<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR328111_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-03-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://overheid.nl">Gemeenteblad Boekel, d.d. 1 april 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Wet werk en bijstand, artikel 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=30">Wet werk en bijstand, artikel 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-02-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z/023320 AB/012312</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Boekel;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 januari
                        2014</al><al>gelet op:</al><al>artikel 8, lid 1, onderdeel c en artikel 30 Wet werk en bijstand;</al><al><vet>BESLUIT</vet>:</al><al>vast te stellen de navolgende</al><al><vet>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2014</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>– Begripsbepalingen</titel></kop><al>1.In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="7*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="61*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.<cursief>Gehuwdennorm</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>De norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel c
                                                WWB;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.<cursief>Verzorgingsbehoevende</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Degene die is aangewezen op verzorging ter
                                                voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                                verzorgingshuis;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.<cursief>Woning</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Een woning zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel j
                                                Wet op de huurtoeslag, evenals een woonwagen of
                                                woonschip, zoals bedoeld in artikel 3, lid 6
                                                WWB;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.<cursief>Woonkosten</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>1.Als een huurwoning wordt bewoond, de tot een
                                                bedrag per maand geldende basishuur als bedoeld in
                                                de Wet op de huurtoeslag;</al><al>2.Als een eigen woning wordt bewoond, de per maand
                                                omgerekende som van de ten behoeven van de
                                                financiering van de woning verschuldigde
                                                hypotheekrente, de in verband met het in eigendom
                                                hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en
                                                een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                                onderhoud;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.<cursief>WWB</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet werk en bijstand.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>– Doelgroep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de AOW
                                gerechtigde leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van
                                deze verordening alleen als beide echtgenoten 21 jaar of ouder maar
                                jonger dan de AOW gerechtigde leeftijd zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7 laten de toepassing
                                van artikel 18, lid 1 WWB onverlet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>– Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, lid 1 WWB bedraagt 20 procent
                                van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in
                                wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, lid 1 WWB bedraagt 10 procent
                                van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die
                                met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>kinderen van 18 jaar of ouder met een inkomen van ten
                                        hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud
                                        voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 Wet
                                        studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="b."><al>kinderen met studiefinanciering op grond van de Wet
                                        studiefinanciering 2000 of een tegemoetkoming op grond van
                                        de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                        schoolkosten;</al></li><li nr="c."><al>verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
                                        verzorgd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>– Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt 10 procent van
                                de gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer anderen hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, lid 3 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>– Verlaging woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 WWB bedraagt 20 procent van
                                de gehuwdennorm als geen woning wordt bewoond of een woning wordt
                                bewoond waaraan voor belanghebbende geen kosten van huur of
                                hypotheeklasten verbonden zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor belanghebbenden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de
                                Wet basisregistratie persoonsgegevens en artikel 1.1. van de Wet
                                basisregistratie personen geldt dat in afwijking van lid 1 de
                                verlaging niet wordt toegepast als en voor zover aantoonbaar en
                                structureel kosten voor thuis- en daklozenopvang worden
                                gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>– Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><al>De toeslag als bedoel in artikel 30 WWB wordt voor een jongere van 21 of
                            22 jaar, in afwijking van artikel 3 van deze verordening, op nihil
                            gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>– Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 gebeurd zodanig, dat
                            belanghebbende in ieder geval kan blijven beschikken over een inkomen
                            van 75 procent van de toepasselijke norm zoals in artikel 21 WWB is
                            bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>– Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand 2014.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>– Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2014 en werkt
                                    terug tot en met 1 januari 2014.</al></li><li nr="2."><al>De eerder vastgestelde Toeslagenverordening Wet werk en bijstand
                                    2012 vervalt bij inwerkingtreding van deze verordening.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van</ondertekening><ondertekening>de raad van de gemeente Boekel, gehouden op 20 februari 2014</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>M.R.P. Philipse P.M.J.H. Bos</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van
                            het bestaan een systeem van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De
                            bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 3 WWB. Daarnaast voorziet
                            paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de artikelen 25 tot en met 29
                            WWB. Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te
                            verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te
                            passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden.</al><al><vet>Normen Wet werk en bijstand; toeslagen en verlagingen</vet></al><al>Voor personen van 21 jaar tot en met de AOW gerechtigde leeftijd bestaan
                            er een drietal wettelijke basisnormen (artikel 21 WWB), te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>gehuwden: 100 procent van het wettelijk minimumloon (= de
                                    gehuwdennorm);</al></li><li nr="-"><al>alleenstaande ouders: 70 procent van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="-"><al>alleenstaanden: 50 procent van de gehuwdennorm.</al></li></lijst><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande
                            ouder als de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel
                            gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt
                            aanwezig geacht als naast de betreffende belanghebbende nog één of meer
                            anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.</al><al>De toeslag mag ten hoogste 20 procent van de gehuwdennorm bedragen, in
                            overeenstemming met de wettelijke bepalingen, zodat de uitkering
                            maximaal bedraagt voor:</al><lijst><li nr="-"><al>alleenstaande ouders: 90 procent van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="-"><al>alleenstaanden: 70 procent van de gehuwdennorm.</al></li></lijst><al>Het vaststellen van de hoogte van de toeslag is een bevoegdheid van het
                            college. De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit
                            maximum van 20 procent van de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het
                            niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel
                            3 van deze verordening.</al><al>De WWB noemt de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="-"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                                    met een ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                                    bij gehuwden (artikel 26 WWB);</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een
                                    studie (artikel 28 WWB), hiervan is en wordt geen gebruik
                                    gemaakt;</al></li><li nr="-"><al>verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                                    alleenstaanden (artikel 29 WWB).</al></li></lijst><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 6.</al><al/><al><vet>De</vet><vet> Toeslagenverordening Wet werk en bijstand
                            2014</vet></al><al>In artikel 8, lid 1, onder c juncto artikel 30 WWB is geregeld dat de
                            gemeenteraad bij verordening moet vaststellen voor welke categorieën de
                            bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria
                            de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.</al><al>Het beleid ten aanzien van de toeslagen moet worden vastgelegd in de
                            Toeslagenverordening, opdat het college het beleid kan uitvoeren.</al><al>Categorieën</al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal
                            karakter moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds
                            geprobeerd te komen tot in de praktijk eenvoudig te hanteren criteria.
                            Gehandhaafd is de forfaitaire benadering van een toeslag- of
                            verlagingspercentage van 10 procent, in overeenstemming met het
                            bestaande beleid. Zie hiervoor ook de toelichting onder norm, toeslag en
                            verlaging.</al><al>Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties
                            uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen
                            heeft het college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op
                            grond van artikel 18, lid 1 WWB bij wijze van individualisering
                            afwijkend vast te stellen.</al><al>In de WWB zelf is in artikel 24 en 32 geregeld hoe de uitkering moet
                            worden vastgesteld bij gehuwden waarvan een partner geen recht heeft op
                            bijstand, bijvoorbeeld op grond van leeftijd, detentie of andere
                            redenen.</al><al>In deze Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling
                            gegeven aan verlagingen die de WWB mogelijk maakt. In artikel 7 van deze
                            verordening wordt echter het effect van samenloop van verschillende
                            verlagingen beperkt door minimum hoogtes voor te schrijven waaraan de
                            bijstand moet voldoen na toepassing van de verlagingen.</al><al>Met belanghebbende is in de verordening bedoeld degene die als
                            alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde een uitkering aanvraagt op
                            grond van de WWB.</al><al><vet>Berekening toepasselijke bijstandsnorm</vet></al><al>In de WWB is niet voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel de
                            toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op
                            de toeslag moet plaats vinden. </al><al>Het bovenstaande in acht nemend kan de hoogte van de uitkering algemene
                            bijstand voor personen van 21 tot aan de AOW gerechtigde leeftijd als
                            volgt worden berekend:</al><lijst><li nr="1."><al>Basisnorm;</al></li><li nr="2a."><al>Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                                    ouders)</al></li></lijst><al>OF</al><al>2b.Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen
                            (alleen bij gehuwden);</al><al>3 Korten met verlaging wegens woonsituatie;</al><al>4.Korten met verlaging op grond van leeftijd 21/22 jaar</al><al>Leidt de uitkomst tot een lager bedrag aan bijstand dan de gestelde
                            minimum bedragen in artikel 7 van deze verordening, dan moet het college
                            de bijstand vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte
                            volgens dit artikel. De uitkomst van deze berekening laat ook een
                            eventueel aan de orde zijnde afstemming van de bijstand bij wijze van
                            individualisering onverlet.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>– Begripsbepalingen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB of
                            Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet afzonderlijk te definiëren. Dit
                            voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de WWB
                            of Awb ook de verordening moet worden gewijzigd. Voor het gebruik van
                            het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte van deze norm in de
                            WWB zelf wordt gegeven in artikel 21, onder c. Dit bedrag is feitelijk
                            gelijk aan het netto minimumloon.</al><al>Om een persoon als verzorgingsbehoevende in de zin van de
                            Toeslagenverordening aan te kunnen merken, moet een belanghebbende
                            aannemelijk maken, dat de door hem/haar verzorgde persoon bij ontbreken
                            van de verzorging zou zijn aangewezen op een verpleeg- of
                            verzorgingstehuis. Er moet een duidelijke indicatie zijn op grond
                            waarvan de verzorgingsbehoevendheid kan worden aangenomen, bij voorkeur
                            een verklaring van deze strekking die is afgegeven door een
                            onafhankelijk arts.</al><al><cursief>Lid </cursief><cursief>1</cursief><cursief>, onderdeel
                                </cursief><cursief>c</cursief><cursief>: Woning</cursief></al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd
                            omdat de tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip.
                            Wel vermeldt artikel 3, lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende
                            bepalingen onder een woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan
                            moet worden. Verder volgt uit de geschiedenis van totstandkoming van de
                            WWB dat voor de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten
                            bij de Wet op de huurtoeslag. </al><al><cursief>Lid 1, onderdeel d: Woonkosten</cursief></al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is
                            voor de toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging
                            woonsituatie).</al><al>Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de Algemene
                            bijstandswet (Abw) in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was
                            opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de
                            totstandkoming van de Algemene bijstandswet dat het begrip woonkosten
                            ten tijde van de Abw (nog steeds) moest worden uitgelegd conform de
                            bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende Bijstandsbesluit
                            landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze rechtspraak ook
                            onder de WWB nog van betekenis is. </al><al>Bij “het in eigendom hebben van de woning te betalen zekere zakelijke
                            lasten” kan worden gedacht aan het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de
                            onroerend zaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de
                            waterschapslasten en het erfpachtcanon. Met voorgaande afbakening wordt
                            duidelijk dat onder het begrip woonkosten dus niet vallen de kosten voor
                            gas, elektriciteit, water, telefoon, kabel, internet en overige
                            abonnementen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>– Doelgroep</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden, gelet op de WWB, alleen voor
                            belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de AOW gerechtigde
                            leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze
                            verordening alleen als beide echtgenoten 21 jaar of ouder maar jonger
                            dan de AOW gerechtigde leeftijd zijn. Vanwege de lagere jongerennorm in
                            de WWB is ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij
                            belanghebbenden van 18 tot 21 jaar.</al><al>De in lid 2 opgenomen verplichting voor het college om – zo nodig in
                            afwijking van de in deze verordening voortvloeiende hoogte van de
                            bijstand – de bijstand anders vast te stellen, als dat gelet op de
                            omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende opportuun
                            is, volgt uit artikel 30, lid 4 WWB. De individualiseringsplicht geldt
                            evenzeer in situaties waarin de verordening niet voorziet. Om hierover
                            bij de uitvoering geen misverstand te laten bestaan is deze plicht
                            expliciet in deze verordening opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>– Toeslagen</titel></kop><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag
                            voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander
                            zijn hoofdverblijf heeft, is wettelijk verplicht op grond van artikel
                            30, lid 2 WWB. Ingeval in de woning een ander ook zijn hoofdverblijf
                            heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan
                            gedeeld kunnen worden (bijv. huur). Daarbij is de mate waarin de kosten
                            ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                            verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf.</al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter
                            van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                            toeslag blijft op zijn plaats. In deze verordening is gehandhaafd de
                            forfaitaire toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval dat
                            ook een ander in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, in
                            overeenstemming met het bestaande beleid.</al><al>In het derde lid wordt geregeld dat kinderen niet (meer) in de norm
                            begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het
                            niet aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het
                            huishouden, niet meetellen als personen die in de woning hun
                            hoofdverblijf hebben. De feitelijke mogelijkheid tot het kunnen delen
                            van de kosten moet namelijk wel aanwezig zijn.</al><al>Deze mogelijkheid wordt niet aanwezig geacht als het thuiswonende kind
                            een inkomen ontvangt, bijv. uit arbeid of een uitkering, dat niet hoger
                            is dan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                            onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 200
                            (WSF), in overeenstemming met het bepaalde in artikel 25 en 26 WWB. De
                            bepalingen van artikel 25 en 26 WWB zien op alle thuiswonende
                            meerderjarige kinderen. Daarbij geldt geen maximum leeftijd. Het kan dus
                            gaan om een volwassen kind dat inwoont bij zijn/haar ouders van bijv. 27
                            jaar maar ook van 40 jaar of ouder.</al><al>Ook bij inwonende kinderen die daadwerkelijke aanspraak maken op WSF of
                            Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) wordt de
                            mogelijkheid om kosten te kunnen delen niet aanwezig geacht, gezien de
                            hoogte van de studiefinanciering. Daarbij is nadrukkelijk overwogen dat
                            in de WSF en Wtos aan thuiswonende studenten al een lager bedrag wordt
                            verstrekt. Eventuele (incidentele of tijdelijke) bijverdiensten bijv. in
                            verband met een vakantiebaantje, tellen niet mee. Bepalend is alleen of
                            het inwonende kind studiefinanciering of een tegemoetkoming Wtos
                            heeft.</al><al>Dit mede om praktische redenen en omdat andere wettelijke regelingen als
                            kinderbijslag en studiefinanciering, uitgevoerd door de Sociale
                            Verzekeringsbank en de Dienst Uitvoering Onderwijs eveneens de
                            mogelijkheid kennen om beperkt bij te verdienen, zonder dat dit gevolgen
                            heeft.</al><al>Aangezien de betreffende kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is
                            het aan de alleenstaande ouder om zodanige inlichtingen te verstrekken
                            dat kan worden vastgesteld of de onderdelen a en b van toepassing
                            zijn.</al><al>In lid 3, onderdeel c wordt geregeld dat ook zorgbehoevenden niet worden
                            meegeteld als personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.
                            Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbende
                            vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag.
                            Dat zou het opvangen van zorgbehoevenden ontmoedigen. Om die reden geldt
                            de uitzondering niet voor de zorgbehoevende voor het geval deze zelf een
                            beroep moet doen op bijstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>– Verlaging gehuwden</titel></kop><al>In de gehuwdennorm is al rekening gehouden met het feit dat beide
                            echtgenoten de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met
                            elkaar. Als in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen
                            de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld
                            worden. Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                            worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van
                            belanghebbenden zelf.</al><al>Gehandhaafd is de forfaitaire verlaging van 10 procent van de
                            gehuwdennorm, ongeacht het aantal anderen dat in de woning zijn
                            hoofdverblijf heeft, in overeenstemming met de forfaitaire benadering
                            van de toeslagverlening aan alleenstaanden in artikel 3.</al><al>In het tweede lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm
                            begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het
                            niet aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het
                            huishouden, niet meetellen als personen die in de woning hun
                            hoofdverblijf hebben. De feitelijke mogelijkheid tot het kunnen delen
                            van de kosten moet immers wel aanwezig zijn. Deze mogelijkheid wordt
                            niet aanwezig geacht als het thuiswonende kind een inkomen ontvangt,
                            bijv. uit arbeid of een uitkering dat niet hoger is dan het normbedrag
                            voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in
                            artikel 3.18 van de WSF, in overeenstemming met het bepaalde in artikel
                            25 en 26 WWB.</al><al>Ook bij inwonende kinderen die daadwerkelijke aanspraak maken op WSF of
                            Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) wordt de
                            mogelijkheid om kosten te kunnen delen niet aanwezig geacht. Daarbij is
                            nadrukkelijk overwogen dat in de WSF en Wtos aan thuiswonende studenten
                            al een lager bedrag wordt verstrekt. Zie hiervoor verder de toelichting
                            op artikel 3.</al><al>Aangezien de in lid 2 bedoelde kinderen niet in de bijstand begrepen
                            zijn, is het aan de ouders om zodanige inlichtingen te verstrekken dat
                            kan worden vastgesteld of de onderdelen a en b van toepassing zijn.</al><al>Zorgbehoevenden worden eveneens niet meegeteld als personen die in
                            dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij is dat
                            het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze verzorgingstaken te
                            confronteren met een verlaging van de norm. De uitzondering geldt niet
                            voor de zorgbehoevende voor het geval deze zelf een beroep moet doen op
                            bijstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>– Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid d enorm of de toeslag
                            te verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke
                            kosten van het bestaan heeft als gevolg van zijn woonsituatie. Artikel
                            27 WWB is aanvullend bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB. </al><al>Volgens de toelichting op artikel 27 WWB kan ook in geval er helemaal
                            geen woning wordt bewoond, een verlaging worden toegepast.</al><al>In artikel 5, lid 1 is bepaald dat de norm of toeslag wordt verlaagd met
                            20 procent van de gehuwdennorm als geen woning wordt bewoond of als een
                            woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn
                            verbonden. In artikel 1 is bepaald wat onder woonkosten moet worden
                            verstaan. Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan
                            sprake zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bij het niet aanhouden van een woning. Deze bepaling ziet op de
                                    mogelijkheid om de uitkering van dak- en thuislozen te verlagen
                                    omdat deze lagere bestaanskosten hebben dan belanghebbenden die
                                    een woning bewonen;</al></li><li nr="-"><al>bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn
                                    verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers;</al></li><li nr="-"><al>als een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de
                                    woonlasten van de woning betaalt. Als een derde, bijvoorbeeld de
                                    ex-echtgenoot, de woonlasten van de door belanghebbende bewoonde
                                    woning draagt wordt het verkregen voordeel door vertaald naar de
                                    norm of toeslag te verlagen op grond van artikel 27 WWB.</al></li></lijst><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt
                            aangehouden staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen maken
                            voor dak- en thuislozen opvang. Als dat in het individuele geval aan de
                            orde is moet dit bij de vaststelling van de uitkeringshoogte (i.c. de
                            toeslag) worden betrokken. Als kosten voor opvang verschuldigd zijn kan
                            het college aan de bijstand de voorwaarde verbinden dat deze kosten
                            rechtstreeks worden overgemaakt aan de betreffende instelling. Dit kan
                            zich voordoen bij het stelselmatig niet betalen van dergelijke kosten
                            door belanghebbende zelf. Tot slot bestaat de mogelijkheid de bijstand
                            in natura te verstreken in de vorm van het aanbieden van
                            dag/nachtverblijf. Artikel 57 WWB biedt hiervoor de grondslag.</al><al>In de verordening wordt overigens niet het begrip ‘woonkosten’
                            gehanteerd, maar ‘kosten van huur of hypotheeklasten’. Daarmee wordt
                            duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, elektriciteit en
                            dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging
                            krachtens dit artikel te voorkomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>– Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><al>Artikel 29 WWB geeft het college bevoegdheid om een verlaging toe te
                            passen als het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                            jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Om dit
                            te voorkomen is net als in de voormalige Toeslagenverordening Wet
                            investeren in jongeren geregeld dat de toeslag voor een alleenstaande
                            van 21 of 22 jaar op nihil wordt vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>– Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De verschillende verlagingen zien op verschillende omstandigheden bij
                            belanghebbenden en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden beschouwd
                            in de betreffende omstandigheden. Zonder dit artikel zou dat echter
                            kunnen betekenen, dat het college de bijstand bij samenloop zo laag zou
                            moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van
                            adequate bijstandsverlening. In voorkomende individuele gevallen zou het
                            college, op grond van artikel 18 lid 1 WWB, de bijstand dan weer hoger
                            moeten vaststellen. Daarom is in deze verordening een minimum bedrag
                            gehandhaafd van 75 procent van de toepasselijke basisnorm, waarop de
                            bijstand tenminste moet worden vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>– Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>– Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>