<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR326806_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Gemeenschappelijke Regeling tot instandhouding en beheer DCMR Milieudienst Rijnmond</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Jaargang 2014 Nr. 44007</dcterms:isFormatOf><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Jaargang 2014 Nr. 44007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-12-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>532285</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>milieu</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Gemeenschappelijke regeling tot instandhouding en beheer van de DCMR
                Milieudienst Rijnmond (20e wijziging)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Goedgekeurd bij Koninklijk Besluit d.d. 26-02-1987, KB nr. 17. Datum
                        gewijzigd:1 januari 2014</al><al/><al>De raden, respectievelijk de colleges van burgemeester en wethouders en de
                        burgemeesters van de</al><al>gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den
                        IJssel, Hellevoetsluis,</al><al>Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Ridderkerk, Rotterdam,
                        Schiedam, Spijkenisse,</al><al>Vlaardingen en Westvoorne;</al><al/><al>Alsmede provinciale staten van, het college van gedeputeerde staten van en
                        de commissaris van de</al><al>Koningin in de provincie Zuid-Holland;</al><al>Gelezen de voordracht van het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke
                        regeling DCMR Milieudienst Rijnmond d.d. 3 juli 2013;</al><al>Gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Gemeenschappelijke
                        regeling DCMR Milieudienst Rijnmond;</al><al>Ieder voor zover het zijn of haar bevoegdheden betreft;</al><al>BESLUITEN</al><al>In te stemmen met de volgende gewijzigde gemeenschappelijke regeling tot
                        instandhouding en beheer van de DCMR Milieudienst Rijnmond:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze regeling en de daarop berustende besluiten wordt verstaan
                        onder:</al><al>a. Lichaam: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid;</al><al>b. Deelnemers: de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten
                        Albrandswaard,</al><al>Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den IJssel, Goeree-Overflakkee,
                        Hellevoetsluis, Krimpen</al><al>aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam,
                        Spijkenisse,</al><al>Vlaardingen en Westvoorne en de provincie Zuid-Holland.</al><al>c. Derden: niet-deelnemers aan de regeling</al><al>d. Dienst: de DCMR Milieudienst Rijnmond</al><al>e. Gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van Zuid-Holland</al><al>f. Provinciale staten: provinciale staten van Zuid-Holland;</al><al>g. Raden: de raden van de aan deze Gemeenschappelijke regeling deelnemende
                        gemeenten;</al><al>h. Regeling: de gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond</al><al>i. Het bij de samenwerking betrokken gebied: de rechtsgebieden van de aan
                        deze gemeenschappelijke</al><al>regeling deelnemende gemeenten, alsmede het rechtsgebied van de provincie
                        Zuid-Holland,</al><al>voor zover dit samenvalt met de rechtsgebieden van de deelnemende
                        gemeenten;</al><al>j. Wet: Wet gemeenschappelijke regelingen</al><al/><al><vet>Artikel 2 Lichaam en belang</vet></al><al>1. Er is een openbaar lichaam, genaamd Gemeenschappelijke regeling DCMR
                        Milieudienst</al><al>Rijnmond.</al><al>2. Het lichaam is rechtspersoon. Het is gevestigd te Schiedam.</al><al>3. Het lichaam is ingesteld met het oog op de zorg voor het milieu in het
                        bij de samenwerking betrokken</al><al>gebied.</al><al>4. Tot de zorg van het lichaam behoort ook de leefomgeving en
                        duurzaamheid.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Inrichting, samenstelling en werkwijze van het
                            bestuur</vet></al><al><vet><cursief>§ 1. Algemene bepaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 3 Het bestuur</vet></al><al>Het bestuur van het lichaam bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks
                        bestuur en de voorzitter.</al><al/><al><vet><cursief>§ 2. Het algemeen bestuur</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 4 Samenstelling</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur bestaat uit 20 leden.</al><al>2. Provinciale staten wijzen uit hun midden, de voorzitter inbegrepen, en
                        uit gedeputeerde staten 3</al><al>leden van het algemeen bestuur aan. Elk van deze leden heeft bij de
                        besluitvorming in het algemeen</al><al>bestuur 30 stemmen.</al><al>3. De raad van de gemeente Rotterdam wijst uit zijn midden, de voorzitter
                        inbegrepen, en uit de wethouders</al><al>2 leden van het algemeen bestuur aan. Elk van deze leden heeft bij de
                        besluitvorming in</al><al>het algemeen bestuur 45 stemmen.</al><al>4. De raden van de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle,
                        Capelle aan den</al><al>IJssel, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel,
                        Lansingerland, Maassluis,</al><al>Ridderkerk, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen en Westvoorne wijzen uit hun
                        midden, de voorzitter</al><al>inbegrepen en uit de wethouders elk 1 lid van het algemeen bestuur aan. Elk
                        van deze leden</al><al>heeft bij de besluitvorming in het algemeen bestuur 4 stemmen.</al><al>5. In die gevallen waarin alle leden van het dagelijks bestuur zich
                        krachtens enige bepaling van de</al><al>Provinciewet van medestemmen in het algemeen bestuur dienen te onthouden, is
                        voor die aangelegenheden</al><al>de stemverhouding tussen de stemgerechtigde leden van het algemeen bestuur,
                        in</al><al>afwijking van het bepaalde in het voorgaande lid, als volgt:</al><al>a. het lid dat in dat bestuur zitting heeft namens de provincie
                        Zuid-Holland, heeft 36 stemmen;</al><al>b. het lid dat in dat bestuur zitting heeft namens de gemeente Rotterdam,
                        heeft 36 stemmen;</al><al>c. de leden die in dat bestuur zitting hebben namens één van de overige
                        gemeenten, hebben</al><al>elk 2 stemmen.</al><al>6. Provinciale staten en de gemeenteraden kunnen voor de door hen benoemde
                        leden van het algemeen</al><al>bestuur plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hen benoemde leden
                        bij afwezigheid</al><al>vervangen. Het bepaalde in deze regeling ten aanzien van de leden van het
                        algemeen bestuur</al><al>is op de plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.</al><al>7. Indien ten gevolge van de toepassing van artikel 36 de financiële
                        bijdragen van de deelnemers</al><al>substantieel ten opzichte van elkaar wijzigen, doet het algemeen bestuur
                        voorstellen aan de deelnemers</al><al>om met toepassing van artikel 41 de stemverhouding zoals in het tweede en
                        derde lid van</al><al>dit artikel te wijzigen.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Aanwijzing en ontslag</vet></al><al>1. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur vindt plaats in de
                        eerste vergadering van</al><al>provinciale staten respectievelijk van de raden in de nieuwe
                        samenstelling.</al><al>2. Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden
                        opengevallen plaats tot lid</al><al>van het algemeen bestuur is aangewezen, treedt af op het tijdstip waarop
                        degene in wiens plaats</al><al>hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.</al><al>3. Het aanwijzen ter vervulling van plaatsen die om een andere reden dan
                        bedoeld in het tweede lid</al><al>openvallen, vindt plaats binnen één maand nadat die plaatsen zijn
                        opengevallen.</al><al>4. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen.
                        Van dit ontslag stellen zij</al><al>de voorzitter van het algemeen bestuur, alsmede het orgaan dat hen heeft
                        aangewezen, op de</al><al>hoogte.</al><al>5. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege, zodra
                        men ophoudt lid of</al><al>voorzitter te zijn van het orgaan waardoor men krachtens het bepaalde in
                        artikel 4 is aangewezen,</al><al>dan wel ophoudt wethouder of gedeputeerde te zijn.</al><al>6. Het bestuursorgaan dat een of meer vertegenwoordigers in het algemeen
                        bestuur heeft aangewezen,</al><al>kan deze vertegenwoordigers ontslaan, indien deze het vertrouwen van dit
                        bestuursorgaan</al><al>niet meer bezit. Artikel 50 van de Gemeentewet (oud), dan wel artikel 50 van
                        de Provinciewet</al><al>(oud) is van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel
                        7:1 van de Algemene</al><al>wet bestuursrecht niet van toepassing.</al><al>7. In afwijking van het bepaalde in dit artikel wijst de raad van een
                        toetredende gemeente, voor de</al><al>inwerkingtreding van de voor de toetreding noodzakelijke wijziging van de
                        regeling, uit zijn midden,</al><al>de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders een lid van het algemeen
                        bestuur aan.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Incompatibiliteiten</vet></al><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van de Wet is het lidmaatschap
                        van het algemeen bestuur</al><al>onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur
                        van één der</al><al>deelnemers dan wel door of vanwege het bestuur van het lichaam aangesteld of
                        daaraan ondergeschikt,</al><al>met uitzondering van onderwijzend personeel.</al><al>2. Met ambtenaar worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld,
                        zij die in dienst van één</al><al>der deelnemers dan wel het lichaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                        recht werkzaam zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Vergaderingen</vet></al><al>1. Op het houden en de orde van vergaderingen van het algemeen bestuur zijn
                        de artikelen 16, 17,</al><al>19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de Provinciewet (oud) van
                        overeenkomstige toepassing,</al><al>voor zover daarvan bij de Wet gemeenschappelijke regelingen niet is
                        afgeweken,</al><al><cursief>2. </cursief>Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor
                        zijn vergaderingen en andere werkzaamheden</al><al>vast.</al><al/><al><vet><cursief>§ 3. Het dagelijks bestuur</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8 Samenstelling</vet></al><al>1. Het dagelijks bestuur bestaat uit 6 leden, te weten: de voorzitter, een
                        vicevoorzitter en vier</al><al>andere leden.</al><al>2. De vicevoorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen op
                        bindende voordracht</al><al>van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.</al><al>3. Eén lid voor financiële aangelegenheden wordt door en uit het algemeen
                        bestuur aangewezen</al><al>op bindende voordracht van gedeputeerde staten.</al><al>4. Eén lid wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen op bindende
                        voordracht van de</al><al>colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Maassluis,
                        Lansingerland,</al><al>Schiedam en Vlaardingen.</al><al>Eén lid wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen op bindende
                        voordracht van de</al><al>colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Albrandswaard,
                        Barendrecht,</al><al>Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en Ridderkerk.</al><al>Eén lid wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen op bindende
                        voordracht van de</al><al>colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bernisse,
                        Brielle,</al><al>Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Spijkenisse en Westvoorne.</al><al>5. Het algemeen bestuur kan voor de door hem benoemde leden van het
                        dagelijks bestuur uit</al><al>zijn midden plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hem benoemde
                        leden bij afwezigheid</al><al>vervangen.</al><al>De aanwijzing tot plaatsvervangend lid vindt plaats op bindende voordracht
                        van het (de) college(</al><al>s) dat (die) het betreffende lid heeft (hebben) voorgedragen.</al><al>Het plaatsvervangend lid dat de voorzitter vervangt, treedt pas in diens
                        hoedanigheid van</al><al>voorzitter indien de vicevoorzitter afwezig is.</al><al>Het bepaalde in deze regeling ten aanzien van de leden van het dagelijks
                        bestuur is op de</al><al>plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.</al><al>6. De op bindende voordracht van gedeputeerde staten aangewezen leden hebben
                        ieder 9</al><al>stemmen.</al><al>Het op bindende voordracht aan het college van burgemeester en wethouders
                        van Rotterdam</al><al>aangewezen lid heeft 18 stemmen. De overige leden hebben ieder 4
                        stemmen.</al><al>7. De leden van het dagelijks bestuur treden af met ingang van de dag waarop
                        zij krachtens het</al><al>bepaalde in artikel 52, 1e lid, juncto artikel 13 lid 2 van de Wet aftreden
                        uit het algemeen bestuur.</al><al>8. De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van
                        plaatsen die krachtens</al><al>het bepaalde in het voorgaande lid zijn opengevallen, vindt plaats in de
                        eerste vergadering</al><al>van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling, volgend op de dag waarop
                        die plaatsen</al><al>zijn opengevallen.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Ontslag</vet></al><al>1. Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij
                        doet daarvan schriftelijke</al><al>mededeling aan het algemeen bestuur. Een lid dat ontslag heeft genomen,
                        blijft niettemin zijn</al><al>betrekking waarnemen totdat zijn opvolger die heeft aanvaard.</al><al>2. Het algemeen bestuur kan één of meer leden van het dagelijks bestuur
                        ontslag verlenen, indien</al><al>dezen het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten.</al><al>3. Tussentijds verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur brengt
                        terstond verlies</al><al>van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur mee.</al><al>4. De aanwijzing ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt,
                        geschiedt zo spoedig</al><al>mogelijk.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Vergaderingen</vet></al><al>1. Op het houden van en de orde van vergaderingen zijn de artikelen 28, 30,
                        31, 55, 57, 59 en</al><al>60 van de Provinciewet (oud) van overeenkomstige toepassing.</al><al>2. Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn
                        vergaderingen en andere werkzaamheden</al><al>vast, dat aan het algemeen bestuur wordt toegezonden.</al><al>3. De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren
                        gehouden, voor</al><al>zover het dagelijks bestuur niet anders heeft bepaald.</al><al>4. In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden
                        beraadslaagd en besloten,</al><al>indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig
                        is.</al><al>5. Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de
                        voorzitter, onder verwijzing</al><al>naar dit artikel, opnieuw een vergadering.</al><al>6. Op de vergadering, bedoeld in het vijfde lid, is het vierde lid niet van
                        toepassing. Het dagelijks</al><al>bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerste
                        vergadering</al><al>was belegd alleen beraadslagen en besluiten, indien meer dan de helft van
                        het aantal zitting</al><al>hebbende leden tegenwoordig is.</al><al/><al><vet><cursief>§ 4. De voorzitter</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11 Aanwijzing</vet></al><al>1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen op
                        bindende voordracht</al><al>van gedeputeerde staten.</al><al>2. De voorzitter is tevens voorzitter van het algemeen bestuur en voorzitter
                        van het dagelijks</al><al>bestuur.</al><al>3. Bij afwezigheid van de voorzitter wordt hij vervangen door de
                        vicevoorzitter van het dagelijks</al><al>bestuur.</al><al/><al><vet><cursief>§ 5 Overige bepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 12 Bestuurscommissies</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur kan, naast commissies van advies, commissies
                        instellen met het oog</al><al>op de behartiging van bepaalde belangen.</al><al>2. De instelling van een commissie, de regeling van haar bevoegdheden en
                        samenstelling alsmede</al><al>de vaststelling van andere nadere regelingen met betrekking tot het
                        functioneren van de</al><al>commissies, geschiedt overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 24
                        respectievelijk 25 juncto</al><al>52, eerste lid, onder e, f, g en h van de Wet.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Tegemoetkoming kosten</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van het bepaalde in artikel
                        21, juncto 52, eerste</al><al>lid, onder c van de Wet, een regeling vaststellen voor een vergoeding voor
                        de werkzaamheden</al><al>en een tegemoetkoming in de kosten van de leden van het bestuur van het
                        lichaam.</al><al>2. Ten aanzien van de werkzaamheden en de kosten van de leden van de
                        commissies, is het</al><al>bepaalde in het vorige lid van overeenkomstige toepassing,</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Taken en bevoegdheden van het lichaam</vet></al><al><vet><cursief>§ 1. Algemene bepaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>Het lichaam heeft, in het kader van de in artikel 2, derde lid, vermelde
                        zorg, tot taak het beheren en in</al><al>stand houden van een gemeenschappelijke milieudienst: de DCMR Milieudienst
                        Rijnmond.</al><al/><al><vet><cursief>§ 2. Bevoegdheden algemeen bestuur</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15 Bevoegdheden algemeen bestuur</vet></al><al>1. Met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 14 genoemde taak
                        berusten bij het algemeen</al><al>bestuur alle bevoegdheid, die niet bij of krachtens deze regeling aan het
                        dagelijks bestuur</al><al>of aan de voorzitter is opgedragen.</al><al>2. Onverminderd het bepaalde in artikel 46 van de Wet en naast de
                        uitoefening van taken en</al><al>bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde, is het
                        algemeen bestuur in</al><al>ieder geval belast met en bevoegd tot:</al><al>a. het doen van voorstellen aan de deelnemers omtrent toetreding tot,
                        uittreding uit,</al><al>wijziging van of opheffing van de regeling;</al><al>b. het aangaan van geldleningen en van rekeningcourantovereenkomsten;</al><al>c. het uitlenen van gelden en het waarborgen van geldleningen door anderen
                        aan te</al><al>gaan;</al><al>d. het kopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en in erfpacht aannemen of
                        uitgeven van</al><al>roerende of onroerende zaken;</al><al>e. het doen van uitgaven voordat de begroting of begrotingswijziging,
                        waarbij deze</al><al>uitgaven zijn geraamd, is goedgekeurd;</al><al>f. het voeren van rechtsgedingen en beroepsprocedures;</al><al>g. het berusten in een tegen het lichaam ingestelde rechtsverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Overdracht van bevoegdheden</vet></al><al>Het algemeen bestuur kan zijn bevoegdheden aan het dagelijks bestuur
                        overdragen, tenzij de aard</al><al>van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Artikel 152, tweede lid, van de
                        Provinciewet is van overeenkomstige</al><al>toepassing.</al><al/><al><vet><cursief>§ 2. Bevoegdheden dagelijks bestuur</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 17 Bevoegdheden dagelijks bestuur</vet></al><al><vet>1. </vet>Naast de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van
                        het elders in deze regeling</al><al>bepaalde is het dagelijks bestuur belast met en bevoegd tot:</al><al>a. het dagelijks beheer van de dienst;</al><al>b. het toezicht op de dienst en al wat het lichaam aangaat;</al><al>c. de voorbereiding van alles waarover in de vergadering van het algemeen
                        bestuur zal</al><al>worden beraadslaagd en besloten;</al><al>d. de uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur;</al><al>e. het toezicht op het beheren van de financiën van het lichaam;</al><al>f. het toezicht op het beheren van de eigendommen van het lichaam;</al><al>g. het verhuren, verpachten of op andere wijze in gebruik geven van
                        eigendommen van</al><al>het lichaam;</al><al>h. het (ver)huren en pachten ten behoeve van het lichaam;</al><al>i. het nemen van conservatoire maatregelen, voordat wordt besloten tot het
                        voeren van</al><al>rechtsgedingen, het instellen van bezwaar en beroep alsmede het vragen om
                        een</al><al>voorlopige voorziening, ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of
                        bezit;</al><al>j. het voorstaan van de belangen van het lichaam bij andere overheden en
                        andere</al><al>instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor het lichaam van
                        belang is;</al><al>k. het afkondigen van besluiten waarvan afkondiging bij wet of bij besluit
                        van het algemeen</al><al>bestuur is voorgeschreven;</al><al>l. het sluiten van overeenkomsten met derden ten aanzien van het verrichten
                        door de</al><al>dienst van werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 23, zesde lid.</al><al>2. Het dagelijks bestuur kan voor de in het vorige lid genoemde bevoegdheden
                        mandaat verlenen</al><al>aan de directeur van de dienst met inachtneming van het bepaalde in
                        hoofdstuk 10 van</al><al>de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 18 </vet><vet><cursief>V</cursief></vet><vet>erantwoording aan
                            algemeen bestuur</vet></al><al>1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk,
                        aan het algemeen bestuur</al><al>verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.</al><al>2. Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor
                        een juiste beoordeling</al><al>van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is,
                        tenzij dit in strijd is</al><al>met het openbaar belang.</al><al>3. Zij geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur,
                        wanneer dit bestuur of één</al><al>of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen, tenzij
                        dit in strijd is met het</al><al>openbaar belang.</al><al>4. Het reglement van orde voor het algemeen bestuur regelt de wijze waarop
                        uitvoering wordt</al><al>gegeven aan het in het tweede en derde lid bepaalde.</al><al><vet>Artikel 19 Verantwoording aan deelnemers</vet></al><al>1. Het algemeen en het dagelijks bestuur verstrekken aan de raden
                        respectievelijk aan provinciale</al><al>staten alle inlichtingen die door één of meer leden van die bestuursorganen
                        worden verlangd,</al><al>tenzij dit in strijd is met het openbaar belang.</al><al>Het reglement van orde van het betreffende bestuur regelt de wijze waarop
                        hieraan uitvoering</al><al>wordt gegeven.</al><al>2. Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het bestuursorgaan dat hem
                        heeft aangewezen</al><al>alle inlichtingen, die door dit bestuursorgaan of één of meer leden daarvan
                        worden verlangd, op</al><al>de wijze die door dit bestuursorgaan is bepaald, tenzij dit in strijd is met
                        het openbaar belang.</al><al>3. Een lid van het algemeen bestuur is aan het bestuursorgaan dat hem heeft
                        aangewezen verantwoording</al><al>verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid, op de wijze
                        die</al><al>door dat bestuursorgaan is bepaald.</al><al/><al><vet><cursief>§ 3. Bevoegdheden voorzitter</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 20 Bevoegdheden voorzitter</vet></al><al>1. De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van de
                        dienst.</al><al>2. De voorzitter vertegenwoordigt de dienst in en buiten rechte. Hij kan
                        deze vertegenwoordiging</al><al>aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen.</al><al>3. De voorzitter ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en
                        dagelijks bestuur uitgaan.</al><al/><al><vet>Artikel 21 Verantwoording aan algemeen bestuur</vet></al><al>1. De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd
                        voor het door hem</al><al>gevoerde bestuur.</al><al>2. Hij geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of
                        meer leden gevraagde</al><al>inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar
                        belang.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Taken en bevoegdheden van de dienst</vet></al><al><vet>Artikel 22 Taken</vet></al><al>1. De dienst kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden,
                        adviserende, ondersteunende</al><al>en uitvoerende werkzaamheden verrichten op het gebied van de zorg voor
                        de</al><al>leefomgeving, het milieu en duurzaamheid.</al><al>2. De dienst heeft in ieder geval tot taak het in standhouden van een
                        meldkamer.</al><al>3. Naast de taak genoemd in het vorige lid heeft de dienst, in ieder geval
                        alsmede met inachtneming</al><al>van het ter zake door de deelnemer geformuleerde beleid de volgende
                        taken:</al><al>a. Voor alle deelnemers:</al><al>- adviseren over en uitvoeren van taken van (onderdelen van) door
                        gedeputeerde staten,</al><al>colleges van burgemeester en wethouders en dagelijks besturen van de
                        deelgemeenten</al><al>te geven beschikkingen bij of krachtens de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht, de</al><al>Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>- uitoefenen van (deel-) toezicht op de naleving van het bij of krachtens de
                        Wet algemene</al><al>bepalingen omgevingsrecht en de in die wet in artikel 5.1.genoemde wetten en
                        het adviseren</al><al>over het toepassen van bestuursrechtelijke handhaving;</al><al>- uitvoeren van procedures conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                        en de</al><al>Algemene wet bestuursrecht;</al><al>- multidisciplinaire taken in de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (m.u.v.
                        de provincie</al><al>Zuid-Holland);</al><al>- milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten die vallen onder het
                        Besluit bodemkwaliteit</al><al>voor zover het die activiteiten betreft;</al><al>- milieutoezicht bij bodemsanering, sanering van bedrijfsterreinen en lozing
                        van grondwater</al><al>bij bodemsanering en proefbronnering voor zover het die activiteiten
                        betreft;</al><al>- ketengericht milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten.</al><al>b. Voor de provincie Zuid-Holland tevens:</al><al>- adviseren over door gedeputeerde staten te geven beschikkingen ingevolge
                        het Vuurwerkbesluit</al><al>en de Wet Luchtvaart;</al><al>- toezicht op het Vuurwerkbesluit en de Wet Luchtvaart en het adviseren over
                        toepassen</al><al>van bestuursrechtelijke handhaving;</al><al>- uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet
                        bodembescherming;</al><al>- uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet
                        geluidhinder;</al><al>leveren van een bijdrage aan de beleidsontwikkeling van de provincie op het
                        gebied van</al><al>de leefomgeving, het milieubeheer en duurzaamheid;</al><al>- milieutechnisch adviseren over provinciale ruimtelijke plannen;</al><al>- uitvoeren van onderzoek en metingen op basis van op te stellen onderzoeks-
                        en meetprogramma's;</al><al>- uitvoeren van werkzaamheden inzake milieueffectrapportages voor
                        provinciale vergunningen,</al><al>provinciale plannen en projecten.</al><al>c. Voor de gemeente Rotterdam tevens:</al><al>- uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet
                        bodembescherming</al><al>- uitvoeren van taken samenhangend met de Verordening bodembescherming
                        Rotterdam,</al><al>het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit, het Activiteitenbesluit
                        (ondergrondse tanks),</al><al>het Besluit verplicht bodemonderzoek op bedrijfsterreinen c.q. het
                        handhavingsbeleid</al><al>hiervan, de Bedrijvenregeling bodemsanering en de bodemparagraaf in de
                        Bouwverordening;</al><al>- leveren van chemische adviezen;</al><al>- advisering over het milieubeleid van andere Rotterdamse diensten;</al><al>- ontwikkelen beleid op het gebied van milieubeheer in het algemeen, met
                        accent op de</al><al>thema’s bedrijven, huishoudens, bodem, lucht, geluid, externe veiligheid,
                        energie, groen,</al><al>water, duurzaam bouwen, verkeer en vervoer;</al><al>- mede ontwikkelen en uitvoeren van projecten met Rotterdamse burgers en
                        organisaties;</al><al>- advisering op het gebied van ruimtelijke plannen;</al><al>- advisering en uitvoering van wettelijke procedures in het kader van
                        milieueffectrapportages</al><al>voor plannen en besluiten.</al><al>d. Voor de gemeente Vlaardingen tevens:</al><al>- uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet
                        bodembescherming;</al><al>- adviseren over en uitvoeren van taken op het gebied van externe
                        veiligheid;</al><al>- uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet
                        geluidhinder en</al><al>de APV;</al><al>- adviseren over en uitvoeren van taken op het gebied van klimaat en
                        verkenningen;</al><al>- adviseren over en uitvoeren van taken op het gebied van lucht en
                        luchtkwaliteit;</al><al>- adviseren over en uitvoeren van taken op het gebied van duurzaamheid,
                        milieu,</al><al>ruimtelijke ordening en ruimtelijke plannen.</al><al>4. Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van de in het vorige
                        lid sub a. tot en met d.</al><al>genoemde taken worden door of namens het dagelijks bestuur en elk van de
                        deelnemers schriftelijk</al><al>werkafspraken gemaakt.</al><al>5. In aanvulling op het bepaalde in het derde lid verricht de dienst op
                        verzoek van een deelnemer -</al><al>ook buiten het samenwerkingsgebied - andere adviserende, ondersteunende en
                        uitvoerende</al><al>werkzaamheden.</al><al>6. Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de in het derde en
                        vijfde lid bedoelde taken,</al><al>kan de dienst op verzoek van derden - ook buiten het samenwerkingsgebied -
                        adviserende, ondersteunende</al><al>en uitvoerende werkzaamheden verrichten.</al><al>7. Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen werkzaamheden
                        als bedoeld in dit</al><al>artikel gaan strekken ter uitvoering van een andere regeling dan ter
                        uitvoering waarvan zij ten</al><al>tijde van het van kracht worden van deze gemeenschappelijke regeling
                        strekten, dan wel indien</al><al>in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen
                        optreden, blijven</al><al>zij, voor zover hun strekking en omvang door die wijziging niet wezenlijk
                        veranderen, behoren</al><al>tot de taken die overeenkomstig dit artikel aan de dienst zijn
                        opgedragen.</al><al/><al><vet>Artikel 23 Bevoegdheden</vet></al><al>1. Aan het bestuur van de dienst worden geen bevoegdheden gedelegeerd door
                        de deelnemers.</al><al>2. De colleges van de deelnemers alsmede de dagelijkse besturen van de
                        deelgemeenten kunnen</al><al>hun bevoegdheden ten aanzien van de bij of krachtens artikel 22 aan de
                        dienst opgedragen taken,</al><al>mandateren aan de directeur van de dienst.</al><al>3. Ambtenaren van de deelnemers alsmede van de deelgemeenten kunnen
                        ondermandaat verlenen</al><al>aan de directeur van de dienst, voor zover zij hiertoe bevoegd zijn.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Ambtelijke organisatie</vet></al><al><vet>Artikel 24 Aanstelling, schorsing en ontslag directeur</vet></al><al>1. Er is een directeur van de dienst.</al><al>2. De directeur van de dienst wordt door het algemeen bestuur benoemd uit
                        een door het dagelijks</al><al>bestuur op te maken voordracht van ten minste twee personen.</al><al>3. Het algemeen bestuur kan de directeur schorsen en ontslaan.</al><al/><al><vet>Artikel 25 Taken en bevoegdheden directeur</vet></al><al>1. Het dagelijks bestuur stelt de instructie van de directeur vast.</al><al>2. De directeur is belast met de leiding van de dienst en de zorg voor een
                        juiste taakvervulling in</al><al>de organisatie</al><al>3. De directeur van de dienst fungeert als ambtelijk secretaris van het
                        algemeen bestuur en het</al><al>dagelijks bestuur.</al><al>4. De secretaris is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het
                        dagelijks bestuur</al><al>aanwezig.</al><al>5. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan,
                        worden door de</al><al>secretaris mede-ondertekend.</al><al>6. Het dagelijks bestuur regelt de plaatsvervanging van de secretaris.</al><al/><al><vet>Artikel 26 Aanstellen overig personeel</vet></al><al>1. Het dagelijks bestuur is, binnen het raam van de door het algemeen
                        bestuur vastgestelde formatie,</al><al>belast met het aanstellen als ambtenaar, het tewerkstellen op
                        arbeidsovereenkomst naar</al><al>burgerlijk recht en het schorsen en ontslaan van het personeel van het
                        lichaam, de directeur</al><al>van de dienst uitgezonderd.</al><al>2. Het dagelijks bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden
                        opdragen aan de directeur</al><al>van de dienst, tenzij het ambtenaren betreft die belast zijn met functies
                        van leidinggevende</al><al>aard die rechtstreeks onder de directeur ressorteren.</al><al/><al><vet>Artikel 27 Rechtspositie personeel</vet></al><al>1. Op het personeel in dienst van het lichaam zijn de
                        rechtspositieregelingen die zijn of zullen worden</al><al>vastgesteld voor het personeel in dienst van de provincie Zuid-Holland, van
                        overeenkomstige</al><al>toepassing.</al><al>2. Het dagelijks bestuur kan aan het provinciaal bestuur voorstellen doen
                        met betrekking tot de</al><al>vaststelling van uitvoeringsregelingen die, in verband met de specifieke
                        taakuitoefening door de</al><al>dienst, voor het personeel van belang worden geacht.</al><al>3. Waar in de in het eerste lid bedoelde regelingen gesproken wordt van
                        "provinciale staten", "gedeputeerde</al><al>staten" dan wel "hoofd van dienst" wordt voor de toepassing in het kader van
                        deze</al><al>gemeenschappelijke regeling respectievelijk gelezen: het algemeen bestuur,
                        het dagelijks bestuur</al><al>en de directeur.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 Financiële bepalingen</vet></al><al><vet><cursief>§ 1. De begroting</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 28 Boekjaar</vet></al><al>Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al><al/><al><vet>Artikel 29 Voorbereiding begroting</vet></al><al>1. De begroting wordt ingericht overeenkomstig het Besluit Begroting en
                        Verantwoording (BBV).</al><al>Aan de begroting wordt een meerjarenraming toegevoegd.</al><al>2. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting zes weken voordat zij aan
                        het algemeen bestuur</al><al>wordt aangeboden, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan
                        provinciale</al><al>staten.</al><al>3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder
                        ter inzage gelegd</al><al>en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de
                        terinzagelegging en</al><al>de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven.</al><al>4. De raad van een deelnemende gemeente en provinciale staten kunnen bij het
                        dagelijks bestuur</al><al>hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks
                        bestuur voegt de</al><al>commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals
                        deze aan het algemeen</al><al>bestuur wordt aangeboden.</al><al>5. Het bepaalde in dit artikel is mede van toepassing op besluiten tot
                        wijziging van de begroting,</al><al>met uitzondering van overschrijvingen vanuit de post "Onvoorziene
                        uitgaven."</al><al/><al><vet>Artikel 30 Vaststelling begroting</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast voorafgaande aan het jaar
                        waarvoor deze geldt.</al><al>2. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na
                        vaststelling, doch in ieder geval</al><al>voor 15 juli van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de begroting dient,
                        aan de Minister van</al><al>Binnenlandse Zaken.</al><al>3. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting en
                        begrotingswijziging aan</al><al>de raden der deelnemende gemeenten en aan provinciale staten, die de
                        minister van Binnenlandse</al><al>Zaken ter zake van hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Indien de
                        begroting ongewijzigd</al><al>wordt vastgesteld, kan worden volstaan met mededeling hiervan.</al><al/><al><vet>§ 2. Jaarrekening</vet></al><al><vet>Artikel 31 Vaststelling jaarrekening</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur stelt de rekening van het lichaam vast uiterlijk 1
                        juli, volgende op het jaar</al><al>waarop deze betrekking heeft en zendt deze vervolgens uiterlijk 15 juli aan
                        de minister van Binnenlandse</al><al>Zaken.</al><al>2. Het dagelijks bestuur voegt bij het voorstel voor de rekening een verslag
                        van een onderzoek</al><al>naar de rechtmatigheid van de rekening, ingesteld door de overeenkomstig
                        artikel 33 aangewezen</al><al>deskundige.</al><al>3. De rekening wordt ingericht overeenkomstig het Besluit Begroting en
                        Verantwoording (BBV).</al><al/><al><vet>§ 3. Beheer</vet></al><al><vet>Artikel 32 Financiële administratie</vet></al><al>Het algemeen bestuur stelt regelen vast met betrekking tot de organisatie
                        van de financiële administratie</al><al>en het financieel beheer van het lichaam.</al><al/><al><vet>Artikel 33 Controle</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur wijst één of meer deskundigen aan voor de controle
                        op het financieel</al><al>beheer en de administratie van het lichaam.</al><al>2. Het algemeen bestuur stelt met betrekking tot de in het eerste lid
                        bedoelde controle regels vast.</al><al/><al><vet><cursief>§ 4. Financiële verplichtingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 34 Betaling</vet></al><al>1. De deelnemers betalen uiterlijk 15 februari, 15 mei, 15 augustus en 15
                        november een voorschot</al><al>in de kosten van het lopende boekjaar ten bedrage van 25% van het
                        jaarbudget.</al><al>2. Naar aanleiding van de administratie over de afzonderlijke kwartalen kan
                        het dagelijks bestuur</al><al>bepalen dat een van het in het eerste lid bedoelde bedrag afwijkend
                        voorschot wordt betaald.</al><al>3. Uiterlijk 1 juni vindt per deelnemer een eerste afrekening plaats over
                        het voorafgaande boekjaar</al><al>overeenkomstig het ontwerp van de voorlopige rekening.</al><al>4. De definitieve afrekening vindt plaats binnen twee maanden na
                        vaststelling van de rekening.</al><al>5. In verband met de toetreding van een gemeente kan het dagelijks bestuur
                        in afwijking van het</al><al>bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel voor het jaar van toetreding
                        van deze gemeente</al><al>een afwijkende regeling treffen inzake de vervaldata van voorschotten en de
                        eerste afrekening.</al><al/><al><vet>Artikel 35 Deelnameverplichting</vet></al><al>1. Met het oog op de voor hen uit te voeren taken als bedoeld in artikel 22,
                        tweede en derde lid</al><al>verbinden de deelnemers zich tot de financiële verplichtingen die na
                        goedkeuring zijn opgenomen</al><al>in de begroting 2004, inclusief de eerste wijziging daarop, als vertaling
                        van de personele</al><al>en materiële inzet ten behoeve van de uitvoering van die taken. De bedragen
                        worden jaarlijks</al><al>geïndexeerd met het door het algemeen bestuur vastgestelde
                        indexpercentage.</al><al>2. Het in het eerste lid bepaalde is mede van toepassing voor nieuwe
                        deelnemers, met dien verstande</al><al>dat als uitgangspunt geldt de goedgekeurde begroting, inclusief wijzigingen
                        van het 1e</al><al>volledige jaar na toetreding.</al><al>3. Onverminderd het bepaalde in het volgende lid is een deelnemer
                        gerechtigd, zonder wijziging</al><al>van de regeling, wijzigingen in het niveau van uitvoering van de in het
                        eerste lid bedoelde taken</al><al>te bewerkstelligen, voor zover de wijzigingen in financiële verplichtingen
                        die daarvan het gevolg</al><al>zullen zijn, gezamenlijk niet meer dan 25% van die verplichtingen
                        bedragen.</al><al>4. Wijzigingen als bedoeld in het vorige lid kunnen, indien zij een
                        vermindering van de in het eerste</al><al>lid bedoelde verplichtingen tot gevolg hebben, jaarlijks niet meer dan 5%
                        van die verplichtingen</al><al>bedragen.</al><al>Indien het totaal van de verminderingen van de in het eerste lid bedoelde
                        financiële verplichtingen,</al><al>als gevolg van wijzigingen als bedoeld in het vorige lid, op enig moment
                        meer dan 10%</al><al>van die verplichtingen bedraagt, zal de betreffende deelnemer ter zake van
                        de verschuiving in</al><al>de verdeling van overheadkosten aan het lichaam een afkoopsom verschuldigd
                        zijn welke door</al><al>het algemeen bestuur wordt vastgesteld.</al><al>Indien daartoe naar het oordeel van het algemeen bestuur de noodzaak
                        bestaat, is het gestelde</al><al>in artikel 39, voor zover betrekking hebbende op de toewijzing van
                        personeel, van overeenkomstige</al><al>toepassing.</al><al>5. De in het vorige lid derde en vierde lid bedoelde beperking is niet van
                        toepassing op wijzigingen</al><al>in de uitvoering van taken welke bekostigd wordt door middel van
                        projectsubsidies ten behoeve</al><al>van de uitvoering van bodemsaneringsprogramma's of de zonering
                        industrielawaai, indien en</al><al>voor zover een wijziging optreedt in de verstrekking van die subsidies.</al><al>6. Op omvangrijker wijzigingen dan bedoeld in het derde en vierde lid van
                        dit artikel is het bepaalde</al><al>in artikel 40 van toepassing. De in het eerste lid genoemde verbintenis is
                        op de aldus gewijzigde</al><al>inzet en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 36 Garantstelling</vet></al><al>1. De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het lichaam te allen
                        tijde over voldoende</al><al>middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te
                        voldoen.</al><al>2. Indien aan het algemeen bestuur van het lichaam blijkt dat een deelnemer
                        weigert deze uitgaven</al><al>op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan
                        gedeputeerde staten</al><al>het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195
                        Gemeentewet, respectievelijk</al><al>een verzoek aan de Minister tot toepassing van artikelen 198 en 199
                        Provinciewet.</al><al/><al><vet><cursief>§ 5. Overige financiële bepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 37 Leges</vet></al><al>Het algemeen bestuur kan een regeling vaststellen met betrekking tot de
                        heffing van leges voor het op</al><al>aanvraag leveren van diensten.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing</vet></al><al><vet>Artikel 38 Toetreding</vet></al><al>1. Toetreding door andere gemeenten vindt plaats, indien meer dan de helft
                        van het aantal deelnemers,</al><al>vertegenwoordigende ten minste 150/240 van het aantal stemmen in het
                        algemeen</al><al>bestuur, daarin bewilligt.</al><al>2. Het algemeen bestuur doet het nodige om de gevolgen van toetreding te
                        regelen.</al><al>3. De toetreding gaat in op de eerste dag van de kalendermaand volgende op
                        die waarin de voor</al><al>de toetreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is
                        getreden.</al><al/><al><vet>Artikel 39 Uittreding</vet></al><al>1. Een deelnemer kan uittreden, indien meer dan de helft van het aantal
                        deelnemers, vertegenwoordigende</al><al>ten minste 150/240 van het aantal stemmen in het algemeen bestuur, instemt
                        met</al><al>de afwikkeling van de financiële en organisatorische gevolgen daarvan.</al><al>2. Indien een deelnemer uit de regeling wenst te treden, zal in het kader
                        van de in het eerste lid</al><al>bedoelde afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van
                        personeel aan deze</al><al>deelnemer plaatsvinden en zal er een compensatie verschuldigd zijn voor de
                        overige rechten</al><al>en verplichtingen.</al><al>3. De hoeveelheid toe te wijzen personeel wordt bepaald op basis van de
                        begroting over het jaar</al><al>voorafgaand aan het jaar van uittreding en betreft zowel het directe als het
                        indirecte personeel.</al><al>4. De hoeveelheid toe te wijzen indirect personeel en de overige rechten en
                        verplichtingen worden</al><al>bepaald op basis van de kostenverdelingen, welke zijn opgenomen in de
                        begroting over het jaar</al><al>voorafgaand aan het jaar van uittreding.</al><al>5. Compensatie voor de overige rechten en verplichtingen, als bedoeld in het
                        tweede lid, zal in</al><al>een bijdrage ineens voldaan worden. Deze bijdrage is gelijk aan driemaal de
                        op de in het vierde</al><al>lid aangegeven wijze bepaalde hoeveelheid overige rechten en
                        verplichtingen.</al><al>6. Uittreding kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 januari van het
                        jaar, volgende op dat</al><al>waarin de voor uittreding noodzakelijk wijziging van de regeling in werking
                        is getreden.</al><al/><al><vet>Artikel 40 Wijziging</vet></al><al>De regeling wordt gewijzigd indien meer dan de helft van het aantal
                        deelnemers, vertegenwoordigende</al><al>ten minste 150/240 van het aantal stemmen in het algemeen bestuur, daartoe
                        besluit.</al><al/><al><vet>Artikel 41 Opheffing</vet></al><al>1. De regeling kan worden opgeheven indien meer dan de helft van het aantal
                        deelnemers, vertegenwoordigende</al><al>ten minste 180/240 van het aantal stemmen in het algemeen bestuur,
                        daartoe</al><al>besluit.</al><al>2. Door het algemeen bestuur wordt een liquidatieplan vastgesteld, de raden
                        en provinciale staten</al><al>gehoord.</al><al>3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot
                        deelneming in de financiële</al><al>gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen
                        die de opheffing heeft</al><al>voor het personeel, met inachtneming van het bepaalde in de leden 3 en 4 van
                        artikel 39.</al><al>4. Toewijzing van personeel aan de deelnemers zal plaatsvinden bij besluit
                        van het algemeen</al><al>bestuur.</al><al>5. Bij ontbinding van het lichaam in verband met opheffing van de regeling
                        of anderszins, blijft</al><al>het lichaam voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van zijn
                        vermogen noodzakelijk</al><al>is.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 8 Archiefbescheiden</vet></al><al><vet>Artikel 42</vet></al><al>1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor het in goede, geordende en
                        toegankelijke staat</al><al>brengen en houden van de onder hem berustende archiefbescheiden zoals
                        bedoeld in het tweede</al><al>en vierde lid, waaronder mede valt het vernietigen van daarvoor in
                        aanmerking komende archiefbescheiden.</al><al>Het dagelijks bestuur stelt ter zake regels vast.</al><al>2. De directeur beheert de archiefbescheiden van de dienst en zijn organen,
                        voor zover deze niet</al><al>zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.</al><al>3. De dienst draagt de in het tweede lid genoemde archiefbescheiden over
                        naar het Stadsarchief</al><al>Rotterdam, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Archiefwet
                        1995.</al><al>4. De deelnemers stellen de archiefbescheiden die betrekking hebben op de
                        aan de dienst opgedragen</al><al>taken aan de omgevingsdienst ter beschikking in goede, geordende en
                        toegankelijke staat.</al><al>5. De archivaris van het Stadsarchief Rotterdam oefent toezicht uit op het
                        in het tweede lid genoemde</al><al>beheer.</al><al>6. In geval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling draagt de
                        dienst de in het tweede lid</al><al>genoemde archiefbescheiden met inachtneming van artikel 8 van het
                        Archiefbesluit voor zover</al><al>mogelijk over aan de taakopvolger. De overbrenging van de archiefbescheiden
                        in goede, geordende</al><al>en toegankelijke staat naar het Stadsarchief Rotterdam geschiedt als had
                        geen opheffing</al><al>plaatsgevonden. Als er geen taakopvolger is, worden de archiefbescheiden
                        direct naar het Stadsarchief</al><al>Rotterdam overgebracht.</al><al>7. In geval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling stelt de dienst
                        de in het vierde lid genoemde</al><al>archiefbescheiden, voor zover niet overgebracht naar de archiefbewaarplaats,
                        weer ter</al><al>beschikking aan de deelnemers.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 9 Geschillen, klachten en aansprakelijkheid</vet></al><al><vet>Artikel 43 Geschillenregeling</vet></al><al>1. Voordat over een bestuursgeschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet de
                        beslissing van de</al><al>Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt ingeroepen,
                        legt het algemeen</al><al>bestuur het geschil voor aan de Commissaris van de Koningin in de provincie
                        Zuid-Holland.</al><al>2. De commissaris hoort de bij het geschil betrokken partijen.</al><al>3. Hij brengt binnen drie maanden advies uit over de mogelijkheden partijen
                        tot overeenstemming</al><al>te brengen.</al><al>4. Indien de aard van het geschil daartoe aanleiding geeft, dan wel indien
                        een bestuursorgaan van</al><al>de provincie partij is in het geschil, laat de commissaris zich bij de
                        voorbereiding van het in het</al><al>derde lid bedoelde advies bijstaan door twee door hem aan te wijzen
                        burgemeesters van deelnemende,</al><al>niet als partij bij het geschil betrokken gemeenten.</al><al/><al><vet>Artikel 44 Klachtenregeling</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van de Algemene wet
                        bestuursrecht, een ver</al><al>ordening klachtbehandeling vast.</al><al>2. De ombudsman van de gemeente Rotterdam is bevoegd tot behandeling van
                        verzoekschriften</al><al>als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet
                        bestuursrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 45 Aansprakelijkheid</vet></al><al>1. Het lichaam verzekert zich tegen:</al><al>a. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid (wettelijke en contractuele
                        aansprakelijkheid) voor</al><al>schade aan personen en goederen;</al><al>b. Wettelijke aansprakelijkheid voor vermogensschade.</al><al>2. Indien en voor zover de verzekering een voor rekening van het lichaam
                        komende schade niet</al><al>dekt, komt deze voor rekening van de desbetreffende deelnemer binnen wiens
                        aan de dienst</al><al>opgedragen takenpakket de schadeveroorzakende gebeurtenis is
                        voorgevallen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 10 Slotbepaling</vet></al><al><vet>Artikel 46 Inwerkingtreding</vet></al><al>1. Deze regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd.</al><al>2. Iedere wijziging hierop wordt op de gebruikelijke wijze
                        bekendgemaakt.</al><al>3. Iedere wijziging hierop treedt in werking op de eerste dag na
                        bekendmaking als bedoeld in het</al><al>vorige lid.</al><al>4. De regeling kan worden aangehaald als “gemeenschappelijke regeling DCMR
                        Milieudienst</al><al>Rijnmond.”</al></tekst></regeling-tekst><nota-toelichting><al><cursief>Gemeenschappelijke regeling tot instandhouding en beheer van de DCMR
                        Milieudienst Rijnmond (20</cursief><cursief>e
                        </cursief><cursief>wijziging)</cursief></al><al><cursief>Goedgekeurd bij Koninklijk Besluit d.d. 26-02-1987, KB nr. 17. Datum
                        gewijzigd:1 januari 2014</cursief></al><al>De raden, respectievelijk de colleges van burgemeester en wethouders en de
                    burgemeesters van de</al><al>gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den IJssel,
                    Hellevoetsluis,</al><al>Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Ridderkerk, Rotterdam,
                    Schiedam, Spijkenisse,</al><al>Vlaardingen en Westvoorne;</al><al>Alsmede provinciale staten van, het college van gedeputeerde staten van en de
                    commissaris van de</al><al>Koningin in de provincie Zuid-Holland;</al><al>Gelezen de voordracht van het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke
                    regeling DCMR Milieudienst Rijnmond d.d. 3 juli 2013;</al><al>Gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Gemeenschappelijke regeling
                    DCMR Milieudienst Rijnmond;</al><al>Ieder voor zover het zijn of haar bevoegdheden betreft;</al><al>BESLUITEN</al><al>In te stemmen met de volgende gewijzigde gemeenschappelijke regeling tot
                    instandhouding en beheer van de DCMR Milieudienst Rijnmond:</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze regeling en de daarop berustende besluiten wordt verstaan onder:</al><al>a. Lichaam: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid;</al><al>b. Deelnemers: de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten
                    Albrandswaard,</al><al>Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den IJssel, Goeree-Overflakkee,
                    Hellevoetsluis, Krimpen</al><al>aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam,
                    Spijkenisse,</al><al>Vlaardingen en Westvoorne en de provincie Zuid-Holland.</al><al>c. Derden: niet-deelnemers aan de regeling</al><al>d. Dienst: de DCMR Milieudienst Rijnmond</al><al>e. Gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van Zuid-Holland</al><al>f. Provinciale staten: provinciale staten van Zuid-Holland;</al><al>g. Raden: de raden van de aan deze Gemeenschappelijke regeling deelnemende
                    gemeenten;</al><al>h. Regeling: de gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond</al><al>i. Het bij de samenwerking betrokken gebied: de rechtsgebieden van de aan deze
                    gemeenschappelijke</al><al>regeling deelnemende gemeenten, alsmede het rechtsgebied van de provincie
                    Zuid-Holland,</al><al>voor zover dit samenvalt met de rechtsgebieden van de deelnemende
                    gemeenten;</al><al>j. Wet: Wet gemeenschappelijke regelingen</al><al/><al><vet>Artikel 2 Lichaam en belang</vet></al><al>1. Er is een openbaar lichaam, genaamd Gemeenschappelijke regeling DCMR
                    Milieudienst</al><al>Rijnmond.</al><al>2. Het lichaam is rechtspersoon. Het is gevestigd te Schiedam.</al><al>3. Het lichaam is ingesteld met het oog op de zorg voor het milieu in het bij de
                    samenwerking betrokken</al><al>gebied.</al><al>4. Tot de zorg van het lichaam behoort ook de leefomgeving en duurzaamheid.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Inrichting, samenstelling en werkwijze van het
                    bestuur</vet></al><al><vet><cursief>§ 1. Algemene bepaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 3 Het bestuur</vet></al><al>Het bestuur van het lichaam bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks
                    bestuur en de voorzitter.</al><al/><al><vet><cursief>§ 2. Het algemeen bestuur</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 4 Samenstelling</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur bestaat uit 20 leden.</al><al>2. Provinciale staten wijzen uit hun midden, de voorzitter inbegrepen, en uit
                    gedeputeerde staten 3</al><al>leden van het algemeen bestuur aan. Elk van deze leden heeft bij de
                    besluitvorming in het algemeen</al><al>bestuur 30 stemmen.</al><al>3. De raad van de gemeente Rotterdam wijst uit zijn midden, de voorzitter
                    inbegrepen, en uit de wethouders</al><al>2 leden van het algemeen bestuur aan. Elk van deze leden heeft bij de
                    besluitvorming in</al><al>het algemeen bestuur 45 stemmen.</al><al>4. De raden van de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle,
                    Capelle aan den</al><al>IJssel, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel,
                    Lansingerland, Maassluis,</al><al>Ridderkerk, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen en Westvoorne wijzen uit hun
                    midden, de voorzitter</al><al>inbegrepen en uit de wethouders elk 1 lid van het algemeen bestuur aan. Elk van
                    deze leden</al><al>heeft bij de besluitvorming in het algemeen bestuur 4 stemmen.</al><al>5. In die gevallen waarin alle leden van het dagelijks bestuur zich krachtens
                    enige bepaling van de</al><al>Provinciewet van medestemmen in het algemeen bestuur dienen te onthouden, is
                    voor die aangelegenheden</al><al>de stemverhouding tussen de stemgerechtigde leden van het algemeen bestuur,
                    in</al><al>afwijking van het bepaalde in het voorgaande lid, als volgt:</al><al>a. het lid dat in dat bestuur zitting heeft namens de provincie Zuid-Holland,
                    heeft 36 stemmen;</al><al>b. het lid dat in dat bestuur zitting heeft namens de gemeente Rotterdam, heeft
                    36 stemmen;</al><al>c. de leden die in dat bestuur zitting hebben namens één van de overige
                    gemeenten, hebben</al><al>elk 2 stemmen.</al><al>6. Provinciale staten en de gemeenteraden kunnen voor de door hen benoemde leden
                    van het algemeen</al><al>bestuur plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hen benoemde leden bij
                    afwezigheid</al><al>vervangen. Het bepaalde in deze regeling ten aanzien van de leden van het
                    algemeen bestuur</al><al>is op de plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.</al><al>7. Indien ten gevolge van de toepassing van artikel 36 de financiële bijdragen
                    van de deelnemers</al><al>substantieel ten opzichte van elkaar wijzigen, doet het algemeen bestuur
                    voorstellen aan de deelnemers</al><al>om met toepassing van artikel 41 de stemverhouding zoals in het tweede en derde
                    lid van</al><al>dit artikel te wijzigen.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Aanwijzing en ontslag</vet></al><al>1. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur vindt plaats in de eerste
                    vergadering van</al><al>provinciale staten respectievelijk van de raden in de nieuwe samenstelling.</al><al>2. Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden
                    opengevallen plaats tot lid</al><al>van het algemeen bestuur is aangewezen, treedt af op het tijdstip waarop degene
                    in wiens plaats</al><al>hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.</al><al>3. Het aanwijzen ter vervulling van plaatsen die om een andere reden dan bedoeld
                    in het tweede lid</al><al>openvallen, vindt plaats binnen één maand nadat die plaatsen zijn
                    opengevallen.</al><al>4. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van
                    dit ontslag stellen zij</al><al>de voorzitter van het algemeen bestuur, alsmede het orgaan dat hen heeft
                    aangewezen, op de</al><al>hoogte.</al><al>5. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege, zodra men
                    ophoudt lid of</al><al>voorzitter te zijn van het orgaan waardoor men krachtens het bepaalde in artikel
                    4 is aangewezen,</al><al>dan wel ophoudt wethouder of gedeputeerde te zijn.</al><al>6. Het bestuursorgaan dat een of meer vertegenwoordigers in het algemeen bestuur
                    heeft aangewezen,</al><al>kan deze vertegenwoordigers ontslaan, indien deze het vertrouwen van dit
                    bestuursorgaan</al><al>niet meer bezit. Artikel 50 van de Gemeentewet (oud), dan wel artikel 50 van de
                    Provinciewet</al><al>(oud) is van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1
                    van de Algemene</al><al>wet bestuursrecht niet van toepassing.</al><al>7. In afwijking van het bepaalde in dit artikel wijst de raad van een
                    toetredende gemeente, voor de</al><al>inwerkingtreding van de voor de toetreding noodzakelijke wijziging van de
                    regeling, uit zijn midden,</al><al>de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders een lid van het algemeen bestuur
                    aan.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Incompatibiliteiten</vet></al><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van de Wet is het lidmaatschap van
                    het algemeen bestuur</al><al>onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van
                    één der</al><al>deelnemers dan wel door of vanwege het bestuur van het lichaam aangesteld of
                    daaraan ondergeschikt,</al><al>met uitzondering van onderwijzend personeel.</al><al>2. Met ambtenaar worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld, zij
                    die in dienst van één</al><al>der deelnemers dan wel het lichaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht
                    werkzaam zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Vergaderingen</vet></al><al>1. Op het houden en de orde van vergaderingen van het algemeen bestuur zijn de
                    artikelen 16, 17,</al><al>19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de Provinciewet (oud) van overeenkomstige
                    toepassing,</al><al>voor zover daarvan bij de Wet gemeenschappelijke regelingen niet is
                    afgeweken,</al><al><cursief>2. </cursief>Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor
                    zijn vergaderingen en andere werkzaamheden</al><al>vast.</al><al/><al><vet><cursief>§ 3. Het dagelijks bestuur</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8 Samenstelling</vet></al><al>1. Het dagelijks bestuur bestaat uit 6 leden, te weten: de voorzitter, een
                    vicevoorzitter en vier</al><al>andere leden.</al><al>2. De vicevoorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen op
                    bindende voordracht</al><al>van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.</al><al>3. Eén lid voor financiële aangelegenheden wordt door en uit het algemeen
                    bestuur aangewezen</al><al>op bindende voordracht van gedeputeerde staten.</al><al>4. Eén lid wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen op bindende
                    voordracht van de</al><al>colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Maassluis,
                    Lansingerland,</al><al>Schiedam en Vlaardingen.</al><al>Eén lid wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen op bindende voordracht
                    van de</al><al>colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Albrandswaard,
                    Barendrecht,</al><al>Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en Ridderkerk.</al><al>Eén lid wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen op bindende voordracht
                    van de</al><al>colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bernisse, Brielle,</al><al>Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Spijkenisse en Westvoorne.</al><al>5. Het algemeen bestuur kan voor de door hem benoemde leden van het dagelijks
                    bestuur uit</al><al>zijn midden plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hem benoemde leden
                    bij afwezigheid</al><al>vervangen.</al><al>De aanwijzing tot plaatsvervangend lid vindt plaats op bindende voordracht van
                    het (de) college(</al><al>s) dat (die) het betreffende lid heeft (hebben) voorgedragen.</al><al>Het plaatsvervangend lid dat de voorzitter vervangt, treedt pas in diens
                    hoedanigheid van</al><al>voorzitter indien de vicevoorzitter afwezig is.</al><al>Het bepaalde in deze regeling ten aanzien van de leden van het dagelijks bestuur
                    is op de</al><al>plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.</al><al>6. De op bindende voordracht van gedeputeerde staten aangewezen leden hebben
                    ieder 9</al><al>stemmen.</al><al>Het op bindende voordracht aan het college van burgemeester en wethouders van
                    Rotterdam</al><al>aangewezen lid heeft 18 stemmen. De overige leden hebben ieder 4 stemmen.</al><al>7. De leden van het dagelijks bestuur treden af met ingang van de dag waarop zij
                    krachtens het</al><al>bepaalde in artikel 52, 1e lid, juncto artikel 13 lid 2 van de Wet aftreden uit
                    het algemeen bestuur.</al><al>8. De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen
                    die krachtens</al><al>het bepaalde in het voorgaande lid zijn opengevallen, vindt plaats in de eerste
                    vergadering</al><al>van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling, volgend op de dag waarop die
                    plaatsen</al><al>zijn opengevallen.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Ontslag</vet></al><al>1. Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet
                    daarvan schriftelijke</al><al>mededeling aan het algemeen bestuur. Een lid dat ontslag heeft genomen, blijft
                    niettemin zijn</al><al>betrekking waarnemen totdat zijn opvolger die heeft aanvaard.</al><al>2. Het algemeen bestuur kan één of meer leden van het dagelijks bestuur ontslag
                    verlenen, indien</al><al>dezen het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten.</al><al>3. Tussentijds verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur brengt
                    terstond verlies</al><al>van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur mee.</al><al>4. De aanwijzing ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt,
                    geschiedt zo spoedig</al><al>mogelijk.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Vergaderingen</vet></al><al>1. Op het houden van en de orde van vergaderingen zijn de artikelen 28, 30, 31,
                    55, 57, 59 en</al><al>60 van de Provinciewet (oud) van overeenkomstige toepassing.</al><al>2. Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en
                    andere werkzaamheden</al><al>vast, dat aan het algemeen bestuur wordt toegezonden.</al><al>3. De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren
                    gehouden, voor</al><al>zover het dagelijks bestuur niet anders heeft bepaald.</al><al>4. In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd
                    en besloten,</al><al>indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig
                    is.</al><al>5. Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter,
                    onder verwijzing</al><al>naar dit artikel, opnieuw een vergadering.</al><al>6. Op de vergadering, bedoeld in het vijfde lid, is het vierde lid niet van
                    toepassing. Het dagelijks</al><al>bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerste
                    vergadering</al><al>was belegd alleen beraadslagen en besluiten, indien meer dan de helft van het
                    aantal zitting</al><al>hebbende leden tegenwoordig is.</al><al/><al><vet><cursief>§ 4. De voorzitter</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11 Aanwijzing</vet></al><al>1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen op bindende
                    voordracht</al><al>van gedeputeerde staten.</al><al>2. De voorzitter is tevens voorzitter van het algemeen bestuur en voorzitter van
                    het dagelijks</al><al>bestuur.</al><al>3. Bij afwezigheid van de voorzitter wordt hij vervangen door de vicevoorzitter
                    van het dagelijks</al><al>bestuur.</al><al/><al><vet><cursief>§ 5 Overige bepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 12 Bestuurscommissies</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur kan, naast commissies van advies, commissies instellen
                    met het oog</al><al>op de behartiging van bepaalde belangen.</al><al>2. De instelling van een commissie, de regeling van haar bevoegdheden en
                    samenstelling alsmede</al><al>de vaststelling van andere nadere regelingen met betrekking tot het functioneren
                    van de</al><al>commissies, geschiedt overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 24
                    respectievelijk 25 juncto</al><al>52, eerste lid, onder e, f, g en h van de Wet.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Tegemoetkoming kosten</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 21,
                    juncto 52, eerste</al><al>lid, onder c van de Wet, een regeling vaststellen voor een vergoeding voor de
                    werkzaamheden</al><al>en een tegemoetkoming in de kosten van de leden van het bestuur van het
                    lichaam.</al><al>2. Ten aanzien van de werkzaamheden en de kosten van de leden van de commissies,
                    is het</al><al>bepaalde in het vorige lid van overeenkomstige toepassing,</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Taken en bevoegdheden van het lichaam</vet></al><al><vet><cursief>§ 1. Algemene bepaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>Het lichaam heeft, in het kader van de in artikel 2, derde lid, vermelde zorg,
                    tot taak het beheren en in</al><al>stand houden van een gemeenschappelijke milieudienst: de DCMR Milieudienst
                    Rijnmond.</al><al/><al><vet><cursief>§ 2. Bevoegdheden algemeen bestuur</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15 Bevoegdheden algemeen bestuur</vet></al><al>1. Met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 14 genoemde taak berusten
                    bij het algemeen</al><al>bestuur alle bevoegdheid, die niet bij of krachtens deze regeling aan het
                    dagelijks bestuur</al><al>of aan de voorzitter is opgedragen.</al><al>2. Onverminderd het bepaalde in artikel 46 van de Wet en naast de uitoefening
                    van taken en</al><al>bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde, is het algemeen
                    bestuur in</al><al>ieder geval belast met en bevoegd tot:</al><al>a. het doen van voorstellen aan de deelnemers omtrent toetreding tot, uittreding
                    uit,</al><al>wijziging van of opheffing van de regeling;</al><al>b. het aangaan van geldleningen en van rekeningcourantovereenkomsten;</al><al>c. het uitlenen van gelden en het waarborgen van geldleningen door anderen aan
                    te</al><al>gaan;</al><al>d. het kopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en in erfpacht aannemen of uitgeven
                    van</al><al>roerende of onroerende zaken;</al><al>e. het doen van uitgaven voordat de begroting of begrotingswijziging, waarbij
                    deze</al><al>uitgaven zijn geraamd, is goedgekeurd;</al><al>f. het voeren van rechtsgedingen en beroepsprocedures;</al><al>g. het berusten in een tegen het lichaam ingestelde rechtsverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Overdracht van bevoegdheden</vet></al><al>Het algemeen bestuur kan zijn bevoegdheden aan het dagelijks bestuur overdragen,
                    tenzij de aard</al><al>van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Artikel 152, tweede lid, van de
                    Provinciewet is van overeenkomstige</al><al>toepassing.</al><al/><al><vet><cursief>§ 2. Bevoegdheden dagelijks bestuur</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 17 Bevoegdheden dagelijks bestuur</vet></al><al><vet>1. </vet>Naast de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van het
                    elders in deze regeling</al><al>bepaalde is het dagelijks bestuur belast met en bevoegd tot:</al><al>a. het dagelijks beheer van de dienst;</al><al>b. het toezicht op de dienst en al wat het lichaam aangaat;</al><al>c. de voorbereiding van alles waarover in de vergadering van het algemeen
                    bestuur zal</al><al>worden beraadslaagd en besloten;</al><al>d. de uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur;</al><al>e. het toezicht op het beheren van de financiën van het lichaam;</al><al>f. het toezicht op het beheren van de eigendommen van het lichaam;</al><al>g. het verhuren, verpachten of op andere wijze in gebruik geven van eigendommen
                    van</al><al>het lichaam;</al><al>h. het (ver)huren en pachten ten behoeve van het lichaam;</al><al>i. het nemen van conservatoire maatregelen, voordat wordt besloten tot het
                    voeren van</al><al>rechtsgedingen, het instellen van bezwaar en beroep alsmede het vragen om
                    een</al><al>voorlopige voorziening, ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of
                    bezit;</al><al>j. het voorstaan van de belangen van het lichaam bij andere overheden en
                    andere</al><al>instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor het lichaam van belang
                    is;</al><al>k. het afkondigen van besluiten waarvan afkondiging bij wet of bij besluit van
                    het algemeen</al><al>bestuur is voorgeschreven;</al><al>l. het sluiten van overeenkomsten met derden ten aanzien van het verrichten door
                    de</al><al>dienst van werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 23, zesde lid.</al><al>2. Het dagelijks bestuur kan voor de in het vorige lid genoemde bevoegdheden
                    mandaat verlenen</al><al>aan de directeur van de dienst met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 10
                    van</al><al>de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 18 </vet><vet><cursief>V</cursief></vet><vet>erantwoording aan
                        algemeen bestuur</vet></al><al>1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan
                    het algemeen bestuur</al><al>verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.</al><al>2. Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een
                    juiste beoordeling</al><al>van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is,
                    tenzij dit in strijd is</al><al>met het openbaar belang.</al><al>3. Zij geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer
                    dit bestuur of één</al><al>of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen, tenzij dit
                    in strijd is met het</al><al>openbaar belang.</al><al>4. Het reglement van orde voor het algemeen bestuur regelt de wijze waarop
                    uitvoering wordt</al><al>gegeven aan het in het tweede en derde lid bepaalde.</al><al><vet>Artikel 19 Verantwoording aan deelnemers</vet></al><al>1. Het algemeen en het dagelijks bestuur verstrekken aan de raden
                    respectievelijk aan provinciale</al><al>staten alle inlichtingen die door één of meer leden van die bestuursorganen
                    worden verlangd,</al><al>tenzij dit in strijd is met het openbaar belang.</al><al>Het reglement van orde van het betreffende bestuur regelt de wijze waarop
                    hieraan uitvoering</al><al>wordt gegeven.</al><al>2. Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het bestuursorgaan dat hem
                    heeft aangewezen</al><al>alle inlichtingen, die door dit bestuursorgaan of één of meer leden daarvan
                    worden verlangd, op</al><al>de wijze die door dit bestuursorgaan is bepaald, tenzij dit in strijd is met het
                    openbaar belang.</al><al>3. Een lid van het algemeen bestuur is aan het bestuursorgaan dat hem heeft
                    aangewezen verantwoording</al><al>verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid, op de wijze
                    die</al><al>door dat bestuursorgaan is bepaald.</al><al/><al><vet><cursief>§ 3. Bevoegdheden voorzitter</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 20 Bevoegdheden voorzitter</vet></al><al>1. De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van de
                    dienst.</al><al>2. De voorzitter vertegenwoordigt de dienst in en buiten rechte. Hij kan deze
                    vertegenwoordiging</al><al>aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen.</al><al>3. De voorzitter ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en
                    dagelijks bestuur uitgaan.</al><al/><al><vet>Artikel 21 Verantwoording aan algemeen bestuur</vet></al><al>1. De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor
                    het door hem</al><al>gevoerde bestuur.</al><al>2. Hij geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer
                    leden gevraagde</al><al>inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar
                    belang.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Taken en bevoegdheden van de dienst</vet></al><al><vet>Artikel 22 Taken</vet></al><al>1. De dienst kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden,
                    adviserende, ondersteunende</al><al>en uitvoerende werkzaamheden verrichten op het gebied van de zorg voor de</al><al>leefomgeving, het milieu en duurzaamheid.</al><al>2. De dienst heeft in ieder geval tot taak het in standhouden van een
                    meldkamer.</al><al>3. Naast de taak genoemd in het vorige lid heeft de dienst, in ieder geval
                    alsmede met inachtneming</al><al>van het ter zake door de deelnemer geformuleerde beleid de volgende taken:</al><al>a. Voor alle deelnemers:</al><al>- adviseren over en uitvoeren van taken van (onderdelen van) door gedeputeerde
                    staten,</al><al>colleges van burgemeester en wethouders en dagelijks besturen van de
                    deelgemeenten</al><al>te geven beschikkingen bij of krachtens de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht, de</al><al>Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>- uitoefenen van (deel-) toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Wet
                    algemene</al><al>bepalingen omgevingsrecht en de in die wet in artikel 5.1.genoemde wetten en het
                    adviseren</al><al>over het toepassen van bestuursrechtelijke handhaving;</al><al>- uitvoeren van procedures conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en
                    de</al><al>Algemene wet bestuursrecht;</al><al>- multidisciplinaire taken in de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (m.u.v. de
                    provincie</al><al>Zuid-Holland);</al><al>- milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten die vallen onder het Besluit
                    bodemkwaliteit</al><al>voor zover het die activiteiten betreft;</al><al>- milieutoezicht bij bodemsanering, sanering van bedrijfsterreinen en lozing van
                    grondwater</al><al>bij bodemsanering en proefbronnering voor zover het die activiteiten
                    betreft;</al><al>- ketengericht milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten.</al><al>b. Voor de provincie Zuid-Holland tevens:</al><al>- adviseren over door gedeputeerde staten te geven beschikkingen ingevolge het
                    Vuurwerkbesluit</al><al>en de Wet Luchtvaart;</al><al>- toezicht op het Vuurwerkbesluit en de Wet Luchtvaart en het adviseren over
                    toepassen</al><al>van bestuursrechtelijke handhaving;</al><al>- uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet
                    bodembescherming;</al><al>- uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet
                    geluidhinder;</al><al>leveren van een bijdrage aan de beleidsontwikkeling van de provincie op het
                    gebied van</al><al>de leefomgeving, het milieubeheer en duurzaamheid;</al><al>- milieutechnisch adviseren over provinciale ruimtelijke plannen;</al><al>- uitvoeren van onderzoek en metingen op basis van op te stellen onderzoeks- en
                    meetprogramma's;</al><al>- uitvoeren van werkzaamheden inzake milieueffectrapportages voor provinciale
                    vergunningen,</al><al>provinciale plannen en projecten.</al><al>c. Voor de gemeente Rotterdam tevens:</al><al>- uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet
                    bodembescherming</al><al>- uitvoeren van taken samenhangend met de Verordening bodembescherming
                    Rotterdam,</al><al>het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit, het Activiteitenbesluit (ondergrondse
                    tanks),</al><al>het Besluit verplicht bodemonderzoek op bedrijfsterreinen c.q. het
                    handhavingsbeleid</al><al>hiervan, de Bedrijvenregeling bodemsanering en de bodemparagraaf in de
                    Bouwverordening;</al><al>- leveren van chemische adviezen;</al><al>- advisering over het milieubeleid van andere Rotterdamse diensten;</al><al>- ontwikkelen beleid op het gebied van milieubeheer in het algemeen, met accent
                    op de</al><al>thema’s bedrijven, huishoudens, bodem, lucht, geluid, externe veiligheid,
                    energie, groen,</al><al>water, duurzaam bouwen, verkeer en vervoer;</al><al>- mede ontwikkelen en uitvoeren van projecten met Rotterdamse burgers en
                    organisaties;</al><al>- advisering op het gebied van ruimtelijke plannen;</al><al>- advisering en uitvoering van wettelijke procedures in het kader van
                    milieueffectrapportages</al><al>voor plannen en besluiten.</al><al>d. Voor de gemeente Vlaardingen tevens:</al><al>- uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet
                    bodembescherming;</al><al>- adviseren over en uitvoeren van taken op het gebied van externe
                    veiligheid;</al><al>- uitvoeren van taken samenhangend met en voortvloeiend uit de Wet geluidhinder
                    en</al><al>de APV;</al><al>- adviseren over en uitvoeren van taken op het gebied van klimaat en
                    verkenningen;</al><al>- adviseren over en uitvoeren van taken op het gebied van lucht en
                    luchtkwaliteit;</al><al>- adviseren over en uitvoeren van taken op het gebied van duurzaamheid,
                    milieu,</al><al>ruimtelijke ordening en ruimtelijke plannen.</al><al>4. Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van de in het vorige lid
                    sub a. tot en met d.</al><al>genoemde taken worden door of namens het dagelijks bestuur en elk van de
                    deelnemers schriftelijk</al><al>werkafspraken gemaakt.</al><al>5. In aanvulling op het bepaalde in het derde lid verricht de dienst op verzoek
                    van een deelnemer -</al><al>ook buiten het samenwerkingsgebied - andere adviserende, ondersteunende en
                    uitvoerende</al><al>werkzaamheden.</al><al>6. Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de in het derde en vijfde
                    lid bedoelde taken,</al><al>kan de dienst op verzoek van derden - ook buiten het samenwerkingsgebied -
                    adviserende, ondersteunende</al><al>en uitvoerende werkzaamheden verrichten.</al><al>7. Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen werkzaamheden als
                    bedoeld in dit</al><al>artikel gaan strekken ter uitvoering van een andere regeling dan ter uitvoering
                    waarvan zij ten</al><al>tijde van het van kracht worden van deze gemeenschappelijke regeling strekten,
                    dan wel indien</al><al>in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen
                    optreden, blijven</al><al>zij, voor zover hun strekking en omvang door die wijziging niet wezenlijk
                    veranderen, behoren</al><al>tot de taken die overeenkomstig dit artikel aan de dienst zijn opgedragen.</al><al/><al><vet>Artikel 23 Bevoegdheden</vet></al><al>1. Aan het bestuur van de dienst worden geen bevoegdheden gedelegeerd door de
                    deelnemers.</al><al>2. De colleges van de deelnemers alsmede de dagelijkse besturen van de
                    deelgemeenten kunnen</al><al>hun bevoegdheden ten aanzien van de bij of krachtens artikel 22 aan de dienst
                    opgedragen taken,</al><al>mandateren aan de directeur van de dienst.</al><al>3. Ambtenaren van de deelnemers alsmede van de deelgemeenten kunnen ondermandaat
                    verlenen</al><al>aan de directeur van de dienst, voor zover zij hiertoe bevoegd zijn.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Ambtelijke organisatie</vet></al><al><vet>Artikel 24 Aanstelling, schorsing en ontslag directeur</vet></al><al>1. Er is een directeur van de dienst.</al><al>2. De directeur van de dienst wordt door het algemeen bestuur benoemd uit een
                    door het dagelijks</al><al>bestuur op te maken voordracht van ten minste twee personen.</al><al>3. Het algemeen bestuur kan de directeur schorsen en ontslaan.</al><al/><al><vet>Artikel 25 Taken en bevoegdheden directeur</vet></al><al>1. Het dagelijks bestuur stelt de instructie van de directeur vast.</al><al>2. De directeur is belast met de leiding van de dienst en de zorg voor een
                    juiste taakvervulling in</al><al>de organisatie</al><al>3. De directeur van de dienst fungeert als ambtelijk secretaris van het algemeen
                    bestuur en het</al><al>dagelijks bestuur.</al><al>4. De secretaris is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het
                    dagelijks bestuur</al><al>aanwezig.</al><al>5. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan,
                    worden door de</al><al>secretaris mede-ondertekend.</al><al>6. Het dagelijks bestuur regelt de plaatsvervanging van de secretaris.</al><al/><al><vet>Artikel 26 Aanstellen overig personeel</vet></al><al>1. Het dagelijks bestuur is, binnen het raam van de door het algemeen bestuur
                    vastgestelde formatie,</al><al>belast met het aanstellen als ambtenaar, het tewerkstellen op
                    arbeidsovereenkomst naar</al><al>burgerlijk recht en het schorsen en ontslaan van het personeel van het lichaam,
                    de directeur</al><al>van de dienst uitgezonderd.</al><al>2. Het dagelijks bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden opdragen
                    aan de directeur</al><al>van de dienst, tenzij het ambtenaren betreft die belast zijn met functies van
                    leidinggevende</al><al>aard die rechtstreeks onder de directeur ressorteren.</al><al/><al><vet>Artikel 27 Rechtspositie personeel</vet></al><al>1. Op het personeel in dienst van het lichaam zijn de rechtspositieregelingen
                    die zijn of zullen worden</al><al>vastgesteld voor het personeel in dienst van de provincie Zuid-Holland, van
                    overeenkomstige</al><al>toepassing.</al><al>2. Het dagelijks bestuur kan aan het provinciaal bestuur voorstellen doen met
                    betrekking tot de</al><al>vaststelling van uitvoeringsregelingen die, in verband met de specifieke
                    taakuitoefening door de</al><al>dienst, voor het personeel van belang worden geacht.</al><al>3. Waar in de in het eerste lid bedoelde regelingen gesproken wordt van
                    "provinciale staten", "gedeputeerde</al><al>staten" dan wel "hoofd van dienst" wordt voor de toepassing in het kader van
                    deze</al><al>gemeenschappelijke regeling respectievelijk gelezen: het algemeen bestuur, het
                    dagelijks bestuur</al><al>en de directeur.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 Financiële bepalingen</vet></al><al><vet><cursief>§ 1. De begroting</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 28 Boekjaar</vet></al><al>Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al><al/><al><vet>Artikel 29 Voorbereiding begroting</vet></al><al>1. De begroting wordt ingericht overeenkomstig het Besluit Begroting en
                    Verantwoording (BBV).</al><al>Aan de begroting wordt een meerjarenraming toegevoegd.</al><al>2. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting zes weken voordat zij aan het
                    algemeen bestuur</al><al>wordt aangeboden, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan
                    provinciale</al><al>staten.</al><al>3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter
                    inzage gelegd</al><al>en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de
                    terinzagelegging en</al><al>de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven.</al><al>4. De raad van een deelnemende gemeente en provinciale staten kunnen bij het
                    dagelijks bestuur</al><al>hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks
                    bestuur voegt de</al><al>commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze
                    aan het algemeen</al><al>bestuur wordt aangeboden.</al><al>5. Het bepaalde in dit artikel is mede van toepassing op besluiten tot wijziging
                    van de begroting,</al><al>met uitzondering van overschrijvingen vanuit de post "Onvoorziene
                    uitgaven."</al><al/><al><vet>Artikel 30 Vaststelling begroting</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast voorafgaande aan het jaar
                    waarvoor deze geldt.</al><al>2. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling,
                    doch in ieder geval</al><al>voor 15 juli van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de begroting dient, aan
                    de Minister van</al><al>Binnenlandse Zaken.</al><al>3. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting en
                    begrotingswijziging aan</al><al>de raden der deelnemende gemeenten en aan provinciale staten, die de minister
                    van Binnenlandse</al><al>Zaken ter zake van hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Indien de begroting
                    ongewijzigd</al><al>wordt vastgesteld, kan worden volstaan met mededeling hiervan.</al><al/><al><vet>§ 2. Jaarrekening</vet></al><al><vet>Artikel 31 Vaststelling jaarrekening</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur stelt de rekening van het lichaam vast uiterlijk 1 juli,
                    volgende op het jaar</al><al>waarop deze betrekking heeft en zendt deze vervolgens uiterlijk 15 juli aan de
                    minister van Binnenlandse</al><al>Zaken.</al><al>2. Het dagelijks bestuur voegt bij het voorstel voor de rekening een verslag van
                    een onderzoek</al><al>naar de rechtmatigheid van de rekening, ingesteld door de overeenkomstig artikel
                    33 aangewezen</al><al>deskundige.</al><al>3. De rekening wordt ingericht overeenkomstig het Besluit Begroting en
                    Verantwoording (BBV).</al><al/><al><vet>§ 3. Beheer</vet></al><al><vet>Artikel 32 Financiële administratie</vet></al><al>Het algemeen bestuur stelt regelen vast met betrekking tot de organisatie van de
                    financiële administratie</al><al>en het financieel beheer van het lichaam.</al><al/><al><vet>Artikel 33 Controle</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur wijst één of meer deskundigen aan voor de controle op
                    het financieel</al><al>beheer en de administratie van het lichaam.</al><al>2. Het algemeen bestuur stelt met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
                    controle regels vast.</al><al/><al><vet><cursief>§ 4. Financiële verplichtingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 34 Betaling</vet></al><al>1. De deelnemers betalen uiterlijk 15 februari, 15 mei, 15 augustus en 15
                    november een voorschot</al><al>in de kosten van het lopende boekjaar ten bedrage van 25% van het
                    jaarbudget.</al><al>2. Naar aanleiding van de administratie over de afzonderlijke kwartalen kan het
                    dagelijks bestuur</al><al>bepalen dat een van het in het eerste lid bedoelde bedrag afwijkend voorschot
                    wordt betaald.</al><al>3. Uiterlijk 1 juni vindt per deelnemer een eerste afrekening plaats over het
                    voorafgaande boekjaar</al><al>overeenkomstig het ontwerp van de voorlopige rekening.</al><al>4. De definitieve afrekening vindt plaats binnen twee maanden na vaststelling
                    van de rekening.</al><al>5. In verband met de toetreding van een gemeente kan het dagelijks bestuur in
                    afwijking van het</al><al>bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel voor het jaar van toetreding van
                    deze gemeente</al><al>een afwijkende regeling treffen inzake de vervaldata van voorschotten en de
                    eerste afrekening.</al><al/><al><vet>Artikel 35 Deelnameverplichting</vet></al><al>1. Met het oog op de voor hen uit te voeren taken als bedoeld in artikel 22,
                    tweede en derde lid</al><al>verbinden de deelnemers zich tot de financiële verplichtingen die na goedkeuring
                    zijn opgenomen</al><al>in de begroting 2004, inclusief de eerste wijziging daarop, als vertaling van de
                    personele</al><al>en materiële inzet ten behoeve van de uitvoering van die taken. De bedragen
                    worden jaarlijks</al><al>geïndexeerd met het door het algemeen bestuur vastgestelde indexpercentage.</al><al>2. Het in het eerste lid bepaalde is mede van toepassing voor nieuwe deelnemers,
                    met dien verstande</al><al>dat als uitgangspunt geldt de goedgekeurde begroting, inclusief wijzigingen van
                    het 1e</al><al>volledige jaar na toetreding.</al><al>3. Onverminderd het bepaalde in het volgende lid is een deelnemer gerechtigd,
                    zonder wijziging</al><al>van de regeling, wijzigingen in het niveau van uitvoering van de in het eerste
                    lid bedoelde taken</al><al>te bewerkstelligen, voor zover de wijzigingen in financiële verplichtingen die
                    daarvan het gevolg</al><al>zullen zijn, gezamenlijk niet meer dan 25% van die verplichtingen bedragen.</al><al>4. Wijzigingen als bedoeld in het vorige lid kunnen, indien zij een vermindering
                    van de in het eerste</al><al>lid bedoelde verplichtingen tot gevolg hebben, jaarlijks niet meer dan 5% van
                    die verplichtingen</al><al>bedragen.</al><al>Indien het totaal van de verminderingen van de in het eerste lid bedoelde
                    financiële verplichtingen,</al><al>als gevolg van wijzigingen als bedoeld in het vorige lid, op enig moment meer
                    dan 10%</al><al>van die verplichtingen bedraagt, zal de betreffende deelnemer ter zake van de
                    verschuiving in</al><al>de verdeling van overheadkosten aan het lichaam een afkoopsom verschuldigd zijn
                    welke door</al><al>het algemeen bestuur wordt vastgesteld.</al><al>Indien daartoe naar het oordeel van het algemeen bestuur de noodzaak bestaat, is
                    het gestelde</al><al>in artikel 39, voor zover betrekking hebbende op de toewijzing van personeel,
                    van overeenkomstige</al><al>toepassing.</al><al>5. De in het vorige lid derde en vierde lid bedoelde beperking is niet van
                    toepassing op wijzigingen</al><al>in de uitvoering van taken welke bekostigd wordt door middel van
                    projectsubsidies ten behoeve</al><al>van de uitvoering van bodemsaneringsprogramma's of de zonering industrielawaai,
                    indien en</al><al>voor zover een wijziging optreedt in de verstrekking van die subsidies.</al><al>6. Op omvangrijker wijzigingen dan bedoeld in het derde en vierde lid van dit
                    artikel is het bepaalde</al><al>in artikel 40 van toepassing. De in het eerste lid genoemde verbintenis is op de
                    aldus gewijzigde</al><al>inzet en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, van overeenkomstige
                    toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 36 Garantstelling</vet></al><al>1. De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het lichaam te allen
                    tijde over voldoende</al><al>middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen.</al><al>2. Indien aan het algemeen bestuur van het lichaam blijkt dat een deelnemer
                    weigert deze uitgaven</al><al>op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde
                    staten</al><al>het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet,
                    respectievelijk</al><al>een verzoek aan de Minister tot toepassing van artikelen 198 en 199
                    Provinciewet.</al><al/><al><vet><cursief>§ 5. Overige financiële bepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 37 Leges</vet></al><al>Het algemeen bestuur kan een regeling vaststellen met betrekking tot de heffing
                    van leges voor het op</al><al>aanvraag leveren van diensten.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing</vet></al><al><vet>Artikel 38 Toetreding</vet></al><al>1. Toetreding door andere gemeenten vindt plaats, indien meer dan de helft van
                    het aantal deelnemers,</al><al>vertegenwoordigende ten minste 150/240 van het aantal stemmen in het
                    algemeen</al><al>bestuur, daarin bewilligt.</al><al>2. Het algemeen bestuur doet het nodige om de gevolgen van toetreding te
                    regelen.</al><al>3. De toetreding gaat in op de eerste dag van de kalendermaand volgende op die
                    waarin de voor</al><al>de toetreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is
                    getreden.</al><al/><al><vet>Artikel 39 Uittreding</vet></al><al>1. Een deelnemer kan uittreden, indien meer dan de helft van het aantal
                    deelnemers, vertegenwoordigende</al><al>ten minste 150/240 van het aantal stemmen in het algemeen bestuur, instemt
                    met</al><al>de afwikkeling van de financiële en organisatorische gevolgen daarvan.</al><al>2. Indien een deelnemer uit de regeling wenst te treden, zal in het kader van de
                    in het eerste lid</al><al>bedoelde afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van
                    personeel aan deze</al><al>deelnemer plaatsvinden en zal er een compensatie verschuldigd zijn voor de
                    overige rechten</al><al>en verplichtingen.</al><al>3. De hoeveelheid toe te wijzen personeel wordt bepaald op basis van de
                    begroting over het jaar</al><al>voorafgaand aan het jaar van uittreding en betreft zowel het directe als het
                    indirecte personeel.</al><al>4. De hoeveelheid toe te wijzen indirect personeel en de overige rechten en
                    verplichtingen worden</al><al>bepaald op basis van de kostenverdelingen, welke zijn opgenomen in de begroting
                    over het jaar</al><al>voorafgaand aan het jaar van uittreding.</al><al>5. Compensatie voor de overige rechten en verplichtingen, als bedoeld in het
                    tweede lid, zal in</al><al>een bijdrage ineens voldaan worden. Deze bijdrage is gelijk aan driemaal de op
                    de in het vierde</al><al>lid aangegeven wijze bepaalde hoeveelheid overige rechten en
                    verplichtingen.</al><al>6. Uittreding kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 januari van het jaar,
                    volgende op dat</al><al>waarin de voor uittreding noodzakelijk wijziging van de regeling in werking is
                    getreden.</al><al/><al><vet>Artikel 40 Wijziging</vet></al><al>De regeling wordt gewijzigd indien meer dan de helft van het aantal deelnemers,
                    vertegenwoordigende</al><al>ten minste 150/240 van het aantal stemmen in het algemeen bestuur, daartoe
                    besluit.</al><al/><al><vet>Artikel 41 Opheffing</vet></al><al>1. De regeling kan worden opgeheven indien meer dan de helft van het aantal
                    deelnemers, vertegenwoordigende</al><al>ten minste 180/240 van het aantal stemmen in het algemeen bestuur, daartoe</al><al>besluit.</al><al>2. Door het algemeen bestuur wordt een liquidatieplan vastgesteld, de raden en
                    provinciale staten</al><al>gehoord.</al><al>3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot
                    deelneming in de financiële</al><al>gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de
                    opheffing heeft</al><al>voor het personeel, met inachtneming van het bepaalde in de leden 3 en 4 van
                    artikel 39.</al><al>4. Toewijzing van personeel aan de deelnemers zal plaatsvinden bij besluit van
                    het algemeen</al><al>bestuur.</al><al>5. Bij ontbinding van het lichaam in verband met opheffing van de regeling of
                    anderszins, blijft</al><al>het lichaam voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van zijn vermogen
                    noodzakelijk</al><al>is.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 8 Archiefbescheiden</vet></al><al><vet>Artikel 42</vet></al><al>1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor het in goede, geordende en
                    toegankelijke staat</al><al>brengen en houden van de onder hem berustende archiefbescheiden zoals bedoeld in
                    het tweede</al><al>en vierde lid, waaronder mede valt het vernietigen van daarvoor in aanmerking
                    komende archiefbescheiden.</al><al>Het dagelijks bestuur stelt ter zake regels vast.</al><al>2. De directeur beheert de archiefbescheiden van de dienst en zijn organen, voor
                    zover deze niet</al><al>zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.</al><al>3. De dienst draagt de in het tweede lid genoemde archiefbescheiden over naar
                    het Stadsarchief</al><al>Rotterdam, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Archiefwet
                    1995.</al><al>4. De deelnemers stellen de archiefbescheiden die betrekking hebben op de aan de
                    dienst opgedragen</al><al>taken aan de omgevingsdienst ter beschikking in goede, geordende en
                    toegankelijke staat.</al><al>5. De archivaris van het Stadsarchief Rotterdam oefent toezicht uit op het in
                    het tweede lid genoemde</al><al>beheer.</al><al>6. In geval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling draagt de dienst de
                    in het tweede lid</al><al>genoemde archiefbescheiden met inachtneming van artikel 8 van het Archiefbesluit
                    voor zover</al><al>mogelijk over aan de taakopvolger. De overbrenging van de archiefbescheiden in
                    goede, geordende</al><al>en toegankelijke staat naar het Stadsarchief Rotterdam geschiedt als had geen
                    opheffing</al><al>plaatsgevonden. Als er geen taakopvolger is, worden de archiefbescheiden direct
                    naar het Stadsarchief</al><al>Rotterdam overgebracht.</al><al>7. In geval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling stelt de dienst de
                    in het vierde lid genoemde</al><al>archiefbescheiden, voor zover niet overgebracht naar de archiefbewaarplaats,
                    weer ter</al><al>beschikking aan de deelnemers.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 9 Geschillen, klachten en aansprakelijkheid</vet></al><al><vet>Artikel 43 Geschillenregeling</vet></al><al>1. Voordat over een bestuursgeschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet de
                    beslissing van de</al><al>Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt ingeroepen, legt
                    het algemeen</al><al>bestuur het geschil voor aan de Commissaris van de Koningin in de provincie
                    Zuid-Holland.</al><al>2. De commissaris hoort de bij het geschil betrokken partijen.</al><al>3. Hij brengt binnen drie maanden advies uit over de mogelijkheden partijen tot
                    overeenstemming</al><al>te brengen.</al><al>4. Indien de aard van het geschil daartoe aanleiding geeft, dan wel indien een
                    bestuursorgaan van</al><al>de provincie partij is in het geschil, laat de commissaris zich bij de
                    voorbereiding van het in het</al><al>derde lid bedoelde advies bijstaan door twee door hem aan te wijzen
                    burgemeesters van deelnemende,</al><al>niet als partij bij het geschil betrokken gemeenten.</al><al/><al><vet>Artikel 44 Klachtenregeling</vet></al><al>1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van de Algemene wet
                    bestuursrecht, een ver</al><al>ordening klachtbehandeling vast.</al><al>2. De ombudsman van de gemeente Rotterdam is bevoegd tot behandeling van
                    verzoekschriften</al><al>als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 45 Aansprakelijkheid</vet></al><al>1. Het lichaam verzekert zich tegen:</al><al>a. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid (wettelijke en contractuele
                    aansprakelijkheid) voor</al><al>schade aan personen en goederen;</al><al>b. Wettelijke aansprakelijkheid voor vermogensschade.</al><al>2. Indien en voor zover de verzekering een voor rekening van het lichaam komende
                    schade niet</al><al>dekt, komt deze voor rekening van de desbetreffende deelnemer binnen wiens aan
                    de dienst</al><al>opgedragen takenpakket de schadeveroorzakende gebeurtenis is voorgevallen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 10 Slotbepaling</vet></al><al><vet>Artikel 46 Inwerkingtreding</vet></al><al>1. Deze regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd.</al><al>2. Iedere wijziging hierop wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt.</al><al>3. Iedere wijziging hierop treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking
                    als bedoeld in het</al><al>vorige lid.</al><al>4. De regeling kan worden aangehaald als “gemeenschappelijke regeling DCMR
                    Milieudienst</al><al>Rijnmond.”</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>