<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR32809_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitkerings- en pensioen verordening wethouders 1997</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">n.v.t.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitkerings- en pensioen verordening wethouders 1997</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR008588&amp;artikel=149">Artikel 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>1997-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1997-12-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>gb1-1997.023</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuurlijke organisatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Hoe zijn de uitkeringen en pensioenen geregeld voor wethouders?</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Uitkerings- en pensioenverordening wethouders 1997
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        
        
        <tekst>
          <al>
            <vet>AFDELING I DE UITKERING</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Het recht op uitkering</vet>
          </al>
          <al/>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 1</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Hij, die ophoudt wethouder te zijn, heeft, tenzij hij zonder
                                onderbreking weer als zodanig optreedt, met ingang van de dag van
                                aftreding, voor zover hij alsdan niet de leeftijd van 65 jaar heeft
                                bereikt, recht op een uitkering op de voet van de volgende
                                artikelen.</al></li>
            <li nr="2."><al>De raad kan beslissen dat geen uitkering wordt toegekend aan een
                                gewezen wethouder:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>die zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde
                                        overheidsdienst heeft begeven en naar zijn oordeel zich
                                        daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd
                                        onwaardig heeft gedragen;</al></li>
                <li nr="b."><al>die wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar
                                        zijn oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal
                                        oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;</al></li>
                <li nr="c."><al>die overeenkomstig artikel W 9 van de Kieswet van het
                                        lidmaatschap van de raad vervallen verklaard is;</al></li>
                <li nr="d."><al>wiens ontslag voortvloeit uit het feit dat hij zich aan
                                        kennelijk wangedrag of grove verwaarlozing van zijn taak
                                        heeft schuldig gemaakt.Onder grove verwaarlozing van zijn
                                        taak wordt begrepen het zonder genoegzame grond weigeren de
                                        in artikel 129 van de Gemeentewet bedoelde inlichtingen aan
                                        de raad te verstrekken.</al><al/></li>
              </lijst></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Normale duur van de uitkering</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 2</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin
                                de belanghebbende wethouder is geweest, doch ten minste voor de duur
                                van twee jaren en ten hoogste voor de duur van zes jaren. Indien de
                                belanghebbende met een of meer onderbrekingen wethouders is geweest,
                                wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij wethouder is
                                geweest in een tijdvak, laatstelijk voordat hij ophield wethouder te
                                zijn, waarin zijn wethouderschap voor ten hoogste een zesde deel van
                                dat tijdvak is onderbroken. </al></li>
            <li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de
                                duur van ten hoogste zes maanden, indien belanghebbende korter dan
                                drie maanden wethouder is geweest.</al></li>
            <li nr="3."><al>In geval van tussentijds eindigen van de uitkering krachtens artikel
                                7, onder c, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het
                                tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering zou zijn geëindigd ingeval
                                artikel 7, onder c, buiten toepassing was gebleven. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Voortzetting van de uitkering</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 3</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden als wethouder
                                de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en hij in het tijdvak van
                                twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien
                                jaren wethouder is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het
                                tijdstip waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt. </al></li>
            <li nr="2."><al>In bijzondere gevallen kan de raad beslissen dat met inachtneming
                                van artikel 7, onder b, de uitkering zal worden voortgezet voor een
                                nader vast te stellen termijn, welke op dezelfde wijze kan worden
                                verlengd.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Bedrag van de uitkering</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 4</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De uitkering, bedoeld in artikel 2, bedraagt gedurende het eerste
                                jaar 80 % en vervolgens 70 % van de laatstelijk als wethouder
                                genoten wedde, inclusief vakantie-uitkering en de
                                eindejaarsuitkering.</al></li>
            <li nr="2."><al>De uitkering, bedoeld in artikel 3, lid 1, bedraagt 70 % van de
                                laatstelijk als wethouder genoten wedde, inclusief
                                vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.</al></li>
            <li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "laatstelijk genoten"
                                verstaan: waarop aanspraak bestond of bij uitoefening van het ambt
                                zou hebben bestaan op de dag, voorafgaande aan die waarop
                                belanghebbende heeft opgehouden wethouder te zijn. </al></li>
            <li nr="4."><al>Indien bij algemene maatregel van bestuur in de bezoldiging van het
                                rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht, wordt de in de leden
                                1, 2 en 3 bedoelde laatstelijk genoten wedde, inclusief
                                vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, voor de toepassing van
                                die leden met ingang van het tijdstip van ingang van die
                                bezoldigingswijziging overeenkomstig die wijziging aangepast.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Voortzetting van de uitkering wegens invaliditeit</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 4a</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Indien belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering
                                eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met
                                inachtneming van het gestelde in artikel 7, de uitkering voor de
                                duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 4b.</al></li>
            <li nr="2."><al>Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze
                                verordening is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te
                                stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet
                                in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met
                                soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid
                                verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan,
                                met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt
                                verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkenen
                                met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid
                                wordt niet begrepen arbeid in een dienstbetrekking krachtens de Wet
                                Sociale Werkvoorziening. </al></li>
            <li nr="3."><al>Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt
                                buiten beschouwing gelaten of de betrokkenen de arbeid feitelijk kan
                                verkrijgen.</al></li>
            <li nr="4."><al>Indien de betrokkenen zonder redelijke grond weigert deel te nemen
                                aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende
                                meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er
                                bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van
                                uitgegaan dat de opleiding of scholing is afgerond.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <cursief>Artikel 4b</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het
                                tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en
                                vijfde lid van dit artikel.</al></li>
            <li nr="2."><al>De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het
                                derde lid 70 % van de laatstelijk als wethouder genoten wedde,
                                inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, bij een
                                algemene invaliditeit van 80 % of meer; 60 % van die wedde,
                                inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, bij een
                                algemene invaliditeit van 55 % tot 80 %; en 40 % van die wedde,
                                inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, bij een
                                algemene invaliditeit van 25 % tot 55 %.</al></li>
            <li nr="3."><al>De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de
                                belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de
                                uitkering:</al><al> 58 jaar of ouder: zes jaar;</al><al> 53 jaar of ouder: drie jaar;</al><al> 48 jaar of ouder: twee jaar;</al><al> 43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;</al><al> 38 jaar of ouder: een jaar;</al><al> 33 jaar of ouder is: een half jaar; en jonger is dan 33 jaar:
                                nihil.</al></li>
            <li nr="4."><al>De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde bepaalde
                                periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag
                                gelijk aan het minimumloon, verhoogd met een percentage van het
                                verschil tussen de laatstelijk als wethouder genoten wedde,
                                inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, bedoeld in
                                artikel 4, en het minimumloon.</al></li>
            <li nr="5."><al>Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt
                                een percentage van twee maal het aantal verstreken jaren tussen het
                                vijftiende jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van
                                voortzetting van de uitkering.</al></li>
            <li nr="6."><al>Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een
                                jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8,
                                eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en
                                minimumvakantiebijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23
                                jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd
                                geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
                                artikel 8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd met de
                                daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van de
                                wet.</al></li>
            <li nr="7."><al>De belanghebbende heeft recht op aanvulling van de uitkering, indien
                                die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid
                                vastgestelde percentage van de laatstelijk als wethouder genoten
                                wedde, inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.</al></li>
            <li nr="8."><al>De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering
                                te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de
                                laatstelijk als wethouder genoten wedde, inclusief
                                vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.</al></li>
            <li nr="9."><al>In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het
                                bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het
                                tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als wethouder
                                genoten wedde, inclusief vakantie-uitkering en de
                                eindejaarsuitkering, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt
                                voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 59, eerste
                                lid.</al></li>
            <li nr="10."><al>Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene
                                invaliditeit van 80 % of meer: 65 %, bij een algemene invaliditeit
                                van 55 % tot 80 %; 56 % en bij een algemene invaliditeit van 25 %
                                tot 55 %: 37 %.</al></li>
            <li nr="11."><al>Burgemeester en wethouders stellen regels met betrekking tot de
                                wijze en het tijdstip waarop de wethouder of de gewezen wethouder de
                                in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te
                                maken.</al></li>
            <li nr="12."><al>Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering
                                tezamen met inkomsten, bedoeld in artikel 5, minder bedraagt dan het
                                minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De
                                verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en
                                het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30 % van
                                het minimumloon.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <cursief>Artikel 4c</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 4a, geschiedt
                                op aanvraag van de belanghebbende voor de termijn van niet langer
                                dan drie jaar, onverminderd het in deze verordening bepaalde over
                                herziening of intrekking van de uitkering. </al></li>
            <li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders stellen de belanghebbenden uiterlijk vier
                                maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde
                                termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van
                                een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die
                                termijn.</al></li>
            <li nr="3."><al>Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt door de
                                belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in
                                het eerste lid bedoelde termijn gedaan.</al></li>
            <li nr="4."><al>Indien burgemeester en wethouders niet tijdig beslissen op een
                                tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de
                                uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de
                                aanvraag.</al></li>
            <li nr="5."><al>Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt geacht tijdig te
                                zijn ingediend indien burgemeester en wethouders de kennisgeving
                                bedoeld in het tweede lid niet hebben gedaan dan wel indien bij een
                                latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt
                                ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is
                                ontvangen.</al></li>
            <li nr="6."><al>Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde
                                termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze
                                die van toepassing zou zijn geweest die termijn niet zou zijn
                                afgelopen.</al></li>
            <li nr="7."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde groepen
                                algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn
                                geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het
                                eerste lid genoemde termijn van drie jaar. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <cursief>Artikel 4d</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste
                                maal met toepassing van artikel 4a is voortgezet, doen burgemeester
                                en wethouders een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er
                                als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene
                                invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van
                                de uitkering. </al></li>
            <li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde groepen
                                algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een
                                termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde
                                termijn.</al></li>
          </lijst>
          <lijst>
            <li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders wijzigen ambtshalve of op aanvraag van de
                                belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate
                                van algemene invaliditeit.</al></li>
            <li nr="4."><al>Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de
                                        eerste dag van</al><al> de maand volgende op die waarin die aanvraag is
                                        binnengekomen;</al></li>
                <li nr="b."><al>indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van
                                        de eerste dag van de maand </al><al> volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is
                                        genomen.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="5."><al>De toepassing van artikel 4a wordt ten aanzien van een
                                belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een
                                uitnodiging van burgemeester en wethouders zich te onderwerpen aan
                                een onderzoek door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen
                                ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene
                                invaliditeit.</al></li>
            <li nr="6."><al>Indien degene die recht heeft op een wegens algemene invaliditeit
                                voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid
                                geniet, zijn burgemeester en wethouders bevoegd, zolang niet
                                vaststaat of deze arbeid als arbeid bedoeld in artikel 4a, tweede
                                lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de
                                uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten
                                hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren,
                                aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband
                                met arbeid bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode
                                wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand
                                geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na
                                afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de
                                eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid bedoeld in
                                artikel 4a, tweede lid.</al></li>
          </lijst>
          <lijst>
            <li nr="7."><al>Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de tweede volzin van
                                het zesde lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde groepen
                                algemeen invaliden en met betrekking tot het zesde lid van dit
                                artikel nadere en voor bijzondere gevallen zo nodig afwijkende
                                regels stellen. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Onderzoek naar invaliditeit voor het aftreden</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 4e</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Op verzoek van een wethouder doen burgemeester en wethouders een
                                onderzoek instellen door een of meer door hen aangewezen
                                geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of de wethouder die
                                het verzoek deed algemeen invalide is als bedoeld in artikel 4a,
                                tweede lid.</al></li>
            <li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders brengen de uitkomst van een onderzoek dat
                                is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de
                                verzoeker.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Korting wegens inkomsten</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 5</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De inkomsten, die belanghebbende geniet, worden met de uitkering
                                verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of
                                geacht kunnen worden betrekking te hebben.</al></li>
            <li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid worden onder inkomsten
                                verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het
                                verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na
                                de dag waarop hij heeft opgehouden wethouder te zijn, geniet
                                als:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>winst uit onderneming;</al></li>
                <li nr="b."><al>zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid.</al><al> Onder inkomsten, bedoeld in de vorige volzin, wordt mede
                                        verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de
                                        Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3."><al>Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als inkomsten
                                aangemerkt:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>de inkomsten wegens de in het tweede lid bedoelde
                                        activiteiten ter hand genomen door de belanghebbende binnen
                                        één jaar, onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip van
                                        aftreden;</al></li>
                <li nr="b."><al>de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin
                                        hij gedurende zijn zittingstijd als wethouder op
                                        non-activiteit was gesteld;</al></li>
                <li nr="c."><al>de vaste vergoeding die wordt genoten als raadslid.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="4."><al>Indien de belanghebbende op of na de dag bedoeld in het tweede lid
                                inkomsten of hogere inkomsten, anders dan ten gevolge van algemene
                                loonsverhogingen, verkrijgt uit in het tweede lid bedoelde
                                activiteiten ter hand genomen voor de dag van aftreden, anders dan
                                bedoeld in het derde lid, is ten aanzien van die inkomsten of hogere
                                inkomsten het bepaalde in het eerste lid van toepassing.</al></li>
            <li nr="5."><al>De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de
                                uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering,
                                vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten wedde,
                                inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarvan de
                                uitkering is afgeleid, overschrijdt.</al></li>
            <li nr="6."><al>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden wordt niet verstaan
                                kinderbijslag alsmede de compensatie voor of de vergoeding van de
                                premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en
                                Wezenwet, welke in die inkomsten is of geacht kan worden te zijn
                                begrepen. De vorige volzin is wat betreft de premiecompensatie
                                slechts van toepassing voor zover de daarbedoelde inkomsten
                                betrekking hebben of kunnen worden geacht betrekking te hebben op
                                een tijdvak gelegen vóór 1 juni 1985.</al></li>
            <li nr="7."><al>Belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen of weer ter hand
                                nemen van enige arbeid of bedrijf, dan wel van het gaan genieten van
                                inkomsten of hogere inkomsten als bedoeld in dit artikel, terstond
                                mededeling te doen aan burgemeester en wethouders onder opgave, voor
                                zover mogelijk, van de verwachte inkomsten, een en ander
                                overeenkomstig de voorschriften, hem door burgemeester en wethouders
                                gegeven. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij
                                tijdig voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de
                                inkomsten die hij sinds het ter hand nemen van bedoelde
                                werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genomen. Brengt de
                                aard van de activiteiten of van de inkomsten mee dat de inkomsten
                                over een langere termijn dan een maand moeten worden berekend, dan
                                wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig
                                vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde
                                van evenbedoelde termijn.</al></li>
            <li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij de vaststelling van het bedrag
                                van de vermindering afwijken van de opgave van belanghebbende. </al></li>
            <li nr="9."><al>Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette
                                uitkeringen, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en artikel 4a,
                                kunnen burgemeester en wethouders andere inkomsten aanmerken als te
                                zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid. </al></li>
            <li nr="10."><al>Belanghebbende wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht
                                erin toe te stemmen, dat allen die daarvoor naar het oordeel van
                                burgemeester en wethouders in aanmerking komen omtrent zijn
                                omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van
                                deze afdeling nodig zijn. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Betaling uitkering</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 6</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De uitkering wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Einde van de uitkering</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 7</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De uitkering eindigt:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>met ingang van de dag, volgende op die waarop belanghebbende is
                                overleden; </al></li>
            <li nr="b."><al>met ingang van de dag, waarop belanghebbende de leeftijd van 65 jaar
                                bereikt;</al></li>
            <li nr="c."><al>met ingang van de dag, waarop belanghebbende weer als wethouder in
                                deze gemeente optreedt;</al></li>
            <li nr="d."><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin
                                burgemeester en wethouders ten aanzien van een uitkering als bedoeld
                                in artikel 4a, eerste lid, hebben vastgesteld, dat de algemene
                                invaliditeit minder dan 25 % is geworden.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Schorsing</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 8</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De betaling van de uitkering kan door burgemeester en wethouders
                                worden geschorst indien en voor zolang belanghebbende niet de
                                mededeling of opgave doet als bedoeld in artikel 5, lid 7.</al></li>
            <li nr="2."><al>Indien de in het vorige lid bedoelde verplichting alsnog wordt
                                nagekomen, wordt de uitkering over de tijd van schorsing alsnog
                                uitbetaald.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Uitkering bij overlijden</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 9</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen wethouder wordt
                                aan de nabestaande zoals bedoeld in artikel 12, van wie de
                                overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd,
                                gelijk aan de uitkering over een tijdvak van drie maanden.</al></li>
            <li nr="2."><al>Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na, van wie hij,
                                onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan wordt
                                evenbedoeld bedrag uitgekeerd ten behoeve van de minderjarige
                                wettige of natuurlijke kinderen van de overledene, of minderjarige
                                kinderen waarover de overledene ten tijde van het overlijden de
                                pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt
                                verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als
                                was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe
                                of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook
                                zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene
                                kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of
                                zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.</al></li>
            <li nr="3."><al>Laat de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste en
                                tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele
                                worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste
                                ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de
                                betaling van die kosten ontoereikend is.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Vervanging</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 10</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het bepaalde in deze afdeling is niet van overeenkomstige toepassing
                                ten aanzien van hem die krachtens het gestelde in artikel 51, eerste
                                lid, van de Gemeentewet tijdelijk met de waarneming van het
                                wethouderschap is belast geweest.</al></li>
            <li nr="2."><al>Voor de berekening van het tijdvak, bedoeld in artikel 2, eerste
                                lid, telt tevens mee de periode waarin de belanghebbende krachtens
                                het gestelde in artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk
                                doch gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de tijdelijke
                                waarneming van het wethouderschap is belast geweest, indien het
                                tijdvak van die waarneming zonder onderbreking wordt gevolgd door
                                een tijdvak, waarin hij anders dan krachtens artikel 51, eerste lid,
                                van de Gemeentewet als wethouder is opgetreden.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>AFDELING II PENSIOENEN</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Begrippen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 11</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening bepaalde worden
                        onder pensioen tevens begrepen de toeslagen bedoeld in de artikelen 29, 33,
                        36 en 37, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 12</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>aanmelding: aanmelding als bedoeld in artikel 12a;</al></li>
            <li nr="b."><al>nabestaande: de man of vrouw met wie de overleden wethouder, gewezen
                                of gepensioneerde wethouder op de dag van overlijden gehuwd was, dan
                                wel de man of vrouw ten aanzien van wie door de overledene
                                aanmelding had plaatsgevonden;</al></li>
            <li nr="c."><al>deeltijdfactor: een breuk waarvan de teller wordt gevormd door de
                                genoten wedde exclusief de vakantie-uitkering en de
                                eindejaarsuitkering, en de noemer door het tot een jaarbedrag
                                herleide bedrag waarvan de wedde is afgeleid.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Aanmelding</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 12a</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De wethouder kan bij burgemeester en wethouders één man of vrouw
                                aanmelden, indien hij en deze man of vrouw:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>beiden als ingezetenen met hetzelfde woonadres in de
                                        gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn
                                        ingeschreven;</al></li>
                <li nr="b."><al>zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract
                                        tegenover elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te
                                        dragen in de kosten van levensonderhoud;</al></li>
                <li nr="c."><al>beiden ongehuwd zijn;</al></li>
                <li nr="d."><al>beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of ouder
                                        zijn en</al></li>
                <li nr="e."><al>geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>Voorts kunnen aanmelding doen als bedoeld in het eerste lid:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>de gewezen wethouder met recht op uitkering ter zake van
                                        ontslag of aftreden, of </al></li>
                <li nr="b."><al>de gewezen wethouder, indien hij al voor zijn ontslag of
                                        aftreden gehuwd was met de man of vrouw van wie aanmelding
                                        gewenst wordt, dan wel indien die man of vrouw al voor het
                                        ontslag of aftreden door de gewezen wethouder was aangemeld
                                        geweest als bedoeld in het eerste lid, mits de aanmelding
                                        wordt gedaan voordat degene die de aanmelding doet de
                                        leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3."><al>Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt
                                afschrift van de benodigde gegevens uit de gemeentelijke
                                basisadministratie persoonsgegevens waaruit blijkt dat is voldaan
                                aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, alsmede een
                                afschrift van het contract, bedoeld in het eerste lid, onder b, dan
                                wel een uittreksel daaruit of een verklaring van de notaris
                                dienaangaande, waaruit de wederzijdse onderhoudsplichtigheid
                                blijkt.</al></li>
            <li nr="4."><al>Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld in het eerste
                                lid, niet wordt voldaan, weigeren burgemeester en wethouders de
                                aanmelding.</al></li>
            <li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                aanmelding door degene die niet als ingezetene in de gemeentelijke
                                basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven.</al></li>
            <li nr="6."><al>De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan.</al></li>
            <li nr="7."><al>Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid wordt doorgehaald:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de
                                        aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die is
                                        aangemeld, is ontvangen;</al></li>
                <li nr="b."><al>op de dag van overlijden van de man of vrouw die is
                                        aangemeld dan wel van degenen die de aanmelding heeft
                                        gedaan, of</al></li>
                <li nr="c."><al>op de dag waarop degenen die de aanmelding heeft gedaan, dan
                                        wel de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het huwelijk
                                        treedt, het zij partij is bij een volgende aanmelding.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen, indien daartoe aanleiding
                                bestaat, bevestiging vragen of nog aan de voorwaarden voor
                                aanmelding wordt voldaan. Degenen die de aanmelding heeft gedaan,
                                legt alsdan een schriftelijke verklaring ter zake over van hem en de
                                aangemelde persoon gezamenlijk, alsmede een gewaarmerkt afschrift
                                van de benodigde gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie
                                persoonsgegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarde, gesteld in
                                het eerste lid, onder a, op het tijdstip van die verklaring wordt
                                voldaan. Indien evenwel in de voorgaande periode het
                                samenlevingscontract een wijziging heeft ondergaan die van belang
                                kan zijn voor de aanmelding, wordt een afschrift van het gewijzigde
                                contract overgelegd dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring
                                van een notaris dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan
                                aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.</al></li>
            <li nr="9."><al>Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt gedaan, herhalen
                                burgemeester en wethouders hun in het achtste lid bedoelde
                                aanvraag.</al></li>
            <li nr="10."><al>Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de herhaalde
                                aanvraag wordt gegeven, kunnen burgemeester en wethouders de
                                aanmelding op een door hen vast te stellen datum doorhalen. De
                                bedoelde datum is niet gelegen voor de datum waarop de in het
                                achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Bijzonder nabestaandenpensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 13</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De bepalingen van deze verordening voor het bijzonder nabestaandenpensioen
                        zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder weduwenpensioen, tenzij
                        uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Tijdelijk pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 14</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De bepalingen van deze verordening voor het nabestaanden- en wezenpensioen
                        zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk pensioen, tenzij uit de
                        desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Vervanging</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 15</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het bepaalde in deze afdeling is niet van overeenkomstige toepassing
                                ten aanzien van hem die krachtens het gestelde in artikel 51, eerste
                                lid, van de Gemeentewet tijdelijk met de waarneming van het
                                wethouderschap is belast geweest.</al></li>
            <li nr="2."><al>Voor de berekening van het aantal dienstjaren, zoals bedoeld in deze
                                afdeling, kan op verzoek van belanghebbende tevens meetellen de
                                periode waarin hij krachtens het gestelde in artikel 51, eerste lid,
                                van de Gemeentewet tijdelijk doch gedurende meer dan dertig dagen
                                onafgebroken met de tijdelijke waarneming van het wethouderschap is
                                belast geweest, indien het tijdvak van die waarneming zonder
                                onderbreking wordt gevolgd door een tijdvak waarin hij anders dan
                                krachtens artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet als wethouder
                                is opgetreden.</al></li>
            <li nr="3."><al>Het verzoek, bedoeld in het vorige lid, dient binnen dertig dagen na
                                de datum waarop belanghebbende anders dan krachtens artikel 51,
                                eerste lid, van de Gemeentewet voor het eerst als wethouder is
                                opgetreden bij burgemeester en wethouders te worden ingediend.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>HOOFDSTUK II HET EIGEN PENSIOEN</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Het recht op eigen pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 16</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Hij die ophoudt wethouder te zijn, heeft, tenzij hij zonder
                                onderbreking weer als zodanig optreedt, recht op pensioen indien hij
                                op het tijdstip waarop hij ophoudt wethouder te zijn, de leeftijd
                                van 65 jaar heeft bereikt.</al></li>
            <li nr="2."><al>Hij die ophoudt wethouder te zijn vóór het bereiken van de leeftijd
                                van 65 jaar, heeft recht op pensioen bij het bereiken van die
                                leeftijd, tenzij hij op dat tijdstip weer als wethouder in deze
                                gemeente optreedt.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Diensttijd vóór en vanaf 1 januari 1986</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 17</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het pensioen wordt berekend over de tijd doorgebracht als wethouder
                                volgens een of meer van de artikelen 18, 19 en 19a, naar de
                                laatstelijk als wethouder genoten wedde, inclusief
                                vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.</al></li>
            <li nr="2."><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als 19,
                                geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1 januari 1986 als
                                laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk een 100/110 maal het
                                bedrag van de eventueel volgens de regels, bedoeld in artikel 157,
                                derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                                aangepaste wedde voor de vaststelling van de pensioengrondslag voor
                                de pensioenberekening over tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari
                                1995 met toepassing van artikel 19. De in de eerste volzin
                                eerstbedoelde wedde bedraagt niet minder dan het bedrag van
                                laatstbedoelde wedde verminderd met € 2.867,89 Het bedrag van €
                                2.867,89 wordt telkens aangepast bij de ministeriële regeling,
                                bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Algemene pensioenwet
                                politieke ambtsdragers, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag
                                dat op 1 januari 1985 € 28.678,91 bedroeg.</al></li>
            <li nr="3."><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als
                                artikel 19a, geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1
                                januari 1986 als laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan
                                100/110 maal het bedrag, bedoeld in het vierde lid.</al></li>
            <li nr="4."><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 19 als
                                artikel 19a geldt voor de pensioenberekening over de tijd tussen 31
                                december 1985 en 1 januari 1995 als laatselijk genoten wedde een
                                bedrag gelijk aan de eventueel naar de regelen, bedoeld in het
                                tweede lid aangepaste wedde voor de vaststelling van de
                                pensioengrondslag voor de pensioenberekening over de tijd na 31
                                december 1994 met toepassing van artikel 19a, vermenigvuldigd met
                                een debruteringsfactor. Deze factor is de breuk, waarvan de teller
                                honderd bedraagt en de noemer de som van honderd en het percentage
                                waarmee de wedde als wethouder per 1 januari 1995 uitsluitend ter
                                uitvoering van artikel II van de wet van 19 mei 1994, houdende
                                wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (onder
                                andere ter zake van inhoudingen op het inkomen en gelijke franchise
                                voor de pensioenberekening) (Staatsblad 418) is gewijzigd.</al></li>
            <li nr="5."><al>Bij de berekening van een pensioen van een gewezen wethouder die
                                voor januari 1986 voor zijn bezoldiging geacht werd niet de
                                volledige werkweek aan het wethouderschap te besteden, wordt de
                                laatstelijk genoten wedde, vastgesteld het tweede of derde lid,
                                vermenigvuldigd met de deelfactor.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Berekening van het eigen pensioen over tijd vóór 1 januari
                        1986</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 18</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over de jaren gelegen vóór 1 januari 1986.</al></li>
            <li nr="2."><al>Behoudens het bepaalde in lid 3 bedraagt het pensioen voor ieder van
                                de eerste vier jaren als wethouder 3,5 % en voor ieder overig jaar
                                als wethouder 1,75 %, in totaal tot een maximum van 70 %, van de -
                                in de zin van artikel 4 - laatstelijk als wethouder genoten wedde
                                inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, aangepast
                                volgens de regels als bedoeld in artikel 157, derde lid, van de
                                Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.</al></li>
            <li nr="3."><al>Indien recht bestaat op meer dan een pensioen krachtens of op de
                                voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers komen op
                                grond van artikel 139, lid 3, van deze wet voor de toepassing van de
                                pensioenberekening naar 3,5 % per dienstjaar in totaal ten hoogste
                                vier dienstjaren in aanmerking en wordt die berekening voor zover
                                mogelijk toegepast ten aanzien van het pensioen, waarbij die
                                berekening het hoogste bedrag oplevert, en overigens ten aanzien van
                                het andere pensioen of de andere pensioenen in de volgorde van de
                                hoogte van de wedden of de berekeningsgrondslag. Voor de
                                vergelijking van deze wedden of berekeningsgrondslag worden deze zo
                                nodig aangepast volgens de regelen, bedoeld in artikel 157, derde
                                lid, van evengenoemde wet.</al></li>
            <li nr="4."><al>De tijd met recht op uitkering doorgebracht, telt als diensttijd mee
                                in die zin, dat het pensioen over deze tijd naar 0,875 % per jaar
                                wordt berekend, met dien verstande dat, wanneer het een uitkering
                                betreft als bedoeld in artikel 4a, het pensioen over deze tijd naar
                                1,75 % per jaar wordt berekend, voor zover en voor zolang het
                                percentage van de algemene invaliditeit 55 of meer bedroeg. Voor de
                                toepassing van de vorige volzin worden uitkeringen als bedoeld in
                                artikel 2 en in artikel 3, leden 1 en 2, aangemerkt als een
                                uitkering als bedoeld in artikel 4a, indien en zolang belanghebbende
                                tijdens de duur van eerstbedoelde uitkeringen voor 55 % of meer
                                algemeen invalide was.</al></li>
            <li nr="5."><al>In afwijking van het vierde lid wordt het pensioen over de in dat
                                lid bedoelde tijd berekend naar de helft van het ingevolge dat lid
                                toepasselijke percentage, over het gedeelte van die tijd waarin de
                                uitkering is verminderd wegens het genieten van inkomsten als
                                bedoeld in artikel 5.</al><al> Geen meetelling van diensttijd als bedoeld in het vierde lid vindt
                                plaats:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>voor zover gedurende de in dat lid bedoelde tijd de
                                        uitkering wegens het genieten van inkomsten als bedoeld in
                                        artikel 5, eerste lid, tot nihil is verminderd;</al></li>
                <li nr="b."><al>in zover de belanghebbende die recht heeft op uitkering,
                                        maar die minder uitkering geniet dan de krachtens artikel
                                        59, berekende inhoudingen ter zake van ouderdom en
                                        overlijden, er geen zorg voor draagt dat het bedrag van deze
                                        inhoudingen, welk bedrag als een op hen rustende schuld
                                        wordt beschouwd, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd
                                        is voldaan;</al></li>
                <li nr="c."><al>wanneer belanghebbende zulks verzoekt.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="6."><al>Voor de toepassing van het vijfde lid wordt de vergoeding voor de
                                werkzaamheden als lid van de gemeenteraad niet beschouwd als daar
                                bedoelde inkomsten.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Berekening van het eigen pensioen over de tijd tussen 31 december 1985
                            en 1 januari 1995</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 19</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over jaren gelegen tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De
                                pensioengrondslag wordt gevormd door de laatstelijk als wethouder
                                genoten wedde, inclusief vakantie-uitkering en de
                                eindejaarsuitkering, te verminderen met een bedrag als omschreven in
                                het vierde lid (de franchise).</al></li>
            <li nr="3."><al>Ten aanzien van een wethouder die voor zijn bezoldiging geacht wordt
                                niet de volledige werkweek aan het ambt te besteden, wordt onder
                                wedde verstaan het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarvan die
                                wedde is afgeleid.</al></li>
            <li nr="4."><al>De franchise bedoeld in het tweede lid, bedraagt:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>voor de gepensioneerde wethouder die voor de toepassing van
                                        de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt twintig
                                        zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarop
                                        ingevolge die wet bestaat of zou hebben bestaan indien hij
                                        op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest;</al></li>
                <li nr="b."><al>voor de gepensioneerde wethouder die voor de toepassing van
                                        de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt tien
                                        zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarop
                                        ingevolge die wet recht bestaat of zou hebben bestaan indien
                                        hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="5."><al>In de in het vierde lid bedoelde bedragen is mede begrepen de bruto
                                vakantie-uitkering waarop ingevolge de Algemene Ouderdomswet recht
                                bestaat.</al></li>
            <li nr="6."><al>Wanneer de in het vierde lid bedoelde bedragen worden gewijzigd,
                                wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen
                                gaat, onverminderd artikel 22, tweede lid, in op dezelfde dag als
                                waarop bedoelde wijzigingen zich hebben voorgedaan.</al></li>
            <li nr="7."><al>Behoudens het bepaalde in het achtste lid bedraagt het pensioen voor
                                ieder van de eerste vier voor pensioen tellende jaren als wethouder
                                3,5 % van de pensioengrondslag, en voor ieder overig jaar als
                                wethouder 1,75 % van de pensioengrondslag, in totaal tot een maximum
                                van 70 % van de pensioengrondslag, aangepast volgens de regels,
                                bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Algemene pensioenwet
                                politieke ambtsdragers.</al></li>
            <li nr="8."><al>Indien recht bestaat op meer dan een pensioen, bedoeld in het
                                zevende lid, dan wel daarnaast recht bestaat op een of meer
                                pensioenen krachtens de tweede en derde afdeling van de Algemene
                                pensioenwet politieke ambtsdragers komen voor de toepassing van de
                                pensioenberekening naar 3,5 % per dienstjaar in totaal ten hoogste
                                vier dienstjaren in aanmerking en wordt die berekening voor zover
                                mogelijk toegepast ten aanzien van het pensioen, waarbij die
                                berekening ten hoogste bedrag oplevert, en overigens ten aanzien van
                                het andere pensioen of de andere pensioenen in de volgorde van de
                                hoogte van de wedden, berekeningsgrondslag of pensioengrondslagen.
                                Voor vergelijking van deze wedden, berekeningsgrondslag of
                                pensioengrondslagen worden deze zo nodig aangepast volgens de
                                regels, bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Algemene
                                pensioenwet politieke ambtsdragers.</al></li>
            <li nr="9."><al>Het vierde, vijfde en zesde lid van artikel 18 zijn van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li>
            <li nr="10."><al>Indien een pensioen wordt berekend zowel met toepassing van artikel
                                18 als met toepassing van dit artikel, wordt in afwijking van het
                                zevende of achtste lid het percentage van 70 % verminderd met het
                                percentage van het pensioen dat eerst is berekend met toepassing van
                                artikel 18.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Berekening van het eigen pensioen over tijd na 31 december
                        1994</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 19a</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over tijd doorgebracht als wethouders na 31 december 1994.</al></li>
            <li nr="2."><al>Artikel 19, tweede lid, is van toepassing, met dien verstande, dat
                                de in dat lid bedoelde franchise het bedrag is dat op grond van een
                                reglement, als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Wet
                                privatisering Abp als zodanig geldt voor de berekening van een
                                ouderdomspensioen van een gepensioneerd overheidswerknemer in de zin
                                van die wet.</al></li>
            <li nr="3."><al>Artikel 19, derde en zevende tot en met tiende lid, zijn van
                                toepassing.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Berekening eigen pensioen deeltijdwethouders na 31 december
                        1985</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 20</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Tijd, doorgebracht als wethouder, gedurende welke de belanghebbende voor
                        zijn bezoldiging geacht werd niet de volledige werkweek aan zijn ambt te
                        besteden, telt voor de pensioenberekening met toepassing van artikel 19 en
                        19a, dan wel met toepassing van beide artikelen, mee met inachtneming van de
                        voor die tijd toepasselijke deeltijdfactor of deeltijdfactoren.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Samenvallende diensttijden van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1
                            januari 1995</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 21</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De gepensioneerde wethouder heeft recht op een toeslag op zijn
                                pensioen indien dat pensioen is berekend met toepassing van de
                                franchise bedoeld in artikel 19, vierde lid, onderdeel a, en indien
                                de kalendertijd, waarin de voor de berekening van zijn pensioen
                                meetellende diensttijd is gelegen, geheel of gedeeltelijk samenvalt
                                met de kalendertijd, die in aanmerking is genomen bij de berekening
                                van enig pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, mits op
                                laatstbedoelde pensioen een vermindering is toegepast uit hoofde van
                                recht op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.</al></li>
            <li nr="2."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot
                                aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene
                                Ouderdomswet als echtgenoot van de gepensioneerde wethouder wordt
                                aangemerkt.</al></li>
            <li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt voor elk voor de
                                berekening van het pensioen tellende jaar binnen de samenlopende
                                kalendertijd 0,525 % van de franchise bedoeld in artikel 19, vierde
                                lid.</al></li>
            <li nr="4."><al>De toeslag wordt slechts toegekend op schriftelijk verzoek en gaat
                                in op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid is
                                opgetreden, met dien verstande dat de toeslag niet vroeger ingaat
                                dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek is
                                ingediend. </al></li>
            <li nr="5."><al>Voor de toepassing van artikel 157 van de Algemene pensioenwet
                                politieke ambtsdragers en van hoofdstuk III van deze verordening
                                wordt de toeslag ingevolge dit artikel niet onder het pensioen
                                begrepen. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Verstrekken van inlichtingen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 22</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Indien in het bedrag van het ouderdomspensioen, waaronder mede
                                begrepen een eventuele toeslag en de vakantie-uitkering, ingevolge
                                de Algemene Ouderdomswet een wijziging wordt aangebracht op grond
                                van persoonlijke omstandigheden, is degene aan wie een pensioen
                                krachtens dit hoofdstuk is toegekend over diensttijd voor 1
                                januari1995, gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan
                                burgemeester en wethouders. </al></li>
            <li nr="2."><al>Indien de in het eerste lid bedoelde wijziging leidt tot verhoging
                                van het pensioen krachtens dit hoofdstuk, gaat die verhoging niet
                                vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
                                daarbedoelde kennisgeving werd gedaan of waarin die verhoging
                                ambtshalve plaatsvond.</al></li>
            <li nr="3."><al>In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders het tweede
                                lid buiten toepassing laten.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>HOOFDSTUK III HET NABESTAANDENPENSIOEN</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Paragraaf 1</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Het recht op pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Paraplubepaling Anw</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 23</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Een regeling van nabestaanden- en wezenpensioen, vervat in deze verordening,
                        wordt voor de toepassing van artikel 103 van de Algemenenabestaandenwet
                        beschouwd als een pensioenregeling als bedoeld in dit artikel.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 23a</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Voor recht op een nabestaanden- of wezenpensioen, ontstaan wegens
                                overlijden tussen 30 juni 1996 en 1 januari 1998 van een wethouder,
                                gewezen wethouder, of gepensioneerde wethouder, van een nabestaande
                                of een wees die geen recht heeft op een uitkering ingevolge de
                                Algemene nabestaandenwet maar wel recht op pensioen of tijdelijke
                                uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet zou hebben
                                gehad indien die wet nog van kracht zou zijn geweest, geldt het
                                volgende:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>voor de toepassing van de bepalingen inzake samenloop van
                                        pensioen en algemeen pensioen over tijd vóór 1 januari 1986
                                        (inbouwbepalingen) en de bepalingen inzake het recht op een
                                        toeslag wegens het ontbreken van recht op uitkering
                                        ingevolge de Algemene nabestaandenwet heeft artikel 23 geen
                                        werking;</al></li>
                <li nr="b."><al>de onder a bedoelde toeslag wordt berekend overeenkomstig
                                        artikel 29a indien het een toeslag op een
                                        nabestaandenpensioen betreft en overeenkomstig artikel 33
                                        indien het een toeslag op een wezenpensioen betreft;</al></li>
                <li nr="c."><al>een toeslag op een nabestaandenpensioen wordt mede berekend
                                        over tijd na 31 december 1995, indien en voor zover in
                                        aanmerking genomen voor de berekening van het pensioen. (In
                                        de tiende wetswijziging is bepaald dat de Minister van
                                        Binnenlandse Zaken kan besluiten dat in plaats van de datum
                                        van 1 januari 1998 een latere datum zal gelden.)</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>Het eerste lid, onder c, geldt mede voor een recht op
                                nabestaandenpensioen, ontstaan wegens overlijden tussen 26 juni 1996
                                en 1 juli 1996 van een wethouder, gewezen wethouder. of
                                gepensioneerde wethouder, van een nabestaande die wegens dat
                                overlijden recht heeft verkregen op een tijdelijke weduwenuitkering
                                op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, na het verstrijken
                                van de duur van die uitkering. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Nabestaandenpensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 24</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De nabestaande van een wethouder of van een gewezen dan wel van een
                                gepensioneerde wethouder heeft recht op nabestaandenpensioen.</al></li>
            <li nr="2."><al>Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het huwelijk was
                                gesloten nadat het aftreden van de echtgenoot was ingegaan,
                                tenzij:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>de echtgenoot ten tijde van het sluiten van het huwelijk
                                        recht had op uitkering ter zake van zijn aftreden als
                                        wethouder, of</al></li>
                <li nr="b."><al>de echtgenoten reeds voor het aftreden met elkaar gehuwd
                                        waren geweest dan wel de nabestaande door de echtgenoot
                                        aangemeld was geweest en mits het huwelijk was gesloten
                                        voordat deze de 65-jarige leeftijd had bereikt. </al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3."><al>Voor de toepassing van het vorige lid wordt het aftreden geacht niet
                                te hebben plaatsgevonden, indien zonder wezenlijke onderbreking een
                                politiek ambt als bedoeld in de Algemene pensioenwet politieke
                                ambtsdragers is aanvaard. Een onderbreking van ten hoogste twee
                                maanden wordt als niet-wezenlijk aangemerkt.</al></li>
            <li nr="4."><al>De raad kan beslissen dat een onderbreking van meer dan twee maanden
                                als niet-wezenlijk wordt aangemerkt.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Bijzonder nabestaandenpensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 25 (2)</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De man of vrouw, met wie een wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                wethouder gehuwd is geweest, heeft na diens overlijden recht op
                                bijzonder nabestaandenpensioen mits:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad,
                                        indien de wethouder op de dag van het vonnis, waarbij de
                                        echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is
                                        uitgesproken, zou zijn overleden, en</al></li>
                <li nr="b."><al>de onder a bedoelde dag ligt na 30 september 1971 en de
                                        echtscheiding of ontbinding van het huwelijk niet is
                                        uitgesproken met toepassing van het vóór 1 oktober 1971
                                        geldende recht.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                vrouw of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits zij of hij
                                recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de wethouder,
                                de gewezen of gepensioneerde wethouder op de dag van eindigen van de
                                aanmelding zou ijn overleden.</al></li>
            <li nr="3."><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de
                                desbetreffende vrouw of man als gevolg van een huwelijk met, dan wel
                                een aanmelding door dezelfde wethouder ter zake van diens overlijden
                                recht op nabestaandenpensioen verkrijgt.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Wezenpensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 26</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Recht op wezenpensioen hebben:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>de kinderen van hem die overlijdt als wethouder of als
                                        gewezen of gepensioneerde wethouder, die de leeftijd van
                                        eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd
                                        zijn of gehuwd geweest zijn dan wel niet partij zijn of
                                        partij zijn geweest bij een aanmelding, mits zij zijn
                                        geboren of geadopteerd voor zijn aftreden is ingegaan of in
                                        de periode waarin hij recht heeft op uitkering ter zake van
                                        het aftreden. </al></li>
                <li nr="b."><al>de kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijke
                                        wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder ten tijde van
                                        zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394
                                        van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd, dan wel
                                        door hem bij authentieke akte een dergelijke verplichting
                                        was erkend, onder dezelfde voorwaarden als genoemd in
                                        onderdeel a, en</al></li>
                <li nr="c."><al>de kinderen voor welke de wethouder, gewezen of
                                        gepensioneerde wethouder ten tijde van zijn overlijden de
                                        pleegouderlijke zorg droeg, onder zelfde voorwaarden als
                                        genoemd in onderdeel a, met dien verstande dat in plaats van
                                        het tijdstip van geboorte of adoptie het tijdstip van
                                        aanvang van de pleegouderlijke zorg in aanmerking wordt
                                        genomen.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>Artikel 24, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing
                                ten aanzien van het gestelde onder a van het eerste lid.</al></li>
            <li nr="3."><al>Onder pleegouderlijke zorg bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt
                                verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind,
                                als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting
                                daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Tijdelijk pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 27</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Indien een wethouder of een gewezen dan wel gepensioneerde wethouder
                                naar het oordeel van burgemeester en wethouders is vermist, hebben
                                degenen, die aan zijn overlijden op grond van de voorgaande
                                artikelen van deze paragraaf recht op pensioen zouden ontlenen,
                                recht op tijdelijk pensioen op dezelfde voorwaarden als in die
                                artikelen ten aanzien van het recht op pensioen omschreven.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een pensioen
                                zodra het onderlijden van de vermiste vaststaat.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Paragraaf 2</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Bedrag van het pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Berekening van het nabestaandenpensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Artikel 28</vet>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het
                                pensioen, waarop de overledene als gewezen wethouder aanspraak zou
                                hebben gehad, indien hij met ingang van de dag na die van zijn
                                overlijden was afgetreden, of waarop de overledene als gewezen
                                wethouder recht of uitzicht had. </al></li>
            <li nr="2."><al>In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de
                                nabestaande van hem die overlijdt:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>als wethouder voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar:
                                        vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop de wethouder
                                        aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij het
                                        wethouderschap tot het bereiken van evengenoemde leeftijd
                                        zou hebben bekleed;</al></li>
                <li nr="b."><al>als gewezen wethouder in de periode waarin hij recht op
                                        uitkering heeft: vijf zevende gedeelte van het pensioen
                                        waarop de gewezen wethouder aanspraak zou hebben kunnen
                                        maken, indien hij tot het bereiken van de leeftijd van 65
                                        jaar recht op uitkering zou hebben gehad, met dien verstande
                                        dat voor de berekening van het pensioen de diensttijd wordt
                                        doorgeteld naar de mate van meetelling van diensttijd op de
                                        dag van overlijden.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3."><al>Indien wegens een zelfde sterfgeval voor een nabestaande recht
                                ontstaat op meer dan een nabestaandenpensioen krachtens of op voet
                                van deAlgemene pensioenwet politieke ambtsdragers wordt op grond van
                                artikel 145, lid 4, van deze wet tijd, die voor de berekening van
                                meer dan een van die pensioenen meetelt en niet daadwerkelijk
                                gelijktijdig in de verschillende ambten is doorgebracht, slechts
                                meegeteld voor de berekening van het pensioen waarbij die tijd het
                                hoogste bedrag oplevert. </al></li>
            <li nr="4."><al>Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien van het
                                eigen pensioen voor zover artikel 19, tweede, derde en vierde lid,
                                daarop van toepassing is, in alle gevallen gerekend met de franchise
                                bedoeld in artikel 19, vierde lid, onder a.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Berekening nabestaandenpensioen tussen 31 december 1985 en 1 januari
                            1995</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 29</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over diensttijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995.</al></li>
            <li nr="2."><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en
                                nog geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene
                                nabestaandenwet, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die
                                leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens artikel 28
                                berekende pensioen. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de
                                berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar 2,5 % van het
                                tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering
                                ingevolge de Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de daarover
                                berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet.</al></li>
            <li nr="3."><al>Wanneer betrokkene voldoet, onderscheidenlijk niet meer voldoet, aan
                                de voorwaarden omschreven in het tweede lid, dient hij hiervan
                                onmiddellijk kennis te geven aan burgemeester en wethouders. De
                                daarbedoelde toeslag gaat niet eerder in dan een jaar voor de eerste
                                dag van de maand waarin kennisgeving werd gedaan of waarin die
                                toeslag ambtshalve is toegekend.</al></li>
            <li nr="4."><al>Wanneer het bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de
                                Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de daarover berekende
                                vakantie-uitkering ingevolge die wet wordt gewijzigd, wordt de in
                                het tweede lid bedoelde toeslag dienovereenkomstig gewijzigd met
                                ingang van dezelfde dag als eerstbedoelde wijziging.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Berekening nabestaandenpensioen tussen 31 december 1994 en 1 januari
                            1996</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 29a</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over diensttijd tussen 31 december 1994 en 1 januari 1996.</al></li>
            <li nr="2."><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en
                                geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de algemene
                                nabestaandenwet, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die
                                leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande
                                artikelen berekende pensioen. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor
                                elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar
                                1,25 % van de franchise, bedoeld in het tweede lid van artikel
                                19a.</al></li>
            <li nr="3."><al>Het derde en vierde lid van artikel 29 zijn van overeenkomstige
                                toepassing. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Bijzonder nabestaandenpensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 30</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het bijzonder nabestaandenpensioen wordt op dezelfde wijze berekend
                                als een nabestaandenpensioen, met dien verstande dat slechts de
                                diensttijd meetelt die gelegen is vóór de ontbinding van het
                                huwelijk dan wel vóór het tijdstip waarop de aanmelding is
                                geëindigd. </al></li>
            <li nr="2."><al>Indien er recht bestaat op meer dan één bijzonder
                                nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 25, eerste of tweede
                                lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien
                                verstande, dat voor de berekening van het bijzonder
                                nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke aanmelding
                                waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere aanmelding
                                voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die samenloopt of geacht
                                kan worden samen te lopen met de huwelijksduur dan wel de duur van
                                de aanmelding. </al></li>
            <li nr="3."><al>Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer bijzondere
                                nabestaandenpensioenen, wordt het nabestaandenpensioen dat aan
                                hetzelfde overlijden wordt ontleend, met het bedrag of de bedragen
                                daarvan verminderd.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 31</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Indien een nabestaande hertrouwt dan wel partij is bij een aanmelding wordt
                        zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de maand, volgende op die
                        waarin hij hertrouwt dan wel de aanmelding geschiedt. Daarbij wordt
                        uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende diensttijd van de
                        wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder in aanmerking genomen, die
                        gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Wezenpensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 32</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het wezenpensioen bedraagt:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>voor elk kind wiens ouder aan het overlijden van de
                                        wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder recht op
                                        pensioen ontleent, een zevende gedeelte;</al></li>
                <li nr="b."><al>voor elk ander kind: twee zevende gedeelte van het pensioen
                                        van de overledene, berekend overeenkomstig artikel 28.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede
                                begrepen, de nabestaande, die op het tijdstip van zijn overlijden de
                                pleegouderlijke zorg had voor het kind, bedoeld in artikel 26.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Berekening wezenpensioen na 31 december 1985</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 33</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over de diensttijd na 31 december 1985.</al></li>
            <li nr="2."><al>De wees die geen recht heeft op wezenuitkering ingevolge de Algemene
                                nabestaandenwet heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel
                                32 berekende pensioen, tenzij zijn ouder recht heeft op de
                                halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. Deze
                                toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
                                wezenpensioen tellend jaar:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>voor de wees bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a,
                                        0,375 % van de tot een jaarbedrag herleide som van de
                                        nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering ingevolge de
                                        Algemene nabestaandenwet, vermeerderd met de daarover
                                        berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet;</al></li>
                <li nr="b."><al>voor de wees bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder b,
                                        0,75 % van het over a bedoelde jaarbedrag. </al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3."><al>Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 29, derde lid, van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li>
            <li nr="4."><al>Wanneer het bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de
                                Algemene nabestaandenwet, van de halfwezenuitkering ingevolge die
                                wet of van de daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die
                                wet wordt gewijzigd, wordt de in het tweede lid bedoelde toeslag
                                dienovereenkomstig gewijzigd met ingang van dezelfde dag als
                                eerstbedoelde wijziging.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Herberekening wezenpensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 34</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het wezenpensioen wordt herberekend overeenkomstig de artikelen 32
                                en 33, wanneer het nabestaandenpensioen of het bijzonder
                                nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens overlijden is
                                geëindigd.</al></li>
            <li nr="2."><al>Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens artikel 31
                                wegens hertrouwen dan wel een aanmelding opnieuw wordt vastgesteld,
                                wordt het wezenpensioen bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a,
                                verhoogd met een bedrag, dat zich verhoudt tot het bedrag van dat
                                wezenpensioen, zoals het verschil tussen het nabestaandenpensioen
                                bedoeld in artikel 28 voor en na toepassing van artikel 31 zich
                                verhoudt tot dat nabestaandenpensioen vóór die toepassing.</al></li>
            <li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel is artikel 32, tweede lid, van
                                overeenkomstige toepassing.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Beperking gezamenlijk bedrag nabestaanden- en wezenpensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 35</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De gedeelten van de nabestaanden-, bijzondere nabestaanden- en
                                wezenpensioenen, onderscheidenlijk van de wezenpensioenen, bedoeld
                                in de artikelen 28, 30, 31 en 32 gaan tezamen het bedrag waarvan die
                                pensioenen zijn afgeleid niet te boven.</al></li>
            <li nr="2."><al>Indien wegens toepassing van het vorige lid de daarbedoelde
                                pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze
                                in evenredigheid van de onderscheidene bedragen.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Toeslag op nabestaandenpensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 36</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt,
                                heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt
                                heeft op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen
                                berekende pensioen ten bedrage van 15 % van dat pensioen, behoudens
                                het bepaalde in het tweede en vierde lid.</al></li>
            <li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als
                                daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk V
                                toepassing heeft gevonden.</al></li>
            <li nr="3."><al>Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die recht
                                heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch ten aanzien van degene
                                wiens nabestaandenpensioen wegens hertrouwen dan wel een aanmelding
                                opnieuw is vastgesteld.</al></li>
            <li nr="4."><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste 15 % van
                                € 25.046,40 (3). Dit bedrag wordt telkens aangepast bij de
                                ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157, derde lid, van de
                                Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, overeenkomstig de
                                aanpassing van een bedrag dat op 1 januari 1985 € 28.678,91
                                bedroeg.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Toeslag op wezenpensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 37</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De wees bedoeld in artikel 32 heeft vanaf de eerste dag van de maand
                                waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt recht op een
                                toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen
                                ten bedrage van 15 % van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het
                                tweede en derde lid.</al></li>
            <li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als
                                daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk V
                                toepassing heeft gevonden.</al></li>
            <li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste 15 % van
                                € 25.046,40. Dit bedrag wordt telkens aangepast bij de ministeriële
                                regeling, bedoeld in artikel 157, derde lid van de Algemene
                                pensioenwet politieke ambtsdragers, overeenkomstig de aanpassing van
                                een bedrag dat op 1 januari 1985 € 28.678,91 bedroeg.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Tijdelijk pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 38</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou bestaan
                        indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was overleden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>HOOFDSTUK IV VERVAL EN VERVALLENVERKLARING</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Vervallenverklaring van uitzicht of recht op pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 39</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De raad kan het uitzicht of het recht op pensioen geheel of
                                gedeeltelijk vervallen verklaren:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>indien degene die dat uitzicht of recht heeft zich in
                                        vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft
                                        begeven en naar zijn oordeel zich daardoor uit Nederlands
                                        nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;</al></li>
                <li nr="b."><al>indien degene die dat uitzicht of recht heeft wegens enig
                                        strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar zijn oordeel
                                        blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt
                                        beschouwd onwaardig heeft gedragen;</al></li>
                <li nr="c."><al>indien degene die dat uitzicht of recht heeft overeenkomstig
                                        artikel W 9 van de Kieswet van het lidmaatschap van de raad
                                        vervallen verklaard is;</al></li>
                <li nr="d."><al>indien het ontslag als wethouder die dat uitzicht of recht
                                        heeft, voortvloeit uit het feit dat hij zich aan kennelijk
                                        wangedrag of grove verwaarlozing van zijn taak heeft
                                        schuldig gemaakt. Onder grove verwaarlozing van zijn taak
                                        wordt begrepen het zonder genoegzame grond weigeren de in
                                        artikel 129 van de Gemeentewet bedoelde inlichtingen aan de
                                        raad te verstrekken.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>In bijzondere gevallen kan de raad een door of als gevolg van de
                                toepassing van het vorige lid vervallen uitzicht of recht op
                                pensioen, geheel of gedeeltelijk herstellen.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Verval van recht op pensioen bij niet invorderen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 40</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het recht op toegekend pensioen vervalt indien gedurende vijf
                                achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is
                                gebleven.</al></li>
            <li nr="2."><al>De raad kan een door of als gevolg van de toepassing van het vorige
                                lid vervallen recht op pensioen herstellen.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>HOOFDSTUK V SAMENLOOP</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Paragraaf 1</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Samenloop pensioenen krachtens deze verordening, onderling en met
                            andere pensioenen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Grensbedrag eigen pensioenen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 41</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt, voor zover een pensioen is
                                onderworpen aan een samenloopregeling overeenkomstig paragraaf 2 van
                                dit hoofdstuk, onder pensioen verstaan het bedrag dat overblijft na
                                vermindering van dat pensioen wegens recht op ouderdomspensioen
                                krachtens de Algemene Ouderdomswet en een naar aard en strekking
                                daarmee overeenkomend pensioen of uitkering.</al></li>
            <li nr="2."><al>Indien recht bestaat op een of meer eigen pensioenen krachtens of op
                                de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, dan wel
                                daarnaast recht bestaat op een of meer eigen pensioenen krachtens
                                een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid en het totaal van
                                die pensioenen meer bedraagt dan het grensbedrag, omschreven in het
                                derde lid, wordt op grond van artikel 154, juncto artikel 93 van
                                genoemde wet, elk eigen pensioen krachtens of op de voet van die wet
                                beperkt tot een zodanig gedeelte (beperkingsbreuk) van bedoeld
                                grensbedrag als evenredig is aan de verhouding, waarin elk van
                                laatstbedoelde pensioenen staat tot het totaal van die
                                pensioenen.</al></li>
            <li nr="3."><al>Het grensbedrag is het pensioen dat met toepassing van artikel 19
                                tot het in het zevende lid van dat artikel genoemde maximum van 70 %
                                zou zijn toegekend naar een wedde overeenkomend met het hoogste
                                bedrag in bijlage A van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke
                                Rijksambtenaren 1984 (Stb. 571) vermeerderd met het percentage van
                                de vakantie-uitkering.</al></li>
            <li nr="4."><al>Indien het bedrag van een of meer van de in het tweede lid bedoelde
                                pensioenen bij berekening naar de maximaal in aanmerking komende
                                diensttijd hoger is of zou zijn dan het grensbedrag bedoeld in het
                                derde lid, treedt dat hogere bedrag of het hoogste van die bedragen
                                voor de toepassing van het tweede lid in de plaats van het
                                grensbedrag. Voor de in de eerste volzin bedoelde vergelijking
                                worden de pensioenen aangepast overeenkomstig de regelen vastgesteld
                                bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 105 van de
                                Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en daarmee
                                overeenkomende artikelen in andere pensioenwetten. </al></li>
            <li nr="5."><al>Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in dit
                                artikel verstaan een pensioen, een daarmee in aard overeenkomende
                                uitkering, alsmede een onderstand bij wijze van pensioen ten laste
                                van het rijk, een provincie, gemeente of waterschap, van het
                                Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, van het Spoorwegpensioenfonds en
                                van de Stichting Administratie Indonesische pensioenen, dan wel ten
                                laste van de Nederlandse Antillen of een publiekrechtelijk lichaam
                                in dat land of een door het hoger bestuursorgaan in een van deze
                                landen ingesteld fonds, met inbegrip van de daarop onder welke
                                benaming ook verleende toeslagen en met uitzondering van een
                                pensioen krachtens de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb.
                                1947, H 313) en de Wet buitengewoon pensioen
                                zeelieden-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1947, H 420), van een
                                uitkering krachtens de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
                                1940-1945, van een invaliditeitspensioen met de daarop toegekende
                                verhogingen krachtens een vroegere militaire pensioenwet in de zin
                                van de Algemene militaire pensioenwet, van een
                                invaliditeitspensioen, een invaliditeitsverhoging en een bijzondere
                                invaliditeitsverhoging krachtens laatstgenoemde wet, alsmede van een
                                uitkering krachtens de Algemene oorlogsongevallenregeling. Onder een
                                pensioen krachtens een andere regeling wordt in dit artikel mede
                                begrepen een ten laste van het Rijk onder welke benaming ook
                                verleende toeslag op een pensioen, een daarmee in aard
                                overeenkomende uitkering of een onderstand bij wijze van pensioen
                                ten laste van Suriname of een publiekrechtelijk lichaam in dat land.
                            </al></li>
            <li nr="6."><al>Na beperking van een eigen pensioen volgens lid 1 of lid 2 wordt de
                                toegepaste beperkingsbreuk slechts gewijzigd, wanneer een pensioen
                                als in dit artikel bedoeld wordt toegekend of eindigt dan wel -
                                anders dan wegens aanpassing naar de in artikel 157 van de Algemene
                                pensioenwet politieke ambtsdragers bedoelde regelen en daarmee
                                overeenkomende regelen in andere pensioenwetten dan de in dit
                                artikel genoemde - wordt herzien. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Grensbedrag nabestaanden- en wezenpensioenen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 42</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Artikel 41 is van overeenkomstige toepassing indien voor een
                                nabestaande onderscheidenlijk een wees, naast recht op een of meer
                                nabestaanden-pensioenen onderscheidenlijk wezenpensioenen, krachtens
                                of op de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                                recht bestaat op een of meer nabestaandenpensioenen,
                                onderscheidenlijk wezenpensioenen krachtens een andere regeling, met
                                dien verstande dat voor het in het derde lid van dat artikel
                                bedoelde grensbedrag en het in het derde lid van dat artikel
                                bedoelde grensbedrag en het in het vierde lid van dat artikel
                                bedoelde hogere bedrag, met betrekking tot een nabestaandenpensioen
                                vijf zevende gedeelte, met betrekking van een nabestaandenpensioen
                                vijf zevende gedeelte, met betrekking tot een wezenpensioen
                                krachtens artikel 32, eerste lid, onder b, twee zevende deel van die
                                bedragen in de plaats komt. </al></li>
            <li nr="2."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de toeslagen bedoeld in de
                                artikelen 29, 33, 36 en 37 niet onder pensioen begrepen. </al></li>
            <li nr="3."><al>Artikel 35 wordt overeenkomstig toegepast.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Samenloop nabestaandenpensioen na hertrouwen of aanmelding</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 43</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Indien een nabestaande aan wie reeds een nabestaandenpensioen is
                                toegekend, hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens een
                                andere regeling, ter zake van een later huwelijk of een latere
                                aanmelding eveneens recht op nabestaandenpensioen verkrijgt, hetzij
                                krachtens deze verordening, hetzij krachtens een andere regeling,
                                wordt samenlopende diensttijd slechts meegeteld bij de berekening
                                van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.</al></li>
            <li nr="2."><al>Onder pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het
                                vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse
                                schatkist anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge
                                onderneming van de verplichting tot betaling - ten laste van de
                                Nederlandse Antillen, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland
                                of in evengenoemd ander land, dan wel ten laste van een door het
                                bestuursorgaan in een van die landen ingesteld fonds.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Samenloop van wezenpensioenen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 44</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft, hetzij
                                krachtens deze verordening, hetzij krachtens een andere regeling,
                                daarna eveneens recht op een ander wezenpensioen verkrijgt, hetzij
                                krachtens deze verordening, hetzij krachtens een andere regeling,
                                wordt voor de berekening van de eigen pensioenen waarvan die
                                wezenpensioenen zijn of geacht moeten worden te zijn afgeleid,
                                samenlopende tijd slechts meegeteld bij de berekening van het
                                pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert. </al></li>
            <li nr="2."><al>Artikel 43, lid 2, is van overeenkomstige toepassing. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Paragraaf 2</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Samenloop van pensioenen en algemeen pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Begripsomschrijvingen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 45</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een pensioen
                                        voor zover berekend over de tijd vóór 1 januari 1986, dat is
                                        toegekend of geacht wordt te zijn toegekend krachtens deze
                                        verordening;</al></li>
                <li nr="b."><al>een algemeen pensioen:</al><lijst>
                    <li nr="i."><al>een bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 9
                                                van de Algemene Ouderdomswet, eventueel vermeerderd
                                                met een bruto-toeslag als bedoeld in artikel 10 van
                                                die wet, benevens de bruto-vakantie-uitkering,
                                                bedoeld in artikel 29 van die wet, een en ander voor
                                                zover niet uitbetaald krachtens artikel 18 van die
                                                wet;</al></li>
                    <li nr="ii."><al>een pensioen, een tijdelijke uitkering en
                                                wezenpensioen als bedoeld in de Algemene Weduwen- en
                                                Wezenwet;</al></li>
                    <li nr="iii."><al>een pensioen of uitkering toegekend krachtens een
                                                wettelijke regeling van de Nederlandse Antillen of
                                                van een vreemde mogendheid en naar aard en strekking
                                                overeenkomend met een algemeen pensioen als
                                                omschreven onder 1e en 2e;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="c."><al>een belanghebbende: degene die recht heeft op een
                                        pensioen.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het algemeen
                                pensioen van de belanghebbende die de leeftijd van 65 jaar heeft
                                bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen waarop zijn echtgenoot
                                recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft. Voor de
                                toepassing van de vorige volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt
                                degene die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als
                                echtgenoot van de belanghebbende wordt aangemerkt. </al></li>
            <li nr="3."><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een pensioen als bedoeld
                                in artikel 51, vijfde lid, dan wel enig ander pensioen als bedoeld
                                in artikel 51, eerste lid, voor zover dit pensioen of gedeelte
                                daarvan is berekend over tijd vóór 1 januari 1986, in aanmerking
                                genomen.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Volle-wezenpensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 46</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben, wordt, indien het
                        als een eenheid is toegekend, voor de toepassing van deze paragraaf geacht
                        aan ieder van genoemde wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan
                        dat pensioen gedeeld door hun aantal.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Inbouwbedrag</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 47</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een algemeen
                                pensioen wordt het deel daarvan, dat geacht kan worden betrekking te
                                hebben op een tijd, overeenkomende met de diensttijd waarnaar zijn
                                pensioen is of geacht wordt te zijn berekend, gerekend deel uit te
                                maken van het bedrag van zijn pensioen, met dien verstande dat:</al></li>
          </lijst>
          <lijst>
            <li nr=""><lijst>
                <li nr="a."><al>voor zover diensttijd met 3,5 % per jaar met pensioen wordt
                                        vergolden, deze diensttijd met 2 wordt vermenigvuldigd;</al></li>
                <li nr="b."><al>voor zover diensttijd met 0,875 % per jaar met pensioen
                                        wordt vergolden, deze diensttijd met 0,5 wordt
                                        vermenigvuldigd;</al></li>
                <li nr="c."><al>maximaal een diensttijd van 40 jaar in aanmerking wordt
                                        genomen. Het in de vorige volzin omschreven deel wordt
                                        inbouwbedrag genoemd.</al></li>
              </lijst></li>
          </lijst>
          <lijst>
            <li nr="2."><al>Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in
                                artikel 25, dat is afgeleid van een pensioen waarop, in verband met
                                het recht op een pensioen als bedoeld in artikel 9, tiende lid,
                                onder a of b, van de Algemene Ouderdomswet, lid 1 van toepassing
                                was, vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van de
                                eerste dag van de maand, volgende op die waarin dat pensioen
                                krachtens het bepaalde in artikel 65, lid 1, is geëindigd.</al></li>
            <li nr="3."><al>Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het algemeen
                                pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijdvak,
                                liggende tussen de aanvang en het einde van de diensttijd, waarnaar
                                het pensioen met inachtneming van lid 1 is of geacht wordt te zijn
                                berekend.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Mededelingsplicht</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 48</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Indien een belanghebbende een algemeen pensioen gaat genieten dan
                                wel het genot van een algemeen pensioen of van een tijdelijke
                                uitkering eindigt, of indien in het bedrag van het algemeen pensioen
                                een wijziging wordt aangebracht op grond van persoonlijke
                                omstandigheden van hemzelf, zijn echtgenoot of zijn kinderen, is hij
                                gehouden hiervan onverwijld kennis te geven aan burgemeester en
                                wethouders.</al></li>
            <li nr="2."><al>Indien een belanghebbende de in het vorige lid bedoelde kennisgeving
                                niet onverwijld doet, gaat een verlaging van het inbouwbedrag niet
                                vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
                                kennisgeving werd gedaan of waarin ambtshalve vermindering van het
                                inbouwbedrag plaatsvond.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Algemeen pensioen en diensttijd</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 49</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Voor de toepassing van artikel 47 geldt het volgende.</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>Het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben op het
                                tijdvak, liggende tussen de tijdstippen waarop belanghebbende de
                                leeftijd van 15 jaar en die van 65 heeft bereikt met dien verstande
                                dat, indien een belanghebbende recht heeft op nabestaanden- of
                                wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige toepassing vindt ten
                                aanzien van de tijdstippen waarop de overledene de leeftijden van 15
                                en 65 jaar heeft of zou hebben bereikt.</al></li>
            <li nr="b."><al>Het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de dag waarop de
                                rechthebbende is overleden of sedert welke hij is vermist, wordt
                                geacht voort te duren tot het tijdstip waarop diens pensioen
                                krachtens het bepaalde in artikel 65, lid 1, is geëindigd.</al></li>
            <li nr="c."><al>Indien een nabestaande recht heeft op een nabestaandenpensioen op
                                grond van artikel 8, eerste lid, onder a, van de Algemene Weduwen-
                                en Wezenwet, doch geen van de evengenoemde bepaling bedoelde
                                kinderen recht heeft op pensioen, wordt uitgegaan van het bedrag van
                                het pensioen dat geldt voor degenen op wie artikel 19, elfde lid,
                                onder a, van genoemde wet toepassing vindt.</al></li>
            <li nr="d."><al>Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de
                                diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen waarop de leeftijd van 15
                                jaar is en die van 65 jaar is of zal zijn bereikt.</al></li>
            <li nr="e."><al>Een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt geacht te
                                zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren.</al></li>
            <li nr="f."><al>Diensttijd waarnaar een pensioen is of geacht wordt te zijn berekend
                                en die niet daadwerkelijk als wethouder is doorgebracht, wordt
                                geacht aan te sluiten bij het einde van de ambtsvervulling waaraan
                                het recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze
                                diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip waarop de leeftijd van 65
                                jaar is of zou zijn bereikt, wordt die diensttijd, te rekenen van
                                dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor zover mogelijk
                                gedurende tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk als
                                wethouder doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor
                                de aanvang van de diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.
                            </al></li>
            <li nr="g."><al>Van de diensttijd wordt buiten beschouwing gelaten de tijd, waarop
                                betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het
                                bedrag van het algemeen pensioen, waarop aanspraak is verkregen door
                                vrijwillige premiebetaling krachtens artikel 45 van de Algemene
                                Ouderdomswet en artikel 47 van de Algemene Weduwen- en
                                Wezenwet.</al></li>
            <li nr="h."><al>De vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en de
                                Algemene Weduwen- en Wezenwet, worden geacht op overeenkomstige
                                wijze als het algemeen pensioen in termijnen te worden uitbetaald. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Gehuwde vrouw met recht op pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 50</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Indien de belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de toepassing van
                        artikel 47 uitgegaan van het algemeen pensioen voor een ongehuwde
                        pensioengerechtigde.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Vermindering inbouwbedragen bij samenvallende diensttijd</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 51</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Indien aan een belanghebbende meer dan één pensioen is of geacht
                                wordt te zijn toegekend krachtens of op de voet van de Algemene
                                pensioenwet politieke ambtsdragers, dan wel naast een of meer
                                zodanige pensioenen een pensioen krachtens een andere regeling als
                                bedoeld in het vijfde lid is of geacht wordt te zijn toegekend, en
                                de diensttijd waarnaar die pensioenen zijn of geacht worden te zijn
                                berekend geheel of gedeeltelijk samenvalt, overschrijdt op grond van
                                artikel 155, juncto artikel 101 van voornoemde wet de som van de
                                inbouwbedragen - voor zover deze geacht kunnen worden betrekking te
                                hebben op een tijd, overeenkomende met de samenvallende diensttijd -
                                niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden
                                betrekking te hebben op een tijd, overeenkomende met bedoelde
                                samenvallende diensttijd.</al></li>
            <li nr="2."><al>Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid plaats zou
                                vinden, wordt het voor ieder krachtens deze verordening toegekend
                                pensioen berekende inbouwbedrag, voor zover betrekking hebbende op
                                samenvallende diensttijd als bedoeld in het vorige lid, verminderd
                                tot een zodanig deel van het bedrag van het algemeen pensioen,
                                bedoeld aan het slot van het vorige lid, als elk inbouwbedrag zich
                                verhoudt tot de som van die bedragen.</al></li>
            <li nr="3."><al>Indien de som van de inbouwbedragen, ook na toepassing van het
                                vorige lid, een bedrag gelijk aan 80 % van het algemeen pensioen
                                overschrijdt, wordt deze overschrijding in mindering gebracht op elk
                                inbouwbedrag in de verhouding, waarin elk van die bedragen staat tot
                                de som daarvan.</al></li>
            <li nr="4."><al>Voor de toepassing van de voorgaande leden op pensioenen, toegekend
                                krachtens een militaire pensioenwet, geldt niet als diensttijd, die
                                krachtens die wet met vier permille van de pensioengrondslag is
                                vergolden.</al></li>
            <li nr="5."><al>Onder pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het
                                eerste lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse
                                schatkist - anders dan krachtens de Algemene pensioenwet politieke
                                ambtsdragers en anders dan ingevolge wettelijke garanties of
                                ingevolge overneming van de verplichting tot betaling - ten laste
                                van de Nederlandse Antillen, van een publiekrechtelijk lichaam in
                                Nederland of in evengenoemd ander land, dan wel ten laste van een
                                door het bestuursorgaan in een van die landen ingesteld fonds.</al></li>
            <li nr="6."><al>Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende wordt dit artikel
                                overeenkomstig toegepast, indien aan diens echtgenoot een of meer
                                pensioenen zijn of geacht worden te zijn toegekend, hetzij krachtens
                                of op de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers,
                                hetzij krachtens een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid.
                                Artikel 52, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Vermindering inbouwbedragen bij korting op particulier
                        pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 52</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Op schriftelijk verzoek van degene die aantoont, dat uit hoofde van
                                zijn recht op algemeen pensioen een vermindering plaatsvindt van
                                enig ander pensioen dan bedoeld in artikel 51, vijfde lid, wordt het
                                bedrag van die vermindering voor zoveel mogelijk in mindering
                                gebracht op het inbouwbedrag. De vorige volzin is slechts van
                                toepassing voor zover bedoelde vermindering betrekking heeft op tijd
                                die gelijktijdig in de desbetreffende betrekking is of geacht kan
                                worden te zijn vervuld. Aan diensttijd die niet daadwerkelijk in
                                dienstverhouding of als politiek ambtsdrager is doorgebracht, wordt
                                een plaats toegekend overeenkomstig het bepaalde bij artikel 49,
                                onder f.</al></li>
            <li nr="2."><al>De vermindering van het inbouwbedrag bedoeld in het vorige lid gaat
                                in met de dag waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid is
                                opgetreden, met dien verstande dat deze niet vroeger ingaat dan een
                                jaar voor de eerste dag van de maand waarin het desbetreffende
                                verzoek werd ingediend. </al></li>
            <li nr="3."><al>Bij toepassing van het eerste lid wordt, ingeval op meer dan één
                                pensioen recht bestaat, het bedrag van de in dat lid bedoelde
                                vermindering op de inbouwbedragen in mindering gebracht naar
                                verhouding van evenbedoelde bedragen.</al></li>
            <li nr="4."><al>Indien de som van het inbouwbedrag en de vermindering van het andere
                                pensioen, ook na toepassing van de overige bepalingen van dit
                                artikel, een bedrag gelijk aan 80 % van het algemeen pensioen
                                overschrijdt, wordt van deze overschrijding een deel in mindering
                                gebracht op het inbouwbedrag, en wel in de verhouding waarin de
                                diensttijd, waarnaar het </al><al> pensioen waarop vorenbedoeld inbouwbedrag betrekking heeft, is of
                                geacht </al><al> wordt te zijn berekend, staat tot het totaal van de
                                diensttijden.</al></li>
            <li nr="5."><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een
                                vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in
                                artikel 51, vijfde lid, toegekend aan de echtgenoot van
                                belanghebbende.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Verlaging inbouwbedrag (vóór 1 januari 1986)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 53</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over jaren gelegen vóór 1 januari 1986.</al></li>
            <li nr="2."><al>Indien het bedrag dat tot grondslag heeft gestrekt voor de
                                berekening van het pensioen, nadat dat bedrag is aangepast aan de
                                hand van de regels, bedoeld in artikel 157, derde lid, van de
                                Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, op de dag met ingang
                                waarvan de voorgaande artikelen van deze paragraaf voor de eerste
                                maal ten aanzien van het pensioen toepassing vinden lager is dan €
                                12.028,81 (4) wordt het met toepassing van de voorgaande artikelen
                                van deze paragraaf berekende inbouwbedrag vermenigvuldigd met een
                                breuk, waarvan de teller is eerstbedoeld bedrag op bedoelde dag en
                                waarvan de noemer is € 12.028,81(4). De uitkomst van deze
                                vermenigvuldiging vormt in dat geval het inbouwbedrag. Het in de
                                vorige volzin genoemde bedrag wordt gewijzigd bij de ministeriële
                                regeling, bedoeld in artikel 157, derde lid van de Algemene
                                pensioenwet politieke ambtsdragers.</al></li>
            <li nr="3."><al>Indien het pensioen rechtstreeks of middellijk is afgeleid van een
                                eigen pensioen, geldt voor de toepassing van het vorige lid als
                                grondslag voor de berekening van het pensioen, het bedrag dat heeft
                                gestrekt tot grondslag voor de berekening van het eigen
                                pensioen.</al></li>
            <li nr="4."><al>Indien het bedrag van het algemeen pensioen, dat gerekend wordt deel
                                uit te maken van het pensioen, reeds is verminderd krachtens lid 1,
                                vindt artikel 52, eerste lid, slechts toepassing voor zover zulks
                                nodig is om te voorkomen dat de som van evenbedoeld verminderd
                                bedrag en het bedrag van de vermindering, bedoeld in het eerste lid
                                van artikel 52, het bedrag zou overschrijden dat, zonder toepassing
                                van lid 1, krachtens artikel 47 gerekend zou worden deel uit te
                                maken van het bedrag van het pensioen. De vorige volzin is van
                                overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in artikel 52, derde
                                lid.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Verrekening</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 54</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Indien een algemeen pensioen wordt toegekend of herzien over een tijdvak
                        waarover reeds pensioen werd betaald en dientengevolge te veel pensioen is
                        betaald, kunnen burgemeester en wethouders aan de Sociale Verzekeringsbank
                        die het algemeen pensioen heeft toegekend of herzien, verzoeken het te veel
                        betaalde pensioen ten behoeve van de gemeente in te houden op het algemeen
                        pensioen, voor zover betrekking hebbende op evengenoemd tijdvak.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Gemoedsbezwaren</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 55</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De bepalingen van deze paragraaf blijven buiten toepassing ten aanzien van
                        degenen die op grond van gemoedsbezwaren hun recht op algemeen pensioen niet
                        geldend maken, met dien verstande dat zij zoveel mogelijk overeenkomstige
                        toepassing vinden met betrekking tot diegenen van evenbedoelden, die recht
                        hebben op uitkering als bedoeld in artikel 48 van de Algemene
                        Ouderdomswet.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>HOOFDSTUK VI BEPALINGEN VAN ADMINISTRATIEVE AARD</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Paragraaf 1</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Tijdsberekening voor uitkering en pensioenen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 56</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd
                        kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd uitgedrukt in jaren
                        onderscheidenlijk maanden voor uitkering en pensioen in aanmerking komende
                        tijd. De overige tijd wordt uitgedrukt in gedeelten van jaren
                        onderscheidenlijk gedeelten van maanden, waarbij het jaar 12 maanden en de
                        maand op 30 dagen wordt gesteld.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Paragraaf 1a</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Financiële bepalingen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Aanpassing pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 57</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De wedde, bedoeld in artikel 18, of de pensioengrondslag bedoeld in
                                de artikelen 19 en 19a, behorende bij een pensioen als bedoeld in
                                artikel 16 of bij een uitzicht op een pensioen bij het bereiken van
                                de leeftijd van 65 jaar, worden telkens gewijzigd overeenkomstig een
                                algemene bezoldigingswijziging, teneinde een aan die algemene
                                bezoldigingswijziging evenredige aanpassing van het pensioen te
                                bewerkstelligen. </al></li>
            <li nr="2."><al>Onder een algemene bezoldigingswijziging als bedoeld in het eerste
                                lid wordt verstaan een zodanige wijziging van een pensioen van een
                                gepensioneerde overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering
                                ABP die werkzaam is geweest in de sector Rijk.</al></li>
            <li nr="3."><al>Indien aan een gepensioneerde overheidswerknemer, als bedoeld in het
                                tweede lid, een eenmalige uitkering wordt toegekend, wordt aan
                                degene die recht heeft op een pensioen, als bedoeld in het eerste
                                lid, overeenkomstig een eenmalige uitkering toegekend.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Afronding van pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 58</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Het pensioen wordt naar boven op een euro afgerond.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Inhoudingen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 59</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Op de wedde van de wethouder worden volgens bij of krachtens
                                algemene maatregel van bestuur te stellen regelen bedragen
                                ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de
                                bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter
                                zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid,
                                ouderdom en overlijden.</al></li>
            <li nr="2."><al>Op de uitkering van de gewezen wethouder worden volgens bij of
                                krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen bedragen
                                ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen ter zake van
                                aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor
                                overheidspersoneel getroffen regeling.</al></li>
            <li nr="3."><al>Geen inhoudingen ter zake van ouderdom en overlijden vindt plaats
                                voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op
                                uitkeringen als bedoeld in artikel 4a, alsmede in de gevallen
                                bedoeld in de laatste volzin van artikel 18, vierde lid. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Paragraaf 2</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Aanvraag en toekenning van uitkering en pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Toekenning uitkering en pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 60</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Burgemeester en wethouders beslissen over de toekenning van een uitkering of
                        een pensioen op schriftelijke aanvraag door of vanwege de betrokkene, dan
                        wel ambtshalve.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Vrijdom van leges</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 61</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De stukken waarvan overlegging door burgemeester en wethouders nodig wordt
                        geoordeeld zijn ingevolge artikel 158, juncto artikel 111 van de Algemene
                        pensioenwet politieke ambtsdragers vrij van leges.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Paragraaf 3</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Ingang en einde van de pensioenen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Ingang eigen pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 62</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Het eigen pensioen gaat in met de dag waarop het recht daarop ontstaat.</al>
          <al>Ingang nabestaanden- en wezenpensioen en tijdelijk pensioen</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 63</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het nabestaanden- en wezenpensioen gaat in met de dag, volgende op
                                die van het overlijden van hem aan wie het wordt ontleend.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het tijdelijk pensioen gaat in met een door burgemeester en
                                wethouders te bepalen dag.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Ingang hersteld pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 64</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk wordt
                        hersteld, gaat het pensioen in met de eerste dag van de maand waarin het
                        herstel heeft plaatsgevonden.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Einde pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 65</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de
                                rechthebbende is overleden. Ingeval van vermissing van de
                                rechthebbende eindigt het pensioen met een door burgemeester en
                                wethouders te bepalen dag.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het tijdelijk pensioen eindigt wanneer de vermiste in leven blijkt
                                te zijn, met een door burgemeester en wethouders te bepalen
                                dag.</al></li>
            <li nr="3."><al>Een pensioen waarop het recht krachtens artikel 39 vervallen is
                                verklaard, eindigt met het einde van de maand waarin de beslissing
                                inzake het vervallen verklaren is genomen.</al></li>
            <li nr="4."><al>Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand waarin: </al><lijst>
                <li nr="a."><al>de rechthebbende de leeftijd van eenentwintig jaren heeft
                                        bereikt, of, de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet
                                        bereikt hebbende, in het huwelijk is getreden dan wel partij
                                        is bij een aanmelding, of</al></li>
                <li nr="b."><al>ten opzichte van de rechthebbende ouderschap komt vast te
                                        staan van een ander dan degene aan wiens overlijden het
                                        recht op wezenpensioen wordt ontleend. </al><al/></li>
              </lijst></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Nabestaandenuitkering</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 66</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde
                                wethouder wordt aan diens nabestaande, van wie hij niet duurzaam
                                gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van zijn
                                pensioen over een tijdvak van twee maanden (nabestaandenuitkering).
                                Bij ontstentenis van een nabestaande van wie de overledene niet
                                duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van
                                de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de overledene,
                                of minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van het
                                overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg
                                wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het
                                kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige
                                verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
                                daarvoor.</al></li>
            <li nr="2."><al>Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als bedoeld in
                                het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag geheel of ten
                                dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste
                                ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap voor de
                                betaling van die kosten ontoereikend is.</al></li>
            <li nr="3."><al>Lid 1 is van overeenkomstige toepassing in geval van vermissing van
                                een gepensioneerd wethouder.</al></li>
            <li nr="4."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan het
                                bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na toepassing van
                                hoofdstuk V.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Terugvordering</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 67</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met artikel 65
                                wordt het te veel betaalde teruggevorderd voor zover verrekening
                                daarvan kan plaatsvinden met een uitkering krachtens artikel
                                66.</al></li>
            <li nr="2."><al>Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan
                                tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in artikel 66, is
                                betaald, worden teruggevorderd.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Paragraaf 4</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Betaling van de pensioenen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Maandbetaling</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 68</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De betaling van de pensioenen geschiedt in maandelijkse termijnen,
                                tenzij burgemeester en wethouders anders bepalen.</al></li>
            <li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen regelen stellen met betrekking tot
                                de wijze van betaling van pensioenen.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Onderbreking genot pensioen</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 69</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Het pensioen van een gewezen wethouder wordt niet genoten, indien en zolang
                        hij na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening weer als
                        wethouder in deze gemeente optreedt.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Pensioenbetaling zonder machtiging aan een ander dan
                            gepensioneerde</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 70</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging van
                                geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen of, niet opgenomen
                                zijnde in een zodanige inrichting, op grond van geestelijke
                                gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de
                                uitbetaling van pensioen, kan het pensioen uitbetaald worden aan een
                                door burgemeester en wethouders aan te wijzen persoon of instelling.
                                In andere door hen aan te wijzen bijzondere gevallen kan het
                                pensioen in plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging
                                uitbetaald worden aan een door burgemeester en wethouders aan te
                                wijzen persoon of instelling.</al></li>
            <li nr="2."><al>Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of krachtens de
                                artikelen 6, lid 2, 11 en 12 van de Algemene wet bijzondere
                                ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de kosten van een
                                verstrekking als bedoeld in de artikelen 6 en 11 van die wet of een
                                vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en 12 van die wet, kan het
                                pensioen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in plaats van
                                aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uitbetaald worden aan
                                de Ziekenfondsraad.</al></li>
            <li nr="3."><al>Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt, heeft de
                                uitbetaling als bedoeld in lid 1 betrekking op het gedeelte van het
                                pensioen, dat niet aan het in lid 2 bedoelde orgaan wordt
                                uitbetaald.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>AFDELING III ALGEMENE, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>HOOFDSTUK I BEROEP EN HERZIENING</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Beroep</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Artikel 71</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>Van de beslissingen ter uitvoering van deze verordening staat ingevolge
                        artikel 162 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers beroep open
                        op de Centrale Raad van Beroep overeenkomstig de bepalingen van de
                        Beroepswet. De voorgaande volzin is niet van toepassing op beslissingen
                        ingevolge artikel 70, lid 2.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Herziening, wijziging en herstel</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 72</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders herzien een door hen ter uitvoering van
                                deze verordening genomen beslissing, indien:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>aan die beslissing een feitelijke onjuistheid ten grondslag
                                        ligt;</al></li>
                <li nr="b."><al>na die beslissing blijkt dat aan die beslissing andere
                                        feiten ten grondslag dienen te worden gelegd.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>Indien na een beslissing van burgemeester en wethouders de feiten
                                waarmede in die beslissing rekening is gehouden zodanig zijn
                                gewijzigd, dat deze beslissing anders zou luiden als zij nog genomen
                                zou moeten worden, wijzigen burgemeester en wethouders de
                                beslissing, rekening houdende met de gewijzigde feiten.</al></li>
            <li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders herstellen een door hen genomen
                                beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing op grond van
                                artikel 57 - herziening, wijziging of betaalbaarstelling van een
                                pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld in de
                                vorige leden, voorkomt.</al></li>
            <li nr="4."><al>Indien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een
                                overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of herstel
                                vatbare beslissing kunnen burgemeester en wethouders die leden
                                buiten toepassing laten. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <cursief>Artikel 73</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Een herzieningsbeslissing, een wijzigingsbeslissing en een
                                herstelbeslissing vermelden de dag van de inwerkingtreding. Bij een
                                herzieningsbeslissing is deze dag dezelfde als die waarop de
                                herziene beslissing in werking is getreden, tenzij een latere dag
                                wordt bepaald.</al></li>
            <li nr="2."><al>Een herzieningsbeslissing leidt niet tot terugvordering of
                                verrekening van reeds betaalde bedragen, tenzij de betrokkene
                                redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd
                                uitbetaald.</al></li>
            <li nr="3."><al>Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of
                                verrekening van reeds betaalde bedragen indien de betrokkene, hoewel
                                enige bepaling van deze verordening hem daartoe verplichtte of dit
                                redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, heeft nagelaten aan
                                burgemeester en wethouders mededeling te doen van een wijziging in
                                de feiten.</al></li>
            <li nr="4."><al>In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd artikel 67
                                zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot terugvordering of
                                verrekening van te veel betaalde bedragen, indien de
                                herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing is
                                genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene
                                beslissing, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat burgemeester
                                en wethouders bericht hebben ontvangen van wijziging in de
                                feiten.</al></li>
            <li nr="5."><al>Herstel van een beslissing als bedoeld in artikel 72, lid 3, binnen
                                vier maanden na de dagtekening van de herstelde beslissing, leidt
                                tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde
                                pensioenbedragen. Herstel van een beslissing, als bedoeld in de
                                vorige volzin, na de daargenoemde termijn, leidt slechts tot
                                terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen,
                                indien de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem
                                te veel werd uitbetaald. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>HOOFDSTUK II OVERGANGSBEPALINGEN</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Intrekking geldende verordening</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 74</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Behoudens het in dit hoofdstuk verder bepaalde wordt met ingang van 1
                        januari 1966 ingetrokken de "Uitkerings- en pensioenverordening wethouders
                        1996".</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 75 (Vervallen) (5)</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Toepasselijkheid van deze verordening</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 76</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De met ingang van een datum, voorafgaande aan het tijdstip van
                        inwerkingtreding van deze verordening, aan gewezen wethouders en aan
                        nabestaanden en wezen toegekende uitkeringen en pensioenen worden met ingang
                        van dat tijdstip geacht krachtens deze verordening te zijn toegekend.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Rechten op basis van de oude verordening</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 77</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Zij die aan de in artikel 74, eerste lid, genoemde verordening recht op
                        pensioen ontleenden met ingang van 1 september 1966 of een later tijdstip,
                        ontlenen van dat tijdstip af een recht op pensioen aan deze
                        verordening.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Samenloop van pensioen en algemeen pensioen (behoort bij afdeling II,
                            hoofdstuk V, paragraaf 2)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 78</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>In afwijking in zoverre van artikel 47 vindt voor de berekening van het
                        inbouwbedrag geen vermenigvuldiging plaats van tijd, gelegen voor het
                        tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening die voor de berekening
                        van een pensioen als daarbedoeld in aanmerking wordt genomen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Overgangsbepaling I ten aanzien van het vervallen artikel 49 (oud)
                            (overgangsbepaling bij vijfde wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 79</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Artikel 49, zoals dat als artikel 49 luidde op 31 mei 1985, blijft
                        toepassing vinden ter zake van betalingen na 31 mei 1985, indien en voor
                        zover de betalingen betrekking hebben op een voor 1 juni 1985 liggende
                        periode, met dien verstande dat met ingang van 1 april 1985, in het vierde
                        lid "artikel 36, eerste lid", wordt vervangen door "artikel 47, eerste
                        lid".</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Overgangsbepaling II ten aanzien van het vervallen artikel 49 (oud)
                            (overgangsbepaling bij vijfde wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 80</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De verhoging met 10 % over ten hoogste € 28.678,91 per jaar ingaande 1 juni
                        1985 van de wedde van de wethouder toegekend in verband met het vervallen
                        van artikel 49, maakt voor de toepassing van de bepalingen van afdeling II,
                        de hoofdstukken II en III, betreffende de pensioenberekening, geen deel uit
                        van de wedde.</al>
          <al>De voorgaande volzin is slechts van toepassing op de wedde, voor zover die
                        betrekking heeft op tijd gelegen vóór 1 januari 1986.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 41 (artikel 31 oud)
                            (overgangsbepaling bij zesde wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 81</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>In afwijking van artikel 41 zoals dat artikel ingevolge de zesde
                                wijziging is komen te luiden, blijft ten aanzien van de in het
                                tweede lid bedoelde personen van toepassing artikel 41 zoals dat als
                                artikel 31 luidde op de dag vóór 13 juli 1988.</al></li>
            <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde personen zijn:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>degenen die vóór 1 januari 1986 recht op eigen pensioen
                                        hebben gekregen dan wel de leeftijd van 60 jaar hebben
                                        bereikt;</al></li>
                <li nr="b."><al>nabestaanden en wezen die recht op pensioen hebben ontleend
                                        aan het overlijden van een persoon die voldeed aan een
                                        voorwaarde gesteld onder a, dan wel recht op dat pensioen
                                        hebben verkregen vóór 1 januari 1986.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde personen wordt niet
                                onder pensioen begrepen de toeslag bedoeld in de artikelen 36 en
                                37.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 45 (artikel 35 oud)
                            (overgangsbepaling bij zesde wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 82</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Artikel 45, tweede lid, zoals bedoelde bepaling ingevolge de zesde
                                wijziging is komen te luiden, is niet van toepassing indien de
                                belanghebbende recht heeft op het ouderdomspensioen bedoeld in
                                artikel 9, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet ingevolge het
                                zevende lid van dat artikel, zoals dat luidde op 31 december
                                1985.</al></li>
            <li nr="2."><al>Artikel 45, tweede lid, laatste volzin, zoals die volzin ingevolge
                                de zesde wijziging is komen te luiden, is niet van toepassing ten
                                aanzien van de ongehuwde belanghebbende bedoeld in genoemde wet, op
                                wie van toepassing is gebleven artikel 1 van de Algemene
                                Ouderdomswet, zoals dat artikel luidde op 31 december 1985.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Overgangsbepaling ten aanzien van de artikelen 19 en 28(artikelen 16a
                            en 22 oud na vijfde wijziging) (overgangsbepaling bij zesde
                            wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 83</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De artikelen 19, tweede lid, en 28, derde lid, zoals die artikelen ingevolge
                        de zesde wijziging zijn komen te luiden, zijn niet van toepassing ten
                        aanzien van degene die:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>wethouder was voor 13 juli 1988, voor zover betreffende tijd is
                                doorgebracht vóór dat tijdstip;</al></li>
            <li nr="b."><al>wethouder is op of na 13 juli 1988, voor zover betreffende tijd
                                zonder onderbreking is gevolgd op tijd als bedoeld onder a, en
                                vervolgens zonder onderbreking is voortgezet. Een onderbreking van
                                niet meer dan een jaar wordt voor de toepassing van deze bepaling
                                geacht geen onderbreking te vormen.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Garantiepaling (overgangsbepaling bij zesde wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 84</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De vanaf 1 januari 1986 toegekende pensioenen berekend op basis van de
                        verordening zoals die tot die datum luidde, worden herberekend op grond van
                        deze verordening zoals die na de zesde wijziging is komen te luiden, met
                        dien verstande dat de pensioenbedragen die in verband met deze herberekening
                        te veel zijn betaald, niet worden teruggevorderd.</al>
          <al>Inwerkingtreding artikelen 19, tweede lid, 50 en 59 tweede en derde lid
                        (artikel 16a, tweede lid, 40 en 48, tweede en derde lid (oud) na vijfde
                        wijziging) (overgangsbepaling bij zesde wijziging)</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 85</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Artikel 19, tweede lid, artikel 50 en artikel 59, tweede en derde lid,
                        treden in werking op het tijdstip bedoeld in artikel VIII, lid 4, van de </al>
          <al>Wet van 20 april 1988, Stb. 300.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>HOOFDSTUK III SLOTBEPALINGEN</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Inwerkingtreding zevende wijziging</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 86</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De artikelen 9, 12, 13, 14, 24, eerste en tweede lid, 24a, 25, 26, eerste en
                        tweede lid, 28, eerste, tweede, derde en vierde lid, 29, tweede, derde en
                        vierde lid, 30, 31, 32, 33, tweede en vierde lid, 34, 35, eerste lid, 36,
                        eerste en derde lid, 42, eerste lid, 43, eerste lid, 45, eerste lid, 47,
                        tweede lid, 48, eerste lid, 49, onderdeel a en c, 63, eerste lid, 66, eerste
                        lid met uitzondering van de invoering van het begrip minderjarigheid, 76,
                        87, 88, 89 en 90 zoals bedoelde bepalingen na de zevende wijziging zijn
                        komen te luiden, werken terug tot 1 januari 1986. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 24 (overgangsbepaling bij de
                            zevende wijziging<onderstreept>)</onderstreept></vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 87</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Alle pensioenen toegekend krachtens artikel 24a van deze verordening zoals
                        dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de zevende wijziging
                        worden, voor zover zij op dat tijdstip worden genoten, met ingang van dat
                        tijdstip geacht te zijn toegekend krachtens artikel 24.</al>
          <al>Overgangsbepaling met betrekking tot het recht op nabestaandenpensioen
                        (overgangsbepaling bij de zevende wijziging)</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 88</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Er ontstaat geen recht op pensioen ingevolge de zevende wijziging,
                                indien op de datum van overlijden van de vrouwelijke wethouder,
                                gewezen of gepensioneerde wethouder in een overeenkomstig geval geen
                                recht op weduwenpensioen zou zijn ontstaan ingevolge het overlijden
                                van een mannelijke wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                wethouder.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het pensioen waarop ingevolge de zevende wijziging recht ontstaat in
                                verband met een overlijden voor de datum van inwerkingtreding van
                                deze wijziging wordt berekend als ware het recht ontstaan op de
                                datum van overlijden.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 40 (overgangsbepaling bij de
                            zevende wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 89</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Ten aanzien van de aanspraken op nabestaandenpensioen die ingevolge de
                        zevende wijziging worden verkregen vangt de termijn van vijf
                        achtereenvolgende jaren zoals bedoeld in artikel 40 niet eerder aan dan op
                        de datum van inwerkingtreding van deze wijziging.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Herberekening wezenpensioen (overgangsbepaling bij de zevende
                            wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 90</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Indien ingevolge de zevende wijziging een nabestaandenpensioen of
                                een bijzonder nabestaandenpensioen wordt toegekend, terwijl aan
                                hetzelfde overlijden recht op wezenpensioen is ontleend, wordt het
                                wezenpensioen herberekend. </al></li>
            <li nr="2."><al>Indien het nabestaandenpensioen of het bijzonder
                                nabestaandenpensioen met terugwerkende kracht wordt toegekend en het
                                wezenpensioen wordt herberekend, wordt het teveel betaalde
                                wezenpensioen over de periode waarop de terugwerkende kracht
                                betrekking heeft niet teruggevorderd. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>(Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 91</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden het inkomen van de wethouder
                                als zodanig en de laatstelijk genoten wedde dan wel de
                                berekeningsgrondslag, waarvan is afgeleid een uitkering ter zake van
                                ontslag of aftreden als wethouder, en een wegens algemene
                                invaliditeit voortgezette uitkering, aangepast overeenkomstig de
                                aanpassing van de salarissen ingevolge artikel 34 van de Wet
                                financiële voorzieningen ABP.</al></li>
            <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde aanpassing is geen algemene
                                bezoldigingswijziging als bedoeld in artikel 57.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 57 (overgangsbepaling bij de
                            achtste wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 92</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Artikel 57, zoals dat luidde op 31 december 1994, blijft van toepassing ten
                        aanzien van een wijziging in de bezoldiging van het rijkspersoneel voor </al>
          <al>1 januari 1995.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Overgangsbepaling ten aanzien van de fictieve diensttijd
                            (overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>Artikel 93</al>
          <al/>
          <al>Ten aanzien van degenen die ingevolge deze verordening recht op
                        nabestaanden- of wezenpensioen hebben verkregen voor 1 januari 1995, wordt
                        de tijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn berekend en die
                        niet daadwerkelijk als wethouder is doorgebracht, voor zover nodig mede
                        begrepen onder tijd gelegen voor die datum.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>(Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 94</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De artikelen IX tot en met XV van de Wet terugdringing beroep op de
                                arbeidsongeschiktheidsregelingen en de krachtens artikel XV van die
                                wet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op degene op
                                wie artikel 95, eerste of derde lid, van deze verordening van
                                toepassing is en die op 31 jnauari 1992 en sinds 1 januari 1990
                                recht heeft op uitkering als bedoeld in dat artikel.</al></li>
            <li nr="2."><al>Als het orgaan bedoeld in artikel XI van de in het eerste lid
                                genoemde wet wordt voor de in het eerste lid bedoeld overeenkomstige
                                toepassing het college van burgemeester en wethouders
                                beschouwd.</al></li>
            <li nr="3."><al>De op grond van dit artikel toegekende uitkeringen komen ten laste
                                van de gemeente.</al></li>
            <li nr="4."><al>De artikelen 71, 72 en 73 zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>(Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 95</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De bij de achtste wijziging in de verordening ingevoerde artikelen
                                4a, tweede lid, 4c en 4d telkens het eerste en het tweede lid,
                                vinden geen toepassing ten aanzien van degene die op 31 december
                                1994 recht heeft op een wegens algemene invaliditeit voortgezette
                                uitkering en op de dag van inwerkingtreding van deze wijziging
                                vijftig jaar of ouder is.</al></li>
            <li nr="2."><al>De bij de achtste wijziging vervallen tweede volzin van artikel 3,
                                tweede lid (definitie begrip algemeen invalide) blijft van
                                toepassing op degene bedoeld in het eerste lid.</al></li>
            <li nr="3."><al>De bij de achtste wijziging ingevoegde artikelen 4a, tweede lid, en
                                4c worden met ingang van een latere datum dan 1 januari 1995 van
                                toepassing op degene die op 31 december 1994 recht had op een wegens
                                algemene invaliditeit voortgezette uitkering en op 1 januari 1995
                                jonger is dan vijftig jaar. Tot die datum blijft de bij deze
                                wijziging vervallen tweede volzin van artikel 3, tweede lid, op hem
                                van toepassing.</al></li>
            <li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde latere datum wordt vastgesteld
                                overeenkomstig de ministeriële regeling bedoeld in artikel III,
                                vierde lid, van Staatsblad 417.</al></li>
            <li nr="5."><al>Voor de toepassing van artikel 4c geldt als datum waarop de
                                uitkering van degene bedoeld in het derde lid van dit artikel wegens
                                algemene invaliditeit is voortgezet de dag waarop de artikelen 4a,
                                tweede lid, en 4c op hem van toepassing worden.</al></li>
            <li nr="6."><al>Artikel 4d, eerste lid, vindt geen toepassing ten aanzien van degene
                                wiens uitkering wegens algemene invaliditeit is voortgezet met
                                ingang van een dag gelegen voor 1 januari 1995.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>(Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 96</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De bij de achtste wijziging vervallen eerste volzin van artikel 3,
                                tweede lid, en artikel 4, derde lid, blijven van toepassing op
                                degene die:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>op 31 december 1994 recht had op wegens algemene
                                        invaliditeit voortgezette uitkering, of</al></li>
                <li nr="b."><al>op 25 januari 1993 ziekten of gebreken had en wiens
                                        uitkering uiterlijk een jaar na die datum in verband met die
                                        ziekten of gebreken wegens algemene invaliditeit wordt
                                        voortgezet, dan wel wiens uitkering ingevolge artikel 18,
                                        vierde lid binnen een jaar na de genoemde datum in verband
                                        met die ziekten of gebreken wordt aangemerkt als een wegens
                                        algemene invaliditeit voortgezette uitkering.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>Het eerste lid van artikel 4a, en artikel 4b zijn niet van
                                toepassing op degene bedoeld in het eerste lid.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>(Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 97</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De periode van toekenning van een wegens algemene invaliditeit
                                voortgezette uitkering bedoeld in artikel 4c wordt in afwijking van
                                dat artikel tot een nader te bepalen tijdstip vastgesteld op vijf
                                jaar.</al></li>
            <li nr="2."><al>Wijziging van de termijn bedoeld in het eerste lid brengt geen
                                wijziging in de termijnen zoals die gelden ter zake van wegens
                                algemene invaliditeit voortgezette uitkeringen die zijn toegekend
                                voor het tijdstip van wijziging van de termijn. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>(Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 98</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Indien vanaf 1 januari 1995 artikel 4d, zesde lid, wordt toegepast
                                ten aanzien van degene bedoeld in artikel 95, wordt ten aanzien van
                                degene onder de in artikel 4a, tweede lid bedoelde arbeid verstaan
                                de arbeid, bedoeld in de per 1 januari 1995 vervallen tweede volzin
                                van artikel 3, tweede lid.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het eerste lid geldt voor degenen bedoeld in artikel 95, derde lid,
                                tot aan het daar bedoelde tijdstip.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Inwerkingtreding achtste wijziging</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 99</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het tweede lid van artikel 19 zoals dat luidde voor de achtste
                                wijziging, vervalt met terugwerkende kracht tot 1 mei 1994. De
                                invoering van het opschrift en de vernummering van de leden 3 tot en
                                met 11 tot 2 tot en met 10 werken terug tot diezelfde datum.</al></li>
            <li nr="2."><al>Artikel 4, eerste en tweede lid, en artikel 4b, tweede en tiende
                                lid, zoals die luiden na de achtste wijziging treden inwerking met
                                terugwerkende kracht tot 1 juli 1994.</al></li>
            <li nr="3."><al>De artikelen 4a, 4b, eerste en derde tot en met negende en elfde en
                                twaalfde lid, en de artikelen 4c en 4d treden in werking per 1
                                januari 1995. Artikel 4e treedt in werking op de datum dat de
                                achtste wijziging in werking treedt.</al></li>
            <li nr="4."><al>De artikelen 17, 18, 19, eerste lid, 19a, 20, 21 (opschrift), 22,
                                eerste lid, 29, eerste lid, 29a, 57 en 59 zoals bedoelde bepalingen
                                na de achtste wijziging zijn ingevoerd of gewijzigd, treden in
                                werking met ingang van 1 januari 1995.</al></li>
            <li nr="5."><al>Per 1 januari 1995:</al><lijst>
                <li nr="-"><al>vervalt van artikel 3 het tweede en derde lid en wordt het
                                        vierde lid vernummerd;</al></li>
                <li nr="-"><al>vervallen van artikel 4 het derde, vierde en vijfde lid en
                                        worden de leden zes en zeven van artikel 4 vernummerd;</al></li>
                <li nr="-"><al>worden artikel 5, lid 9 en artikel 7, onder d, gewijzigd en
                                        vervalt het vierde lid van artikel 72 onder vernummering van
                                        lid 5.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="6."><al>Artikel 28, derde lid vervalt met terugwerkende kracht tot 1 mei
                                1994. De vernummering van de leden vier en vijf werkt terug tot
                                dezelfde datum.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>
              <onderstreept>(</onderstreept>Overgangsbepaling bij de negende
                            wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 100</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Artikel 29a, zoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip
                                van de inwerkingtreding van de negende wijziging (6), blijft van
                                toepassing op een nabestaandenpensioen waarop recht is ontstaan voor
                                dat tijdstip.</al></li>
            <li nr="2."><al>De bepalingen van deze verordening met betrekking tot het recht op
                                wezenpensioen, zoals die bepalingen luidden op de dag voor het
                                tijdstip van de inwerkingtreding van deze wijziging, blijven van
                                toepassing op een wezenpensioen waarop recht is ontstaan voor dat
                                tijdstip (9).</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>(Overgangsbepaling bij de negende wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 101</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Ten aanzien van een aanmelding als bedoeld in artikel 12a, die wordt gedaan
                        vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke
                        basisadministratie persoonsgegevens (7), wordt de man of vrouw met wie
                        degene die de aanmelding deed op hetzelfde woonadres in het persoonsregister
                        is opgenomen, gelijk gesteld met de man of vrouw die als ingezetene met
                        hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
                        is ingeschreven als bedoeld in het evengenoemde artikel 12a.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>(Overgangsbepaling bij de negende wijziging)</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 102</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Een overlijden van een wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                wethouder tussen 31 december 1993 en 1 juli 1994 valt te rekenen
                                vanaf de datum van overlijden onder de werking van de bepalingen van
                                deze verordening inzake het nabestaanden- en wezenpensioen zoals die
                                bepalingen zijn komen te luiden na de inwerkingtreding van de
                                negende wijziging (8).</al></li>
            <li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt degene van wie op 1 juli
                                1994 aanmelding in de zin van artikel 12, onderdeel a, mogelijk zou
                                zijn geweest, op aanvraag aangemerkt als nabestaande vanaf de datum
                                van het overlijden.</al></li>
            <li nr="3."><al>Ter zake van een overlijden van een wethouder, gewezen of
                                gepensioneerde wethouder tussen 30 juni 1994 en 1 januari 1995 wordt
                                op zijn aanvraag als nabestaande beschouwd degene van wie, hoewel
                                niet aangemeld in de zin van artikel 12, onderdeel a, aanmelding als
                                evenbedoeld op de dag voor die van het overlijden mogelijk was.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Inwerkingtreding negende wijziging</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 103</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De artikelen 12, 24, tweede lid, 25, 26, 30, eerste en tweede lid,
                                31, 32, tweede lid, 34, tweede lid, 36, derde lid, 43, eerste lid en
                                65, vierde lid, zoals bedoelde bepalingen na de negende wijziging
                                zijn komen te luiden, alsmede het bij de negende wijziging
                                ingevoegde artikel 12a werken terug tot en met 1 juli 1994.</al></li>
            <li nr="2."><al>Artikel 29a, eerste lid, treedt in werking op de datum dat de
                                negende wijziging in werking treedt (8)</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Inwerkingtreding tiende wijziging</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 104</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>De tiende wijziging treedt in werking met ingang van de dag 17 januari 1997,
                        met dien verstande dat:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>de artikelen 4, eerste, tweede en vierde lid, 4b, tweede, vierde,
                                zevende, achtste en negende lid, 5, vijfde lid, 17, eerste lid, 18,
                                tweede lid en 19, tweede lid (inzake uitbreiding
                                berekeningsgrondslag uitkering en pensioen met de
                                eindejaarsuitkering) terugwerken tot en met 1 januari 1993;</al></li>
            <li nr="b."><al>de artikelen 19, tiende lid, 21, derde lid en 28, vierde lid,
                                terugwerken tot en met 1 januari 1995;</al></li>
            <li nr="c."><al>de artikelen 17, tweede lid, 18, tweede en derde lid, 19, zevende en
                                achtste lid, 19a, tweede lid, 36, vierde lid, 37, derde lid, 53,
                                tweede lid, 57, tweede en derde lid, terugwerken tot en met 1
                                januari 1996;</al></li>
            <li nr="d."><al>de artikel 12, onder c, 19, derde lid en 20 werking hebben ten
                                aanzien van voor een pensioenberekening in aanmerking te nemen tijd
                                vanaf 1 januari 1994;</al></li>
            <li nr="e."><al>de artikelen 2, eerste en tweede lid en 3, eerste lid werking hebben
                                ten aanzien van een recht op uitkering ter zake van een ontslag of
                                aftreden ingaande 1 januari 1995 of later;</al></li>
            <li nr="f."><al>artikel 18, vijfde lid, werking heeft ten aanzien van voor een
                                pensioenberekening in aanmerking te nemen uitkeringstijd waarin de
                                belanghebbende inkomsten heeft uit een betrekking waaraan aanspraak
                                op overheidspensioen wordt ontleend vanaf 1 januari 1995, en
                                overigens eerst werking heeft ten aanzien van voor een
                                pensioenberekening in aanmerking te nemen tijd waarin recht op
                                uitkering bestaat uit hoofde van een ontslag of aftreden op of na de
                                dag van inwerkingtreding van de tiende wijziging.</al></li>
            <li nr="g."><al>de artikelen 23 en 23a werken terug tot en met 1 juli 1996.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>Citeertitel</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 105</cursief>
          </al>
          <al/>
          <al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Uitkerings- en
                        pensioenverordening wethouders 1997".</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Inwerkingtreding</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Artikel 106</cursief>
          </al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand
                                volgend op die waarin de verordening door gedeputeerde staten is
                                goedgekeurd.</al></li>
            <li nr="2."><al>Zij werkt terug tot 1 januari 1966, behalve voor wat betreft:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>artikel 4, derde en vierde lid, dat terugwerkt tot 1 januari
                                        1969;</al></li>
                <li nr="b."><al>de artikelen 69 en 76.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3."><al>Waar in deze verordening sprake is van inwerkingtreding van deze
                                verordening wordt daarmede bedoeld het in het eerste lid bedoelde
                                tijdstip.</al></li>
            <li nr="4."><al>In afwijking van het in het vorige lid gesteld, wordt met het
                                tijdstip van inwerkingtreding in artikel 25, onder b, bedoeld 1
                                januari 1966.</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>(1) In de tiende wetswijziging is bepaald dat de Minister van Binnenlandse
                        Zaken kan besluiten dat in plaats van de datum van 1 januari 1998 een latere
                        datum zal gelden. </al>
          <al>(2) Artikel 25 van de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders zoals
                        dit artikel luidde vóór 1 oktober 1971, blijft van toepassing, indien de
                        echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk wordt uitgesproken met
                        toepassing van het vóór dat tijdstip geldende recht. </al>
          <al>(3) Bedrag geldende op 1 januari 1985.</al>
          <al>(4) Bedrag geldende op 1 januari 1991.</al>
          <al>(5) Dit artikel kan vervallen indien er geen (gewezen) wethouders meer in
                        leven zijn die vóór 1 januari 1996 wethouder waren, dan wel indien er nog
                        nabestaanden in leven zijn die nog rechten hebben. Zo niet, dan dient de
                        tekst van het oude artikel 66 gehandhaafd te blijven.</al>
          <al>(6) De datum van inwerkingtreding van de negende wijziging is 26 juni
                        1996).</al>
          <al>(7) De Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Stb. 1994,
                        494) is op 1 oktober 1994 in werking getreden (Koninklijk Besluit Stb. 194,
                        707).</al>
          <al>(8) De datum van inwerkingtreding van de negende wijziging is 26 juni
                        1996.</al>
        </tekst>
      </regeling-tekst>
      
      <bijlage>
        <al>INHOUD</al>
        <al/>
        <al>Afdeling I De uitkering </al>
        <al>Afdeling II Pensioenen </al>
        <al>Afdeling III Algemene, Overgangs- en slotbepalingen </al>
        <al>Hoofdstuk I Algemene bepalingen </al>
        <al>Hoofdstuk II Het eigen pensioen </al>
        <al>Hoofdstuk III Het nabestaandenpensioen </al>
        <al>Paragraaf 1 Het recht op pensioen </al>
        <al>Paragraaf 2 Het bedrag van het pensioen </al>
        <al>Hoofdstuk IV Verval en vervallenverklaring </al>
        <al>Hoofdstuk V Samenloop </al>
        <al>Paragraaf 1 Samenloop pensioenen krachtens deze verordening onderling en met
                    andere pensioenen </al>
        <al>Paragraaf 2 Samenloop van pensioenen en algemeen pensioen </al>
        <al>Hoofdstuk VI Bepalingen van administratieve aard </al>
        <al>Paragraaf 1 Tijdsberekening voor uitkering en pensioenen </al>
        <al>Paragraaf 1a Financiële bepalingen </al>
        <al>Paragraaf 2 Aanvraag en toekenning van uitkering en pensioen </al>
        <al>Paragraaf 3 Ingang en einde van de pensioenen </al>
        <al>Paragraaf 4 Betaling van de pensioenen </al>
        <al>Afdeling III Algemene, overgangs- en slotbepalingen </al>
        <al>Hoofdstuk I Beroep en herziening </al>
        <al>Hoofdstuk II Overgangsbepalingen</al>
        <al>Hoofdstuk III Slotbepalingen </al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>