<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR328583_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels faunabeheer en schadebestrijding Gelderland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2014/59</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels faunabeheer en schadebestrijding Gelderland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81 juncto Flora- en faunawet, artt. 30; 46 lid 5; 67; 68 en 74a lid 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-04-22</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-04-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuw</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013-017735</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>flora en fauna</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Red. In de Toelichting op deze regeling staat onder II Artikelsgewijs tweemaal artikel 29 genoemd. Het als laatste genoemde artikel 29 is niet goed. Dat moet artikel 30 zijn.</al><al>Deze regeling is vervangen door de Beleidsregels procedure besluitvorming Wet natuurbescherming Gelderland.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels faunabeheer en schadebestrijding Gelderland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND</al><al>Gelet op de artikelen 30, 46, vijfde lid, 67, 68 en 74a, tweede lid van de
                        Flora- en faunawet; Overwegende dat het wenselijk is om ten aanzien van de
                        haar toegekende bevoegdheden nadere regels te stellen in verband met een
                        eenduidige toepassing van de bevoegdheden;</al><al>BESLUITEN</al><al>vast te stellen de volgende beleidsregels: Beleidsregels faunabeheer en
                        schadebestrijding Gelderland</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>DEEL I ALGEMENE REGELS</titel></kop><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> aanwijzing: een aanwijzing als bedoeld in artikel 67 van de
                                        wet;</al></li><li nr="b."><al> andere bevredigende oplossing: het hanteren van een
                                        alternatief middel voor beheer en bestrijding van schade
                                        waarvan de zelfstandige inzet, naar het oordeel van
                                        deskundigen, ten minste even effectief is als de inzet van
                                        het voorgenomen middel;</al></li><li nr="c."><al> deskundige: gezaghebbende en ter zake kundige persoon of
                                        instantie op het gebied van faunabeheer en
                                        schadebestrijding;</al></li><li nr="d."><al> doelstand: gewenste omvang van de populaties in het wild
                                        levende dieren van een bepaalde diersoort in een omschreven
                                        gebied;</al></li><li nr="e."><al> faunabeheer: het uitvoeren van maatregelen voor beheer en
                                        bestrijding van schade van in het wild levende dieren;</al></li><li nr="f."><al> gunstige staat van instandhouding: een zodanige omvang en
                                        samenstelling van populaties van een diersoort dat, naar het
                                        oordeel van deskundigen, de soort binnen Nederland duurzaam
                                        behouden blijft in zijn natuurlijke leefomgeving;</al></li><li nr="g."><al> in het wild levende dieren: niet-gedomesticeerde dieren
                                        behorende tot beschermde inheemse diersoorten, verwilderde
                                        dieren en andere diersoorten als bedoeld in artikel 67 van
                                        de wet waaronder exoten;</al></li><li nr="h."><al> leefgebied: het aangewezen gebied waarin de diersoorten,
                                        waarop indien nodig regulatie van de populatieomvang
                                        plaatsvindt, zich bevinden;</al></li><li nr="i."><al> middel: middel, maatregel of handeling waarmee dieren mogen
                                        worden verjaagd, gevangen of gedood als bedoeld in de wet en
                                        het Besluit beheer en schadebestrijding dieren, of waarmee
                                        schade kan worden voorkomen of verminderd;</al></li><li nr="j."><al> onnodig lijden: langer dan noodzakelijk ondergaan van
                                        lichamelijke pijn, doodsangst, stress of doodsbedreigend
                                        ongemak;</al></li><li nr="k."><al> ontheffing: een ontheffing als bedoeld in artikel 68 van de
                                        wet;</al></li><li nr="l."><al> planmatig en gecoördineerd beheer: beheer en
                                        schadebestrijding dat op een planmatige en gecoördineerde
                                        manier verloopt voor een periode van meerdere jaren;</al></li><li nr="m."><al> schade: materieel nadeel ontstaan door de aanwezigheid van
                                        in het wild levende dieren;</al></li><li nr="n."><al> vee: bedrijfsmatig gehouden vee zijnde dieren die in het
                                        kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf met een
                                        winstoogmerk worden gehouden in verband met de productie van
                                        bijvoorbeeld melk, vlees, wol, veren of eieren;</al></li><li nr="o."><al> vrijstelling: een vrijstelling als bedoeld in artikel 65
                                        van de wet;</al></li><li nr="p."><al> wet: Flora- en faunawet.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 2 Faunabeheerplannen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een faunabeheerplan bevat voor de diersoorten edelhert,
                                    damhert, ree of wild zwijn, in aanvulling op artikel 10 van het
                                    Besluit faunabeheer, in ieder geval de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al> de omvang en ligging van de leefgebieden van de
                                            diersoorten binnen het werkgebied van de
                                            faunabeheereenheid;</al></li><li nr="b."><al> kwantitatieve gegevens over de populaties van de
                                            diersoorten in het betrokken gebied gedurende ten minste
                                            de vijf jaren voorafgaand aan de indiening van het
                                            faunabeheerplan;</al></li><li nr="c."><al> de gewenste stand van de diersoorten per leefgebied in
                                            vergelijking tot de stand die een gunstige staat van
                                            instandhouding van de soorten garandeert;</al></li><li nr="d."><al> de gewenste stand van de diersoorten per leefgebied in
                                            vergelijking tot de gewenste stand binnen het gehele
                                            werkgebied van de faunabeheereenheid; en</al></li><li nr="e."><al> een beschrijving van de wijze waarop jaarlijks
                                            invulling wordt gegeven aan de te bereiken doelstanden
                                            (werkplan).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder duurzaam beheer als bedoeld in artikel 30, derde lid, van
                                    de wet en artikel 10 van het Besluit faunabeheer wordt ten
                                    minste verstaan faunabeheer gericht op behoud of herstel van een
                                    gunstige staat van instandhouding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de voorbereiding van de goedkeuring van een faunabeheerplan
                                    is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De goedkeuring wordt slechts onthouden wegens strijd met het
                                    bepaalde bij of krachtens de wet of de beleidsregels faunabeheer
                                    en schadebestrijding Gelderland.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het besluit tot goedkeuring kan gelijktijdig worden genomen met
                                    een besluit tot aanwijzing of ontheffing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 3 Aanwijzingen en ontheffingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>§ 1 Algemeen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien wordt verzocht om aanwijzing of ontheffing in het
                                        belang van de volksgezondheid gaat de aanvraag vergezeld van
                                        een onderbouwing waarom aanwijzing of ontheffing op grond
                                        van dit belang noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een onderbouwing als bedoeld in lid 1 bestaat in ieder
                                        geval uit het overleggen van een advies van de Gemeentelijke
                                        Gezondheidsdienst (GGD), de Nederlandse Voedsel- en
                                        Warenautoriteit (NVWA) of een andere gezaghebbende en ter
                                        zake kundige instantie op het gebied van de volksgezondheid,
                                        dan wel kan blijken uit een verwijzing naar landelijk
                                        volksgezondheidsbeleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien wordt verzocht om aanwijzing of ontheffing in het
                                        belang van de openbare veiligheid of veiligheid van het
                                        luchtverkeer gaat de aanvraag vergezeld van een onderbouwing
                                        waarom aanwijzing of ontheffing op grond van dit belang
                                        noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een onderbouwing als bedoeld in lid 1 bestaat in ieder
                                        geval uit het overleggen van een verklaring van de voor de
                                        openbare veiligheid of veiligheid van het luchtverkeer
                                        verantwoordelijke overheid of instantie waaruit blijkt dat
                                        deze veiligheid in het geding is of indien het de
                                        verkeersveiligheid op wegen betreft getalsmatige en
                                        ruimtelijke informatie over aanrijdingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien wordt verzocht om aanwijzing of ontheffing ter
                                        voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen,
                                        bedrijfsmatige visserij of wateren gaat de aanvraag
                                        vergezeld van een onderbouwing waarom aanwijzing of
                                        ontheffing op grond van dit belang noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een onderbouwing als bedoeld in lid 1 bestaat in ieder
                                        geval uit het overleggen van relevante objectieve
                                        schadegegevens van in bedrijfsmatige context geleden
                                        schade.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Belangrijke schade aan gewassen bedraagt ten minste €
                                        250,00 per geval, waarbij een geval bestaat uit een door één
                                        diersoort in één jaar aan één of meerdere gewassen van één
                                        bedrijf veroorzaakte schade.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien wordt verzocht om aanwijzing of ontheffing ter
                                        voorkoming van schade aan flora en fauna gaat de aanvraag
                                        vergezeld van een onderbouwing waarom aanwijzing of
                                        ontheffing op grond van dit belang noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een onderbouwing als bedoeld in lid 1 bestaat in ieder
                                        geval uit het overleggen van een oordeel van deskundigen
                                        waaruit blijkt dat de aanwezigheid van een diersoort van
                                        negatieve invloed is op bedreigde of zeldzame in het wild
                                        voorkomende flora of fauna.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de beoordeling van het bestaan van een andere
                                        bevredigende oplossing wordt in beginsel het advies van het
                                        Faunafonds gevolgd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een alternatief middel kan in ieder geval niet als
                                        bevredigend worden aangemerkt indien de inzet daarvan: </al><lijst><li nr="a."><al> het belang schaadt dat de betrokken verbodsbepaling
                                                beoogt te beschermen;</al></li><li nr="b."><al> niet kan worden afgewogen door het spoedeisende
                                                karakter van het in geding zijnde belang;</al></li><li nr="c."><al> door hoedanigheid of juridische beletselen wordt
                                                beperkt;</al></li><li nr="d."><al> zodanig omvangrijk wordt dat de kosten niet opwegen
                                                tegen de baten;</al></li><li nr="e."><al> leidt tot wezenlijke belemmering van het formeel
                                                bestemde gebruik van betrokken gronden; of</al></li><li nr="f."><al> leidt tot wezenlijke aantasting van
                                                landschappelijke, historische of andere ruimtelijke
                                                waarden van de betrokken gebieden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Afwijking van de bij of krachtens de wet aangewezen
                                        middelen waarmee dieren mogen worden gevangen of gedood
                                        wordt slechts toegestaan voorzover daartoe aanleiding is
                                        gezien de gebleken functionaliteit en effectiviteit van de
                                        betreffende afwijkende middelen in relatie tot de bij of
                                        krachtens de wet aangewezen middelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvraag voor aanwijzing of ontheffing voorziet in
                                        gevallen als bedoeld in lid 1 in een onderbouwing van de
                                        noodzaak van de voorgenomen middelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><al>Afwijking van bij of krachtens de wet gestelde eisen aan de
                                    omvang van jachtvelden bij gebruik van een geweer wordt slechts
                                    toegestaan voorzover daartoe aanleiding is door bestaande
                                    belemmeringen rechtstreeks voortvloeiend uit de ruimtelijke
                                    inrichting.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aanwijzing of ontheffing wordt op aanvraag gegeven aan een
                                        faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van lid 1 kan aanwijzing of ontheffing zonder
                                        faunabeheerplan worden gegeven, ook aan anderen dan een
                                        faunabeheereenheid, in incidentele gevallen als bedoeld in
                                        artikel 68, zesde lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van lid 1 kan aanwijzing ambtshalve
                                        plaatsvinden indien daartoe naar oordeel van Gedeputeerde
                                        Staten een noodzaak bestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de voorbereiding van besluiten tot aanwijzing of
                                        ontheffing op basis van een faunabeheerplan is afdeling 3.4
                                        van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de voorbereiding van besluiten tot aanwijzing of
                                        ontheffing zonder faunabeheerplan of ambtshalve aanwijzing
                                        is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van lid 1 is afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht niet van toepassing bij wijzigingen van
                                        ondergeschikt belang van een bestaande aanwijzing of
                                        ontheffing op basis van een faunabeheerplan.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 2 Aanwijzing</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtshalve aanwijzing voor beschermde inheemse
                                        diersoorten wordt slechts gegeven indien er niet voldoende
                                        mogelijkheden voor beheer en bestrijding van schade op
                                        andere wijze zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De mogelijkheden voor beheer en bestrijding van schade zijn
                                        in ieder geval niet voldoende indien: </al><lijst><li nr="a."><al> grondgebruikers niet voldoende meewerken aan het
                                                gewenste faunabeheer als bedoeld in het
                                                faunabeheerplan;</al></li><li nr="b."><al> toestemming van de grondgebruiker voor het
                                                uitoefenen van faunabeheer wordt geweigerd; of</al></li><li nr="c."><al> spoedeisendheid onmiddellijk ingrijpen vergt en
                                                toestemming van de grondgebruiker niet kan worden
                                                afgewacht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14</titel></kop><al>Een ambtshalve aanwijzing voor andere diersoorten of verwilderde
                                    dieren als bedoeld in artikel 67 van de wet wordt slechts
                                    gegeven indien Gedeputeerde Staten zulks noodzakelijk achten en
                                    wordt niet afhankelijk gesteld van een faunabeheerplan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een verzoek tot aanwijzing bevat een beschrijving van de in
                                        te zetten middelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een verzoek tot aanwijzing bevat in ieder geval een
                                        onderbouwing, al dan niet middels verwijzing naar een
                                        faunabeheerplan, waarin wordt gemotiveerd: </al><lijst><li nr="a."><al> waarom er geen andere bevredigende oplossing
                                                bestaat;</al></li><li nr="b."><al> waarom er geen afbreuk wordt gedaan aan een
                                                gunstige staat van instandhouding van de soort
                                                voorzover het beschermde inheemse diersoorten
                                                betreft;</al></li><li nr="c."><al> met het oog op welk wettelijk belang om aanwijzing
                                                wordt verzocht; en</al></li><li nr="d."><al> in afwijking van welk wettelijk verbod om
                                                aanwijzing wordt verzocht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een verzoek tot aanwijzing bevat aanvullend op lid 1 in
                                        ieder geval de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al> de verantwoording van de noodzaak tot faunabeheer
                                                aan de hand van een gerichte onderbouwing van de
                                                diersoort en de te verwachten schade;</al></li><li nr="b."><al> een beschrijving van de mate waarin de schade is
                                                opgetreden of door actief faunabeheer is
                                                voorkomen;</al></li><li nr="c."><al> een beschrijving van de effectiviteit van
                                                ondernomen beheerhandelingen; en</al></li><li nr="d."><al> een beschrijving van de wijze waarop jachthouders
                                                beheerhandelingen planmatig en gecoördineerd zullen
                                                uitvoeren.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij een aanwijzing wordt steeds per diersoort bepaald op
                                        welke handelingen de aanwijzing is gericht en welke middelen
                                        daarbij mogen worden ingezet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij een aanwijzing kan per diersoort worden bepaald
                                        gedurende welke periode welke handeling wordt
                                        toegestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17</titel></kop><al>Van de bevoegdheid om te bepalen wat er met bemachtigde dieren
                                    dient te geschieden als bedoeld in artikel 67, zesde lid, van de
                                    wet wordt in ieder geval gebruik gemaakt indien daartoe
                                    aanleiding bestaat in het belang van de volksgezondheid of
                                    openbare veiligheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18</titel></kop><al>De uitgangspunten met betrekking tot de voorschriften bij
                                    ontheffing verlening over machtiging, registratie, legitimatie,
                                    rapportage en overigen als genoemd in de artikelen 22, 23, 24,
                                    25 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing bij een besluit tot
                                    aanwijzing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 3 Ontheffing</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ontheffing wordt niet verleend voor het toestaan van
                                        handelingen ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten
                                        die zijn toegestaan op grond van een bestaande vrijstelling
                                        of aanwijzing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorzover van toepassing wordt in de aanvraag voor
                                        ontheffing aangegeven waarom niet kan worden volstaan met de
                                        handelingen die bij vrijstelling of aanwijzing zijn
                                        toegestaan ter bestrijding van de te verwachten
                                        belangenschade.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ten aanzien van bedreigde soorten of soorten waarvoor
                                        Nederland een internationale verantwoordelijkheid draagt
                                        vindt ontheffingverlening met grote terughoudendheid
                                        plaats.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor het doden van wild vindt ontheffingverlening in
                                        beginsel slechts plaats: </al><lijst><li nr="a."><al> buiten de periode dat de soort bejaagbaar is;</al></li><li nr="b."><al> wanneer belangrijke schade optreedt in gebieden
                                                waar de jacht is gesloten of op grond van wettelijke
                                                beperkingen onmogelijk is; of</al></li><li nr="c."><al> indien bijzondere situaties dat vergen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvraag voor ontheffing bevat een beschrijving van de
                                        in te zetten middelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvraag voor ontheffing bevat in ieder geval een
                                        onderbouwing, al dan niet middels verwijzing naar een
                                        faunabeheerplan, waarin wordt gemotiveerd: </al><lijst><li nr="a."><al> waarom er geen andere bevredigende oplossing
                                                bestaat;</al></li><li nr="b."><al> waarom er geen afbreuk wordt gedaan aan een
                                                gunstige staat van instandhouding van de soort;</al></li><li nr="c."><al> met het oog op welk wettelijk belang ontheffing
                                                wordt aangevraagd; en</al></li><li nr="d."><al> van welk wettelijk verbod ontheffing wordt
                                                aangevraagd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aanvraag voor ontheffing in incidentele gevallen zonder
                                        faunabeheerplan bevat aanvullend op lid 1 en 2 in ieder
                                        geval de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al> de omvang en ligging van het betreffende
                                                gebied;</al></li><li nr="b."><al> de aard van de in redelijkheid te verwachten
                                                schade;</al></li><li nr="c."><al> het oorzakelijk verband tussen de schade en de
                                                betreffende diersoort;</al></li><li nr="d."><al> de omvang van de schade, zo mogelijk ondersteund
                                                door schadegegevens uit het verleden; en</al></li><li nr="e."><al> een advies van de Faunabeheereenheid over de
                                                aanvraag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Ontheffing aan een faunabeheereenheid op basis van een
                                        faunabeheerplan wordt in beginsel verleend voor een periode
                                        van vijf jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien wordt verzocht om ontheffing met het oog op een
                                        ander belang zoals aangewezen in artikel 4 van het Besluit
                                        beheer en schadebestrijding dieren gaat het verzoek
                                        vergezeld van een onderbouwing waarom ontheffing op grond
                                        van dit belang noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij toepassing van de aangewezen andere belangen wordt
                                        verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al> belangrijke overlast: zodanige overlast dat het
                                                normale gebruik van gebouwen of zich daarin of
                                                daarbij bevindende roerende zaken conform de
                                                bestemming naar algemene maatschappelijke maatstaven
                                                ernstig wordt belemmerd;</al></li><li nr="b."><al> niet bedrijfsmatig gehouden vee: landbouwhuisdieren
                                                die anders dan bedrijfsmatig worden gehouden;</al></li><li nr="c."><al> zieke of gebrekkige dieren: dieren die zichtbaar
                                                ziek zijn, uitgeput of een gebrek vertonen waardoor
                                                ze niet meer in de natuur kunnen functioneren;</al></li><li nr="d."><al> sportvelden of industrieterreinen: terreinen
                                                formeel bestemd en ingericht voor de uitoefening van
                                                een lichamelijke veldsport of terreinen formeel
                                                bestemd voor de uitoefening van bedrijfsmatige
                                                activiteiten;</al></li><li nr="e."><al> begraafplaatsen: gemeentelijke of bijzondere
                                                begraafplaatsen in de zin van de Wet op de
                                                lijkbezorging, particuliere begraafplaatsen of
                                                dierenbegraafplaatsen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22</titel></kop><al>Aan een besluit tot ontheffing aan een faunabeheereenheid op
                                    basis van een faunabeheerplan worden in ieder geval
                                    voorschriften verbonden met betrekking tot het machtigen van
                                    derden voor het gebruik van de ontheffing op grond van de
                                    volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al> ontheffinghouder is medeverantwoordelijk voor het
                                            gebruik van de ontheffing door gemachtigden;</al></li><li nr="b."><al> ontheffinghouder kan aan wildbeheereenheden een
                                            volmacht geven om namens haar machtigingen af te
                                            geven;</al></li><li nr="c."><al> ontheffinghouder draagt zorg voor instructie van iedere
                                            ontheffinggebruiker over aard en omvang van de
                                            ontheffing waaronder de verplichtingen en beperkingen
                                            voortvloeiend uit de voorschriften bij de
                                            ontheffing;</al></li><li nr="d."><al> ontheffinggebruikers betreffen uitsluitend natuurlijke
                                            personen gemachtigd door of namens de ontheffinghouder;
                                            en</al></li><li nr="e."><al> ontheffinggebruiker kan zich in eigen aanwezigheid en
                                            onder eigen verantwoordelijkheid bij het feitelijk
                                            gebruik laten bijstaan door anderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23</titel></kop><al>Aan een besluit tot ontheffing aan een faunabeheereenheid op
                                    basis van een faunabeheerplan worden in ieder geval
                                    registratieverplichtingen verbonden voor het gebruik van de
                                    ontheffing op grond van van de volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al> ontheffinghouder zorgt voor registratie van de door of
                                            namens haar gemachtigde personen voorafgaand aan het
                                            feitelijk gebruik van de ontheffing;</al></li><li nr="b."><al> ontheffinghouder zorgt voor registratie van de op grond
                                            van de ontheffing uitgevoerde handelingen;</al></li><li nr="c."><al> ontheffinghouder zorgt er voor dat de geregistreerde
                                            informatie gedurende een periode van ten minste vijf
                                            jaar inzichtelijk is voor een toezichthouder;</al></li><li nr="d."><al> ontheffinggebruiker zorgt voor registratie van de
                                            persoonsgegevens van de personen die hem bij het
                                            feitelijk gebruik bijstaan en zorgt er voor dat de
                                            geregistreerde informatie gedurende een periode van zes
                                            maanden inzichtelijk is; en</al></li><li nr="e."><al> aan ontheffingen voor populatiebeheer kan een
                                            verplichting tot het gebruik van een merkensysteem
                                            worden verbonden, gebaseerd op het hanteren van een
                                            uniek kenmerk per gedood dier.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24</titel></kop><al>Aan een besluit tot ontheffing aan een faunabeheereenheid op
                                    basis van een faunabeheerplan worden in ieder geval
                                    legitimatieverplichtingen verbonden voor het gebruik van de
                                    ontheffing, waarbij geldt dat ontheffinggebruiker, onverminderd
                                    de verplichtingen die bij of krachtens de wet gelden, in het
                                    bezit is van:</al><lijst><li nr="a."><al> een geldige jachtakte of valkeniersakte indien van
                                            toepassing;</al></li><li nr="b."><al> een schriftelijke machtiging door of namens
                                            ontheffinghouder;</al></li><li nr="c."><al> een door of namens ontheffinghouder afgegeven en
                                            gewaarmerkt afschrift van ten minste het deel van de
                                            ontheffing dat betrekking heeft op het besluit en de
                                            voorwaarden; en</al></li><li nr="d."><al> een schriftelijke toestemming voor het uitvoeren van
                                            beheer en schadebestrijding van de grondgebruiker of een
                                            kopie daarvan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25</titel></kop><al>Aan een besluit tot ontheffing worden in ieder geval
                                    rapportageverplichtingen verbonden over het gebruik van de
                                    ontheffing waarbij geldt dat ontheffinghouder binnen de in de
                                    ontheffing gestelde periode aan Gedeputeerde Staten rapporteert
                                    over de wijze waarop van de ontheffing gebruik is gemaakt,
                                    zoals:</al><lijst><li nr="a."><al> de locatie waar de ontheffing is gebruikt, voor zover
                                            sprake is van een faunabeheerplan uitgedrukt op het
                                            niveau van wildbeheereenheid of gemeente;</al></li><li nr="b."><al> het aantal keer dat de ontheffing is gebruikt,
                                            uitgedrukt in ondernomen acties per belang;</al></li><li nr="c."><al> de aard van de ondernomen acties per belang;</al></li><li nr="d."><al> een opgave van de aantallen gedode dieren of genomen
                                            maatregelen per belang; en</al></li><li nr="e."><al> een inschatting van de desondanks ontstane schade en
                                            het vermoedelijke effect van de ondernomen acties indien
                                            redelijkerwijs beschikbaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26</titel></kop><al>In aanvulling op de artikelen 22, 23, 24 en 25 kunnen aan een
                                    besluit tot ontheffing voorschriften worden verbonden ten
                                    aanzien van het gebruik van de ontheffing, zoals:</al><lijst><li nr="a."><al> het gebruik van een ontheffing kan geheel of
                                            gedeeltelijk worden opgeschort wegens bijzondere
                                            omstandigheden;</al></li><li nr="b."><al> een ontheffing wordt op eerste vordering ter inzage
                                            gegeven aan daartoe bevoegde ambtenaren van politie,
                                            Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA),
                                            provincie Gelderland of door de minister van Justitie
                                            aangewezen opsporingsambtenaren; of</al></li><li nr="c."><al> ontheffinghouder en -gebruiker verlenen medewerking aan
                                            eventueel gedurende de ontheffingperiode te starten
                                            veterinaire of wetenschappelijke onderzoeken en handelen
                                            in dat verband in volledige overeenstemming met
                                            instructies gegeven door de provincie Gelderland,
                                            ontheffinghouder, Gezondheidsdienst voor Dieren of het
                                            Dutch Wildlife Health Centre.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 4 Sluiten jacht en bijvoeren</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 27</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onder bijzondere weersomstandigheden als bedoeld in artikel 46,
                                    vijfde lid, en artikel 74a, tweede lid, van de wet vallen in
                                    ieder geval de volgende omstandigheden: </al><lijst><li nr="a."><al> ijsbedekking op meer dan 50% van het oppervlaktewater
                                            gedurende een aaneengesloten periode van minimaal 7
                                            dagen;</al></li><li nr="b."><al> sneeuwbedekking op meer dan 90% van het landelijk
                                            gebied gedurende een aaneengesloten periode van minimaal
                                            21 dagen;</al></li><li nr="c."><al> sneeuwbedekking van meer dan 10 centimeter op meer dan
                                            90% van het landelijk gebied gedurende een
                                            aaneengesloten periode van minimaal 7 dagen;</al></li><li nr="d."><al> sneeuwbedekking van bevroren sneeuw op meer dan 90% van
                                            het landelijk gebied gedurende een aaneengesloten
                                            periode van minimaal 7 dagen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bijzondere weersomstandigheden als genoemd in lid 1 worden
                                    geacht in ieder geval beëindigd te zijn indien ijs- of
                                    sneeuwbedekking is gedaald tot minder dan 20% van het
                                    oppervlaktewater of landelijk gebied en gedurende een
                                    aaneengesloten periode van minimaal 3 dagen geen vorst wordt
                                    verwacht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De jacht wordt slechts gesloten na advies van ten minste het
                                    Faunafonds en de Faunabeheereenheid en na raadpleging van de
                                    naar het oordeel van Gedeputeerde Staten relevante omliggende
                                    provincies.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij het advies als bedoeld in lid 1 wordt het volgende
                                    betrokken: </al><lijst><li nr="a."><al> aanwezigheid en bereikbaarheid van voedsel;</al></li><li nr="b."><al> conditie van het wild;</al></li><li nr="c."><al> diersoorten en omvang van het gebied waarvoor de
                                            jachtsluiting zou moeten gelden;</al></li><li nr="d."><al> mate waarin landbouwschade zal gaan optreden in relatie
                                            tot schadevergoeding door het Faunafonds;</al></li><li nr="e."><al> korte en lange termijn temperatuurverwachting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het sluiten van de jacht is in beginsel niet van invloed op
                                    bestaande vrijstellingen, aanwijzingen of ontheffingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ontheffing van het verbod op bijvoeren van edelherten,
                                    damherten, reeën en wilde zwijnen ter bevordering van de stand
                                    vindt slechts plaats na advies van de Faunabeheereenheid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij het advies als bedoeld in lid 1 wordt het volgende
                                    betrokken: </al><lijst><li nr="a."><al> oorzaak en ernst van het voedseltekort;</al></li><li nr="b."><al> diersoorten en termijn waarvoor de ontheffing zou
                                            moeten gelden;</al></li><li nr="c."><al> omvang van het gebied waarvoor de ontheffing zou moeten
                                            gelden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een tijdelijk natuurlijk voedseltekort waardoor het welzijn van
                                    de dieren in het geding is, wordt geacht aan de orde te zijn als
                                    er sprake is van een zodanig lange periode waarin de dieren
                                    wegens onvoldoende beschikbaarheid of bereikbaarheid van
                                    natuurlijke voedselbronnen niet in staat zijn om op een
                                    natuurlijke wijze aan voedsel te komen en de gunstige staat van
                                    instandhouding van de soort direct gevaar loopt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 30</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de
                                    datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt
                                    geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels faunabeheer
                                    en schadebestrijding Gelderland.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De Beleidsregels procedure artikel 68 Flora- en faunawet
                                    Gelderland worden ingetrokken.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>DEEL II SPECIFIEKE REGELS VOOR DIERSOORTEN</titel></kop><structuurtekst><al>Gereserveerd</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Gedeputeerde Staten van Gelderland</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><al><vet>I Algemeen</vet></al><al>Inleiding In de Kadernota Faunabeleid van augustus 2012 is vastgesteld dat in de
                    uitvoeringspraktijk van faunabeheer en schadebestrijding onvoldoende eenduidige
                    toepassing is gegeven aan de bevoegdheden die de Flora- en faunawet aan
                    Gedeputeerde Staten geeft. Zoals in de nota aangekondigd hebben de voorliggende
                    beleidsregels tot doel om richting te geven aan het beleid dat Gedeputeerde
                    Staten voeren bij de uitoefening van haar wettelijke bevoegdheden in het kader
                    van beheer en schadebestrijding van dieren. Er wordt in dat verband naar
                    gestreefd om beheer en schadebestrijding zoveel mogelijk op een gecoördineerde
                    en planmatige manier te laten verlopen, dat wil zeggen door een
                    faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.</al><al>Beheer en schadebestrijding In de Flora- en faunawet worden in het wild levende
                    diersoorten beschermd door middel van een verbodsstelsel. Gedeputeerde Staten
                    hebben de bevoegdheid om diersoorten aan die bescherming te onttrekken via een
                    stelsel van vrijstellingen, aanwijzingen en ontheffingen. Voor beheer en
                    schadebestrijding is er sprake van uitzonderingen op het verbod om diersoorten
                    opzettelijk te verontrusten, te vangen of te doden. Daarvoor moet wel worden
                    voldaan en getoetst aan diverse wettelijke voorwaarden. De beleidsregels geven
                    een nadere invulling aan dit stelsel. In dat verband wordt opgemerkt dat
                    vrijstellingen bij provinciale verordening worden toegestaan. Buiten de algemene
                    begripsvorming worden hiervoor in deze beleidsregels geen specifieke regels
                    gesteld.</al><al>Systematiek De beleidsregels voorzien in een nadere invulling van de
                    noodzakelijke voorwaarden voor beheer en schadebestrijding van dieren. In deel I
                    zijn in dat verband algemene regels vastgesteld die betrekking hebben op de
                    wijze waarop Gedeputeerde Staten beheer en schadebestrijding willen toestaan. In
                    hoofdstuk 1 van dit deel worden een aantal belangrijke begrippen van een nadere
                    betekenis voorzien. Hoofdstuk 2 ziet op de goedkeuring van faunabeheerplannen.
                    In hoofdstuk 3 wordt nader invulling gegeven aan de vereisten voor het geven van
                    aanwijzingen en het verlenen van ontheffingen, bestaande uit een algemene
                    paragraaf voor beide instrumenten gevolgd door paragrafen voor de instrumenten
                    afzonderlijk. Hoofdstuk 4 is gericht op het sluiten van de jacht en het
                    bijvoeren van bepaalde diersoorten. Hoofdstuk 5 ziet ten slotte op de
                    inwerkingtreding van de regeling. Deel II van de beleidsregels is gereserveerd
                    voor specifieke regels voor soorten.</al><al><vet>II Artikelsgewijs</vet></al><al>Artikel 1 Deze beleidsregels hebben betrekking op de uitvoering van de
                    bevoegdheden van Gedeputeerde Staten op grond van de Flora- en faunawet voor wat
                    betreft nadere regulering van jacht, beheer en schadebestrijding van in het wild
                    levende dieren. Als instrumenten biedt het wettelijk kader de mogelijkheid aan
                    de provincie tot het geven van vrijstellingen, aanwijzingen of ontheffingen. Bij
                    de uitvoering van deze beleidsregels speelt een nadere concretisering van een
                    aantal wettelijke begrippen een belangrijke rol. De interpretatie van deze
                    begrippen geeft duiding aan de wijze waarop Gedeputeerde Staten van haar
                    bevoegdheden gebruik wensen te maken. Hieronder volgt een nadere toelichting op
                    de interpretatie van afzonderlijke begrippen.<vet>andere bevredigende
                        oplossing</vet>: De wet gaat uit van preventie van schade boven bestrijding.
                    Als een redelijk doel toch handelingen ten aanzien van diersoorten vergt moeten
                    in eerste instantie minder vergaande middelen zijn of worden toegepast. Zo gaat
                    het verjagen van dieren boven het doden. De inzet van middelen moet echter
                    effectief zijn voor het beschermen van het betreffende belang. Beoordeling
                    hiervan betekent niet dat de mogelijke inzet van alle andere theoretisch
                    mogelijke middelen wordt overwogen. Beoordeeld wordt wel in hoeverre
                    alternatieve middelen een vergelijkbare gebleken functionele en effectieve
                    werking hebben en in bredere zin aanvaardbaar zijn.<vet>doelstand</vet>: Om
                    diverse redenen kunnen omvang en samenstelling van populaties van in het wild
                    levende dieren worden beïnvloed. Voor een dergelijk faunabeheer kunnen
                    aanwijzingen of ontheffingen worden gegeven. Daarbij is het gebruikelijk om vast
                    te stellen welke populatieomvang en -samenstelling dit beheer beoogd te
                    bereiken. Indien de betreffende diersoort niet beschermd is of het gebied voor
                    de soort niet is aangemerkt als leefgebied, kan dit beheer zich ook richten op
                    het nastreven van een nulstand. Als het gaat om een beschermde inheemse
                    diersoort vergt de wet dat een doelstand ten minste de minimumstand waarborgt,
                    noodzakelijk voor de gunstige staat van instandhouding van de betreffende
                        soort.<vet>faunabeheer</vet>: Onder andere kan worden gedacht aan het nemen
                    van beschermende maatregelen, biotoopverbetering, soortenbescherming, actieve
                    verstoring, verjaging, het beschadigen van rust- en verblijfplaatsen, actief
                    vangen of doden van in het wild levende dieren.<vet>gunstige staat van
                        instandhouding</vet>: Inheemse diersoorten zijn beschermd teneinde deze
                    soorten te behouden in zijn natuurlijke leefomgeving binnen het Nederlandse
                    landschap. Daarmee richt de bescherming zich op het behoud van een soort in een
                    omgeving waarin deze op een natuurlijke manier leeft en strekt niet zover dat
                    een soort zich mag vestigen in een omgeving waarin de soort weliswaar prima
                    gedijt maar van nature niet thuishoort. Het minimum aantal dieren noodzakelijk
                    voor de levensvatbaarheid van een bepaalde populatie wordt beoordeeld vanuit
                    zuiver biologisch perspectief en niet vanuit een breder maatschappelijk of
                    ethisch perspectief. Verder wordt aangesloten bij het begrip gunstige staat van
                    instandhouding in de Habitatrichtlijn.<vet>in het wild levende dieren</vet>:
                    Naast beschermde inheemse diersoorten worden in de wet ook andere diersoorten en
                    verwilderde dieren genoemd ten aanzien waarvan een aanwijzing kan worden
                    gegeven. In het wild levende dieren wordt als overkoepelende term gebruikt om
                    voornoemde dieren in totaliteit aan te duiden. Onder andere diersoorten vallen
                    in ieder geval exoten, oftewel uitheemse diersoorten.<vet>leefgebied</vet>: De
                    term leefgebied heeft betrekking op een aangewezen geografisch begrensd terrein
                    waarop regulatie van de populatieomvang van dieren, behorende tot de diersoorten
                    edelhert, ree, damhert of wild zwijn plaatsvindt als bedoeld in artikel 4,
                    onderdeel e, van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren. Binnen het
                    leefgebied wordt het faunabeheer voor de betreffende soort uitgevoerd.
                    Leefgebied moet als zodanig worden onderscheiden van het begrip
                        habitat.<vet>middel</vet>: Bij of krachtens de wet zijn middelen aangewezen
                    waarmee dieren mogen worden gevangen of gedood. Middelen, maatregelen of
                    handelingen kunnen echter ook worden ingezet voor het verjagen van dieren,
                    waaronder verstoring en vernieling van verblijfplaatsen van dieren. Om in dat
                    verband onduidelijkheid te voorkomen wordt voor de toepassing van deze
                    beleidsregels het begrip middel ruim gedefinieerd.<vet>onnodig lijden</vet>:
                    Middelen om dieren te vangen of te doden mogen niet worden gebruikt indien deze
                    onnodig lijden veroorzaken. Onder onnodig wordt verstaan langer dan
                        noodzakelijk.<vet>planmatig en gecoördineerd beheer</vet>: Een planmatige en
                    gecoördineerde manier betekent een stelselmatig manier van beheer en
                    schadebestrijding voor meerdere jaren binnen de kaders van een faunabeheerplan
                    of een coördinatieplan.<vet>schade</vet>: Het bestaan van schade of dreigende
                    schade, de situatie waarin het ontstaan van schade redelijkerwijs kan worden
                    voorzien, vormt een belangrijke grond om af te mogen wijken van de wettelijke
                    verboden. Het moet daarbij gaan om schade gebaseerd op het directe gevolg van de
                    enkele aanwezigheid van dieren en daaraan inherente gedragingen. Zo wordt
                    bijvoorbeeld onder schade wel de materiële schade aan gewassen verstaan, maar
                    niet de kosten voor het taxeren van die schade.<vet>vee</vet>: Onder vee wordt
                    verstaan landbouwhuisdieren, oftewel dieren die in het kader van de uitoefening
                    van een landbouwbedrijf worden gehouden in verband met de productie van
                    dierlijke producten.</al><al>Artikel 2 Gedeputeerde Staten hebben de mogelijkheid om aanvullende eisen te
                    stellen aan de inhoud van faunabeheerplannen. In aanvulling op de eisen die de
                    wet en het besluit Faunabeheer stellen is er behoefte om aanvullende eisen aan
                    de inhoud van faunabeheerplannen te stellen voorzover het plan betrekking heeft
                    op de diersoorten edelhert, damhert, ree of wild zwijn. Voor alle andere
                    diersoorten voldoet de inhoud van de faunabeheerplannen aldus aan de eisen die
                    de wet en het besluit Faunabeheer daaraan stellen. In deel II van de
                    beleidsregels, de specifieke regels voor diersoorten, kunnen echter ook voor
                    andere diersoorten nog aanvullende eisen worden opgenomen.</al><al>Artikel 3 Op de voorbereiding van besluiten tot goedkeuring van
                    faunabeheerplannen wordt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van
                    toepassing verklaard. Tevens wordt aangegeven wanneer goedkeuring wordt
                    onthouden en dat het besluit tot goedkeuring gelijktijdig kan plaatsvinden met
                    een besluit tot aanwijzing of ontheffing.</al><al>Artikel 4 Om te kunnen beoordelen of in een bepaald geval de volksgezondheid in
                    het geding is moet een aanvraag tot aanwijzing of ontheffing op grond van dit
                    belang vergezeld gaan van een onderbouwing in de vorm van een advies van een
                    gezaghebbende instantie op het gebied van de volksgezondheid of verwijzing naar
                    landelijk volksgezondheidsbeleid. Onder het belang van de volksgezondheid wordt
                    wel het voorkomen van besmettingsgevaar en het voorkomen van ongevallen
                    verstaan.</al><al>Artikel 5 Om te kunnen beoordelen of in een bepaald geval de openbare veiligheid
                    of veiligheid van het luchtverkeer in het geding is moet een aanvraag tot
                    aanwijzing of ontheffing op grond van een van deze belangen vergezeld gaan van
                    een onderbouwing in de vorm van een verklaring van een voor deze belangen
                    verantwoordelijke overheid of instantie. Onder het belang van de openbare
                    veiligheid wordt wel verstaan het voorkomen van ongevallen en het voorkomen van
                    ongevallen in het verkeer. Onder het belang veiligheid van het luchtverkeer
                    wordt met name verstaan het voorkomen van aanvaringen tussen dieren
                    (voornamelijk vogels) en vliegtuigen of helikopters. Wanneer het de
                    verkeersveiligheid op wegen betreft kan voor de onderbouwing worden volstaan met
                    getalsmatige en ruimtelijke informatie over aanrijdingen.</al><al>Artikel 6 Om te kunnen beoordelen of in een bepaald geval sprake is van
                    dreigende belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij
                    of wateren moet een aanvraag tot aanwijzing of ontheffing op grond van een van
                    deze belangen vergezeld gaan van een onderbouwing op basis van relevante
                    objectieve schadegegevens van in bedrijfsmatige context geleden schade. Daarbij
                    kan worden gedacht aan schadecijfers afkomstig van officiële onafhankelijke
                    instanties met betrekking tot in het verleden ontstane schade of aan een
                    onderbouwing met onderzoek. Opgemerkt wordt dat ontheffing kan worden verleend
                    om schade te voorkomen en de betreffende schade zich dus niet eerst hoeft te
                    hebben voorgedaan. Wel moet aannemelijk worden gemaakt dat de betreffende
                    diersoort de betreffende schade kan veroorzaken. Dat kan het geval zijn als in
                    het verleden in de omgeving, bijvoorbeeld binnen de grenzen van de
                    wildbeheereenheid waarin het schadegeval is gelegen, door eenzelfde diersoort
                    belangrijke schade aan eenzelfde gewas is veroorzaakt, blijkende uit officiële
                    taxatiecijfers van bijvoorbeeld het Faunafonds. Maar dat kan ook het geval zijn
                    wanneer in het faunabeheerplan een onderbouwing van de schade is gegeven welke
                    niet met een deskundigenrapport is bestreden. Voor de invulling van het begrip
                    belangrijke schade wordt aangesloten bij de jurisprudentie en de beleidsregels
                    van het Faunafonds. Dat betekent dat het bestaan van belangrijke schade wordt
                    aangenomen bij schadebedragen vanaf € 250,00 per geval.</al><al>Artikel 7 Om te kunnen beoordelen of in een bepaald geval sprake is van
                    dreigende schade aan flora en fauna moet een aanvraag tot aanwijzing of
                    ontheffing op grond van dit belang vergezeld gaan van een onderbouwing in de
                    vorm van een deskundigenoordeel waaruit blijkt dat onaanvaardbare schade wordt
                    toegebracht aan in het wild levende flora of fauna. Gedeputeerde Staten zien in
                    dit verband slechts aanknopingspunten voor ingrijpen als een zeldzame of
                    bedreigde soort negatief wordt beïnvloed en faunabeheer aantoonbaar tot een
                    verbetering kan leiden.</al><al>Artikel 8 Slechts wanneer de inzet van preventieve middelen als niet voldoende
                    moet worden aangemerkt kan worden afgeweken van de wettelijke verboden met de
                    inzet van actieve middelen zoals verjagen en doden van dieren. Het Faunafonds
                    heeft de middelen die kunnen worden ingezet ter voorkoming van het optreden of
                    beperken van schade geïnventariseerd. Deze gelden als redelijke alternatieve en
                    bewezen middelen. Gedeputeerde Staten sluiten zich hierbij aan. Daarnaast worden
                    een aantal situaties genoemd waarin Gedeputeerde Staten van oordeel zijn dat er
                    geen sprake is van een andere bevredigende oplossing. Dat kan bijvoorbeeld het
                    geval zijn wanneer er sprake is van dusdanig zwaarwegende belangen dat een
                    aanwijzing of onheffing met spoed noodzakelijk is om direct actie te kunnen
                    ondernemen en een afweging omtrent het bestaan van een mogelijke andere
                    bevredigende oplossing niet kan worden afgewacht.</al><al>Artikel 9 Van de bij of krachtens de wet aangewezen middelen waarmee dieren
                    mogen worden gevangen of gedood mag slechts worden afgeweken voorzover
                    toegestane middelen geen onnodig lijden van dieren veroorzaken. Gedeputeerde
                    Staten staan slechts andere middelen toe indien uit de onderbouwing van de
                    aanvraag blijkt dat de inzet van deze middelen functioneel en effectief is en in
                    de praktijk is gebleken.</al><al>Artikel 10 Van een grondgebruiker die beheer en schadebestrijding met een geweer
                    wil uitvoeren, maar wat betreft eigen terrein niet voldoet aan de geldende eisen
                    voor de omvang van jachtvelden, wordt verwacht dat in overleg met aanliggende
                    grondgebruikers en de wildbeheereenheid een oplossing wordt gevonden voor dit
                    gegeven. De grondgebruiker is voor beheer en schadebestrijding immers niet
                    gebonden aan zijn eigen jachthouder. Slechts indien het door de ruimtelijke
                    inrichting ter plaatse onmogelijk is om het terrein waar de schade wordt
                    veroorzaakt te voegen bij een terrein gezamenlijk geschikt als jachtveld is
                    ontheffing mogelijk van de gestelde eisen aan de omvang van een jachtveld. Het
                    gaat daarbij om aanwezige obstakels als bebouwing of wegen.</al><al>Artikel 11 Gedeputeerde Staten streven er naar om beheer en schadebestrijding
                    zoveel mogelijk op een gecoördineerde en planmatige manier te laten verlopen. In
                    beginsel worden aanwijzingen en ontheffingen daarom op aanvraag gegeven aan een
                    faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan. Bij uitzondering komt een
                    bepaalde vorm van schade slechts incidenteel voor of is niet op voorhand te
                    voorzien en dan is het niet noodzakelijk of mogelijk om planmatig te werk gaan.
                    In dergelijke gevallen kan aanwijzing of ontheffing ook aan anderen dan een
                    faunabeheereenheid worden gegeven. Ten slotte kan het bij uitzondering ook
                    noodzakelijk zijn om als bevoegd gezag ambtshalve een aanwijzing te geven als
                    andere mogelijkheden voor beheer en bestrijding van schade tekortschieten,
                    bijvoorbeeld als er sprake is van spoedeisendheid.</al><al>Artikel 12 Op de voorbereiding van besluiten tot aanwijzing of ontheffing op
                    basis van een faunabeheerplan wordt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                    van toepassing verklaard. Voor incidentele gevallen wordt volstaan met de
                    standaard voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht. Dat laatste
                    geldt ook voor ambtshalve aanwijzingen. Er kan in dergelijke gevallen sprake
                    zijn van onverwijlde spoed en dan is het van belang dat een besluit snel in
                    werking treedt. Ten slotte kunnen er ook wijzigingen plaatsvinden in bestaande
                    aanwijzingen of ontheffingen op basis van een faunabeheerplan. Indien daarbij
                    geen sprake is van een volledige heroverweging dan is er geen noodzaak om de
                    uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen bij de voorbereiding van de
                    besluitvorming hieromtrent.</al><al>Artikel 13 Gedeputeerde Staten geven alleen ambtshalve een aanwijzing ten
                    aanzien van beschermde inheemse diersoorten wanneer de mogelijkheden tot beheer
                    en bestrijding van schade op basis van een bestaande vrijstelling of ontheffing
                    en zoals vastgelegd in een faunabeheerplan tekortschiet. Vervolgens worden een
                    aantal situaties genoemd waarin Gedeputeerde Staten van oordeel zijn dat de
                    mogelijkheden tot beheer en bestrijding van schade tekortschieten.</al><al>Artikel 14 Een aanwijzing kan ook worden gegeven ten aanzien van onbeschermde
                    diersoorten zoals exoten en verwilderde dieren. De mogelijkheid van ambtshalve
                    aanwijzing is ten aanzien van deze diersoorten vooral van belang in spoedeisende
                    gevallen, zoals in het geval van een uitbraak van exotische invasieve dieren of
                    verwilderde dieren die de verkeersveiligheid in gevaar brengen. In dergelijke
                    spoedeisende gevallen kan in redelijkheid niet worden gevergd dat een aanwijzing
                    van een planmatige onderbouwing wordt voorzien.</al><al>Artikel 15 Om een verzoek tot aanwijzing te kunnen beoordelen moet de aanvraag
                    tot aanwijzing vergezeld gaan van een onderbouwing. Op basis van de aanvraag
                    maken Gedeputeerde Staten een afweging of een aanwijzing kan worden gegeven. Om
                    deze afweging te kunnen maken moet in de aanvraag worden onderbouwd waarom er
                    geen andere bevredigende oplossing bestaat en met het oog op welk wettelijk
                    belang aanwijzing noodzakelijk is. Aanvullend zijn ook de nodige gegevens
                    noodzakelijk over de al ondernomen beheermaatregelen.</al><al>Artikel 16 Bij iedere aanwijzing wordt bezien in hoeverre een afwijking van een
                    wettelijk verbod noodzakelijk is voor een effectieve bestrijding van schade door
                    de betreffende soort of borging van het belang waarvoor de aanwijzing wordt
                    gegeven.</al><al>Artikel 17 Het kan noodzakelijk zijn te bepalen dat resten of producten van
                    dieren aan het maatschappelijk verkeer worden onttrokken. Bijvoorbeeld wanneer
                    kadavers van dieren mogelijk besmet zijn met voor de mens of voor
                    landbouwhuisdieren schadelijke ziekteverwekkers. In dergelijke gevallen kunnen
                    Gedeputeerde Staten overgaan tot het nader bepalen van de bestemming van de
                    bemachtigde dieren. Ook bij valwild, zoals aangereden wild, bepalen Gedeputeerde
                    Staten indien het grote hoefdieren betreft wat er met de bemachtigde dieren
                    dient te geschieden.</al><al>Artikel 18 De uitgangspunten bij het geven van aanwijzingen komen overeen met de
                    uitgangspunten die gelden voor het verlenen van ontheffingen.</al><al>Artikel 19 Ontheffing wordt op grond van artikel 68 van de wet slechts verleend
                    ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten voorzover niet bij of krachtens
                    enig ander artikel van de wet vrijstelling is of kan worden verleend. Indien ten
                    aanzien van de betrokken diersoort sprake is van een vrijstelling of aanwijzing
                    moet de aanvraag voor ontheffing daarom voorzien in een onderbouwing waarom niet
                    kan worden volstaan met de inzet van al toegestane handelingen (tweede lid).
                    Voor het toestaan van handelingen die al zijn toegestaan op grond van een
                    bestaande vrijstelling of aanwijzing wordt geen ontheffing verleend (eerste
                    lid). Los daarvan hebben we bepaald dat voor kwetsbare soorten, zoals bedreigde
                    soorten of soorten waarvoor Nederland een bijzondere internationale
                    verantwoordelijkheid draagt slechts bij uitzondering ontheffing wordt verleend
                    (derde lid). Ook voor wild wordt slechts bij uitzondering ontheffing verleend
                    (vierde lid). Het verlenen van ontheffing kan in dat verband bijvoorbeeld worden
                    overwogen als jacht niet kan plaatsvinden omdat niet wordt voldaan aan de eisen
                    van een jachtveld.</al><al>Artikel 20 De wet stelt ontheffing verlening aan een faunabeheereenheid op basis
                    van een faunabeheerplan centraal. Verder geldt dat ontheffingen worden verleend
                    voor een periode van ten hoogste vijf jaren. Gedeputeerde Staten willen een
                    ontheffing op basis van een faunabeheerplan in beginsel voor een termijn van
                    vijf jaren verlenen vanuit een oogpunt van efficiëntie en rechtszekerheid,
                    tenzij er een noodzaak is om van deze termijn af te wijken. Bij uitzondering
                    komt een bepaalde vorm van schade slechts incidenteel voor of is niet op
                    voorhand te voorzien en dan is het niet noodzakelijk of mogelijk om planmatig te
                    werk gaan. In dergelijke gevallen kan ontheffing ook aan anderen dan een
                    faunabeheereenheid worden verleend, waaronder een beheersorganisatie,
                    overheidsinstantie, vereniging, bedrijf of jachthouder namens de partij die
                    schade ondervindt. Op basis van de aanvraag maken Gedeputeerde Staten een
                    afweging of ontheffing geheel of gedeeltelijk wordt verleend of geweigerd. Om
                    deze afweging te kunnen maken moet de aanvraag grondig worden onderbouwd. Indien
                    de aanvraag door een andere partij dan een faunabeheereenheid wordt aangevraagd
                    worden aanvullende eisen gesteld aan de aan te leveren gegevens. Ook moet de
                    faunabeheereenheid in dat geval in de gelegenheid zijn gesteld te adviseren over
                    de aanvraag. Op deze wijze kan de faunabeheereenheid het overzicht houden op het
                    in de provincie uitgevoerde faunabeheer en wordt mede invulling gegeven aan de
                    beoogde loketfunctie van de faunabeheereenheid.</al><al>Artikel 21 Om te kunnen beoordelen of in een bepaald geval sprake is van een
                    ander belang op grond waarvan een ontheffing kan worden verleend moet een
                    aanvraag tot ontheffing vergezeld gaan van een onderbouwing waaruit blijkt dat
                    een van de in artikel 4 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren
                    aangewezen belangen in het geding is. In dat verband is een nadere
                    concretisering van een aantal wettelijke begrippen van belang. Ten aanzien van
                    de betreffende belangen wordt opgemerkt dat steenmarters een belangrijke bron
                    van overlast kunnen vormen, waarbij het dagelijkse woongenot van mensen kan
                    worden verstoord of een bepaalde functie van een gebouw, zoals een school, wordt
                    belemmerd. Van vossen is bekend dat zij onacceptabele schade kunnen veroorzaken
                    aan hobbymatig gehouden dieren als kippen, konijnen of gevogelte door
                    particulieren. De kwalificatie van zieke of gebrekkige dieren is aan de
                    natuurbeheerder, jachtaktehouder of grondgebruiker in overleg met een
                    jachtaktehouder, waarbij gebruik kan worden gemaakt van de kennis van het Dutch
                    Wildlife Health Centre. Ten aanzien van schade door konijnen of vossen aan
                    sportvelden of industrieterreinen wordt opgemerkt dat het moet gaan om velden of
                    terreinen die structureel worden gebruikt voor sport of bedrijfsdoeleinden. Door
                    ondergraving ontstaat de kans op letselschade of schade aan infrastructurele
                    voorzieningen of onroerend goed. Bij schade veroorzaakt op begraafplaatsen
                    speelt de emotionele schade voor nabestaanden op de achtergrond een belangrijke
                    rol en het begrip begraafplaats wordt om die reden ruim gedefinieerd.</al><al>Artikel 22 In beginsel vindt ontheffingverlening plaats aan een
                    faunabeheereenheid waarna de faunabeheereenheid ontheffingsgebruikers machtigt
                    tot gebruiker van de ontheffing, veelal door tussenkomst van een lokale
                    wildbeheereenheid. Gedeputeerde Staten achten het gewenst om de
                    ontheffinggebruiker onder voorwaarden de mogelijkheid te bieden om zich in het
                    veld te laten bijstaan, zoals voor de jacht bij wet is geregeld.
                    Ontheffinggebruiker wordt in dat geval verantwoordelijk geacht voor de
                    handelingen van degenen door wie hij zich laat bijstaan. Degenen die de
                    gemachtigde bijstaan moeten zich tijdens de uitvoering in de aanwezigheid van
                    gemachtigde bevinden. Ontheffinghouder is medeverantwoordelijk voor het gebruik
                    van de ontheffing en draagt er zorg voor dat een machtiging wordt ingetrokken
                    indien vaststaat of redelijkerwijs aannemelijk is dat de gemachtigde heeft
                    gehandeld in strijd met verplichtingen uit de ontheffing of bij of krachtens de
                    wet.</al><al>Artikel 23 Een faunabeheereenheid kan de aan haar verleende ontheffingen door
                    middel van machtigingen doorgeven al dan niet via wildbeheereenheden. Er dient
                    echter wel zicht te zijn op de afgegeven machtigingen, zodat steeds bekend is
                    wie met welke middelen zich waar mag bevinden ter uitoefening van beheer en
                    bestrijding van schade.</al><al>Artikel 24 Om gedegen toezicht te kunnen uitvoeren bij het gebruik van
                    ontheffingen dient iedere gemachtigde in het veld over de machtiging te
                    beschikken. Daarbij moet de gemachtigde op verzoek aan de toezichthouder een
                    overzicht kunnen overleggen met naam-, adres- en woonplaatsgegevens van anderen
                    die hem bijstaan.</al><al>Artikel 25 Teneinde het noodzakelijke en ook wettelijk verplichte inzicht te
                    krijgen in de effecten van het feitelijke gebruik van de ontheffingen nemen
                    Gedeputeerde Staten verscheidene rapportageverplichtingen op in de ontheffingen.
                    De verplichtingen zijn uitgebreider bij een ontheffing op basis van een
                    faunabeheerplan dan bij de zogenaamde incidentele ontheffingen.</al><al>Artikel 26 Over het gebruik van de ontheffing kunnen bij een besluit tot
                    ontheffing nog andere voorwaarden worden gesteld. Hierbij worden een aantal
                    uitgangspunten genoemd, waaronder de mogelijkheid dat het gebruik van een
                    ontheffing wordt opgeschort wegens bijzondere weersomstandigheden.</al><al>Artikel 27 Als sprake is van bijzondere weersomstandigheden kunnen Gedeputeerde
                    Staten de jacht voor een bepaalde tijd sluiten of ontheffing verlenen van het
                    verbod tot bijvoeren van edelherten, damherten, reeën en wilde zwijnen. In dit
                    verband is in deze beleidsregels een nadere invulling gegeven aan wat
                    Gedeputeerde Staten in ieder geval onder bijzondere weersomstandigheden verstaan
                    voor wat betreft de winterse weersomstandigheden. De aanwezigheid van dergelijke
                    bijzondere weersomstandigheden betekent niet zonder meer dat jachtsluiting of
                    ontheffing van het bijvoederverbod aan de orde is; daarvoor vindt een
                    afzonderlijke afweging plaats. Overigens gelden op grond van artikel 53, eerste
                    lid, onderdelen g, i en k, van de wet ook al regels ter bescherming van wild
                    onder winterse omstandigheden.</al><al>Artikel 28 Voordat een besluit tot het voor een bepaalde tijd sluiten van de
                    jacht wordt genomen vindt ten minste overleg plaats met de omliggende
                    provincies, het Faunafonds en de Faunabeheereenheid. Voor de vraag of de jacht
                    wordt gesloten bij bijzondere weersomstandigheden spelen diverse aandachtspunten
                    een rol die in voornoemd overleg zullen worden afgewogen. Als de jacht is
                    gesloten blijven de instrumenten met betrekking tot beheer en schadebestrijding
                    in beginsel in werking.</al><al>Artikel 29 Voordat een ontheffing van het verbod van bijvoeren van edelherten,
                    damherten, reeën en wilde zwijnen wordt verleend vindt overleg plaats met de
                    Faunabeheereenheid. Ontheffing kan worden verleend indien sprake is van
                    bijzondere weersomstandigheden of een tijdelijk natuurlijk voedseltekort en het
                    welzijn van de dieren in het geding is. Voor de vraag of ontheffing wordt
                    verleend spelen diverse aandachtspunten een rol die in het voornoemde overleg
                    zullen worden afgewogen. Op deze plaats wordt uitdrukkelijk vermeld dat het hier
                    enkel gaat om (ontheffing van) het bijvoederverbod zoals neergelegd in artikel
                    74a van de wet. Dat betekent een verbod op bijvoeren ter bevordering van de
                    stand van genoemde diersoorten. Andere vormen van bijvoeren worden gereguleerd
                    in faunabeheerplannen of gemeentelijke regelgeving.</al><al>Artikel 29 (red. moet zijn 30) De slotbepalingen voorzien in de inwerkingtreding
                    van de regeling, de vaststelling van de citeertitel en de intrekking van
                    bestaande beleidsregels.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>