<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR326819_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Vervoerregio Amsterdam</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aalsmeer</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beemster</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Edam-Volendam</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmermeer</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oostzaan</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Purmerend</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uithoorn</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2015-140.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dBladGemeenschappelijkeRegeling%26dpr%3dAfgelopenDag%26spd%3d20150630%26epd%3d20150630%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Blad Gemeenschappelijke Regelingen 2015 nr. 140, 30 juni 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003740">Wet Gemeenschapelijke Regelingen</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.1:CVDR331772_1">Gemeenschappelijke Regeling Stadsregio Amsterdam</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Met deze wijziging worden de afspraken uit het convenant woonruimteverdeling overgezet naar de huisvestingsverordening, om de rechtskracht van de afspraken uit het convenant te borgen. Daarbij zijn de afspraken uit het convenant bij omzetting in lijn gebracht met de nieuwe Huisvestingswet; zoals toewijzen op alleen inschrijfduur en een regionale urgentieregeling.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BBV/2015/1437</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Woonruimteverdeling</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Met ingang van 1 juli 2015 is de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 gewijzigd:</al><al>- wijziging artikel 1</al><al>- artikelen 2 t/m 18 zijn vervallen</al><al>- nieuw artikel 2.1.1 en 2.1.2</al><al>- nieuw artikel 2.2.1 t/m 2.6.12</al><al>- wijziging artikel 64 en toevoeging van 2 nieuwe leden</al><al>- nieuw artikel 64a</al><al>- wijziging bijlage 1</al><al>- wijziging bijlage 3</al><al>- vervallen van bijlage 2</al><al>Grondslag is de Huisvestingswet zoals die gold tot en met 31 december 2014.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a. "><al>Aanbodinstrument: een aanbodinstrument als bedoeld in artikel
                                    2.2.3, eerste lid, waarop door corporaties woonruimte,
                                    aangewezen in artikel 2.1.1 te huur wordt aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>Basisadministratie: de basisadministratie bedoeld in artikel 1.2
                                    van de Wet basisregistratie personen;</al></li><li nr="c."><al>Betrokken gemeente: de gemeente waarin de woonruimte waarop de
                                    ingevolge deze verordening gegeven of af te geven beschikking
                                    betrekking heeft is gelegen;</al></li><li nr="d."><al>Bezettingsnormen: de in artikel 2.3.3 vastgestelde
                                    voorrangsregels;</al></li><li nr="e."><al>Bindingscriterium: bindingscriterium op grond van artikel 2.4.5
                                    gesteld aan woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor
                                    voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="f."><al>Burgemeester en wethouders: het College van burgemeester en
                                    wethouders;</al></li><li nr="g."><al>Complex: een aaneengesloten groep woonruimten die door
                                    burgemeester en wethouders is aangewezen;</al></li><li nr="h."><al>COA-voorziening: als bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal
                                    orgaan opvang asielzoekers;</al></li><li nr="i."><al>Corporaties: toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 70,
                                    eerste lid van de Woningwet die werkzaam zijn in één of meer
                                    gemeenten van de Stadsregio Amsterdam;</al></li><li nr="j."><al>DAEB-norm: het in artikel 4, eerste lid aanhef en onder a, van
                                    de Tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch belang
                                    toegelaten instellingen volkshuisvesting genoemde bedrag, of,
                                    als Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting
                                    (kamerstuk dossiernummer 32769) in werking is getreden: de
                                    inkomensgrens bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de
                                    Woningwet;</al></li><li nr="k."><al>Dagelijks Bestuur: het dagelijks bestuur van de Stadsregio
                                    Amsterdam;</al></li><li nr="l."><al>Directe bemiddeling: het rechtstreeks aan een woningzoekende
                                    aanbieden van woonruimte zonder dat die woonruimte via het
                                    aanbodinstrument te huur is aangeboden;</al></li><li nr="m."><al>Gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke,
                                    overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
                                    vormt;</al></li><li nr="n."><al>Huishouden: een alleenstaande dan wel twee personen met of
                                    zonder kinderen, die een gemeenschappelijke huishouding voeren
                                    of wensen te voeren;</al></li><li nr="o."><al>Huisvestingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 7,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="p."><al>Huurprijs: de prijs die bij huur of verhuur is verschuldigd voor
                                    het enkele gebruik van een woonruimte of standplaats voor een
                                    woonwagen, uitgedrukt in een bedrag per maand berekend volgens
                                    het woningwaarderingstelsel behorende bij het Besluit
                                    huurprijzen woonruimte;</al></li><li nr="q."><al>Indicatie: een beoordeling van de mate van zelfredzaamheid van
                                    een woningzoekende, gemaakt door burgemeester en wethouders of
                                    een door hen aan te wijzen adviseur, ter voorbereiding van een
                                    door hen te nemen beslissing op een aanvraag om een
                                    huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="r."><al>Inkomen: rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder
                                    i van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="s."><al>Inschrijfduur: de inschrijfduur bedoeld in artikel 2.2.4, tweede
                                    lid;</al></li><li nr="t."><al>Inschrijving: het ingeschreven staan als woningzoekende;</al></li><li nr="u."><al>instelling voor maatschappelijke opvang: een instelling als
                                    bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="v."><al>liberalisatiegrens: het huurbedrag genoemd in artikel 13, eerste
                                    lid, aanhef en onder a van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="w."><al>mantelzorg: mantelzorg als bedoeld in artikel 1, lid 1,
                                    onderdeel b van de Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="x."><al>Onttrekkingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 30,
                                    eerste lid, van de Huisvestingswet;</al></li><li nr="y."><al>Ontvangende regiogemeente: de regiogemeente waarnaar een houder
                                    van een urgentieverklaring wil verhuizen, als bedoeld in artikel
                                    2.6.4, derde lid;</al></li><li nr="z."><al>Onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet-zijnde woonruimte
                                    bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft of welke
                                    niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder
                                    dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke
                                    voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij als wezenlijke
                                    voorzieningen worden aangemerkt: keuken en toilet;</al></li><li nr="aa."><al>passende woonruimte: woonruimte die voldoet aan het in artikel
                                    2.6.3, eerste lid, bedoelde zoekprofiel;</al></li><li nr="bb."><al>passendheidscriterium: passendheidscriterium op grond van
                                    artikel 2.4.4, tweede lid of vierde lid gesteld aan
                                    woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor voorrang bij de
                                    verlening van een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="cc."><al>peildatum: de door burgemeester en wethouders vast te stellen
                                    datum, bedoeld in artikel 2.6.8, tweede lid;</al></li><li nr="dd."><al>Platform: het Platform Woningcorporaties Noordvleugel
                                    Randstad;</al></li><li nr="ee."><al>rangordecriterium: een rangordecriterium als bedoeld in artikel
                                    2.4.8;</al></li><li nr="ff."><al>regiogemeenten: de gemeenten die op 31 december 2014 deel
                                    uitmaakten van de Stadsregio Amsterdam;</al></li><li nr="gg."><al>Regioraad: het algemeen bestuur van de Stadsregio
                                    Amsterdam;</al></li><li nr="hh."><al>Rekenhuur: de prijs die bij huur en verhuur per maand is
                                    verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte zoals
                                    omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="ii."><al>Short stay: het structureel aanbieden van een zelfstandige
                                    woonruimte voor tijdelijke bewoning aan één huishouden voor een
                                    aaneensluitende periode van tenminste één week en maximaal zes
                                    maanden;</al></li><li nr="jj."><al>Splitsingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 33
                                    van de Huisvestingswet;</al></li><li nr="kk."><al>Stadsregio Amsterdam: plusregio in de zin van artikel 104 van de
                                    Wet gemeenschappelijke regelingen zoals dat gold op 31 december
                                    2014 dat bestaat uit de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen,
                                    Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer,
                                    Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn,
                                    Waterland, Wormerland, Zaanstad en Zeevang;</al></li><li nr="ll."><al>Student: studenten als bedoeld in artikel 7:247 lid 4 van het
                                    Burgerlijk Wetboek alsmede voltijdspromovendi bij binnen het
                                    gebied van de Stadsregio Amsterdam gevestigde
                                    universiteiten;</al></li><li nr="mm."><al>Studentenwoning: woonruimte krachtens de daarop betrekking
                                    hebbende huurovereenkomst bestemd voor studenten indien:</al><lijst><li nr="i."><al>in de huurovereenkomst is bepaald dat de woonruimte na
                                            beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een
                                            student zal worden verhuurd; en,</al></li><li nr="ii."><al>die woonruimte door het college van burgemeester en
                                            wethouders in de regiogemeente waarin de woonruimte is
                                            gelegen na overleg met de eigenaar is aangewezen als
                                            studentenwoning;</al></li></lijst></li><li nr="nn."><al>Stuurgroep Wonen: het overleg bestaande uit een
                                    vertegenwoordiging van burgemeester en wethouders van de
                                    regiogemeenten en de binnen de regio actieve corporaties;</al></li><li nr="oo."><al>SV-urgentieverklaring: een urgentieverklaring waarmee een
                                    woningzoekende is ingedeeld in de in artikel 2.6.8, eerste lid
                                    aanhef en onder c bedoelde urgentiecategorie;</al></li><li nr="pp."><al>Traditionele doelgroep: de groep (degenen) die volgens de
                                    bepalingen in artikel 18 van de voormalige Woonwagenwet voor een
                                    bewonersverklaring in aanmerking kon (konden) komen;</al></li><li nr="qq."><al>Tweede woning huur: woonruimte met een rekenhuur hoger dan de
                                    huurtoeslaggrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a,
                                    van de Wet op de huurtoeslag, die uitsluitend door de
                                    hoofdhuurder (of zijn gezinsleden) als tweede woning in gebruik
                                    is. De hoofdhuurder heeft zijn hoofdverblijf buiten de gemeente
                                    Amsterdam;</al></li><li nr="rr."><al>Tweede woning koop: woonruimte die wordt gebruikt door een
                                    natuurlijk persoon die eigenaar is in de zin van het burgerlijk
                                    wetboek en die zijn hoofdverblijf niet heeft in de gemeente
                                    Amsterdam, waarbij het om niet meer dan één woonruimte kan
                                    gaan;</al></li><li nr="ss."><al>urgentieverklaring: de beschikking waarmee een woningzoekenden
                                    in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12, tweede lid,
                                    van de wet wordt ingedeeld;</al></li><li nr="tt."><al>vergunninghouders: de vergunninghouders als bedoeld in artikel
                                    28 van de Huisvestingswet 2014;</al></li><li nr="uu."><al>voorliggende voorziening: een voorziening die gelet op haar aard
                                    en doel, wordt geacht voor het oplossen van het
                                    huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te
                                    zijn;</al></li><li nr="vv."><al>Wet: de Huisvestingswet 2014;</al></li><li nr="ww."><al>Woningmarktregio: Stadsregio Amsterdam die bestaat uit de
                                    gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen,
                                    Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan,
                                    Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland,
                                    Zaanstad en Zeevang;</al></li><li nr="xx."><al>Woning: zelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="yy."><al>Woningruil: ruil waarbij twee of meer huishoudens zich
                                    daadwerkelijk vestigen in elkaars woning;</al></li><li nr="zz."><al>Woningtype: de ingevolge het bepaalde in artikel 2.6.3, tweede
                                    lid, in het zoekprofiel van een urgentieverklaring op te nemen
                                    categorie woonruimte;</al></li><li nr="aaa."><al>Woongroep: een samenlevingsverband bestaande uit tenminste drie
                                    personen tussen wie geen familierechtelijke relatie
                                    bestaat;</al></li><li nr="bbb."><al>Woonoppervlak: het gezamenlijk oppervlak van de vertrekken zoals
                                    dat wordt berekend volgens het Besluit huurprijzen
                                    woonruimte;</al></li><li nr="ccc."><al>Woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of
                                    meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door
                                    een huishouden;</al></li><li nr="ddd."><al>Woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op
                                    een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden
                                    verplaatst;</al></li><li nr="eee."><al>Zelfstandige woonruimte: woonruimte die een eigen toegang heeft
                                    en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit
                                    huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen
                                    buiten de woonruimte;</al></li><li nr="fff."><al>zelfredzaamheid: het naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders voldoende zelfstandig redzaam zijn om zelfstandig te
                                    kunnen wonen;</al></li><li nr="ggg."><al>Zelfstandige huurwoning: zelfstandige woonruimte, welke verhuurd
                                    wordt;</al></li><li nr="hhh."><al>Zoekgebied: het zoekgebied als bedoeld in artikel 2.6.3, derde
                                    lid en artikel 2.6.4;</al></li><li nr="iii"><al>Zoekprofiel: het zoekprofiel als bedoeld in artikel 2.6.3,
                                    eerste lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Verdeling van woonruimte</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>I</nr><titel>Woonruimteverdeling</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in deze afdeling is van toepassing in de
                                        volgende gemeenten:</al><lijst><li nr="a."><al>Aalsmeer;</al></li><li nr="b."><al>Amstelveen;</al></li><li nr="c."><al>Amsterdam;</al></li><li nr="d."><al>Beemster;</al></li><li nr="e."><al>Edam-Volendam;</al></li><li nr="f."><al>Diemen;</al></li><li nr="g."><al>Haarlemmermeer;</al></li><li nr="h."><al>Landsmeer;</al></li><li nr="i."><al>Oostzaan;</al></li><li nr="j."><al>Ouder-Amstel;</al></li><li nr="k."><al>Purmerend;</al></li><li nr="l."><al>Uithoorn;</al></li><li nr="m."><al>Waterland;</al></li><li nr="n."><al>Wormerland;</al></li><li nr="o."><al>Zaanstad;</al></li><li nr="p."><al>Zeevang.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de regiogemeenten genoemd in het eerste lid worden als
                                        woonruimten als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de wet
                                        aangewezen alle zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur
                                        tot de liberalisatiegrens.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is het bepaalde in deze
                                        afdeling niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onzelfstandige woonruimte en woonruimte gebruikt
                                                voor inwoning;</al></li><li nr="b."><al>Woonschepen;</al></li><li nr="c."><al>De complexen genoemd in bijlage 1 behorende bij deze
                                                verordening;</al></li><li nr="d."><al>Woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid,
                                                onder a tot en met c, van de Leegstandwet;</al></li><li nr="e."><al>studentenwoningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid worden in de
                                        gemeenten Aalsmeer, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Uithoorn
                                        en Zaanstad zelfstandige huurwoningen welke geen eigendom
                                        zijn van corporaties niet aangewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>Reikwijdte vergunningplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens
                                        artikel 2.1.1 voor bewoning in gebruik te nemen zonder
                                        huisvestingsvergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens
                                        artikel 2.1.1 voor bewoning in gebruik te geven aan een
                                        persoon die niet beschikt over een
                                        huisvestingsvergunning.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toelating tot het aangewezen deel van de woningmarkt</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Toelatingscriteria</titel></kop><al>Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning dient
                                    de woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>tenminste één van de leden van het huishouden van de
                                            woningzoekende is niet minderjarig als bedoeld in
                                            artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="b."><al>de leden van het huishouden van de woningzoekende
                                            bezitten de Nederlandse nationaliteit of worden op grond
                                            van een wettelijke bepaling als Nederlander behandeld of
                                            zijn vreemdeling en verblijven rechtmatig in Nederland
                                            als bedoeld in artikel 8, a t/m e en l van de
                                            Vreemdelingenwet 2000.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Aanvullend toelatingscriterium particuliere
                                        huurvoorraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In aanvulling op de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1
                                        geldt om. toegelaten te worden tot de woonruimten waarop het
                                        bepaalde in paragraaf 4 van toepassing is de volgende
                                        voorwaarde: het inkomen van het huishouden bedraagt maximaal
                                        € 43.000.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt bij aanvang van
                                        het kalenderjaar 2016 en elk daarop volgende kalenderjaar
                                        geacht te zijn verhoogd met het percentage waarmee in het
                                        daaraan voorafgaande kalenderjaar het Europees
                                        geharmoniseerde prijsindexcijfer voor consumentenprijzen is
                                        gestegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Aanbieden van woonruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Corporaties bieden hun voor verhuur beschikbare woonruimten
                                        eenduidig en transparant te huur aan via een
                                        aanbodinstrument of via meerdere aanbodinstrumenten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het aanbieden van woonruimte wordt vermeld aan welke
                                        eisen de woningzoekende moet voldoen om in aanmerking te
                                        komen voor de aangeboden woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van
                                        toepassing op directe bemiddeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>Woningzoekenden en inschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen van 18 jaar en ouder kunnen zich als
                                        woningzoekenden inschrijven via een aanbodinstrument. De
                                        inschrijving in een in de regio gebruikt aanbodinstrument
                                        geldt als inschrijving in elk in de regio gebruikt
                                        aanbodinstrument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als
                                        woningzoekende ingeschreven staat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inschrijving eindigt nadat een woningzoekende als huurder
                                        woonruimte aangewezen in artikel 2.1.1 in gebruik heeft
                                        genomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde beëindiging van de inschrijving
                                        betreft tevens de leden van het huishouden, niet-zijnde
                                        meeverhuizende inwonende kinderen, wier medeverhuizing
                                        noodzakelijk was voor het verkrijgen van een
                                        huisvestingsvergunning voor de bewoning van de betreffende
                                        woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het derde lid eindigt de
                                        inschrijving niet nadat een woningzoekende als huurder
                                        woonruimte aangewezen is in artikel 2.1.1 in gebruik heeft
                                        genomen, voor zover die woonruimte geen eigendom is van een
                                        corporatie en niet via het aanbodinstrument Woningnet te
                                        huur is aangeboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>Voorwaarden aan inschrijving via het
                                        aanbodinstrument</titel></kop><al>Door of namens de corporatie die verantwoordelijk is voor een
                                    aanbodinstrument kunnen voorwaarden aan de in het eerste lid
                                    bedoelde inschrijving worden verbonden. De voorwaarden zijn
                                    openbaar en te raadplegen via de website van het
                                    aanbodinstrument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Aanvraag vergunning en in te dienen bescheiden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op een aanvraag om een huisvestingsvergunning beslissen
                                        burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
                                        woonruimte is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende
                                        bewijsstukken:</al><lijst><li nr="a."><al>meest recente inkomensgegevens van de
                                                woningzoekende, verstrekt door diens werkgever,
                                                uitkeringsinstantie of pensioeninstantie dan wel de
                                                meest recente aanslag inkomstenbelasting of een
                                                accountantsverklaring indien aanvrager zelfstandig
                                                werkzaam is;</al></li><li nr="b."><al>een uittreksel uit de basisadministratie van de
                                                woonplaats van</al><al>aanvrager; en,</al></li><li nr="c."><al>een kopie van een geldig verblijfsdocument indien de
                                                woningzoekende en de overige leden van het
                                                huishouden waarop de aanvraag betrekking heeft niet
                                                de Nederlandse nationaliteit bezitten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvrager kan gevraagd worden een geldig
                                        identiteitsbewijs van alle leden van het huishouden waarop
                                        de aanvraag betrekking heeft, te tonen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aanvrager een huisvestingsvergunning aanvraagt voor
                                        woonruimte als bedoeld in artikel 2.4.4, tweede lid, eerste
                                        kolom, derde rij, dient de aanvraag tevens vergezeld te gaan
                                        van een indicatie op basis waarvan beoordeeld kan worden of
                                        de specifieke eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen
                                        aan de verminderde zelfredzaamheid van één of meerdere leden
                                        van het huishouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere gegevens
                                        te vragen die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.7</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na
                                        datum van indiening op de aanvraag voor een
                                        huisvestingsvergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de beslistermijn
                                        eenmalig te verlengen met vier weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.8</nr><titel>Gegevens op vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beschikking op de aanvraag bevat tenminste:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de samenstelling van het huishouden dat de
                                                woonruimte wil betrekken;</al></li><li nr="c."><al>het adres van de woonruimte waar de aanvraag
                                                betrekking op heeft;</al></li><li nr="d."><al>het voorschrift houdende dat binnen vier weken na
                                                verlening van de vergunning de woonruimte in gebruik
                                                wordt genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in de beschikking tevens
                                        opnemen dat de vergunning slechts geldig is indien het
                                        gehele huishouden waarvoor de vergunning is verleend, de
                                        woonruimte betrekt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Vergunningverlening particuliere huurvoorraad</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Reikwijdte paragraaf 3</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op
                                    ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is
                                    van een corporatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren de
                                        huisvestingsvergunning indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden niet voldoet aan de voorwaarden
                                                genoemd in artikel 2.2.1 en artikel 2.2.2;</al></li><li nr="b."><al>het huishouden al in het bezit is van een geldige
                                                huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>het huishouden op grond van artikel 2.3.3 niet voor
                                                de huisvestingsvergunning in aanmerking komt;
                                                of,</al></li><li nr="d."><al>niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte
                                                in gebruik zal nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de
                                        huisvestingsvergunning indien geen van de in het eerste lid
                                        genoemde weigeringsgronden zich voordoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3</nr><titel>Bezettingsnormen</titel></kop><al>Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning wordt
                                    overeenkomstig het bepaalde in Bijlage 3 voorrang verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                    intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte
                                            niet binnen de genoemde termijn in gebruik heeft
                                            genomen;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de houder
                                            van de vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Toewijzing en vergunningverlening corporatiewoningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Reikwijdte paragraaf 4</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op
                                    ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is
                                    van een corporatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren de
                                        huisvestingsvergunning indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden niet voldoet aan de
                                                toelatingscriteria genoemd in artikel 2.2.1;</al></li><li nr="b."><al>het huishouden al in het bezit is van een
                                                huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>het huishouden op grond van het bepaalde in artikel
                                                2.4.6 niet voor de huisvestingsvergunning in
                                                aanmerking komt;</al></li><li nr="d."><al>het niet aannemelijk is dat het huishouden de
                                                woonruimte in gebruik zal nemen; of,</al></li><li nr="e."><al>de corporatie, gelet op haar taak als toegelaten
                                                instelling of haar belang als verhuurder, daaronder
                                                mede begrepen haar verantwoordelijkheid voor de
                                                bescherming van de belangen van de overige huurders
                                                en voor de waarborging van het woongenot,
                                                redelijkerwijs het sluiten van een huurovereenkomst
                                                met aanvrager heeft kunnen weigeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de
                                        huisvestingsvergunning indien geen van de in het eerste lid
                                        genoemde weigeringsgronden zich voordoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                    intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte
                                            niet binnen de genoemde termijn in gebruik heeft
                                            genomen;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de houder
                                            van de vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                    intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte
                                            niet binnen de genoemde termijn in gebruik heeft
                                            genomen;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de houder
                                            van de vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Passendheidscriteria: voorrang gelet op de aard, grootte
                                        en prijs van woonruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de
                                        wet worden aangewezen de categorieën woonruimte beschreven
                                        in kolom 1 van de in het tweede lid opgenomen tabel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor
                                        woonruimte die behoort tot een in kolom 1 genoemde categorie
                                        woonruimte wordt voorrang gegeven aan de categorieën
                                        woningzoekenden genoemd in kolom 2 achter de desbetreffende
                                        categorie woonruimte.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><thead><row><entry><al><cursief>Kolom 1: Categorie woonruimte
                                                  (labels)</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Kolom 2: Categorie woningzoekenden
                                                  (voorrangsgroepen)</cursief></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van senioren</al></entry><entry><al>Huishoudens waarvan één lid tenminste </al><al>de leeftijd van 55 jaar of ouder </al><al>heeft bereikt. Indien er geen huishouden </al><al>dat voldoet aan het in de eerste zin </al><al>bepaalde voor de woonruimte in </al><al>aanmerking komt, wordt voorrang gegeven</al><al>aan het huishouden met een lid dat de</al><al>leeftijd van 55 jaar het dichtst
                                                  benadert.</al></entry></row><row><entry><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van jongeren</al></entry><entry><al>Huishoudens bestaande uit één persoon, zijnde
                                                  een jongere met een leeftijd tot 26 jaar die geen </al><al>student is.</al></entry></row><row><entry><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>personen met verminderde </al><al>zelfredzaamheid</al></entry><entry><al>Huishoudens in het bezit van een indicatie </al><al>waaruit blijkt dat de specifieke </al><al>eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen
                                                  aan de verminderde zelfredzaamheid van één of
                                                  meerdere </al><al>leden van het huishouden</al></entry></row><row><entry><al>Woonruimte gelet op de </al><al>huurprijs in het bijzonder geschikt voor </al><al>de huisvesting van huishoudens met </al><al>een laag inkomen</al></entry><entry><al>Huishoudens met een laag inkomen als </al><al>bedoeld in lid 3.</al></entry></row><row><entry><al>Woonruimte gelet op de </al><al>huurprijs in het bijzonder geschikt voor </al><al>de huisvesting van huishoudens met </al><al>een hoger inkomen</al></entry><entry><al>Huishoudens met een hoger inkomen </al><al>als bedoeld in lid 3</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Huishoudens met een laag inkomen zijn huishoudens met een
                                        inkomen tot een nader, bij het te huur aanbieden van
                                        woonruimte, door burgemeester en wethouders te bepalen
                                        hoogte. Huishoudens met een hoog inkomen zijn huishoudens
                                        met een inkomen boven een nader, bij het te huur aanbieden
                                        van woonruimte, door burgemeester en wethouders te bepalen
                                        hoogte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als categorie woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de
                                        wet wordt voorts aangewezen: woonruimte in het bijzonder
                                        geschikt voor de huisvesting van grote huishoudens.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale
                                        binding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de verlening van huisvestingsvergunningen wordt voor ten
                                        hoogste 50 procent van de in artikel 2.1.1 aangewezen
                                        categorieën woonruimte, voorrang gegeven aan huishoudens
                                        omdat zij economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de
                                        woningmarktregio, zoals bedoeld in artikel 14, derde lid,
                                        van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor ten hoogste de helft van het in het eerste lid genoemde
                                        percentage mag bij de verlening van huisvestingsvergunningen
                                        voorrang worden gegeven aan woningzoekenden omdat zij
                                        economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan een tot de
                                        gemeente behorende kern als bedoeld in artikel 14, derde
                                        lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Algemene volgordebepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien woonruimte te huur wordt aangeboden via een
                                        aanbodinstrument wordt de volgorde waarin de woningzoekenden
                                        die op het aanbod gereageerd hebben in aanmerking komen voor
                                        een huisvestingsvergunning bepaald overeenkomstig het
                                        bepaalde in artikel 2.4.6 tot en met 2.4.8.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de
                                        volgende groepen woningzoekenden in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                passendheids- en bindingscriteria;</al></li><li nr="b."><al>de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                passendheidscriteria;</al></li><li nr="c."><al>de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria;</al></li><li nr="d."><al>de overige woningzoekenden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing als op de
                                        te huur aangeboden woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde
                                        lid, opgenomen passendheidscriterium van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6a</nr><titel>Bijzondere volgordebepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is van toepassing als op te huur
                                        aangeboden woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde lid,
                                        opgenomen passendheidscriterium van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de
                                        volgende negen groepen woningzoekenden in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria, in het bezit zijn van een
                                                urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat
                                                uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="b."><al>woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria, in het bezit zijn van een
                                                urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat
                                                uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="c."><al>woningzoekenden in het bezit van een
                                                urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat
                                                uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="d."><al>woningzoekenden die in het bezit zijn van een
                                                urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat
                                                uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="e."><al>woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria en wier huishouden mede bestaat uit
                                                drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="f."><al>woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria en wier huishouden mede bestaat uit
                                                tenminste één inwonend kind jonger dan 18 jaar;</al></li><li nr="g."><al>woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit
                                                drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="h."><al>woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit
                                                tenminste één inwonend kind jonger dan 18 jaar;</al></li><li nr="i."><al>overige woningzoekenden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Volgorde van houders van een urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van de woningzoekenden die zijn ingedeeld in één van de in
                                        artikel 2.4.6, tweede lid aanhef en onder a tot en met d
                                        bedoelde groepen of in één van de in artikel 2.4.6a, tweede
                                        lid aanhef en onder a tot en met i bedoelde groepen, komen
                                        als eerste in aanmerking voor een huisvestingsvergunning de
                                        houders van een urgentieverklaring indien de woonruimte
                                        voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen
                                        zoekprofiel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien op grond van het eerste lid meerdere houders van een
                                        urgentieverklaring als eerste in aanmerking zouden komen
                                        voor een huisvestingsvergunning, komt als eerste in
                                        aanmerking het huishouden waarvan de urgentieverklaring als
                                        eerste is verleend of waarvoor voorziening in de behoefte
                                        aan woonruimte naar het oordeel van burgemeester en
                                        wethouders het meest dringend noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houders van een urgentieverklaring, verleend ter indeling
                                        in één van de in artikel 2.6.6 genoemde gronden, worden
                                        geacht te voldoen aan de bindingscriteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Volgorde van de overige woningzoekenden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De volgorde waarin woningzoekenden, niet zijnde houders van
                                        een urgentieverklaring, die behoren tot één van de in
                                        artikel 2.4.6, tweede lid, aanhef en onder a tot en met d,
                                        bedoelde groepen of tot één van de in artikel 2.4.6a, tweede
                                        lid aanhef en onder a tot en met i bedoelde groepen, in
                                        aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning, wordt
                                        bepaald aan de hand van een in de volgende leden beschreven
                                        rangordecriterium.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De volgende rangordecriteria kunnen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>Inschrijfduur. De woningzoekende met de langste
                                                inschrijfduur komt als eerste in aanmerking voor de
                                                huisvestingsvergunning.</al></li><li nr="b."><al>Loting. Bij loting wordt door de corporatie op
                                                elektronische of andere geschikte wijze bepaald in
                                                welke volgorde de aan de loting deelnemende
                                                woningzoekenden voor de huisvestingsvergunning in
                                                aanmerking komen. Daarbij heeft elk deelnemende
                                                woningzoekende een gelijke kans op elke plek in de
                                                totale rangorde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Per kalenderjaar wordt in de gehele regio op ten hoogste 15
                                        % en per gemeente op ten hoogste 20 % van door corporaties
                                        te huur aangeboden woonruimten het rangordecriterium loting
                                        toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Directe bemiddeling</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2.3, eerste lid, kan
                                    de woonruimte via directe bemiddeling worden aangeboden indien
                                    het betreft de huisvesting van woningzoekenden voor wie geldt
                                    dat het naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet
                                    doelmatig is om hen via een aanbodinstrument naar woonruimte te
                                    laten zoeken. Dit betreft in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>vergunninghouders;</al></li><li nr="b."><al>houders van een urgentieverklaring; en,</al></li><li nr="c."><al>huishoudens bedoeld in artikel 2.4.10.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Bijzondere gevallen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van corporaties kan bij de huisvesting van
                                            huishoudens in bijzondere gevallen die voldoen aan de
                                            volgende voorwaarden, direct bemiddeld worden:</al><lijst><li nr="a."><al>het betreft de huisvesting van huishoudens wier
                                                  specifieke situatie vraagt om een oplossing op
                                                  maat, welke niet kan worden geboden met toepassing
                                                  van het bepaalde in deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>het aantal huisvestingen op grond van dit
                                                  artikel bedraagt per regiogemeente per
                                                  kalenderjaar ten hoogste vijf procent van de met
                                                  toepassing van het bepaalde in deze verordening te
                                                  verhuren woonruimte;</al></li><li nr="c."><al>de huisvestingen op grond van dit artikel worden
                                                  geregistreerd en jaarlijks gerapporteerd aan de
                                                  Stuurgroep Wonen. Daarbij wordt de Stuurgroep
                                                  Wonen in ieder geval medegedeeld hoeveel gevallen
                                                  het per regiogemeente betrof.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Experimenten woonruimteverdeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een experiment worden de effecten onderzocht van een
                                        wijze van in gebruik geven van woonruimte, welke niet in of
                                        op grond van deze verordening is geregeld maar wel in een op
                                        grond van de Huisvestingswet 2014 vast te stellen
                                        verordening geregeld zou kunnen worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wijze van in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in
                                        het eerste lid staat ten dienste van een rechtvaardige,
                                        doelmatige, evenwichtige en transparante verdeling van
                                        woonruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Experimenten met woonruimten van corporaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Corporaties en één of meer regiogemeenten kunnen een
                                        experiment organiseren. Zij stellen daartoe de opzet van het
                                        experiment vast, welke tenminste het volgende bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van het doel en de inhoud van het
                                                experiment; en,</al></li><li nr="b."><al>het toepassingsbereik van het experiment; en,</al></li><li nr="c."><al>de tijdsduur van het experiment; en,</al></li><li nr="d."><al>de wijze van begeleiding van het experiment
                                                gedurende de duur van het experiment; en,</al></li><li nr="e."><al>de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd
                                                wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en
                                        betreft per jaar maximaal tien procent van de in dat jaar
                                        toe te wijzen woonruimten van de corporaties die bij het
                                        experiment betrokken zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een experiment vangt pas aan nadat de Stuurgroep Wonen de
                                        experimentenopzet heeft goedgekeurd. Bij zijn beslissing tot
                                        goed- dan wel afkeuring van de experimentenovereenkomst
                                        neemt de Stuurgroep Wonen de belangen van een evenwichtige,
                                        rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van
                                        woonruimte in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Experiment met overige aangewezen woonruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Andere verhuurders dan corporaties kunnen in samenwerking
                                        met één of meer regiogemeenten een experiment organiseren.
                                        Het bepaalde in artikel 2.5.2, eerste lid, is hierop van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en
                                        vangt pas aan nadat het dagelijks bestuur van Stadsregio
                                        Amsterdam van de betrokken regiogemeenten de
                                        experimentenopzet heeft goedgekeurd. Bij hun beslissing
                                        omtrent goedkeuring nemen zij de belangen van een
                                        evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante
                                        verdeling van woonruimte in acht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Urgentie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een
                                        urgentieverklaring</titel></kop><al>Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslissen burgemeester
                                    en wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.6.2,
                                    eerste lid, aangevraagd moet worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanvraag om een urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een urgentieverklaring wordt aangevraagd:</al><lijst><li nr="a."><al>bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente
                                                waar de aanvrager blijkens diens inschrijving in de
                                                basisregistratie zijn woonadres heeft; of,</al></li><li nr="b."><al>bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente
                                                waar de aanvrager wil gaan wonen, als de aanvrager
                                                niet in de regio woont.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de
                                        datum van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn
                                        eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun
                                        besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde
                                        termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de volgende
                                        gegevens en bescheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als
                                                woningzoekende is ingeschreven in een
                                                aanbodinstrument;</al></li><li nr="b."><al>informatie over de aard en de oorsprong van het
                                                huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten
                                                grondslag ligt; en,</al></li><li nr="c."><al>informatie over het inkomen en het vermogen van het
                                                huishouden van aanvrager.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het vorige lid, aanhef en onder a, is niet
                                        van toepassing op een aanvraag die een verzoek om indeling
                                        in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.6.6
                                        inhoudt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Inhoud van de urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor
                                        woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het zoekprofiel bevat het qua ligging, grootte, en aard
                                        meest sobere woningtype of de meest sobere woningtypen dat
                                        naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk
                                        is voor het oplossen van het huisvestingsprobleem.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het zoekprofiel bevat voorts het zoekgebied waarvoor de
                                        urgentieverklaring geldig is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De urgentieverklaring bevat verder de volgende
                                        informatie:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam, het adres en de woonplaats van
                                                aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum van aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>het dossiernummer van de aanvraag;</al></li><li nr="d."><al>de termijn gedurende welke de urgentieverklaring
                                                geldig is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Het zoekgebied</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het zoekgebied omvat de gemeente van burgemeester en
                                        wethouders die de urgentieverklaring hebben verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in de volgende leden is uitsluitend van
                                        toepassing op een urgentieverklaring waarmee de
                                        woningzoekende is ingedeeld in een in artikel 2.6.8 genoemde
                                        urgentiecategorie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de houder van de urgentieverklaring wil verhuizen
                                        naar een andere regiogemeente dan die waar de
                                        urgentieverklaring is afgegeven, kunnen burgemeester en
                                        wethouders van de ontvangende regiogemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het zoekgebied wijzigen zodat het hun gemeente
                                                omvat. Met de wijziging van het zoekgebied komt een
                                                eerder in het zoekprofiel opgenomen zoekgebied te
                                                vervallen; en,</al></li><li nr="b."><al>de in het zoekprofiel opgenomen woningtypen wijzigen
                                                in het voor de ontvangende gemeente, gelet op de
                                                toepasselijke urgentiecategorie, met inachtneming
                                                van het bepaalde in artikel 2.6.3, tweede lid,
                                                gangbare woningtype of woningtypen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de in het tweede lid
                                        bedoelde wijziging van het zoekgebied weigeren indien naar
                                        hun oordeel de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten
                                        van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe nopen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen een termijn van
                                        vier weken op een verzoek om wijziging van het zoekgebied,
                                        bedoeld in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring
                                        indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de
                                        volgende omstandigheden:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de
                                                in artikel 2.2.1 genoemde eisen;</al></li><li nr="b."><al>er is geen sprake van een urgent
                                                huisvestingsprobleem;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager kon het huisvestingsprobleem
                                                redelijkerwijs voorkomen of kan het
                                                huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere
                                                wijze oplossen;</al></li><li nr="d."><al>het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan
                                                worden opgelost door gebruik te maken van een
                                                voorliggende voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het aan de aanvraag ten grondslag liggende
                                                huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een
                                                verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid
                                                van zijn huishouden;</al></li><li nr="f."><al>het aan de aanvraag ten grondslag liggende
                                                huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate
                                                opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige
                                                woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="g."><al>de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een
                                                eerder aan aanvrager of een lid van zijn huishouden
                                                verleende urgentieverklaring is ingetrokken met
                                                toepassing van artikel 2.6.10, tweede lid, aanhef en
                                                onder a en d;</al></li><li nr="h."><al>de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of
                                                in de kosten van bewoning van zelfstandige
                                                woonruimte te voorzien;</al></li><li nr="i."><al>de aanvrager in de periode direct voorafgaand aan
                                                het indienen van de aanvraag blijkens diens
                                                inschrijving in de basisadministratie niet tenminste
                                                twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de
                                                urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig
                                                was;</al></li><li nr="j."><al>het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een
                                        urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.6.8, eerste lid,
                                        kunnen burgemeester en wethouders vervolgens het
                                        aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in
                                        het vorige lid, onder i, bedoelde termijn niet heeft gewoond
                                        in een zelfstandige en krachtens een besluit op grond van de
                                        Wet ruimtelijke ordening voor permanente bewoning bestemde
                                        woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren vervolgens het
                                        aangevraagde indien de aanvrager niet valt onder één van de
                                        in artikel 2.6.6 tot en met 2.6.8 opgenomen
                                        urgentiecategorieën.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Wettelijke urgentiecategorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen
                                        van de in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a tot
                                        en met h en j genoemde omstandigheden voordoet en de
                                        aanvrager tot tenminste één van de volgende
                                        urgentiecategorieën behoort:</al><lijst><li nr="a."><al>woningzoekenden die verblijven in een voorziening
                                                voor tijdelijke opvang van personen, die in verband
                                                met problemen van relationele aard of geweld hun
                                                woonruimte hebben verlaten en waarvan de uitstroom
                                                uit die voorziening aanstaande is, indien de
                                                behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente
                                                gelegen woonruimte als gevolg van die uitstroom naar
                                                het oordeel van burgemeester en wethouders dringend
                                                noodzakelijk is;</al></li><li nr="b."><al>woningzoekenden waarvan de voorziening in de
                                                behoefte aan woonruimte als gevolg van het verlenen
                                                of ontvangen van mantelzorg naar het oordeel van
                                                burgemeester en wethouders voor aanvrager dringend
                                                noodzakelijk is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een
                                        vergunninghouder die, gelet op de in artikel 28 van de wet
                                        genoemde taakstelling, gehuisvest moet worden door het
                                        college van burgemeester en wethouders waar de
                                        urgentieverklaring wordt aangevraagd indien wordt voldaan
                                        aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekende is niet door het Centraal Orgaan
                                                opvang asielzoekers als bedoeld in artikel 2 van de
                                                Wet Centraal orgaan opvang asielzoekers bij een
                                                andere gemeente voorgedragen voor huisvesting;
                                                en,</al></li><li nr="b."><al>de woningzoekende heeft niet eerder aangeboden
                                                woonruimte geweigerd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Regionale urgentiecategorie: uitstroom</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een
                                        woningzoekende die moet omzien naar woonruimte aansluitend
                                        op verblijf in een instelling voor maatschappelijke opvang,
                                        een psychiatrische instelling of een erkende hulp- of
                                        dienstverleningsinstelling, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct
                                                voorafgaand aan het verblijf in de instelling
                                                blijkens de inschrijving in de basisadministratie
                                                woonachtig was in de regio;</al></li><li nr="b."><al>geen van de in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en
                                                onder a, c, d, f, h of j genoemde omstandigheden
                                                zich voordoet; en,</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager, naar het oordeel van burgemeester en
                                                wethouders voldoende zelfredzaam is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een urgentieverklaring als bedoeld in het eerste lid
                                        wordt aangevraagd door een woningzoekende die verblijft in
                                        een in de regio gelegen instelling als bedoeld in het eerste
                                        lid, zijn de volgende leden van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6.1. en artikel
                                        2.6.2, eerste lid, wordt op een aanvraag om een
                                        urgentieverklaring waarmee een woningzoekende wordt
                                        ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in het vorige
                                        lid, besloten door burgemeester en wethouders van de
                                        regiogemeente waar de locatie van de opvanginstelling waar
                                        de woningzoekende verblijft resideert.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6.4, eerste lid,
                                        omvat het in de urgentieverklaring op te nemen zoekgebied e
                                        regiogemeente waarin aanvrager tenminste twee van de drie
                                        jaren direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling
                                        blijkens de inschrijving in de basisadministratie woonachtig
                                        was, tenzij burgemeester en wethouders gelet op de
                                        problematiek van aanvrager een andere regiogemeente in het
                                        zoekgebied opnemen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders van de
                                        regiogemeente die tot het in de urgentieverklaring opgenomen
                                        zoekgebied behoort, stelt het in de urgentieverklaring op te
                                        nemen woningtype vast, overeenkomstig het bepaalde in
                                        artikel 2.6.3, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Overige regionale urgentiecategorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen
                                        van de in artikel 2.6.5, eerste en tweede lid, genoemde
                                        omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één
                                        van de volgende urgentiecategorieën behoort:</al><lijst><li nr="a."><al>woningzoekenden die in een acute noodsituatie
                                                verkeren;</al></li><li nr="b."><al>woningzoekenden die op grond van medische of sociale
                                                redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet
                                                behoren tot de in artikel 2.6.7 bedoelde
                                                urgentiecategorie;</al></li><li nr="c."><al>woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte
                                                behoort tot een door burgemeester en wethouders op
                                                grond van het tweede lid aangewezen complex.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen complexen aanwijzen
                                        waarvan de bewoners in verband met sloop of ingrijpende
                                        renovatie of herstructurering van het gebied waarin de
                                        complexen zijn gelegen, redelijkerwijs binnen twee jaar niet
                                        meer in hun huidige woonruimte kunnen blijven wonen.
                                        Burgemeester en wethouders stellen daarbij een datum vast
                                        met ingang waarvan de bewoners van de aangewezen complexen
                                        een SV-urgentieverklaring kunnen aanvragen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de urgentiecategorieën bedoeld in het eerste lid, aanhef
                                        en onder a en c, is het bepaalde in artikel 2.6.5, eerste
                                        lid aanhef en onder j en het bepaalde in artikel 2.6.3,
                                        tweede lid, niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Geldigheid van de urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de
                                        SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaringen waarmee een
                                        woningzoekende is ingedeeld in een urgentiecategorie als
                                        bedoeld in artikel 2.6.6, tweede lid, of artikel 2.6.7,
                                        eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De urgentieverklaring vervalt:</al><lijst><li nr="a."><al>nadat de houder ervan niet meer behoort tot de
                                                urgentiecategorie welke aanleiding was voor
                                                verlening van de urgentieverklaring; of,</al></li><li nr="b."><al>na verloop van een termijn van 26 weken na verlening
                                                van de urgentieverklaring.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders van de gemeente die tot het in de
                                        urgentieverklaring vermelde zoekgebied behoort kunnen
                                        besluiten dat de urgentieverklaring een langere termijn dan
                                        die bedoeld in het tweede lid geldig blijft indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de omstandigheden bedoeld in artikel 2.6.5, eerste
                                                lid, zich niet voordoen;</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring nog steeds valt
                                                in de urgentiecategorie welke aanleiding was voor
                                                verlening van de urgentieverklaring.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met inbegrip van de in het vorige lid bedoelde verlenging
                                        vervalt een urgentieverklaring na het verstrijken van een
                                        periode van 52 weken na het moment waarop zij verleend
                                        is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Wijzigen en intrekken van de urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de
                                        SV-urgentieverklaring.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders trekken de urgentieverklaring in
                                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
                                                zijn verstrekt en er, indien juiste of volledige
                                                gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de
                                                urgentieverklaring zou zijn geweigerd;</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring niet meer
                                                behoort tot de urgentiecategorie welke aanleiding
                                                was voor verlening van de urgentieverklaring of zich
                                                één of meer toepasselijke, in artikel 2.6.5, eerste
                                                lid, opgenomen en op de desbetreffende
                                                urgentiecategorie toepasselijke weigeringsgronden
                                                voordoen;</al></li><li nr="c."><al>de houder van de urgentieverklaring daartoe
                                                verzoekt; of,</al></li><li nr="d."><al>de houder van de urgentieverklaring passende
                                                woonruimte heeft geweigerd of zich anderszins
                                                onvoldoende heeft ingespannen om zijn
                                                huisvestingsprobleem op te lossen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring
                                        wijzigen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
                                                zijn verstrekt en er, indien juiste of volledige
                                                gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de
                                                urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar
                                                anders op de aanvraag zou zijn besloten; of,</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring behoort tot een
                                                andere urgentiecategorie dan die welke aanleiding
                                                was voor verlening van de urgentieverklaring.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ter voorbereiding van een besluit tot intrekking of
                                        wijziging van de urgentieverklaring kunnen burgemeester en
                                        wethouders zich laten adviseren door een ter zake deskundig
                                        persoon.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders een voorwaarde aan de
                                        urgentieverklaring hebben verbonden, treedt de
                                        urgentieverklaring pas in werking als aan de voorwaarde is
                                        voldaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze
                                        verordening zou leiden tot weigering van een
                                        urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring
                                        toe te kennen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>weigering van een urgentieverklaring leidt tot een
                                                schrijnende situatie; en,</al></li><li nr="b."><al>sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de
                                                verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op
                                                het doel van de verordening redelijkerwijs toch een
                                                grond voor de verlening van een urgentieverklaring
                                                zouden kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin
                                        met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een
                                        urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat
                                        tenminste de datum waarop de urgentieverklaring wordt
                                        verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die
                                        leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De
                                        registraties worden tenminste eenmaal per jaar besproken in
                                        de Stuurgroep Wonen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Overgangsrecht urgentieverklaringen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Urgentieverklaringen die vóór 1 januari 2015 zijn verleend
                                        op grond van artikel 14 van de Regionale
                                        Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 of artikel
                                        6 van het Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam
                                        en Platform Woningcorporaties Noordvleugel Randstad d.d. 1
                                        januari 2013 zoals deze luidden onmiddellijk vóór 1 juli
                                        2015, worden gelijkgesteld met de op grond van artikel 2.6.1
                                        van deze verordening te verlenen urgentieverklaringen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Beslissingen op een aanvraag om een urgentieverklaring als
                                        bedoeld in artikel 14 van de Regionale
                                        Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en op
                                        verzoeken om een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 6
                                        van het Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam
                                        en Platform Woningcorporaties Noordvleugel Randstad d.d. 1
                                        januari 2013 zoals deze luidden onmiddellijk vóór 1 juli
                                        2015, genomen in de periode van 1 januari 2015 tot 1 juli
                                        2015 worden gelijkgesteld met de op grond van artikel 2.6.1
                                        van deze verordening te nemen besluiten om een
                                        urgentieverklaringen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid is
                                        het bepaalde in 2.6.4, derde tot en met vijfde lid, van deze
                                        verordening niet van toepassing op urgentieverklaringen die
                                        zijn afgegeven op grond van artikel 14 van de Regionale
                                        Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 of artikel
                                        6 van het Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam
                                        en Platform Woningcorporaties Noordvleugel Randstad d.d. 1
                                        januari 2013 zoals deze luidden vóór 1 juli 2015.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op aanvragen om een urgentieverklaring als bedoeld in
                                        artikel 14 van de Regionale Huisvestingsverordening
                                        Stadsregio Amsterdam 2013 en op verzoeken om een
                                        urgentieverklaring als bedoeld in artikel 6 van het
                                        Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam en
                                        Platform Woningcorporaties Noordvleugel Randstad d.d. 1
                                        januari 2013 zoals deze luidden onmiddellijk vóór 1 juli
                                        2015 waarop op 1 juli 2015 nog niet is besloten, wordt
                                        besloten overeenkomstig het bepaalde in deze
                                        verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen met ingang van 1 juli 2015)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>II</nr><titel>Verdeling van standplaatsen woonwagens</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Standplaatsen voor woonwagens</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><al>In de gemeenten Amstelveen, Amsterdam, Oostzaan, Ouder-Amstel en
                                    Purmerend worden alle standplaatsen aangewezen als woonruimte
                                    als bedoeld in artikel 1, derde lid onder a, van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Reikwijdte vergunningplicht</titel></kop><al>Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een aangewezen
                                    standplaats in gebruik te nemen of te geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inschrijving register</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders houden een register bij van
                                        standplaatszoekenden. Het register vermeldt de
                                        standplaatszoekenden in volgorde van
                                        inschrijvingsdatum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Om op de in het eerste lid genoemde lijst te kunnen worden
                                        ingeschreven moet de standplaatsgerechtigde aantonen dat hij
                                        voldoet aan de criteria genoemd in artikel 4.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inschrijving in het register is geldig voor één jaar.
                                        Burgemeester en wethouders kunnen de termijn van de
                                        inschrijving verlengen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verstrekken aan de
                                        standplaatszoekende een bewijs van inschrijving, waarop in
                                        ieder geval de volgende gegevens zijn vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>inschrijvingsnummer;</al></li><li nr="b."><al>datum van inschrijving;</al></li><li nr="c."><al>naam en adres van aanvrager.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders halen een inschrijving door in
                                        het register indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de standplaatszoekende niet meer aan de vereisten
                                                voor inschrijving voldoet;</al></li><li nr="b."><al>de standplaatszoekende daarom verzoekt;</al></li><li nr="c."><al>de standplaatszoekende is overleden;</al></li><li nr="d."><al>de geldigheidstermijn van de inschrijving is
                                                verstreken;</al></li><li nr="e."><al>de standplaatszoekende een standplaats of woning in
                                                Nederland krijgt toegewezen en deze accepteert;</al></li><li nr="f."><al>de standplaatszoekende een standplaats achterlaat
                                                bij toewijzen en acceptatie van een woning;</al></li><li nr="g."><al>de standplaatszoekende gegevens heeft verstrekt bij
                                                de inschrijving waarvan deze wist of redelijkerwijs
                                                kan vermoeden dat zij onjuist of onvolledig
                                                waren;</al></li><li nr="h."><al>de standplaatszoekende niet binnen tien dagen zijn
                                                inschrijving heeft gecontinueerd door inzending van
                                                een door burgemeester en wethouders te verstrekken
                                                enquêteformulier.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>In te dienen bescheiden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij inschrijving in het register worden de volgende
                                        bescheiden overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>een uittreksel uit de Gemeentelijke
                                                Basisadministratie van de woonplaats van
                                                aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>een geldig identiteitsbewijs;</al></li><li nr="c."><al>een geldig verblijfsdocument indien aanvrager niet
                                                de Nederlandse nationaliteit bezit;</al></li><li nr="d."><al>bewijzen van inkomsten waaruit het huidige inkomen
                                                van het huishouden blijkt;</al></li><li nr="e."><al>indien de aanvrager behoort tot de groep personen
                                                genoemd in artikel 18 van de voormalige
                                                Woonwagenwet: een bewonersverklaring waaruit blijkt
                                                dat de woningzoekende daadwerkelijk tot de
                                                traditionele doelgroep behoort.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de gemeente Amsterdam worden eveneens bescheiden
                                        overgelegd waaruit blijkt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de standplaatszoekende een bedrijf of beroep
                                                uitoefent dat verband houdt met de exploitatie van
                                                het circus- of kermisbedrijf;</al></li><li nr="b."><al>minimaal 70% van zijn/haar gemiddeld jaarinkomen
                                                over de afgelopen drie kalenderjaar binnen het onder
                                                a genoemde bedrijf of beroep heeft vergaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere gegevens
                                        te vragen die nodig zijn om de inschrijving te
                                        beoordelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Criteria voor vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de
                                        huisvestingsvergunning voor het betrekken van een
                                        standplaats, indien het huishouden voldoet aan de
                                        voorwaarden genoemd in artikel 4 en het huishouden volgens
                                        de volgordebepaling bedoeld in artikel 25 als eerste voor de
                                        standplaats in aanmerking komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 5, derde lid, artikel 6 en artikel 7, eerste lid,
                                        zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er kan één huisvestingsvergunning per huishouden worden
                                        verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                    intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven
                                            van de vergunning geen gebruik meer te willen
                                            maken;</al></li><li nr="b."><al>de vergunninghouder de in de vergunning vermelde
                                            standplaats niet binnen de genoemde termijn in gebruik
                                            heeft genomen;</al></li><li nr="c."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                            vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Nadere uitwerking </titel></kop><al>Burgemeester en wethouders stellen regels op over de wijze van
                                    verdeling en volgordebepaling bij toewijzing van een standplaats
                                    aan een standplaatszoekende.</al></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Wijziging van de woonruimtevoorraad</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>I</nr><titel>Onttrekking, samenvoeging en omzetting</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in paragraaf één tot met drie is van toepassing
                                        in de volgende gemeenten:</al><lijst><li nr="a."><al>Amstelveen;</al></li><li nr="b."><al>Amsterdam</al></li><li nr="c."><al>Beemster;</al></li><li nr="d."><al>Edam-Volendam;</al></li><li nr="e."><al>Haarlemmermeer;</al></li><li nr="f."><al>Landsmeer;</al></li><li nr="g."><al>Oostzaan;</al></li><li nr="h."><al>Purmerend;</al></li><li nr="i."><al>Uithoorn;</al></li><li nr="j."><al>Waterland;</al></li><li nr="k."><al>Wormerland;</al></li><li nr="l."><al>Zeevang.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in paragraaf vier is van toepassing in de
                                        gemeente Amsterdam.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als woonruimte als bedoeld in artikel 30 van de wet wordt in
                                        de gemeente Amsterdam aangewezen alle woonruimte ongeacht
                                        huur- of koopprijs met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>tweede woning huur en tweede woning koop zoals
                                                bedoeld in artikel 1 onder w en x; en,</al></li><li nr="b."><al>door burgemeester en wethouders aangewezen
                                                woonruimte voor huisvesting van studenten die staan
                                                ingeschreven bij een universiteit, een hogere
                                                beroepsopleiding of een middelbare beroepsopleiding
                                                gevestigd in het gebied van de Stadsregio Amsterdam,
                                                alsmede voor promovendi verbonden aan deze
                                                instellingen, waarbij sprake is van omzetting van
                                                zelfstandige en onzelfstandige woonruimte; en,</al></li><li nr="c."><al>woonruimte op de adressen genoemd in bijlage 6
                                                ‘Adressen Solids’ bij deze verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als woonruimte als bedoeld in artikel 30 van de wet, wordt
                                        in de gemeente Amstelveen aangewezen, woonruimte onder de
                                        huur- en koopprijsgrens.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als woonruimte bedoeld in artikel 30 van de wet, wordt in de
                                        gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan,
                                        Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland en Zeevang
                                        aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>alle woonruimte ongeacht huur- of koopprijs voor
                                                zover het betreft onttrekking aan de bestemming tot
                                                bewoning;</al></li><li nr="b."><al>woonruimte onder de huur-of koopprijsgrens voor
                                                zover het betreft met andere woonruimte samenvoegen
                                                of van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte
                                                omzetten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als woonruimte als bedoeld in artikel 30 van de wet wordt in
                                        de gemeente Haarlemmermeer aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>alle woonruimte ongeacht de huur- en koopprijs voor
                                                zover het betreft omzetting van zelfstandige
                                                woonruimte in onzelfstandige woonruimte; en,</al></li><li nr="b."><al>alle woonruimte onder de huur- en koopprijsgrens
                                                voor zover het betreft onttrekking aan de bestemming
                                                tot bewoning of met andere woonruimte samen te
                                                voegen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reikwijdte vergunningsplicht</titel></kop><al>Het is verboden om woonruimte aangewezen in artikel 26, derde
                                    tot en met zevende lid zonder vergunning aan bestemming tot
                                    bewoning te onttrekken, met andere woonruimte samen te voegen of
                                    van zelfstandig in onzelfstandige woonruimte om te zetten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Procedure aanvraag onttrekkingsvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag wordt ingediend op een daartoe door burgemeester
                                        en wethouders vastgesteld formulier en gaat ten minste
                                        vergezeld van de in de artikelen 29 en 30 vermelde gegevens
                                        en bescheiden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                        door burgemeester en wethouders vastgestelde aantal worden
                                        ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één gebouw betreffen indien zij
                                        betrekking heeft op met elkaar samenhangende gebouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Op te nemen gegevens</titel></kop><al>Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de eigenaar;</al></li><li nr="b."><al>de straat, het huisnummer en de kadastrale ligging van
                                            het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de aard en het huidige gebruik van de woonruimte(n)
                                            waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>de namen en de adressen van de bewoners van de
                                            woonruimte(n) waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="e."><al>de koopprijs dan wel de feitelijk betaalde en de
                                            maximaal redelijke huurprijs van de woonruimte(n) waarop
                                            de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="f."><al>in geval van samenvoeging: de naam van de toekomstige
                                            bewoner, de omvang van diens huishouden en de maximaal
                                            redelijke huurprijs van de samen te voegen
                                            woonruimte;</al></li><li nr="g."><al>de motivering van het verzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>In te dienen bescheiden</titel></kop><al>Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>één of meer tekeningen van de plattegrond op schaal van
                                            iedere verdieping van het gebouw, alsmede van de
                                            verdieping of verdiepingen waarop de aanvraag betrekking
                                            heeft, met een aanduiding van de beoogde
                                            bestemming;</al></li><li nr="b."><al>een situatietekening, gebaseerd op door of namens
                                            burgemeester en wethouders aangegeven kaartmateriaal
                                            waaruit blijkt de situering van het gebouw ten opzichte
                                            van de in de nabijheid gelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>een compensatievoorstel als bedoeld in artikel 35 eerste
                                            lid onder a;</al></li><li nr="d."><al>de laatste WOZ-waardebeschikking;</al></li><li nr="e."><al>bescheiden betreffende eventueel verleende subsidies ten
                                            behoeve van woningverbetering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen twaalf weken na de
                                    dag waarop de aanvraag is ingediend. Zij kunnen deze termijn
                                    eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Samenloop onttrekking en bouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien voor het gebouw of de gebouwgedeelten waarop de
                                        aanvraag betrekking heeft, tevens een omgevingsvergunning is
                                        aangevraagd, kan bij de aanvraag voor overeenkomstige
                                        gegevens en bescheiden worden verwezen naar de
                                        coördinatiebepaling voor vergunningaanvragen uit de
                                        gemeentelijke bouwverordening voor zover die is
                                        opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de situatie als bedoeld in het eerste lid, kunnen
                                        burgemeester en wethouders de beslissing over een aanvraag
                                        voor de onttrekkingsvergunning aanhouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanhouding eindigt uiterlijk twee weken na de beslissing
                                        op de aanvraag voor de omgevingsvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Beschikkingsvereisten</titel></kop><al>De onttrekkingsvergunning bevat tenminste de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="1."><al>de woonruimte(n) waarop de beschikking betrekking heeft,
                                            aangeduid met de straat, het huisnummer of de kadastrale
                                            ligging, waarbij voor het overige kan worden verwezen
                                            naar de bijgevoegde bescheiden als bedoeld in artikel
                                            30; en,</al></li><li nr="2."><al>de geboden reële compensatie of de verlangde financiële
                                            compensatie als bedoeld in artikel 35, eerste lid onder
                                            a en b;</al></li><li nr="3."><al>de overige opgelegde voorwaarden genoemd in artikel 35,
                                            eerste lid; en,</al></li><li nr="4."><al>de mededeling dat binnen één jaar nadat de vergunning
                                            onherroepelijk is geworden van de vergunning moet worden
                                            gebruikgemaakt dan wel de termijn in geval van een
                                            tijdelijke vergunning.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Vergunningverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Criteria voor vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat het
                                        belang dat met de onttrekking, samenvoeging of omzetting is
                                        gediend even groot is als of groter is dan het belang van
                                        het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad,
                                        wordt de vergunning verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat het
                                        belang van het behoud of de samenstelling van de
                                        woonruimtevoorraad groter is dan het met de onttrekking,
                                        samenvoeging of omzetting gediende belang wordt de
                                        vergunning verleend onder het stellen van voorwaarden en
                                        voorschriften behoudens het bepaalde in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat het
                                        belang van het behoud of de samenstelling van de
                                        woonruimtevoorraad groter is dan het met de onttrekking,
                                        samenvoeging of omzetting gediende belang en dit belang niet
                                        door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende
                                        kan worden gediend, wordt de vergunning geweigerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het behoud of de samenstelling van de woningvoorraad omvat
                                        ook de leefbaarheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Voorwaarden en voorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning de
                                        volgende voorwaarden en voorschriften verbinden:</al><lijst><li nr="a."><al>het toevoegen van een of meer naar het oordeel van
                                                burgemeester en wethouders gelijkwaardige woonruimte
                                                aan de woonruimtevoorraad (reële compensatie);</al></li><li nr="b."><al>het betalen van een financiële compensatie bij
                                                onttrekking van ten hoogste 12% van de WOZ-waarde
                                                van de woonruimte waarvoor de onttrekkingsvergunning
                                                is aangevraagd;</al></li><li nr="c."><al>de samenvoeging levert een woonruimte op met een
                                                huur- of koopprijs beneden de huur- of
                                                koopprijsgrens;</al></li><li nr="d."><al>de samenvoeging levert een woonruimte op met een
                                                door burgemeester of wethouders vast te stellen
                                                huur- of koopprijs;</al></li><li nr="e."><al>een te krap wonend huishouden woont na de
                                                samenvoeging van woonruimte overeenkomstig artikel
                                                10 passend;</al></li><li nr="f."><al>een samengevoegde woonruimte wordt gedurende een
                                                bepaalde periode toegewezen aan huishoudens met een
                                                inkomen tot een door burgemeester en wethouders
                                                bepaalde inkomensgrens; of,</al></li><li nr="g."><al>het waarborgen van een geordend woon- en leefmilieu
                                                waaronder in ieder geval wordt verstaan een veilige
                                                woon- en leefomgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders de voorwaarde genoemd in
                                        het eerste lid onder b aan een vergunning willen verbinden,
                                        stellen zij de hoogte van de financiële compensatie
                                        vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen beslissen tot:</al><lijst><li nr="a."><al>geheel of gedeeltelijke vrijstelling van compensatie
                                                zoals bedoeld in het eerste lid onder b;</al></li><li nr="b."><al>het verlenen van een vrijstelling bij samenvoeging
                                                indien door de eigenaar-bewoner een investering is
                                                gedaan ten behoeve van noodzakelijk bouwkundige
                                                herstel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien op grond van het derde lid onder b vrijstelling wordt
                                        verleend hangt de vrijstelling af van de hoogte van de
                                        investering in relatie tot de economische waarde van de
                                        kleinste woning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De te ontvangen compensatie als bedoeld in eerste lid onder
                                        b, wordt gestort in het lokale volkshuisvestingsfonds, dat
                                        wordt gebruikt voor het realiseren van nieuwe
                                        woonruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een onttrekkingsvergunning
                                    intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk
                                            is geworden, is overgegaan tot onttrekking;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                            vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren;</al></li><li nr="c."><al>niet wordt voldaan aan de bij de vergunning gestelde
                                            voorwaarden en voorschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdelijke onttrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een tijdelijke
                                        onttrekkingsvergunning verlenen als het belang van de
                                        aanvrager slechts voor een bepaalde tijd aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een tijdelijke onttrekkingsvergunning kan worden verleend
                                        voor ten hoogste vijf jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voor
                                        tijdelijke onttrekking de voorwaarde van financiële
                                        compensatie verbinden</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze compensatie bedraagt ten hoogste 1,2 % van de
                                        WOZ-waarde van de betreffende woonruimte.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Tijdelijke onttrekking voor short stay (kort wonen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Vergunning voor short stay</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 37 kunnen burgemeester en
                                        wethouders in verband met short stay een vergunning verlenen
                                        wegens de tijdelijke onttrekking aan de bestemming tot
                                        bewoning van zelfstandige woonruimte voor een periode van
                                        maximaal 10 jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt slechts verleend indien de woonruimte
                                        geschikt blijft voor bewoning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens en bescheiden</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in de artikelen 29 en 30 bevat de
                                    aanvraag de volgende gegevens en bescheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de straat, het huisnummer en de kadastrale ligging van
                                            het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="b."><al>de aard en het huidige gebruik van de woonruimte(n)
                                            waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de maximaal redelijke huurprijs van de woonruimte(n)
                                            waarop de aanvraag betrekking heeft aan de hand van een
                                            puntenwaardering van de woonruimte volgens het
                                            woningwaarderingstelsel als bedoeld in bijlage 1
                                            behorende bij het Besluit huurprijzen woonruimte;</al></li><li nr="d."><al>uittreksel uit het kadaster ten bewijze dat de aanvrager
                                            eigenaar is en een kopie van een geldig
                                            identiteitsbewijs van de eigenaar;</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het verzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Belangenafweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning tenzij het
                                        belang van het behoud of de samenstelling van de
                                        woonruimtevoorraad alsmede de bescherming van de
                                        leefbaarheid groter is dan het belang van de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de voorwaarden en
                                        voorschriften genoemd in artikel 35 aan de vergunning short
                                        stay verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Quotum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen per stadsdeel een quotum
                                        vaststellen voor het maximaal aantal te verlenen
                                        vergunningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij verdeelbesluit bepalen
                                        dat uitsluitend vergunningen worden verleend in bepaalde
                                        gebieden binnen een stadsdeel.</al><al/></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>II</nr><titel>Splitsing</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in Afdeling II is behoudens artikel 51 van
                                        toepassing in de gemeenten:</al><lijst><li nr="a."><al>Amstelveen;</al></li><li nr="b."><al>Amsterdam;</al></li><li nr="c."><al>Diemen;</al></li><li nr="d."><al>Oostzaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de gemeente Amsterdam worden als gebouwen aangewezen alle
                                        gebouwen, tot stand gekomen vóór 1940 in het gebied zoals
                                        opgenomen in bijlage 4. De gebiedsafbakening is vastgesteld
                                        bij Koninklijk Besluit van 8 augustus 1977, nr. 19
                                        (Gemeenteblad 1977, afd.3 volgnr. 145).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Uitgezonderd van de aanwijzing in het tweede lid zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen die naar het oordeel van burgemeester en
                                                wethouders door ingrijpende vernieuwbouw afdoende
                                                voldoen aan de nieuwbouweisen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen die eigendom zijn van coöperatieve
                                                flatexploitatievereniging en waarvan de eigendom
                                                wordt gesplitst in een zelfde aantal
                                                appartementsrechten, als het aantal
                                                lidmaatschapsrechten van de
                                                flatexploitatievereniging onder de voorwaarde dat de
                                                lidmaatschapsrechten daadwerkelijk zijn uitgegeven
                                                overeenkomstig een eerder verleende
                                                splitsingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen waarin meerdere woonruimten aanwezig zijn,
                                                die alle samen in één appartementsrecht worden
                                                ondergebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de gemeente Amstelveen worden als gebouwen aangewezen
                                        alle huur- en koopwoningen beneden de huur- en
                                        koopprijsgrens;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de gemeente Diemen worden als gebouwen aangewezen alle
                                        huurwoningen beneden de huurprijsgrens.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In de gemeenten Oostzaan worden als gebouwen aangewezen alle
                                        gebouwen bevattende woonruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Reikwijdte vergunningplicht</titel></kop><al>Het is verboden een recht op een gebouw dat behoort tot de in
                                    artikel 42 aangewezen categorie, zonder vergunning van
                                    burgemeester en wethouders te splitsen in appartementsrechten
                                    als bedoeld in artikel 106, eerste en vierde lid, boek 5 van het
                                    Burgerlijk Wetboek, indien een of meer appartementsrechten de
                                    bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten
                                    van het gebouw als woonruimten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Procedure aanvraag splitsingsvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een splitsingsvergunning moet schriftelijk worden
                                        aangevraagd op een door burgemeester en wethouders
                                        vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één gebouw betreffen als het
                                        aangrenzende gebouwen betreft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>Op te nemen gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en (correspondentie)adres van de
                                                aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de straat, het huisnummer en de kadastrale ligging
                                                van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft
                                                en het jaar van totstandkoming;</al></li><li nr="c."><al>de aard en het huidige gebruik van de woonruimte(n)
                                                waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>de namen en de adressen van de bewoners van de
                                                woonruimte(n) waarop de aanvraag betrekking
                                                heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op het eerste lid wordt in de gemeente
                                        Amsterdam tevens de maximale huurprijs van de woonruimten
                                        van het gebouw verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>In te dienen bescheiden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag worden tenminste de volgende bescheiden
                                        overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>één of meer tekeningen waaruit blijkt:</al><al>- de plattegrond van iedere verdieping van het
                                                gebouw;</al><al>- de lengte- en dwarsdoorsneden;</al><al>- alle gevelaanzichten;</al><al>- details die verband houden met de geluidwering en
                                                de brandveiligheid.</al></li><li nr="b."><al>een situatietekening, gebaseerd op door of namens
                                                burgemeester en wethouders aangegeven
                                                kaartmateriaal, waaruit blijkt de situering van het
                                                gebouw ten opzichte van de in de nabijheid gelegen
                                                bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>een splitsingsplan dat voldoet aan de vereisten als
                                                neergelegd in artikel 109 van boek 5 van het
                                                Burgerlijk Wetboek en het krachtens dat artikel
                                                vastgestelde besluit betreffende splitsing in
                                                appartementsrechten, waarin de indeling en de met de
                                                splitsing beoogde eigendomswijzigingen zijn
                                                aangegeven op ten minste de schaal 1 :100; en,</al></li><li nr="d."><al>een bouwkundig rapport waaruit afdoende blijkt dat
                                                de toestand van het gebouw zich uit een oogpunt van
                                                indeling of staat van onderhoud niet tegen splitsing
                                                verzet, dan wel hoe het gebouw hiertoe zal worden
                                                aangepast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op het eerste lid wordt in de gemeente
                                        Amsterdam tevens een ondertekende verklaring inzake deelname
                                        aan de Gedragscode splitsen Amsterdam overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid worden in de
                                        gemeente Amsterdam bij de aanvraag voor een
                                        splitsingsvergunning door een corporatie die lid is van de
                                        Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties, die bescheiden
                                        overgelegd die worden gevraagd in het convenant als bedoeld
                                        in artikel 52, onder c.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen dertien weken na
                                        de dag waarop de aanvraag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslistermijn eenmalig
                                        met dertien weken verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Beschikkingsvereisten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De splitsingsvergunning bevat in ieder geval de volgende
                                        gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonruimte(n) waarop de beschikking betrekking
                                                heeft, aangeduid met de straat, het huisnummer en/of
                                                de kadastrale ligging, waarbij in ieder geval wordt
                                                verwezen naar het splitsingsplan als bedoeld in
                                                artikel 109 boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="b."><al>de termijn waarbinnen van de splitsingsvergunning
                                                gebruik moet worden gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De splitsingsvergunning heeft een geldigheidsduur van één
                                        jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, tenzij
                                        een langere geldigheidsduur is vermeld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Vergunningverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Weigeringgronden</titel><subtitel>In verband met woonruimtevoorraad</subtitel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning
                                        weigeren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebouw of het gedeelte van het gebouw waarop de
                                                vergunningaanvraag betrekking heeft, één of meer
                                                woonruimten bevat die worden verhuurd of die
                                                laatstelijk verhuurd zijn geweest;</al></li><li nr="b."><al>dan wel het gebouw of gedeelte van een gebouw, voor
                                                zover dit geheel of gedeeltelijk verhuurd is geweest
                                                voor bewoning, in strijd met de voorschriften van
                                                een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.5 dan
                                                wel een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26
                                                of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening of met enig
                                                wettelijk voorschrift, geheel of gedeeltelijk voor
                                                een ander doel dan voor bewoning in gebruik
                                                genomen;</al></li><li nr="c."><al>de maximale huurprijs voor één of meer van die
                                                woonruimte de huurtoeslaggrens niet te boven
                                                gaat;</al></li><li nr="d."><al>niet gewaarborgd is dat die woonruimte(n) na de
                                                voorgenomen splitsing bestemd blijft of blijven voor
                                                verhuur ter bewoning en</al></li><li nr="e."><al>het belang dat de aanvrager heeft bij splitsing niet
                                                opweegt tegen het belang van het behoud van de
                                                woonruimtevoorraad, voor zover die voor verhuur is
                                                bestemd.</al></li></lijst><al/><tussenkop>In verband met belemmering van de
                                        stadsvernieuwing</tussenkop></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning
                                        eveneens weigeren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebied waarin het gebouw waarop de aanvraag
                                                betrekking heeft is gelegen, een bestemmingsplan als
                                                bedoeld in artikel 3.5 van de Wet ruimtelijke
                                                ordening van kracht is, dan wel een ontwerp voor een
                                                zodanig plan of zodanige verordening of voor een
                                                herziening daarvan in procedure is;</al></li><li nr="b."><al>het ontwerp voor dat plan of voor die verordening,
                                                dan wel voor de herziening daarvan ter inzage is
                                                gelegd voordat de aanvraag van de
                                                splitsingsvergunning is ingediend, dan wel, indien
                                                de aanvraag krachtens artikel 50 is aangehouden,
                                                voor dat die aanhouding is geëindigd;</al></li><li nr="c."><al>de voorgenomen splitsing naar het oordeel van
                                                burgemeester en wethouders nadelig gevolgen kan
                                                hebben voor de met het plan of die verordening
                                                nagestreefde of na te streven doeleinden en </al></li><li nr="d."><al>het belang dat de aanvrager bij splitsing heeft,
                                                niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van
                                                belemmering van de modernisering of vervanging.</al></li></lijst><al/><tussenkop>In verband met de toestand van het gebouw</tussenkop></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning
                                        ten slotte weigeren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de toestand van het gebouw waarop de aanvraag
                                                betrekking heeft, zich uit een oogpunt van indeling
                                                of de staat van onderhoud geheel of ten dele verzet,
                                                en</al></li><li nr="b."><al>de desbetreffende gebreken niet door het treffen van
                                                voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen
                                                kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende
                                                verzekerd is, dat die gebreken zullen worden
                                                opgeheven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van gebreken als bedoeld in het voorgaande lid is in ieder
                                        geval sprake, indien een handhavingsbesluit ingevolge
                                        artikel 1b, tweede lid van de Woningwet is genomen of is
                                        aangeschreven ingevolge de artikelen 13 of 13a van de
                                        Woningwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Aanhoudingsgrond</titel><subtitel>In verband met belemmering van de
                                        stadsvernieuwing</subtitel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders houden de beslissing op een
                                        aanvraag aan indien:</al><lijst><li nr="a."><al>een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7
                                                van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is met
                                                het oog op de voorbereiding van een
                                                stadsvernieuwingsplan of van een herziening
                                                daarvan;</al></li><li nr="b."><al>dat besluit is genomen voordat de aanvraag om
                                                vergunning werd ingediend; </al></li><li nr="c."><al>redelijkerwijs mag worden verwacht dat de in het
                                                stadsvernieuwingsplan op te nemen maatregelen
                                                nadelig kunnen worden beïnvloed door de voorgenomen
                                                splitsing, en</al></li><li nr="d."><al>redelijkerwijs mag worden verwacht dat het belang
                                                dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet
                                                opweegt tegen het belang van het voorkomen van
                                                belemmering van de modernisering of vervanging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanhouding als bedoeld in het eerste lid duurt niet
                                        langer dan tot het moment dat het voorbereidingsbesluit
                                        ingevolge artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening is
                                        vervallen, waarna burgemeester en wethouders binnen vier
                                        weken beslissen op een aanvraag om een
                                        splitsingsvergunning.</al><al/><tussenkop>In verband met de toestand van het gebouw</tussenkop></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders houden de beslissing op een
                                        aanvraag aan indien de aanvrager aannemelijk kan maken dat
                                        hij de gebreken als bedoeld in artikel 49, derde lid met het
                                        oog op de voorgenomen splitsing zal opheffen binnen een
                                        daarvoor door burgemeester en wethouders gestelde
                                        termijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van gebreken als bedoeld in het voorgaande lid is in ieder
                                        geval sprake, indien een handhavingsbesluit ingevolge
                                        artikel 1b, tweede lid van de Woningwet is genomen of is
                                        aangeschreven ingevolge de artikelen 13 of 13a van de
                                        Woningwet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In geval van het vierde lid, wordt in het besluit tot
                                        aanhouding met betrekking tot de op te heffen gebreken en de
                                        daarvoor geldende termijn verwezen naar die
                                        aanschrijving.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Nadat door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat de
                                        gebreken als bedoeld in artikel 49 derde en vierde lid zijn
                                        hersteld, dan wel de noodzakelijke voorzieningen zijn
                                        getroffen binnen de daarvoor aangegeven termijn, wordt met
                                        inachtneming van de Bouwverordening van de betreffende
                                        gemeente binnen vier weken de vergunning verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51</nr><titel>Voorwaarden en verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is alleen van toepassing in de gemeente
                                        Amsterdam.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen indien een aanvraag voor
                                        een splitsingsvergunning wordt gedaan in samenhang met een
                                        bouwplan in het kader van een complexgewijze aanpak of
                                        waarvoor een bouwvergunning is verleend, de vergunning
                                        verlenen onder de opschortende voorwaarde dat het
                                        betreffende bouwplan is uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het derde lid van artikel 50, kunnen
                                        burgemeester en wethouders een zekerheidstelling eisen,
                                        waardoor de uitvoering van het door hen goedgekeurde maar
                                        nog niet uitgevoerde bouwplan, dan wel het opheffen van de
                                        bouwkundige gebreken aan het gebouw verzekerd wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van toepassing van het derde lid, wordt binnen acht
                                        weken na verlening van de splitsingsvergunning een aanvang
                                        gemaakt met de werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gereedmelding van de werkzaamheden wordt binnen een door
                                        burgemeester en wethouders bepaalde termijn bij hen
                                        gedaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen op een door aanvrager
                                        tijdig gedaan schriftelijk verzoek een van het vijfde lid
                                        afwijkende termijn vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun oordeel omtrent
                                        weigering of aanhouding van de splitsingsvergunning
                                        betrekken de wijze waarop de aanvrager van de vergunning
                                        zich heeft gedragen conform de Gedragscode splitsen
                                        Amsterdam.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52</nr><titel>Vergunningverlening corporaties</titel></kop><al>Een aanvraag voor een splitsingsvergunning door een corporatie
                                    wordt niet</al><al>geweigerd, indien wordt voldaan aan de volgende
                                    voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>er geen bezwaar is van de kant van burgemeester en
                                            wethouders op grond van een zwaarwegend
                                            volkshuisvestingsbelang;</al></li><li nr="b."><al>er van de zijde van de Minister van Binnenlandse zaken
                                            en Koninkrijksrelaties geen bezwaar is als bedoeld in
                                            artikel 11e, derde lid, onder b, van het Besluit beheer
                                            sociale huursector tot verkoop van het gebouw waarop de
                                            aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de woningcorporatie voldoet aan de bepalingen van een
                                            tussen burgemeester en wethouders en de corporatie(s)
                                            overeengekomen of overeen te komen convenant inzake
                                            splitsing en verkoop van huurwoningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53</nr><titel>Quotum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeesters en wethouders kunnen per gebiedsdeel een
                                        quotum vaststellen voor het aantal te verlenen vergunningen
                                        per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt genomen voor
                                        1 september van het kalenderjaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning
                                    intrekken indien:</al><lijst><li nr="1."><al>niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk
                                            is geworden, is overgegaan tot overschrijving in
                                            openbare registers van de akte van splitsing in
                                            appartementsrechten, bedoeld in artikel 109 van Boek 5
                                            van het Burgerlijk Wetboek, of tot het verlenen van
                                            deelnemings- of lidmaatschapsrechten;</al></li><li nr="2."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                            vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Verdere bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Wijzigingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55</nr><titel>Overleg bij wijziging</titel></kop><al>Bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging van deze
                                verordening pleegt het dagelijks bestuur overleg met burgemeester en
                                wethouders en met de in de Stadsregio werkzame corporaties en met
                                andere daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende organisaties
                                die binnen de Stadsregio werkzaam zijn op het gebied van de
                                volkshuisvesting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>56</nr><titel>Overeenkomsten</titel></kop><al>De Stadsregio Amsterdam kan met eigenaren van woonruimten een
                                overeenkomst sluiten over de verdeling van woonruimte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Verslaglegging en monitoring</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>57</nr><titel>Verstrekken van inlichtingen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verstrekken het dagelijks bestuur alle
                                door haar verlangde inlichtingen, die naar zijn oordeel nodig zijn
                                voor een juiste beoordeling van de wijze waarop burgemeester en
                                wethouders deze verordening uitvoeren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Handhaving en toezicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>58</nr><titel>Handelen in strijd met onttrekkingsvergunning</titel></kop><al>Hij die handelt in strijd met enig aan de vergunning als bedoeld in
                                artikel 30 van de wet verbonden voorschrift, wordt geacht zonder
                                vergunning te hebben gehandeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>59</nr><titel>Bestuurlijke boete </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete
                                    opleggen bij overtreding van artikel 7 en artikel 30 van de
                                    wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders leggen een boete op:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de eerste overtreding van de artikelen genoemd in
                                            het eerste lid overeenkomstig kolom A van de in bijlage
                                            vijf opgenomen tabel;</al></li><li nr="b."><al>voor de tweede en volgende overtreding van de artikelen
                                            genoemd in het eerste lid binnen drie jaar na de eerste
                                            overtreding overeenkomstig kolom B van de in bijlage 5
                                            genoemde tabel.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Restbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>60</nr><titel>Mandaat</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de uitoefening van hun
                                bevoegdheden krachtens hoofdstuk 2 te mandateren aan corporaties en
                                eigenaren van particuliere huurwoningen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>61</nr><titel>Uitleg verordening</titel></kop><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslissen
                                burgemeester en wethouders, gehoord het dagelijks bestuur, waarbij
                                zij zich uitsluitend zullen laten leiden door overwegingen
                                betrekking hebbende op de evenwichtige en rechtvaardige verdeling
                                van schaarse woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de
                                toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere
                                hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze
                                verordening.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63</nr><titel>Experimenten</titel></kop><al>De regioraad is bevoegd, op voorstel van burgemeester en wethouders,
                            voor een bepaalde periode af te wijken van (onderdelen van) deze
                            verordening ten behoeve van experimenten in het belang van de
                            volkshuisvesting, mits niet in strijd met de wet of het besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>64</nr><titel>Overgangsbepalingen beschikkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen, met inbegrip van
                                daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften vóór het tijdstip van
                                inwerkingtreding van de onderhavige verordening verleend krachtens
                                de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010,
                                gelden als vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen en
                                indicaties, met inbegrip van daaraan verbonden voorwaarden en
                                voorschriften als bedoeld in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 juli 2015 blijft van
                                toepassing op een huisvestingsvergunning, een onttrekkingsvergunning
                                of een splitsingsvergunning of een beschikking tot weigering,
                                wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk
                                is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 juli 2015 blijft van
                                toepassing op een beschikking tot toepassing van een bestuurlijke
                                sanctie, genomen wegens de overtreding van het bepaalde bij of
                                krachtens de Huisvestingswet, of een beschikking tot weigering,
                                wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk
                                is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voor de inwerkingtreding gedane inschrijvingen van
                                standplaatszoekenden, worden geacht inschrijvingen te zijn als
                                bedoeld in artikel 21 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Wanneer het aantal aanvragen voor een vergunning als bedoeld in
                                artikel 38 (short stay) die binnen een door burgemeester en
                                wethouders vast te stellen termijn voor de eerste keer zijn gedaan
                                meer bedraagt dan op grond van artikel 41 vastgestelde quotum, zal
                                loting plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De voor inwerkingtreding van deze verordening vastgestelde
                                beleidsregels blijven onverkort van toepassing indien ze door de
                                inwerkingtreding van deze verordening niet worden gewijzigd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Beslissingen omtrent de toewijzing van woonruimte als bedoeld in het
                                Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam 2013 zoals dit
                                luidde onmiddellijk vóór 1 juli 2015 worden gelijkgesteld met op
                                grond van het bepaalde in hoofdstuk 2 van deze verordening te nemen
                                besluiten op een aanvraag om een huisvestingsvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>64a</nr><titel>Overgangsbepalingen en coulanceregeling omzetten woonduur naar
                                inschrijfduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De woonduur die een woningzoekende die onmiddellijk voorafgaand aan
                                31 december 2015 als zodanig stond ingeschreven op grond van het
                                Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam 2013 heeft
                                opgebouwd, is met ingang van 31 december 2015 omgezet naar
                                inschrijfduur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een woningzoekende zich in de periode van 1 januari 2016 tot
                                1 juli 2019 als zodanig inschrijft, wordt de woonduur die hij heeft
                                opgebouwd onmiddellijk voorafgaand aan 31 december 2015, omgezet
                                naar inschrijfduur indien de woningzoekende bij of na die
                                inschrijving bij de beheerder van het aanbodinstrument of bij een
                                corporatie aangegeven heeft dat bedoelde woonduur omgezet moet
                                worden naar inschrijfduur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde omzetting van woonduur naar
                                inschrijfduur vindt plaats in een verhouding van 1:1.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inschrijfduur die met toepassing van de vorige leden is ontstaan
                                door omzetting van woonduur vervalt op 1 juli 2030.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Regionale Huisvestingsverordening
                            Stadsregio Amsterdam 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>66</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010 wordt
                                per 1 januari 2013 ingetrokken.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Behorende bij artikel 2.1.1, derde lid</titel></kop><al><vet>Gemeente Amstelveen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bejaardenwoningen met dienstverlening op indicatie van de Stichting
                            Welzijn Ouderen</al></li><li nr="2."><al>Woonruimten geleden in het complex ‘Aemstelsteijn’ aan de Laan van de
                            Helende Meesters</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Gemeente Purmerend</vet></al><lijst><li nr="3."><al>Woonruimten in de Oude Stad boven het Willem Eggert Centrum</al></li><li nr="4."><al>Woonruimten in beheer bij AFC vastgoed en Hoorn, De Vos, Metselaar en
                            Sturop</al></li></lijst><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Vervallen met ingang van 1 juli 2015</titel></kop><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>3</nr><titel>Behorende bij artikel 2.3.3</titel></kop><al>Gemeente Amstelveen</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Woning met woonoppervlak of aantal kamers</vet></al></entry><entry><al><vet>Huishouden met minimaal</vet></al></entry></row><row><entry><al>1 kamer , 2 kamer en 3 kamerwoningen</al></entry><entry><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry><al>4 kamerwoning &lt; 60 m2</al></entry><entry><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry><al>4 kamerwoning &gt; 60 m2</al></entry><entry><al>2 personen</al></entry></row><row><entry><al>5 kamerwoning</al></entry><entry><al>5 of meer personen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Overige gemeenten uitgezonderd Amstelveen, Amsterdam en Diemen</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colB"/><colspec colname="colA"/><tbody><row><entry><al><vet>Woning met aantal kamers</vet></al></entry><entry><al><vet>Huishouden met minimaal</vet></al></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>2 personen</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>3 personen</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>4</nr><titel>Werkingsgebied splitsingsvergunning per gemeente</titel></kop><al/><al><vet>Gemeente Amstelveen</vet></al><al>Alle huur- en koopwoningen beneden huur- of koopprijsgrens.</al><al/><al><vet>Gemeente Amsterdam </vet></al><al>Gebouwen van vóór 1940 in </al><lijst><li nr="a."><al>het gebied omgrensd door
                            Javaplantsoen-Kramatweg-Valentijnkade-Molukkenstraat-het
                            spoorwegemplacement-Kruislaan-de Weespertrekvaart-de Amstel- President
                            Kennedylaan-Europaplein-Wielingenstraat-Diepenbrockstraat-het Zuider
                            Amstelkanaal-Stadionplein-de noordzijde van het Olympisch stadion-de
                            Stadiongracht-het Olympiakanaal-de Schinkel-
                            Riekerhaven-Westlandgracht-Theophile de
                            Bockstraat-Warmondstraat-Postjeskade-een lijn geprojecteerd in het
                            noordelijk verlengde daarvan-Orteliuskade-Robert
                            Scottstraat-Erasmusgracht-Rijksweg
                            no.10-Basisweg-Tranformatorweg-Spaarndammerdijk-Tasmanstraat-de steiger
                            van de derde pontverbinding-het IJ-het Zijkanaal
                            I-Klaprozenweg-Floraweg-Sneeuwbalweg-Buiksloterdijk-Purmerweg-Dirkshornplantsoen-Medemblikstraat-Watergangseweg-de
                            Schellingwouderbreek-Zuiderzeeweg-Flevoweg-Javaplantsoen;</al></li><li nr="b."><al>het gedeelte van Tuindorp Watergraafsmeer dat wordt omgrensd door
                            Zaaiersweg-Middenweg-Onderlangs-Duivendrechtselaan;</al></li><li nr="c."><al>het gedeelte van Tuindorp Oostzaan voor zover dit wordt omgrensd door de
                            Meteorensingel en de Kometensingel;</al></li><li nr="d."><al>het gedeelte van de bebouwing geleden ter weerszijden van de
                            Oostzanerdijk, de Landsmeerdijk, de Kadoelenweg, de Stoombootweg en het
                            Zuideinde.</al></li></lijst><al/><al><vet>Gemeente Diemen</vet></al><al>Alle huurwoningen met een rekenhuur beneden de huurprijsgrens.</al><al/><al><vet>Gemeente Oostzaan</vet></al><al>Gebouwen bevattende woonruimte.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>5</nr><titel>Behorende bij artikel 59</titel></kop><al/><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colB"/><colspec colname="colA"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet>Tabel bestuurlijke boete</vet></al></entry><entry><al><vet>Kolom A</vet></al></entry><entry><al><vet>Kolom B</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Boetebedrag</vet></al><al><vet>1<sup>e</sup> keer</vet></al></entry><entry><al><vet>Boetebedrag </vet></al><al><vet>2<sup>e</sup> e.v. keer binnen 3 jaar na de
                                            1<sup>e</sup> keer</vet></al></entry></row><row><entry><al>In gebruik <onderstreept>nemen</onderstreept> van woonruimte
                                        zonder vergunning</al><al/></entry><entry><al>340*</al><al/><al/><al>*wettelijk maximum</al></entry><entry><al>340*</al><al/><al/><al>*wettelijk maximum</al><al/></entry></row><row><entry><al>In gebruik <onderstreept>geven</onderstreept> van woonruimte
                                        zonder vergunning bij niet-bedrijfsmatige exploitatie (door
                                        huurder of door eigenaar met één woning in de verhuur)</al><al/></entry><entry><al>3000</al></entry><entry><al>4500</al></entry></row><row><entry><al>In gebruik <onderstreept>geven</onderstreept> van woonruimte
                                        zonder vergunning bij bedrijfsmatige exploitatie
                                        (eigenaar/verhuurder met meer dan één woning)</al></entry><entry><al>6000</al></entry><entry><al>9000</al></entry></row><row><entry><al>In gebruik <onderstreept>geven</onderstreept> van woonruimte
                                        zonder vergunning door een huurder tegen een hogere
                                        huurprijs dan door hemzelf feitelijk wordt betaald</al><al/></entry><entry><al>12000</al></entry><entry><al>18500*</al></entry></row><row><entry><al>Onttrekken zonder vergunning </al><al/></entry><entry><al>12000</al></entry><entry><al>18500*</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>6</nr><titel>Behorend bij artikel 26 lid 3c, adressen Solids</titel></kop><al/><al/><table><tgroup cols="6"><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colA"/><tbody><row><entry><al>kadastrale_nummer</al></entry><entry><al>technisch type</al></entry><entry><al>bouwjaar</al></entry><entry><al>adres</al></entry><entry><al>postcode</al></entry><entry><al>plaats</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 10 A</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 10 E</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 10 G</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 14 A</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 16 A</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 18 A</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 20 A</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 20 B</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 20 C</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 20 D</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 20 E</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 20 G</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 22 A</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 22 B</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 22 D</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 22 E</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 22 F</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 24 A</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 24 B</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 24 D</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 24 E</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 24 F</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 26 A</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 26 B</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 26 D</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 26 E</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 28 A</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 28 B</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 28 C</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 28 D</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 28 E</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 28 G</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 30 A</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 30 B</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 30 G</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 32 A</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 32 B</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 32 C</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 32 G</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 34 A</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 34 C</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 20 F</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 22 C</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 26 C</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 26 G</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Winkelruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 467</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 509 A</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 525 B</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 531</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 539</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 517 B</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 477</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 507 B</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 519</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 511</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 24 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 523 B</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 509 B</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 527</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 517 A</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 525 A</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 507 A</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 513</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 515 A</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 515 B</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 521</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 523 A</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 529</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM Q Q 8446 A 0001</al></entry><entry><al>Bedrijfsruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Eerste Constantijn Huygensstraat 2</al></entry><entry><al>1054 BR</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 473</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 481</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 483</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 499</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 503</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 16 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 20 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Casco woon/werkruimte</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 26 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 4 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 4 B</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 6 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 6 B</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 6 C</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 6 D</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 8 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 8 B</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 10 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 10 B</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 10 C</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 10 D</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 12 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 12 B</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 14 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 14 B</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 14 C</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 14 D</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 16 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 16 B</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 18 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 18 B</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 18 C</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 18 D</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 22 A</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 22 B</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 22 C</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>Cas Oorthuyskade 22 D</al></entry><entry><al>1087 BB</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 483 A</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 483 B</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 485 A</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 485 B</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 487</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 489</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 491 A</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 491 B</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 493 A</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 493 B</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 495</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 497</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 499 A</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 499 B</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 501 A</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 501 B</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 503</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row><row><entry><al>AMSTERDAM AU AU 2813</al></entry><entry><al>Portiekflat</al></entry><entry><al>2011</al></entry><entry><al>IJburglaan 505</al></entry><entry><al>1087 BE</al></entry><entry><al>AMSTERDAM</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting bij de wijziging van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013</label><nr/><titel/></kop><al/><al><vet>1. Algemene toelichting</vet></al><al><cursief>1.1. Aanleiding</cursief></al><al>De Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 (hierna: HVV) is
                    met ingang van 1 juli 2015 gewijzigd. Deze wijzigingen betreffen alleen
                    onderdelen van de regels over woonruimteverdeling: de regels over
                    woonruimtevoorraadbeheer zijn ongewijzigd gelaten.</al><al/><al>De aanleiding voor de gewijzigde HVV is de inwerkingtreding van de
                    Huisvestingswet 2014 op 1 januari 2015. Als gevolg hiervan is er geen basis meer
                    voor voortzetting van de overeenkomsten inzake woonruimteverdeling. Ook komen na
                    een overgangstermijn alle op grond van de (oude) Huisvestingswet vastgestelde
                    huisvestingsverordeningen te vervallen.</al><al/><al>Als gevolg van artikel 51 lid 3 van de Huisvestingswet 2014 en artikel XXIII van
                    de Wet afschaffing plusregio's blijft de HVV nog tot 1 januari 2016 gelden en is
                    de regioraad tot die datum bevoegd om de HVV te laten vervallen of te wijzigen.
                    Met de nu vastgestelde wijziging van de regels over woonruimteverdeling in de
                    HVV heeft de regioraad van deze wijzigingsbevoegdheid gebruik gemaakt.</al><al/><al>N.B. De tekst van de Huisvestingswet 2014 bepaalt dat de gemeenteraad de
                    bevoegdheid heeft om de huisvestingsverordening vast te stellen. Zoals hierboven
                    beschreven geldt dat voor het gebied van de (voormalige) Stadsregio Amsterdam
                    tot 1 januari 2016 nog niet. Daarom wordt in de verdere tekst van deze
                    toelichting steeds gesproken over “regioraad” in plaats van “gemeenteraad”.</al><al/><al>Gekozen is voor 1 juli 2015 als datum van inwerkingtreding van de gewijzigde HVV
                    omdat als gevolg van het vervallen van de oude Huisvestingswet er geen basis
                    meer bestaat voor voortzetting van het <cursief>Convenant woonruimteverdeling
                        Stadsregio Amsterdam en Platform Woningcorporaties Noordvleugel
                        Randstad</cursief> (Convenant). Het Convenant vormde voor 1 juli 2015 de
                    basis voor diverse uitvoeringsbeslissingen op het gebied van
                    woonruimteverdeling, zoals het verlenen en weigeren van urgentieverklaringen en
                    het toewijzen van woonruimte aan woningzoekenden. Het verdiende de voorkeur om
                    deze uitvoeringsbeslissingen zo snel als mogelijk een duidelijke basis te geven
                    in de HVV. Verwezen wordt naar het eindverslag van het door het RIGO uitgevoerde
                    onderzoek naar schaarste (Eindverslag d.d. 18 juli 2014 t.b.v. de stuurgroep
                    Wonen van Stadsregio Amsterdam).</al><al/><al><cursief>1.2. Waarom regels over woonruimteverdeling?</cursief></al><al>Binnen de woningmarktregio die gevormd wordt door het gebied van de voormalige
                    Stadsregio Amsterdam overschrijdt de vraag naar sociale huurwoningen elk jaar
                    het aanbod in ruime mate. Dit wordt veroorzaakt door het grote beroep dat
                    woningzoekenden op dit deel van de voorraad doen en de gemiddeld lage
                    mutatiegraad in dit deel van de voorraad. Als gevolg van deze schaarste zitten
                    diverse groepen woningzoekenden in de knel. Om in termen van de Huisvestingswet
                    2014 - en in zekere zin ook in termen van de oude Huisvestingswet - te spreken:
                    zij ervaren de onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen van de schaarste aan
                    goedkope woonruimte.</al><al/><al>De lokale overheid kan proberen de schaarste aan goedkope woonruimte te beperken
                    door te sturen op beschikbaarheid. Daarvoor kan zij planologische instrumenten
                    inzetten, maar ook de in de HVV opgenomen regels over woonruimtevoorraadbeheer.
                    Verder kan de overheid samen met corporaties in de prestatieafspraken afspraken
                    maken over de omvang van de voorraad aan betaalbare huurwoningen.</al><al/><al>Net als de oude Huisvestingswet biedt de Huisvestingswet 2014 daarnaast de
                    mogelijkheid om de onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen van schaarste aan
                    goedkope woonruimte te bestrijden door in een huisvestingsverordening regels te
                    stellen over de verdeling van woonruimte. Deze regels beschrijven, kort gezegd,
                    welke groepen woningzoekenden met voorrang in aanmerking komen voor welke
                    categorieën betaalbare huurwoningen. Ook kan een huisvestingsverordening regels
                    bevatten over de wijze waarop verhuurders hun betaalbare huurwoningen te huur
                    aanbieden.</al><al>Voor een verdere toelichting op de aan de HVV ten grondslag liggende
                    beleidsmatige keuzes wordt verwezen naar het <cursief>Beleidsvoorstel
                        actualisatie regels woonruimteverdeling en
                    woonruimtevoorraad.</cursief></al><al/><al><cursief>1.3. De regionale Intentieovereenkomst betaalbare
                    voorraad</cursief></al><al>De Huisvestingswet 2014 stelt dat de regels over woonruimteverdeling gesteld in
                    een verordening tijdelijk van aard zijn. De regels kunnen de schaarste aan
                    sociale huurwoningen niet oplossen, zij kunnen alleen tijdelijk nadelige
                    effecten hiervan beperken. Bij de onderbouwing van nut en noodzaak wordt daarom
                    opgenomen welke maatregelen genomen worden om schaarste op te heffen. In de
                    Stadsregio Amsterdam wordt hierbij verwezen naar o.a. de intentieovereenkomst
                    betaalbare voorraad. </al><al/><al>In deze overeenkomst hebben partijen de gezamenlijke intentie vastgelegd om te
                    zorgen voor beschikbaarheid van een substantiële betaalbare voorraad. De omvang
                    van de betaalbare voorraad is geen vast gegeven, maar afhankelijk van een aantal
                    factoren, waaronder de doelgroep die daarop is aangewezen, de doelmatige
                    benutting van de voorraad, de mate van doorstroming in die betaalbare voorraad
                    en de kansen van andere groepen op de markt, waaronder de huishoudens met een
                    (lager) middeninkomen tot € 43.000. Daarbij is betaalbaarheid van woonlasten
                    voor de minima een aandachtspunt. Uitgangspunt bij de overeenkomst is een
                    evenwichtige spreiding van het aanbod sociale huurwoningen over de regio,
                    waarbij de verschillen in de omvang tussen het noordelijk en zuidelijk deel van
                    de regio niet verder toe zullen nemen.</al><al/><al><cursief>1.4. De huisvestingsvergunningplicht</cursief></al><al>In artikel 2.1.1. van de verordening is het deel van de huurmarkt aangewezen dat
                    onder de huisvestingsvergunningplicht valt. In alle regiogemeenten geldt de
                    huisvestingsvergunningplicht in ieder geval voor de zelfstandige huurwoningen
                    van corporaties, met een rekenhuur tot de liberalisatiegrens. Daarnaast geldt de
                    huisvestingsvergunningplicht alle regiogemeenten behalve Aalsmeer,
                    Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Uithoorn en Zaanstad voor de zelfstandige
                    huurwoningen in particulier bezit.</al><al/><al>Rekenhuur is de prijs die bij huur en verhuur per maand is verschuldigd voor het
                    enkele gebruik van een woonruimte zoals omschreven in artikel 5 van de Wet op de
                    huurtoeslag. De liberalisatiegrens is het huurbedrag genoemd in artikel 13,
                    eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de huurtoeslag (het maximale
                    huurbedrag waarvoor, als het huishoudinkomen daartoe aanleiding geeft,
                    huurtoeslag kan worden verkregen).</al><al/><al>Als een woning onder de huisvestingsvergunningplicht valt, is het verboden deze
                    woning in gebruik te geven of te nemen zonder een door burgemeester en
                    wethouders af te geven huisvestingsvergunning. Dat verbod, in de verordening
                    opgenomen in artikel 2.1.2, richt zich tot zowel de verhuurder van de woning
                    (die geeft immers in gebruik) als de bewoner/huurder (die neemt immers in
                    gebruik). Om voor een huisvestingsvergunning in aanmerking te komen, moet de
                    woningzoekende achtereenvolgens aan een aantal eisen voldoen. </al><al/><al><cursief>1.5. Huurwoningen van corporaties en de
                        huisvestingsvergunningplicht</cursief></al><al>Betreft het een huisvestingsvergunningplichtige huurwoning van corporaties, dan
                    gelden de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekende moet toegelaten worden tot het deel van de woningmarkt
                            waarvoor de huisvestingsvergunningplicht geldt. Om toegelaten te kunnen
                            worden, moet de woningzoekende voldoen aan de toelatingscriteria
                            opgenomen in artikel 2.2.1 van de HVV;</al></li><li nr="b."><al>de woningzoekende moet op grond van de regels opgenomen in paragraaf 4
                            van hoofdstuk 2 de HVV als eerste voor een huisvestingsvergunning in
                            aanmerking komen;</al></li><li nr="c."><al>de corporatie moet bereid zijn om met de woningzoekende een
                            huurovereenkomst te sluiten;</al></li><li nr="d."><al>er moeten zich geen andere (dan de bovenstaande) weigeringsgronden
                            voordoen.</al></li></lijst><al/><al>ad a.</al><al>De voor alle huisvestingsvergunningplichtige huurwoningen toepasselijke
                    toelatingscriteria zijn opgenomen in artikel 2.2.1 van de HVV. Deze criteria
                    houden in dat tenminste één van de leden van het huishouden bevoegd is een
                    huurovereenkomst te sluiten (het onder a van artikel 2.2.1 genoemde criterium)
                    en dat alle leden van het huishouden in Nederland mogen verblijven (het onder b
                    van artikel 2.2.1 genoemde criterium). Voldoet een kandidaat-woningzoekende niet
                    aan de toelatingscriteria, dan kan hij geen huisvestingsvergunning krijgen.
                    Anders dan de passendheids- of bindingscriteria zijn de toelatingscriteria
                    daarmee weigeringsgronden en geen voorrangsgronden.</al><al/><al>ad b.</al><al>Paragraaf 4 van hoofdstuk 2 van de HVV bevat de regels aan de hand waarvan kan
                    worden bepaald of een woningzoekende inderdaad als eerste in aanmerking komt
                    voor de huisvestingsvergunning. Er zijn twee routes waarlangs dat bepaald
                    wordt:</al><lijst><li nr="1."><al>de route van het openbaar aanbod. Deze route houdt in dat de corporatie
                            een huurwoning adverteert op een <cursief>aanbodinstrument</cursief>
                            (bijvoorbeeld: WoningNet). Woningzoekenden die zich in een in de regio
                            gebruikt aanbodinstrument hebben ingeschreven, reageren vervolgens op
                            een via een in de regio gebruikt aanbodinstrument aangeboden huurwoning.
                            Vervolgens wordt beoordeeld wie van hen als eerste voor een
                            huisvestingsvergunning in aanmerking komt. Daarbij wordt altijd getoetst
                            aan een <cursief>algemeen volgordecriterium</cursief> (inschrijfduur of
                            loting) en eventueel ook op de desbetreffende woning van toepassing
                            zijnde <cursief>passendheidscriteria </cursief>en<cursief>
                                bindingscriteria</cursief>.</al></li><li nr="2."><al>de route van de directe bemiddeling, zie de artikelen 2.4.9 en 2.4.10
                            van de HVV. Deze route houdt in dat de corporatie een huurwoning
                            rechtstreeks aan een woningzoekende te huur aanbiedt, zonder dat deze
                            woningzoekende gereageerd hoeft te hebben op een aanbod van de woning op
                            een aanbodinstrument. Vaak wordt in dat geval een woning niet eens
                            aangeboden op een aanbodinstrument. Ook bij directe bemiddeling kunnen
                            passendheidscriteria en bindingscriteria van toepassing zijn op een
                            woning.</al></li></lijst><al/><al>ad c.</al><al>Het is belangrijk dat de woningzoekende met wie de corporatie een
                    huurovereenkomst wil sluiten, dezelfde woningzoekende is aan wie een
                    huisvestingsvergunning verleend kan worden. Artikel 2.4.2, eerste lid, aanhef en
                    onder f bevat daarom een grond waarop de vergunning geweigerd kan worden als de
                    corporatie om goede redenen niet bereid is om de huurovereenkomst aan te gaan.
                    Het kan daarbij gaan om de volgende situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>de woningzoekende heeft een overlast verleden of heeft zich in zijn
                            vorige woning gevaarlijk gedragen (bijvoorbeeld door wiet te telen). Op
                            deze situatie slaat de zinsnede "<cursief>gelet (...) op haar belang als
                                verhuurder, daaronder mede begrepen haar verantwoordelijkheid voor
                                de bescherming van de overige huurders en de waarborging van het
                                woongenot</cursief>";</al></li><li nr="-"><al>de corporatie kan, gelet op de met de aanstaande wijziging van de
                            Woningwet, in te voeren passendheidstoets voor corporaties
                            redelijkerwijs niet gehouden worden met deze woningzoekende een
                            huurovereenkomst te sluiten omdat het huishoudinkomen te hoog is. Op
                            deze situatie slaat de zinsnede <cursief>"gelet op haar taak als
                                toegelaten instelling"</cursief>;</al></li><li nr="-"><al>de woningzoekende heeft een huurschuld en daarvoor geen
                            betalingsregeling getroffen of een getroffen betalingsregeling niet
                            nageleefd.</al></li></lijst><al/><al>ad d.</al><al>Artikel 2.4.2 bevat naast de hiervoor behandelde weigeringsgronden nog andere
                    weigeringsgronden. Zie daarvoor de artikelsgewijze toelichting.</al><al/><al><cursief>1.5.1. Inschrijving als woningzoekende en inschrijfduur</cursief></al><al>Bij woningen die via een aanbodinstrument te huur worden aangeboden, geldt een
                    algemeen volgordecriterium. Aan de hand van het algemeen volgordecriterium wordt
                    beoordeeld welke woningzoekende als eerste in aanmerking komt voor de
                    huisvestingsvergunning. Het meest gebruikte algemene volgordecriterium is
                        <cursief>inschrijfduur.</cursief></al><al/><al>Inschrijving als woningzoekende en inschrijfduur zijn geregeld in artikel 2.2.4.
                    Iedereen van 18 jaar en ouder kan zich als woningzoekende inschrijven. Die
                    inschrijving vindt plaats in een aanbodinstrument (bijvoorbeeld: WoningNet). De
                    inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als woningzoekende staat
                    ingeschreven. De inschrijfduur eindigt:</al><lijst><li nr="1."><al>nadat een woningzoekende als huurder een corporatiewoning waarvoor de
                            huisvestingsvergunningplicht geldt in gebruik heeft genomen; of</al></li><li nr="2."><al>wanneer men huisgenoot (niet-zijnde een meeverhuizende inwonend kind) is
                            van zo'n woningzoekende, maar dan alleen als voor het verkrijgen van een
                            huisvestingsvergunning voor de betrokken woning het meeverhuizen
                            noodzakelijk was. Dit slaat op de situatie dat een huishouden een
                            minimale omvang moet hebben om met voorrang voor een woning van een
                            bepaalde grootte in aanmerking te komen. In dat geval verliest een
                            meerderjarig, inwonend persoon (niet-zijnde een kind) zijn of haar
                            inschrijving als de nieuwe woning is betrokken.</al></li></lijst><al/><al>Het aanbodinstrument wordt door of onder verantwoordelijkheid van een corporatie
                    beheerd. Aan de inschrijving als woningzoekenden kunnen door of namens die
                    corporatie voorwaarden worden verbonden zoals de betaling van inschrijfgeld en
                    een periodieke verlengingsvergoeding. Artikel 2.2.5 bevat hier een regeling
                    voor. </al><al/><al><cursief>1.5.2. Passendheidscriteria (labels inzake passendheid)</cursief></al><al>Passendheidscriteria zijn een instrument waarmee woningzoekenden die aan
                    bepaalde eisen voldoen, voorrang krijgen bij het verlenen van een
                    huisvestingsvergunning voor een woning die in het bijzonder voor hen geschikt
                    is. Een voorbeeld is: een woningzoekende met verminderde zelfredzaamheid kan
                    voorrang krijgen bij de verlening van een huisvestingsvergunning voor een
                    gelijkvloers, met een lift toegankelijk, appartement. </al><al/><al>In de Huisvestingswet 2014 biedt artikel 11 de juridische grondslag voor de
                    toepassing van passendheidscriteria in de huisvestingsverordening. Blijkens het
                    artikel moet het gaan om passendheid in verband met "de aard, grootte of prijs"
                    van een woning. </al><al/><al>In artikel 2.4.4, tweede lid, is beschreven welke categorieën woningen (het
                    artikel spreekt in navolging van de oude Huisvestingswet en de Huisvestingswet
                    2014 over "woonruimte") gelet op hun aard, grootte of prijs met voorrang aan
                    welke categorieën woningzoekenden moeten worden aangeboden.</al><al/><al>Passendheidscriteria zijn voorrangsregelingen, geen uitsluitingsgronden. Dat
                    betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op een woning van toepassing
                    zijnde passendheidseis (die de vorm heeft van een “label” dat bij het te huur
                    aanbieden van de woning kenbaar wordt gemaakt), ten opzichte van woningzoekenden
                    die daaraan niet voldoen <cursief>met voorrang</cursief> in aanmerking komt voor
                    een huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan een
                    passendheidseis, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in
                    aanmerking, maar dan alleen ná de woningzoekenden die wél aan de passendheidseis
                    voldoen.</al><al/><al><cursief>1.5.3. Bindingscriteria</cursief></al><al>Artikel 2.4.5 van de HVV bevat een voorrangsregeling voor woningzoekenden met
                    lokale of regionale binding. Aan de hand van het bepaalde in artikel 14, derde
                    lid, van de Huisvestingswet 2014 kan nagegaan worden wanneer een woningzoekende
                    lokale of regionale binding heeft:</al><lijst><li nr="-"><al>een woningzoekende is economisch gebonden aan de woningmarktregio, de
                            gemeente of de kern indien hij met het oog op de voorziening in het
                            bestaan een redelijk belang heeft zich in die woningmarktregio, die
                            gemeente of die kern te vestigen.</al></li><li nr="-"><al>een woningzoekende is maatschappelijk gebonden aan de woningmarktregio,
                            de gemeente of de kern indien hij:</al></li></lijst><al>1°. een redelijk, met de plaatselijke samenleving verband houdend belang heeft
                    zich in die woningmarktregio, die gemeente of die kern te vestigen, of</al><al>2°. ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene is dan wel gedurende de
                    voorafgaande tien jaar ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene is geweest
                    van die woningmarktregio, die gemeente of die kern. </al><al/><al>In artikel 2.4.5, eerste lid, van de HVV is bepaald dat maximaal 50% van de
                    verleende huisvestingsvergunningen met voorrang verleend mag worden aan
                    woningzoekenden met regionale binding. Uit het tweede lid volgt dat maximaal 25%
                    van de verleende huisvestingsvergunningen met voorrang verleend mag worden aan
                    woningzoekenden met lokale binding.</al><al/><al>Het ligt voor de hand om per kalenderjaar te sturen op het niet-overschrijden
                    van deze percentages. In uitzonderingssituaties kan een langere periode gekozen
                    worden, waarbij het, gelet op de maximale levensduur van een
                    huisvestingsverordening, voor de hand ligt om deze periode niet langer dan vier
                    jaar te laten zijn. Een uitzonderingssituatie is bijvoorbeeld een grote
                    herstructureringsopgave waarbij het wenselijk wordt geacht om de als gevolg
                    daarvan te herhuisvesten huishoudens nabij hun oorspronkelijke woonomgeving te
                    huisvesten. In die situatie kan het voorkomen dat de percentages in een bepaald
                    kalenderjaar overschreden worden, maar dat deze overschrijding in de daarop
                    volgende kalenderjaren gecompenseerd wordt.</al><al/><al>De in artikel 2.4.5 opgenomen percentages zijn maximumpercentages: bindingseisen
                    mogen dus altijd in mindere mate toegepast worden. Daarbij wordt opgemerkt dat
                    het in mindere mate gebruiken van het toegestane percentage voor regionale
                    binding niet tot gevolg heeft dat het maximale percentage voor lokale binding
                    neerwaarts bijgesteld moet worden. Daarmee wordt bedoeld dat de situatie waarin
                    bijvoorbeeld in 30% van de gevallen met voorrang huisvestingsvergunningen worden
                    verleend aan huishoudens omdat zij regionale binding hebben, niet tot gevolg
                    heeft dat slechts in 15% van de gevallen met voorrang huisvestingsvergunningen
                    verleend mogen worden aan huishoudens met lokale binding.</al><al/><al>Bindingscriteria zijn, net als passendheidscriteria, voorrangsregelingen, geen
                    uitsluitingsgronden. Dat betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op
                    een woning van toepassing zijnde bindingseis (die de vorm heeft van een “label”
                    dat bij het te huur aanbieden van de woning kenbaar wordt gemaakt), ten opzichte
                    van woningzoekenden die daaraan niet voldoen <cursief>met voorrang</cursief> in
                    aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die
                    niet voldoen aan een bindingseis, komen eventueel wel voor een
                    huisvestingsvergunning in aanmerking, maar dan alleen ná de woningzoekenden die
                    wél aan de bindingseis voldoen.</al><al/><al>Opgemerkt wordt dat de woningzoekenden in het bezit van een urgentieverklaring
                    verleend in verband met mantelzorg, uitstroom uit een blijf-van-mijn-lijfhuis of
                    vergunninghouders (statushouders) die de gemeente gelet op de taakstelling moet
                    huisvesten, de bindingscriteria niet tegengeworpen mogen krijgen, zie lid 3 van
                    artikel 2.4.7 van de HVV en artikel 16 van de Huisvestingswet 2014.</al><al/><al><cursief>1.5.4. Openbaar aanbod via een aanbodinstrument</cursief></al><al>Corporaties bieden hun voor verhuur beschikbare woningen aan via een
                    aanbodinstrument of eventueel via meerdere aanbodinstrumenten. Artikel 2.2.3 lid
                    1 van de HVV bepaalt dat dit eenduidig en transparant dient te gebeuren. Bij het
                    aanbod moet worden vermeld aan welke eisen de woningzoekenden moet voldoen. Het
                    gaat daarbij in ieder geval om de op de woning van toepassing zijnde
                    passendheidscriteria en bindingscriteria en of loting dan wel inschrijfduur
                    wordt toegepast als algemeen volgordecriterium. </al><al/><al>Het is denkbaar dat de corporatie zelf ook nog aanvullende eisen kan en mag
                    stellen. Ook die moeten vermeld worden bij de aanbieding van de woning via het
                    aanbodinstrument. Het gaat bijvoorbeeld om de situatie dat een woningzoekende
                    moet verklaren dat hij zich aan de in een complex geldende huisregels zal
                    houden. </al><al/><al><cursief>1.5.5. Openbaar aanbod: rangordebepaling</cursief></al><al>Op een via een aanbodinstrument aangeboden woning reageren woningzoekenden. Op
                    grond van de regels in paragraaf 4 van hoofdstuk 2 van de HVV wordt bepaald
                    welke woningzoekende als eerste voor een huisvestingsvergunning voor de
                    aangeboden woonruimte in aanmerking komt. Dat gebeurt, met uitzondering van
                    woningen die met voorrang voor grote huishoudens (het passendheidscriterium
                    bedoeld in artikel 2.4.4, vierde lid) te huur worden aangeboden, door een aantal
                    stappen te doorlopen:</al><al/><al>Stap 1: verdeel de woningzoekenden in groepen</al><al>De woningzoekenden worden in vier groepen verdeeld, zie artikel 2.4.6 van de
                    HVV:</al><lijst><li nr="-"><al>groep 1 bestaat uit de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                            passendheids- en bindingscriteria. </al></li><li nr="-"><al>groep 2 bestaat uit woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                            passendheidscriteria.</al></li><li nr="-"><al>groep 3 bestaat uit woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                            bindingscriteria.</al></li><li nr="-"><al>groep 4 bestaat uit de overige woningzoekenden.</al></li></lijst><al/><al>Opgemerkt wordt dat de woningzoekenden in het bezit van een urgentieverklaring
                    verleend in verband met mantelzorg, uitstroom uit een blijf-van-mijn-lijfhuis of
                    vergunninghouders (statushouders) die de gemeente gelet op de taakstelling moet
                    huisvesten, de bindingscriteria niet tegengeworpen mogen krijgen, zie lid 3 van
                    artikel 2.4.7 van de HVV.</al><al/><al>Stap 2: voorrang van de houders van een urgentieverklaring</al><al>Uitgangspunt is dat eerst de woningzoekenden uit groep 1 in aanmerking komen
                    voor een huisvestingsvergunning, dan die uit groep 2, dan die uit groep 3 en tot
                    slot die uit groep 4.</al><al/><al>Vaak bestaat een groep uit meerdere woningzoekenden. In dat geval komen eerst de
                    houders van een urgentieverklaring in aanmerking voor de huisvestingsvergunning,
                    zie artikel 2.4.7, eerste lid, van de HVV. Echter, dit geldt alleen als de
                    aangeboden woning voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen
                    zoekprofiel.</al><al/><al>Zitten er in één groep meer houders van een urgentieverklaring die op grond van
                    artikel 2.4.7, eerste lid, van de HVV als eerste in aanmerking zouden komen voor
                    de huisvestingsvergunning, dan komt als eerste in aanmerking de
                    woningzoekende:</al><lijst><li nr="-"><al>waarvan de urgentieverklaring als eerste is verleend; of</al></li><li nr="-"><al>waarvan de huisvesting naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                            het meest dringend noodzakelijk is.</al></li></lijst><al/><al-groep><al>Stap 3: rangorde van de overige woningzoekenden</al><al>Zijn er geen houders van een urgentieverklaring die (omdat zij een
                        urgentieverklaring hebben) met voorrang in aanmerking komen voor een
                        huisvestingsvergunning, dan wordt aan de hand van loting of inschrijfduur
                        bepaald welke andere woningzoekende in aanmerking komt voor de
                        huisvestingsvergunning. Dit volgt uit artikel 2.4.8 van de HVV.</al><al/><al>Voor woningen die met voorrang aan grote huishoudens worden aangeboden komen
                        op grond van artikel 2.4.6a, kort gezegd, achtereenvolgens de volgende
                        groepen in aanmerking:</al><al>1. Urgent groot gezin met binding;</al><al>2. Urgent gezin met binding;</al><al>3. Urgent groot gezin;</al><al>4. Urgent gezin;</al><al>5. Groot gezin met binding;</al><al>6. Gezin met binding;</al><al>7. Groot gezin;</al><al>8. Gezin;</al><al>9. overige woningzoekenden</al><al/><al>Een groot gezin bestaat (mede) uit drie inwonende kinderen jonger dan 18
                        jaar, een gezin bestaat (mede) uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18
                        jaar.</al><al/><al>De bijzondere volgordebepaling van artikel 2.4.6a is opgenomen om de
                        specifieke volgorderegels die gemeenten tot nu toe hanteren, en in WoningNet
                        geprogrammeerd zijn, zo goed als mogelijk te kunnen voortzetten.</al><al/><al><cursief>1.5.6. Directe bemiddeling</cursief></al><al>Bij directe bemiddeling biedt de corporatie een huurwoning rechtstreeks aan
                        een woningzoekende te huur aan, zonder dat deze woningzoekende gereageerd
                        hoeft te hebben op een aanbod van de woning op een aanbodinstrument. Vaak
                        wordt in dat geval een woning niet eens aangeboden op een aanbodinstrument. </al><al/><al>Ook bij directe bemiddeling kunnen passendheidscriteria en bindingscriteria
                        van toepassing zijn op een woning. Als passendheidscriteria of
                        bindingscriteria (of beide) van toepassing zijn op een woning, moet een
                        corporatie de woning aanbieden aan een woningzoekende die aan de
                        passendheidscriteria of bindingscriteria voldoet, tenzij zo'n woningzoekende
                        er niet is. De toelatingscriteria zijn altijd van toepassing bij directe
                        bemiddeling.</al><al/><al>Directe bemiddeling is op grond van artikel 2.4.9 toegestaan voor de
                        huisvesting van woningzoekenden bij wie het niet doelmatig is om hen via een
                        aanbodinstrument naar woonruimte te laten zoeken. Dit betreft in ieder
                        geval:</al><al>a. vergunninghouders;</al><al>b. houders van een urgentieverklaring; </al><al>c. woningzoekenden bij wie het niet doelmatig is om hen via een
                        aanbodinstrument naar woonruimte te laten zoeken; of,</al><al>d. huishoudens bedoeld in artikel 2.4.10.</al><al/><al>Bij de onder c. bedoelde categorie woningzoekenden gaat het om mensen die
                        als gevolg van bijzondere, persoonlijke omstandigheden vrijwel altijd met
                        een specifieke maatwerkoplossing aan woonruimte gematcht moeten worden.
                        Bijvoorbeeld mensen met een bijzondere zorgvraag en daarmee samenhangende
                        specifieke woonbehoeften.</al><al/><al>Op grond van artikel 2.4.10 betreft het, op verzoek van corporaties, de
                        bijzondere gevallen, zolang aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><al>a. het betreft de huisvesting van huishoudens wier specifieke situatie
                        vraagt om een oplossing op maat, welke niet kan worden geboden met
                        toepassing van het bepaalde in deze verordening;</al><al>b. het aantal huisvestingen op grond van dit artikel bedraagt per
                        regiogemeente per kalenderjaar ten hoogste vijf procent van de met
                        toepassing van het bepaalde in deze verordening te verhuren woonruimte;</al><al>c. de huisvestingen op grond van dit artikel worden geregistreerd en
                        jaarlijks gerapporteerd aan de Stuurgroep Wonen. Daarbij wordt de Stuurgroep
                        Wonen in ieder geval medegedeeld hoeveel gevallen het per regiogemeente
                        betrof. </al><al/><al><cursief>1.5.7. Beslissing op de aanvraag om een
                            huisvestingsvergunning</cursief></al><al>Een huisvestingsvergunning, of de beslissing tot weigering of intrekking
                        daarvan, is een beschikking als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen een besluit kan een belanghebbende
                        (in ieder geval: de aanvrager maar ook een woningzoekende die meent ten
                        onrechte de huisvestingsvergunning niet gekregen te hebben<noot id="d2053e6309"><noot.nr> 1 </noot.nr><noot.al>Voor zover deze woningzoekende een belanghebbende in de zin van de
                                Algemene wet bestuursrecht is</noot.al></noot> bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aanwenden. Deze rechtsmiddelen
                        zijn: bezwaar, beroep, hoger beroep en, parallel aan bezwaar, beroep of
                        hoger beroep, de indiening van een verzoek om een voorlopige
                        voorziening.</al><al/><al>Burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de woning gelegen is,
                        zijn bevoegdheid om een huisvestingsvergunning te verlenen, te weigeren of
                        in te trekken.</al><al>De huisvestingsvergunning wordt verleend op aanvraag. Artikel 2.2.6 van de
                        HVV bevat regels voor het doen van zo'n aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanvraag moet worden ingediend bij burgemeester en wethouders van
                                de regiogemeente waar de woning gelegen is;</al></li><li nr="-"><al>de aanvraag moet vergezeld gaan van diverse stukken met nadere
                                informatie;</al></li><li nr="-"><al>de aanvrager kan gevraagd worden een geldig identiteitsbewijs van
                                alle leden van het huishouden te tonen;</al></li><li nr="-"><al>burgemeester en wethouders kunnen nog andere, niet in dit artikel
                                genoemde, informatie opvragen bij aanvrager.</al></li></lijst><al/><al>Overigens bevat afdeling 4.1 van de Awb een algemene, ook voor de
                        huisvestingsvergunning geldende, regeling over beschikkingen. De voor de
                        praktijk belangrijkste artikelen uit dit deel van de Awb zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 4:5 Awb. Dit artikel schrijft voor hoe omgegaan moet worden
                                met een onvolledige aanvraag;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:8 Awb. Dit artikel schrijft voor dat in bepaalde gevallen
                                aanvrager moet kunnen reageren op een voorgenomen, voor hem
                                negatief, besluit;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:13 tot en met 4:15 Awb. Deze artikelen bevatten de
                                regeling over de beslistermijn en de opschorting daarvan. Zie
                                daarvoor ook artikel 2.2.7 van de HVV.</al></li></lijst><al/><al>Voor de goede orde wordt hier vermeld dat naast een reactie van de
                        woningzoekende op een via een aanbodinstrument aangeboden woning óók een
                        aanvraag om een huisvestingsvergunning noodzakelijk is: zonder die aanvraag
                        kan de woningzoekende in ieder geval geen huisvestingsvergunning
                        krijgen.</al><al/><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun bevoegdheid om te beslissen op
                        aanvragen om een huisvestingsvergunning mandateren aan corporaties.
                        Stadsregio Amsterdam werkt in samenwerking met corporaties en regiogemeenten
                        aan een model-mandaatregeling. Gaan burgemeester en wethouders over tot
                        mandatering en accepteert een corporatie het mandaat, dan kan de corporatie
                        namens burgemeester en wethouders de huisvestingsvergunning verlenen. Het is
                        praktisch om het moment waarop de corporatie dat doet, te laten samenvallen
                        met het moment waarop de huurovereenkomst ondertekend wordt. De
                        model-mandaatregeling waaraan nu in regionaal verband gewerkt wordt,
                        voorziet ook in deze werkwijze.</al><al/><al><cursief>1.6. Huurwoningen in particulier bezit en de
                            huisvestingsvergunningplicht</cursief></al><al>De relatie tussen verhuurder en woningzoekende wordt beheerst door het
                        verbintenissenrecht. Daarbinnen geldt contractvrijheid als belangrijk
                        beginsel: het is aan verhuurder en woningzoekende om wel of niet te komen
                        tot een huurovereenkomst. Die contractvrijheid wordt door een aantal regels
                        beperkt: allereerst zijn dat de aanvullende regels voor het huurrecht, zoals
                        deze zijn opgenomen in het Burgerlijk Wetboek, maar ook publiekrechtelijke
                        huurregels. De HVV maakt van die laatste regels deel uit.</al><al/><al>Betreft het een huisvestingsvergunningplichtige huurwoning van een
                        particuliere verhuurder, dan gelden de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekende moet toegelaten worden tot het deel van de
                                woningmarkt waarvoor de huisvestingsvergunningplicht geldt. Om
                                toegelaten te kunnen worden, moet de woningzoekende voldoen aan de
                                toelatingscriteria opgenomen in artikel 2.2.1 en artikel 2.2.2 van
                                de HVV;</al></li><li nr="b."><al>de verhuurder moet op grond van de eventueel van toepassing zijnde
                                bezettingsnormen in aanmerking komen voor de
                                huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>er moeten zich geen (andere dan de bovenstaande) weigeringsgronden
                                voordoen.</al></li></lijst><al/><al>ad a.</al><al>De voor alle huisvestingsvergunningplichtige huurwoningen toepasselijke
                        toelatingscriteria zijn opgenomen in artikel 2.2.1 van de HVV. Deze criteria
                        houden in dat tenminste één van de leden van het huishouden bevoegd is een
                        huurovereenkomst te sluiten (het onder a van artikel 2.2.1 genoemde
                        criterium) en dat alle leden van het huishouden in Nederland mogen
                        verblijven (het onder b van artikel 2.2.1 genoemde criterium). Voor
                        huurwoningen in particulier bezit geldt een aanvullend toelatingscriterium,
                        genoemd in artikel 2.2.2. Voldoet een kandidaat-woningzoekende niet aan de
                        toelatingscriteria, dan kan hij geen huisvestingsvergunning krijgen. </al><al/><al>ad b.</al><al>In bepaalde gemeenten zijn voor dit deel van de huurmarkt bezettingsnormen
                        van toepassing. Deze zijn vermeld in bijlage 3 bij de verordening. De
                        bezettingsnormen vormen een voorrangsregeling, geen uitsluitingsgrond. Dat
                        betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op een woning van
                        toepassing zijnde bezettingsnorm, ten opzichte van woningzoekenden die
                        daaraan niet voldoen <cursief>met voorrang</cursief> in aanmerking komt voor
                        een huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan
                        een bezettingsnorm, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in
                        aanmerking, maar dan alleen ná de woningzoekenden die wél aan de
                        bezettingsnorm voldoen.</al><al/><al>ad c.</al><al>Artikel 2.3.2 bevat naast de hiervoor behandelde weigeringsgronden nog
                        andere weigeringsgronden. Zie daarvoor de artikelsgewijze toelichting.</al><al/><al><cursief>1.7. Experimenten</cursief></al><al>De artikelen 2.5.1 tot en met 2.5.3 bevatten een regeling voor experimenten
                        op het gebied van woonruimteverdeling. Belangrijk is het om vast te stellen
                        dat experimenten weliswaar niet mogelijk zijn op grond van de (overige)
                        bepalingen van de HVV, maar wel, gelet op de Huisvestingswet 2014, in een
                        huisvestingsverordening opgenomen zouden kunnen worden. Het is dus zo dat
                        experimenten niet in strijd mogen zijn met de uitgangspunten van de
                        Huisvestingswet 2014 zelf. </al><al/><al>Artikel 2.5.2 regelt de experimenten die corporaties en gemeenten samen
                        kunnen organiseren. Een experiment duurt maximaal 2 jaar en betreft ten
                        hoogste 10% van de per jaar toe te wijzen woonruimten van de corporaties die
                        bij het experiment betrokken zijn. Een experiment mag pas starten als de
                        Stuurgroep Wonen de opzet ervan heeft goedgekeurd.</al><al/><al>Ook andere verhuurders dan corporaties kunnen, gelet op het bepaalde in
                        artikel 2.5.3, samen met gemeenten experimenten organiseren. Deze
                        experimenten behoeven de goedkeuring van het dagelijks bestuur van de
                        stadsregio.</al><al/><al><cursief>1.8. De urgentieregeling</cursief></al><al>De urgentieregels maken het mogelijk dat woningzoekenden waarvoor, zoals
                        artikel 12, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 dat noemt "voorziening
                        in de woonruimte dringend noodzakelijk is" met voorrang in aanmerking komen
                        voor een huisvestingsvergunning. Zie voor de werking van die voorrang
                        artikel 2.4.7. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat het oplossen van
                        het huisvestings<vet>probleem</vet> dat de woningzoekende zelf niet kan
                        oplossen centraal staat, en niet het inwilligen van eventuele
                        huisvestingswensen van de woningzoekende. Dit komt onder meer tot uiting uit
                        het feit dat voor alle houders van een urgentieverklaring met uitzondering
                        van de SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaring in verband met
                        calamiteiten (de urgentiecategorie genoemd in artikel 2.6.8, eerste lid,
                        aanhef en onder a) geldt dat hun voorrang beperkt is tot het meest sobere
                        woningtype waarmee hun huisvestingsprobleem opgelost is, zie artikel 2.6.3,
                        tweede lid, van de HVV. Een tweede belangrijk uitgangspunt is dat de
                        urgentieregeling een uiterste, laatste, redmiddel voor de oplossing van een
                        huisvestingsprobleem is. Dit komt onder meer tot uiting in de algemene
                        weigeringsgronden, opgenomen in artikel 2.6.5 van de HVV.</al><al/><al>Uit artikel 12, eerste en tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 volgt dat
                        áls een Regioraad een urgentieregeling wil instellen, hij in de
                        huisvestingsverordening de criteria opneemt aan de hand waarvan de
                        urgent-woningzoekenden ingedeeld worden in urgentiecategorieën. In de HVV
                        zijn die urgentiecategorieën en criteria opgenomen in artikel 2.6.6 tot en
                        met 2.6.8. In de regionaal afgestemde beleidsregels wordt beschreven hoe bij
                        de uitvoering aan die criteria invulling wordt gegeven.</al><al/><al>Artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 bepaalt verder dat áls
                        een Regioraad besluit tot instelling van een urgentieregeling, hij in ieder
                        geval de volgende groepen onder de reikwijdte van de urgentieregeling moet
                        laten vallen:</al><al>- woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang
                        van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld
                        hun woonruimte hebben verlaten;</al><al>- woningzoekenden die mantelzorg verlenen of ontvangen;</al><al>- vergunninghouders (vroeger ook wel "statushouders" genaamd).</al><al>Deze groepen worden ook wel aangeduid met de term "wettelijke urgenten"
                        (immers: hun urgentiestatus volgt expliciet uit de Huisvestingswet 2014
                        zelf).</al><al/><al>De indeling van urgent-woningzoekenden in urgentiecategorieën geschiedt bij
                        besluit door (of namens) burgemeester en wethouders. Dit volgt uit artikel
                        13, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014. Zo'n besluit wordt ook wel een
                        "urgentieverklaring" genoemd. De Huisvestingswet 2014 noemt het woord
                        "urgentieverklaring" niet. Om te voorkomen dat telkens in plaats van
                        "urgentieverklaring" een zinsnede als "het besluit waarmee een
                        woningzoekende is ingedeeld in een urgentiecategorie" moet worden gebruikt,
                        is in het eerste artikel van de HVV het begrip "urgentieverklaring"
                        gedefinieerd. Ook weigering, wijziging en intrekking van de
                        urgentieverklaring geschiedt bij besluit van burgemeester en
                        wethouders.</al><al/><al>De route naar een urgentieverklaring is te verdelen in ruwweg vier
                        stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>indiening en volledigheid van de aanvraag (zie 1.8.1)</al></li><li nr="2."><al>toetsing aan de algemene weigeringsgronden (zie 1.8.2)</al></li><li nr="3."><al>toetsing aan de urgentiecategorieën (zie 1.8.3)</al></li><li nr="4."><al>verlening of weigering van de urgentieverklaring (zie 1.8.4)</al></li></lijst><al/><al>Vervolgens kan een urgentieverklaring ingetrokken of gewijzigd worden (zie
                        1.8.5).</al><al/><al><cursief>1.8.1. De aanvraag om een urgentieverklaring</cursief></al><al>De HVV is een regionale huisvestingsverordening. Dat betekent dat de
                        verordening werking heeft in meerdere gemeenten. Het is daarom dat artikel
                        2.6.1. en 2.6.2 van de HVV bepalen welk college van burgemeester en
                        wethouders bevoegd zijn om op de aanvraag om een urgentieverklaring te
                        beslissen:</al><al>- woont aanvrager binnen de regio, dan vraagt hij de urgentieverklaring aan
                        bij burgemeester en wethouders van zijn woonplaats;</al><al>- woont aanvrager niet binnen de regio, dan vraagt hij de urgentieverklaring
                        aan bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar hij wil gaan
                        wonen.</al><al/><al>Deze laatste situatie (een aanvrager van buiten de regio) doet zich in het
                        bijzonder voor bij de zogenoemde "wettelijke urgentiegronden": deze
                        woningzoekenden zullen vaak niet in de regio woonachtig zijn.</al><al/><al>Eén urgentiegrond kent een afwijkende bevoegdheidsregeling: dit betreft de
                        in artikel 2.6.7 van de HVV geregelde urgentiegrond "uitstroom", zie
                        daarvoor paragraaf 1.8.3 van de algemene toelichting en de artikelsgewijze
                        toelichting.</al><al/><al>Op een aanvraag wordt, gelet op het bepaalde in artikel 2.6.2, tweede lid,
                        van de HVV, binnen acht weken besloten. Deze termijn kan met ten hoogste
                        vier weken verlengd worden. Uiteraard is een behandeltermijn van acht weken
                        respectievelijk 12 weken langer dan in de meeste gevallen, gelet op het
                        urgente karakter van veel huisvestingsproblemen, wenselijk is. </al><al/><al>Het derde lid van artikel 2.6.2 van de HVV somt op welke gegevens en
                        bescheiden in ieder geval bij de aanvraag ingediend moeten worden:</al><al>a. stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is
                        ingeschreven in het aanbodinstrument;</al><al>b. informatie over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat
                        aan de aanvraag ten grondslag ligt; en</al><al>c. informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden van
                        aanvrager.</al><al/><al>Desgewenst kunnen burgemeester en wethouders ook andere gegevens en
                        bescheiden opvragen, voor zover deze nodig zijn voor de behandeling van de
                        aanvraag en voor zover aanvrager redelijkerwijs over deze gegevens kan
                        beschikken. Dit volgt uit artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet
                        bestuursrecht. Voor de volledigheid wordt erop gewezen dat afdeling 4.1.1
                        van de Algemene wet bestuursrecht diverse bepalingen bevat over de indiening
                        en de behandeling van aanvragen. De belangrijkste zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 4:5 Awb. Dit artikel schrijft voor hoe omgegaan moet worden
                                met een onvolledige aanvraag;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:8 Awb. Dit artikel schrijft voor dat in bepaalde gevallen
                                aanvrager moet kunnen reageren op een voorgenomen, voor hem
                                negatief, besluit;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:13 tot en met 4:15 Awb. Deze artikelen bevatten de
                                regeling over de beslistermijn en de opschorting daarvan.</al></li></lijst><al/><al>Het in artikel 2.6.2, derde lid aanhef en onder a van de HVV genoemde
                        vereiste dat aanvrager ingeschreven moet zijn in een aanbodinstrument is
                        niet van toepassing op de wettelijke urgentiecategorieën. </al><al/><al><cursief>1.8.2. De algemene weigeringsgronden</cursief></al><al>Als de aanvraag volledig en te beoordelen is, wordt getoetst of er zich één
                        of meerdere algemene weigeringsgronden voordoen. Deze zijn opgenomen in
                        artikel 2.6.5, eerste en tweede lid, van de HVV. Niet elke algemene
                        weigeringsgrond is van toepassing op elke urgentiecategorie, zoals blijkt
                        uit onderstaand schema.</al><al/></al-groep><table><tgroup cols="8"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colG"/><colspec colname="colH"/><tbody><row><entry morerows="1"><al>Algemene weigeringsgrond in 2.6.5</al><al/></entry><entry morerows="1"><al/></entry><entry nameend="colH" namest="colB"><al>Urgentiecategorie</al></entry></row><row><entry><al>2.6.6 lid 1</al></entry><entry><al>2.6.6 lid 2</al></entry><entry><al>2.6.7</al></entry><entry><al>2.6.8 lid 1 a</al></entry><entry><al>2.6.8 lid 1 b</al></entry><entry><al>2.6.8 lid 1 c</al></entry></row><row><entry><al>lid 1 a</al></entry><entry><al>voldoet niet aan eisen uit 2.2.1.</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry></row><row><entry><al>lid 1 b</al></entry><entry><al>geen urgent huisvestingsprobleem</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>nee</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry></row><row><entry><al>lid 1 c</al></entry><entry><al>huisvestingsprobleem is op andere wijze oplosbaar</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry></row><row><entry><al>lid 1 d</al></entry><entry><al>voorliggende voorziening</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry></row><row><entry><al>lid 1 e</al></entry><entry><al>aanwezigheid verwijtbaarheid</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>nee</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry></row><row><entry><al>lid 1 f</al></entry><entry><al>verhuizing naar zelfstandige woonruimte lost niets op</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry></row><row><entry><al>lid 1 g</al></entry><entry><al>eerdere verklaring is ingetrokken</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>nee</al></entry><entry><al>ja </al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry></row><row><entry><al>lid 1 h</al></entry><entry><al>zelfstandige woonruimte te duur</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry></row><row><entry><al>lid 1 i</al></entry><entry><al>minder dan 2 jaar woonachtig in gemeente</al></entry><entry><al>nee</al></entry><entry><al>nee</al></entry><entry><al>nee</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry></row><row><entry><al>lid 1 j</al></entry><entry><al>overschrijding inkomensnorm</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>nee</al></entry><entry><al>nee</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>nee</al></entry></row><row><entry><al>lid 2</al></entry><entry><al>niet woonachtig in legale, permanente zelfstandige
                                        woonruimte</al></entry><entry><al>nee</al></entry><entry><al>nee</al></entry><entry><al>nee</al></entry><entry><al>je</al></entry><entry><al>ja</al></entry><entry><al>ja</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>De weigeringsgronden genoemd in het eerste lid zijn, voor zover ze toepasselijk
                    zijn op de desbetreffende urgentiecategorie, verplichtend voor burgemeester en
                    wethouders: als er zich één of meerdere van deze weigeringsgronden voordoen,
                    moet de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd worden.</al><al/><al>De weigeringsgrond in het tweede lid heeft een facultatief karakter: indien zich
                    deze weigeringsgrond voordoet, kan de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd
                    worden.</al><al/><al>Het derde lid van artikel 2.6.5 van de HVV bevat de koppeling met de in de
                    artikelen 2.6.7 tot en met 2.6.8 opgenomen urgentiecategorieën: valt aanvrager
                    niet onder één van die urgentiecategorieën, dan dient de aangevraagde
                    urgentieverklaring geweigerd te worden.</al><al/><al>Voor een verdere inhoudelijke toelichting op de algemene weigeringsgronden van
                    artikel 2.6.5 wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.</al><al/><al><cursief>1.8.3. De urgentiecategorieën</cursief></al><al>Er zijn verdeeld over drie artikelen zeven urgentiecategorieën opgenomen in de
                    HVV:</al><al/><al>De wettelijke urgentiecategorieën van artikel 2.6.6</al><lijst><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekenden die verblijven in een
                            voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met
                            problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten
                            en waarvan de uitstroom uit die voorziening aanstaande is, indien de
                            behoefte aan woonruimte als gevolg van die uitstroom naar het oordeel
                            van burgemeester en wethouders dringend noodzakelijk is (artikel 2.6.6,
                            eerste lid, aanhef en onder a);</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekenden waarvan de voorziening in de
                            behoefte aan woonruimte als gevolg van het verlenen of ontvangen van
                            mantelzorg naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor
                            aanvrager dringend noodzakelijk is (artikel 2.6.6, eerste lid, aanhef en
                            onder b);</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor een vergunninghouder die, gelet op de in
                            artikel 28 van de wet genoemde taakstelling, gehuisvest moet worden door
                            het college van burgemeester en wethouders waar de urgentieverklaring
                            wordt aangevraagd (artikel 2.6.6, tweede lid).</al></li></lijst><al/><al>De regionale urgentiecategorieën van artikel 2.6.7 en 2.6.8</al><lijst><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekende die moet omzien naar
                            woonruimte aansluitend op verblijf in een instelling voor
                            maatschappelijke opvang, een psychiatrische instelling of een erkende
                            hulp- of dienstverleningsinstelling (artikel 2.6.7, eerste lid aanhef en
                            onder a);</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekenden die in een acute noodsituatie
                            verkeren (artikel 2.6.8, eerste lid, aanhef en onder a);</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekende die op grond van medische of
                            sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de
                            in artikel 2.6.7 bedoelde urgentiecategorie (artikel 2.6.8, eerste lid,
                            aanhef en onder b);</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte
                            behoort tot een door burgemeester en wethouders op grond van het tweede
                            lid aangewezen complex waaruit zij moeten verhuizen in verband met sloop
                            of ingrijpende renovatie of herstructurering van het gebied (artikel
                            2.6.8, eerste lid, aanhef en onder c).</al></li></lijst><al/><al>Een aangevraagde urgentieverklaring kan pas verleend worden, als de aanvrager
                    valt onder één van deze urgentiecategorieën (en geen van de relevante algemene
                    weigeringsgronden zich voordoet). Uit artikel 2.6.5, derde lid, van de HVV volgt
                    dat de aangevraagde urgentieverklaring wordt geweigerd als de aanvrager in geen
                    van de urgentiecategorieën ingedeeld kan worden. </al><al/><al>De in artikel 2.6.11 opgenomen hardheidsclausule biedt de mogelijkheid om in
                    bijzondere gevallen een urgentieverklaring te verlenen, ook al doet zich één of
                    meer van de weigeringsgronden voor.</al><al/><al>Voor een meer gedetailleerde toelichting op de afzonderlijke urgentiecategorieën
                    wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.</al><al/><al><cursief>1.8.4. Verlening of weigering van de urgentieverklaring</cursief></al><al>Als bij de beoordeling van de aanvraag blijkt dat er zich geen algemene
                    weigeringsgrond voordoet en aanvrager ingedeeld kan worden in één van de in de
                    HVV opgenomen urgentiecategorieën, kan de urgentieverklaring worden verleend.
                    Doet zich wel een algemene weigeringsgrond voor of is aanvrager niet in te delen
                    in één van de urgentiecategorieën, dan wordt de aangevraagde urgentieverklaring
                    geweigerd.</al><al/><al>De beslissing op een aanvraag is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de
                    Algemene wet bestuursrecht. Tegen een besluit kan een belanghebbende (in ieder
                    geval: de aanvrager) bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aanwenden. Deze
                    rechtsmiddelen zijn: bezwaar, beroep, hoger beroep en, parallel aan bezwaar,
                    beroep of hoger beroep, de indiening van een verzoek om een voorlopige
                    voorziening. </al><al/><al>In artikel 2.6.3 van de HVV wordt beschreven welke gegevens de
                    urgentieverklaring zelf dient te bevatten:</al><lijst><li nr="-"><al>de urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor woonruimte. Het
                            zoekprofiel bestaat uit een woningtype en het zoekgebied waarop de
                            voorrangswerking van de urgentieverklaring van toepassing is.</al></li><li nr="-"><al>de urgentieverklaring bevat informatie over aanvrager, het dossier van
                            de aanvrager en de termijn gedurende welke de urgentieverklaring geldig
                            is.</al></li></lijst><al/><al>Het in het woningtype op te nemen zoekprofiel bevat qua ligging, grootte, en
                    aard meest sobere woningtype of de meest sobere woningtypen dat naar het oordeel
                    van burgemeester en wethouders noodzakelijk is voor het oplossen van het
                    huisvestingsprobleem. Dit meest sobere woningtype kan per regiogemeente
                    verschillen: wat "meest sober" is, hangt immers af van de samenstelling van de
                    woningvoorraad. Op gemeentelijk niveau kan daarom beleid opgesteld worden aan de
                    hand waarvan bij de behandeling van concrete aanvragen het in het zoekprofiel op
                    te nemen woningtype bepaald kan worden.</al><al/><al>Het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied omvat de gemeente van het college
                    van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring heeft verleend, zie
                    artikel 2.6.4, eerste lid, van de HVV.</al><al/><al>Artikel 2.6.9 van de HVV bevat een regeling voor de geldigheidsduur van de
                    urgentieverklaring. Deze regeling is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="-"><al>zogenoemde SV-urgentieverklaringen (urgentieverklaringen verleend wegens
                            de toepasselijkheid van de urgentiecategorie opgenomen in artikel 2.6.8,
                            eerste lid, aanhef en onder c, van de HVV);</al></li><li nr="-"><al>de aan vergunninghouders verleende urgentieverklaringen
                            (urgentieverklaringen verleend wegens de toepasselijkheid van de
                            urgentiecategorie opgenomen in artikel 2.6.6, tweede lid); en,</al></li><li nr="-"><al>de urgentieverklaringen verleend wegens uitstroom (urgentieverklaringen
                            verleend wegens de toepasselijkheid van de urgentiecategorie opgenomen
                            in artikel 2.6.7, eerste lid).</al></li></lijst><al>Elke verleende urgentieverklaring is geldig:</al><lijst><li nr="-"><al>totdat de woningzoekende niet meer behoort tot de urgentiecategorie
                            waarin hij was ingedeeld bij de beslissing op de aanvrager. Hiervan is
                            onder meer sprake wanneer de woningzoekende woonruimte heeft betrokken
                            en als gevolg daarvan het huisvestingsprobleem geëindigd is;</al></li><li nr="-"><al>tot het moment waarop een termijn van 26 weken na verlening van de
                            urgentieverklaring eindigt. Binnen die 26 weken moet het
                            huisvestingsprobleem in beginsel opgelost zijn. Is dat niet het geval,
                            dan kunnen burgemeester en wethouders de geldigheidsduur van de
                            urgentieverklaring verlengen met ten hoogste 26 weken.</al></li></lijst><al/><al><cursief>1.8.5. Regionale werking van de urgentieverklaring</cursief></al><al>De urgentieverklaring verleend wegens de toepasselijkheid van een in artikel
                    2.6.8 van de HVV opgenomen urgentiecategorie heeft regionale werking. Dit
                    betekent dat een woningzoekende onder bepaalde omstandigheden de
                    urgentieverklaring kan inzetten bij het verkrijgen van woonruimte, gelegen in
                    een andere regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is afgegeven. Het
                    tweede tot en met vijfde lid van artikel 2.6.4 van de HVV bevat hiervoor de
                    volgende regeling:</al><lijst><li nr="-"><al>de houder van een urgentieverklaring meldt zich bij de regiogemeente
                            waar hij naar toe wil verhuizen. Deze regiogemeente wordt in het artikel
                            aangeduid als "de ontvangende gemeente". De houder van de
                            urgentieverklaring verzoekt burgemeester en wethouders van de
                            ontvangende gemeente om het in de urgentieverklaring opgenomen
                            zoekprofiel aan te passen.</al></li><li nr="-"><al>burgemeester en wethouders van de ontvangende gemeente beoordelen het
                            verzoek. Het vierde lid van artikel 2.6.4 van de HVV geeft aan welke
                            belangen burgemeester en wethouders daarbij in acht nemen: zij kunnen
                            het verzoek weigeren indien naar hun oordeel de onevenwichtige en
                            onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe
                            nopen. Daarmee grijpt het vierde lid terug op het motief om een
                            huisvestingsverordening vast te stellen: het bestrijden van de effecten
                            van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan
                            goedkope woonruimte.</al></li><li nr="-"><al>als burgemeester en wethouders gelet op het vierde lid geen reden zien
                            om het verzoek te weigeren, wijzigen zij het in de urgentieverklaring
                            opgenomen zoekprofiel. Het zoekgebied wijzigen zij in hun gemeente. Het
                            woningtype wijzigen zij in het woningtype dat voor hun gemeente in het
                            geval van deze woningzoekende als meest sobere woningtype geldt.</al></li><li nr="-"><al>burgemeester en wethouders kunnen ook, gelet op het bepaalde in het
                            vierde lid, tot de conclusie komen dat het verzoek geweigerd moet
                            worden.</al></li></lijst><al/><al>Het ligt voor de hand om op gemeentelijk niveau beleid vast te stellen waarin
                    beschreven wordt hoe invulling wordt gegeven aan de toets van verzoeken aan het
                    bepaalde in het vierde lid.</al><al/><al>Zowel een toekenning van het verzoek als een weigering van het verzoek is een
                    besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al><cursief>1.8.6. Intrekking en wijziging van de urgentieverklaring</cursief></al><al>Onder bepaalde omstandigheden kunnen urgentieverklaringen worden gewijzigd of
                    ingetrokken. Artikel 2.6.10 van de HVV bevat hiervoor een regeling. Dit artikel
                    is niet van toepassing op de SV-urgentieverklaring.</al><al/><al>Het tweede lid van artikel 2.6.10 bevat de intrekkingsgronden. Deze zijn voor
                    burgemeester en wethouders verplichtend geformuleerd, hetgeen betekent dat
                    indien zich een intrekkingsgrond voordoet, de urgentieverklaring ingetrokken
                    dient te worden. Er zijn de volgende intrekkingsgronden:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag zijn onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt. Deze
                            grond leidt tot intrekking indien volledigheid of juistheid had geleid
                            tot weigering van de aangevraagde urgentieverklaring. Als bij
                            volledigheid of juistheid een andere urgentieverklaring - of
                            bijvoorbeeld een ander woningtype - zou zijn verleend, is dat een reden
                            om de urgentieverklaring te wijzigen, zie het derde lid.</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring behoort niet meer tot de
                            urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                            urgentieverklaring of er doen zich één of meer toepasselijke, in artikel
                            2.6.5, eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende urgentiecategorie
                            toepasselijke weigeringsgronden voor;</al></li><li nr="c."><al>de houder van de urgentieverklaring verzoekt om intrekking van de
                            urgentieverklaring;</al></li><li nr="d."><al>de houder van de urgentieverklaring heeft aangeboden passende woonruimte
                            geweigerd of heeft zich anderszins onvoldoende ingespannen om zijn
                            huisvestingsprobleem op te lossen. Van dat laatste is onder meer sprake
                            als hij niet heeft gereageerd op via een aanbodinstrument aangeboden
                            woonruimte, voor zover die woonruimte paste binnen zijn
                            zoekprofiel.</al></li></lijst><al/><al>Het derde lid van artikel 2.6.10 bevat de wijzigingsgronden. Deze zijn
                    facultatief geformuleerd. Doet zich een wijzigingsgrond voor, dan kunnen
                    burgemeester en wethouders de urgentieverklaring wijzigen. Er zijn de volgende
                    wijzigingsgronden:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag zijn onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt en de
                            urgentieverklaring zou, indien juiste of volledige gegevens verstrekt
                            zouden zijn geweest, niet zijn geweigerd maar anders op de aanvraag
                            besloten; en</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring tot een andere urgentiecategorie
                            behoort dan die welke aanleiding was voor verlening van de
                            urgentieverklaring.</al></li></lijst><al/><al>Intrekken en wijzigen van een urgentieverklaring is een besluit in de zin van
                    artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al><cursief>1.8.7. Overgangsrecht urgentieverklaringen</cursief></al><al>Artikel 2.6.12 van de HVV bevat het overgangsrecht voor urgentieverklaringen die
                    aangevraagd of verleend zijn voor de inwerkingtreding van de gewijzigde HVV. Het
                    eerste en tweede lid zorgen er onder meer voor dat urgentieverklaringen verleend
                    op grond van de oude regelgeving, nog steeds geldig blijven. </al><al/><al>Het eerste lid stelt urgentieverklaringen die verleend zijn vóór 1 januari 2015
                    gelijk met de op grond van de gewijzigde HVV te verlenen urgentieverklaringen.
                    Dit geldt voor zowel urgentieverklaringen verleend op grond van de
                    (ongewijzigde) Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 als
                    die verleend op basis van artikel 6 van het Convenant woonruimteverdeling
                    Stadsregio Amsterdam en Platform Woningcorporaties Noordvleugel Randstad
                    (hierna: Convenant). Door deze bepaling krijgen urgentieverklaringen verleend op
                    grond van het Convenant een publiekrechtelijk karakter.</al><al/><al>Het tweede lid bepaalt dat beslissingen op een aanvraag om een
                    urgentieverklaring, gedaan tussen 1 januari 2015 en het moment van
                    inwerkingtreding van de gewijzigde HVV, gelijkgesteld worden met de op grond van
                    de gewijzigde HVV te verlenen urgentieverklaringen. Dit geldt voor zowel
                    beslissingen op grond van de (ongewijzigde) Regionale Huisvestingsverordening
                    Stadsregio Amsterdam 2013 als die op basis van artikel 6 van het Convenant. Door
                    deze bepaling krijgen deze beslissingen op grond van het Convenant een
                    publiekrechtelijk karakter.</al><al/><al>Het derde lid bepaalt dat deze, naar urgentieverklaringen "nieuwe stijl"
                    omgezette oude urgentieverklaringen, geen regionale werking hebben. Hiervoor is
                    gekozen omdat deze oude urgentieverklaringen nog verleend zijn met toepassing
                    van de lokale toewijzingspraktijk, waarbij de eisen waaraan een woningzoekende
                    moest voldoen om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring, nog
                    onvoldoende regionaal geharmoniseerd waren.</al><al/><al>Op grond van het vierde lid worden alle aanvragen om een urgentieverklaring,
                    gedaan vóór inwerkingtreding van de gewijzigde HVV, waarop nog niet beslist is,
                    behandeld overeenkomstig het bepaalde in de gewijzigde HVV. Beslissingen op
                    eventuele aanvragen om een urgentieverklaring op basis van het Convenant worden
                    door deze bepaling publiekrechtelijk afgedaan.</al><al/><al><vet>2. Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Dit hoofdstuk van de toelichting bevat een artikelsgewijze toelichting op de
                    verordening. In bepaalde andere gevallen wordt volstaan met een verwijzing naar
                    de algemene toelichting of wordt een gedeelte van algemene toelichting
                    herhaald.</al><al/><al><cursief>Artikel 1 Definities</cursief></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.1.1 Werkingsgebied</cursief></al><al>Dit artikel bepaalt het werkingsgebied van afdeling I (de artikelen 2.1.1 tot en
                    met 2.6.12) van de HVV. Het eerste lid bevat een geografische beschrijving van
                    het werkingsgebied. De daarop volgende leden beschrijven de omvang van de
                    woonruimtevoorraad die binnen dat geografische werkingsgebied onder de werking
                    van afdeling I valt.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.1.2 Reikwijdte vergunningplicht</cursief></al><al>Dit artikel bevat de op artikel 7 van de wet gebaseerde beschrijving van de
                    huisvestingsvergunningplicht.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.2.1 Toelatingscriteria</cursief></al><al>Dit artikel bevat twee criteria waaraan een huishouden moet voldoen om
                    toegelaten te worden tot het aangewezen deel van de woningmarkt:</al><lijst><li nr="-"><al>ten minste één van de leden van het huishouden is niet minderjarig als
                            bedoeld in artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="-"><al>alle leden van het huishouden mogen rechtmatig in Nederland
                            verblijven.</al></li></lijst><al/><al>Deze toelatingscriteria zijn, via artikel 2.3.2, eerste lid, en artikel 2.4.2,
                    eerste lid, tevens weigeringsgronden voor de huisvestingsvergunning.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.2.2 Aanvullend toelatingscriterium particuliere
                        huurvoorraad</cursief></al><al>Dit artikel bevat een aanvullend toelatingscriterium voor het aangewezen deel
                    van de particuliere huurvoorraad. Ook dit toelatingscriterium is via artikel
                    2.3.2, eerste lid, een weigeringsgrond voor de huisvestingsvergunning.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.2.3 Aanbieden van woonruimte</cursief></al><al>Dit artikel regelt de wijze waarop corporaties hun voor verhuur beschikbare
                    woonruimte aanbieden. Deze aanbieding geschiedt, gelet op het bepaalde in het
                    eerste lid, eenduidig en transparant via een aanbodinstrument of via meerdere
                    aanbodinstrumenten. </al><al/><al>Het tweede lid heeft tot doel te waarborgen dat het voor de woningzoekende
                    duidelijk is aan welke voorwaarden hij dient te voldoen om in aanmerking te
                    komen voor de via een aanbodinstrument aangeboden woonruimte.</al><al/><al>Als woonruimte via directe bemiddeling wordt aangeboden, is het bepaalde in het
                    eerste en tweede lid niet van toepassing.</al><al/><al>Verwezen wordt verder naar paragraaf 1.5.4.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.2.4 Woningzoekenden en inschrijving</cursief></al><al>Een woningzoekende kan zich vanaf het moment waarop hij de leeftijd van 18 jaar
                    bereikt, inschrijven als woningzoekende. Dat doet hij in een aanbodinstrument.
                    De inschrijving in één aanbodinstrument geldt als inschrijving in elk in de
                    regio gebruikt aanbodinstrument. Zo wordt bewerkstelligt dat de woningzoekende
                    in de hele regio dezelfde inschrijfduur opbouwt.</al><al/><al>Ingevolge het bepaalde in het tweede lid is de inschrijfduur gelijk aan de
                    periode dat men als woningzoekende staat ingeschreven. Ingevolge het bepaalde in
                    het derde lid eindigt de inschrijving nadat een woningzoekende als huurder
                    aangewezen woonruimte in gebruik heeft genomen. </al><al/><al>Als eventueel huisgenoten (niet-zijnde meeverhuizende inwonende kinderen) ook
                    zelfstandig als woningzoekende zijn ingeschreven én hun medeverhuizing is
                    noodzakelijk voor het verkrijgen van de huisvestingsvergunning voor de bewoning
                    van de desbetreffende woonruimte (bijvoorbeeld: in verband met passendheid gelet
                    op de grootte van de woning), eindigt ook hun inschrijving als woningzoekende,
                    zo volgt uit het vierde lid.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.2.5 Voorwaarden aan inschrijving via het
                        aanbodinstrument</cursief></al><al>Aan de inschrijving als woningzoekende via een aanbodinstrument kunnen
                    voorwaarden worden verbonden. Te denken valt aan inschrijfgeld of per jaar dat
                    men ingeschreven staat te betalen verlengingsgeld.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.2.6 Aanvraag vergunning en in te dienen
                    bescheiden</cursief></al><al>Burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de woning gelegen is, zijn
                    bevoegdheid om een huisvestingsvergunning te verlenen, weigeren of
                    intrekken.</al><al>De huisvestingsvergunning wordt verleend op aanvraag. Artikel 2.2.6 van de HVV
                    bevat regels voor het doen van zo'n aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanvraag moet worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de
                            regiogemeente waar de woning gelegen is;</al></li><li nr="-"><al>de aanvraag moet vergezeld gaan van diverse stukken met nadere
                            informatie;</al></li><li nr="-"><al>de aanvrager kan gevraagd worden een geldig identiteitsbewijs van alle
                            leden van het huishouden te tonen;</al></li><li nr="-"><al>burgemeester en wethouders kunnen nog andere, niet in dit artikel
                            genoemde, informatie opvragen bij aanvrager;</al></li></lijst><al>in bepaalde gevallen moet de aanvrager over een indicatie beschikken, waaruit
                    blijkt dat de woning waarvoor hij een huisvestingsvergunning wil verkrijgen, bij
                    uitstek geschikt is voor hem.</al><al/><al>Overigens bevat afdeling 4.1 van de Awb een algemene, ook voor de
                    huisvestingsvergunning geldende, regeling over beschikkingen. De voor de
                    praktijk belangrijkste artikelen uit dit deel van de Awb zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 4:5 Awb. Dit artikel schrijft voor hoe omgegaan moet worden met
                            een onvolledige aanvraag;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:8 Awb. Dit artikel schrijft voor dat in bepaalde gevallen
                            aanvrager moet kunnen reageren op een voorgenomen, voor hem negatief,
                            besluit;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:13 tot en met 4:15 Awb. Deze artikelen bevatten de regeling
                            over de beslistermijn en de opschorting daarvan. Zie daarvoor ook
                            artikel 2.2.7 van de HVV.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Artikel 2.2.7 Beslistermijn</cursief></al><al>Het eerste lid van dit artikel bepaalt de reguliere beslistermijn op acht weken.
                    Het tweede lid bepaalt dat die termijn eenmalig met vier weken verlengd kan
                    worden.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.2.8 Gegevens op de vergunning</cursief></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.3.1 Reikwijdte paragraaf 3</cursief></al><al>Als gevolg van het bepaalde in dit artikel is paragraaf 2.3 alleen van
                    toepassing op de ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte, voor zover die
                    geen eigendom is van een corporatie.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.3.2 Weigeringsgronden van de
                    huisvestingsvergunning</cursief></al><al>Dit artikel bevat de gronden waarop een huisvestingsvergunning voor een
                    particuliere huurwoning die aangewezen is ingevolge artikel 2.1.1 wordt
                    geweigerd. Alle vier genoemde weigeringsgronden vormen een zelfstandige
                    weigeringsgrond. De huisvestingsvergunning wordt geweigerd indien:</al><al>a. het huishouden niet voldoet aan de toelatingscriteria;</al><al>b. het huishouden al in het bezit is van een geldige
                    huisvestingsvergunning;</al><al>c. het huishouden op grond van bezettingsnormen bedoeld in artikel 2.3.3 niet
                    voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komt; of, </al><al>d. niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal
                    nemen.</al><al/><al>Zie overigens ook paragraaf 1.6.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.3.3 Bezettingsnorm</cursief></al><al>In bepaalde gemeenten zijn voor dit deel van de huurmarkt bezettingsnormen van
                    toepassing. Deze zijn vermeld in bijlage 3 bij de verordening. De
                    bezettingsnormen vormen een voorrangsregeling, geen uitsluitingsgrond. Dat
                    betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op een woning van toepassing
                    zijnde bezettingsnorm, ten opzichte van woningzoekenden die daaraan niet voldoen
                        <cursief>met voorrang</cursief> in aanmerking komt voor een
                    huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan een
                    bezettingsnorm, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in
                    aanmerking, maar dan alleen ná de woningzoekenden die wél aan de bezettingsnorm
                    voldoen.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.3.4 Intrekking vergunning</cursief></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken,
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen de
                            genoemde termijn (zie artikel 2.2.8, eerste lid, aanhef en onder d) in
                            gebruik heeft genomen. In het belang van een doelmatig beheer van
                            schaarse woonruimte is het immers van belang dat vrijkomende woonruimte
                            zo spoedig mogelijk weer in gebruik genomen wordt.</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de houder van de vergunning
                            verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kan vermoeden
                            dat zij onjuist of onvolledig waren.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Artikel 2.4.1 Reikwijdte paragraaf 4</cursief></al><al>Op grond van dit artikel is het bepaalde in paragraaf 4 uitsluitend van
                    toepassing op ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is van
                    een corporatie.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.4.2 Weigeringsgronden van de
                    huisvestingsvergunning</cursief></al><al>Ingevolge het bepaalde in het eerste lid wordt de huisvestingsvergunning
                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden niet voldoet aan de toelatingscriteria genoemd in artikel
                            2.2.1..Deze criteria houden in dat tenminste één van de leden van het
                            huishouden bevoegd is een huurovereenkomst te sluiten (het onder a van
                            artikel 2.2.1 genoemde criterium) en dat alle leden van het huishouden
                            in Nederland mogen verblijven (het onder b van artikel 2.2.1 genoemde
                            criterium).</al></li><li nr="b."><al>het huishouden al in het bezit is van een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>het huishouden op grond van het bepaalde in artikel 2.4.6 niet voor de
                            huisvestingsvergunning in aanmerking komt. Dit is de koppeling naar de
                            regels over toewijzing van corporatiewoningen via het aanbodinstrument
                            of via directe bemiddeling.</al></li><li nr="d."><al>het niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal
                            nemen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als aannemelijk is dat het
                            huishouden zelf niet in de woning gaat wonen maar deze (illegaal) zal
                            onderverhuren; of,</al></li><li nr="e."><al>de corporatie, gelet op haar taak als toegelaten instelling of haar
                            belang als verhuurder, daaronder mede begrepen haar verantwoordelijkheid
                            voor de bescherming van de belangen van de overige huurders en voor de
                            waarborging van het woongenot, redelijkerwijs het sluiten van een
                            huurovereenkomst met aanvrager heeft kunnen weigeren. Deze
                            weigeringsgrond maakt het mogelijk om bij de beslissing over het al dan
                            niet verlenen van de huisvestingsvergunning rekening te houden met de
                            specifieke positie die een corporatie heeft ten gevolge van de Woningwet
                            en haar positie als verhuurder <cursief>sec</cursief>. </al></li></lijst><al>Alle genoemde weigeringsgronden vormen een zelfstandige weigeringsgrond.</al><al/><al>Zie overigens ook paragraaf 1.5.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.4.3 Intrekking vergunning</cursief></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken,
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen de
                            genoemde termijn in gebruik heeft genomen. In het belang van een
                            doelmatig beheer van schaarse woonruimte is het immers van belang dat
                            vrijkomende woonruimte zo spoedig mogelijk weer in gebruik genomen
                            wordt.</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de houder van de vergunning
                            verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kan vermoeden
                            dat zij onjuist of onvolledig waren.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Artikel 2.4.4 Passendheidscriteria: voorrang gelet op de aard, grootte
                        en prijs van woonruimte</cursief></al><al>Artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 geeft de mogelijkheid om in de
                    huisvestingsverordening te bepalen dat bepaalde categorieën woningzoekenden met
                    voorrang in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning voor bepaalde
                    categorieën woonruimte. Dit, gelet op de aard, grootte of prijs van die
                    woonruimte. Artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 biedt dus niet de
                    mogelijkheid om woningzoekenden uit te sluiten van de mogelijkheid om een
                    huisvestingsvergunning te krijgen. Zie daarvoor overigens ook de tweede alinea
                    van paragraaf 1.5 van deze toelichting.</al><al/><al>Passendheidscriteria zijn voorrangsregelingen, geen uitsluitingsgronden. Dat
                    betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op een woning van toepassing
                    zijnde passendheidseis, ten opzichte van woningzoekenden die daaraan niet
                    voldoen <cursief>met voorrang</cursief> in aanmerking komt voor een
                    huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan een
                    passendheidseis, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in
                    aanmerking, maar dan alleen ná de woningzoekenden die wél aan de passendheidseis
                    voldoen.</al><al/><al>Het eerste lid van artikel 2.4.4 beschrijft dat de categorieën woonruimte
                    genoemd in kolom 2 van de in het tweede lid opgenomen tabel, categorieën
                    woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 zijn. Deze
                    categorieën woonruimte zijn als het ware gematcht met de in kolom 1 van de tabel
                    genoemde, categorieën woningzoekenden. Het tweede lid van artikel 2.4.4 bepaalt
                    dan ook dat de woningzoekenden uit kolom 2 met voorrang in aanmerking komen voor
                    een huisvestingsvergunning voor woonruimte uit kolom 1, uiteraard voor zover
                    categorie woningzoekende en categorie woonruimte in dezelfde rij van de kolom
                    staan.</al><al/><al>Het met voorrang in aanmerking laten komen voor een huisvestingsvergunning maakt
                    onderdeel uit van de voorbereiding van de beslissing tot verlening van een
                    huisvestingsvergunning en is daarmee een bevoegdheid van burgemeester en
                    wethouders. Het is daarom dat de nadere invulling van de inkomenseis op grond
                    van het derde lid van artikel 2.4.4 door burgemeester en wethouders geschiedt.
                    Voor de volledigheid wordt hier opgemerkt dat het voorrang op basis van inkomen,
                    gelet op de prijs van de woonruimte, betreft en geen uitsluiting op basis van
                    inkomen.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.4.5 Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale
                        binding</cursief></al><al>Artikel 14, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 geeft de mogelijkheid om in
                    de huisvestingsverordening te bepalen dat bij de verlening van
                    huisvestingsvergunningen voor ten hoogste 50% van één of meer daarbij aangewezen
                    categorieën woonruimte, voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die
                    economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio. </al><al/><al>Voor ten hoogste de helft van dat percentage mag bij de verlening van
                    huisvestingsvergunningen voorrang worden gegeven aan woningzoekenden die
                    economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan een tot de gemeente behorende
                    kern, aldus de tweede zin van artikel 14, tweede lid, van de Huisvestingswet
                    2014.</al><al/><al>Bindingscriteria zijn, net als passendheidscriteria, voorrangsregelingen, geen
                    uitsluitingsgronden. Dat betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op
                    een woning van toepassing zijnde bindingseis, ten opzichte van woningzoekenden
                    die daaraan niet voldoen <cursief>met voorrang</cursief> in aanmerking komt voor
                    een huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan een
                    bindingseis, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in aanmerking,
                    maar dan alleen ná de woningzoekenden die wél aan de bindingseis voldoen.</al><al/><al>In artikel 2.4.5 is van de HVV is van de in artikel 14, tweede lid, van de
                    Huisvestingswet 2014 geboden mogelijkheid gebruikgemaakt. Dat betekent dat ten
                    hoogste 50% van de huisvestingsvergunningen verleend met voorrang aan
                    woningzoekenden met regionale binding verleend mag worden. In de helft van die
                    gevallen, dus: in 25% van de gevallen, mag een huisvestingsvergunning met
                    voorrang verleend worden aan woningzoekenden met lokale binding.</al><al/><al>Let wel, alleen gevallen waarbij de huisvestingsvergunning daadwerkelijk
                    verleend wordt omdat sprake is van binding, tellen mee in de bovengenoemde
                    percentages. </al><al/><al>Opgemerkt wordt verder dat de woningzoekenden in het bezit van een
                    urgentieverklaring verleend in verband met mantelzorg, uitstroom uit een
                    blijf-van-mijn-lijfhuis of vergunninghouders (statushouders) die de gemeente
                    gelet op de taakstelling moet huisvesten, de bindingscriteria niet tegengeworpen
                    kunnen krijgen, zie lid 3 van artikel 2.4.7 van de HVV en artikel 16 van de
                    Huisvestingswet 2014.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.4.6 Algemene volgordebepaling</cursief></al><al>Zie paragraaf 1.5.5.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.4.6a Bijzondere volgordebepaling</cursief></al><al>Deze volgordebepaling geldt als de woonruimte te huur wordt aangeboden met
                    toepassing het label "grote huishoudens" zoals dat is opgenomen in artikel
                    2.4.4, vierde lid. De volgordebepaling treedt, wanneer de woonruimte wordt
                    aangeboden via het aanbodinstrument, in de plaats van de algemene
                    volgordebepaling opgenomen in artikel 2.4.6.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.4.7 Volgorde van de houders van de
                        urgentieverklaring</cursief></al><al>Zie paragraaf 1.5.5.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.4.8 Volgorde overige woningzoekenden</cursief></al><al>Zie paragraaf 1.5.5.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.4.9 Directe bemiddeling</cursief></al><al>Zie paragraaf 1.5.6.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.4.10 Bijzondere gevallen</cursief></al><al>Zie paragraaf 1.5.6.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.5.1 Algemeen</cursief></al><al>De artikelen 2.5.1 tot en met 2.5.3 bevatten een regeling voor experimenten op
                    het gebied van woonruimteverdeling. Belangrijk is het om vast te stellen dat
                    experimenten weliswaar niet mogelijk zijn op grond van de (overige) bepalingen
                    van de HVV, maar wel, gelet op de Huisvestingswet 2014, in een
                    huisvestingsverordening opgenomen zouden kunnen worden. Het is dus zo dat
                    experimenten niet in strijd mogen zijn met de uitgangspunten van de
                    Huisvestingswet 2014 zelf. </al><al/><al><cursief>Artikel 2.5.2 Experimenten met woonruimten van
                    corporaties</cursief></al><al>Dit artikel regelt de experimenten die corporaties en gemeenten samen kunnen
                    organiseren. Een experiment duurt maximaal 2 jaar en betreft ten hoogste 10% van
                    de per jaar toe te wijzen woonruimten van de corporaties die bij het experiment
                    betrokken zijn. Een experiment mag pas starten als de Stuurgroep Wonen de opzet
                    ervan heeft goedgekeurd.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.5.3 Experimenten met overige aangewezen
                    woonruimten</cursief></al><al>Ook andere verhuurders dan corporaties kunnen samen met gemeenten experimenten
                    organiseren. Deze experimenten behoeven de goedkeuring van het dagelijks bestuur
                    van de stadsregio.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.6.1 Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een
                        urgentieverklaring</cursief></al><al>Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
                    urgentieverklaring moet worden aangevraagd, beslissen op de aanvraag Artikel
                    2.6.2 bepaalt waar de aanvraag ingediend moet worden.</al><al/><al>Eén urgentiegrond kent een eigen bevoegdheidsregeling: dit betreft de in artikel
                    2.6.7 van de HVV geregelde urgentiegrond "uitstroom", zie daarvoor paragraaf
                    1.8.3 van de algemene toelichting en de artikelsgewijze toelichting.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.6.2 Aanvraag om een urgentieverklaring</cursief></al><al>Het eerste lid van dit artikel bevat een regeling voor het indienen van de
                    aanvraag om een urgentieverklaring:</al><al>- woont aanvrager binnen de regio, dan vraagt hij de urgentieverklaring aan bij
                    burgemeester en wethouders van zijn woonplaats;</al><al>- woont aanvrager niet binnen de regio, dan vraagt hij de urgentieverklaring aan
                    bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar hij wil gaan
                    wonen.</al><al/><al>Deze laatste situatie (een aanvrager van buiten de regio) doet zich in het
                    bijzonder voor bij de zogenoemde "wettelijke urgentiegronden": deze
                    woningzoekenden zullen vaak niet in de regio woonachtig zijn.</al><al>Op een aanvraag wordt, gelet op het bepaalde in artikel 2.6.2, tweede lid, van
                    de HVV, binnen acht weken besloten. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken
                    verlengd worden. Uiteraard is een behandeltermijn van acht weken respectievelijk
                    12 weken langer dan in de meeste gevallen, gelet op het urgente karakter van
                    veel huisvestingsproblemen, wenselijk is. </al><al/><al>Het derde lid van artikel 2.6.2 van de HVV somt op welke gegevens en bescheiden
                    in ieder geval bij de aanvraag ingediend moeten worden:</al><lijst><li nr="a."><al>stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is
                            ingeschreven in het aanbodinstrument;</al></li><li nr="b."><al>informatie over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat
                            aan de aanvraag ten grondslag ligt; en</al></li><li nr="c."><al>informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden van
                            aanvrager.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Artikel 2.6.3 Inhoud van de urgentieverklaring</cursief></al><al>In artikel 2.6.3 van de HVV wordt beschreven welke gegevens de
                    urgentieverklaring zelf dient te bevatten:</al><lijst><li nr="-"><al>de urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor woonruimte. Het
                            zoekprofiel bestaat uit een woningtype en het zoekgebied waarop de
                            voorrangswerking van de urgentieverklaring van toepassing is.</al></li><li nr="-"><al>de urgentieverklaring bevat informatie over aanvrager, het dossier van
                            de aanvrager en de termijn gedurende welke de urgentieverklaring geldig
                            is.</al></li></lijst><al/><al>Het in het woningtype op te nemen zoekprofiel bevat qua ligging, grootte, en
                    aard het meest sobere woningtype of de meest sobere woningtypen dat naar het
                    oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is voor het oplossen van het
                    huisvestingsprobleem. Dit meest sobere woningtype kan per regiogemeente
                    verschillen: wat "meest sober" is, hangt immers af van de samenstelling van de
                    woningvoorraad. Op gemeentelijk niveau kan daarom beleid opgesteld worden aan de
                    hand waarvan bij de behandeling van concrete aanvragen het in het zoekprofiel op
                    te nemen woningtype bepaald kan worden. Dit geldt voor urgentieverklaringen met
                    uitzondering van de SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaring in verband
                    met calamiteiten (de urgentiecategorie genoemd in artikel 2.6.8, eerste lid,
                    aanhef en onder a). Verder wordt opgemerkt dat binnen de gemeente Amsterdam de
                    houders van een wegens een calamiteit verleende urgentieverklaring zelf in
                    WoningNet kunnen zoeken en reageren op woningen die zijn gelabeld voor
                    voorrangskandidaten. De woningcorporaties labelen in hun ogen geschikte woningen
                    voor de urgenten.</al><al/><al>Zie voor de bepaling van het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied artikel
                    2.6.4 van de HVV.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.6.4 Het zoekgebied</cursief></al><al>Het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied omvat de gemeente van het college
                    van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring heeft verleend, aldus
                    eerste lid.</al><al/><al>De urgentieverklaring verleend wegens de toepasselijkheid van een in artikel
                    2.6.8 van de HVV opgenomen urgentiecategorie heeft regionale werking. Dit
                    betekent dat een woningzoekende onder bepaalde omstandigheden de
                    urgentieverklaring kan inzetten bij het verkrijgen van woonruimte, gelegen in
                    een andere regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is afgegeven. Het
                    tweede tot en met vijfde lid van artikel 2.6.4 van de HVV bevat hiervoor de
                    volgende regeling:</al><lijst><li nr="-"><al>de houder van een urgentieverklaring meldt zich bij de regiogemeente
                            waar hij naar toe wil verhuizen. Deze regiogemeente wordt in het artikel
                            aangeduid als "de ontvangende gemeente". De houder van de
                            urgentieverklaring verzoekt burgemeester en wethouders van de
                            ontvangende gemeente om het in de urgentieverklaring opgenomen
                            zoekprofiel aan te passen.</al></li><li nr="-"><al>burgemeester en wethouders van de ontvangende gemeente beoordelen het
                            verzoek. Het vierde lid van artikel 2.6.4 van de HVV geeft aan welke
                            belangen burgemeester en wethouders daarbij in achtnemen: zij kunnen het
                            verzoek weigeren indien naar hun oordeel de onevenwichtige en
                            onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe
                            nopen. Daarmee grijpt het vierde lid terug op het motief om een
                            huisvestingsverordening vast te stellen: het bestrijden van de effecten
                            van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan
                            goedkope woonruimte. Opgemerkt wordt dat burgemeester en wethouders in
                            deze situatie niet opnieuw beoordelen of de urgentieverklaring zelf
                            terecht is verleend. </al></li><li nr="-"><al>als burgemeester en wethouders gelet op het vierde lid geen reden zien
                            om het verzoek te weigeren, wijzigen zij het in de urgentieverklaring
                            opgenomen zoekprofiel. Het zoekgebied wijzigen zij in hun gemeente. Het
                            woningtype wijzigen zij in het woningtype dat voor hun gemeente in het
                            geval van deze woningzoekende als meest sobere woningtype geldt.</al></li><li nr="-"><al>burgemeester en wethouders kunnen ook, gelet op het bepaalde in het
                            vierde lid, tot de conclusie komen dat het verzoek geweigerd moet
                            worden.</al></li></lijst><al/><al>Het ligt voor de hand om op gemeentelijk niveau beleid vast te stellen waarin
                    beschreven wordt hoe invulling wordt gegeven aan de toets van verzoeken aan het
                    bepaalde in het vierde lid.</al><al/><al>Zowel een toekenning van het verzoek als een weigering van het verzoek is een
                    besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.6.5 Algemene weigeringsgronden
                    urgentieverklaring</cursief></al><al>Als de aanvraag volledig en te beoordelen is, wordt getoetst of er zich één of
                    meerdere algemene weigeringsgronden voordoen. Deze zijn opgenomen in artikel
                    2.6.5, eerste en tweede lid, van de HVV. Niet elke algemene weigeringsgrond is
                    van toepassing op elke urgentiecategorie, zie het schema in paragraaf
                    1.8.2.</al><al/><al>De weigeringsgronden genoemd in het eerste lid zijn, voor zover ze toepasselijk
                    zijn op de desbetreffende urgentiecategorie, verplichtend voor burgemeester en wethouders<noot id="d2053e7434"><noot.nr> 2</noot.nr><noot.al>Tenzij
                            burgemeester en wethouders hiervan afwijken met toepassing van de in
                            artikel 2.6.11 opgenomen hardheidsclausule</noot.al></noot> : als er zich één of meerdere van deze weigeringsgronden voordoen, moet
                    de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd worden. Het betreft de volgende
                    weigeringsgronden:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1
                            genoemde eisen. Dit betekent dat tenminste één lid van het huishouden
                            van aanvrager niet minderjarig is en dat alle leden van het huishouden
                            in Nederland mogen verblijven.</al></li><li nr="b."><al>er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem. Uit deze
                            weigeringsgrond volgt dat sprake moet zijn van een urgent
                            huisvestingsprobleem.</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of
                            kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze
                            oplossen. In bepaalde gevallen is wel sprake van een urgent
                            huisvestingsprobleem, maar had aanvrager dit redelijkerwijs zelf kunnen
                            voorkomen. Bijvoorbeeld door in verband met een voorzienbare beperking
                            tijdig te verhuizen naar meer geschikte woonruimte. Of door met eigen
                            vermogen geschikte woonruimte te kopen. </al></li><li nr="d."><al>het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost
                            door gebruik te maken van een voorliggende voorziening. Het begrip
                            'voorliggende voorziening' is gedefinieerd in artikel 1 en kan eventueel
                            in lokaal beleid verder inhoud gegeven worden.</al></li><li nr="e."><al>het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is
                            ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of
                            een lid van zijn huishouden. Van deze weigeringsgrond is bijvoorbeeld
                            sprake als aanvrager zijn vorige woning heeft moeten verlaten in verband
                            met door hem ondernomen wietteelt of als aanvrager met zijn gezin is
                            gaan inwonen, terwijl het redelijkerwijs voorzienbaar was dat dit tot
                            problemen zou leiden.</al></li><li nr="f."><al>het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet
                            of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar andere
                            zelfstandige woonruimte. Deze weigeringsgrond doet zich bijvoorbeeld
                            voor indien aanvrager als gevolg van specifieke problematiek een urgent
                            huisvestingsprobleem heeft gekregen en redelijkerwijs te verwachten is
                            dat die problematiek hem nog steeds belet om zelfstandig woonruimte te
                            bewonen. Het kan daarbij gaan om problematiek van sociaal-medische
                            aard.</al></li><li nr="g."><al>de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager
                            of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is
                            ingetrokken met toepassing van artikel 2.6.10, tweede lid, aanhef en
                            onder a en d. Bij intrekking wegens de toepasselijkheid van deze
                            intrekkingsgronden (a. onvolledige of onjuiste gegevens verstrekt en d.
                            aangeboden woonruimte geweigerd dan wel zich onvoldoende ingespannen)
                            kan gezegd worden dat aanvrager het ontstane of voortdurende
                            huisvestingsprobleem in belangrijke mate aan zichzelf te wijten
                            heeft.</al></li><li nr="h."><al>de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van
                            bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien. Indien aanvrager niet
                            in de kosten van bestaan of de kosten van bewoning van zelfstandige
                            woonruimte kan voorzien, is het, via een urgentieverklaring verkrijgen
                            van zelfstandige woonruimte, geen duurzame oplossing van het
                            huisvestingsprobleem.</al></li><li nr="i."><al>de aanvrager in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de
                            aanvraag blijkens diens inschrijving in de basisadministratie niet
                            tenminste twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de
                            urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was. Deze
                            weigeringsgrond spreekt voor zich.</al></li><li nr="j."><al>het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt. Huishoudens met een
                            inkomen boven de DAEB-norm worden veronderstelt in beginsel zelf voor
                            hun huisvesting te kunnen zorgen.</al></li></lijst><al/><al>De weigeringsgrond in het tweede lid heeft een facultatief karakter: indien zich
                    deze weigeringsgrond voordoet, kan de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd
                    worden. Deze weigeringsgrond stelt burgemeester en wethouders in staat om een
                    urgentieverklaring te weigeren indien het huisvestingsprobleem veroorzaakt wordt
                    door het </al><lijst><li nr="-"><al>bewonen van onzelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="-"><al>bewonen van voor tijdelijke bewoning geschikte woonruimte; of</al></li><li nr="-"><al>in een in strijd met een bestemmingsplan permanent bewonen van een
                            bouwwerk.</al></li></lijst><al>Aanvrager kon immers bij de start van deze vormen van bewoning verwachten dat op
                    een zeker moment als gevolg daarvan een huisvestingsprobleem zou gaan ontstaan.
                    Het ligt overigens voor de hand dat gemeenten die voornemens zijn om van deze
                    weigeringsgrond gebruik te maken, ter zake beleid ontwikkelen.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.6.6 Wettelijke urgentiecategorieën</cursief></al><al>Artikel 2.6.6 bevat de zogenoemde wettelijke urgentiecategorieën. Dit zijn de
                    urgentiecategorieën waarvan in artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet
                    2014 is bepaald dat áls een Regioraad besluit tot instelling van een
                    urgentieregeling, hij in ieder geval die categorieën onder de reikwijdte van de
                    urgentieregeling moet laten vallen. Concreet gaat het om:</al><lijst><li nr="1."><al>woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang
                            van personen, die in verband met problemen van relationele aard of
                            geweld hun woonruimte hebben verlaten;</al></li><li nr="2."><al>woningzoekenden die mantelzorg verlenen of ontvangen;</al></li><li nr="3."><al>vergunninghouders (vroeger ook wel "statushouders" genaamd).</al></li></lijst><al/><al>In het eerste lid zijn de onder a. en b. genoemde categorieën opgenomen. Er
                    wordt op gewezen dat op deze categorieën de algemene weigeringsgronden van
                    artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h en j van toepassing
                    zijn. Over de onder a. genoemde categorie wordt opgemerkt dat deze urgentiegrond
                    zich, naast de overige in het eerste lid onder a genoemde omstandigheden, pas
                    voordoet als "de behoefte aan <cursief>in de desbetreffende regiogemeente
                        gelegen woonruimte</cursief>" naar het oordeel van burgemeester en
                    wethouders noodzakelijk is. </al><al/><al>Over de onder b. genoemde categorie wordt opgemerkt dat het enkele bestaan van
                    een mantelzorgrelatie tussen een inwoner van de regiogemeente en een
                    woningzoekende van elders, geen grond is voor toekenning van een
                    urgentieverklaring. Het verlenen of ontvangen van mantelzorg moet een dusdanige
                    impact op het leven van aanvrager hebben, dat naar het oordeel van burgemeester
                    en wethouders sprake is van een voor aanvrager dringend noodzakelijke behoefte
                    aan andere woonruimte. </al><al/><al>De onder c. genoemde categorie is opgenomen in het tweede lid van artikel 2.6.6.
                    Een vergunninghouder (statushouder) komt pas in aanmerking voor een
                    urgentieverklaring als: </al><lijst><li nr="-"><al>de vergunninghouder, gelet op de op burgemeester en wethouders rustende
                            taakstelling, gehuisvest moet worden in de desbetreffende
                            regiogemeente;</al></li><li nr="-"><al>de vergunninghouder door het COA niet bij een andere gemeente is
                            voorgedragen; en,</al></li><li nr="-"><al>de vergunninghouder niet reeds eerder aangeboden woonruimte heeft
                            geweigerd.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Artikel 2.6.7 Regionale urgentiegrond "uitstroom"</cursief></al><al>De woningzoekenden die tot deze urgentiecategorie behoren stromen uit een
                    instelling voor maatschappelijke opvang, een psychiatrische instelling of een
                    erkende hulp- of dienstverleningsinstelling uit naar de gemeente waar zij
                    voorafgaand aan hun verblijf in die instelling tenminste twee van de drie jaar
                    woonachtig waren. Burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar zo'n
                    instelling staat, beslissen op de aanvraag om een urgentieverklaring. Vervolgens
                    wordt de houder van de urgentieverklaring door burgemeester en wethouders
                    doorgeleid naar de regiogemeente waar hij tenminste twee van de drie jaar direct
                    voorafgaand aan het verblijf in de instelling woonachtig was of, als dat eerste
                    gelet op de problematiek niet wenselijk is, een andere regiogemeente.
                    Burgemeester en wethouders van die gemeente bepalen het voor de woningzoekende
                    passende woningtype.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.6.8 Overige regionale urgentiecategorieën</cursief></al><al>De regionale urgentiecategorieën genoemd in artikel 2.6.8 van de HVV
                    betreffen:</al><lijst><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekenden die in een acute noodsituatie
                            verkeren (artikel 2.6.8, eerste lid, aanhef en onder a);</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor die op grond van medische of sociale redenen
                            dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.6.7
                            bedoelde urgentiecategorie (artikel 2.6.8, eerste lid, aanhef en onder
                            b); en,</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte
                            behoort tot een door burgemeester en wethouders op grond van het tweede
                            lid aangewezen complex waaruit zij moeten verhuizen in verband met met
                            sloop of ingrijpende renovatie of herstructurering van het gebied
                            (artikel 2.6.8, eerste lid, aanhef en onder c).</al></li></lijst><al/><al>Ten aanzien van de de eerste twee genoemde urgentiecategorieën is regionaal
                    afgestemd beleid tot stand gekomen.</al><al> Voor de derde genoemde urgentiecategorie betreft de zogenoemde SV-urgenten. Dit
                    zijn huishoudens die een, in het kader van stedelijke herstructurering, te
                    slopen of ingrijpend te renoveren complexen bewonen. Om hen in aanmerking te
                    laten komen voor een urgentieverklaring, moeten burgemeester en wethouders eerst
                    het complex aanwijzen. Het tweede lid van artikel 2.6.8 van de HVV bevat hier
                    een regeling voor. Zo'n aanwijzing kan pas plaatsvinden als aannemelijk is dat
                    de huidige bewoners van het complex binnen twee jaar moeten verhuizen. Na zo'n
                    aanwijzing komen de bewoners in aanmerking voor een urgentieverklaring, gelet op
                    het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder c.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.6.9 Geldigheid van de urgentieverklaring</cursief></al><al>Dit artikel van de HVV bevat een regeling voor de geldigheidsduur van de
                    urgentieverklaring. Deze regeling is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="-"><al>zogenoemde SV-urgentieverklaringen (urgentieverklaringen verleend wegens
                            de toepasselijkheid van de urgentiecategorie opgenomen in artikel 2.6.8,
                            eerste lid, aanhef en onder c, van de HVV);</al></li><li nr="-"><al>de aan vergunninghouders verleende urgentieverklaringen
                            (urgentieverklaringen verleend wegens de toepasselijkheid van de
                            urgentiecategorie opgenomen in artikel 2.6.6, tweede lid); en,</al></li><li nr="-"><al>de urgentieverklaringen verleend wegens uitstroom (urgentieverklaringen
                            verleend wegens de toepasselijkheid van de urgentiecategorie opgenomen
                            in artikel 2.6.7, eerste lid).</al></li></lijst><al/><al>Een verleende urgentieverklaring is geldig:</al><lijst><li nr="-"><al>totdat de woningzoekende niet meer behoort tot de urgentiecategorie
                            waarin hij was ingedeeld bij de beslissing op de aanvrager. Hiervan is
                            onder meer sprake wanneer de woningzoekende woonruimte heeft betrokken
                            en als gevolg daarvan het huisvestingsprobleem geëindigd is;</al></li><li nr="-"><al>tot het moment waarop een termijn van 26 weken na verlening van de
                            urgentieverklaring eindigt. Binnen die 26 weken moet het
                            huisvestingsprobleem in beginsel opgelost zijn. Is dat niet het geval,
                            dan kunnen burgemeester en wethouders de geldigheidsduur van de
                            urgentieverklaring verlengen met ten hoogste 26 weken.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Artikel 2.6.10 Wijzigen en intrekken van de
                        urgentieverklaring</cursief></al><al>Dit artikel van de HVV bevat een regeling voor wijziging en intrekken van de
                    urgentieverklaring. Dit artikel is niet van toepassing op de
                    SV-urgentieverklaring.</al><al/><al>Het tweede lid van artikel 2.6.10 bevat de intrekkingsgronden. Deze zijn voor
                    burgemeester en wethouders verplichtend geformuleerd, hetgeen betekent dat
                    indien zich een intrekkingsgrond voordoet, de urgentieverklaring ingetrokken
                    dient te worden<noot id="d2053e7589"><noot.nr> 3.</noot.nr><noot.al>Tenzij
                            burgemeester en wethouders hiervan afwijken met toepassing van de in
                            artikel 2.6.11 opgenomen hardheidsclausule</noot.al></noot>Er zijn de volgende intrekkingsgronden:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag zijn onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt. Deze
                            grond leidt tot intrekking indien volledigheid of juistheid had geleid
                            tot weigering van de aangevraagde urgentieverklaring. De omstandigheid
                            dat bij volledigheid of juistheid een andere urgentieverklaring - of
                            bijvoorbeeld een ander woningtype - zou zijn verleend, is gelet op het
                            derde lid een reden om de urgentieverklaring te wijzigen.</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring behoort niet meer tot de
                            urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                            urgentieverklaring of er doen zich één of meer toepasselijke, in artikel
                            2.6.5, eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende urgentiecategorie
                            toepasselijke weigeringsgronden voor;</al></li><li nr="c."><al>de houder van de urgentieverklaring verzoekt om intrekking van de
                            urgentieverklaring;</al></li><li nr="d."><al>de houder van de urgentieverklaring heeft aangeboden passende woonruimte
                            geweigerd of heeft zich anderszins onvoldoende ingespannen om zijn
                            huisvestingsprobleem op te lossen. Van dat laatste is onder meer sprake
                            als hij niet heeft gereageerd op via een aanbodinstrument aangeboden
                            woonruimte, voor zover die woonruimte paste binnen zijn
                            zoekprofiel.</al></li></lijst><al/><al>Het derde lid van artikel 2.6.10 bevat de wijzigingsgronden. Deze zijn
                    facultatief geformuleerd. Doen er zich een wijzigingsgrond voor, dan kunnen
                    burgemeester en wethouders de urgentieverklaring wijzigen. Er zijn de volgende
                    wijzigingsgronden:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en er,
                            indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de
                            urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar anders op de aanvraag
                            zou zijn besloten; en</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring behoort niet meer tot de
                            urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                            urgentieverklaring.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Artikel 2.6.11 Hardheidsclausule</cursief></al><al>Het eerste lid van deze bepaling spreekt voor zich. Het tweede lid bevat een
                    registratie en verantwoordingsverplichting voor burgemeester en wethouders. Het
                    doel hiervan is onder meer na te gaan of in bepaalde gevallen relatief vaak de
                    hardheidsclausule wordt toegepast en of naar aanleiding daarvan de HVV aangepast
                    dient te worden.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.6.12 Overgangsrecht urgentieverklaringen</cursief></al><al>Dit artikel van de HVV bevat het overgangsrecht voor urgentieverklaringen die
                    aangevraagd of verleend zijn voor de inwerkingtreding van de gewijzigde HVV. Het
                    eerste en tweede lid zorgen er onder meer voor dat urgentieverklaringen verleend
                    op grond van de oude regelgeving, nog steeds gelding hebben. </al><al/><al>Het eerste lid stelt urgentieverklaring die verleend zijn vóór 1 januari 2015
                    gelijk met de op grond van de gewijzigde HVV te verlenen urgentieverklaringen.
                    Dit geldt voor zowel urgentieverklaringen verleend op grond van de
                    (ongewijzigde) Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 als
                    die verleend op basis van artikel 6 van het Convenant woonruimteverdeling
                    Stadsregio Amsterdam en Platform Woningcorporaties Noordvleugel Randstad
                    (hierna: Convenant). Door deze bepaling krijgen urgentieverklaringen verleend op
                    grond van het Convenant een publiekrechtelijk karakter.</al><al/><al>Het tweede lid bepaalt dat beslissingen op een aanvraag om een
                    urgentieverklaring, gedaan tussen 1 januari 2015 en het moment van
                    inwerkingtreding van de gewijzigde HVV, gelijkgesteld worden met de op grond van
                    de gewijzigde HVV te verlenen urgentieverklaringen. Dit geldt voor zowel
                    beslissingen g op grond van de (ongewijzigde) Regionale Huisvestingsverordening
                    Stadsregio Amsterdam 2013 als die op basis van artikel 6 van het Convenant. Door
                    deze bepaling krijgen deze beslissingen op grond van het Convenant een
                    publiekrechtelijk karakter.</al><al/><al>Het derde lid bepaalt dat deze, naar urgentieverklaringen "nieuwe stijl"
                    omgezette oude urgentieverklaringen, geen regionale werking hebben. Hiervoor is
                    gekozen omdat deze oude urgentieverklaringen nog verleend zijn met toepassing de
                    lokale toewijzingspraktijk, waarbij de eisen waaraan een woningzoekende moest
                    voldoen om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring, nog onvoldoende
                    regionaal geharmoniseerd waren.</al><al/><al>Op grond van het vierde lid worden alle aanvragen om een urgentieverklaring,
                    gedaan vóór inwerkingtreding van de gewijzigde HVV, waarop nog niet beslist is,
                    behandeld overeenkomstig het bepaalde in de gewijzigde HVV. Beslissingen op
                    eventuele aanvragen om een urgentieverklaring op basis van het Convenant worden
                    door deze bepaling publiekrechtelijk afgedaan.</al><al/><al><cursief>Artikel 64</cursief></al><al>Dit artikel bevat de overgangsrechtelijke bepalingen voor een aantal
                    beschikkingen op grond van de HVV. Zie voor de urgentieverklaringen ook artikel
                    2.6.12.</al><al/><al><cursief>Artikel 64a </cursief></al><al>Dit artikel bevat de overgangsrechtelijke bepaling voor de overgang van woonduur
                    naar inschrijfduur. Op de website van WoningNet is informatie te vinden over de
                    voorwaarden waaronder de op grond van de Tijdelijke Regeling Behoud
                    Inschrijfduur en Tijdelijke Regeling Behoud Woonduur tot 1 juli 2015 opgebouwde
                    inschrijf- en woonduur ingezet kan worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>