<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR32680_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmings- en fraudeverordening Wet werk en bijstand 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2011, nr. 5</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmings- en fraudeverordening Wet werk en bijstand 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147, eerste lid;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikelen 8, eerste lid, onder b en 18, tweede lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-02-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-03-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B11.000017</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmings- en fraudeverordening Wet werk en bijstand 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Geconsolideerde tekst van de regeling</vet></al><al>De raad van de gemeente Dronten,</al><al>gelezen het voorstel van het college van 11 mei 2010, No.
                        B10.000622</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 8, lid 1
                        onder b en artikel</al><al>18, lid 2 van de Wet werk en bijstand (Wwb);</al><al>gezien het advies van de raadscommissie van juni 2010;</al><al>B E S L U I T:</al><al>vast te stellen de: <vet>Afstemmings- en fraudeverordening Wet werk en
                        bijstand 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet werk en bijstand (Wwb);</al></li><li nr="b."><al>bijstand: De bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk 3,
                                        paragraaf 2 en 3 van de wet;</al></li><li nr="c."><al>bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 35
                                        van de wet;</al></li><li nr="d."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Dronten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Afstemming</titel></kop><al>1.Onverminderd artikel 13 van de wet, verlaagt het college,
                            overeenkomstig deze</al><al> verordening, het bedrag van de aan de belanghebbende toegekende
                            uitkering, als de</al><al> belanghebbende naar het oordeel van het college de op hem rustende
                            verplichtingen,</al><al>bedoeld in hoofdstuk 2 en 6 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede
                            lid of derde lid, van de</al><al> Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                            verplichtingen, niet</al><al> of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig
                            misdraagt.</al><al>2.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            van</al><al> verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende en kan
                            daarom afwijken</al><al> van de in deze verordening genormeerde maatregelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>1.De maatregel wordt toegepast op de voor de belanghebbende van
                            toepassing</al><al> zijnde bijstandsnorm, inclusief de toepasselijke gemeentelijke
                            toeslag.</al><al>2.In voorkomende gevallen kan de maatregel ook worden toegepast op de </al><al>bijzondere bijstand als de woonsituatie daartoe aanleiding geeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden en</al><al>duur van de maatregel, het percentage waarmee de uitkering wordt
                            verlaagd en, indien van</al><al>toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. In het
                            geval dat in een</al><al>periode van 12 maanden voor de huidige maatregel eveneens een maatregel
                            is opgelegd,</al><al>wordt indien er sprake is van recidive, dit eveneens meegedeeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>1.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                            gelegenheid</al><al> gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al><lijst><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar</al></li></lijst></li></lijst><al> voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
                            omstandigheden</al><al> hebben voorgedaan;</al><al>c.de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college
                            om binnen</al><al> een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel
                            17 danwel</al><al> artikel 54 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>1.Onverminderd artikel 13, eerste lid, van de wet, ziet het college af
                            van het opleggen van</al><al> een maatregel als:</al><al>a.de gedraging meer dan <cursief>één jaar </cursief>vóór constatering
                            van die gedraging door het</al><al> college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van
                            de</al><al> inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte
                            bijstand is</al><al> verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht
                            wordt niet</al><al> opgelegd na verloop van <cursief>vijf jaren </cursief>nadat de
                            betreffende gedraging heeft</al><al> plaatsgevonden;</al><lijst><li nr="b."><al>het college dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="c."><al>naar oordeel van het college kan worden volstaan met een
                                    waarschuwing bij</al></li></lijst><al> geringe verwijtbaarheid.</al><al>2.Als het college afziet van het opleggen van een maatregel wordt de
                            belanghebbende</al><al> daarvan schriftelijk mededeling gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><al>1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend op
                            de datum</al><al> waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                            belanghebbende is</al><al> bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                            geldende</al><al> bijstandsnorm.</al><al>2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden opgelegd met
                            ingang van de</al><al> datum waarop de maatregelwaardige gedraging is geconstateerd, als de
                            uitkering over die</al><al> periode nog niet is uitbetaald.</al><al>3.De maatregel wordt niet ten uitvoer gebracht als de uitkering al is
                            beëindigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>1.Als er sprake is van een gedraging die schending oplevert van meerdere
                            in de wet</al><al> genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Indien voor
                            schending van die</al><al> verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de
                            hoogste</al><al> maatregel opgelegd.</al><al>2.Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                            één of meerdere</al><al> in de wet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een
                            afzonderlijke</al><al> maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd,
                            tenzij dit gelet op</al><al> artikel 2, tweede lid, niet verantwoord is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende inhoudende het niet of onvoldoende
                            nakomen van de</al><al>verplichtingen bedoeld in artikel 9 en artikel 55 van de wet, alsmede
                            gedragingen bedoeld in</al><al>artikel 18 lid 2 van de wet, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet ingeschreven staan als werkzoekende bij het UWV
                                            werkbedrijf.</al></li><li nr="b."><al>het niet voldoen aan een opgelegde verplichting van
                                            artikel 55 van de wet.</al></li><li nr="c."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om
                                            op een aangegeven plaats</al></li></lijst></li></lijst><al> en tijdstip aanwezig te zijn, zonder tegenbericht.</al><al>d.het langer dan de wettelijke vakantieduur verblijven in het
                            buitenland, ook als dit</al><al> heeft geleid tot het beëindigen van het recht op bijstand.</al><lijst><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het onvoldoende meewerken aan een onderzoek met
                                            betrekking tot de</al></li></lijst></li></lijst><al> arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan
                            het</al><al> opstellen van een reïntegratietraject;</al><al>b.het niet of onvoldoende meewerken aan het vinden van algemeen
                            geaccepteerde</al><al> arbeid;</al><al>c.het niet of onvoldoende meewerken aan de aangeboden activiteiten
                            of</al><al> werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling waaronder begrepen
                            het</al><al> langer dan de afgesproken periode vakantie houden waardoor het</al><al> traject niet kan worden gevolgd;</al><lijst><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
                                            dienstbetrekking;</al></li><li nr="c."><al>het beroep moeten doen op een bijstandsuitkering als
                                            gevolg van het door</al></li></lijst></li></lijst><al> eigen toedoen verliezen van arbeid in dienstbetrekking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatrege</titel></kop><al>l</al><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                            eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                            tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100 procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                            derde categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                    vastgesteld op een maand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><al>1.Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht, bedoeld in</al><al> artikel 17 en/of artikel 54, van de wet, niet heeft geleid tot het ten
                            onrechte of tot een te</al><al> hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt een maatregel opgelegd van 5
                            procent van de</al><al> bijstandsnorm.</al><lijst><li nr="2."><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                    vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid kan de duur van de maatregel
                                    worden verdubbeld, indien</al></li></lijst><al> de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een
                            besluit</al><al> waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan
                            dezelfde als</al><al> verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                            maatregel is</al><al> opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien met
                            uitzondering van </al><al> het gestelde in artikel 6, eerste lid, onder a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</titel></kop><al>1.Als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht,
                            bedoeld in artikel 17 en/of</al><al> artikel 54 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
                            hoog bedrag verlenen</al><al> van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het
                            benadelingsbedrag.</al><al> Onverminderd de mogelijkheid tot terugvordering van de ten onrechte
                            ontvangen bijstand.</al><lijst><li nr="2."><al>De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende
                                    wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10 procent van
                                            de bijstandsnorm;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20
                                            procent van de</al></li></lijst></li></lijst><al> bijstandnorm;</al><al>c.bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40 procent van
                            de</al><al> bijstandsnorm;</al><al>d.bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100 procent van
                            de</al><al> bijstandsnorm.</al><lijst><li nr="3."><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                    vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="4."><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is
                                            ingesteld en het onderzoek ter</al></li></lijst></li></lijst><al> terechtzitting een aanvang heeft genomen;</al><al>b.zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het Openbaar
                            Ministerie</al><al> een schikking met belanghebbende heeft getroffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verlaging van de bijstand in verband met te snel interen van
                                vermogen</titel></kop><al>1.Indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van tekortschietend besef
                            van</al><al> verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, door te snel
                            interen </al><al> van vermogen wordt de bijstand verlaagd.</al><lijst><li nr="2."><al>De maatregel bij een gedraging als bedoeld in artikel 1
                                    bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij te snel interen van minder dan € 2.300,00: 20% van
                                            de bijstandnorm</al></li></lijst></li></lijst><al> gedurende 6 maanden;</al><al>b.bij te snel interen van € 2.300,00 tot € 4.700,00: 20% van de
                            bijstandnorm</al><al> gedurende 9 maanden;</al><al>c.bij te snel interen van € 4.700,00 tot € 11.700,00: 20% van de
                            bijstandnorm</al><al> gedurende 12 maanden;</al><al>d.bij te snel interen van meer dan € 11.700,00: 20% van de
                            bijstandnorm</al><al> gedurende 18 maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Verlaging in verband met het niet gebruik maken van een
                                voorliggende</titel></kop><al><vet>voorziening</vet></al><al>Indien belanghebbende door eigen toedoen geen gebruik maakt van een
                            voorliggende</al><al>voorziening op de bijstand, verlaagt het college, indien deze gedraging
                            heeft geleid tot</al><al>hogere financiële uitgaven voor de gemeente, de bijstand met 10% voor de
                            duur van de</al><al>voorliggende voorziening met een maximum van 6 maanden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>1.Als de belanghebbende zich tegenover het college of zijn ambtenaren
                            zeer ernstig</al><al> misdraagt als bedoeld in artikel 18, eerste lid van de wet, wordt een
                            maatregel opgelegd</al><al> van 40% van de bijstandsnorm.</al><lijst><li nr="2."><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                    vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="3."><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                                    indien sprake is van</al></li></lijst><al> verbaal geweld, worden afgezien en worden volstaan met het geven van
                            een schriftelijke</al><al> waarschuwing, tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode
                            van twee jaar te</al><al> rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een </al><al> schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is
                            gegeven.</al><al>4.In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden opgelegd van
                            100 procent van de</al><al> bijstandsnorm, indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van een
                            besluit waarbij</al><al> een maatregel als bedoeld in het eerste lid, is opgelegd, sprake is van
                            eenzelfde als</al><al> verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                            maatregel is</al><al> opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien met
                            uitzondering van </al><al> het gestelde in artikel 6, eerste lid, onder a.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>RECIDIVE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Recidive en cumulatie</titel></kop><al>1.De duur van de verlaging wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                            binnen 12</al><al> maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw
                            schuldig maakt</al><al> aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie. Met
                            een besluit</al><al> waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om
                            daarvan af te zien.</al><al>2.Indien de belanghebbende na de recidive volhardt in de gedraging kan
                            het college de</al><al> uitkering voor langere tijd verlagen dan wel het verlagingpercentage
                            hoger vaststellen.</al><al> Wanneer de verlaging wordt opgelegd over meer dan drie maanden,
                            heroverweegt </al><al> het college dit besluit telkens binnen een periode van ten hoogste twee
                            maanden.</al><al>3.Als de belanghebbende binnen 12 maanden nadat een verlaging is
                            opgelegd opnieuw</al><al> de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk nakomt en dit leidt tot
                            een benadelingsbedrag</al><al> uit dezelfde of hogere categorie, wordt de duur van de verlaging
                            verdubbeld. De</al><al> minimale hoogte van de verlaging van de uitkering bedraagt in het geval
                            van recidive</al><al> 10%. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt
                            gelijkgesteld het besluit</al><al> om daarvan af te zien met uitzondering van het gestelde in artikel 6,
                            eerste lid, onder a.</al><al>4.Indien er sprake is van verschillende verwijtbare gedragingen die zich
                            tegelijk voordoen,</al><al> vindt in beginsel, onverminderd artikel 2, tweede lid, cumulatie van
                            de</al><al> verlagingspercentages plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het college informeert jaarlijks de gemeenteraad over het te voeren
                            beleid op het</al><al>gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk
                            gebruik.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist
                                    het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de
                                    bepalingen in deze verordening, als</al></li></lijst><al> toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1.Deze verordening treedt in werking op 15 juli 2010 en werkt terug tot
                            1 jui 2010. De “Verordening maatregelen” wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmings- en fraudeverordening
                            Wet werk en</al><al>Bijstand 2010. </al><al>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 24 juni 2010.</al><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>Ingevolge artikel 18 van de wet stemt het college de bijstand en de
                            daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden
                            en middelen van de belanghebbende. Indien de belanghebbende naar het
                            oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            betoont voor de voorziening in het bestaan of de uit de wet
                            voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, verlaagt het college
                            overeenkomstig deze verordening de algemene bijstand en/of de bijzondere
                            bijstand. </al><al>De normering van de op te leggen maatregelen bestaat uit een
                            categorisering van gedragingen die betrekking hebben op het niet nakomen
                            van de aan de uitkering verbonden verplichtingen. In deze verordening
                            komt tot uitdrukking welk gewicht het college toekent aan het niet
                            voldoen van bepaalde verplichtingen door belanghebbende. </al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In artikel 1 worden een aantal begrippen omschreven. Het college heeft
                            de mogelijkheid om de algemene bijstand te verlagen en /of de bijzondere
                            bijstand te verlagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Eerste lidDe WWB verbindt aan het recht op een
                            bijstandsuitkering de volgende verplichtingen: 1. Het tonen van
                            voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                            bestaan (artikel 18, tweede lid). 2. De plicht tot arbeidsinschakeling
                            artikel; 9 WWB. Deze plicht bestaat uit twee soorten
                            verplichtingen:</al><lijst><li nr="·"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="·"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Deze verplichtingen zijn nader uitgewerkt in de verordening
                                    activering en reïntegratie.</al></li></lijst><al> 3. De informatieplicht (art. 17 WWB, eerste lid). Op een
                            uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand. 4. De medewerkingsplicht (artikel 17 WWB, tweede lid). Dit is
                            de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de
                            medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering
                            van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete
                            verplichtingen bestaan, zoals:</al><lijst><li nr="·"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="·"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li></lijst><al> Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
                            schending van de medewerkingsplicht inhoudt: <cursief>'het zich jegens
                                het college zeer ernstig misdragen'</cursief> .</al><al><cursief>Tweede lid</cursief>In de maatregelenverordening zijn
                            voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting
                            betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vaste
                            verlaging van de bijstandsnorm. In het tweede lid is de hoofdregel
                            neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen
                            op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van
                            verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij
                            elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele
                            omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de
                            hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
                            Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een
                            matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet
                            worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                            doorlopen:</al><lijst><li nr="·"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="·"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="·"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                    uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                            standaardpercentage waarmee de bijstand wordt verlaagd. Matiging van de
                            opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld
                            in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende,
                                    zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of
                                    uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële
                                    tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="·"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het
                                    geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de
                                    gedraging en de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            opgelegd over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                            wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging. In het
                            tweede lid wordt de mogelijkheid gegeven om een maatregel ook op te
                            leggen over de bijzondere bijstand als de woonsituatie daartoe
                            aanleiding geeft. Het gaat in hier om jong meerderjarigen die gedwongen
                            zelfstandig wonen. Voor deze jongeren wordt de bijstandsnorm aangevuld
                            tot de bijstandsnorm voor een 23-jarige middels de bijzondere
                            bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                            worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene
                            wet bestuursrecht (Awb) en dan met het motiveringsbeginsel. Het
                            motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en
                            van een deugdelijke motivering wordt voorzien. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het
                            horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                            beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding
                            van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak
                            (artikel 4:12). </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                            maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                            onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                            bestuursrecht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Eerste lid</al><al>Het college kan in beleidsregels neerleggen hoe het van plan is om te
                            gaan met de beoordeling van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te
                            geven welke gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en
                            welke gedragingen in beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden
                            vastgelegd in welke gevallen sprake is of kan zijn van verzachtende
                            omstandigheden.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
                            van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel
                            spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze
                            reden wordt onder a. geregeld dat het college geen maatregelen opgelegd
                            voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.
                            Gemeenten kunnen uiteraard voor een kortere of langere periode kiezen. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en
                            als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog
                            bedrag aan bijstand is verleend, geldt in de verordening een
                            verjaringstermijn van vijf jaar. Een termijn van vijf jaar ligt voor de
                            hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit
                            dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude
                            (het benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><al>Onder b. wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van
                            een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat
                            dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan
                            dus niet op voorhand worden vastgelegd. Onder c wordt geregeld dat het
                            college wenst te volstaan met het opleggen van een waarschuwing.</al><al>Tweede lid </al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                            opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in
                            verband met eventuele recidive. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Eerste lid </al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                            uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                    uitkering; of </al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                    eerstvolgende maand(en). </al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te
                            gaan tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan
                            bijstand terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat
                            een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                            kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                            bijstandsnorm.</al><al>Tweede lid</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de belanghebbende
                            is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering
                            te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat
                            geval moet de bijstand wel worden herzien en teruggevorderd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van een belanghebbende die (min of meer)
                            gelijktijdig plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde
                            gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich
                            meebrengt. </al><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één
                            gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden
                            uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing
                            is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende
                            medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid, worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij
                            is de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging
                            wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen </al><al>heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Dit artikel bepaalt de algemene duur van een maatregel op 1 maand. Door
                            de duur van de maatregel in de algemene bepalingen op te nemen, wordt
                            voorkomen dat overal waar een maatregel wordt genoemd steeds weer moet
                            worden aangegeven dat deze voor 1 maand wordt opgelegd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Lid 1 van dit artikel regelt dat een maatregel van 5% kan worden
                            opgelegd bij het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht. In lid 3 wordt de mogelijkheid gegeven om de duur
                            van de maatregel te verdubbelen indien belanghebbende zich binnen twaalf
                            maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt
                            opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te
                            merken gedraging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>In het eerste en tweede lid is bepaald dat de maatregel wegens het niet
                            of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht afhankelijk wordt
                            gesteld van de hoogte van het bedrag aan inkomensvoorziening dat als
                            gevolg van de schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan
                            belanghebbende is betaald.</al><al>In het vierde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als
                            inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is
                            getroffen. In dergelijke situaties is een maatregel niet meer
                            opportuun.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen
                            voor de voorziening in </al><al>het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                            aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand
                            aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt
                            over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als
                            gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de
                            toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen
                            van een maatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><al>Het niet gebruik maken van een voorliggende voorziening, kan voor de
                            gemeente grote financiële consequenties hebben. In dergelijke gevallen
                            kan het college dan ook besluiten tot een verlaging van de
                            uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>Als betrokkene zich zeer ernstig misdraagt jegens een medewerker die
                            belast is met de uitvoering van de wet, zal dit tevens tot een zware
                            maatregel leiden. Of er sprake is van het “zich ernstig misdragen”, zal
                            beoordeeld worden aan de hand van het agressieprotocol sociale zaken van
                            de gemeente Dronten. Er zal in ieder geval altijd sprake moeten zijn van
                            een gedraging waarvoor de gemeente aangifte heeft gedaan bij de
                            politie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al>Indien belanghebbende binnen 12 maanden na de eerste maatregel of
                            waarschuwing opnieuw een maatregelwaardige gedraging vertoont uit
                            dezelfde of hogere categorie, zal de duur van de verlaging worden
                            verdubbeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17,</nr><titel>18, 19 en 20</titel></kop><al>Deze artikelen spreken voor zich.</al><al>Dronten, 24 juni 2010</al><al>de raad van Dronten,</al><al>D.Petrusma mr. A.B.L. de Jonge</al><al>griffier voorzitter</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>