Deze informatieverplichtingen
                    worden beperkt door afspraken van het Ministerie van SZW met de Europese Unie,
                    die hun weerslag hebben gevonden in het document “Subsidiëring arbeidsplaatsen
                    in het kader van re-integratie werkzoekenden – beleidsaanbeveling van belang
                    voor het opstellen van de gemeentelijke re-integratieverordeningen in het kader
                    van de Wet Werk en Bijstand.”</al><al/><al>De beperking van de informatieverplichtingen wordt alleen effectief, als
                    gemeenten een expliciete verwijzing naar deze beleidsaanbeveling opnemen in hun
                    re-integratieverordening. In deze verordening is ervoor gekozen deze verwijzing
                    op te nemen in de aanhef van de verordening (<cursief>gelet op …</cursief>).
                    Hiermee wordt aangegeven dat alle bepalingen uit de verordening in
                    overeenstemming zijn met deze beleidsaanbeveling. Overigens wordt er in de
                    beleidsaanbeveling van uitgegaan dat de gemeentelijke verordening voldoet aan de
                    EG-verordeningen ter zake. Daarom is er in deze verordening voor gekozen om ook
                    deze EG-verordeningen in de aanhef op te nemen.</al><al/><tussenkop>Relatie met de maatregelverordening:</tussenkop><al>De op grond van de WWB opgestelde maatregelenverordening regelt het samenspel
                    van de rechten en plichten van de cliënt.</al><al>De re-integratieverordening en de maatregelenverordening zijn nauw met elkaar
                    verbonden.</al><al>Immers, aan de plicht tot meewerken aan een traject kunnen sancties worden
                    verbonden die gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Dit sanctiebeleid
                    wordt geregeld in de maatregelen- en handhavingverordening.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit artikel worden een aantal begrippen omschreven, die meer dan eens
                    voorkomen en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt
                    verstaan. Er wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de
                    WWB.</al><al>Onder college en raad worden verstaan de betreffende organen van de gemeente
                    Berkelland.</al><al>Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de verordening alleen op de gemeente
                    Berkelland van toepassing is.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Opdracht college</tussenkop><al>De WWB geeft aan burgemeester en wethouders de verantwoordelijkheid voor het
                    bieden van ondersteuning. Hoewel cliënten aanspraak kunnen maken op
                    ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals
                    de cliënt dat mogelijk het liefst zou zien. Het is aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor voldoende aanbod van voorzieningen, waarbij
                    zij te maken hebben met beperkte financiële middelen. De vraag naar
                    ondersteuning zal afhankelijk zijn van een veelheid aan sociaal-economische
                    factoren.</al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is gesteld, geeft de WWB aan de
                    gemeenteraad de opdracht om het re-integratiebeleid vast te leggen in een
                    verordening. In Berkelland wordt gekozen voor een systematiek om de verordening
                    meer procedureel te houden en voor verdere uitwerking gebruik te maken van
                    beleidsuitvoeringsvoorschriften (besluiten).</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Aanspraak op ondersteuning</tussenkop><al>Ondersteuning hoeft niet altijd te bestaan uit een door derden uitgevoerde
                    diagnose, gevolgd door een vastgesteld traject met één of meerdere
                    voorzieningen. Als dat kan, kan worden volstaan met advies of doorverwijzing
                    naar andere instanties. Voorzieningen worden alleen ingezet als zonder die inzet
                    het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid en/of maatschappelijke participatie
                    niet mogelijk is. Bovendien worden de voorzieningen alleen ingezet als aan de
                    hand van onderzoek is gebleken dat door de inzet van die voorziening het vinden
                    van algemeen geaccepteerde arbeid binnen afzienbare tijd mogelijk wordt.
                    Re-integratie moet bovendien de kortste weg naar (duurzame) arbeid zijn. Daarmee
                    wordt niet alleen de tijd tussen de inzet van het instrument en de
                    werkaanvaarding en/of participatie bedoeld, maar ook de inspanningen die het
                    kost omdat doel te bereiken.</al><al>De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt bij
                    burgemeester en wethouders, die immers ook verantwoordelijk zijn voor de
                    effectieve en doelmatige inzet van de middelen. Binnen de grenzen van die
                    verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden met de wensen van de cliënt. Voor
                    het slagen van het traject is de motivatie van de cliënt belangrijk. Voordat tot
                    het inzetten van het traject wordt besloten, wordt de inhoud hiervan met cliënt
                    besproken, waarna het trajectplan door alle partijen wordt ondertekend.</al><al>In het tweede lid zijn bepalingen opgenomen om het recht op ondersteuning te
                    beperken voor Nuggers en Anw-ers, waarmede een relatie wordt gelegd naar de
                    eigen verantwoordelijkheid en eigen (financiële) mogelijkheden. Het partner
                    inkomen is als uitgangspunt genomen omdat het beoogde beleid zich richt op
                    gezinnen met een zwakke economische positie.</al><al>Voorts beoordeelt het college of en welke voorziening noodzakelijk is. Overigens
                    kan ook de hardheidsclausule van artikel 9 worden overwogen als daar aanleiding
                    toe is.</al><al>In het derde lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden
                    van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar de documenten waarin de criteria
                    worden verwoord.</al><al>De in het vierde lid genoemde voorliggende voorziening kan bijvoorbeeld zijn: de
                    bemiddeling richting arbeidsmarkt door het UWV werkbedrijf of
                    re-integratieactiviteiten die door het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen
                    worden aangeboden.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Verplichtingen van belanghebbende</tussenkop><al>In de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht
                    op een uitkering. Uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in het eerste
                    en tweede lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd.</al><al>Deelname aan re-integratie is niet vrijblijvend. Bijstandsgerechtigden zijn
                    reeds door het ontvangen van een uitkering aan bepaalde verplichtingen
                    gehouden.</al><al>Voor diegene zonder uitkering moeten daarom in deze verordening voorwaarden aan
                    het Re-integratietraject worden gekoppeld. Deze gelden dan vanzelfsprekend ook
                    voor de bijstandsgerechtigde. Het niet nakomen van de verplichtingen geeft de
                    mogelijkheid om een traject af te breken of gevraagde ondersteuning te weigeren,
                    bijvoorbeeld als iemand niet mee wil werken aan een onderzoek. Het is dan ook
                    van belang dat de belangrijkste voorwaarden voor het behalen van succes als
                    verplichting zijn opgenomen. Natuurlijk heeft de cliënt ook rechten. Deze
                    rechten zijn elders in wet- of regelgeving ondergebracht.</al><al>Tegen beslissingen op grond van deze verordening staat bezwaar en beroep
                    open</al><al>op grond van de Awb. Het recht op inzage in gegevens en zonodig correctie
                    daarvan is geregeld in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).</al><al>Het derde lid verbindt deze re-integratieverordening met de maatregelen- en
                    handhaving verordening. Deze verordening regelt het opleggen van een maatregel
                    indien de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet. Deze
                    maatregel bestaat uit het verlagen van de uitkering met een bepaald
                    percentage.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Criteria ontheffing
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al>De in het eerste lid onder a opgenomen situatie is een verbijzondering van
                    hetgeen in artikel 9 vierde lid van de WWB is opgenomen. Hierin is bepaald dat
                    de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden voor de
                    alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar slechts geldt nadat het college
                    zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende
                    kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de
                    cliënt. Onder kinderen tot 12 jaar wordt in Berkelland verstaan kinderen die op
                    een basisschool onderwijs volgen. De belastbaarheid wordt in principe beoordeeld
                    door de consulent / casemanager. Bij vergaand verschil van mening over de mate
                    van belastbaarheid dient gekozen te worden voor een advies van een
                    onafhankelijke externe deskundige.</al><al>De toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van cliënt dient naar
                    individuele omstandigheden te worden bepaald.</al><al>Nu is in het 1e lid onderdeel a opgenomen de mogelijkheid om ontheffing van de
                    arbeidsplicht te vragen zoals bedoeld in de wetgeving van 29 december 2008,
                    staatsblad 595.</al><al>De in het 1e lid onder b genoemde situatie wordt bij voorkeur ondersteund door
                    een extern onafhankelijk deskundig advies. Onder deze omschrijving valt
                    overigens ook psychische problematiek.</al><al>In artikel 9 lid 2 van de wet is bepaald dat, indien daarvoor dringende redenen
                    aanwezig zijn, een ontheffing slechts tijdelijk kan worden verleend. Het tweede
                    lid van dit artikel sluit hierbij aan. </al><al>In het derde lid is bepaald dat het college deze periode kan verlengen nadat een
                    herbeoordeling heeft plaatsgevonden. Dit is aan de orde als na afloop van de
                    ontheffingsperiode de omstandigheden ongewijzigd zijn of er nieuwe zwaarwegende
                    factoren voor een nieuwe ontheffing aanwezig zijn. Bij het bepalen van de
                    periode worden de wettelijke bepalingen, zoals genoemd in artikel 9a Wwb resp.
                    38 IOAW/IOAZ in acht genomen.</al><al>Het vierde lid biedt de mogelijkheid, voor wat betreft het tijdelijk karakter
                    van een ontheffing, een uitzondering te maken voor personen van 57½ jaar en
                    ouder, mits na een individuele beoordeling is komen vast te staan dat de afstand
                    tot de arbeidsmarkt nauwelijks valt te overbruggen. In een dergelijke situatie
                    kan voor de resterende uitkeringsduur blijvende ontheffing van de arbeidsplicht
                    worden verleend.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Sluitende aanpak</tussenkop><al>In de WWB is de sluitende aanpak niet meer expliciet geregeld. De wetgever gaat
                    ervan uit dat door de systematiek van de wet er in facto een sluitende aanpak
                    ontstaat.</al><al>Desondanks kan de gemeente van oordeel zijn dat een sluitende aanpak geregeld
                    dient te worden.</al><al>Personen die op grond van artikel 3 aanspraak kunnen maken op een voorziening,
                    doet het college een aanbod voor een voorziening voor zover het college dit
                    noodzakelijk acht.</al><al>Hierbij kan prioriteit gegeven worden aan door het college nader te bepalen
                    doelgroepen.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Budget- en subsidieplafonds</tussenkop><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput zijn van
                    begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen
                    te weigeren. Indien dit in verband met de financiële beheersbaarheid
                    noodzakelijk wordt geacht, kan het college besluiten met betrekking tot
                    specifiek te benoemen voorzieningen, budget- en subsidieplafonds in te
                    stellen.</al><al>De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen
                    algemeen plafond ingesteld kan worden. Wel kan per voorziening een plafond
                    worden ingebouwd. Dit laat de mogelijkheid open naar andere instrumenten uit te
                    wijken.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Algemene bepalingen over
                    voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen om enkele zaken te regelen die te maken hebben met de
                    voorzieningen die in het kader van deze verordening worden bedoeld.</al><al>Zoals bij de toelichting op artikel 3 reeds is beschreven gaat het om
                    instrumenten die kunnen worden ingezet om re-integratie naar algemeen
                    geaccepteerde arbeid te bevorderen, zoals bemiddeling, scholing, activering,
                    leer-werkplekken, activiteiten met behoud van uitkering, gesubsidieerd werk,
                    sociale activering, premies, zorg- en hulpverlening etc.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard
                    zijn.</al><al>Het derde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen zij dit kan doen. Onder beëindigingen wordt hierbij ook verstaan
                    het stopzetten van de subsidie aan de werkgever.</al><al>Het vierde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor het
                    re-integratiebeleid en de voorzieningen nadere regels te stellen.</al><al>Naar aanleiding van de wet Stap en de wet Verbetering arbeidsmarktpositie
                    alleenstaande ouders van 29 december 2008 zijn de onderdelen b en i aan lid 4
                    toegevoegd. Deze bepalingen bieden het college de mogelijkheid regels te stellen
                    betreffende scholing en een premie.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 10. Nadere regels</tussenkop><al>Voor de juiste uitvoering van de verordening kan het noodzakelijk zijn dat
                    nadere uitvoeringsregels worden vastgesteld. Dit artikel geeft het college de
                    bevoegdheid om dergelijke regels vast te stellen.</al><al/><tussenkop>Artikel 11. Uitvoering</tussenkop><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van deze verordening bij het
                    college.</al><al/><tussenkop>Artikel 12. Verantwoording</tussenkop><al>Dit artikel biedt de basis voor de verantwoording van het beleid. De WWB geeft
                    aan dat het college elk jaar een voorlopig en een definitief verslag over de
                    uitvoering (VODU) naar het rijk zendt. Deze verslagen dienen gepaard te gaan van
                    een verklaring van de gemeenteraad.</al><al>Daarom is ervoor gekozen expliciet op te nemen dat er een verantwoordingsverslag
                    aan de raad moet worden gezonden. Het ligt voor de hand dat bij de vormgeving
                    van het verslag op grond van deze verordening wordt aangesloten bij de inhoud
                    van het VODU.</al><al/><tussenkop>Artikel 13. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 14. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>