<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR327005_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB 2014 RSD</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bunnik</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Bilt</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zeist</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">door deelnemende gemeenten</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB 2014 RSD</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-02-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB 2014 RSD </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling “Regionale Dienst
                        Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (RDWI)”</al><al/><al>gezien het voorstel van het Dagelijks Bestuur d.d. 12 februari 2014, met
                        overneming van de daarin vermelde motieven; </al><al/><al>gelet op het advies van het MT van de RSD;</al><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en
                        bijstand; </al><al/><al>BESLUIT: </al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening</al><al/><al><vet>Toeslagenverordening WWB 2014 RSD</vet>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr></kop><structuurtekst><al><vet>Algemene bepalingen </vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                                    en de Gemeentewet. </al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>de wet</onderstreept>: de WWB </al></li><li nr="b."><al><onderstreept>de gehuwdennorm</onderstreept>: de norm,
                                            zoals bedoeld in artikel 21 onderdeel c WWB</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>woning</onderstreept>: een woning zoals
                                            bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag,
                                            alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in
                                            artikel 3 lid 6 WWB;</al></li><li nr="d."><al><onderstreept>woonkosten</onderstreept>: </al><lijst><li nr="-"><al> indien een huurwoning wordt bewoond:</al><lijst><li nr=""><al> de op dat moment per maand geldende huurprijs
                                                  als bedoeld in Wet op de huurtoeslag;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al> indien een eigen woning wordt bewoond:</al><lijst><li nr=""><al>de tot een bedrag per maand omgerekende som
                                                  van de ten</al><al> behoeve van de financiering van de woning
                                                  verschuldigde hypotheekrente, de in verband met
                                                  het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                                  zakelijke lasten en een naar de omstandigheden
                                                  vast te stellen bedrag voor groot onderhoud;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al> - onder zakelijke lasten wordt verstaan: </al><lijst><li nr="-"><al> de rioolrechten, de onroerend-zaakbelasting,
                                                  de brandverzekering, de opstalverzekering, het
                                                  eigenaarsaandeel van de waterschapslasten en het
                                                  erfpachtcanon</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="e."><al><onderstreept>basishuur</onderstreept> :het bedrag dat
                                            voor de vaststelling van het recht op huurtoeslag bij
                                            een inkomen op bijstandsniveau voor eigen rekening
                                            blijft, zijnde het bedrag van de normhuur dat is genoemd
                                            in artikel 17 lid 2 van de Wet op de huurtoeslag
                                            verhoogd met het bedrag van de inkomensonafhankelijke
                                            eigen bijdrage genoemd in artikel 16 eerste lid van de
                                            Wet op de huurtoeslag.</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>commerciële huurprijs</onderstreept>:
                                            woonkosten ten bedrage van de basishuur als bedoeld in
                                            artikel 1 lid 1 onderdeel e, indien het betreft de
                                            woonkosten zoals gedefinieerd in artikel 1 onderdeel d
                                            van deze verordening. Indien het om woonkosten gaat,
                                            waarin zijn begrepen water- en energielasten, wordt
                                            onder commerciële huurprijs verstaan het bedrag waarvan
                                            de basishuur 60 % is. In het geval van het huren van
                                            woonruimte van de ouder(s) door een kind is geen sprake
                                            van een commerciële huurprijs, ongeacht de hoogte van de
                                            huurprijs.</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>verzorgingsbehoevende, de persoon
                                                die::</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al>volgens een AWBZ-indicatie is aangewezen op tien
                                                  of meer uren zorg per week;</al></li><li nr="-"><al>geen persoonsgebonden budget ontvangt of geen
                                                  zorg door een zorgaanbieder zoals bedoeld in
                                                  artikel 1 onderdeel j Algemene Wet Bijzondere
                                                  Ziektekosten ontvangt, voor ten minste tien van de
                                                  uren zorg per week waarop hij is aangewezen;
                                                  en</al></li><li nr="-"><al>zorg ontvangt van de verzorgende voor tenminste
                                                  tien van de uren zorg per week waarop hij is
                                                  aangewezen.</al></li></lijst></li><li nr="h."><al><onderstreept>verzorgende:</onderstreept></al><al> de persoon die de zorg verleent aan de
                                            verzorgingsbehoevende.</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>3.</cursief> De noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen
                            worden gedeeld met een ander, waaronder begrepen een niet ten laste
                            komend kind, die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en die geen
                            deel uitmaakt van de gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3,
                            lid 3 van de wet. De noodzakelijk kosten van het bestaan kunnen gedeeld
                            worden, indien het inkomen van die ander gelijk is aan of hoger is dan
                            de vergoeding voor het levensonderhoud voor de studerende thuiswonende
                            in het Hoger Onderwijs zoals genoemd in artikel 3.18 van de Wet
                            studiefinanciering 2000, vermeerderd met 10% van de gehuwdennorm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In geval
                            van een gezin gelden de bepalingen van deze verordening uitsluitend
                            indien alle gezinsleden jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn
                            en tenminste twee gezinsleden 21 jaar of ouder. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr></kop><structuurtekst><al><vet>Criteria voor het verhogen van de norm</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag, zoals bedoeld in artikel 25 WWB, bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in
                                        wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende die
                                        met één ander in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft,
                                        of met één echtpaar dat in dezelfde woning zijn
                                        hoofdverblijf heeft, en met wie de noodzakelijke kosten van
                                        het bestaan kunnen worden gedeeld.</al></li><li nr="c."><al>5 procent van de gehuwdennorm voor de hoofdbewoner die met
                                        meer dan één ander en/of meer dan één echtpaar in dezelfde
                                        woning zijn hoofdverblijf heeft, en met wie de noodzakelijke
                                        kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld.</al></li><li nr="d."><al>5 procent van de gehuwdennorm wanneer drie of meer personen
                                        voor gezamenlijke rekening een woning huren en alle kosten
                                        daarvan delen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor de
                                alleenstaande of de alleenstaande ouder op wie lid 1a niet van
                                toepassing is, en die een commerciële huurprijs betaalt, 20% van de
                                gehuwdennorm. Bij een niet commerciële huur wordt de toeslag bepaald
                                op 10% van de gehuwdennorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het niet kunnen delen van de noodzakelijke kosten van het
                                bestaan is in ieder geval sprake, indien de woning wordt bewoond met
                                uitsluitend:</al><lijst><li nr="a."><al>verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
                                        verzorgd;</al></li><li nr="b."><al>verzorgenden die de zorgbehoevende belanghebbende
                                        verzorgen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 21 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>5 procent van de gehuwdennorm indien in zijn woning geen
                                        ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>0 procent van de gehuwdennorm indien hij met één of meer
                                        anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 22 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien in zijn woning geen
                                        ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>0 procent van de gehuwdennorm indien hij met één of meer
                                        anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr></kop><structuurtekst><al><vet>Criteria voor het verlagen van de norm </vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlagen norm gezin</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de gehuwdennorm voor belanghebbenden die met
                                        één ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft,
                                        of met één ander echtpaar dat in dezelfde woning zijn
                                        hoofdverblijf heeft en de noodzakelijke kosten van het
                                        bestaan kunnen delen.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>15 procent van de gehuwdennorm voor belanghebbenden die met
                                        meer dan één persoon of echtpaar die in dezelfde woning zijn
                                        hoofdverblijf heeft als de hoofdbewoner, en met wie de
                                        noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden
                                        gedeeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het derde lid van artikel 3, is van overeenkomstige
                                toepassing..</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten</titel></kop><al>De algemene bijstand van de hoofdbewoner wordt verlaagd met het bedrag
                            van de basishuur indien de hoofdbewoner een woning bewoont waaraan geen
                            woonkosten zijn verbonden. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 5 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande; </al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder;
                                </al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gehuwdennorm voor een gezin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Individualisering</titel></kop><al>Verhoging of verlaging van de norm vindt plaats onverminderd het
                            bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang
                            van 1 januari 2013 onder gelijktijdige intrekking van de
                            Toeslagenverordening WWB 2012 RSD.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening WWB 2014
                            RSD. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling
                        “Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (RDWI)</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De directeur, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Uitgangspunten</titel></kop><al>Bij het maken van een Toeslagenverordening kunnen verschillende invalshoeken
                        gekozen worden, die leiden tot meerdere varianten:</al><lijst><li nr="·"><al>een forfaitaire benadering of een benadering waarbij ook rekening
                                gehouden wordt met werkelijke kosten van de belanghebbende;</al></li><li nr="·"><al>een ‘strenge’ of een ‘soepele’ variant.</al></li></lijst><al>Bij het opstellen van deze Toeslagenverordening is gekozen voor één variant,
                        de forfaitaire benadering. Uit de praktijk is gebleken dat de meeste
                        gemeenten gekozen hebben voor de forfaitaire variant. Daarbij lijkt de
                        forfaitaire benadering per saldo ook de meest efficiënte uitvoering op te
                        leveren.</al></divisie><divisie><kop><titel>Forfaitaire benadering of rekening houden met werkelijke
                            kosten</titel></kop><al>Het grote voordeel van de forfaitaire benadering is de eenvoudige uitvoering
                        van de Toeslagenverordening. Door enkel de situaties te omschrijven waarin
                        iemand geacht wordt lagere noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben,
                        kan rekenwerk met werkelijke kosten en de controle daarop achterwege
                        blijven. Een mogelijk nadeel is dat de Toeslagenverordening onder
                        omstandigheden in de praktijk tot onredelijke uitkomsten kan leiden,
                        waardoor het college in die gevallen gebruik zal moeten maken van zijn
                        bevoegdheid van artikel 18 lid 1 WWB en de bijstand alsnog afwijkend zal
                        moeten vaststellen.</al><al>De voor- en nadelen van het rekening houden met werkelijke kosten zijn
                        feitelijk gespiegeld aan die bij de forfaitaire benadering. Er is standaard
                        meer werk aan de uitvoering van de toeslagen en verlagingen, maar er zal
                        minder reden zijn om toepassing te moeten geven aan artikel 18 lid 1
                        WWB.</al><al/><al><vet>2. NORM, TOESLAG EN VERLAGING</vet></al><al/><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                        bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. Dit systeem
                        is grotendeels overgenomen uit de tot 1 januari 2004 vigerende Algemene
                        bijstandswet (Abw) In de WWB maakt het voor de financiering door het Rijk
                        echter geen verschil of bijstand is toegekend als norm of als toeslag.</al><al>De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en
                        met 24 WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de
                        artikelen 25 tot en met 29 WWB. Het college is verplicht om in voorkomende
                        gevallen de norm te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een
                        verlaging toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Norm</titel></kop><al>Voor personen van 21 jaar tot en met de pensioengerechtigde leeftijd bestaan
                        er een drietal basisnormen (artikel 21 WWB),</al><al>te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>gezinnen: 100% van het wettelijk minimumloon (= de
                                gehuwdennorm)</al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al> alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Toeslagen</titel></kop><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande
                        ouder indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel
                        gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt
                        aanwezig geacht als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen
                        hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas,
                        water en licht, maar ook krant etc. gedeeld worden. De toeslag bedraagt ten
                        hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering maximaal bedraagt
                        voor:</al><lijst><li nr="·"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="·"><al>alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20%
                        van de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                        bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening.
                        Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol
                        spelen. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een
                        toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de
                        mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader
                        onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken. (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52
                        en 53.)</al></divisie><divisie><kop><titel>Verlagingen</titel></kop><al>De WWB noemt de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="·"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met
                                een ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij
                                gehuwden (artikel 26 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie
                                (artikel 28 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                                alleenstaanden (artikel 29 WWB).</al></li></lijst><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 3, lid 4 en 5 en artikel 4 en
                        5 van de verordening.</al><al/><al><vet>3. DE TOESLAGENVERORDENING</vet></al><al/><al>In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 WWB is geregeld dat de
                        gemeenteraad (lees: Algemeen Bestuur) bij verordening dient vast te stellen
                        voor welke categorieën de bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op
                        grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt
                        bepaald. Het door het college (lees: Dagelijks Bestuur) voorgestane beleid
                        ten aanzien van de toeslagen moet dus worden vastgelegd in de
                        Toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het college het beleid kan
                        uitvoeren.</al></divisie><divisie><kop><titel>Categorieën</titel></kop><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter
                        moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen
                        tot in de praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor
                        een forfaitaire benadering. Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening
                        alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet geregelde of
                        uitzonderlijke gevallen heeft het college immers de bevoegdheid c.q. de
                        plicht om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB bij wijze van
                        individualisering afwijkend vast te stellen.</al><al>In deze Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven
                        aan een aantal verlagingen die de WWB mogelijk maakt. In artikel 6 van de
                        Toeslagenverordening wordt daarentegen het effect van samenloop van
                        verschillende verlagingen beperkt door minimum hoogtes voor te schrijven
                        waaraan de bijstand moet voldoen na toepassing van de verlagingen.
                        Eenvoudigheidshalve is ook de werking van de verordening beperkt tot
                        belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde
                        leeftijd, hoewel de WWB de mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te
                        passen op belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar. In een uitzonderlijke
                        situatie waarin een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan de
                        pensioengerechtigde leeftijd slechter af zou zijn dan een belanghebbende van
                        18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare omstandigheden, is het denkbaar
                        dat het college eveneens op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand
                        aanpast. (Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van de
                        Toeslagenverordening.)</al><al/><al><vet>4. BEREKENING TOEPASSELIJKE BIJSTANDSNORM</vet></al><al/><al>In de WWB is -in tegenstelling tot in de Abw- niet voorgeschreven, dat in
                        gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de
                        verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. De reden van
                        het vervallen van het voorschrift is gelegen in de financieringsstructuur
                        van de WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd
                        wordt. Voor de toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit echter wel
                        uit. Omdat noch uit de wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan
                        worden opgemaakt dat de wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een
                        zwaarder gewicht te geven, blijft het bij voorrang toepassen van de
                        verlaging op de toeslag de aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit
                        overigens alleen bij de combinatie verlaging wegens woonsituatie en
                        leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk in combinatie met
                        de leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten. Bovenstaande in acht
                        nemend kan hoogte van de uitkering algemene bijstand voor personen van 21
                        tot de pensioengerechtigde leeftijd als volgt worden berekend:</al><lijst><li nr="1."><al>Basisnorm;</al></li><li nr="2a."><al>Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                                ouders)</al></li></lijst><al>OF</al><lijst><li nr="2b."><al>Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen
                                (alleen bij gehuwden)</al></li><li nr="3."><al>Korten met verlaging wegens woonsituatie;</al></li><li nr="4."><al>Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op (het
                                restant van) de toeslag.</al></li></lijst><al>Leidt de uitkomst tot en lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in
                        artikel 6 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand
                        vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel.
                        De uitkomst van deze berekening laat ook een eventueel aan de orde zijnde
                        afstemming van de bijstand bij wijze van individualisering onverlet.</al></divisie><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting Toeslagenverordening WWB 2014 RSD</titel></kop><al/><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                        Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                        voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
                        betreffende wetten ook de Verordening moet worden gewijzigd. </al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel b: gehuwdennorm </cursief></al><al>Voor het begrip ‘gehuwdennorm’ wordt verwezen naar de norm voor een gezin
                        waarvan alle meerderjarige gezinsleden jonger dan de pensioengerechtigde
                        leeftijd zijn, zoals bedoeld in artikel 21 lid 1 WWB. Deze norm komt overeen
                        met de gehuwdennorm zoals die luidde vóór 1 januari 2012 waarbij beide
                        echtgenoten jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn. </al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel c: woning </cursief></al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat
                        de tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel
                        vermeldt artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende
                        bepalingen onder een woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan
                        moet worden. Voorts volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WWB dat
                        voor de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op
                        de huurtoeslag. Daarom is in deze verordening bepaald dat onder ‘woning’
                        wordt verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de
                        huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3
                        lid 6 WWB. </al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel d: woonkosten </cursief></al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor
                        de toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging woonsituatie).
                        Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van
                        de Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was
                        opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming
                        van de Abw dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest
                        worden uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende
                        Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze
                        rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis is.</al><al>Bij “het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten” kan
                        worden gedacht aan het rioolrecht, de onroerende zaakbelasting, de
                        brandverzekering, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de
                        waterschapslasten en het erfpachtcanon. </al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel e: basishuur</cursief></al><al>In de omschrijving wordt verwezen naar het artikel 17 lid 2 en artikel 16
                        lid 1 van de Wet op de huurtoeslag. In artikel 17 is geregeld de normhuur en
                        in artikel 16 de inkomensonafhankelijke bijdrage. Een huur ten bedrage van
                        de som van beide blijft bij een inkomen op bijstandsniveau voor eigen
                        rekening. Dit wordt de basishuur genoemd. In de woonkosten worden geacht te
                        zijn begrepen de elementen die in het geval van huur meetellen voor het
                        vaststellen van het recht op huurtoeslag.</al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel f. Commerciële huurprijs</cursief></al><al>Het bedrag van de commerciële ‘kale’ huurprijs is het bedrag van de
                        basishuur, zoals omschreven in de toelichting op artikel 1 lid 1 onderdeel e
                        van deze verordening. In deze huur zijn begrepen de elementen die voor het
                        bepalen van het recht op huurtoeslag meetellen. De normhuur, die deel
                        uitmaakt van de basishuur, behoort bij het minimum-inkomensijkpunt van lid 1
                        van artikel 17 van de Wet op de huurtoeslag. In dit artikellid wordt onder
                        het minimum-inkomensijkpunt verstaan de bijstandsnorm voor een alleenstaande
                        (inclusief de maximale toeslag) en de bijstandsnorm voor gehuwden. Uit het
                        feit dat de normhuur in de bijstandsnorm is begrepen, zijnde de norm voor de
                        algemene noodzakelijke bestaanskosten, valt af te leiden dat het om een
                        commerciële huur gaat. </al><al>De belastingdienst hanteert als bedrag voor commerciële huur een bedrag
                        inclusief kosten van water en energie. 60% van dit bedrag komt overeen met
                        de basishuur. 40% komt overeen met de som van de bedragen die de
                        belastingdienst hanteert voor de waarde die waterverbruik en energieverbruik
                        voor verschillende doeleinden in het economische verkeer vertegenwoordigen.
                        Hieruit blijkt in de eerste plaats eveneens dat de basishuur als ondergrens
                        voor de commerciële huur kan worden gehanteerd. In de tweede plaats blijkt
                        dat een commerciële all-in huur is af te leiden op de wijze zoals in dit
                        artikelonderdeel is aangegeven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                        leeftijdscategorie van 21 tot de pensioengerechtigde leeftijd. Vanwege de
                        lagere jongerennorm is ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen
                        bij belanghebbenden van 18 tot 21 jaar. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                        (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een
                        belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft
                        dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen
                        delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt
                        overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van deze verordening. </al><al>De RSD is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen dat de
                        toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande of
                        alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft
                        (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op andere
                        gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1 onderdeel a van deze
                        verordening. </al><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                        noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang geen
                        sprake is van een gezinslid of van een gezamenlijke huishouding moet ervan
                        worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag
                        blijft op zijn plaats. Gekozen is voor 10 procent van de gehuwdennorm (zie
                        artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze verordening). Indien meer dan één ander
                        en/of meer dan één echtpaar in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft,
                        wordt een toeslag van 5 procent van de gehuwdennorm gehanteerd voor de
                        hoofdbewoner. </al><al/><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>Uit artikel 25 lid 1 WWB en artikel 26 WWB volgt dat een belanghebbende de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met
                        thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder met een laag inkomen. Hiervan
                        is sprake indien dat kind een in aanmerking te nemen inkomen heeft van ten
                        hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                        onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000. </al><al>Uit het systeem van de WWB volgt dat een alleenstaande ouder in theorie
                        kosten kan delen met zijn inwonend studerend kind tussen 18 en 27 jaar dat
                        per maand een in aanmerking te nemen inkomen heeft dat meer bedraagt dan het
                        bedrag zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 WWB (€ 618,29)</al><al> n deze verordening is er voor gekozen te bepalen dat in het geheel geen
                        kosten kunnen worden gedeeld met een inwonend kind van 21 jaar of ouder voor
                        zover zij studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet
                        studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet
                        tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en hun overige inkomsten
                        niet met 10% van de gehuwdennorm te boven gaan.</al><al>In het derde lid, is geregeld dat zowel zorgbehoevenden (sub b) als
                        verzorgers (sub c) niet worden meegeteld als personen waarmee kosten gedeeld
                        kunnen worden. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om
                        belanghebbende vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere
                        toeslag. Ook als er sprake is van een zakelijke relatie (bijv. huurders of
                        kostgangers) wordt geen mogelijkheid tot kostendeling aangenomen.</al><al/><al><cursief>Lid 4 en 5 </cursief></al><al>Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een
                        alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. Dat is geregeld in
                        artikel 3 lid 4 en 5 van deze verordening. In het vierde lid is de toeslag
                        geregeld voor een alleenstaande van 21 jaar. In het vijfde lid is de toeslag
                        vastgesteld voor een alleenstaande van 22 jaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlagen norm gezin</titel></kop><al>Op grond van artikel 26 WWB kan de RSD de gehuwdennorm verlagen indien
                        belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                        dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen
                        delen van deze kosten met een ander. </al><al>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze
                        verordening. Ingeval in de woning van het gezin een ander zijn hoofdverblijf
                        heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan
                        gedeeld kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de
                        gehuwdennorm als sprake is van één ander en/of meer dan één echtpaar die in
                        dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. (zie artikel 4 lid 1a van deze
                        verordening). Bij meer dan één persoon of meer dan één echtpaar vindt
                        verlaging van 15% van de gehuwdennorm plaats.</al><al>Artikel 4 lid 2 van deze verordening komt overeen met de bepaling zoals
                        opgenomen in artikel 3 lid 3 van deze verordening. Verwezen wordt dan ook
                        naar de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3 van deze verordening.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten</titel></kop><al>Op grond van artikel 27 WWB kan de RSD de norm voor een alleenstaande
                        (ouder) of gezin, of de toeslag voor een alleenstaande (ouder) lager
                        vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten
                        van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg
                        van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een
                        woning.</al><al><cursief>Geen woonkosten </cursief></al><al>In artikel 5 van deze verordening is bepaald dat de norm of toeslag wordt
                        verlaagd met het bedrag van de basishuur, indien een woning wordt bewoond
                        waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. In artikel 1 van
                        deze verordening is bepaald wat onder woonkosten moet worden verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs
                                zoals bedoeld in Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="b."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
                                omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning
                                verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar
                                omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. </al></li></lijst><al/><al>Hieronder valt ook de situatie waarin er geen huur of hypotheeklasten zijn,
                        maar anderszins wel sprake is van andere woonlasten. Ook in dat geval wordt
                        de algemene bijstand verlaagd met het bedrag van de basishuur. Van lagere
                        bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>bij het niet aanhouden van een woning; </al></li><li nr="•"><al>bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                                bijvoorbeeld in het geval van krakers; </al></li><li nr="•"><al>indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de
                                woonlasten betaalt van de woning. </al></li></lijst><al/><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                        belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft de RSD de keuze om het aldus
                        verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm of
                        toeslag te verlagen op grond van artikel 27 WWB (zie ook TK 20022003, 28
                        870, nr. 3, p. 5455). De RSD heeft ervoor gekozen de norm of toeslag te
                        verlagen.</al><al>Overigens kan de RSD, indien noch in het kader van artikel 27 WWB noch in
                        het kader van artikel 33 lid 1 WWB rekening wordt gehouden met de situatie
                        waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de bijstand in
                        voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                        individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                        omstandigheden en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt.
                        Zonder een anticumulatiebepaling zou dat echter kunnen betekenen dat het
                        college de bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen) dermate laag
                        moet vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer is van een toereikende
                        uitkering. In voorkomende gevallen zou het college de bijstand op grond van
                        het individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten
                        vaststellen. Er is voor gekozen reeds in de Toeslagenverordening een
                        absoluut minimumbedrag vast te leggen waarop de RSD de bijstandsnorm (norm
                        inclusief eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen. Het
                        individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij samenloop
                        ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit artikel genoemde
                        percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot verhoging daarvan over te
                        gaan, gelet op alle omstandigheden van de belanghebbende.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zicht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>