<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR32674_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2010, nr. 13</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, eerste lid;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, artikel 12, eerste lid, onderdeel a.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-07-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B10.000671</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Geconsolideerde tekst van de regeling</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Dronten,</al><al>gelezen het voorstel van het college van 11 mei 2010, No.
                        B10.000622</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 12,
                        eerste lid,</al><al>onderdeel a Wet Investeren in Jongeren</al><al>gezien het advies van de raadscommissie van juni 2010;</al><al>B E S L U I T:</al><al>vast te stellen de hierna volgende <vet>“Verordening werkleeraanbod Wet
                        investeren in</vet></al><al><vet>jongeren 2010”</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="b."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid
                                    in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening, die algemeen maatschappelijk aanvaard is en
                            niet indruist tegen de openbare orde of goede zeden;</al></li><li nr="c."><al>startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in
                            artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of
                            een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk
                            onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het
                            voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                            Dronten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>BELEID EN FINANCIËN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een
                                    werkleeraanbod:</al><lijst><li nr="a."><al>algemeen geaccepteerde arbeid of</al></li><li nr="b."><al>ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of</al></li><li nr="c."><al>een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een
                                    combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                                    en één of meerdere voorzieningen. 3. In afwijking van het tweede
                                    lid kan een werkleeraanbod ook bestaan uit een
                                    voorbereidingsperiode op een zelfstandig beroep of bedrijf, als
                                    bedoeld in artikel 17, zesde lid van de wet.</al></li><li nr="4."><al>Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden,
                                    krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een werkleeraanbod
                                    is vastgesteld. Bij de invulling van het werkleeraanbod
                                    onderzoekt het college de mogelijkheden en omstandigheden van de jongere. Zij beziet daarbij tevens in hoeverre de
                            wensen van de jongere bij de invulling van het werkleeraanbod kunnen
                            worden betrokken.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod hebben
                                aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het
                                oordeel van het college noodzakelijk geachte en beschikbare
                                voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een werkleeraanbod dat past binnen de criteria die
                                gesteld zijn in deze verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Arbeidsinschakeling</titel></kop><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod en
                            naar het oordeel van het college direct inzetbaar zijn op de
                            arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid of ondersteuning
                            bij de arbeidsinschakeling aan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>De voorzieningen</titel></kop><al>Onverminderd artikel 4, kan het college aan jongeren, die recht hebben
                            op een werkleeraanbod, één of meer van de volgende voorzieningen
                            aanbieden:</al><lijst><li nr="a."><al>ondersteuning bij een beroep op maatschappelijke opvang of
                                    medische zorg;</al></li><li nr="b."><al>ondersteuning bij maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="c."><al>arbeidsactivering en -toeleiding;</al></li><li nr="d."><al>sociale activering;</al></li><li nr="e."><al>activiteiten met behoud van uitkering/proefplaatsing;</al></li><li nr="f."><al>stages bij bedrijven of instellingen;</al></li><li nr="g."><al>opleidingen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen;</al></li><li nr="h."><al>gesubsidieerde arbeid/loonkostensubsidie/detachering,
                                    gerelateerd aan het genoemde in artikel 6, 7 en 8 van de
                                    verordening activeren en reïntegratie;</al></li><li nr="i."><al>algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="j."><al>nazorg bij arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="k."><al>voorbereidingstrajecten voor zelfstandige arbeid;</al></li><li nr="l."><al>ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang,
                                    schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen, en taal- en
                                    beroepsgerichte scholing;</al></li><li nr="m."><al>overige noodzakelijke voorzieningen zoals bijvoorbeeld een
                                    diagnose</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inzet van de voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kiest bij de inzet van voorzieningen voor
                            voorzieningen die beschikbaar adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt beoogd.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van de inzet van voorzieningen is
                                    het bevorderen van duurzamearbeidsparticipatie van jongeren door
                                    het opdoen van werkervaring, het aanleren van vaardigheden en
                                    kennis, het opdoen van werkritme, maatschappelijke participatie
                                    dan wel op andere wijze vergroten van persoonlijke en
                                    maatschappelijke zelfredzaamheid.</al></li><li nr="3."><al>Het college vult de voorziening bedoeld in het eerste lid voor
                                    de jongere die niet beschikt over een startkwalificatie in met
                                    scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt
                                    bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een
                                    dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van
                                    de jongere te boven gaat of onvoldoende bijdraagt aan vergroting
                                    van de kans op arbeidsinschakeling van de jongere.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd artikel 17, vierde lid, van de wet, betrekt het
                                    college bij de invulling van het werkleeraanbod de
                                    beschikbaarheid van passende kinderopvang, het belang van
                                    voldoende scholing en de belastbaarheid van de jongere.</al></li><li nr="5."><al>Onverminderd artikel 17, tweede lid, van de wet, stemt het
                                    college het werkleeraanbod af op de medische beperkingen van de
                                    jongere en draagt zorg voor passende voorzieningen ter
                                    ondersteuning bij de arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Uitvoering door derden</titel></kop><al>Het college kan in verband met de invulling en uitvoering van het
                            werkleeraanbod afspraken maken met derden, waaronder werkgevers en
                            reintegratiebedrijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te voldoen
                            aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet Structuur Uitvoering
                            Werk en Inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het
                            college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien, indien
                            wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere dan wel indien
                            de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen
                            als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit te verwijten valt.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>VERGOEDINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan aan een jongere die voor de uitvoering van een
                            werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding voor die
                            kosten verstrekken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 15 juli 2010 en werkt terug tot 1
                            juli 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening werkleeraanbod Wet
                            investeren in jongeren 2010. 
                            </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus vastgesteld in de raadsvergadering
                            van 24 juni 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al><vet> De Wet investeren in jongeren en het werkleeraanbod </vet></al><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking
                            getreden. Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie
                            van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op
                            een zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling
                            van alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
                            Daartoe moeten gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen.
                            Afgeleide van het werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor
                            jongeren vanaf 18 jaar als de jongere onvoldoende inkomsten heeft. </al><al>Deze inkomensvoorziening is alleen beschikbaar als het werkleeraanbod
                            wegens in de persoon van de jongere gelegen of niet verwijtbare
                            omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod onvoldoende
                            inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan. De
                            samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening
                            anderzijds is een bepalend element in de WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders
                            dan de WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide
                            de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een
                            ‘paradigmawisseling’ beoogd: het uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering,
                            mits’ is in de WIJ omgedraaid, nu geldt als uitgangpunt: ‘geen
                            uitkering, tenzij’. </al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en
                            plichten. De gemeente is onder bepaalde voorwaarden verplicht een
                            werkleeraanbod en eventueel een inkomensvoorziening aan te bieden. De
                            jongere is verplicht zich te houden aan diverse verplichtingen. Worden
                            deze verplichtingen geschonden, dan kan het werkleeraanbod worden
                            ingetrokken en moet de inkomensvoorziening verlaagd worden (artikel 41,
                            eerste lid WIJ). Die verlaging geschiedt conform de regels die in een
                            gemeentelijke afstemmingsverordening WIJ worden vastgelegd (artikel 12,
                            eerste lid onderdeel b WIJ). </al><al><vet>Duurzame arbeidsparticipatie </vet></al><al>Voor jongeren in de leeftijd van 16 tot 27 jaar ontstaat onder de
                            voorwaarden die in de WIJ zijn genoemd, een individueel recht op een
                            werkleeraanbod. Dat is meer dan een recht op een eenmalige voorziening.
                            Zo nodig is het een recht op een reeks voorzieningen gericht op de
                            kortste weg naar duurzame arbeidsparticipatie. Langs welke route die weg
                            verloopt, is een individueel gegeven dat wordt bepaald door de afstand
                            van de jongere tot de arbeidsmarkt en de beschikbaarheid van
                            voorzieningen. </al><al>Onder duurzame arbeidsparticipatie wordt verstaan de arbeidsinschakeling
                            waarbij jongeren gedurende langere tijd en op eigen kracht aan het
                            arbeidsproces kunnen deelnemen en arbeid verrichten dat past bij hun
                            kennis en vaardigheden of deze kennis en vaardigheden bevordert
                            (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p.11). </al><al>Totdat dat punt is bereikt is de gemeente verplicht de jongere (bij
                            herhaling) een werkleeraanbod te doen gericht op arbeidsinschakeling. Er
                            is nadrukkelijk voor gekozen om niet bij voorbaat te bepalen hoe lang de
                            algemeen geaccepteerde arbeid zou moeten duren voordat over “duurzame
                            arbeidsparticipatie” kan worden gesproken. De jongere moet op het punt
                            gebracht te worden dat hij geen ondersteuning van het college meer nodig
                            heeft.</al><al><vet>Inhoud werkleeraanbod </vet></al><al>Het begrip ‘werkleeraanbod’ moet ruim worden uitgelegd. Het
                            werkleeraanbod kan allerlei vormen hebben, variërend van een ‘echte’
                            baan tot vakgerichte scholing of een combinatie van beide. Een
                            werkleeraanbod kan ook bestaan uit voorzieningen die nodig worden geacht
                            op weg naar arbeidsinschakeling, zoals een sollicitatietraining, een
                            cursus gericht op de ontwikkeling van werknemersvaardigheden, een
                            stageplaats, schuldhulpverlening, sociale activering, nazorg en
                            gesubsidieerde arbeid. </al><al>Het gehele instrumentarium dat is ontwikkeld voor de reïntegratie in het
                            kader van de WWB kan ook op jongeren toegepast worden.
                            Participatieplaatsen zijn echter uitgezonderd. Bij jongeren zal de
                            situatie waarin de afstand tot de arbeidsmarkt dusdanig groot is dat die
                            alleen met de maximale drie jaar additionele arbeid te overbruggen is,
                            zich namelijk niet in die mate voordoen dat participatieplaatsen in de
                            vorm van artikel 10a WWB noodzakelijk zijn. </al><al>Ook uitgezonderd is het reguliere onderwijs dat door het Rijk wordt
                            bekostigd (zie ook artikel 23, eerste lid, onderdeel a WIJ). Het college
                            kan de jongere weliswaar adviseren een dergelijke vorm van onderwijs te
                            volgen of weer te gaan volgen als dit zinvol wordt geacht, maar het is
                            geen voorziening die de gemeente kan inzetten om vorm te geven aan het
                            werkleeraanbod. </al><al>Een premie voor de arbeidsinschakeling past niet bij het uitgangspunt
                            dat jongeren die daartoe in staat zijn moeten leren of werken. Daarom is
                            er geen aanleiding om werken en/of leren te belonen met een financiële
                            vrijlating van inkomsten uit deeltijdarbeid of van een premie i.v.m.
                            arbeidsinschakeling bij de inkomensvoorziening. Dat geldt evenzeer voor
                            een onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk, tenzij deze bestemd is
                            voor aantoonbaar gemaakte kosten. </al><al>Het college bepaalt de inhoud van het werkleeraanbod. Dat geldt ook voor
                            de vraag of het accent komt te liggen op werken of leren. Gelet op de
                            duurzame arbeidsparticipatie als einddoel, zal werken de hoogste
                            prioriteit hebben als de jongere daartoe in staat is. Zijn er echter
                            belemmeringen op de weg daar naartoe, dan kunnen allerlei voorzieningen
                            worden ingezet om dat einddoel te bereiken. </al><al>Van belang daarbij is dat de startkwalificatie binnen het werkleeraanbod
                            een ijkpunt vormt, omdat deze in belangrijke mate kan bijdragen aan
                            duurzame arbeidsparticipatie. Het is aan de gemeenten overgelaten om te
                            beoordelen in hoeverre de jongere in staat moet worden gesteld een
                            dergelijke kwalificatie te behalen of anderszins scholing te ontvangen
                            die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert.</al><al><vet> Maatwerk </vet></al><al>Uitgangspunt is dat maatwerk wordt geleverd: dat het werkleeraanbod
                            wordt afgestemd op de omstandigheden, krachten en capaciteiten van de
                            jongere (artikel 18, eerste lid WIJ). De wensen van jongeren worden
                            betrokken bij het vormgeven van het werkleeraanbod (artikel 14, eerste
                            lid WIJ). Het college is verplicht die wensen vast te leggen in de
                            rapportage die ten grondslag ligt aan het werkleeraanbod en moet daarbij
                            tevens aangeven op welke wijze die wensen bij het werkleeraanbod
                            betrokken zijn. </al><al><vet>Werken en leren niet direct mogelijk </vet></al><al>Wanneer het doen van een werkleeraanbod bestaande uit werken en/of leren
                            niet direct mogelijk is, moet een aanbod gedaan worden dat op termijn
                            perspectief biedt op arbeidsinschakeling. Dat kan betekenen dat
                            voorzieningen worden ingezet in de vorm van zorg- of hulpverlening,
                            waarbij ook aandacht kan worden besteed aan belemmerende factoren, zoals
                            psychische, sociale en cognitieve problemen. </al><al>Het werkleeraanbod omvat immers het geheel van
                            reïntegratievoorzieningen, dat gericht is op duurzame
                            arbeidsparticipatie. Is de jongere naar het oordeel van het college in
                            het geheel niet in staat dat om redenen van lichamelijk, sociale of
                            psychische aard uitvoering wordt gegeven aan een werkleeraanbod, dan kan
                            daarvan vooralsnog worden afgezien (artikel 17, tweede lid WIJ).
                            Zorgtaken kunnen worden aangemerkt als reden van sociale aard, voor
                            zover daarmee geen rekening kan worden gehouden door middel van een
                            voorziening.</al><al><vet>Alleenstaande ouders </vet></al><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht
                            besteed aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijke
                            medische en/of fysieke beperkingen. Daarom geldt voor alleenstaande
                            ouders met een ten laste komend kind jonger dan vijf jaar, dat het
                            werkleeraanbod desgevraagd wordt ingevuld door middel van scholing of
                            opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een
                            dergelijke scholing de krachten of bekwaamheden van de jongere te boven
                            gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ). </al><al>Daarmee loopt deze regeling parallel met de WWB (artikel 9a WWB). Anders
                            dan in de WWB echter is uit oogpunt van deregulering afgezien van een
                            maximale termijn van zes jaar. Dit omdat gezien de maximale duur van het
                            werkleerrecht (van 18 tot 27 jaar) deze maximale termijn in de meeste
                            gevallen reeds in de werkleerperiode zal zijn opgenomen. </al><al><vet>Zelfstandigen </vet></al><al>Besloten is om zelfstandigen uit te zonderen van het recht op een
                            werkleeraanbod en van het recht op inkomensvoorziening (artikel 23,
                            eerste lid, onderdeel e jo. artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ).
                            Zij kunnen een beroep doen op algemene bijstand of bijstand ter
                            voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van artikel 78f
                            van de WWB, zodat de (jongere) zelfstandige zich geheel kan richten op
                            zijn bestaan als zelfstandige. In het zesde lid van artikel 17 WIJ wordt
                            echter bepaald dat het college de mogelijkheid (niet de verplichting)
                            heeft om aan de jongere die als zelfstandige wil beginnen een
                            werkleeraanbod te doen dat bestaat uit een voorbereidingsperiode op het
                            bestaan als zelfstandige. Dit werkleeraanbod duurt maximaal twaalf
                            maanden en kan slechts worden aangeboden op verzoek van de jongere.</al><al><vet>Jongeren met een beperking </vet></al><al>Voor de groep jongeren met een medische beperking (die niet behoren tot
                            de doelgroep van de WAJONG) is het van belang dat het aanbod aansluit
                            bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het
                            werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de
                            hand van de individuele situatie zal beoordeeld moeten worden welk
                            aanbod past bij de jongere gelet op zijn/haar mogelijkheden en
                            beperkingen. Het werkleeraanbod moet aansluiten bij de individuele
                            mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en
                            belastbaarheid. Maatwerk betekent een zorgvuldige op de persoon
                            toegesneden afweging bij de uiteindelijke keuze van een traject. Voor de
                            groep jongeren die weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling
                            behoort sociale activering tot mogelijkheden. Als een werkleeraanbod
                            vanwege de medische situatie in het geheel niet mogelijk is, wordt geen
                            aanbod gedaan. Wel kan aanspraak op een inkomensvoorziening bestaan. </al><al><vet>Beleid werkleeraanbod in verordening </vet></al><al>Om recht te doen aan de beleidsruimte die gemeenten nodig hebben om door
                            maatwerk invulling te geven aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid,
                            worden aan de vormgeving van het werkleeraanbod en de mate waarin
                            gemeente daartoe voorzieningen kan inzetten, geen wettelijke eisen
                            gesteld. Gezien de verantwoordelijkheid die de gemeenteraad in het kader
                            van dit wetsvoorstel heeft, en mede met het oog op de rechtszekerheid,
                            is bepaald dat het gemeentelijke beleid inzake de voorzieningen in een
                            verordening moet worden vastgelegd. De jongere moet uit de verordening
                            kunnen afleiden welke voorzieningen het college kan inzetten om het
                            doel, de duurzame arbeidsparticipatie, te bereiken. </al><al><vet>Relatie met reintegratieverordening WWB </vet></al><al>Het instrumentarium dat reeds beschikbaar is voor de reïntegratie in het
                            kader van de WWB kan, uitgezonderd participatieplaatsen en vrijlating
                            van inkomsten uit arbeid, tevens worden ingezet voor de vormgeving van
                            het werkleeraanbod. </al><al><vet>Relatie met afstemmingsverordening </vet></al><al>De verordening Werkleeraanbod en de Afstemmingsverordening vormen twee
                            kanten van dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college de plicht
                            op om jongeren een werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door
                            deze verordening gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel wat tegenover. </al><al>De jongere is verplicht het aanbod te aanvaarden en verplichtingen die
                            aan het werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven. Komt de jongere die
                            verplichtingen niet na, dan vormt dat een grond voor verlaging van de
                            inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In
                            verband daarmee is in de verordening Werkleeraanbod herhaald dat onder
                            de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ het werkleeraanbod ingetrokken
                            kan worden.</al><al>Omdat met deze intrekking tevens het recht op inkomensvoorziening
                            vervalt, is het van belang dat wordt afgebakend wanneer de
                            inkomensvoorziening verlaagd en wanneer deze ingetrokken wordt.
                            Uitgangspunt van de wetgever is daarbij geweest dat bij schending van
                            verplichtingen primair een maatregel aangewezen is en pas in tweede
                            instantie intrekking van het werkleeraanbod en daarmee tevens van de
                            inkomensvoorziening aan de orde komt. Het opleggen van een maatregel is
                            derhalve regel, het intrekken van het werkleeraanbod uitzondering. Het
                            is aan de gemeenten overgelaten om beleid vast te stellen over de
                            grensafbakening tussen maatregel en intrekking werkleeraanbod.</al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde
                            betekenis als in de WIJ. Daarom worden bepaalde begrippen, zoals
                            ‘werkleeraanbod’, ‘arbeidsinschakeling’ en ‘jongere’, niet opnieuw
                            gedefinieerd. Wel gedefinieerd zijn de begrippen ‘startkwalificatie’ en
                            ‘algemeen geaccepteerde arbeid’, omdat deze in de WIJ niet nader zijn
                            omschreven. Het begrip ‘startkwalificatie’ is afkomstig uit de Wet
                            educatie en beroepsonderwijs en wordt wel in de WWB gedefinieerd (art.
                            6, eerste lid, onderdeel d WWB). De omschrijving van ‘algemeen
                            geaccepteerde arbeid’ is afkomstig uit de nota naar aanleiding van het
                            verslag (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p.28). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college verwoord, zoals deze
                            voortvloeit uit de artikelen 11, eerste lid en 13, eerste lid, WIJ.
                            Hoewel deze opdracht ook uit het samenstel van deze bepalingen en
                            artikel 5, eerste lid, WIJ kan worden afgeleid, is er uit een oogpunt
                            van duidelijkheid voor gekozen de opdracht aan het college nader te
                            omschrijven. In het tweede lid is tevens verduidelijkt dat het
                            werkleeraanbod ook samengesteld kan zijn uit een combinatie van algemeen
                            geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij arbeidsinschakeling en één of
                            meerdere voorzieningen. Onder voorziening wordt verstaan een instrument
                            dat wordt ingezet om de jongere dichterbij de arbeidsmarkt te brengen.
                            Dit kan zoals gezegd allerlei vormen hebben, variërend van
                            schuldhulpverlening tot training van werknemersvaardigheden. </al><al>In het derde lid is vastgelegd dat een werkleeraanbod ook kan bestaan
                            uit ondersteuning bij een traject gericht op werk in zelfstandig beroep
                            of bedrijf. Dit volgt reeds uit artikel 17, zesde lid, WIJ. Uit een
                            oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang
                            dat gehecht wordt aan het begeleiden van jongeren naar zelfstandig werk,
                            is deze bepaling opgenomen. Aangetekend moet daarbij worden dat het een
                            zgn. ‘kan’-bepaling is: het college bepaalt of het zinvol is de jongere
                            een aanbod te doen gericht op ondersteuning richting zelfstandig bedrijf
                            of beroep. Het vierde lid vormt een herhaling van artikel 17, eerste
                            lid, WIJ. Wederom uit een oogpunt van herkenbaarheid en consistentie,
                            alsmede gelet op het belang van maatwerk bij het vaststellen van het
                            werkleeraanbod, is dit artikel opgenomen. Toegevoegd is de gemeentelijke
                            onderzoeksplicht en de plicht om de wensen van de jongere bij de
                            invulling te betrekken. Met het oog op motivering en kansbenutting zal
                            het college daarmee rekening dienen te houden. Daarmee is niet gezegd
                            dat de jongere recht heeft op een bepaalde specifieke voorziening en
                            deze kan opeisen. De uiteindelijke invulling van de aard en de
                            samenstelling van het aanbod is voorbehouden aan het college. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><al>Als spiegelbeeld van de opdracht van het college, zoals verwoord in
                            artikel 2, eerste lid, komen jongeren die recht hebben op een
                            werkleeraanbod in aanmerking voor ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling en voorzieningen. Dit vloeit reeds voort uit artikel
                            13, eerste lid, WIJ maar is omwille van de herkenbaarheid en
                            eenduidigheid hier nader geconcretiseerd. Wat de vorm van de
                            ondersteuning is, bepaalt het college zelf (bijv. Kamerstukken II
                            2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 22). </al><al>Voor de duidelijkheid is verder nog bepaald dat het om jongeren moet
                            gaan die recht op een werkleeraanbod hebben. Dat is niet iedere
                            ‘jongere’ in de zin van de WIJ (zie artikel 2, eerste lid, WIJ), want
                            daaronder wordt verstaan de jongere in de leeftijd van 16 tot 27 jaar.
                            Artikel 13, eerste lid, WIJ kadert de doelgroep af. </al><al>In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                            aanspraak van de jongere en de criteria die gesteld zijn voor het
                            aanbieden van een werkleeraanbod. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Arbeidsinschakeling</titel></kop><al>Het staat het college vrij om bij het werkleeraanbod aan de jongere een
                            keuze te maken tussen het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling. Deze zijn nevengeschikt. De kortste weg naar
                            duurzame arbeidsparticipatie is echter het doel van het in te zetten
                            werkleeraanbod. In dat verband kan de gemeenteraad als beleidslijn
                            opnemen dat jongeren die direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt in
                            beginsel algemeen geaccepteerde arbeid wordt aangeboden, of
                            ondersteuning bij de arbeidsinschakeling, als bijv. arbeid niet direct
                            beschikbaar is. Het blijft uiteraard een kwestie van maatwerk of daar in
                            het concrete geval ook toe besloten wordt. De woorden ‘in beginsel’
                            moeten in die context worden gelezen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>De voorzieningen</titel></kop><al>Naast het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid en ondersteuning
                            bij de arbeidsinschakeling kan het college voorzieningen aanbieden. Die
                            voorzieningen zijn primair bedoeld voor jongeren die niet direct
                            inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt, maar kan in een krimpende
                            arbeidsmarkt ook worden aangeboden aan jongeren zonder direct
                            aanwijsbare belemmeringen. </al><al>In dit artikel zijn de voorzieningen opgesomd die het college ter
                            beschikking staan. Het zal van het specifiek gemeentelijke beleid
                            afhangen hoe het lijstje er exact uitziet in de praktijk. Dat is geen
                            statisch geheel. Het is denkbaar dat het college nog andere
                            voorzieningen gaat ontwikkelen die (nog) niet in de verordening zijn
                            opgenomen. Deze verordening staat daaraan niet in de weg. Het college
                            kan niet gedwongen worden om in een concreet geval een specifieke
                            voorziening aan te bieden. Het staat het college in beginsel vrij om het
                            werkleeraanbod zelf invulling te geven en daarbij ook te betrekken de
                            mate waarin voorzieningen noodzakelijk geacht worden en feitelijk
                            beschikbaar zijn. </al><al>De hoogte van de loonkostensubsidies en de voorwaarden waaronder
                            subsidie wordt verleend worden overeenkomstig de systematiek van de
                            reïntegratieverordening WWB uitgevoerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inzet van de voorzieningen</titel></kop><al>Het behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid om te bepalen of het
                            werkleeraanbod wordt ingevuld door werken of leren of een combinatie van
                            beide. Gelet op het belang dat door de wetgever wordt gehecht aan het
                            behalen van een startkwalificatie, is het denkbaar dat het beleid luidt
                            dat een voorziening ingevuld wordt met scholing of opleiding die de
                            toegang tot de arbeidsmarkt bevordert als de jongere daarover niet
                            beschikt. Dit kan een opleiding zijn die tot een startkwalificatie
                            leidt, maar ook een andere scholing of opleiding die de jongere
                            dichterbij het perspectief van duurzame arbeidsinschakeling brengt.</al><al>In het eerste lid is het maatwerk principe gerelateerd aan de inzet van
                            voorzieningen. De voorzieningen die worden ingezet moeten een adequaat
                            en toereikend middel zijn om het doel te bereiken. In het tweede lid is
                            het doel van de inzet van voorzieningen verwoord. Afhankelijk van de
                            aard van de voorziening zal sprake zijn van één van de aangegeven
                            (tussen)doelen, met als eindbestemming de duurzame arbeidsparticipatie.
                            Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht
                            besteed aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijk
                            verminderde belastbaarheid. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met
                            een ten laste komend kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod
                            desgevraagd wordt ingevuld door middel van scholing of opleiding die de
                            toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een dergelijke scholing de
                            krachten of bekwaamheden van de jongere te boven gaat (artikel 17,
                            vierde lid, WIJ). Daaraan wordt in lid 3 en 4 van dit artikel toegevoegd
                            dat het college bij de invulling van het werkleeraanbod de situatie van
                            de alleenstaande ouder betrekt, ongeacht de leeftijd van het kind.
                            Eventuele kosten voor kinderopvang die niet toereikend zijn door
                            voorliggende voorzieningen, kunnen worden vergoed ten laste van het
                            participatiebudget. </al><al>De jongeren met een beperking nemen eveneens een bijzondere positie in
                            binnen de WIJ. Voor deze groep jongeren is het van belang dat het aanbod
                            aansluit bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het
                            werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de
                            hand van de individuele situatie zal het college beoordelen welk aanbod
                            past bij de jongere met inachtneming van zijn/haar mogelijkheden en
                            beperkingen. Voor de groep jongeren die weinig perspectief heeft op
                            arbeidsinschakeling behoort sociale activering tot mogelijkheden. Is
                            arbeidsinschakeling in het geheel (nog) niet aan de orde, dan brengt
                            artikel 17, tweede lid, WIJ met zich mee dat (tijdelijk) geen
                            werkleeraanbod wordt gedaan. Er bestaat gedurende die periode wel
                            aanspraak op inkomensvoorziening. Zodra de belemmeringen zijn opgeheven,
                            dient een gericht werkleeraanbod te worden gedaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Uitvoering door derden</titel></kop><al>In artikel 11, vierde lid van de WIJ is bepaald dat het college de
                            uitvoering van de WIJ, behoudens het vaststellen van de rechten en
                            plichten en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn
                            omstandigheden, door derden kan laten verrichten. Er zijn in de WIJ geen
                            wettelijke belemmeringen opgeworpen om de feitelijke werkzaamheden van
                            de uitvoering van het werkleeraanbod of de inrichting van het
                            werkleeraanbod in handen te stellen van derden, zoals
                            opleidingsinstituten en reïntegratiebedrijven. Binnen de financiële
                            kaders die gelden binnen de gemeente kan het college nadere afspraken
                            maken met deze derden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>In de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het
                            recht op een werkleeraanbod (zie de artikelen 44 en 45 WIJ). Daaraan is
                            toegevoegd dat de jongere de verplichtingen moet nakomen die
                            voortvloeien uit de verordening of die aan een voorziening zijn
                            verbonden. Dit kunnen verplichtingen van uiteenlopende aard zijn, die
                            een concretisering vormen van de in de WIJ opgenomen verplichtingen. Zo
                            kan bepaald worden dat een jongere gedurende het traject op gezette
                            tijden met de consulent de voortgang bespreekt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Dit artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. De meerwaarde van
                            opname van deze bepaling is gelegen in de overweging dat intrekking van
                            het werkleeraanbod complementair is aan het voeren van beleid ter
                            invulling het werkleeraanbod. Daar waar het recht op werkleeraanbod
                            wordt toegekend en ingevuld, kan dit ook worden ingetrokken, onder de
                            voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ. Met betrekking tot intrekking
                            van het werkleeraanbod in verband met schending van de verplichtingen
                            verbonden aan het werkleeraanbod, wordt het aan het college overgelaten
                            om te bepalen onder welke voorwaarden daartoe kan worden besloten.
                            Intrekking is in wezen slechts aan de orde als er een situatie is
                            ontstaan dat niet langer kan worden gevergd dat het werkleeraanbod wordt
                            voortgezet en een andere invulling (via gedeeltelijke herziening)
                            evenmin uitkomst biedt. Gedacht kan worden aan herhaalde misdragingen
                            tegen andere jongeren of begeleiders op de werk/leerplek of veelvuldig
                            verzuim. Daarbij kunnen de positie van gemotiveerde jongeren die wachten
                            op een werk/leerplek, de staat van de arbeidsmarkt en de kosten van de
                            voorziening een rol spelen. Het verdient aanbeveling dat het college bij
                            de invulling van het gemeentelijke beleid met deze kaders rekening houdt
                            en slechts tot intrekking besluit nadat de individuele situatie
                            zorgvuldig afgewogen is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Kosten die voor de jongere verbonden zijn aan het uitvoeren van het
                            werkleeraanbod kunnen worden vergoed op grond van dit artikel. Gedacht
                            kan bijvoorbeeld worden aan kosten van kinderopvang, voor zover de
                            voorliggende voorziening (Wet Kinderopvang) daarin onvoldoende voorziet.
                            Ook noodzakelijke reiskosten en andere kosten, bijvoorbeeld voor
                            verplichte kleding of schoeisel, kunnen voor vergoeding in aanmerking
                            komen, mits de kosten aantoonbaar en noodzakelijk zijn en er geen andere
                            voorzieningen zijn. De kosten kunnen ten laste worden gebracht van het
                            participatiebudget.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college past het dat
                            de gemeenteraad beleidskaders vaststelt. Dat is in deze verordening
                            uitgewerkt. Het college is belast met de uitvoering van dat beleid en op
                            sommige onderdelen, met de nadere uitwerking daarvan. Doen zich
                            situaties voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte toepassing
                            van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van overwegende
                            aard leidt, dan is het aan het college om besluiten te nemen waarin
                            recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het
                            gemeentelijke beleid en anderzijds het individuele belang van de
                            jongere. Dat kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden
                            genomen die afwijken van deze verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>en 13. Inwerkingtreding</titel></kop><al>Spreekt voor zich</al><al>Dronten, 24 juni 2010</al><al>de raad van Dronten,</al><al>D.Petrusma mr. A.B.L. de Jonge</al><al>griffier voorzitter</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>