<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR327065_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-04-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.overheid.nl">Gemeenteblad Boekel, d.d. 1 april 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Wet werk en bijstand, artikel 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=9a">Wet werk en bijstand, artikel 9a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18">Wet werk en bijstand, artikel 18</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-02-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-04-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z/023320 AB/12348</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Boekel;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 januari
                        2014</al><al>gelet op:</al><al>artikel 8, lid 1, onderdelen b, h en i, artikel 9a, lid 12 en artikel 18
                        lid 1, 2 en 3 van de Wet werk en bijstand, en artikel 20 en 35 van de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers en artikel 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al><vet>BESLUIT</vet>:</al><al>vast te stellen de navolgende </al><al><vet>Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2014</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>– Begripsbepalingen</titel></kop><al>1.In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="7*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="61*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.<cursief>Afstemming</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Verlaging van de uitkering op grond van artikel 18,
                                                lid 2 WWB, verlaging van de uitkering op grond van
                                                artikel 20, lid 2 IOAW of artikel 20, lid 1 IOAZ,
                                                evenals het tijdelijk geheel of gedeeltelijk
                                                weigeren van een uitkering op grind van artikel 20,
                                                lid 1 IOAW en artikel 20, lid 2 IOAZ;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.<cursief>Bbz</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.<cursief>Bijstand</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>De bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2
                                                en 3 van de WWB;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.<cursief>College</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Het college van burgemeester en wethouders;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.<cursief>Grondslag</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Toepasselijke grondslag, als bedoeld in artikel 5,
                                                lid 3, 4 en 5, IOAW of artikel 5, lid 4 IOAZ;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.<cursief>IOAW</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.<cursief>IOAZ</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h.<cursief>Reïntegratievoorziening</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Een voorziening, gericht op het vergroten van de
                                                mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of
                                                participatie;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i.<cursief>Uitkering</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Bijstandsuitkering of uitkering als bedoeld in
                                                artikel 9 IOAW of IOAZ;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j.<cursief>WI</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet Inburgering;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k.<cursief>WWB</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Wet werk en bijstand</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.Alle begrippen die verder in deze verordening gebruikt worden en die
                            niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB,
                            Bbz, IOAW, IOAZ, WI en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>– Het verlagen van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als belanghebbende naar het oordeel van het college voor de
                                toepassing van de WWB tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                toont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de WWB, Bbz,
                                IOAW of IOAZ voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende
                                nakomt, waaronder begrepen het zich tegenover het college zeer
                                ernstig misdragen, doch met uitzondering van artikel 17, lid 1 WWB
                                en artikel 13, lid 1 IOAW of IOAZ, wordt in overeenstemming met deze
                                verordening de uitkering verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>– Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de bijstand of de grondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 kan de verlaging ook worden toegepast op de
                                bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 WWB; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 kan de verlaging ook worden toegepast op de
                                bijzondere bijstand voor woonkosten en premie
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand
                                voor levensonderhoud op grond van de Bbz ontvangen, of hebben
                                ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>– Afzien van verlaging van de uitkering</titel></kop><al>Het college ziet af van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan zes maanden vóór constatering van die
                                    gedraging door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>– Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging gaat in met ingang van de eerst volgende kalendermaand
                                volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging aan
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor
                                die maand geldende bijstandsnorm of grondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 kan de verlaging met terugwerkende kracht
                                worden toegepast, voor zover de uitkering nog niets is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een verlaging wordt voor bepaalde tijd toegepast. Een verlaging die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt toegepast, word
                                uiteindelijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd,
                                heroverwogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>– Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, lid 1, inhouden, wordt voor het bepalen van de
                            hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarvoor de
                            hoogste verlaging geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>– Gedragingen</titel></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 18, lid 2 WWB, artikel 20 IOAW of
                            artikel 20 IOAZ worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al><cursief>1.</cursief><cursief> Eerste categorie:</cursief></al><al>a.het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde
                            termijn nakomen van de medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17, lid 2
                            WWB, artikel 38, lid 2 Bbz of artikel 13, lid 2 IOAW of IOAZ, en indien
                            van toepassing mede als bedoeld in artikel 25 WI.</al><al><cursief>2.</cursief><cursief> Tweede categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend voor zover de WWB van toepassing is, het blijk geven
                                    van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, lid 2 WWB,
                                    voor zover het niet betreft het door eigen toedoen niet behouden
                                    van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), als daardoor
                                    de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling aantoonbaar wordt
                                    belemmerd;</al></li><li nr="c."><al>het onverantwoord interen van vermogen waardoor eerder een
                                    beroep op bijstand wordt gedaan, doordat verwijtbaar niet of
                                    niet meer over middelen wordt beschikt.</al></li></lijst><al><cursief>3. </cursief><cursief> Derde categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in
                                    dienstbetrekking te verkrijgen, waaronder begrepen voor personen
                                    jonger dan 27 jaar het niet nakomen van verplichting om werk te
                                    zoeken tijdens de zoektijd als bedoeld in artikel 7 WWB;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik
                                    maken van reïntegratievoor-zieningen, waaronder begrepen het
                                    niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de
                                    mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of participatie,
                                    of aan een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a WWB, voor
                                    zover dit <onderstreept>niet heeft geleid</onderstreept> tot het
                                    geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het
                                    reïntegratietraject;</al></li><li nr="c."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                    verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, onderdeel b
                                    respectievelijk artikel 37, lid 1, onderdeel e IOAW of IOAZ niet
                                    te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                    ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder
                                    zoals bedoeld in artikel 9a, lid 1 WWB respectievelijk artikel
                                    38, lid 1 IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>het niet of in onvoldoende mate verrichten van door het college
                                    opgedragen maatschappelijke nuttige activiteiten als
                                    tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1,
                                    onderdeel c WWB respectievelijk artikel 37, lid 1, onderdeel f
                                    IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>uitsluitende voor zover de WWB van toepassing is, het niet of
                                    onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in
                                    hoofdstuk 6, paragraaf 3 WWB.</al></li></lijst><al><cursief>4.</cursief><cursief> Vierde categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend voor de toepassing van de WWB, het blijk geven van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, lid 2 WWB,
                                    voor zover het betreft het door eigen toedoen niet behouden van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en tevens
                                    uitsluitend voor de toepassing van de IOAW of IOAZ, als het een
                                    verwijtbare beëindiging van de dienstbetrekking als bedoeld in
                                    artikel 20 IOAW of IOAZ betreft;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik
                                    maken van reïntegratievoor-zieningen, waaronder begrepen het
                                    niet of onvoldoende meewerken aan de mogelijkheden tot
                                    arbeidsinschakeling, scholing of participatie of aan een plan
                                    van aanpak als bedoeld in artikel 44a WWB, als dit heeft geleid
                                    tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van
                                    het reïntegratietraject;</al></li><li nr="d."><al>het zich zeer ernstig misdragen tegen het college en de in haar
                                    opdracht werkende ambtenaren en medewerkers onder omstandigheden
                                    die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB,
                                    Bbz, IOAW of IOAZ.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>– Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, lid 2, wordt de verlaging vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstand of grondslag gedurende één
                                        maand bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstand of grondslag gedurende één
                                        maand bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>veertig procent van de bijstand of grondslag gedurende één
                                        maand bij gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstand of grondslag gedurende één
                                        maand bij gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de verlaging als bedoeld in lid 1 wordt verdubbeld,
                                als belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de verzenddatum van
                                een besluit waarbij een verlaging is toegepast, opnieuw schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval er sprake is van een verwijtbare gedraging als bedoeld in
                                lid 1 onderdeel d wordt de duur van de verlaging verdubbeld, als
                                belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de verzenddatum van een
                                besluit waarbij een verlaging is toegepast, opnieuw schuldig maakt
                                aan een verwijtbare gedraging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt bij onverantwoord interen van vermogen
                                een verlaging toegepast van twintig procent gedurende het aantal
                                maanden dat eerder beroep op bijstand is gedaan dan wanneer de
                                verwijtbare gedraging niet had plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan volstaan met het geven van een schriftelijke
                                waarschuwing of de afstemming vaststellen voor een kortere of
                                langere duur of met een hoger of lager percentage, als de ernst van
                                de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van
                                belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>– Verlaging bij verlies van een passende en toereikende
                                voorliggende voorziening door toepassing van een bestuurlijke
                                boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 7 en 8 wordt, als
                                belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een passende en
                                toereikende voorliggende voorziening - omdat deze volledig wordt
                                verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenplicht - de verlaging
                                vastgesteld op 100 procent gedurende de eerste drie maanden gerekend
                                vanaf de start van de verrekening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt de verlaging in de
                                tweede en derde maand gerekend vanaf de start van de verrekening
                                vastgesteld op 20 procent, als belanghebbende(n) redelijkerwijs niet
                                kan beschikken over gelden van ten minste driemaal de toepasselijke
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>– Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening WWB,
                            Bbz, IOAW en IOAZ 2014.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>– Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2014 en werkt
                                    terug tot 1 januari 2014.</al></li><li nr="2."><al>De eerder vastgestelde Afstemmingsverordening WWB, IOAW, IOAZ en
                                    Bbz 2013 vervalt bij inwerkingtreding van deze verordening.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van</ondertekening><ondertekening>de raad van de gemeente Boekel, gehouden op 20 februari 2014</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>M.R.P. Philipse P.M.J.H. Bos</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al><vet>De regeling in de Wet werk en bijstand (WWB)</vet></al><al>Uit artikel 8, lid 1 WWB vloeit voort dat de gemeenteraad een
                            verordening vaststelt voor het verlagen van de uitkering, bedoeld in
                            artikel 18, lid 2 WWB. In lid 1 van artikel 18 wordt gesproken over het
                            afstemmen van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen op de
                            omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende. In deze
                            bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de
                            uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de belanghebbenden
                            maatwerk is, waarbij recht wordt gedaan aan de individuele situatie en
                            de persoonlijke omstandigheden.</al><al>In lid 2 wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en
                            verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is
                            altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk
                            van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de
                            hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                            uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van belanghebbende, maar ook
                            van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer
                            het college tot het oordeel komt dat een belanghebbende zijn
                            verplichtingen niet of in onvoldoende mate waarin de opgelegde
                            verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel
                            komt dat belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate
                            nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een
                            bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een verlaging.
                            Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden in overeenstemming met een
                            door de gemeenteraad vast te stellen verordening; dit is de
                            Afstemmingsverordening.</al><al><vet>De regeling in de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en in de Wet
                                Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                </vet><vet>gewezen zelfstandigen (IOAZ)</vet></al><al>De financiering van de IOAW en IOAZ is gebundeld in het Inkomensdeel
                            (I-deel) WWB. Aangezien de IOAW en de IOAZ gebudgetteerd worden via het
                            I-deel, ligt het voor de hand om de beleidsinvloeden op de IOAW en de
                            IOAZ gelijk te schakelen met die van de WWB. Dat betekent onder meer dat
                            een aantal wettelijke verplichte bepalingen omgezet worden in
                            bevoegdheden van het college. Evenals dat in de WWB het geval is. Een
                            aantal wettelijke verplichtingen heeft betrekking op het treffen van een
                            afstemming, wanneer belanghebbende niet voldoet aan de bij de uitkering
                            opgelegde verplichtingen, zijn inlichtingenplicht schendt, of zich
                            tegenover het college ernstig misdraagt.</al><al>Het is van belang het toepassen van een verlaging en het opleggen van
                            (tijdelijke) weigering van uitkering dezelfde inhoud te geven. De
                            Afstemmingsverordening en de regels die daarin staan zijn daarom ook van
                            toepassing op de IOAW en de IOAZ. </al><al>In de verordening is geregeld dat het college de uitkering alleen
                            tijdelijk weigert. Dit om nadelige gevolgen van blijvende weigering van
                            de uitkering voor belanghebbende te voorkomen. Blijvende (gehele of
                            gedeeltelijke) weigering van de uitkering, zou veelal leiden tot een
                            beroep op (aanvullende) WWB.</al><al><vet>De relatie met het Bbz</vet></al><al>In artikel 7 van de invoeringswet WWB wordt het Besluit
                            bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) gekoppeld aan de WWB. De
                            artikelen 18, lid 2 en 3 en artikel 53a WWB zijn, voor zover het betreft
                            zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f WWB, in werking getreden met
                            ingang van 1 juli 2011 (Staatsblad 2010, 839). Deze
                            Afstemmingsverordening is ook op het Bbz van toepassing.</al><al>Het gaat hierbij enerzijds om de verlening van algemene bijstand voor
                            levensonderhoud, en de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor hoge
                            woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het gaat
                            daarnaast ook om de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 7 van deze
                            verordening. Dit betreft de verplichting, opgenomen in artikel 38, lid 2
                            Bbz: De zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend is verplicht naar
                            behoren een administratie te voeren en deze op eigen initiatief binnen
                            zes maanden na afloop van het boekjaar waarin bijstand is verleend, te
                            overleggen. Die plicht geldt ook als om de administratie wordt gevraagd,
                            bijvoorbeeld om de bedrijfsontwikkeling te beoordelen, als verlenging
                            van de uitkeringstermijn aan de orde is. Een verdere aanpassing is niet
                            nodig. Immers, voor zelfstandigen die een uitkering krachtens het Bbz
                            ontvangen of hebben ontvangen, gelden ook de algemene informatieplicht
                            en de medewerkingsplicht.</al><al>Ten aanzien van de in artikel 7 van de verordening opgenomen gedragingen
                            en afstemmingen, met betrekking tot de verplichtingen, gericht op het
                            verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, geldt voor zelfstandigen
                            en hun partners nog het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>De in artikel 9 en 10 WWB opgenomen verplichtingen gelden alleen
                                    voor de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van
                                    arbeid, maar die ten minste zes maanden zijn bedrijf of
                                    zelfstandig beroep niet kan uitoefenen (artikel 38, lid 3
                                    Bbz).</al></li><li nr="-"><al>De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 WWB kunnen aan de
                                    partner van de zelfstandige alleen worden opgelegd, voor zover
                                    die partner tevens rechthebbende is voor de WWB en niet zelf een
                                    zelfstandige in de zin van het Bbz is, of fulltime meewerkt in
                                    het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige. Uiteraard
                                    kan ook bij minder rekening worden gehouden met de meewerkuren
                                    in het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige.</al></li></lijst><al>De overige gedragingen die kunnen leiden tot een verlaging (o.a.
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zeer ernstige
                            misdragingen) zijn ook voor het Bbz gedragingen die kunnen leiden tot
                            een verlaging. Artikel 18, lid 2 WWB is onverkort van toepassing op het
                            Bbz. Het Bbz gaat primair uit van de eigen verantwoordelijkheid van de
                            zelfstandige. Een zelfstandige die verwijtbaar geen
                            arbeidsongeschiktheidsverzekering of een verzekering met een te lage
                            dekking of te lange wachttijd heeft afgesloten en die bij
                            ziekte/arbeidsongeschiktheid een beroep doet op bijstand (Bbz), heeft
                            een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            bestaansvoorziening betoond. Dan kan, als uitkering wordt verleend omdat
                            aan de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op uitkering is
                            voldaan, een verlaging aan de orde zijn. Bij beëindigende zelfstandigen
                            als bedoeld in het Bbz, moet worden beoordeeld of de noodzakelijke
                            beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf is veroorzaakt
                            door verwijtbaar gedrag. Als daarvan sprake is, is een verlaging wegens
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            bestaansvoorziening mogelijk.</al><al><vet>Wetswijziging Wet werk en bijstand (WWB) 1 januari 2013</vet></al><al>Per 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhavings- en sanctiebeleid
                            SZW wetgeving in werking getreden. Met de wet krijgt het college de
                            plicht om een boete op te leggen als er sprake is van schending van de
                            inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid om een verlaging toe te
                            passen bij schending van de inlichtingenplicht is vervallen.</al><al><vet>De term ‘Afstemming’</vet></al><al>Het verlagen van de uitkering op grond van het feit dat belanghebbende
                            zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in
                            de terminologie van de WWB, IOAW en IOAZ aangeduid als het afstemmen van
                            de uitkering op de mate waarin belanghebbende de opgelegde
                            verplichtingen nakomt. Met het begrip ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt
                            van de WWB, IOAW en IOAZ benadrukt dat rechten en plichten één kant van
                            dezelfde medaille vormen. We duiden de verordening daarom aan als
                            Afstemmingsverordening. </al><al>Op grond van artikel 18, lid 2 WWB kan zowel de algemene bijstand als de
                            bijzondere bijstand worden verlaagd. Gezien het karakter van de
                            bijzondere bijstand, ligt de verlaging van het uitkeringsbedrag wegens
                            schending van een of meer verplichtingen bij uitvoering van de
                            bijzondere bijstand niet voor de hand. Wel kan bij de beoordeling of
                            iemand in aanmerking komt voor bijzondere bijstand een rol spelen of
                            belanghebbende zijn verplichtingen in voldoende mate is nagekomen. Dit
                            geldt dan vooral voor de plicht om voldoende besef van
                            verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan.</al><al>De rechtsgrond voor het verlagen of (tijdelijk) weigeren van een
                            uitkering op grond van de IOAW en de IOAZ ligt in artikel 20 van die
                            wetten. Voor wat betreft de IOAW en de IOAZ geldt dat de uitkeringen op
                            grond van die wetten gebaseerd zijn op bruto grondslagen en niet op
                            netto bijstandsnormen. De grondslagen IOAW en IOAZ zijn echter dusdanig
                            vastgesteld dat zij netto gelijk zijn aan de vergelijkbare
                            WWB-uitkering. Het effect van een verlaging is qua nettobedrag daarom
                            hetzelfde.</al><al><vet>De relatie met de Reïntegratieverordening</vet></al><al>De gemeenteraad heeft ook een Reïntegratieverordening In deze
                            verordening is vastgelegd hoe belanghebbenden worden ondersteund bij de
                            arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen zijn: werk met behoud
                            van uitkering, proefplaatsing, scholing, loonkostensubsidie,
                            gesubsidieerde arbeid, activering (vrijwilligerswerk), inburgering,
                            premies, kinderopvang en stages. </al><al>In beginsel wordt aan iedere belanghebbende arbeidsverplichtingen
                            opgelegd, en worden deze vastgelegd in een individueel besluit.</al><al>Als belanghebbende de verplichtingen niet nakomt, kan dit toe een
                            verlaging leiden, waarvoor de basis is gelegd in de
                            Afstemmingsverordening. Deze is van toepassing op zowel belanghebbenden
                            met een WWB-uitkering, Bbz-uitkering als belanghebbenden met een IOAW-
                            of IOAZ-uitkering.</al><al><vet>De relatie </vet><vet>met de Verordening Wet Inburgering</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2013 is het college alleen nog verantwoordelijk
                            voor de volgende groepen inburgeringsplichtigen:</al><lijst><li nr="a."><al>Inburgeringsplichtigen die vóór 31 december 2012 een door de
                                    gemeente aangeboden inburgeringstraject volgden of zelfstandig
                                    inburgerden en door de gemeente gehandhaafd werden. Deze groepen
                                    inburgeraars vallen onder het zogenoemde “overgangsrecht”.</al></li><li nr="b."><al>Asielgerechtigden die vóór 31 december 2012 een
                                    verblijfsvergunning hebben gekregen en zich ná 1 januari 2013 in
                                    de gemeente gevestigd hebben.</al></li></lijst><al>Als er sprake is van samenloop van gedragingen zal alleen ten aanzien
                            van de inburgeringsplichtige uitkeringsgerechtigde, die tot deze twee
                            groepen behoort, nog toepassing kunnen worden gegeven aan deze
                            Afstemmingsverordening. Op andere inburgeringsplichtigen is deze
                            verordening met ingang van 1 januari 2013 niet meer van toepassing als
                            gevolg van de gewijzigde Wet Inburgering.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>– Begripsomschrijving</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele begripsomschrijvingen. Onder bijstand wordt in
                            deze verordening uitdrukkelijk verstaan de toepasselijke norm plus
                            eventuele toeslag of verlaging (inclusief vakantietoeslag). Verder kent
                            deze verordening het begrip grondslag voor wat betreft de IOAW en IOAZ.
                            Dat komt overeen met wat hieromtrent is bepaald in de IOAW en IOAZ. Deze
                            beide uitkeringen kennen een bruto berekeningssystematiek, waarbij de
                            grondslagen zodanig zijn vastgesteld dat zij netto gelijk zijn aan de
                            vergelijkbare WWB-uitkering. In de IOAW en IOAZ bestaan geen
                            afzonderlijke grondslagen voor personen die een woning met anderen delen
                            (en geen gezamenlijke huishouding voeren).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>– Het verlagen van de uitkering</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De toepasselijke wetten WWB, IOAW en IOAZ verbinden aan het recht op
                            uitkering de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening van het bestaan (artikel 18, lid 2). In de WWB kan
                                    de bijstand verlaagd worden als er sprake is van een
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. In de IOAW en de
                                    IOAZ ontbreekt dat. Daarom kan er op die grond geen verlaging of
                                    weigering van IOAW of IOAZ uitkering plaatsvinden.</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB en artikel 37
                                    IOAW of IOAZ). Deze plicht bestaat uit verschillende soorten
                                    verplichtingen, zoals:</al><lijst><li nr="a."><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid
                                            te verkrijgen en deze te aanvaarden, en na te laten wat
                                            de arbeidsinschakeling belemmert;</al></li><li nr="b."><al>de plicht gebruik te maken van een door het college
                                            aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                            arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zijn nader
                                            uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn
                                            toegesneden op de situatie en mogelijkheden van
                                            belanghebbende. De Reïntegratieverordening, vormt de
                                            juridische basis voor het opleggen van de specifieke
                                            verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. Deze
                                            verplichtingen worden in het toekenningsbesluit
                                            opgenomen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, lid 2 WWB, artikel 38, lid 2
                                    Bbz en artikel 13, lid 2 IOAW of IOAZ). Dit is de plicht van
                                    belanghebbenden om desgevraagd het college de medewerking te
                                    verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de
                                    wet. De medewerkeringsplicht kan uit allerlei concrete
                                    verplichtingen bestaan, zoals;</al><lijst><li nr="a."><al>het toestaan van een huisbezoek (in overeenstemming en
                                            met inachtneming van de wettelijke regels rond
                                            huisbezoeken en het Protocol Huisbezoeken);</al></li><li nr="b."><al>het meewerken aan een medische keuring of psychologisch
                                            onderzoek;</al></li><li nr="c."><al>artikel 18, lid 2 WWB, artikel 20, lid 2 IOAW of artikel
                                            20, lid 1 IOAZ noemt een gedraging diein ieder geval een
                                            schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich
                                            tegenover het college zeer ernstig misdragen’;</al></li><li nr="d."><al>de plicht van een zelfstandige aan wie bijstand wordt
                                            verleend om naar behoren een administratie te
                                            voeren.</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In deze Afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een verplichting betekenen, standaardafstemming
                            vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de
                            uitkering.</al><al>In lid 2 is de hoofdregel neergelegd: het college moet een verlaging
                            afstemmen op de individuele omstandigheden van belanghebbende en de mate
                            van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college
                            zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de
                            belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven
                            standaardverlaging geboden is. Afwijking van de standaardverlaging kan
                            zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet
                            worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                            doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="-"><al>stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="-"><al>stap 3: vaststellen van de omstandigheden van
                                    belanghebbende.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                            categorie-aanduiding (artikel 7 van de verordening) en het
                            standaardpercentage (artikel 8 van de verordening) waarmee de uitkering
                            wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                            verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4.
                            Matiging wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de
                            volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>een bijzondere financiële positie van belanghebbende, zoals hoge
                                    woonlasten of andere vaste lasten of (extra of incidentele)
                                    uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële
                                    tegemoetkoming mogelijk is, of (omvangrijke) problematische
                                    schulden;</al></li><li nr="-"><al>sociale en/of gezinsomstandigheden;</al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van verlagingen: de zwaarte van het
                                    geheel is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de
                                    mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst><al><vet><cursief>Besluit tot afstemming</cursief></vet></al><al>Het verlagen van de uitkering vindt plaats door middel van een besluit.
                            In het besluit worden in ieder geval vermeldt: de reden van de
                            verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de bijstand
                            of grondslag wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand of grondslag
                            wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van
                            een standaardafstemming.</al><al>Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                            (Awb) en dan vooral het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste
                            houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en ook van een
                            deugdelijke motivering wordt voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>– De berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                            toegepast op de bijstandsnorm of de grondslag. Onder de bijstandsnorm
                            wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief vakantietoeslag. De
                            grondslagen van de IOAW en IOAZ zijn zodanig vastgesteld dat zij netto
                            gelijk zijn aan vergelijkbare uitkeringen op grond van de WWB.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarige alleenstaanden en alleenstaande ouders
                            ontvangen een lage norm, die indien noodzakelijk – wanneer zij voor de
                            noodzakelijke kosten van het bestaan geen beroep kunnen doen op de
                            onderhoudsplicht van de ouders – wordt aangevuld door middel van
                            aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud.</al><al>Wanneer in een dergelijk geval de verlaging vervolgens alleen op de lage
                            norm zou worden toegepast, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten
                            opzichte van 21-jarigen.</al><al>Met de intrekking per 1 januari 2012 van de Wet investeren in jongeren
                            (WIJ) valt dit weer onder deze Afstemmingsverordening.</al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in
                            incidentele gevallen een verlaging toegepast op de bijzondere bijstand,
                            waaronder de langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan
                            tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere
                            bijstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>– Afzien van verlaging van de uitkering</titel></kop><al>Het afzien van verlaging van de uitkering ‘indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, lid 2 WWB,
                            artikel 20, lid 3 IOAW en artikel 20, lid 3 IOAZ. Dit wordt op
                            individuele gronden bezien.</al><al>Een andere reden om af te zien van de verlaging is dat de gedraging te
                            lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                            effectiviteit (lik op stuk) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat
                            de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden wordt
                            onder b. geregeld dat het college geen verlaging toepast voor
                            gedragingen die langer dan zes maanden geleden hebben
                            plaatsgevonden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>– Ingangsdatum en tijdsvak</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het opleggen van een afstemming vindt plaats door het verlagen van de
                            uitkering. Verlaging van de uitkering kan op twee manieren:</al><lijst><li nr="a."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                    uitkering; of</al></li><li nr="b."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                    eerstvolgende maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode. In dat geval hoeft niet te worden
                            overgegaan tot herziening en terugvordering van het te veel betaalde
                            bedrag aan bijstand. Om die reden is in lid 1 vastgelegd dat een
                            verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand,
                            waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm of
                            grondslag.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan belanghebbende is
                            uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering in
                            te houden op het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval
                            moet de bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit lid regelt dat een verlaging voor bepaalde tijd wordt opgelegd.</al><al>Door een verlaging voor een bepaalde periode toe te passen, weet de
                            belanghebbende die met een verlaging wordt geconfronteerd waar hij aan
                            toe is. Het college kan na afloop van de periode waarover de verlaging
                            heeft plaatsgevonden opnieuw een verlaging toepassen. Hiervoor is dan
                            wel weer een apart besluit nodig. Wordt een verlaging voor een langere
                            duur dan drie maanden toegepast, dan zal het college de verlaging aan
                            een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in artikel 18,
                            lid 3 WWB. De IOAW en IOAZ kennen een soortgelijke verplichting niet,
                            maar gelet op uniformiteit, geldt deze heroverweging op grond van deze
                            verordening ook voor een verlaging bij de IOAW en IOAZ.</al><al>Herbeoordeling van een verlaging voor een langere duur dan drie maanden
                            moet plaatsvinden binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij
                            een dergelijke beoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden
                            genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                            het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het
                            college moet beoordelen of het redelijk is dat de toegepaste verlaging
                            wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden
                            waarin belanghebbende verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende
                            persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet. Belanghebbende wordt met
                            een besluit geïnformeerd over het ingenomen standpunt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>– Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van een belanghebbende die gelijktijdig
                            plaatsvinden. Met gelijktijdig wordt bedoeld, op hetzelfde moment en/of
                            in een betrekkelijk korte periode na elkaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>– Gedragingen</titel></kop><al>De artikelen 7 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. De
                            verwijtbare gedragingen zijn ondergebracht in categorieën, waaraan een
                            gewicht is toegekend in de vorm van een verlagingspercentage (in artikel
                            8).</al><al>De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. De gedragingen
                            welke direct betrekking hebben op verplichtingen in het kader van de
                            inschakeling in de arbeid (met uitzondering van het niet ingeschreven
                            zijn als werkzoekende) zijn ondergebracht in de twee zwaarste
                            categorieën (categorie 3 en 4). Dit vanwege het belang dat wordt gehecht
                            aan arbeidsinschakeling.</al><al><cursief>1.</cursief><cursief> Eerste categorie</cursief></al><al>a.Deze bepaling doelt op schendingen van de algemene, uit de wet
                            voortvloeiende, medewerkingsplicht. Belanghebbende is verplicht aan het
                            college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig
                            is voor de uitvoering van de wet.</al><al>a. Ook wordt hiertoe gerekend de verplichting die een
                            uitkeringsgerechtigde WWB, IOAW of IOAZ mede kan hebben, om te
                            verschijnen op oproepen en om gegevens te verstrekken die voor een
                            onderzoek naar diens inburgeringsplichtigheid van belang zijn als
                            bedoeld in artikel 25 WI. Het niet nakomen van deze verplichtingen
                            bemoeilijkt immers ook de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling,
                            scholing of participatie van belanghebbende.</al><al>Het niet meewerken aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te
                            verschijnen in verband met de arbeidsverplichting of het niet meewerken
                            aan een onderzoek naar de voortgang van een aangeboden voorziening is
                            geregeld in de derde en vierde categorie. (Herhaaldelijk) geen gehoor
                            geven aan oproepen voor arbeidsinschakeling kan niet worden bestraft met
                            beëindiging van de uitkering, maar alleen met een verlaging in
                            overeenstemming met deze verordening. Hiertoe zijn in deze verordening
                            in de derde en vierde categorie verlagingen opgenomen van 40% en 100%
                            gedurende één maand. Dit geeft de mogelijkheid om ook ten aanzien van
                            doelmatigheid actiever te kunnen handhaven en een beter lik-op-stuk
                            beleid te kunnen voeren.</al><al><cursief>2.</cursief><cursief> Tweede categorie</cursief></al><al>a.Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft direct gevolgen
                            voor de hoogte of de duur van de aanspraak op bijstand, bijvoorbeeld
                            wanneer iemand door eigen schuld het recht op een voorliggende
                            voorziening verspeelt en daardoor (eerder) in bijstandsbehoeftige
                            omstandigheden komt te verkeren. Van tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid is ook sprake als iemand door eigen toedoen het
                            recht op WW verliest (bijvoorbeeld door niet tijdig na ontslag WW aan te
                            vragen) of naderhand ontvangen middelen op onverantwoorde wijze heeft
                            ingeteerd. Hiertoe kan ook worden gerekend het niet nakomen van de
                            verplichting om een alimentatievordering in te stellen.</al><al>Een bijzondere situatie van tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan is het door
                            eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Die
                            verwijtbare gedraging is in het kader van deze verordening ingedeeld in
                            de vierde categorie.</al><al>De afstemming bij verlies van een passende en toereikende voorziening
                            door toepassing van een bestuurlijke boete, als gevolg van de
                            inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid
                            SZW-wetgeving, is apart geregeld in artikel 9 van deze verordening.</al><al>Anders dan de WWB, kennen de IOAW en IOAZ tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid niet als afstemmingswaardige gedraging.</al><lijst><li nr="b."><al>WWB, IOAW en IOAZ hechten een groot belang aan de plicht tot
                                    arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB, artikel 37 IOAW of IOAZ). Om
                                    voor actieve bemiddeling door het UWV in aanmerking te komen is
                                    registratie als werkzoekende onontbeerlijk. Uit de
                                    uitvoeringspraktijk blijkt dat het niet ingeschreven staan
                                    echter meestal van korte duur is en zonder gevolgen blijft.
                                    Daarom wordt deze gedraging alleen verwijtbaar geacht als het
                                    niet bij het UWV ingeschreven staan betrekking heeft op een
                                    periode van tenminste 1 maand of, bij een kortere periode, als
                                    daardoor de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling aantoonbaar
                                    zijn belemmerd.</al></li><li nr="c."><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan kan bestaan uit het veel te snel
                                    interen van vermogen. Bij deze beoordeling wordt onder
                                    verantwoorde besteding verstaan 1 ½ maal de toepasselijke
                                    bijstandsnorm per maand.</al></li></lijst><al><cursief>3.</cursief><cursief> Derde categorie</cursief></al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding
                            vormen tot een beroep op uitkering of het zonder noodzaak langer
                            voortduren daarvan.</al><lijst><li nr="a."><al>Het betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                                    arbeidsmarkt. Belanghebbende heeft zelf de verantwoordelijkheid
                                    om in eerste instantie op eigen kracht aan het werk te komen dan
                                    wel aan het werk te blijven, zonder dat een voorziening tot
                                    arbeidsinschakeling wordt aangeboden.</al><al> Dit heeft ten eerste betrekking op de actieve
                                    sollicitatieplicht. Belanghebbende is verplicht een minimaal
                                    aantal sollicitaties te verrichten en hiervan op verzoek de
                                    bewijsstukken te tonen. Het exacte minimum aantal verplichte
                                    sollicitaties zal onder andere afhangen van het aanbod van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid. Met de enkele mededeling van
                                    mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen
                                    genomen, tenzij kan worden geverifieerd dat deze ook
                                    daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.</al><al> Hieronder valt ook de eventuele zoektijd die aan belanghebbende
                                    kan zijn opgelegd, of de zoektijd van personen jonger dan 27
                                    jaar, die per 1 januari 2012 is ingevoerd in artikel 7 WWB.
                                    Daarin is bepaald dat het college de bijstand verlaagt als de
                                    alleenstaande (ouder) of de persoon jonger dan 27 jaar in de
                                    vier weken voorafgaand aan de aanvraag niet voldoende aan zijn
                                    verplichting om werk te vinden heeft voldaan.</al><al> Bij het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                    arbeid te verkrijgen kan het daarnaast gaan om het stellen van
                                    niet verantwoorde eisen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid
                                    en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                                    verminderen.</al><al> Van het stellen van onredelijke eisen ten aanzien van
                                    aanvaardbare arbeid is bijvoorbeeld sprake wanneer
                                    belanghebbenden met een lage opleiding uitsluitend op hoog
                                    gekwalificeerde banen solliciteren. Van gedragingen die de
                                    kansen op arbeidsinschakeling verminderen is ook sprake als
                                    belanghebbende niet op afspraken of uitnodigingen verschijnt bij
                                    de gemeente, Optimisd, UWV of een andere (externe) organisatie
                                    gericht op arbeidsinschakeling, om de door de belanghebbende
                                    zelf ondernomen activiteiten te beoordelen. Ook vallen hieronder
                                    belanghebbenden, die door hun gedrag of kleding hun feitelijke
                                    kansen op arbeidsinschakeling belemmeren.</al></li><li nr="b."><al>Aan belanghebbende, die niet in staat is (gebleken) om op eigen
                                    kracht weer in het levensonderhoud te voorzien, wordt de
                                    verplichting opgelegd mee te werken aan onderzoek naar
                                    mogelijkheden of om deel te nemen aan een concreet aangeboden
                                    traject dat uiteindelijk moet leiden tot arbeidsinschakeling,
                                    participatie of uitstroom. De arbeidsinschakeling wordt direct
                                    geschaad, wanneer belanghebbende deze verplichting niet of
                                    onvoldoende nakomt. Dat heeft immers gevolgen voor de duur van
                                    de aanspraak op uitkering en leidt tot vertraging van
                                    uitstroommogelijkheden.</al><al> Het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichting om
                                    gebruik te maken van aangeboden reïntegratievoorzieningen wordt
                                    als relatief zware verwijtbare gedraging gezien. De gedragingen
                                    in deze categorie hebben echter niet tot gevolg dat het traject
                                    (definitief) geen doorgang vindt of moet worden beëindigd.</al><al> Van onvoldoende nakomen van de verplichtingen of onvoldoende
                                    medewerking is ook hier sprake als belanghebbende niet
                                    verschijnt op afspraken of uitnodigingen bij de gemeente,
                                    Optimisd, UWV, het reïntegratiebedrijf of een andere (externe)
                                    organisatie in het kader van reïntegratie, als belanghebbende
                                    opdrachten – bijvoorbeeld in verband met scholing – niet naar
                                    behoren uitvoert of als belanghebbende zich niet coöperatief
                                    opstelt bij het onderzoek en het gebruik van de aangeboden
                                    voorzieningen.</al><al> Andere voorbeelden zijn: onvoldoende meewerken aan het
                                    opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak met
                                    betrekking tot arbeidsinschakeling (als bedoeld in artikel 44a
                                    WWB), niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen
                                    van arbeidsbekwaamheid of het nalaten opgedragen werkzaamheden
                                    of activiteiten naar beste vermogen te verrichten.</al><al> Als een langdurig verblijf in het buitenland negatieve gevolgen
                                    heeft gehad voor de kansen op arbeidsinschakeling en
                                    re-integratie, kan eveneens een verlaging worden toegepast op de
                                    uitkering, wegens het niet nakomen van de arbeids- en
                                    re-integratie verplichting.</al><al> Van verwijtbaar gedrag in deze categorie is ook sprake als een
                                    uitkeringsgerechtigde WWB, IOAW of IOAZ die ook
                                    inburgeringsplichtig is op grond van de WI:</al><lijst><li nr="-"><al>onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van
                                            de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening of
                                            taalkennisvoorziening, bedoeld in artikel 23, lid 1 WI
                                            of aan de bij verordening vastgestelde verplichtingen in
                                            het kader van deze voorziening, bedoeld in artikel 23,
                                            lid 3 WI;</al></li><li nr="-"><al>niet binnen de in artikel 7, lid 1 WI bedoelde termijn
                                            (van 3 ½ jaar) of binnen de door het college op grond
                                            van artikel 31, lid 2, onderdeel a WI verlengde termijn
                                            het inburgeringsexamen heeft behaald.</al><al> Deze gedragingen bemoeilijken immers ook de
                                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of
                                            participatie.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Artikel 9a WWB regelt de ontheffing van de plicht tot
                                    arbeidsinschakeling voor alleenstaande ouders met ten laste
                                    komende kinderen tot 5 jaar. De ontheffing vindt alleen plaats
                                    op verzoek. In de plaats van de arbeidsplicht geldt dan een
                                    scholingsplicht, die wordt vastgelegd in een plan van aanpak.
                                    Het college verlaagt de uitkering als de verleende ontheffing
                                    van de arbeidsplicht is ingetrokken als gevolg van het niet
                                    nakomen van de afspraken in het plan van aanpak. De IOAW en IOAZ
                                    kennen gelijkluidende bepalingen.</al></li><li nr="d."><al>Betreft de tegenprestatie naar vermogen. In de WWB is de
                                    mogelijkheid ingevoerd om een tegenprestatie naar vermogen te
                                    vragen. Het college heeft daarmee een ruimere bevoegdheid om
                                    uitkeringsgerechtigden te laten participeren, en kan hiervoor
                                    beleid opstellen, al dan niet via een verordening. Het college
                                    kan een klant verplichten naar vermogen opgedragen onbeloonde
                                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, die worden
                                    gedaan naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet
                                    leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="e."><al>De eventuele aanvullende verplichtingen moeten expliciet bij
                                    beschikking worden opgelegd. Dat kan zowel plaatsvinden bij
                                    toekenning van de uitkering als in een later stadium, zodra de
                                    omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het gaat hier om de
                                    aanvullende verplichtingen genoemd in de artikelen 55 tot en met
                                    57 WWB die niet rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte van
                                    het recht, maar wel de arbeidsinschakeling en uitstroom
                                    bevorderen of verband houden met aard en doel van de bijstand.
                                    Het kan bijvoorbeeld gaan om de verplichting mee te werken aan
                                    een schuldhulpverleningstraject of aan de verplichting een
                                    medische behandeling te ondergaan.</al><al> Dergelijke aanvullende verplichtingen bestaan niet in de IOAW
                                    en IOAZ, zodat dit voor die regelingen niet speelt.</al></li></lijst><al><cursief>4.</cursief><cursief> Vierde categorie</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>In deze categorie gedraging gaat het om tekortschietend besef
                                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan in
                                    de WWB door verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld een ontslag op
                                    staande voet wegens diefstal of werkweigering. In deze gevallen
                                    wordt een eventuele aanvraag WW vrijwel zonder uitzondering
                                    geweigerd. Het college zal echter zelf moeten onderzoeken of het
                                    ontslag verwijtbaar is. Ook als belanghebbende afziet van het
                                    aanvragen van WW, dan zal het college zelfstandig onderzoek
                                    moeten doen naar de verwijtbaarheid van het ontslag. Voor de
                                    toepassing van de IOAW en IOAZ geldt dat op basis van artikel
                                    20, lid 1 IOAW en artikel 20, lid 2 IOAZ de uitkering tijdelijk
                                    geheel of gedeeltelijk geweigerd kan worden. In het kader van
                                    deze verordening beperkt de verlaging zich in een dergelijke
                                    situatie bij de IOAW en IOAZ ook tot een maand, net als bij de
                                    uitvoering van de WWB.</al></li><li nr="b."><al>Deze gedraging heeft betrekking op het weigeren van een
                                    aangeboden dienstverband, voor zowel de WWB, als OAW en IOAZ.
                                    Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan, gesubsidieerd
                                    of regulier werk, fulltime of parttime, tijdelijk of werk voor
                                    onbepaalde duur. Essentieel is dat belanghebbende door de
                                    werkweigering afziet van een concrete kans om geheel of
                                    gedeeltelijk uit te stromen. Binnen de IOAW en IOAZ bestaat
                                    tevens de mogelijkheid om de uitkering te verlagen bij
                                    verwijtbare beëindiging van een dienstbetrekking (artikel 20
                                    IOAW en IOAZ). Dit is een beperkte variant op het
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan in de WWB (zie onder a.
                                    hiervoor).</al></li><li nr="c."><al>Het gaat hier om dezelfde soort gedragingen als bedoeld in de
                                    derde categorie onder b. echter met dit belangrijke verschil dat
                                    de gedraging heeft geleid tot het (definitief) geen doorgang
                                    vinden of afbreken van een traject.</al><al> In de praktijk zal beëindiging van een traject veelal pas
                                    plaatsvinden nadat belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk
                                    heeft laten blijken niet te willen meewerken aan instrumenten
                                    gericht op een zo spoedig mogelijke inschakeling in het
                                    arbeidsproces. Hier rekenen wij ook toe het herhaaldelijk niet
                                    verschijnen op oproepen in het kader van aangeboden
                                    re-integratie dan wel reïntegratievoorzieningen bij de gemeente,
                                    Optimisd, UWV of een andere (externe) organisatie gericht op
                                    arbeidsinschakeling. Ook kan een zeer ernstige gedraging,
                                    bijvoorbeeld agressief gedrag of diefstal tijdens een
                                    proefplaatsing, tot beëindiging van het traject leiden. In alle
                                    gevallen betreft het gedragingen die een kans op uitstroom en
                                    arbeidsinschakeling voor langere tijd vrijwel onmogelijk
                                    maken.</al></li><li nr="d."><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen
                                    agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                                    aan de belanghebbende toe te rekenen gedrag, wat in het normale
                                    menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                                    beschouwd. Het college kan alleen een verlaging toepassen als er
                                    een direct en rechtstreeks verband bestaat tussen de ernstige
                                    misdraging, die aan belanghebbende is toe te rekenen, en het
                                    niet of onvoldoende nakomen van één of meerdere verplichtingen
                                    (inlichtingenplicht en medewerkingsplicht zoals de plicht om mee
                                    te werken aan een onderzoek tot mogelijkheden van
                                    arbeidsinschakeling) die voortvloeien uit de WWB, Bbz, IOAW of
                                    IOAZ. Dit betekent dus niet dat er per definitie sprake moet
                                    zijn van een situatie waarbij als gevolg van een misdraging het
                                    recht op uitkering niet of niet langer kan worden
                                    vastgesteld.</al><al> In artikel 18, lid 2 WWB, artikel 20, lid 2 IOAW en artikel 20,
                                    lid 1 IOAZ wordt gesproken over ‘het zich tegen het college zeer
                                    ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief
                                    gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren en
                                    medewerkers aanleiding zijn voor het toepassen van een
                                    verlaging. Vormen van agressief gedrag zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>verbaal geweld (schelden)</al></li><li nr="-"><al>discriminatie</al></li><li nr="-"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk)</al></li><li nr="-"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen)</al></li><li nr="-"><al>mensgericht fysiek geweld of een combinatie van
                                            agressievormen.</al><al> Het zich zeer ernstig misdragen jegens het college
                                            omvat tevens het zich misdragen jegens een medewerker
                                            van het reïntegratiebureau, omdat deze personen werken
                                            in opdracht van het college en de misdraging van
                                            negatieve invloed is op de op belanghebbende uit hoofde
                                            van de WWB rustende verplichting tot arbeidsinschakeling
                                            (zie rechtbank Rotterdam 26-03-2008 nr. 07/1478).</al><al> Voor het bepalen van de verwijtbaarheid van de
                                            misdraging zal gekeken moeten worden naar de
                                            omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                                            plaatsgehad. Als iemand het toepassen van geweld bewust
                                            gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld
                                            het verkrijgen van een uitkering), dan is de mate van
                                            verwijtbaarheid in beginsel groter dan bij agressie die
                                            ontstaat door onmacht, ontevredenheid of
                                            onduidelijkheden.</al><al> Zeer ernstige misdragingen buiten dit kader kunnen
                                            alleen via het strafrechtelijk traject worden
                                            vervolgd.</al><al> Het toepassen van een verlaging staat geheel los van
                                            het doen van aangifte bij de politie. Het college
                                            besluit tot de verlaging wegens misdragingen, terwijl de
                                            ambtenaar of medewerker tegen wie de agressie zich
                                            richtte persoonlijk aangifte kan doen bij de politie.
                                            Een verlaging wegens ernstig wangedrag laat de
                                            bevoegdheid van het college om de dader gedurende een
                                            periode de toegang tot de gemeente, dan wel het
                                            Werkplein te ontzeggen onverlet.</al><al> Naast het toepassen van een verlaging op grond van dit
                                            artikel kan het college belanghebbende ook verplichten
                                            deel te nemen aan een traject in de vorm van een
                                            agressietraining. Het weigeren een dergelijk traject te
                                            volgen, kan worden gezien als een verwijtbare gedraging
                                            van de eerste caterogie.</al></li></lijst></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>– Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De Afstemmingsverordening kent het volgende regime: tien, twintig,
                            veertig en honderd procent verlaging van de uitkering. Dit betekent een
                            voelbare verlaging voor belanghebbende. De keuze voor dit regime heeft
                            te maken met het hoofduitgangspunt dat alles gericht moet zijn op werk
                            en op ieders verantwoordelijkheid daarvoor.</al><al><cursief>Lid 2 en 3</cursief></al><al>Als binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging er opnieuw
                            sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de
                            hoogte van de verlaging. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de
                            eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een verlaging.
                            Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt de
                            verzenddatum van het besluit waarbij de verlaging is toegepast,</al><al>Omdat een verlaging van honderd procent niet kan worden verdubbeld is er
                            bij een tweede gedraging van de vierde categorie gekozen voor
                            verdubbeling van de duur van de verlaging. Dus in dat geval vindt er
                            uitsluiting plaats gedurende twee maanden.</al><al>De verlagingspercentages bij samenloop met verplichtingen op grond van
                            de WI zijn hetzelfde als de regels over de bestuurlijke boete in de
                            Verordening Wet Inburgering.</al><al>In de WI zijn in artikel 34 maximum bedragen opgenomen voor het opleggen
                            van boetes bij verwijtbare gedragingen, waarmee in het kader van
                            uitvoering van deze verordening rekening moet worden gehouden. Het
                            maximumbedrag van de verlaging kan bij overtredingen van
                            uitkeringsgerechtigden in combinatie met de WI, daarom niet hoger zijn
                            dan € 250 in de eerste categorie, en € 500 in de derde categorie
                            (meewerken aan de vastgestelde inburgeringsvoorziening en het behalen
                            van het inburgeringsexamen binnen 3 ½ jaar), in overeenstemming met
                            artikel 34 WI. In de praktijk hoeft hiermee, gezien de hoogte van de
                            uitkering of grondslag, alleen rekening te worden gehouden bij
                            gehuwden/samenwonenden.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Bij het onverantwoord interen van vermogen is er voor gekozen de
                            verlaging vast te stellen op 20% voor de duur van de periode dat eerder
                            een beroep gedaan wordt op bijstand. Bij deze beoordeling wordt onder
                            verantwoorde besteding verstaan 1 ½ maal de toepasselijke bijstandsnorm
                            per maand. Ook hier geldt dat de verlaging afgestemd wordt op de ernst
                            van de gedraging, de verwijtbaarheid en de omstandigheden van
                            belanghebbende.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>In lid 5 wordt bepaald dat het college kan volstaan met een
                            schriftelijke waarschuwing. Het besluit om te volstaan met een
                            schriftelijke waarschuwing wordt niet aangemerkt als recidive in de zin
                            van lid 2 van dit artikel.</al><al>Ook is hierin nogmaals benadrukt dat een verlaging toegepast kan worden
                            met een afwijkend(e) periode of percentage als daar in individuele
                            omstandigheden aanleiding toe bestaat.</al><al>Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:</al><lijst><li nr="-"><al>verlenging van de duur van de verlaging bij volharding is in
                                    beginsel sprake bij een derde en volgende gedraging van een
                                    gelijke of hogere categorie, binnen twaalf maanden na de laatste
                                    verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="-"><al>eerder of langer recht hebben op een WWB uitkering, als gevolg
                                    van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, zoals
                                    onverantwoord interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>verlenging van de duur van de verlaging naar twee maanden als de
                                    uitkeringsgerechtigde die ook inburgeringsplichtig is, niet
                                    binnen de door het college op grond van artikel 32 of 33 van de
                                    WI verlengde termijn (van telkens ten hoogste twee jaren) het
                                    inburgeringsexamen heeft behaald, in overeenstemming met de
                                    regels over de bestuurlijke boete in de Verordening Wet
                                    Inburgering.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>– Verlaging bij verlies van een passende en toereikende
                                voorliggende voorziening door toepassing van een bestuurlijke
                                boete</titel></kop><al>De verordening Verrekening bestuurlijke boete bij recidive regelt alleen
                            de verrekening bij belanghebbenden die te maken krijgen met een door het
                            college zelf opgelegde recidiveboete.</al><al>Door de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW wetgeving
                            wordt echter ook het sanctieregime in de overige sociale
                            zekerheidswetten aangescherpt. In de sociale zekerheidswetten wordt een
                            vergelijkbaar boeteregime ingevoerd als in de WWB (boete ter hoogte van
                            de teveel ontvangen uitkering en bij recidive 150% daarvan) zij het dat
                            de uitvoeringsorganisaties (UWV, SVB) en de gemeente (voor wat betreft
                            de IOAW en IOAZ) het uitstaande boetebedrag voor een termijn van vijf
                            jaren in beginsel moeten verrekenen zonder rekening te houden met de
                            beslagvrije voet.</al><al>Dit houdt in dat belanghebbende, zodra die verrekening in de overige
                            sociale zekerheidswetten wordt geeffectueerd, in beginsel geen
                            beschikking meer heeft over zijn uitkering. Als andere middelen
                            ontbreken, zal dan noodgedwongen een beroep moeten worden gedaan op de
                            WWB als laatste vangnet.</al><al>Voor de WWB wordt het feit dat het recht op een passende en toereikende
                            voorliggende voorziening teloor is gegaan, aangemerkt als
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Een en ander levert
                            daarom afstemmingswaardig gedrag op, op basis waarvan de bijstand kan
                            worden verlaagd.</al><al>Artikel 9 voorziet hierin. Het artikel is zo geredigeerd dat
                            belanghebbende in beginsel in een feitelijk met de recidiverende
                            uitkeringsgerechtigde vergelijkbare situatie terecht komt. Hetgeen
                            inhoudt dat ook aan hem in beginsel drie maanden vanaf datum
                            effectuering verrekening geen bijstand toekomt. Dit is in
                            overeenstemming met de verordening Verrekening bestuurlijke boete bij
                            recidive.</al><al>Als belanghebbende geen beroep meer kan doen op een passende en
                            toereikende voorliggende voorziening – omdat deze volledig wordt
                            verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling
                            schenden van de inlichtingenplicht – wordt een verlaging opgelegd van
                            100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start van de
                            verrekening.</al><al>In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt de verlaging gematigd en in
                            de tweede en derde maand gerekend vanaf de start van de verrekening
                            bepaald op 20% als belanghebbende redelijkerwijs niet kan beschikken
                            over gelden van ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm. Dit
                            is in overeenstemming met de verordening Verrekening bestuurlijke boete
                            bij recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>– Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>– Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen andere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>