<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR32762_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening wet investeren in jongeren 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">de Peperbus, 17-02-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WIJ 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 12 Wet Investeren in Jongeren</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0026054&amp;artikel=12"/><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-02-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>gb 1-2010.40</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening beschrijft wanneer het inkomen van een jongere wordt aangepast?</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      AFSTEMMINGSVERORDENING WET INVESTEREN IN JONGEREN 2009
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsomschrijving</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ);</al></li>
              <li nr="b."><al>norm: het op grond van hoofdstuk 4 van de wet zijnde bedrag voor
                                    de inkomensvoorziening, vermeerderd of verminderd met de op
                                    grond van dat hoofdstuk door het college vastgestelde verhoging
                                    of verlaging;</al></li>
              <li nr="c."><al>maatregel: het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van
                                    artikel 41, eerste lid, van de wet; </al></li>
              <li nr="d."><al>inlichtingenplicht: de verplichtingen genoemd in artikel 44 van
                                    de wet en of de uit artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de
                                    Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                    voortvloeiende verplichtingen;</al></li>
              <li nr="e."><al>overige verplichtingen: de verplichtingen genoemd in artikel 45
                                    van de wet;</al></li>
              <li nr="f."><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het niet
                                    of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten
                                    onrechte is verleend als inkomensvoorziening; </al></li>
              <li nr="g."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Zwolle;</al></li>
              <li nr="h."><al>recidive: de jongere maakt zich binnen 12 maanden na
                                    bekendmaking van een besluit over een verwijtbare gedraging,
                                    opnieuw schuldig aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of
                                    een hogere categorie;</al></li>
              <li nr="i."><al>tweede recidive: de jongere maakt zich binnen 12 maanden na
                                    bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging op grond van
                                    de afstemmingsverordening is opgelegd, voor de derde keer
                                    schuldig aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere
                                    categorie.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Het opleggen van een maatregel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college,
                                overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere
                                toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel
                                van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in
                                hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde
                                lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel
                                zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan
                                daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen.
                            </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Algemene bepalingen maatregelen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Berekeningsgrondslag</titel>
            </kop>
            <al>De maatregel wordt toegepast op de norm.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel>
            </kop>
            <al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de norm wordt verlaagd en, indien van toepassing, de
                            reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Horen van belanghebbende</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li>
                <li nr="b."><al>de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li>
                <li nr="c."><al>de jongere niet of niet tijdig heeft voldaan aan de
                                        inlichtingenplicht; </al></li>
                <li nr="d."><al>de jongere de overige verplichtingen niet of niet voldoende
                                        nakomt;</al></li>
                <li nr="e."><al>de jongere zich jegens het college zich ernstig heeft
                                        misdragen of </al></li>
                <li nr="f."><al>het college het horen niet nodig acht voor het kunnen
                                        vaststellen van de ernst van de gedraging, de mate van
                                        verwijtbaarheid, de individuele omstandigheden van de
                                        jongere of het bestaan van dringende redenen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien elke
                                vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor zeer dringende redenen aanwezig acht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk
                                mededeling gedaan.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Ingangsdatum maatregel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de jongere is bekendgemaakt. Daarbij
                                wordt uitgegaan van de voor die maand geldende norm.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien verlaging van de inkomensvoorziening overeenkomstig het
                                eerste lid niet mogelijk is, wordt de inkomensvoorziening met
                                terugwerkende kracht opgelegd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, ligt de
                                ingangsdatum van de maatregel niet voor de datum van de
                                gesanctioneerde gedraging.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Heroverweging</titel>
            </kop>
            <al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor
                            een periode van meer dan 3 maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk 3
                            maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Samenloop</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                                opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen
                                van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel
                                opgelegd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt voor
                                iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze
                                maatregelen worden gelijktijdig opgelegd.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Eerste categorie</titel>
            </kop>
            <al>De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de norm met 5% voor
                            de duur van 1 maand:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn
                                    verstrekken van inlichtingen die van invloed kunnen zijn op de
                                    arbeidsinschakeling of het recht op inkomensvoorziening (artikel
                                    44, lid 1 van de wet);</al></li>
              <li nr="b."><al>het niet desgevraagd terstond een geldig identiteitsbewijs ter
                                    inzage verstrekken (artikel 44, lid 4 van de wet);</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Tweede categorie</titel>
            </kop>
            <al>De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de norm met 10 %
                            voor de duur van 1 maand:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                    bedoeld in artikel 44 lid 1 van de wet, voor zover dit niet
                                    heeft geleid tot een benadeling voor de gemeente; </al></li>
              <li nr="b."><al>het niet verlenen van de gevraagde medewerking die
                                    redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering (artikel 44, lid 2
                                    van de wet); </al></li>
              <li nr="c."><al>het niet voldoen aan de verplichting zich te onderwerpen aan een
                                    noodzakelijke behandeling van medische aard (artikel 45 lid
                                    onder f van de wet);</al></li>
              <li nr="d."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met
                                    betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het
                                    onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden
                                    tot arbeidsinschakeling (art. 45 onder a van de wet);</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Derde categorie</titel>
            </kop>
            <al>De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de norm met 20%
                            voor de duur van 1 maand:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen
                                    van de arbeidsbekwaamheid (art. 45 onder c van de wet);</al></li>
              <li nr="b."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                    bedoeld in artikel 44, lid 1 van de wet, voor zover dit heeft
                                    geleid tot een bruto benadeling van de gemeente tot €
                                    2000,-.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Vierde categorie</titel>
            </kop>
            <al>De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de norm met 20%
                            voor de duur van 2 maanden:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
                                    werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling (art. 45 onder
                                    d van de wet);</al></li>
              <li nr="b."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar
                                    beste vermogen te verrichten (art. 45 onder e van de wet);</al></li>
              <li nr="c."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                    bedoeld in artikel 44, lid 1 van de wet, voor zover dit heeft
                                    geleid tot een bruto benadeling van de gemeente van € 2000,- tot
                                    € 4000,-;</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel>Vijfde categorie</titel>
            </kop>
            <al>De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de norm met 20%
                            voor de duur van 3 maanden: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld
                            in artikel 44, lid 1 van de wet, voor zover dit heeft geleid tot een
                            bruto benadelingbedrag van de gemeente van € 4000,- of meer;</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel>Zesde categorie</titel>
            </kop>
            <al>De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de norm met 30%
                            voor de duur van 3 maanden:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of zijn
                            ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                            uitvoering van de wet, als bedoeld in (<onderstreept>artikel 41, eerste
                                lid van de wet</onderstreept>).</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel>Recidive</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In geval van recidive wordt het percentage van de verlaging van de
                                norm verdubbeld. Bij een tweede recidive of nog meer recidives
                                bepaalt het college naar eigen oordeel de duur en hoogte van de
                                verlaging.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In geval van schending inlichtingenplicht geldt in afwijking van
                                artikel 1 onder h een recidivetermijn van 24 maanden. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De recidivetermijn vangt aan op de datum van de bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd of wordt afgezien van
                                maatregeloplegging wegens dringende redenen. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
              <titel>De inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking op de dag van publicatie en werkt
                            terug tot 1 oktober 2009</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als “Afstemmingsverordening WIJ
                            2009”.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <tussenkop>TOELICHTING AFSTEMMINGSVERORDENING WET INVESTEREN IN JONGEREN 2009 </tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Waarom een afstemmingsverordening Wet investeren in
                    jongeren en wat regelt deze verordening?</tussenkop>
        <al>De Wet investeren in jongeren (WIJ) verplicht de gemeente aan jongeren een
                    werkleeraanbod en eventueel een inkomensvoorziening aan te bieden. </al>
        <al>Het werkleerrecht berust op het uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold
                    zijn en over voldoende kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk
                    zullen komen en daardoor zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De
                    relatie tussen werken/leren en een uitkering is in de Wet investeren in jongeren
                    (WIJ) fundamenteel anders dan in de WWB. In de WWB staat het recht op bijstand
                    voorop met als afgeleide de plicht tot arbeidsparticipatie. In de WIJ is dit
                    omgedraaid en geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>wegens in de persoon van de jongere gelegen factoren of niet verwijtbare
                            omstandigheden geen optie is, </al></li>
          <li nr="·"><al>onvoldoende inkomsten genereert of het werkleeraanbod nog niet gedaan
                            kan worden gedaan.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Evenals in de Wet werk en bijstand (WWB) geldt binnen de Wet investeren in
                    jongeren (WIJ) een stelsel van rechten en plichten. Worden deze verplichtingen
                    geschonden, dan dient de inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel 41,
                    eerste lid, WIJ). Deze verlaging wordt aangeduid als maatregel. In de WIJ
                    (artikel 12, eerste lid, onderdeel b, WIJ) is geregeld dat het gemeentelijk
                    beleid rond maatregelen in een verordening wordt vastgelegd. In deze verordening
                    wordt aangegeven in welke situaties de inkomensvoorziening wordt verlaagd, wat
                    de hoogte van de verlaging en de duur van de verlaging is.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Weigering, herziening of intrekking werkleeraanbod of verlaging van de
                    inkomensvoorziening?</tussenkop>
        <al>Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichtingen verwijtbaar
                    niet na, dan staan de gemeente diverse instrumenten ter beschikking. De gemeente
                    heeft de keuze uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>het niet doen van een werkleeraanbod; het werkleeraanbod opschorten,
                            herzien en of intrekken of </al></li>
          <li nr="·"><al>uit het verlagen van de inkomensvoorziening.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Als de jongere in het geheel niet meewerkt aan het opstellen van een plan voor
                    zijn arbeidsinschakeling en zo zijn arbeidsinschakeling belemmert, dan doet de
                    gemeente de jongere geen werkleeraanbod (artikel 17, vijfde lid, WIJ). Dit geldt
                    in bredere zin ook voor andere gedragingen van de jongere waaruit kan worden
                    afgeleid dat deze de aan het werkleeraanbod verbonden verplichtingen in het
                    geheel niet wil nakomen. De jongere heeft, zolang hij niet wenst te voldoen aan
                    die verplichting, geen recht op inkomensvoorziening. </al>
        <al>Is sprake van een minder ernstige schending van de verplichtingen, dan wordt na
                    toekenning van een werkleeraanbod de eventuele inkomensvoorziening verlaagd. Het
                    is denkbaar dat de jongere wel wil meewerken, maar dat de medewerking
                    onvoldoende is. In dat geval wordt de inkomensvoorziening verlaagd. </al>
        <al>Met het oog op duurzame arbeidsparticipatie, is het niet wenselijk een
                    werkleeraanbod te snel te weigeren of in te trekken. Dit is in de wetgeving tot
                    uitdrukking gebracht doordat verlaging van de inkomensvoorziening bij schending
                    van de verplichtingen <cursief>imperatief</cursief> is voorgeschreven, waar
                    intrekking van het werkleeraanbod (artikel 21 WIJ) een <cursief>bevoegdheid
                    </cursief>is. Het weigeren of intrekken van het werkleeraanbod leidt tevens tot
                    het weigeren of intrekken van de inkomensvoorziening. Het gevaar van ‘dubbele’
                    bestraffing bestaat. Het is daarom raadzaam om niet lichtvaardig tot intrekking
                    van het werkleeraanbod over te gaan. Een beleid waarbij slechts in
                    uitzonderingsgevallen tot weigering of intrekking van het werkleeraanbod wordt
                    overgegaan, is in lijn met de bedoelingen van de wetgever. Er is veelal pas van
                    weigering of intrekking van het werkleeraanbod sprake als in redelijkheid van de
                    gemeente niet meer gevergd kan worden dat uitvoering wordt gegeven aan het
                    werkleeraanbod. </al>
        <al/>
        <al>Als een jongere zich zeer ernstig jegens “het college” misdraagt staat de
                    gemeente eveneens voor de keus:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>tot het uitsluiten van het recht op een werkaanbod of </al></li>
          <li nr="·"><al>tot het verlagen van de inkomensvoorziening.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Afzonderlijke aandacht verdient de verplichting om de inkomensvoorziening te
                    verlagen als de jongere zich zeer ernstig misdraagt (artikel 41, eerste lid,
                    WIJ). Het betreft gedragingen die in het maatschappelijk verkeer in alle
                    gevallen als onacceptabel worden beschouwd. </al>
        <al>Bezondigt de jongere zich herhaaldelijk aan zeer ernstige misdragingen, dan kan
                    de jongere tijdelijk uitgesloten worden van het recht op een werkleeraanbod
                    (artikel 22, eerste lid, WIJ).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Een waarschuwing in plaats van het verlagen van de
                    inkomensvoorziening?</tussenkop>
        <al>De WIJ biedt de gemeente de mogelijkheid eerst een waarschuwing te gegeven
                    voordat een maatregel wordt opgelegd. In deze verordening is hiervoor niet
                    gekozen. Hiervoor zijn twee redenen. </al>
        <al>De eerste reden is dat een waarschuwing er van uit gaat dat jongeren (nogmaals)
                    op de hoogte gesteld moeten worden van hun verplichtingen. De gemeente
                    informeert jongeren zo goed mogelijk over de verplichtingen die aan de WIJ
                    verbonden zijn. Deze werkwijze maakt deel uit van hoogwaardig handhaven, waarbij
                    handhaven in de bedrijfsvoering is geïntegreerd. Hierdoor zal waarschijnlijk ook
                    de naleving van de verplichtingen groter worden en maatregelen die worden
                    opgelegd beter worden geaccepteerd. Een waarschuwing richting klanten kan bij
                    zo'n beleid achterwege blijven.</al>
        <al>De tweede reden om niet te kiezen voor een waarschuwing heeft te maken met het
                    feit dat een waarschuwing er van uit gaat dat herstel van de oude situatie
                    mogelijk is. Dat is echter niet per definitie het geval. Alle verwijtbare
                    gedragingen hebben in meer of mindere mate gevolgen (gehad) voor het
                    werkleeraanbod of de inkomensvoorziening.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Wanneer kan de gemeente de inkomensvoorziening verlagen?</tussenkop>
        <al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening kunnen minder uiteenlopende
                    verplichtingen verbonden worden dan aan de bijstand op grond van de Wet werk en
                    bijstand. </al>
        <al>In artikelen 41 WIJ wordt aangegeven in welke situaties de inkomensvoorziening
                    verlaagd moet worden. Het gaat hierbij om </al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>het niet of niet voldoende voldoen aan de inlichtingen-, medewerkings-
                            en identificatieplicht (artikel 44 WIJ en of artikel 30c, tweede lid of
                            derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen),
                        </al></li>
          <li nr="·"><al>het zich zeer ernstig misdragen jegens het “college” en of </al></li>
          <li nr="·"><al>het niet of niet voldoende voldoen aan een aantal concreet benoemde
                            verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en
                            tenuitvoerlegging van een werkleeraanbod (artikel 45 WIJ).</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Een verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening niet verlaagd
                    kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan, anders dan in de vorm van
                    schending van één van de in artikel 41 WIJ genoemde verplichtingen. Dat heeft
                    tot gevolg dat de inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden bij het
                    onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare werkloosheid, als deze
                    gedragingen leiden tot het indienen van een aanvraag voor een werkleeraanbod.
                    Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van de jongere prevaleert boven het
                    als maatregelwaardig aanmerken van de gedragingen. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Schending inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht</tussenkop>
        <al>De in artikel 44 WIJ genoemde verplichtingen hebben betrekking op de
                    inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht. Schending van deze
                    verplichtingen verplicht de gemeente in beginsel tot verlaging van de
                    inkomensvoorziening. </al>
        <al>Schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de
                    inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet niet alleen op de
                    informatieplicht van de jongere jegens het college maar ook UWV WERKbedrijf. Het
                    gaat hierbij om zowel het op verzoek van de gemeente als het uit eigen beweging
                    verstrekken van inlichtingen</al>
        <al>De hoogte en de duur van de maatregel zijn uitgewerkt in hoofdstuk 3 van deze
                    verordening en zijn gerelateerd aan de mate van benadeling van de gemeente. Hoe
                    hoger de benadeling, hoe zwaarder de maatregel. Dit is conform de
                    afstemmingsverordening WWB.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het
                    werkleeraanbod </tussenkop>
        <al>Artikel 45 WIJ omschrijft gedetailleerd de verplichtingen die betrekking hebben
                    op de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en de tenuitvoerlegging van het
                    werkleeraanbod. Deze verplichtingen gelden vanaf het moment dat de aanvraag voor
                    een werkleeraanbod wordt ingediend. Schending van één van deze verplichtingen
                    verplicht de gemeente in beginsel tot verlaging van de eventuele
                    inkomensvoorziening. De hoogte en de duur van de maatregel zijn uitgewerkt in
                    hoofdstuk 3 van deze verordening. De gedragingen zijn in categorieën
                    onderverdeeld. Ook hier geldt hoe ernstiger de gedraging of de mate van
                    verwijtbaarheid, hoe zwaarder de maatregel. Ook hierbij is aansluiting gezocht
                    bij de afstemmingsverordening WWB. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Verlagen is maatwerk</tussenkop>
        <al>Hoewel deze verordening regels stelt over het verlagen van de
                    inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een vorm van
                    maatwerk. In deze verordening zijn de gedragingen die een schending van de
                    verplichtingen opleveren genormeerd. Die normering is echter niet absoluut. Net
                    als binnen de WWB, dient de maatregel afgestemd te worden op de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere. Deze
                    afstemming kan leiden tot afwijking van de standaardmaatregel af te wijken.
                    Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan is de gemeente verplicht om van
                    verlaging af te zien (artikel 41, tweede lid, WIJ). </al>
        <al>Daarnaast dient beoordeeld te worden of er sprake is van zeer dringende redenen,
                    die tot het afzien van de maatregel of tot het matigen van de maatregel kunnen
                    leiden.</al>
        <al>Vanwege het karakter van de inkomensvoorziening als minimuminkomen is tevens
                    bepaald dat binnen drie maanden heroverweging van de verlaging plaatsvindt.
                    Daarmee wordt gewaarborgd dat de verlaging ook afgestemd blijft op de
                    omstandigheden van de jongere en deze niet onaanvaardbaar lang over een te laag
                    inkomen blijft beschikken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Berekeningsgrondslag en duur van de maatregel</tussenkop>
        <al>De maatregel wordt uitgedrukt in een percentage van de toepasselijke WIJ-norm.
                    Voor de uitvoering is het hanteren van vaste bedragen wellicht handiger. Het
                    hanteren van vaste bedragen tot rechtsongelijkheid en disproportionaliteit kan
                    leiden. Een maatregel van € 250,- betekent voor een 20-jarige een verlies van
                    vrijwel de volledige inkomensvoorziening, terwijl dit voor een 26-jarige
                    verhoudingsgewijs een veel minder groot aandeel betreft. Bovendien roept het
                    verlagen van de inkomensvoorziening met een vast bedrag ook het beeld op van een
                    boete. Mede om die redenen is de maatregel in deze verordening uitgedrukt in een
                    percentage van de toepasselijke WIJ-norm.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Relatie met Verordening Werkleeraanbod</tussenkop>
        <al>De verordening Werkleeraanbod en de Afstemmingsverordening vormen twee kanten
                    van dezelfde medaille. Aan de ene kant legt de WIJ het college een plicht op om
                    jongeren een werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door de
                    verordening Werkleeraanbod gefaciliteerd. Anderzijds is de jongere verplicht het
                    aanbod te aanvaarden en de verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn
                    gekoppeld na te leven. Komt de jongere die verplichtingen niet na, dan vormt de
                    Afstemmingsverordening het kader voor verlaging van de inkomensvoorziening.
                    Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In de verordening Werkleeraanbod
                    is ook vastgelegd onder welke voorwaarden en omstandigheden tot intrekking van
                    het werkleeraanbod (en daarmee de inkomensvoorziening) kan worden overgegaan. </al>
        <al/>
        <tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving</tussenkop>
        <al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WIJ niet
                    afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat bij wijziging
                    van de definities in de wet ook de verordening aangepast moet worden. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Norm</tussenkop>
        <al>De term norm wordt in deze verordening gebruikt. Daarmee wordt bedoeld het van
                    toepassing zijnde bedrag van de inkomensvoorziening, inclusief de toeslag voor
                    een alleenstaande en of allenstaande ouder of verlaging van het bedrag voor een
                    echtpaar op grond van hoofdstuk 4 van de WIJ. Bij het verlagen van het bedrag
                    voor een echtpaar gaat het uitsluitend om de verlagingen die het gevolg zijn van
                    de toepassing van artikel 31, 32 en 33. Het equivalent in de WWB, de
                    bijstandsnorm (artikel 5, onderdeel c, WWB) is in de WIJ zelf niet opgenomen en
                    gedefinieerd. Wel wordt in de memorie van toelichting tweemaal gesproken van
                    ‘inkomensvoorzieningsnorm’, waarmee kennelijk hetzelfde begrip wordt bedoeld. In
                    artikel 41 WIJ is opgenomen dat het <cursief>bedrag</cursief> van de
                    inkomensvoorziening wordt verlaagd; bedoeld is echter de norm. Omdat hantering
                    van het begrip ‘inkomensvoorzieningsnorm’ of ‘bedrag van de inkomensvoorziening’
                    de leesbaarheid niet ten goede komt, is het begrip ‘norm’ geïntroduceerd.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Benadelingsbedrag</tussenkop>
        <al>Er is een omschrijving van het begrip ‘benadelingsbedrag’ gegeven, omdat dit
                    begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van de maatregel die
                    verbonden is aan de schending van de inlichtingenplicht. Hierbij wordt
                    aangesloten bij de omschrijving van dit begrip in het Boetebesluit
                    socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit Besluit is het begrip
                    ‘benadelingsbedrag’ gedefinieerd voor het opleggen van boetes op grond van een
                    vijftiental socialezekerheidswetten, in verband met schending van de
                    inlichtingenplicht. Onder <cursief>bruto</cursief> benadelingsbedrag wordt
                    tevens verstaan de (inmiddels) afgedragen loonbelasting, premies
                    volksverzekeringen en de vergoeding bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als
                    bedoeld in artikel 54, vierde lid WIJ. Voor zover er ten tijde van het
                    maatregelbesluit nog geen sprake was van afdracht aan belastingen etc.,
                    bijvoorbeeld omdat de teveel verstrekte inkomensvoorziening reeds is
                    terugbetaald in hetzelfde kalenderjaar als waarin de inkomensvoorziening ten
                    onrechte is verstrekt, blijft het benadelingsbedrag uiteraard beperkt tot een
                    netto bedrag. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>Verwezen wordt naar artikel 42 WIJ om aan te geven dat de voorgeschreven
                    verlaging van de inkomensvoorziening niets afdoet aan intrekking van de
                    inkomensvoorziening vanwege intrekking van het werkleeraanbod. Als daartoe wordt
                    besloten, dan is verlaging veelal niet meer aan de orde. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat een op te leggen maatregel
                    afgestemd wordt op de individuele omstandigheden van de jongere en de mate van
                    verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat bij elke op te leggen
                    maatregel nagaan moet worden of gelet op de individuele omstandigheden van de
                    betrokken jongere afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven
                    standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een
                    verzwaring als een matiging betekenen en kan zowel zijn gebaseerd op de ernst
                    van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de
                    jongere afzonderlijk. </al>
        <al/>
        <al>Dit betekent dat bij de beoordeling of een maatregel moet worden opgelegd, en zo
                    ja welke, telkens de volgende stappen moet doorlopen:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>zijn er zeer dringende aanwezig (zie toelichting artikel 6);</al></li>
          <li nr="·"><al>vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li>
          <li nr="·"><al>vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li>
          <li nr="·"><al>vaststellen van de omstandigheden van de jongere.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de
                    mate van de aanwezigheid van dringende reden wordt verwezen naar de toelichting
                    bij artikel 6.</al>
        <al/>
        <al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld aan de orde zijn bij:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals bijvoorbeeld
                            hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard
                            waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al></li>
          <li nr="·"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li>
          <li nr="·"><al>een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid.</al><al/></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 3 De berekeningsgrondslag</tussenkop>
        <al>In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                    over de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een begripsomschrijving en de
                    algemene toelichting. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een maatregel</tussenkop>
        <al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd,
                    vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in
                    het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks
                    voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met name uit het
                    motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een
                    besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (afdeling
                    3.7 Awb ).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5 Horen van belanghebbende</tussenkop>
        <al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12), behalve bij
                    subsidies.</al>
        <al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven.</al>
        <al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 6 Afzien van het opleggen van een maatregel</tussenkop>
        <al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van het
                    opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41, tweede lid, WIJ
                    waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt. </al>
        <al>In individuele omstandigheden kan wegens zeer dringende redenen worden afgezien
                    van het opleggen van een maatregel. Van dringende redenen is sprake als de
                    gevolgen van het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een
                    beoordeling van de situatie van de jongere maar van dringende redenen zal niet
                    snel sprake zijn.</al>
        <al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat afgezien wordt van het opleggen
                    van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 7 Ingangsdatum </tussenkop>
        <al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de WIJ-norm.
                    Verlaging van de WIJ-norm kan in beginsel op twee manieren:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            inkomensvoorziening; of</al></li>
          <li nr="·"><al>door middel van verlaging van de WIJ-norm in de eerstvolgende
                            maand(en).</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de inkomensvoorziening en het terugvorderen van te veel betaalde
                    bedrag aan inkomensvoorziening. Om die reden is in lid 1 van dit artikel
                    vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                    kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                    WIJ-norm.</al>
        <al/>
        <al>Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de inkomensvoorziening reeds
                    beëindigd is, dan biedt lid 2 de mogelijkheid dat met terugwerkende kracht een
                    maatregel wordt opgelegd.Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet
                    (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de
                    uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat
                    geval moet de inkomensvoorziening wel worden herzien en teruggevorderd. Dat is
                    ook nog mogelijk indien de inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de
                    jurisprudentie van de Raad blijkt dat de uiterste begrenzing van de
                    terugwerkende kracht, ligt op het moment waarop de gedraging plaatsgevonden
                    heeft. Wordt een dergelijke maatregel opgelegd, dan moet een tevens besluit tot
                    herziening van de inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde lid, WIJ
                    worden genomen. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 9 Samenloop</tussenkop>
        <al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                    verplichtingen genoemd in de wet (artikelen 44 en 45 WIJ). Indien sprake is van
                    één gedraging die als een schending van meerdere verplichtingen kan worden
                    aangemerkt, dan wordt voor het toepassen van de maatregel uitgegaan van de
                    verplichting waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. </al>
        <al>Is er sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan wordt voor
                    iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage berekend en worden de
                    maatregelen gelijktijdig opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdstuk 3 Hoogte en duur van de maatregel </tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de
                    wet</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 10 Eerste categorie</tussenkop>
        <al>Deze categorie richt zich op:</al>
        <al>·het tijdig op verzoek van de gemeente en of het UWV verstrekken van informatie
                    voor de inkomensvoorziening en of het werkleeraanbod.</al>
        <al>Dit onderdeel wordt bijvoorbeeld toegepast bij het niet of niet tijdig inleveren
                    van rechtmatigheidsformulieren. </al>
        <al>·de verplichting tot het ter inzage verstrekken van een legitimatiebewijs.</al>
        <al>Het gaat in deze categorie om verwijtbare gedragingen die geen invloed hebben
                    gehad op de hoogte van de verstrekte of de te verstrekken inkomensvoorziening en
                    of het werkleeraanbod. Deze gedragingen kunnen veelal eenvoudig “hersteld”
                    worden. </al>
        <tussenkop>Artikel 11 Tweede categorie</tussenkop>
        <al>De tweede categorie richt zich op:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de zogenoemde nulfraude: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                            inlichtingen, zonder dat dit gevolgen heeft voor de hoogte van de
                            inkomensvoorziening. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven van
                            een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens, het niet tijdig melden
                            van vakantie of het niet melden van vrijwilligerswerk.</al></li>
          <li nr="-"><al>de (algemene) medewerkingsverplichting voor de uitvoering van de wet.
                            Deze verplichting heeft zowel betrekking op het werkleeraanbod als de
                            inkomensvoorziening. Zo kan van een jongere verlangd worden, </al><lijst>
              <li nr="-"><al>dat hij aan oproep voldoet om op bepaalde tijd of een bepaalde
                                    plek te verschijnen, </al></li>
              <li nr="-"><al>mee te werken aan medisch onderzoek of een ander onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li>
              <li nr="-"><al>mee te werken aan het opstellen van een plan gericht op
                                    arbeidsinschakeling</al></li>
              <li nr="-"><al>zich te onderwerpen aan een medische behandeling. Het opleggen
                                    van een dergelijke verplichting kan bijvoorbeeld aan de orde
                                    zijn wanneer in de persoon gelegen factoren arbeidsinschakeling
                                    in de weg staan, zoals bij psychische moeilijkheden of
                                    verslavingsproblematiek. De zorgvuldigheid vereist dat in een
                                    dergelijke situatie eerst advies bij een arts wordt
                                    ingewonnen.</al></li>
            </lijst></li>
        </lijst>
        <al>Ook hier gaat het om situaties die zonder directe gevolgen voor het
                    werkleeraanbod en of de inkomensvoorziening hersteld kunnen worden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 12 Derde categorie </tussenkop>
        <al>De derde categorie richt zich op:</al>
        <al>·situaties waarbij iemand niet meewerkt aan het behoud of bevorderen van de
                    arbeidsbekwaamheid. Hierdoor kan iemand bijvoorbeeld langer dan noodzakelijk is,
                    gebruik moeten maken van een werkleeraanbod. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 13 Vierde categorie</tussenkop>
        <al>De vierde categorie richt zich op:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, waarbij de
                            inkomensvoorziening tot een te hoog bedrag is verstrekt en het
                            benadelingsbedrag € 2.000,-- tot € 4.000,-- is. </al></li>
          <li nr="·"><al>Situaties waarbij iemand door zijn gedrag de arbeidsinschakeling en of
                            de uitvoering van het werkleeraanbod bemoeilijkt. Het kan hierbij
                            bijvoorbeeld gaan om het niet of niet voldoende meewerken en of de
                            opgedragen taken niet naar behoren uitvoert.</al><al/></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 14 Vijfde categorie </tussenkop>
        <al>De vijfde categorie heeft betrekking op:</al>
        <al>·het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, waarbij de
                    inkomensvoorziening tot een te hoog bedrag is verstrekt en het benadelingsbedrag
                    € 4.000,-- of meer is.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 15 Zesde categorie</tussenkop>
        <al>Deze categorie richt op het zich ernstig misdragen. Zie ook de Algemene
                    Toelichting op dit onderdeel. </al>
        <al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd.</al>
        <al>De gemeenten kan een maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen de
                    ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het
                    vaststellen van het recht op een werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening.
                    Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                    moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                    houden met de uitvoering van de WIJ. </al>
        <al/>
        <al>Onder zeer ernstige misdragingen kan verstaan worden:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li>
          <li nr="b."><al>discriminatie;</al></li>
        </lijst>
        <lijst>
          <li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li>
        </lijst>
        <lijst>
          <li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li>
          <li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li>
        </lijst>
        <lijst>
          <li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad.</al>
        <al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                    geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                    toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al>
        <al/>
        <al>In artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken over 'het zich jegens het college
                    zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het
                    opleggen van een maatregel. Of dit ook ‘a contrario’ betekent dat geen maatregel
                    kan worden opgelegd als er sprake is van zeer ernstige misdragingen jegens
                    externe uitvoerders van de WIJ, zoals het UWV-WERKbedrijf,
                    re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet duidelijk. De Centrale
                    Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over uitgelaten. Vooralsnog
                    wordt bij de toepassing van deze verordening ervan uitgegaan dat het zich
                    ernstig misdragen jegens een externe uitvoerder maatregelwaardig gedrag is. </al>
        <al/>
        <al>Het komt voor dat het zich ernstig misdragen buiten de kantoorlocaties van de
                    gemeente plaatsvindt. Ook in een dergelijke situaties wordt het gedrag als
                    maatregelwaardig gezien.</al>
        <al/>
        <al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doet bij de politie.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>