<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR327923_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening IOAZ en BBZ ISD BOL 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Onderbanken</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Onderbanken</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.onderbanken.nl/index.php?simaction=content&amp;mediumid=7&amp;pagid=465&amp;stukid=27347">Gemeenteblad bekendmakingen, 2013, 1036</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening IOAZ en BBZ ISD BOL 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, lid 1; IOAZ, art. 35, lid 1, onderdeel b en art. 20, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-04-15</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/5</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Afstemmingsverordening IOAZ ISD BOL 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening IOAZ en BBZ ISD BOL 2013 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Onderbanken</al><al/><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders van Onderbanken d.d. 19
                        februari 2013;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het Dagelijks Bestuur van de intergemeentelijke
                        sociale dienst Brunssum, Onderbanken en Landgraaf d.d. 16 januari 2013.</al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid; Gemeentewet;</al><al/><al>gelet op artikel 35, eerste lid; onderdeel b en artikel 20, eerste lid
                        IOAZ;</al><al/><al>gezien de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en
                        sanctiebeleid SZW-wetgeving.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>I. Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1: Begripsomschrijving </label></kop><al>1. In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet Wet werk en bijstand</al></li><li nr="b."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="c."><al> Bbz: Het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004</al></li><li nr="d."><al>Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                    inkomen;</al></li><li nr="e."><al>uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid IOAZ;
                                </al></li><li nr="f."><al>bijstandsnorm: voor zelfstandigen die een Bbz-uitkering
                                    ontvangen of hebben ontvangen wordt onder “bijstandsnorm”
                                    verstaan de norm die op grond van artikel 78f van de wet op hen
                                    van toepassing is;</al></li><li nr="g."><al>grondslag: de voor de gewezen zelfstandige toepasselijke
                                    grondslag bedoeld in artikel 5, vierde lid van de IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>maatregel: het verlagen van de grondslag op grond van artikel
                                    20, eerste lid IOAZ alsmede het blijvend (gedeeltelijk) weigeren
                                    van een uitkering op grond van artikel 20, tweede lid IOAZ;</al></li><li nr="i."><al>inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAZ;</al></li><li nr="j."><al>het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de
                                    Intergemeentelijke Sociale Dienst Brunssum, Onderbanken en
                                    Landgraaf (ISD BOL)</al></li><li nr="k."><al>het college: het college van Burgemeester en wethouders n
                                    wethouders van de gemeente Maastricht.</al></li></lijst><al>2. Zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze verordening
                            gebruikt in dezelfde betekenis als in de IOAZ en de Bbz.</al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2: Het opleggen van een maatregel</label></kop><lijst><li nr="1."><al>1.Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een
                                    verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid
                                    IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAZ aan de uitkering
                                    verbonden verplichting -anders dan de verplichting, bedoeld in
                                    artikel 37, eerste lid, onderdeel a en c IOAZ- schendt, wordt
                                    overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.
                                    Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien
                                    belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                                    houden met de uitvoering van de IOAZ zich jegens het college
                                    zeer ernstig misdraagt.</al></li><li nr="2."><al>2. Indien naar het oordeel van het college bij belanghebbende
                                    sprake is van een situatie bedoeld in artikel 20, tweede lid
                                    IOAZ, welke niet is omschreven in het eerste lid, wordt eveneens
                                    overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd</al></li></lijst><al>. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3: De berekeningsgrondslag en de ingangsdatum</label></kop><lijst><li nr="1."><al>1. De maatregel in de vorm van een verlaging wordt toegepast op
                                    de grondslag. </al></li><li nr="2."><al>2. Voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor
                                    levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het
                                    Bbz hebben ontvangen, wordt de maatregel met terugwerkende
                                    kracht betrokken bij de definitieve vaststelling van die
                                    bijstand. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4: Afstemming en duur van de maatregel</label><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al> Een maatregel bedoeld in artikel 2 wordt afgestemd op de ernst
                                    van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging
                                    kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij
                                    verkeert.</al></li><li nr="2."><al> Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van
                                    de maatregel een maand.</al></li><li nr="3."><al> De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                    verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden
                                    na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                    opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                    van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een
                                    maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan
                                    af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5,
                                    tweede ld.i</al></li></lijst><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5: Afzien van het opleggen van een maatregel </label><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al> Het college ziet af van het opleggen van een maatregel, bedoeld
                                    in artikel 2 indien:</al></li><li nr=""><al> a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr=""><al> b. de gedraging meer dan drie jarenvóór
                                    constatering van die gedraging door het college heeft
                                    plaatsgevonden.</al></li><li nr="2."><al> Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel
                                    indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al> Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr>Artikel 6: Ingangsdatum en tijdvak </nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al> De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                    kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende grondslag.</al></li><li nr="2."><al> In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering
                                    nog niet is uitbetaal</al></li></lijst><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7: Samenloop van gedragingen </label><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al> Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in de IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                                    opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen
                                    maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                    maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al> Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending
                                    opleveren van één of meerdere in de IOAZ genoemde
                                    verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke
                                    maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden in één kalendermaand
                                    ten uitvoer gelegd. Indien de maatregelen niet in één
                                    kalendermaand kunnen worden geëffectueerd, worden de maatregelen
                                    na het besluit tot opleggen van de maatregel achtereenvolgend
                                    ten uitvoer gelegd.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>II. Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8: Indeling in categorieën </label></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van artikel 37 van de IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAZ, niet of onvoldoende zijn
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al> Eerste categorie:</al></li><li nr=""><al>het zich niet dan wel niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet dan wel niet tijdig laten
                                    verlengen van de registratie.</al></li><li nr="2."><al> Tweede categorie:</al></li><li nr=""><al> a. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                    naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr=""><al> b. het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                    gebruik maken van een aangeboden voorziening, waaronder begrepen
                                    sociale activering gericht op arbeidsinschakeling, voor zover
                                    dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                    voortijdige beëindiging van de voorziening.</al></li><li nr="3."><al> Derde categori: </al></li><li nr=""><al> a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                    arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr=""><al> b. gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                    belemmeren;</al></li><li nr=""><al> c. het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                    gebruik maken van een aangeboden voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering, als
                                    dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                    beëindiging van de voorziening.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label> Artikel 9: Hoogte van de maatregel </label><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al> Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel
                                    vastgesteld op:</al></li><li nr=""><al>a. tien procent van de grondslag bij gedragingen van de eerste
                                    categorie;</al></li><li nr=""><al> b. vijftig procent van de grondslag bij gedragingen van de
                                    tweede categorie;</al></li><li nr=""><al> c. honderd procent van de grondslag bij gedragingen van de
                                    deegorie. cat</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>III. Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid, het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden alsmede het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10: Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid </label><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al> Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college, met in
                                    achtneming van artikel 20, vierde lid IOAZ, blijvend een
                                    maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen een
                                    inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en:</al></li><li nr=""><al> a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                    reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7
                                    van het Burgerlijk Wetboek; dan wel</al></li><li nr=""><al> b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                    belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                    bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs
                                    niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li><li nr="2."><al> De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag
                                    verloren inkomen.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11: Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid </label></kop><lijst><li nr="1."><al> Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college
                                        blijvendeen maatregel op indien de
                                    belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van de IOAZ en
                                    hij weigert de hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    aanvaarden.</al></li><li nr="2."><al> De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen
                                    niet verkregen inkomen uit deze arbeid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12: Door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>1. Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college
                                        blijvendeen maatregel op indien de
                                    belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van de IOAZ en
                                    hij door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                    verkrijgt.</al></li><li nr="2."><al>2. De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen
                                    toedoen niet verkregen inkomen uit deze arbeid.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>IV.Niet nakomen van de medewerkingsplicht</label><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel 13: Niet of onvoldoende meewerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>1. Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een
                                    maatregel op van tien procent van de grondslag, indien
                                    belanghebbende de verplichting op grond van artikel 13 IOAZ,
                                    tweede lid niet is nagekomen door niet of onvoldoende de
                                    desgevraagde medewerking te verlenen die nodig is voor de
                                    uitvoering van de IOAZ.</al></li><li nr="2."><al>2. Het niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn
                                    verlenen van medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de
                                    uitvoering artikel 38, tweede lid van het Bbz leidt tot een
                                    maatregel van tien procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                    maand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>V. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 14: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</label><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al> Een maatregel wegens tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan bedoeld
                                    in artikel 18, tweede lid, van de wet wordt afgestemd op de
                                    periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging
                                    eerder of langer recht heeft op bijstand. </al></li><li nr="2."><al>2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                                            bij een periode korter dan 3 maanden;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende drie
                                            maanden bij een periode van 3 tot 6 maanden;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende zes
                                            maanden bij een periode van maanden of langer. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al> Indien geen benadelingsperiode kan worden vastgesteld, bedraagt
                                    de maatregel 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label/><label>Artikel 15: Zeer ernstige misdragingen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>1. Indien een belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen
                                    tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden
                                    die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAZ of
                                    Bbz 2004, verlaagt het college de uitkering. </al></li><li nr="2."><al>2. Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel
                                    bepaald op: </al></li><li nr=""><al> a. vijftig procent van de grondslag gedurende een maand indien
                                    de gedraging gekwalificeerd kan worden als vernieling;</al></li><li nr=""><al> b. honderd procent van de grondslag gedurende een maand indien
                                    de gedraging gekwalificeerd kan worden als bedreiging, belaging
                                    ondeling. misha</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>VI. Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 16: De inwerkingtreding </label></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 15 april 2013. Per
                            voornoemde datum wordt de Afstemmingsverordening IOAZ ISD BOL 2012
                            ingetrokken.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17: Citeertitel </label><titel/></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening IOAZ en
                            BBZ ISD BOL 2013.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening IOAZ en BBZ
                        ISD BOL 2013.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Griffier, De Voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Algemene toelichting </label></kop><al>Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel
                    bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (hierna: Wet
                    Bundeling). Met de inwerkingtreding van de Wet Bundeling per 1 januari 2010
                    krijgt de gemeente een grotere beleidsmatige rol en financiële
                    verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz
                    2004.</al><al>De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een
                    financieringsystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25%
                    drukte op het gemeentelijke budget; de WWIK kende daarnaast een
                    financieringssystematiek waarbij 100% kon worden gedeclareerd. Per 1 januari
                    2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd, zoals dit nu van
                    toepassing is op het WWB-inkomensdeel. Met de Wet bundeling worden de financiële
                    middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’ gebundeld in het volledig
                    gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt voor de bijstandsverstrekking op
                    grond van de Wet. Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere
                    verantwoordelijkheid en lopen ook meer financieel risico.</al><al>Niet gebundeld met het I-deel wordt de financiering van de kosten van
                    levensonderhoud van gevestigde, oudere en beëindigende zelfstandigen en van
                    bedrijfskapitaal vanuit het Bbz 2004. Hiervoor blijft aparte financiering
                    bestaan. Door de Wet Bundeling wordt het aantal landelijke regels verder sterk
                    teruggedrongen. In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente.
                    Deze verordening voorziet daarbij in het afstemmingsbeleid voor de IOAZ. Dit was
                    voorheen geregeld bij AMvB. Deze landelijke regeling is met de Wet Bundeling
                    komen te vervallen. </al><al>In deze verordening is ervoor gekozen om met betrekking tot de IOAZ te komen tot
                    een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen afstemmingsbeleid.
                    Daarbij zij opgemerkt dat de IOAZ in afwijking van de WWB in een aantal
                    situaties de mogelijkheid creëren om de uitkering (gedeeltelijk) blijvend te
                    weigeren. De IOAZ kent immers een specifiek uitkeringsregime waarin werkloosheid
                    een centrale rol speelt en heeft daarmee niet het sluitstukkarakter van de WWB.
                    Verwijtbare werkloosheid, het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid
                    of het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                    wordt daardoor zwaar aangerekend. Daarbij is aansluiting gezocht bij de oude
                    AmvB (Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ). Bij weigering van de uitkering
                    blijft de WWB natuurlijk altijd het vangnet. </al><al/><al>Relatie met het Bbz</al><al>Deze verordening is ook van toepassing op de verlening van bijstand op grond van
                    het Bbz. Het gaat hierbij primair om de verlening van algemene bijstand voor het
                    levensonderhoud, en de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor hoge
                    woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het begrip jaarnorm
                    staat in artikel 1, onderdeel g, Bbz.</al><al/><al>Onder het begrip bijstandsnorm wordt nu ook verstaan de op grond van artikel 78f
                    WWB vast te stellen normen voor zelfstandigen (en hun partner). </al><al>Verder gaat het om invulling van het begrip medewerkingsplicht, zie artikel 9
                    van deze verordening. Het gaat hierbij om de verplichting, opgenomen in artikel
                    38, tweede lid van het Bbz: </al><al>De zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend is verplicht naar behoren een
                    administratie te voeren en deze op eigen initiatief binnen 6 maanden na afloop
                    van het boekjaar waarin bijstand is verleend, aan het college te overleggen. Die
                    plicht geldt ook als de gemeente om de administratie vraagt, bijvoorbeeld om de
                    bedrijfsontwikkeling te beoordelen in het geval verlenging van de
                    uitkeringstermijn aan de orde is. </al><al/><al>Voor zelfstandigen die een uitkering krachtens het Bbz ontvangen of hebben
                    ontvangen, gelden ook de algemene inlichtingenplicht en de medewerkingsplicht. </al><al/><al>Ten aanzien van het niet leveren van de administratie (jaarcijfers) voor de
                    definitieve vaststelling van de verleende uitkering over het betreffende
                    boekjaar, geldt op grond van artikel 45, eerste lid Bbz dat het college de
                    bijstand van de zelfstandige terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of
                    tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet nakomen van de
                    verplichting, bedoeld in artikel 38, tweede lid. In artikel 47 Bbz is opgenomen
                    dat het college kosten van bijstand in de vorm van een geldlening terugvordert,
                    indien de zelfstandige de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet
                    of niet behoorlijk nakomt. Het college is onder toepassing van beide artikelen
                    gehouden de geldlening over het betreffende boekjaar geheel van de zelfstandige
                    terug te vorderen, in het geval de hier bedoelde verplichting niet wordt
                    nagekomen. Er is in dat geval in principe geen aanleiding om tevens een
                    maatregel op grond van deze verordening op te leggen: de gehele jaaruitkering
                    wordt immers al teruggevorderd.</al><al>Het leveren van de jaarcijfers is ook nodig voor vaststelling van het bedrag om
                    niet of de rentereductie, bedoeld in artikel 21 Bbz (bedrijfskapitaal aan
                    gevestigde zelfstandigen). Als de zelfstandige hiervoor geen jaarcijfers
                    overlegt, kent de gemeente geen bedrag om niet of rentereductie toe. Er is dan
                    ook geen aanleiding voor een maatregel, nog daargelaten dat een maatregel niet
                    op een reeds verstrekte geldlening kan worden geëffectueerd.</al><al/><al>Ten aanzien van de in hoofdstuk 2 van de verordening opgenomen gedragingen en
                    maatregelen, met betrekking tot de verplichtingen, gericht op het verkrijgen van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, geldt voor zelfstandigen en hun partners het
                    volgende:</al><al>De in artikel 9 en 10 van de wet opgenomen verplichtingen gelden alleen voor de
                    zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van arbeid, maar die ten minste
                    zes maanden zijn bedrijf of zelfstandig beroep niet kan uitoefenen (artikel 38,
                    derde lid Bbz).</al><al>De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de wet kunnen aan de partner
                    van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover die partner tevens rechthebbende
                    is voor de WWB en niet zelf een zelfstandige in de zin van het Bbz is, of
                    fulltime meewerkt in het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige.
                    Uiteraard kan ook bij minder uren rekening worden gehouden met de meewerkuren in
                    het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige. </al><al/><al>De in hoofdstuk 4 opgenomen gedragingen die leiden tot een maatregel
                    (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zeer ernstige misdragingen)
                    zijn ook voor het Bbz gedragingen die leiden tot een maatregel. Artikel 18,
                    tweede lid, van de wet is onverkort van toepassing op het Bbz. </al><al>Uit artikel 38, eerste lid Bbz vloeit voort dat de zelfstandige de door het
                    college opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige bedrijfs- of
                    beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of in onvoldoende mate, dan
                    is het college bevoegd om een maatregel op te leggen, omdat de zelfstandige door
                    deze verplichting niet of niet voldoende na te komen, blijk heeft gegeven van
                    een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    bestaansvoorziening.</al><al>De gemeente kan bijvoorbeeld een verplichting opleggen, gericht op beperking van
                    de bedrijfskosten (zoals uitzien naar een goedkopere bedrijfsruimte, inruil dure
                    leaseauto voor een goedkopere, stopzetten niet-noodzakelijke abonnementen etc.),
                    op verbetering van de omzet (effectievere acquisitie, verandering
                    brutowinstmarge, verandering openstelling, ontwikkeling internetverkoop etc.),
                    of op vermindering van de privé-uitgaven. Als later blijkt dat de zelfstandige
                    niet (volledig) aan de gestelde verplichtingen heeft voldaan, kan dat leiden tot
                    beëindiging van de bijstand, of voortzetting van de bijstand met een maatregel.
                    Uiteraard is het opleggen van een maatregel alleen aan de orde, indien er nog
                    sprake is van een lopende Bbz-uitkering. Als geen benadelingsperiode kan worden
                    vastgesteld -en dat is bij de bijstandsverlening aan zelfstandigen en de daarbij
                    geldende specifieke verplichtingen vaak het geval- dan geldt de maatregel,
                    bedoeld in het derde lid van artikel 14 (20% van de bijstandnorm voor één
                    maand).</al><al/><al>Als wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid een beroep op Bbz wordt gedaan. Dan
                    kan eveneens een maatregel aan de orde zijn wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. Het Bbz 2004 gaat primair uit
                    van de eigen verantwoordelijkheid van de zelfstandige. In dit kader betekent dit
                    dat de zelfstandige zelf verantwoordelijk is voor het afsluiten van een
                    toereikende particuliere arbeids-ongeschiktheidsverzekering. Deze verzekering
                    wordt beschouwd als een voorliggende voorziening op bijstand. Een zelfstandige
                    die verwijtbaar geen arbeidsongeschiktheids-verzekering of een
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering met een te lage dekking of te lange wachttijd
                    heeft afgesloten en die bij ziekte/arbeidsongeschiktheid een beroep doet op
                    bijstand (Bbz), heeft een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    bestaansvoorziening betoond. Een afwijzing van de bijstandsaanvraag op grond van
                    artikel 15, eerste lid, van de WWB is echter niet aan de orde, aangezien na het
                    ingaan van de arbeidsongeschiktheid sprake zal zijn van feitelijke
                    onverzekerbaarheid. Er kan dan geen sprake meer zijn van een beroep kunnen doen
                    op een voorliggende voorziening. Wel kan, als uitkering wordt verleend omdat aan
                    de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op uitkering is voldaan,
                    een maatregel aan de orde zijn.</al><al/><al>Bij beëindigende ondernemers die een beroep op het Bbz doen, moet worden
                    beoordeeld of de noodzakelijke beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van het
                    bedrijf is veroorzaakt door verwijtbaar gedrag van de zelfstandige (bijvoorbeeld
                    door slechte betalingsmoraliteit, of een onverantwoord hoog uitgavenpatroon).
                    Als daarvan sprake is, is een maatregel wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening aan de orde.</al><al/><al><vet>Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving</vet></al><al>Per 1 januari 2013 treedt de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving in werking. Met de wet krijgt het college (c.q. het dagelijks
                    bestuur) de plicht om een bestuurlijke boete op te leggen indien sprake is van
                    schending van de inlichtingenplicht. De hoogte van de boete is daarbij in
                    beginsel gelijk aan het bedrag dat belanghebbende te veel aan uitkering heeft
                    ontvangen bijstand heeft ontvangen. De eerdere bevoegdheid om een maatregel in
                    deze situatie op te leggen verdwijnt. Het overgrote deel van hoofdstuk 4 dat
                    invulling gaf aan die bevoegdheid is komen te vervallen. Er kan wel nog een
                    maatregel worden opgelegd wanneer de medewerkingsplicht genoemd in artikel 13,
                    tweede lid van de wet niet of onvoldoende wordt nagekomen. </al><al/><al><vet>Relatie met afstemmingsverordening WWB en IOAW ISD BOL</vet></al><al>Deze afstemmingsverordening wijkt af van de afstemmingsverordening WWB en IOAW
                    ISD BOL. Dit is een bewuste keuze omdat de IOAZ voor klanten uit de gemeenten
                    Brunssum, Onderbanken en Landgraaf wordt uitgevoerd door het Zelfstandigenloket
                    Maastricht (zie artikel 1 lid k) en wij voor de afstemmingsverordening IOAZ
                    aansluiting hebben gezocht bij de Maastrichtse verordening. Consequentie hiervan
                    is dat op onderdelen de afstemmingsverordening IOAZ afwijkt van de
                    afstemmingsverordening WWB en IOAW ISD BOL. Als gevolg hiervan heeft de gemeente
                    Maastricht een identieke afstemmingsverordening IOAZ voor alle aangesloten
                    gemeenten bij het Zelfstandigenloket Maastricht.</al><al/><al/><al><vet><onderstreept>Artikelsgewijze toelichting</onderstreept></vet></al><al/><al>Hoofdstuk 1: algemene bepalingen </al><al/><al><vet>Artikel 1: Begripsomschrijving </vet></al><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                    omschrijvingen verdient enige extra aandacht.</al><al/><al>b. de IOAZ</al><al>Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu een
                    groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering en inhoud
                    en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet
                    verwezen moet worden.</al><al/><al>f. Bijstandsnorm</al><al>Doordat de verordening ook van toepassing is voor het Bbz, is het begrip
                    bijstandsnorm verruimd. Zoals eerder al is aangegeven wordt hieronder nu ook
                    verstaan de op grond van artikel 78f van de wet vast te stellen normen voor
                    zelfstandigen (en hun partner). </al><al/><al>g. grondslag </al><al>De WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Bij de IOAZ wordt gewerkt
                    vanuit een bruto benadering. Het uitkeringssysteem is hier ook op ingericht. De
                    verlagingen kunnen daarom alleen worden toegepast op de grondslag. Eigenlijk net
                    als onder het regime van het oude Maatregelbesluit Abw, IOAW en IOAZ. Dit neemt
                    niet weg dat bij het bepalen van de hoogte van de maatregelen IOAZ toch zoveel
                    mogelijk aansluiting is gezocht bij de percentages en verlagingen op de netto
                    bijstand in het kader van de WWB. </al><al/><al>h. maatregel</al><al>In afwijking van de WWB wordt ook het blijvend (gedeeltelijk) weigeren van de
                    uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt. Dit houdt verband
                    met de extra mogelijkheden binnen de IOAZ op dit vlak.</al><al/><al>i. inkomen</al><al>Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAZ. Dit
                    wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde inkomensbegrip.</al><al/><al><vet>Artikel 2: Het opleggen van een maatregel </vet></al><al>Dit artikel bundelt in het eerste lid het bepaalde in artikel 20, eerste lid
                    IOAZ, met uitzondering van het bepaalde dat doelt op artikel 13, eerste en derde
                    lid IOAZ. In het tweede lid wordt het bepaalde in artikel 20, tweede lid IOAZ
                    gebundeld.</al><al/><al>Artikel 3: De berekeningsgrondslag en de ingangsdatum </al><al>Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de grondslag.</al><al/><al><vet>Artikel 4: Afstemming en duur van de maatregel</vet></al><al>In deze afstemmingsverordening zijn voor de diverse gedragingen
                    standaard-maatregelen vastgesteld. Desalniettemin dient bij het opleggen van een
                    maatregel, bedoeld in artikel 2, te worden beoordeeld of als gevolg van de ernst
                    van het feit en de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                    van belanghebbende een andere maatregel gepast is.</al><al>Zo kan bijvoorbeeld afhankelijk van de zwaarte van de gedraging en de omvang van
                    de gevolgen of bij een zoveelste recidive van de standaardmaatregel worden
                    afgeweken. Deze kan dan hoger (tot maximaal 100%) of juist lager worden
                    vastgesteld.</al><al>De maatregel kan op basis van het eerste lid in voorkomende gevallen ook over
                    een langere periode worden gespreid. De standaard maatregel is dan bijvoorbeeld
                    één maand 100%, maar wordt vervolgens verdeeld over twee maanden 50%. </al><al/><al>Wanneer de maatregel bestaat uit het blijvend (gedeeltelijk) weigeren van de
                    uitkering (artikel 2, tweede lid), is afstemmen eigenlijk niet opportuun.
                    Afstemming is meer gericht </al><al>-zoals hiervoor is aangegeven- op situaties waarbij de uitkering gedurende een
                    korte periode wordt verlaagd. Het is niet voor de hand liggend dat afstemming
                    hier bijvoorbeeld bestaat uit een tijdelijk weigeren van de uitkering in plaats
                    van blijvend. Het gaat immers om evidente gedragingen waarop een zware sanctie
                    rust. Bovendien is er altijd het vangnet van de WWB.</al><al>In de praktijk zal het in een enkel geval dan ook inhouden dat de uitkering
                    volgens de voorgeschreven systematiek blijvend wordt geweigerd.</al><al/><al>In het tweede lid van dit artikel is de algemene duur van een maatregel
                    vastgesteld op 1 maand, tenzij in de verordening anders is bepaald. Dit
                    voorbehoud duidt met name op situaties waarbij de maatregel bestaat uit het
                    blijvend (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering. Duur is hier immers geen
                    bepaalde termijn maar staat gelijk aan blijvend weigeren. </al><al>Door voor de overige gevallen de duur van de maatregel in de algemene bepalingen
                    op te nemen, wordt voorkomen dat overal waar een maatregel wordt genoemd steeds
                    weer moet worden aangegeven dat deze voor 1 maand wordt opgelegd.</al><al>Het derde lid maakt hier weer een algemene uitzondering op, door bij recidive de
                    duur te verdubbelen.</al><al/><al>Artikel 5: Afzien van het opleggen van een maatregel </al><al>Bij het opleggen van een maatregel bedoeld in artikel 2 dient ook de mate van
                    verwijtbaarheid in de beoordeling te worden meegenomen. Hierbij moet de vraag
                    worden gesteld in hoeverre belanghebbende op de hoogte was/kon zijn van zijn
                    verplichtingen, alsmede de psychische gesteldheid van belanghebbende. Bij het
                    ontbreken van iedere verwijtbaarheid wordt er geen maatregel opgelegd. </al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel, bedoeld in
                    artikel 2, is verjaring. Omwille van de effectiviteit van een maatregel is het
                    geboden dat deze zo snel mogelijk nadat de gedraging heeft plaatsgevonden wordt
                    opgelegd (“lik op stuk”). Deze verjaringstermijn wordt vastgesteld op drie jaar. </al><al/><al>Bij het afzien van een maatregel wegens dringende redenen is in principe al
                    geconcludeerd dat een maatregel op zijn plaats is. Echter wegens dringende
                    redenen wordt deze maatregel niet opgelegd. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Belanghebbende ontvangt een beschikking dat er is afgezien van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen. Een volgende verwijtbare
                    gedraging zal als recidive worden beschouwd.</al><al/><al>Artikel 6: Ingangsdatum en tijdvak </al><al>Net als in de afstemmingverordening WWB, wordt een maatregel in de regel naar de
                    toekomst opgelegd. Hiermee wordt voorkomen dat het recht herzien moet worden en
                    de teveel verstrekte uitkering moet worden teruggevorderd. De maatregel wordt
                    opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand nadat het besluit is
                    genomen. </al><al>In voorkomende situaties kan het praktisch zijn om de maatregel te verrekenen
                    met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de uitkering
                    wel worden herzien en teruggevorderd. </al><al> Artikel 7: Samenloop van gedragingen </al><al>De bepaling in het eerste lid geldt dus voor één bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. Is daarvan
                    sprake dan dient bij het bepalen van de maatregel te worden uitgegaan van de
                    schending van de verplichting waarop de zwaarste maatregel van toepassing
                    is.</al><al>De bepaling in het tweede lid heeft betrekking op verschillende gedragingen die
                    (min of meer) gelijkertijd plaatsvinden. </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 2: geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen
                        van algemeen geaccepteerde arbeid</vet></al><al/><al>Artikel 8: Indeling in categorieën </al><al>Ten opzichte van de afstemmingsverordening WWB is in deze bepaling geen
                    gedraging opgenomen in de vorm van het niet aanvaarden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid .Dit houdt verband met het feit dat juist bij deze
                    gedraging de IOAZ de mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende
                    (gedeeltelijke) weigering van de uitkering. Dit is dan ook apart geregeld in
                    artikel 11. Het tijdelijk of blijvend (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering
                    kan overigens ook nog in een tweetal andere situaties. Die zijn omschreven in
                    artikel 10 en 12. </al><al/><al>Eerste categorie</al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende
                    (tijdig) te laten registreren bij het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV) of die registratie (tijdig) te laten verlengen. </al><al>De gemeente hecht een groot belang aan de plicht tot arbeidsinschakeling. De
                    inschrijving bij het UWV is een eerste, relatief eenvoudige stap op weg naar
                    reïntegratie in het arbeidsproces. Het niet dan wel niet tijdig ingeschreven
                    staan bij het UWV betekent onvermijdelijk een vertraging van de
                    reïntegratie.</al><al/><al>Tweede categorie</al><al>Bij toekenning van de uitkering of in een later stadium kan aan de
                    belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn
                    levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om mee te werken
                    aan een (diagnostisch) onderzoek naar zijn mogelijkheden en naar de inzet van
                    reïntegratie-instrumenten waaronder deelname aan een concreet
                    reïntegratie-traject dat uiteindelijk moet leiden tot uitstroom of zelfstandige
                    maatschappelijke participatie. De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad,
                    wanneer de belanghebbende deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, hetgeen
                    gevolgen kan hebben voor de duur van de aanspraak op uitkering. </al><al>Wordt een reïntegratievoorziening aangeboden dan rust op belanghebbende de
                    verplichting zich hier volledig voor in te zetten. Gebeurt dit onvoldoende dan
                    zal dit leiden tot vertraging van het traject. De gedragingen in deze categorie
                    hebben echter niet tot gevolg dat het traject (definitief) geen doorgang vindt
                    of moet worden beëindigd. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake
                    als de belanghebbende niet op afspraken bij het reïntegratiebedrijf verschijnt
                    of opdrachten in het kader van een scholing niet naar behoren uitvoert. </al><al/><al>Het Transferium Werk en Bijstand Maastricht vormt binnen het onderzoeks- en
                    reïntegratiegebeuren een bijzondere plek. Binnen deze setting gelden bepaalde
                    huisregels die ertoe moeten bijdragen dat het diagnostisch onderzoek zo goed
                    mogelijk kan verlopen. Overtreding van die regels -bijvoorbeeld een herhaalde
                    weigering een hoofdtelefoon af te zetten- zou kunnen worden opgevat als een
                    gedraging van de tweede categorie. Het zonder meer toepassen van de daarbij
                    behorende maatregel van één maand 50% wordt echter als een te zware sanctie
                    ervaren. Het is dan toch mogelijk om een maatregel te baseren op artikel 8,
                    tweede lid, maar vervolgens de hoogte te matigen met toepassing van artikel 4,
                    eerste lid van de verordening. </al><al>Natuurlijk dient helder te zijn dat belanghebbende, voorafgaand aan het opleggen
                    van een maatregel eerst een duidelijke schriftelijke waarschuwing heeft gehad. </al><al/><al>Derde Categorie</al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep op uitkering of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan.
                    Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van
                    de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. </al><al>Bij onderdeel a gaat het om de actieve sollicitatieplicht. De belanghebbende is
                    verplicht een minimaal aantal sollicitaties te verrichten en hiervan op verzoek
                    de bewijsstukken te tonen. Het exacte minimum aantal verplichte sollicitaties
                    zal onder andere afhangen van het aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid. Met
                    de enkele mededeling van mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen
                    genoegen genomen, tenzij kan worden geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk
                    hebben plaatsgevonden.</al><al>Bij onderdeel b wordt geduid op negatieve gedragingen bij sollicitaties. </al><al>Bij onderdeel c gaat het om dezelfde soort gedragingen als bedoeld in de tweede
                    categorie onder b, echter met dit belangrijke verschil dat de gedraging heeft
                    geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of afbreken van een
                    reïntegtratie-traject. In de praktijk zal beëindiging van zo’n traject veelal
                    pas plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft
                    laten blijken niet mee te willen meewerken aan instrumenten gericht op een zo
                    spoedig mogelijke inschakeling in het arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige
                    gedraging, bijvoorbeeld diefstal tijdens een proefplaatsing, tot beëindiging van
                    het traject leiden. In alle gevallen betreft het gedragingen die de kans op
                    uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. Zonder traject is
                    inschakeling in de arbeid voor de desbetreffende belanghebbende immers niet
                    mogelijk.</al><al/><al><vet>Artikel 9: Hoogte van de maatregel </vet></al><al>Bij het bepalen van hoogte van de maatregel is hier aansluiting gezocht bij de
                    afstemmingsverordening WWB. Verschil is dat als gevolg van de andere
                    uitkeringssystematiek van IOAZ (bruto-benadering) hier wordt uitgegaan van een
                    percentage van de grondslag, terwijl bij de WWB een percentage geldt van de
                    bijstandsnorm (netto). Dit kan ertoe leiden dat de uiteindelijk op te leggen
                    maatregel qua hoogte van het bedrag iets afwijkt van die binnen de WWB. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3: Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                        arbeid, het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden alsmede het
                        door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                    arbeid.</vet></al><al/><al>Artikel 10: Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid </al><al>In deze bepaling is de mogelijkheid die de IOAZ biedt om bij verwijtbare
                    werkloosheid de uitkering blijvend of tijdelijk geheel of gedeeltelijk te
                    weigeren, volledig uitgewerkt.</al><al>Vanwege het specifieke uitkeringsregime van IOAZ is gekozen voor het blijvend
                    (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering. Verwijtbare werkloosheid wordt de
                    belanghebbende hier dus zwaar aangerekend. </al><al>Bij een volledige weigering van de uitkering, kan de belanghebbende in wezen per
                    direct aankloppen voor (aanvullende) bijstand ingevolge de WWB. Binnen het kader
                    van de WWB zal dan moeten worden beoordeeld of belanghebbende recht heeft op WWB
                    (in afwijking van de IOAZ kent de WWB een beperkte vermogensvrijlating en een
                    ruimer inkomensbegrip) en in hoeverre het maatregelwaardige gedrag ook binnen de
                    WWB tot een verlaging zou hebben geleid. Hoewel alle besluiten zorgvuldig moeten
                    worden genomen geldt -juist omdat het hier gaat om een ingrijpende sanctie- dat
                    bij de besluitvorming uiterste zorgvuldigheid moet worden betracht. Daarbij moet
                    met name aandacht uitgaan naar het beginsel van hoor en wederhoor. Overigens
                    geldt dit evenzeer bij toepassing van artikel 11 en 12. </al><al> Artikel 11: Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid </al><al>Anders dan binnen de WWB kan in het kader van de IOAZ bij het niet aanvaarden
                    van algemeen geaccepteerde arbeid de uitkering blijvend of tijdelijk geheel of
                    gedeeltelijk worden geweigerd.</al><al>Net als voorgaand artikel is ook hier vanwege het specifieke uitkeringsregime
                    van de IOAZ gekozen voor het blijvend (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering.
                    Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid weegt dus eveneens zwaar. </al><al>Bij het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid gaat het concreet om
                    het weigeren van een aangeboden dienstverband. Het kan hierbij om allerlei
                    soorten arbeid gaan, gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk
                    of voor onbepaalde duur. Essentieel is dat de belanghebbende door de
                    werkweigering afziet van een concrete kans om geheel of gedeeltelijk uit de IOAZ
                    te komen.</al><al>Bij een volledige weigering geldt eenzelfde handelswijze als hiervoor bij
                    artikel 10 is geschetst. </al><al/><al>Artikel 12: Door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen </al><al>De IOAZ biedt ook wanneer sprake is van het door eigen toedoen niet verkrijgen
                    van algemeen geaccepteerde arbeid de mogelijkheid de uitkering blijvend of
                    tijdelijk geheel of gedeeltelijk te weigeren.</al><al>Geheel in lijn van de voorgaande artikelen wordt ook hier de uitkering blijvend
                    (gedeeltelijk) geweigerd.</al><al>Het gaat in deze om een meer ernstige variant van de gedraging bedoeld in
                    artikel 8, derde lid onder b. De belanghebbende die een IOAZ-uitkering ontvangt,
                    moet blijk geven van dusdanig belemmerend gedrag dat kan worden gesproken van
                    het “door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid”. </al><al>Het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid moet
                    overigens niet worden verward met het niet naar vermogen trachten algemeen
                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen bedoeld in artikel 8, derde lid onder a. Daar
                    gaat het om schending van de actieve sollicitatieplicht. </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 4: niet nakomen van de medewerkingsplicht </vet></al><al/><al>Artikel 13: Niet of onvoldoende meewerken </al><al>Dit artikel heeft betrekking op het niet of onvoldoende nakomen van de
                    medewerkingsplicht. Voorbeelden hiervan zijn het niet tonen van het
                    identiteitsbewijs, niet meewerken aan een huisbezoek en niet meewerken aan een
                    onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens. Indien
                    belanghebbende niet in de daartoe gestelde termijn de informatie verstrekt of
                    anderszins onvoldoende medewerking verleent, wordt het recht op uitkering op
                    grond van artikel 17 van de IOAZ opgeschort en wordt belanghebbende verzocht het
                    verzuim binnen een gestelde termijn te herstellen (de zogenaamde
                    hersteltermijn), Indien de informatie of medewerking alsnog wordt verstrekt of
                    verleend, wordt een maatregel toegepast. Indien belanghebbende het verzuim niet
                    herstelt, wordt het recht op uitkering beëindigd met ingang van de eerste dag
                    waarover dat recht is opgeschort.</al><al>Een bijzondere vorm van schending van de medewerkingsplicht is het niet of in
                    onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                    arbeidsinschakeling. Omdat het hier gaat om het niet nakomen van een
                    verplichting in het kader van de arbeidsinschakeling, wordt deze specifieke
                    gedraging niet gesanctioneerd op basis van dit artikel maar op grond van artikel
                    8, tweede categorie onder a. De gedraging blijft overigens wel een schending van
                    de medewerkingsplicht ex artikel 13 tweede lid IOAZ, waardoor -althans ten
                    aanzien van belanghebbenden aan wie al een uitkering is toegekend- ná de
                    maatregelwaardige gedraging de hierboven geschetste weg van artikel 17 IOAZ kan
                    worden gevolgd.</al><al>Ten aanzien van oproepen door een Reïntegratiebedrijf (RIB) kan hier nog worden
                    aangegeven dat de hiervoor bedoelde hersteltermijn niet gaat lopen vanaf het
                    moment dat belanghebbende dient te verschijnen op een afspraak van het RIB, maar
                    pas na de daaropvolgende oproep van de Sociale Dienst. Deze oproep vindt in de
                    regel plaats nadat belanghebbende niet is verschenen op de afspraak van het RIB.
                    Geeft belanghebbende ook geen gehoor aan de oproep van de Sociale Dienst dan
                    geldt voor de hersteltermijn de datum van deze oproep. </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 5: overige gedragingen die leiden tot een maatregel</vet></al><al/><al>Artikel 15: Zeer ernstige misdragingen </al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, waarbij sprake is van gedrag dat in het normale menselijke
                    verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. In de
                    verordening is aangegeven dat agressief gedrag van een uitkeringsgerechtigde
                    aanleiding vormt voor het opleggen van een maatregel.</al><al>Een nadere uitwerking van wat onder “het zeer ernstig misdragen” kan worden
                    verstaan, vindt plaats in het zogenoemde Agressieprotocol. Dit protocol geldt
                    ook voor de WWB. Daarom is voor wat betreft de systematiek in deze verordening
                    aansluiting gezocht bij de betreffende artikelen van de WWB.</al><al>Het is in ieder geval duidelijk dat het moet gaan om ernstige misdragingen
                    tegenover medewerkers van de gemeente en medewerkers van andere organisaties die
                    belast zijn met de uitvoering van de IOAZ, onder omstandigheden die rechtstreeks
                    verband houden met de uitvoering van deze wet.</al><al>Het doen van aangifte van een strafbaar feit is geen voorwaarde voor het
                    opleggen van een maatregel wegens vernieling, bedreiging, belaging of
                    mishandeling. Of aangifte wordt gedaan conform het agressieprotocol staat dus
                    los van het opleggen van een maatregel. Ook een veroordeling door de
                    strafrechter is geen voorwaarde voor toepassing van deze bepaling. Een maatregel
                    vanwege een ernstige misdraging is niet bedoeld om de eventueel door die
                    misdraging veroorzaakte schade te vergoeden.</al><al/><al>Artikel 16 en 17: </al><al>In het kader van de inwerkingtreding kan worden opgemerkt dat de vigerende
                    Afstemmingsverordening IOAZ 2012 op het moment dat de nieuwe
                    Afstemmingsverordening WWB 2013 in werking treedt, wordt ingetrokken. Dat is
                    ingaande 15 april 2013.</al><al>De “oude” Afstemmingsverordening IOAZ 2012 blijft echter van toepassing voor
                    schending van de inlichtingenplicht die vóór 1 maart 2013 heeft plaatsgevonden
                    waarbij dan wordt gehandeld naar analogie van het overgangsrecht van de Wet
                    aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving.</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>