<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR3268_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening Wijk bij Duurstede 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening Wijk bij Duurstede 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-10-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-02-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Algemene plaatselijke verordening Wijk bij Duurstede 2008</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>APV</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening Wijk bij Duurstede 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al>De raad van de gemeente Wijk bij Duurstede;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders</al><al>d.d. 26 augustus 2008, nr.</al><al/><al/><al><vet>besluit:</vet></al><lijst><li nr="-"><al>APV Wijk bij Duurstede 2003 met uitvoeringsbesluiten in te
                                trekken en de APV Wijk bij Duurstede 2008 vast te stellen.</al></li><li nr="-"><al>De APV, indien daartoe aanleiding is, jaarlijks opnieuw vast te
                                stellen.</al></li></lijst><al><vet>Algemene Plaatselijke Verordening</vet></al><al><vet>WIJK BIJ DUURSTEDE 2008</vet></al><al><vet>juli 2008</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling Veiligheid &amp; Handhaving</label><nr/><titel/></kop><afdeling><kop><label>W. Ouwendorp</label><titel>Inhoudsopgaveblz</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 8</al><al>Artikel 1.2 Beslissingstermijn 9</al><al>Artikel 1.3 Indiening aanvraag 9</al><al>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen 9</al><al>Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 10</al><al>Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 10</al><al>Artikel 1.7 Termijnen 10</al><al>Artikel 1.8 Weigeringsgronden 10</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden 11</al><al>Artikel 2.1.1.1a Verblijfsontzeggingsgebied 11</al><al>Artikel 2.1.1.2 Overlast op schoolpleinen 11</al><al>Artikel 2.1.2.1 Optochten
                                <cursief>(vervallen)</cursief>12</al><al>Artikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 12</al><al>Artikel 2.1.2.3 Afwijking termijn 12</al><al>Artikel 2.1.2.4 Te verstrekken gegevens 12</al><al>Artikel 2.1.3.1 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of </al><al>gedrukte stukken of afbeeldingen 12</al><al>Artikel 2.1.4.1 Feest, muziek en westrijd e.d.
                                    <cursief>(vervallen)</cursief>13</al><al>Artikel 2.1.4.2 Dienstverlening
                                <cursief>(vervallen)</cursief>13</al><al>Artikel 2.1.4.3 Straatartiest 13</al><al>Artikel 2.1.5.1 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in
                                strijd </al><al> met de publieke functie van de weg. 13</al><al>Artikel 2.1.5.2 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
                                13</al><al>Artikel 2.1.5.3 Maken en veranderen van een uitweg 14</al><al>Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid 14</al><al>Artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes 15</al><al>Artikel 2.1.6.3 Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp
                                    <cursief>(vervallen)</cursief> 15</al><al>Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d. 15</al><al>Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen e.d. 15</al><al>Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en natuurgebieden 15</al><al>Artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
                                    <cursief>(vervallen)</cursief> 15</al><al>Artikel 2.1.6.7a Schrikdraad 16</al><al>Artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen 16</al><al>Artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 16</al><al>Artikel 2.1.6.10 Objecten onder hoogspanningslijn
                                    <cursief>(vervallen)</cursief> 16</al><al>Artikel 2.1.6.11 Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en
                                verlichting 16</al><al>Artikel 2.1.6.12 Verbod om de weg te gebruiken als slaapplaats
                                16</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving 17</al><al>Artikel 2.2.2 Evenement 17</al><al>Artikel 2.2.3 Ordeverstoring 18</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen 18</al><al>Artikel 2.3.1.2 Exploitatievergunning horecabedrijf 18</al><al>Artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningplicht 19</al><al>Artikel 2.3.1.4 Sluitingstijden 19</al><al>Artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting 19</al><al>Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf 20</al><al>Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring 20</al><al>Artikel 2.3.1.7a Toegang ambtenaren van politie 20</al><al>Artikel 2.3.1.7b Zakelijke karakter van de vergunning
                                    <cursief>(vervallen)</cursief> 20</al><al>Artikel 2.3.1.8 College als bevoegd bestuursorgaan 20</al><al>Artikel 2.3.1.9 Zwarte lijst 20</al><al>Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen 20</al><al>Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie 21</al><al>Artikel 2.3.2.3 Nachtregister 21</al><al>Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens nachtregister 21</al><al>Artikel 2.3.3.1 Toezicht op speelgelegenheden 21</al><al>Artikel 2.3.3.2 Speelautomaten 22</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal 22</al><al>Artikel 2.4.2 Plakken en kladden 22</al><al>Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d. 23</al><al>Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen 23</al><al>Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d. 23</al><al>Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d. 24</al><al>Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de weg 24</al><al>Artikel 2.4.8 Hinderlijk gebruik van drank of softdrugs 24</al><al>Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen 24</al><al>Artikel 2.4.10 Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten 25</al><al>Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d. 25</al><al>Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op markt- en
                                kermisterrein e.d. 25</al><al>Artikel 2.4.13 Bespieden van personen 25</al><al>Artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur
                                <cursief>(vervallen)</cursief> 26</al><al>Artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren
                                <cursief>(vervallen)</cursief>26</al><al>Artikel 2.4.16 Alarminstallaties
                                <cursief>(vervallen)</cursief>26</al><al>Artikel 2.4.17 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie
                                26</al><al>Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden 26</al><al>Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden 26</al><al>Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 27</al><al>Artikel 2.4.21 Wilde dieren <cursief>(vervallen)</cursief> 27</al><al>Artikel 2.4.22 Loslopend vee 27</al><al>Artikel 2.4.23 Duiven 28</al><al>Artikel 2.4.24 Bijen 28</al><al>Artikel 2.4.25 Bedelarij 28</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen 28</al><al>Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
                                29</al><al>Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste
                                lid, </al><al> van het Wetboek van Strafrecht 29</al><al>Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
                                29</al><al>Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijf 30</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen 30</al><al>Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                                tijdens</al><al> de verkoopdagen 30</al><al>Artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                jaarwisseling 30</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.7.1 Verbod begeven op de weg om drugs te verhandelen
                                31</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding 31</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.9.1 Veiligheidsrisicogebieden 31</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.10.1 Cameratoezicht op openbare plaatsen 31</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen 32</al><al>Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan 32</al><al>Artikel 3.1.3 Nadere regels 33</al><al>Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen 33</al><al>Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder 33</al><al>Artikel 3.2.3 Sluitingsuur 34</al><al>Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting
                            34</al><al>Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
                            35</al><al>Artikel 3.2.6 Straatprostitutie 35</al><al>Artikel 3.2.7 Sekswinkels 35</al><al>Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-</al><al>pornografische goederen, afbeeldingen e.d. 36</al><al>Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn 36</al><al>Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden 36</al><al>Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie 37</al><al>Artikel 3.4.2 Wijziging beheer 37</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AAN ZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen 38</al><al>Artikel 4.1.2 Horeca, sport en recreatie-inrichting 38</al><al>Artikel 4.1.3 Collectieve festiviteiten 39</al><al>Artikel 4.1.4 Verboden bijzondere activiteiten 39</al><al>Artikel 4.1.4a Verboden bijzondere activiteiten 40</al><al>Artikel 4.1.5 Overige geluidhinder 40</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4.2.1 Straatvegen 40</al><al>Artikel 4.2.2 Natuurlijke behoefte doen 40</al><al>Artikel 4.2.3 Toestand van sloten en andere wateren en niet </al><al> openbare riolen en putten buiten gebouwen 40</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4.3.1 Begripsomschrijvingen 40</al><al>Artikel 4.3.2 Kapvergunning 41</al><al>Artikel 4.3.3 Vergunning van rechtswege 41</al><al>Artikel 4.3.4 Vergunning ex lege 41</al><al>Artikel 4.3.5 Bijzondere vergunningsvoorschriften 41</al><al>Artikel 4.3.6 Herplant- / instandhoudingsplicht 41</al><al>Artikel 4.3.7 Schadevergoeding 42</al><al>Artikel 4.3.8 Bestrijding iepziekte 42</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
                                42</al><al>Artikel 4.4.1a Stankoverlast door gebruik van meststoffen 43</al><al>Artikel 4.4.2 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 43</al><al>Artikel 4.4.3 Vergunningsplicht lichtreclame 44</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4.5.1 Begripsomschrijving 44</al><al>Artikel 4.5.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
                                44</al><al>Artikel 4.5.3 Aanwijzing kampeerplaatsen 44</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen 45</al><al>Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 45</al><al>Artikel 5.1.2a Te koop aanbieden van voertuigen 45</al><al>Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen 46</al><al>Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken 46</al><al>Artikel 5.1.5 Caravans e.d. 46</al><al>Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen 46</al><al>Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen 46</al><al>Artikel 5.1.8 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 47</al><al>Artikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
                                47</al><al>Artikel 5.1.9a Parkeren van voertuigen met gevaarlijke stoffen
                                47</al><al>Artikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 47</al><al>Artikel 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets 48</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goed 48</al><al>Artikel 5.2.2 Venten e.d. 48</al><al>Artikel 5.2.3 Standplaatsen 49</al><al>Artikel 5.2.4 Snuffelmarkten e.d. 50</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5.3.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 50</al><al>Artikel 5.3.2 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 51</al><al>Artikel 5.3.3 Aanwijzingen ligplaats 51</al><al>Artikel 5.3.4 Verbod innemen ligplaats 51</al><al>Artikel 5.3.5 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers 52</al><al>Artikel 5.3.6 Reddingsmiddelen 52</al><al>Artikel 5.3.7 Veiligheid op het water 52</al><al>Artikel 5.3.8 Overlast aan vaartuigen 52</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer</titel></kop><structuurtekst><al><vet> in natuurgebieden</vet></al><al>Artikel 5.4.1 Crossterreinen 52</al><al>Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden 53</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5.5.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen
                                of </al><al> anderszins vuur te stoken 54</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5.6.1 Begripsomschrijving 54</al><al>Artikel 5.6.2 Verboden plaatsen 54</al><al>Artikel 5.6.3 Hinder of overlast 54</al><al><vet>A</vet><vet>fdeling
                                    7</vet><vet>S</vet><vet>traatnaamboorden, huisnummers
                                    e.d</vet><vet>.</vet><cursief>(vervallen)</cursief>55</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Varen op de afgesneden Rijnarm</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5.8.1 Begripsomschrijvingen 55</al><al>Artikel 5.8.2 Vrijheid van het verkeer te water 55</al><al>Artikel 5.8.3 Maximumsnelheid snelle boot, motorisch apparaat
                                55</al><al>Artikel 5.8.4 Geluidhinder 55</al><al>Artikel 5.8.5 Houden van een wedstrijd of demonstratie 55</al><al>Artikel 5.8.6 Opvolgen bevelen, aanwijzingen 56 </al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 6.1 Strafbepaling 57</al><al>Artikel 6.2 Toezichthouders 57</al><al>Artikel 6.3 Binnentreden woningen 57</al><al>Artikel 6.4 Inwerkingtreding 57</al><al>Artikel 6.5 Overgangsbepaling 57</al><al>Artikel 6.6 Citeertitel 58</al><al><vet>ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING</vet></al><al><vet>WIJK BIJ DUURSTEDE 2008</vet></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><al><vet>A</vet><vet> Weg:</vet></al><al>1 de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                            Wegenverkeerswet 1994 alsmede de daaraan liggende en als zodanig
                            aangeduide parkeerterreinen;</al><al>2 de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke
                            pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en
                            andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor
                            vaartuigen;</al><al>3 de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen,
                            passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik
                            zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al><al>4 andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare
                            stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de
                            afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene
                            die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.</al><al><vet>B</vet><vet> Openbaar water:</vet></al><al>alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                            bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.</al><al><vet>C</vet><vet> Bebouwde kom:</vet></al><al>de bebouwde kom of kommen waarvan de gemeenteraad de grenzen heeft
                            vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de Wegenverkeerswet 1994. </al><al><vet>D</vet><vet> Rechthebbende:</vet></al><al>een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een
                            zakelijk of persoonlijk recht.</al><al><vet>E</vet><vet> Voertuigen:</vet></al><al>alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder a l van het
                            Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, met uitzondering
                            van:</al><al>a treinen en trams;</al><al>b kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al><al><vet>F</vet><vet> Vaartuigen:</vet></al><al>alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede
                            woonschepen, glijboten en ponten.</al><al><vet>G</vet><vet> Woonschepen:</vet></al><al>schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning
                            bestemd.</al><al><vet>H</vet><vet> Bouwwerk:</vet></al><al>elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                            materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect
                            met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of
                            op de grond.</al><al><vet>I</vet><vet> Gebouw:</vet></al><al>elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of
                            gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al><al><vet>J</vet><vet> Vee:</vet></al><al>Dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II, behorend
                            bij artikel 55 van de Meststoffenwet.</al><al><vet>K</vet><vet> Handelsreclame:</vet></al><al>iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
                            beoogd wordt een commercieel belang te dienen.</al><al><vet>L</vet><vet> Bestuursorgaan</vet></al><al>een orgaan van een rechtspersoon, die krachtens publiekrecht is
                            ingesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><al>1 Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                            vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag
                            ontvangen is.</al><al>2 Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht
                            weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>1 Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend
                            minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de
                            vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde bestuursorgaan
                            besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al><al>2 Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen
                            vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn
                            worden verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al>1 Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing
                            kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften
                            en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of
                            de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is
                            vereist.</al><al>2 Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing
                            is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en
                            beperkingen na te komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><al>a indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens
                            zijn verstrekt;</al><al>b indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten
                            opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden
                            aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang
                            of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is
                            vereist;</al><al>c indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al><al>d indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                            binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een
                            dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;</al><al>e indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt
                            voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is
                            bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen
                            verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden
                            geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al> de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al> de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al> de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al> de bescherming van het milieu. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><al>1 Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing,
                                    onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te
                                    geven tot wanordelijkheden.</al><al>2 Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval,
                                    waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of
                                    bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis
                                    waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan,
                                    dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van
                                    politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen
                                    richting te verwijderen.</al><al>3 Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen,
                                    wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd
                                    gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming
                                    van wanordelijkheden zijn afgezet.</al><al>4 De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                    lid gestelde verbod.</al><al>5 Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                    betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                    levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.1.a</nr><titel>Verblijfsontzeggingsgebied</titel></kop><al>1 Een ieder is verplicht op een daartoe strekkend bevel gegeven
                                    door burgemeester in het belang van de openbare orde, zich te
                                    verwijderen en zich verwijderd te houden, uit een door
                                    burgemeester en wethouders aangewezen gebied, gedurende de tijd,
                                    bij het bevel genoemd.</al><al>2 Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                    personen die in het door burgemeester en wethouders aangewezen
                                    gebied:</al><lijst><li nr="a."><al>zich bevinden in een middel van openbaar vervoer;</al></li><li nr="b."><al>of aldaar werkzaam zijn;</al></li><li nr="c."><al>of volgens de gemeentelijke basisadministratie aldaar
                                            woonachtig zijn;</al></li><li nr="d."><al>of een aantoonbaar redelijk belang hebben om zich in het
                                            gebied op te houden.</al></li></lijst><al>3 Het bevel als bedoeld in het eerste lid is slechts van
                                    toepassing gedurende een in het bevel genoemde periode van ten
                                    hoogste 4 weken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.2</nr><titel>Overlast op schoolpleinen</titel></kop><al>Het is verboden zich op schoolpleinen te bevinden, indien
                                    daarvan onnodige hinder of overlast voor personen dan wel
                                    beschadigingen van goederen is te duchten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Optochten en betogingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.1</nr><titel>Optochten</titel></kop><al><cursief>(vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.2</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><al>1 Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging
                                    ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden,
                                    schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming
                                    van hetgeen in artikel 2.1.2.4, eerste lid hierover is
                                    bepaald.</al><al>2 Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving door
                                    terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag,
                                    een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt dit tijdstip
                                    geacht te vallen op 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen
                                    zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.</al><al>3 Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in
                                    artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare
                                    manifestaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.3</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel
                                    2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en
                                    een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.4</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>1 Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                            samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst><al>2 Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3.1</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                        stukken of afbeeldingen</titel></kop><al>1 Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen
                                    onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan
                                    te bevelen of bekend te maken op of aan door burgemeester en
                                    wethouders aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen de werking van het in het
                                    eerste lid gestelde verbod beperken tot in de openbare
                                    kennisgeving aan te duiden dagen en uren.</al><al>3 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor het
                                    huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van de in het
                                    eerste lid bedoelde gedrukte of geschreven stukken en
                                    afbeeldingen.</al><al>4 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    in het eerste lid gestelde verbod.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.1</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al><cursief>(vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.2</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al><cursief>(vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.3</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><al>1 Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids
                                    op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of
                                    gedeelten daarvan.</al><al>2 De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren.</al><al>3 De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.1.5.1 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in
                                    strijd met de publieke functie van de weg.</al><al>1 Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken
                                    dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:</al><lijst><li nr="a."><al>het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                            oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                            doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand.</al></li></lijst><al>2 Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al><al>3 Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;</al></li><li nr="b."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.1. –
                                            5.2.3.5.</al></li></lijst><al>4 Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    de Wet beheer rijkswaterstaat-werken, artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegen-reglement.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.2</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><al>1 Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en
                                    wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te
                                    breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van
                                    de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                    brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al><al>2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van
                                    gebouwen.</al><al>3 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het
                                    uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak.</al><al>4 Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer rijkswater-staatswerken, het Provinciaal wegenreglement,
                                    de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.3</nr><titel>Maken en veranderen van een uitweg</titel></kop><al>1 Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college
                                    een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een
                                    bestaande uitweg naar de weg.</al><al>2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaan.</al><al>3 Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg
                                    en een foto van de bestaande situatie overgelegd.</al><al>4 Het college laat binnen vier weken na ontvangst van de melding
                                    weten of het college aan de gewenste uitweg voorschriften stelt
                                    of dat de gewenste uitweg in het geheel niet kan worden
                                    gerealiseerd.</al><al>5 Het college stelt voorschriften aan de gewenste uitweg indien
                                    door het realiseren ervan:</al><lijst><li nr="a."><al>gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor het
                                            wegverkeer ter plaatse;</al></li><li nr="b."><al>het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats
                                            onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden
                                            gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of
                                            dreigt te worden geschaad.</al><lijst><li nr="6"><al>Het college weigert slechts de aanleg van de
                                                  uitweg als door de aanleg een voor het verkeer
                                                  gevaarlijke situatie ontstaat die niet door het
                                                  stellen van voorschriften kan worden
                                                  voorkomen.</al></li><li nr="7"><al>Het college stelt de indiener van de melding
                                                  binnen zes weken na ontvangst van de melding op de
                                                  hoogte van de voorschriften als bedoeld in het
                                                  vierde lid of weigering van de aanleg als bedoeld
                                                  in het zesde lid.</al></li></lijst></li></lijst><al>8 Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal
                                    wegenreglement.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.1</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>1 Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg
                                    te werpen, uit te storten of te laten lopen.</al><al>2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel
                                    427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht of
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.2</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>1 De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het
                                    winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede
                                    ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is
                                    verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van
                                    een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf
                                    door het publiek op of langs de weg achtergelaten
                                    winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen
                                    verwijderen.</al><al>2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.3</nr><titel>Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp</titel></kop><al><cursief>(vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.4</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting,
                                    die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,
                                    onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.5</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg
                                        gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar
                                        voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427,
                                        aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.6</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurgebieden</titel></kop><al>1 Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden
                                    dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan gedurende de door burgemeester en wethouders aangewezen
                                    periode.</al><al>2 Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan,
                                    voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                    voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                    liggen.</al><al>3 Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3e,
                                    van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al><al>4 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                    zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als
                                    tuin ingerichte, erven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al><cursief>(vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7a</nr><titel>Schrikdraad</titel></kop><al>1 Het is verboden binnen een afstand van 1.00 m uit de uiterste
                                    rand van de weg schrikdraad te plaatsen of te hebben.</al><al>2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan
                                    hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een
                                    voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen
                                    neervallen op de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.9</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><al>1 De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                    aanwijzingen van burgemeester en wethouders, voorwerpen, borden
                                    of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de
                                    openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd
                                    of verwijderd.</al><al>2 Burgemeester en wethouders maken tevoren aan de rechthebbende
                                    als bedoeld in het eerste lid hun besluit bekend over te gaan
                                    tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of
                                    voorziening als bedoeld in het eerste lid.</al><al>3 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                    Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet
                                    Privaatrecht van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.10</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.11</nr><titel>Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en
                                        verlichting</titel></kop><al>1 Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar
                                    verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen,
                                    te beschadigen, de werking ervan te beletten of te
                                    belemmeren.</al><al>2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het
                                    Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.12</nr><titel>Verbod om de weg te gebruiken als slaapplaats</titel></kop><al>Het is verboden om de weg als slaapplaats te gebruiken en verder
                                    op of aan de weg een woonwagen, kampeerwagen, caravan,
                                    magazijnwagen, keetwagen, tent, aanhangwagen of auto als
                                    slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel
                                    gelegenheid daartoe te bieden.</al><lijst><li nr="1"><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste
                                            lid genoemde verbod ontheffing verlenen en daarin in het
                                            belang van de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid
                                            en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter
                                            voorkoming en beperking van hinder en overlast, het ten
                                            aanzien van de woon- en werkomgeving, verontreiniging,
                                            voorkoming van besmettelijke ziekten en
                                            brandgevaar.</al></li><li nr="2"><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                            Wet op de Openluchtrecreatie van toepassing is noch op
                                            de door burgemeester eb wethouders speciaal daartoe
                                            aangewezen plaatsen. </al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek
                                toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                        de Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                        gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                        Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.4.2 en 2.3.3.1 van
                                        deze verordening.</al></li></lijst><al>2 Onder evenement wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                        2.1.2.2, op de weg;</al></li><li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                        weg.</al><al>Artikel 2.2.2 Evenement</al><lijst><li nr="1"><al>Het is verboden zonder vergunning van de
                                                burgemeester een evenement te organiseren.</al></li><li nr="2"><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang
                                                van:</al><al> a in het belang van de openbare orde:</al><al> b in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast;</al><al> c in het belang van de verkeersveiligheid of de
                                                veiligheid van personen of goederen;</al><al> d in het belang van de zedelijkheid of
                                                gezondheid;</al><al> e indien niet wordt voldaan aan de in de nota
                                                evenementenbeleid Wijk bij Duurstede 2008 - zoals
                                                vastgesteld in de vergadering van burgemeester en
                                                wethouders d.d. 29 januari 2008 - geformuleerde
                                                toetsingscriteria voor evenementen;</al></li></lijst><al>3 Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een
                                        feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg,
                                        voorzover in het geregeld onderwerp wordt voorzien door
                                        artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. </al><al/><al><vet>Artikel 2.2.3 Ordeverstoring</vet></al><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al><al>Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen</al><al/><al><vet>Paragraaf 1</vet><vet> Toezicht op
                                            horecabedrijven</vet></al><al><vet>Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>1 Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de
                                        voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                        bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                        logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of
                                        rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid
                                        of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval
                                        verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                        snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.</al><al>2 Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt
                                        mede verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en de
                                        andere aanhorigheden.</al><al>3 Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
                                        besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het
                                        horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar
                                        tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of
                                        spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid en/of
                                        verstrekt.</al><al>4 Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die
                                        een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in
                                        artikel 2.3.1.2 of artikel 2.3.1.3.</al><al>5 Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:</al><al>a de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders wonende
                                        bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de
                                        zijlijn tot en met de derde graad;</al><al>b de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                        artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;</al><al>c de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                        dringende redenen noodzakelijk is.</al><al>d Een nachtvergunning is een vergunning, waarbij aan de
                                        houder van een horecabedrijf wordt toegestaan om op
                                        zaterdagen, zondagen en collectieve dagen tussen 01.30 en
                                        04.00 uur in een horecabedrijf publiek te laten verblijven. </al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1.2 Exploitatievergunning
                                            horecabedrijf</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren
                                                zonder vergunning van de burgemeester.</al></li><li nr="2"><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de
                                                burgemeester de vergunning indien de vestiging of
                                                exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met
                                                een geldend bestemmingsplan.</al></li><li nr="3"><al>Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in
                                                een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                                Winkeltijdenwet voorzover de horeca een
                                                nevenactiviteit is van de winkelactiviteit;</al></li></lijst><al>Voor zowel de winkel als het horecabedrijf gelden de
                                        sluitingstijden de Winkeltijdenwet.</al><al>4Voorts geldt het eerste lid niet voor:</al><al>a een horecabedrijf in zorginstellingen;</al><al> b een horecabedrijf in musea;</al><al>5 De burgemeester kan een gebied aanwijzen waarin hij
                                        categorieën van horecabedrijven kan benoemen en waarin hij
                                        een maximum kan stellen aan het aantal te verlenen
                                        vergunningen per categorie.</al><al>Artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningplicht</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.3.1.4 Sluitingstijden</al><lijst><li nr="1"><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit
                                                voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers
                                                toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot
                                                en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur, en op
                                                zaterdag en zondag tussen 04.00 uur en 07.00 uur met
                                                dien verstande dat, op zaterdag en zondag bezoekers
                                                die voor 01.30 uur in een horecabedrijf aanwezig
                                                zijn aldaar tot 04.00 uur mogen verblijven</al></li><li nr="2"><al>De burgemeester kan door middel van een
                                                vergunningvoorschrift andere sluitingstijden
                                                vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of
                                                een daartoe behorend terras.</al></li><li nr="3"><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet
                                                voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                                voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde
                                                voorschriften.</al></li><li nr="4"><al>De burgemeester kan de houder van een horecabedrijf
                                                die in het bezit is van een drank- en
                                                horecavergunning als bedoeld in artikel 3 van de
                                                drank en Horecawet, voor zaterdagen, zondagen en
                                                collectieve dagen een nachtvergunning verlenen, dat
                                                aan de houder van een horecabedrijf toestaat om in
                                                zijn horecabedrijf publiek te laten verblijven
                                                tussen 01.30 uur en 04.00 uur.</al></li><li nr="5"><al>De burgemeester kan de houder van een horecabedrijf
                                                dat niet in bezit is van een drank en
                                                horecavergunning als bedoeld in artikel 3 van de
                                                drank en horecawet, voor zaterdagen, zondagen en
                                                collectieve dagen ontheffing te verlenen van het
                                                bepaalde in lid 1. </al></li></lijst><al>6 De burgemeester kan nadere voorschriften stellen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke
                                            sluiting</vet></al><al>1 De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
                                        bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één
                                        of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens
                                        artikel 2.3.1.4 geldende sluitingsuren vaststellen of
                                        tijdelijk sluiting bevelen.</al><al>2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b
                                        van de Opiumwet.</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten
                                            horecabedrijf</vet></al><al>Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de
                                        tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge
                                        een op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten
                                        dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring</vet></al><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te
                                        verstoren.</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1.7a Toegang ambtenaren van politie
                                        </vet></al><al>De houder van een horecabedrijf is verplicht ervoor te
                                        zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de weg onmiddellijk
                                        en onbelemmerd toegang hebben tot zijn bedrijf:</al><al>a gedurende de tijd dat het bedrijf voor bezoekers geopend
                                        is; dan wel</al><al>b gedurende de tijd dat het bedrijf gesloten dient te zijn
                                        en indien die ambtenaren van politie hun vermoeden uiten dat
                                        daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1.7b Zakelijk karakter van de vergunning
                                        </vet></al><al><cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al>Artikel 2.3.1.8 College als bevoegd bestuursorgaan</al><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen
                                        inrichting is in de zin van artikel 174 Gemeentewet treedt
                                        niet de burgemeester maar het college van burgemeester en
                                        wethouders op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van het
                                        in deze paragraaf gestelde.</al><al/><al>Artikel 2.3.1.9 Zwarte lijst</al><al>1 Het is de houder van een horecabedrijf als bedoeld in
                                        artikel 2.3.1.1 verboden in dat horecabedrijf toe te laten
                                        of te laten verblijven niet tot zijn gezin behorende
                                        personen, die naar het oordeel van de burgemeester misbruik
                                        van alcoholhoudende drank plegen te maken en van wie de
                                        namen als zodanig door de burgemeester schriftelijk aan de
                                        houder zijn opgegeven.</al><al>2 De houder van een horecabedrijf is verplicht, indien een
                                        persoon als bedoeld in het eerste lid die zich in zijn
                                        horecabedrijf bevindt, in gebreke blijft deze te verlaten,
                                        hiervan terstond kennis te geven aan de politie.</al><al>3 Het is verboden inzage te verlenen in de opgave, bedoeld
                                        in het eerste lid of daaromtrent mededelingen te doen aan
                                        anderen dan ambtenaren van de politie.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2</vet><vet> Toezicht op inrichtingen tot het
                                            verschaffen van nachtverblijf</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>1 inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in de
                                        uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de
                                        mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen
                                        wordt verschaft;</al><al>2 houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel
                                        daarin de feitelijke leiding heeft.</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie</vet></al><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of
                                        het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen
                                        een week daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                        burgemeester.</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.2.3 Nachtregister</vet></al><al>1 De houder van een inrichting of een voor hem handelend
                                        persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel
                                        438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is
                                        ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde
                                        model.</al><al>2 De houder van een inrichting of een voor hem handelend
                                        persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register
                                        aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar
                                        over te leggen op een door de burgemeester te bepalen
                                        wijze.</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens
                                            nachtregister</vet></al><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                        kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die
                                        inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam,
                                        adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats,
                                        betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te
                                        verstrekken.</al><al>Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden</vet></al><al>1 Deze paragraaf verstaat onder speelgelegenheid: een voor
                                        het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid
                                        wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in
                                        geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                                        verloren.</al><lijst><li nr="2"><al>Het is verboden zonder vergunning van de
                                                burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of
                                                te doen exploiteren. Het verbod is niet van
                                                toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van
                                                  artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de
                                                  Kansspelen vergunning is verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van
                                                  Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is
                                                  vergunning te verlenen;</al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt
                                                  geboden om het kleine kansspel als bedoeld in
                                                  artikel 7c van de Wet op de kansspelen te
                                                  beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                                  bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen,
                                                  of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a,
                                                  van de Wet op de kansspelen te verrichten.</al></li></lijst></li><li nr="6"><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden
                                                  aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
                                                  omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare
                                                  orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden
                                                  beïnvloed door de exploitatie van de
                                                  speelgelegenheid.</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van een speelgelegenheid
                                                  in strijd is met een geldend bestemmingsplan</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.3.2 Speelautomaten</vet></al><al>1In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al>a Wet: de Wet op de kansspelen</al><al> b speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                        a, van de Wet;</al><al>c kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                        onder c, van de Wet;</al><al> d hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                        artikel 30, onder d, van de Wet;</al><al>e laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                        artikel 30, onder e, van de Wet.</al><al>2In hoogdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten
                                        toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al><al>3 In laagdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten
                                        toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
                                        geheel niet zijn toegestaan.</al><al/><al><vet>Afdeling 4</vet><vet> Maatregelen tegen overlast
                                            en baldadigheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of
                                        lokaal</vet></al><al>1 Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet
                                        gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal
                                        of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te
                                        betreden.</al><al>2 Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                        gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk
                                        lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een
                                        voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend
                                        erf te betreden. </al><al>3 Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid
                                        in de woning of het lokaal wegens dringende reden
                                        noodzakelijk is.</al><al>4 De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede
                                        lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.2 Plakken en kladden</vet></al><al>1 Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende
                                        zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te
                                        bekladden.</al><al>2 Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                        rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een
                                        onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:</al><al>a een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                        aanduiding, aan te plakken of op andere wijze aan te
                                        brengen;</al><al>b met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                        afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen.</al><al>3 Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van
                                        toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk
                                        voorschrift.</al><al>4 Burgemeester en wethouders kunnen aanplakborden aanwijzen
                                        voor het aanbrengen van meningsuitingen en
                                        bekendmakingen.</al><al>5 Het is verboden de in het vierde lid bedoelde
                                        aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van
                                        handelsreclame.</al><al>6 Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen
                                        voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen,
                                        welke geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de
                                        meningsuitingen en bekendmakingen.</al><al>7 De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                        toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                        diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al><al>8 Het is verboden om glasbakken, kledingboxen en
                                        papiercontainers te bekrassen of te bekladden.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><al>1 Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg of
                                        openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig
                                        aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof
                                        of verfgereedschap.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                        toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of
                                        gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor
                                        handelingen als verboden in artikel 2.4.2.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><al>1 Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg te
                                        vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels,
                                        touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp
                                        of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang
                                        tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                        sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel
                                        van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                        voorkomen.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                        toepassing indien de in dat lid bedoelde gereedschappen,
                                        voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de
                                        in dat lid bedoelde handelingen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d.</vet></al><al>1 Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden
                                        zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud
                                        zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of
                                        grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid gestelde verbod.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d.</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien
                                                zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de
                                                glooiing of de zijkant van een weg.</al></li><li nr="2"><al>Onder weg wordt verstaan wat artikel 1 van de
                                                Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="3"><al>Het verbod geldt niet indien dat rijden door de
                                                omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.</al></li><li nr="4"><al>Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin
                                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                                beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                                wegenreglement.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de
                                        weg</vet></al><al>1 Het is verboden:</al><al>a op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een
                                        beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                        toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                        afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                        straatmeubilair;</al><al>b zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
                                        weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen
                                        woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt;</al><al>c zich te bevinden op een nader door burgemeester en
                                        wethouders aan te wijzen speelgelegenheid of speelterrein
                                        gedurende een nader te bepalen periode in het kader van de
                                        overlastbestrijding. </al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                        zover artikel 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van
                                        Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van
                                        toepassing is.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.8 Hinderlijk gebruik van drank of
                                            softdrugs</vet></al><al>1 Het is verboden op de weg alcoholhoudende drank te
                                        nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                        alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><al>a een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld
                                        in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; </al><al>b de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld
                                        onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35
                                        van de Drank- en Horecawet.</al><al>3 Het is verboden op de weg of weggedeelten softdrugs te
                                        gebruiken of openlijk voorhanden te hebben. </al><al>4 Onder softdrugs worden verstaan: de middelen, genoemd in
                                        lijst II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in
                                            gebouwen</vet></al><al>1 Het is verboden:</al><al>a zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                        houden;</al><al>b in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een
                                        gebouw te zitten of te liggen.</al><al>2 Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van
                                        flatgebouwen, appartements-gebouwen en soortgelijke
                                        meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek
                                        toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te
                                        bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde
                                        ruimte van een zodanig gebouw.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.10 Gedrag in voor publiek toegankelijke
                                            ruimten</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426
                                                bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het
                                                verboden op of aan de weg, of in een voor het
                                                publiek toegankelijk gebouw op enigerlei wijze de
                                                orde te verstoren, zich hinderlijk te gedragen,
                                                personen lastig te vallen, te vechten, deel te nemen
                                                aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door
                                                uitdagend gedrag aanleiding te geven tot
                                                wanordelijkheden.</al></li><li nr="2"><al>Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden
                                                of indien er ernstig gevaar voor het ontstaan
                                                daarvan dreigt, op de in het eerste lid genoemde
                                                plaatsen een voorwerp of stof, kennelijk meegebracht
                                                om die orde te verstoren, bij zich te hebben.</al></li><li nr="3"><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op
                                                terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door
                                                of vanwege de Politie of de Gemeente in het belang
                                                van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                                wanordelijkheden zijn afgezet.</al></li><li nr="4"><al>Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of
                                                afsluiting van een gedeelte van de weg of vanwege
                                                het bevoegde gezag is aangebracht, te verplaatsen,
                                                te verwijderen of omver te halen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets
                                        te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een
                                        raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de
                                        ingang van een portiek, indien:</al><al> a dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van
                                        de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al><al>b daardoor die ingang versperd wordt.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op
                                            markt- en kermisterrein e.d.</vet></al><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester
                                        aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets
                                        te bevinden op een door het college of de burgemeester
                                        aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering,
                                        bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek
                                        trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het
                                        terrein.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.13 Bespieden van personen</vet></al><al>1 Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan
                                        wel van een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met
                                        de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit
                                        gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon,
                                        te bespieden.</al><al>2 Het is verboden door middel van een verrekijker een zich
                                        in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te
                                        bespieden.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur</vet></al><al><cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren</vet></al><al><cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.16 Alarminstallaties</vet></al><al><cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.17 Loslopende honden, verboden plaatsen,
                                            identificatie</vet></al><al>1 Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die
                                        hond te laten verblijven of te laten lopen:</al><al>a binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                        aangelijnd is;</al><al>b op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide
                                        of op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen
                                        plaats;</al><al>c op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een
                                        door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, die
                                        de eigenaar of houder duidelijk doen kennen.</al><al>2 Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd
                                        in het eerste lid onder a niet geldt.</al><al>3 De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden
                                        niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich
                                        vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden
                                        en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of
                                        indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar
                                        gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden</vet></al><al>1 De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te
                                        zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><al> a op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is
                                        bestemd voor het verkeer van voetgangers;</al><al> b op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                        speelweide;</al><al>c op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen
                                        plaats.</al><al>2 Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd
                                        in het eerste lid, onder a niet geldt. </al><al>3 De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste
                                        lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of
                                        houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen
                                        onmiddellijk worden verwijderd.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden</vet></al><al>1 Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die
                                        hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg
                                        of op het terrein van een ander:</al><al> a anders dan kort aangelijnd, nadat burgemeester en
                                        wethouders aan de eigenaar of de houder hebben bekendgemaakt
                                        dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een
                                        aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond
                                        noodzakelijk vinden;</al><al> b anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf,
                                        nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder
                                        hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of
                                        hinderlijk achten en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in
                                        verband met het gedrag van die hond noodzakelijk
                                        vinden.</al><al>2 In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c, geldt
                                        voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond
                                        moet zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet
                                        verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of in de
                                        buikwand, inhoudende: (eisen tatoeage aangeven)</al><al>3 In het eerste lid wordt verstaan onder:</al><al> a muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d,
                                        van de Regeling agressieve dieren;</al><al> b kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met
                                        een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer
                                        is dan 1,50 meter.</al><al>4 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                        toepassing voorzover de Regeling agressieve dieren van
                                        toepassing is.</al><al>Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke
                                        dieren</al><al>1 Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van
                                        de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde
                                        plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing
                                        van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden
                                        is daarbij aangeduide dieren:</al><al>a aanwezig te hebben; dan wel</al><al>b aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                        hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan
                                        de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel</al><al>c aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                        aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.</al><al>2 Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                        plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide
                                        dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders
                                        dan met inachtneming van de door het college gestelde
                                        regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan
                                        door het- college is aangegeven.</al><al>3 Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak
                                        gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen
                                        gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het
                                        tweede lid gestelde verbod.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.21 Wilde dieren</vet></al><al><cursief>(vervallen)</cursief></al><al>Artikel 2.4.22 Loslopend vee</al><al>De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg
                                        liggend weiland of terrein dat niet van die weg is
                                        afgescheiden door een deugdelijke veekeuring, is verplicht
                                        ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden
                                        dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.23 Duiven</vet></al><al>1 De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen
                                        dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en
                                        18.00 uur in een door burgemeester en wethouders te bepalen
                                        tijdvak gelegen tussen 1 maart en 1 juni.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid gesteld gebod.</al><al>3 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        Provinciale ophokverordening. </al><al/><al><vet>Artikel 2.4.24 Bijen</vet></al><al>1Het is verboden bijen te houden:</al><al>a binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere
                                        gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al><al>b binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al><lijst><li nr="2"><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
                                                indien op een afstand van ten hoogste zes meter
                                                vanaf de korven of kasten een afscheiding is
                                                aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
                                                als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van
                                                de bijen te voorkomen.</al></li><li nr="3"><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde
                                                verbod geldt niet voorzover de bijenhouder
                                                rechthebbende is op de woningen of gebouwen als
                                                bedoeld in dat lid.</al></li><li nr="4"><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde
                                                verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                                onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal
                                                wegenreglement.</al></li><li nr="5"><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde
                                                verbod ontheffing verlenen. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.25 Bedelarij</vet></al><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op
                                        of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw
                                        te bedelen om geld of andere zaken.</al><al/><al><vet>Afdeling 5</vet><vet> Bepalingen ter bestrijding
                                            van heling van goederen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
                                        algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                        eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al>b Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen
                                        of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en
                                        ongeregelde goederen door de handelaar.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het
                                            verkoopregister</vet></al><al>1 De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                        gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op
                                        andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of
                                        namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin
                                        vermeldt hij onverwijld:</al><al> a het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                        goed;</al><al> b de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al><al> c een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor
                                        zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het
                                        goed;</al><al> d de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van
                                        het goed;</al><al> e de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                        verkregen.</al><al>2 De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van
                                        deze verplichtingen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel
                                            437ter, eerste lid, van het Wetboek van
                                        Strafrecht</vet></al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is
                                        verplicht:</al><al> a wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437
                                        ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de
                                        burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er
                                        schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een
                                        beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave
                                        te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van
                                        elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in
                                        gebruik genomen;</al><al> b de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van
                                        zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie
                                        dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering
                                        van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van
                                        een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        zijnde lokaliteit;</al><al> c aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming
                                        is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de
                                        aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;</al><al> d indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
                                        waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a
                                        bedoelde functionaris;</al><al> e zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven
                                        aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester
                                        aangewezen ambtenaar;</al><al>f wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
                                        gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
                                        handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
                                        functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen
                                        drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen
                                            goederen</vet></al><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon
                                        verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste
                                        drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen
                                        of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze
                                        wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het
                                        goed. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijf</vet></al><al>1 Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te
                                        laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in
                                        die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige
                                        andere wijze overdraagt.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                        openbare verkopingen en veilingen.</al><al>3 In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al>a horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1,
                                        eerste en tweede lid;</al><al>b houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde
                                        lid.</al><al>Afdeling 6: Vuurwerk</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder
                                        consumentenvuurwerk:</al><al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002,
                                        houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
                                        professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing
                                        is.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen van
                                            consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen</vet></al><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                        nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen
                                        dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden,
                                        zonder een vergunning van het college van de gemeente waar
                                        het bedrijf is of zal worden gevestigd.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens
                                            de jaarwisseling</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op
                                                een door het college in het belang van de voorkoming
                                                van gevaar, schade of overlast aangewezen
                                                plaats.</al></li><li nr="2"><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg
                                                of op een voor publiek toegankelijke plaats te
                                                bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan
                                                veroorzaken.</al></li><li nr="3"><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden
                                                gelden niet voorzover in het daarin geregelde
                                                onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
                                                onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 7</vet><vet> Drugsoverlast</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.7.1 Verbod begeven op de weg om drugs te
                                            verhandelen</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op
                                        of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te
                                        bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te
                                        bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het
                                        kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en
                                        3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet
                                        tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven,
                                        daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al><al/><al><vet>Afdeling 8</vet><vet> Bestuurlijke
                                            ophouding</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding</vet></al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet
                                        besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem
                                        aangewezen groep(en) van personen op een door hem aangewezen
                                        plaats, indien deze personen de artikelen die betrekking
                                        hebben op het samenscholingsverbod, optochten, hinderlijk
                                        gedrag op of aan de weg en hinderlijk drankgebruik
                                        groepsgewijs niet naleven.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9.1</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151 b Gemeentewet bij
                                verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan
                                wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met
                                inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen
                                en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10.1</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                                besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur
                                ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAAT-PROSTITUTIE E. D.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen en nadere regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a Prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>b prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>c seksinrichting:de voor het publiek toegankelijke,
                                besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een
                                seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop,
                                seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een
                                prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische
                                massage-salon, al dan niet in combinatie met elkaar;</al><al>d escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al>e sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                                particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;</al><al>f exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                                rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert
                                of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                                rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al><al>g beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                                feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of
                                escortbedrijf;</al><al>h bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                uitzondering van,</al><al>1 de exploitant;</al><al>2 de beheerder;</al><al>3 de prostituee;</al><al>4 het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al><al>5 toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
                                6.1a;</al><al>6 andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college van burgemeester en wethouders of, voorzover het betreft
                                voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als
                                bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het
                                college van burgemeester en wethouders over de uitoefening van de
                                bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><al>1 Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al><al>2 In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                geval vermeld:</al><al> a de persoonsgegevens van de exploitant;</al><al> b de persoonsgegevens van de beheerder; en</al><al> c de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De exploitant en de beheerder:</al></li><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                        ouderlijke macht of de voogdij;</al><al> b is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al><al> c heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li><li nr="2"><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant
                                        en de beheerder niet:</al></li></lijst><al>a met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in
                                een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel
                                37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;</al><al>b binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door
                                een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al><al> c binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><lijst><li nr="1"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet,
                                        de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                        vreemdelingen;</al></li><li nr="2"><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                        249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                        417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                        Strafrecht;</al></li><li nr="3"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                        artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                        1994;</al></li><li nr="4"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de
                                        Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="5"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></li><li nr="6"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li><li nr="3"><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                        gelijk gesteld:</al></li></lijst><al>a vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
                                derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al><al> b een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                straf.</al><lijst><li nr="4"><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                        wordt:</al><al> a bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                        de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                        vergunning;</al><al> b bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                        de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li><li nr="5"><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                        geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting
                                        of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het
                                        bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de
                                        vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is
                                        ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen
                                        verwijt treft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Sluitingsuur</titel></kop><al>1 Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:</al><al> a op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 05.00 uur;</al><al> b op zaterdag en zondag tussen 02.30 en 05.00 uur.</al><al>2 Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld
                                in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere
                                sluitingstijden vaststellen.</al><al>3 Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste
                                lid, gesloten dient te zijn.</al><al>4 Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet
                                voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van
                                toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingsuur; tijdelijke
                                    sluiting</titel></kop><al>1 Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen
                                of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan
                                het bevoegd bestuursorgaan:</al><al>a tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of tweede
                                lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al><al>b van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al><al>2 Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste
                                lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al>1 Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning
                                vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                is.</al><al>2 De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de
                                seksinrichting:</al><al> a geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX
                                (mishandeling), XXII-(diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek
                                van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens
                                en munitie; en</al><al> b geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met
                                het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                Vreemdelingenwet bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><al>1 Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen
                                dan wel aan te lokken:</al><al> a op of aan andere dan door het college van burgemeester en
                                wethouders aangewezen wegen of gebieden;</al><al> b gedurende andere dan door het college van burgemeester en
                                wethouders vastgestelde tijden.</al><al> 2 Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al><al>3 Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen
                                kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de
                                wegen en tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven
                                zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al><al>4 De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede
                                lid, genoemde belangen personen aan wie tenminste eenmaal een bevel
                                is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich
                                gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van
                                vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in
                                het eerste lid.</al><al>5 De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod
                                indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                betrokkene noodzakelijk is.</al><al>6 Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.7</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college van burgemeester en
                                wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.8</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch
                                    porno-grafische goederen, afbeeldingen en dergelijke</titel></kop><al>1 Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                stukken, dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
                                openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al><al> a indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in
                                gevaar brengt;</al><al> b anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                regels.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn en weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><al> 1 Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken
                                na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al><al> 2 Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste 12
                                weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al> 1 De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                geweigerd indien:</al><al> a de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                3.2.2 gestelde eisen;</al><al> b de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al><al> c er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met
                                artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of
                                krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                bepaalde.</al><al> 2 De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de
                                aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, eerste lid. kan
                                worden geweigerd:</al><al> a in het belang van de openbare orde;</al><al> b in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al><al> c in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van
                                het woon- en leefklimaat;</al><al> d in het belang van de veiligheid van personen of goederen;</al><al> e in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al> f in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al><al> g in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                prostituee.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al>1 De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting
                                of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al><al>2 Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>1 Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid,
                                onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een
                                week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis
                                aan het bevoegd bestuursorgaan.</al><al>2 Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging
                                in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste
                                lid, aanhef en onder a van overeenkomstige toepassing.</al><al>3 In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1:</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>a het Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                milieubeheer (Stb 2007, 415)</al><al>b inrichting: een inrichting type A of type B zoals bedoeld in het
                                Besluit;</al><al>c houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;</al><al>d collectieve festiviteit: door burgemeester en wethouders als
                                zodanig aangewezen activiteit.</al><al>e bijzondere activiteit: specifiek aan één inrichting gebonden
                                activiteit met een incidenteel karakter, die plaats vindt binnen de
                                inrichting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2.</nr><titel>Horeca-, sport en recreatie-inrichting</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘Horeca-, sport en
                                recreatie-inrichting’:</al><al>een inrichting type A of type B zoals bedoeld in het Besluit
                                waarbij:</al><al>1 uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van:</al><al>a een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar,
                                discotheek, buurthuis, clubhuis of daaraan verwante inrichting waar
                                tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken
                                of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt,
                                of</al><al>b een gelegenheid tot zwemmen of baden;</al><al>2 uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een of meer
                                voorzieningen of installaties voor:</al><al>a het in een besloten ruimte dansen of geven van
                                dansonderricht;</al><al>b het in een besloten ruimte onderrichten van muziek of toneel, of
                                oefenen of houden van muziek-, toneel- of daarmee verwante
                                uitvoeringen;</al><al>c het in een besloten ruimte vertonen van films, houden van
                                presentaties,</al><al>vergaderingen of congressen, of tentoonstellen van
                                gebruiksvoorwerpen of voortbrengsels van kunst, cultuur of
                                wetenschap;</al><al>d het in de open lucht of in een besloten ruimte beoefenen van sport
                                in</al><al>wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor
                                recreatieve doeleinden, of</al><al>e het in de open lucht vertonen van films, houden van muziek-,
                                toneel- of daarmee verwante uitvoeringen, of houden van
                                tentoonstellen van gebruiksvoorwerpen of voortbrengsels van kunst,
                                cultuur of wetenschap;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3.</nr><titel>Collectieve festiviteiten</titel></kop><al>1 De waarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                                Besluit gelden niet voor op ten hoogste zes door de burgemeester en
                                wethouders per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                in de daarbij aangewezen gebieden gedurende de aangewezen dagen of
                                dagdelen.</al><al>2 Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing ten minste vier
                                weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al><al>3 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in bijzondere
                                omstandigheden een activiteit buiten de in het eerste lid bedoelde
                                aanwijzing om aan te wijzen als collectieve festiviteit.</al><al>4 Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen voor
                                het maximale geluidsniveau als gevolg van de inrichting en voor
                                maatregelen om het geluidsniveau te beperken tijdens een collectieve
                                festiviteit.</al><al>5 Bij de aanwijzing van collectieve festiviteiten kunnen
                                burgemeester en wethouders bepalen dat collectieve festiviteiten
                                slechts gelden voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4.</nr><titel>Vergunning bijzondere activiteiten</titel></kop><al>1 Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van een inrichting
                                vergunning verlenen voor maximaal vier bijzondere activiteiten per
                                kalenderjaar waarbij de waarden die zijn genoemd in de artikelen
                                2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet gelden.</al><al>2 De houder van de inrichting dient ten minste acht weken voor de
                                aanvang van de activiteit een schriftelijke aanvraag voor een
                                vergunning in bij burgemeester en wethouders.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen voor
                                de volgende onderwerpen:</al><al>a het aantal bijzondere activiteiten waarvoor vergunning kan worden
                                verleend. In deze nadere regels mag het in het eerste lid genoemde
                                aantal niet wordt overschreden.</al><al>b de dagen waarop en tijden waarbinnen een vergunning voor een
                                bijzondere activiteit kan worden verleend;</al><al>c de maximale tijdsduur waarvoor een vergunning voor een bijzondere
                                activiteit kan worden verleend;</al><al>d voorwaarden voor het verlenen van een vergunning voor een
                                bijzondere activiteit.</al><al>Deze voorwaarden kunnen betrekking hebben op het maximale
                                geluidsniveau als gevolg van de inrichting en maatregelen om het
                                geluidsniveau te beperken;</al><al>4 In de in het vorige lid bedoelde nadere regels kan onderscheid
                                gemaakt worden tussen:</al><al>a verschillende gebiedsdelen en locaties in de gemeente;</al><al>b activiteiten die plaatsvinden binnen een gesloten gebouw met
                                gesloten ramen en deuren en activiteiten die niet plaatsvinden
                                binnen een gesloten gebouw met gesloten ramen en deuren.</al><al>c activiteiten met en zonder levende muziek;</al><al>d horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen en overige
                                inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4a</nr><titel>Verboden bijzondere activiteiten</titel></kop><al>Het is verboden een bijzondere activiteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, indien de
                                burgemeester het organiseren van een bijzondere activiteit verboden
                                heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de
                                omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare
                                wijze wordt beïnvloed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><al>1 Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of
                                handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een
                                omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt
                                veroorzaakt.</al><al>2 Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al><al>3 Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door artikel 2.4.16, de Wet geluidhinder, de
                                Zondagswet, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                                milieuverordening.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2:</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3:</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1 In deze afdeling wordt verstaan onder houtopstand: hakhout, een
                                houtwal of een of meer bomen;</al><al>2 In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die
                                de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten
                                gevolge kunnen hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.2.</nr><titel>Kapvergunning</titel></kop><al>1 Het is verboden zonder vergunning van het college de houtopstanden
                                te vellen.</al><al>2 De vergunning kan worden geweigerd op grond van:</al><al>a de natuurwaarde van de houtopstand;</al><al>b de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al><al> c de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;</al><al> d de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al><al> e de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al><al> f de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al><al>3 Het college kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen
                                voorschriften.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3.</nr><titel>Vergunning van rechtswege</titel></kop><al>De vergunning wordt geacht te zijn verleend, wanneer niet binnen de
                                in artikel 1.2. genoemde termijn een beslissing is genomen op de
                                aanvraag voor een vergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.4</nr><titel>Vergunning ex lege</titel></kop><al>De vergunning wordt geacht te zijn verleend, wanneer niet binnen de
                                in artikel 1.2 genoemde termijn een beslissing is genomen op de
                                aanvraag voor een vergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.5</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><al>1 Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
                                het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de
                                door burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden
                                herplant.</al><al>2 Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan
                                kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                worden vervangen.</al><al>3 Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan tevens
                                behoren het voorschrift dat de vergunning pas van kracht wordt met
                                ingang van de dag na de dag waarop de bezwaartermijn afloopt en dat
                                indien gedurende de bezwaartermijn een verzoek om voorlopige
                                voorziening is gedaan, de vergunning niet van kracht wordt voordat
                                op dat verzoek is beslist.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.6</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><al>1 Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van burgemeester
                                en wethouders is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan,
                                kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de
                                grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit
                                anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te
                                geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.</al><al>2 Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan
                                kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                worden vervangen.</al><al>3 Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt
                                bedreigd, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk
                                gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel
                                aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen
                                bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen
                                te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn
                                voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
                                weggenomen.</al><al>4 Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede
                                of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht
                                daaraan te voldoen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.7</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4.5.2, artikel 4.5.5 of artikel 4.5.6, schade
                                lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
                                zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet
                                anderszins is verzekerd, kennen burgemeester en wethouders hem op
                                zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding
                                toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.8</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><al>1 Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het
                                oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor
                                verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van
                                iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door
                                burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij
                                de aanschrijving vast te stellen termijn:</al><al> a indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al><al> b de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al><al>c of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of
                                zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                voorkomen.</al><al>2 a Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in
                                voorraad te hebben of te vervoeren.</al><al>b Het verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout
                                en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.</al><al>c Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                onder a van dit lid gestelde verbod.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4:</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><al>1 Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen
                                aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel
                                voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of
                                meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen
                                op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met
                                inachtneming van de door hen gestelde regels:</al><al>a onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer-
                                of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al><al> b bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al><al>c caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien
                                het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
                                verhuur of anderszins voor een commercieel doel;</al><al>d mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;</al><al>2 In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al>3 Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door
                                hen aangeduid voorwerp of stof:</al><al> a op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben;</al><al>b op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met
                                inachtneming van de door hen gestelde regels.</al><al>4 Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke
                                Ordening of de Provinciale Verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1a</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>1 Dit artikel verstaat onder:</al><al> a meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de
                                Meststoffenwet;</al><al>b emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die is
                                aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende
                                bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e
                                gelezen moet worden: 'tijdens het uitrijden van de mest deze
                                gelijktijdig wordt ondergewerkt';</al><al>c grond: bouwland, maïsland en grasland.</al><al>3Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het
                                verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te brengen, te
                                doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag en zondag en op de
                                volgende feest en gedenkdagen: Nieuwjaarsdag, eerste en tweede
                                Paasdag, Hemelvaartsdag, eerste en tweede Pinksterdag, eerste en
                                tweede Kerstdag, 5 mei en de dag waarop de verjaardag van de
                                Koningin wordt gevierd.</al><al>3 Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                voorzover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt
                                aangewend.</al><al>4 Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid
                                gestelde verboden.</al><al>5 Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in
                                volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat
                                verkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3</nr><titel>Vergunningsplicht lichtreclame</titel></kop><al>1 Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een
                                onroerende zaak verlichte handelsreclame te maken of te voeren die
                                vanaf de weg zichtbaar is.</al><al>2 Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als
                                bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:</al><al>a indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de
                                omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand;</al><al>b in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                gebruikers van een inde de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><al>3 a De weigeringsgrond van het tweede lid onder a geldt niet voor
                                bouwwerken;</al><al>b De weigeringsgrond van het tweede lid onder b geldt niet voor
                                zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan:</al><al>Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin
                                van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht
                                is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><al>1 Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of
                                mede bestemd.</al><al>2 Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al><al>3 Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het eerste
                                lid.</al><al>4 Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. kan de ontheffing worden
                                geweigerd in het belang van:</al><al> a de bescherming van natuur en landschap</al><al> b de bescherming van een stadsgezicht</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><al>1 Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel
                                4.5.2. eerste lid, niet geldt.</al><al>2 Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de
                                gronden, genoemd in artikel 4.5.2. vierde lid.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden
                                met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die
                                wegen behorende paden en bermen of zijkanten;</al><al>b voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al><al> 1 treinen en trams;</al><al> 2 tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen;</al><al> 3 invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en
                                verkeerstekens 1990;</al><al> 4 kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen,
                                rolstoelen.</al><al>c parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan
                                gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het
                                onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het
                                onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><al>1 Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen,
                                te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><al> a drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 10 meter
                                met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel</al><al> b de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al><al>2 Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                verstaan:</al><al> a het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al><al> b het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen
                                tegen betaling.</al><al>3 Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                gerekend:</al><al> a voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende
                                de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze
                                werkzaamheden;</al><al> b voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste
                                lid genoemde persoon.</al><al>4 Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2a</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><al>1 Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen
                                wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke
                                doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                bedoelde verbod ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><al>1 Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                hebben.</al><al>2 Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch
                                in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk
                                verwaarloosde toestand verkeert.</al><al>3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Caravans e.d.</titel></kop><al>1 Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                                magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig
                                dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor
                                andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:</al><al>a langer dan op 3 achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben
                                op dezelfde plaats of met geringe verandering van plaats op de
                                openbare weg;</al><al>b langer dan 3 achtereenvolgende dagen op een vanaf de openbare weg
                                zichtbare plaats op eigen terrein te plaatsen of te hebben.</al><al>2 Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al><al>3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                Provinciale caravan- en tentenverordening, het Provinciaal
                                wegenreglement of de provinciale landschapsverordening van
                                toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><al>1 Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om
                                daarmee handelsreclame te maken.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><al>1 Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter te parkeren binnen de bebouwde kom van respectievelijk Cothen,
                                Langbroek en Wijk bij Duurstede, met uitzondering van
                                bedrijfsterrein Broekweg</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van
                                maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen van de in het eerste en tweede
                                lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</titel></kop><al>1 Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het
                                uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke
                                wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
                                aangedaan.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd
                                die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse
                                noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>1 Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te
                                parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen
                                of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9.a</nr><titel>Parkeren van voertuigen met gevaarlijke stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden om een voertuig dat wordt gebezigd voor het
                                    vervoer van meer dan 10 kilogram gevaarlijke stoffen als bedoeld
                                    in artikel 2 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen te parkeren
                                    indien zich binnen een straal van 250 meter gebouwen bevinden
                                    waarbinnen zich personen plegen op te houden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover de
                                    Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Vuurwerkbesluit van
                                    toepassing is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.10</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><al>1 Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden
                                door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen
                                of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. </al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing:</al><al> a op wegen zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder a;</al><al> b op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering
                                van werkzaamheden door of vanwege de overheid;</al><al> c op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op
                                terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><al>1 Burgemeester en wethouders kunnen op de weg gelegen plaatsen
                                aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter
                                voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is
                                fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten
                                of plaatsen te laten staan.</al><al>2 Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in
                                onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                verkeren, op de weg te laten staan.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Inzameling van geld of goed</titel></kop><al>1 Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe
                                een intekenlijst aan te bieden.</al><al>2 Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het
                                bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte
                                stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten
                                aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt
                                gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten
                                dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al><al>3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</al><al>4 Burgemeester en wethouders kunnen onder door hen te stellen
                                voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij
                                aangewezen instellingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Venten e.d.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>In deze paragraaf wordt onder venten verstaan: het in de
                                        uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden,
                                        verkopen of afleveren van goederen op of aan de weg, aan
                                        huis dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke en
                                        in de open lucht gelegen plaats, dan wel diensten aan te
                                        bieden.</al></li><li nr="2"><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al></li></lijst><al>a het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit
                                doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                Winkeltijdenwet;</al><al> b het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als
                                bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en markten als bedoeld in
                                artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op
                                snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.2.4 van deze
                                verordening.</al><al> c het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als
                                bedoeld in het eerste lid op een standplaats als bedoeld in artikel
                                5.2.3.1 van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.2</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid en de volksgezondheid in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag
                                    tussen 21.00 en 09.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van het
                                    Wegenverkeerswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.3</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het verbod van artikel 5.2.2.3 geldt niet voor venten met
                                        gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                        worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
                                        de Grondwet.</al></li><li nr="2"><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in
                                        het eerste lid beperken door een verbod in te stellen:</al><al> a op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten
                                        daarvan, en/of</al><al> b voor bepaalde dagen en uren.</al></li></lijst><al>3 Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het tweede
                                lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder standplaats: het vanaf
                                    een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het
                                    publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop
                                    aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins
                                    aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend
                                    van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een
                                    tafel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><al> a vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet;</al><al> b vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel
                                    2.2.1;</al><al> c vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel
                                    5.2.4.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.2</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        standplaats in te nemen of te hebben.</al></li><li nr="2"><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning
                                        worden geweigerd</al></li></lijst><al>a indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de
                                omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;</al><al> b vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.3</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.4.</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verbod van artikel 5.2.3.2, eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                    wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De weigeringsgrond overlast geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>de weigeringsgrond van artikel 5.2.3.2, tweede lid, onder b,
                                    geldt niet voor bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.5</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>Het college houdt de aanvraag om een standplaatsvergunning aan,
                                indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een
                                vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is
                                vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het tweede
                                lid, tot de dag waarop is beslist op de aanvraag om een vergunning
                                als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><al>1 Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:</al><al> a in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te
                                laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld;</al><al> b toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat
                                in of op een - al dan niet met enige beperking - voor publiek
                                toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig ander
                                dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan
                                publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.</al><lijst><li nr="2"><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                        ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel
                                        nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in
                                        de zin van de Winkeltijdenwet.</al></li><li nr="3"><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning
                                        als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang
                                        van een krachtens de Gemeenteweg ingestelde markt. </al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin
                                    geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><al>1 Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                stellen op door burgemeester en wethouders aangewezen gedeelten van
                                openbaar water.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen aan het innemen, hebben of
                                beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig
                                op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                water:</al><al> a nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                gemeente;</al><al> b beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al><al>3 Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal reglement of de Provinciale
                                landschapsverordening van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><al>1 Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2
                                bepaalde kunnen burgemeester en wethouders aan de rechthebbende op
                                een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen,
                                veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de
                                openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het
                                aanzien van de gemeente.</al><al>2 De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege
                                burgemeester en wethouders gegeven aanwijzingen met betrekking tot
                                het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                volgen.</al><al>3 Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                het Provinciaal reglement of de Provinciale landschapsverordening
                                van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2, tweede
                                lid en 5.3.3 bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</titel></kop><al>1 Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te
                                brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbaar
                                water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen,
                                oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen,
                                gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</al><al>2 Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of
                                de Provinciale vaarwegenverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><al>1 Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar
                                water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het
                                scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</al><al>2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken, of het Provinciaal reglement van toepassing
                                is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.8</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><al>1 Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                daarin te begeven of te bevinden.</al><al>2 Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4:</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd
                                    dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                                    toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik
                                    van deze terreinen:</al><al> a in het belang van het voorkomen of beperken van
                                    overlast;</al><al> b in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                    van de omgeving en ter bescherming van andere
                                    milieuwaarden;</al><al> c in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in
                                    het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                    publiek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg
                                    verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.2</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                        natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief
                                        gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden
                                        met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z,
                                        Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een
                                        bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement
                                        verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of
                                        een paard.</al></li><li nr="2"><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het
                                        eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan
                                        daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze
                                        terreinen:</al><al> a in het belang van het voorkomen van overlast;</al><al> b in het belang van de bescherming van natuur- of
                                        milieuwaarden;</al><al> c in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></li><li nr="3"><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                        motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders
                                        van paarden:</al></li></lijst><al>a ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening
                                en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer
                                en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;</al><al>b die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al><al> c die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk
                                voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al><al> d van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen
                                die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid
                                bedoeld;</al><al> e voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                de onder d bedoelde personen.</al><al>4Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><al>4 a op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994;</al><al>4 b binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen
                                als 'toestel'.</al><al>5 Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5:</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.1</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><al>1 Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                                inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur
                                aan te leggen, te stoken of te hebben.</al><al>2 Het verbod geldt niet voorzover het betreft:</al><al> a verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al><al> b sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                afvalstoffen worden verbrand;</al><al> c vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar,
                                overlast of hinder voor de omgeving oplevert.</al><lijst><li nr="3"><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4"><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing
                                        worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></li></lijst><al>5 Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek
                                van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6:</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><al>1 Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><al> a verharde delen van de weg en</al><al> b crematoriumterreinen en gemeentelijke begraafplaatsen,
                                uitgezonderd daartoe bestemde graven;</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen een besluit nemen waarin voor
                                een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan
                                genoemd in het eerste lid as-verstrooiing plaatsvindt.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de nabestaande
                                die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden
                                ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                gemeentelijke begraafplaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.3</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele as-verstrooiing is verboden, indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Straatnaamborden, huisnummers e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Varen op de afgesneden Rijnarm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1 Snelle boot: een mechanisch voortbewogen vaartuig dat met een
                                maximum snelheid van meer dan 9 km per uur kan varen.</al><al>2 Motorisch apparaat: elk mechanisch aangedreven apparaat dat een
                                hogere snelheid kan bereiken dan 9 km per uur.</al><al>3 Boot: een vaartuig dat minder dan 9 km per uur kan varen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.2</nr><titel>Vrijheid van het verkeer te water</titel></kop><al>Het is verboden om met een boot, snelle boot of motorisch apparaat
                                zich zodanig voort te bewegen dat de vrijheid van het verkeer te
                                water zonder noodzaak wordt belemmerd of de veiligheid van het
                                verkeer in gevaar wordt gebracht of redelijkerwijs is aan te nemen
                                dat de veiligheid te water in gevaar kan worden gebracht of een
                                andere vorm van recreatie op, of aan het water zonder noodzaak wordt
                                gehinderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.3</nr><titel>Maximumsnelheid snelle boot, motorisch apparaat</titel></kop><al>1 Het is verboden om met een snelle boot of motorisch apparaat met
                                een grotere snelheid dan 9 km per uur zich voort te bewegen of te
                                varen.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet tussen zonsopgang
                                en zonsondergang voor het tracé met een lengte van 0,5 km dat met
                                borden is aangegeven.</al><al>3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                patrouillevaartuigen van de politie te water, rijkswaterstaat of
                                brandweer.</al><al>4 Voorzover ingevolge een wettelijk voorschrift een maximum snelheid
                                geldt lager dan aangegeven in lid 1, blijft dit voorschrift voor het
                                zich voortbewegen met een boot of motorisch apparaat van
                                kracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.4</nr><titel>Geluidhinder</titel></kop><al>Het is verboden met de motor van een boot, snelle boot of ander
                                motorisch apparaat onnodig geluidhinder te veroorzaken of de motor
                                van een stilliggende boot, snelle boot of motorisch apparaat onnodig
                                lang of zonder redelijk doel in werking te hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.5</nr><titel>Houden van een wedstrijd of demonstratie</titel></kop><al>1 Het is verboden om een snelheidswedstrijd of een demonstratie met
                                snelle boten of motorische apparaten te houden of daaraan deel te
                                nemen.</al><al>2 Van het in het eerste lid gestelde verbod kan door burgemeester en
                                wethouders onder nader te stellen voorschriften en beperkingen
                                ontheffing worden verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.6</nr><titel>Opvolgen bevelen, aanwijzingen</titel></kop><al>De bestuurder van een boot, snelle boot of motorisch apparaat is
                                verplicht om onverwijld alle bevelen en aanwijzingen op te volgen,
                                welke door hem door een bevoegd opsporingsambtenaar worden gegeven.
                            </al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften en beperkingen wordt bestraft met een hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie en kan
                            bovendien worden bestraft met openbaarmaking van de rechtelijke
                            uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders of
                            de burgemeester aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1 Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is
                            bekendgemaakt.</al><al>2 De Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Wijk bij
                            Duurstede 2003 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend
                                    krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
                                    blijven - indien en voorzover het gebod of verbod waarop de
                                    vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze
                                    verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of
                                    ingetrokken - nog gedurende één jaar na de inwerkingtreding van
                                    deze verordening van kracht.</al></li><li nr="2"><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen
                                    bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en
                                    voorzover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en
                                    bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en
                                    voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog
                                    gedurende één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening
                                    van kracht.</al></li><li nr="3"><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                    verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe
                                    ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel
                                    6.4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van
                                    inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag
                                    is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de
                                    onderhavige verordening toegepast.</al></li><li nr="4"><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
                                    vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                    voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of
                                    na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen
                                    binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met
                                    toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede
                                    lid.</al></li><li nr="5"><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                    vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat
                                    onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens
                                    een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod
                                    vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten
                                    minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde
                                    termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al></li><li nr="6"><al>Gebods of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of
                                    ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet
                                    voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede
                                    lid, zijn niet van toepassing:</al><al> a gedurende 12 weken na het in werking treden van deze
                                    verordening;</al><al> b ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de
                                    vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een
                                    aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag
                                    is beslist.</al></li><li nr="7"><al>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
                            heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening
                            genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en
                            voorzover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd
                            ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn
                            vervallen of ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening
                            Wijk bij Duurstede 2008.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 16 september 2008.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mevr. B. Espeldoorn dhr. G.K. Swillens</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>