<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>326171_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-03-24</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 2014, 12</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikelen 95 tot en met 99 en 147 Gemeentewet; Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-03-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-03-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-07-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB14.0002</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2011.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 december 2009, Stb. 561;</al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2004, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="f."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="g."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, lid 1, van
                            het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is gelijk aan het
                            door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                            gemeenteklasse vijf (40.001-60.000 inwoners) vastgestelde maximum. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het vastgestelde maximale bedrag voor
                                gemeenteklasse vijf (40.001-60.000 inwoners), vermeld in tabel II
                                van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, is in afwijking van het eerste lid de onkostenvergoeding
                                gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse vijf (40.001-60.000
                                inwoners), vermeld in tabel III van het Rechtspositiebesluit raads-
                                en commissieleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, als bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding als bedoeld in lid 1 van dit artikel betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 onderdeel b en
                                        5a van de Regeling rechtspositie wethouders. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake
                                van reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van
                                een beslissing van het gemeentebestuur worden aan het raadslid
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding is overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel
                                c, van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier
                                of een door hem aangewezen ambtenaar. De aanvraag gaat vergezeld van
                                inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen
                                voor rekening van de gemeente als deelname van algemeen belang is in
                                verband met de vervulling van het raadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al></al><lijst><li nr="a."><al>Het raadslid schaft zelf ict-middelen aan.</al></li><li nr="b."><al>Het raadslid is persoonlijk verantwoordelijk voor de
                                        ict-middelen als bedoeld in lid 1 onder a, van dit
                                        artikel.</al></li><li nr="c."><al>De gemeente Den Helder neemt de verschuldigde eindheffing
                                        voor haar rekening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al></al><lijst><li nr="a."><al>De gemeente Den Helder verstrekt een tegemoetkoming in de
                                        kosten tot maximaal 90% van de aanschafkosten van
                                        ict-middelen als bedoeld in lid 1 onder a van dit
                                        artikel.</al></li><li nr="b."><al>De tegemoetkoming van 90% wordt verstrekt over de
                                        aanschafkosten tot een maximum van € 1000,00 inclusief
                                        BTW.</al></li><li nr="c."><al>De tegemoetkoming als bedoeld in lid 2 onder b van dit
                                        artikel wordt gespreid over 36 maanden in gelijke
                                        maandelijkse termijnen uitbetaald.</al></li><li nr="d."><al>Indien het raadslidmaatschap binnen 36 maanden na
                                        installatie van het raadslid beëindigd wordt, vervallen de
                                        resterende termijnen als bedoeld in lid 2, onder c, van dit
                                        artikel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al></al><lijst><li nr="a."><al>Op aanvraag verstrekt het college het raadslid éénmalig een
                                        tegemoetkoming van € 15,00 in de aanlegkosten voor de
                                        internetverbinding voor de ict-middelen als bedoeld in lid
                                        1, onder a van dit artikel.</al></li><li nr="b."><al>Op aanvraag verstrekt het college maandelijks een
                                        tegemoetkoming van € 10,00 in de abonnementskosten voor de
                                        internetverbinding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het inkomen van het raadslid aantoonbaar onder 110% van de
                                bijstandsnorm ligt, worden de ict-middelen als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, van dit artikel in bruikleen gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, als bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid door het college worden verlaagd in het geval
                            hij een uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoek personeel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering als
                                bedoeld in artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden bedraagt € 203,21 per jaar, peildatum 1 april
                                2009.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van
                                het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betaling van de tegemoetkoming, als bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verzekeringen</titel></kop><al>Het college zorgt voor het afsluiten van een rechtsbijstandverzekering
                            en eventuele overige verplichte verzekeringen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies als bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door
                                de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse vier (50.001-100.000) vastgestelde maximum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde als bedoeld in lid 1 van
                                dit artikel een hogere vergoeding vaststellen, voor</al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en</al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie voor wie de vergoeding niet geacht
                                        kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de
                                        zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het commissielid kan voor het bijwonen van een of meerdere
                                commissievergaderingen op een dag slechts eenmaal aanspraak maken op
                                de vergoeding als bedoeld in lid 1 van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                                niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                                benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen
                                van de commissie buiten het grondgebied van de gemeente vergoed. De
                                vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4, onder b en 5a
                                        van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde als bedoeld in lid 1 van dit artikel
                                worden de in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter
                                zake van reizen buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onder c van de Regeling
                                rechtspositie wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De excursie of reis als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt door
                                of vanwege de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door
                                of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier
                                of een door hem aangewezen ambtenaar. De aanvraag gaat vergezeld van
                                inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen
                                voor rekening van de gemeente als deelname van algemeen belang is in
                                verband met de vervulling van het commissielidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het commissielid in staat gebruik te maken van het
                                gemeentelijk netwerk ten behoeve van de te verrichten
                                werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het commissielid ondertekent voor de bruikleen de
                                bruikleenovereenkomsten met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomsten
                                vast.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door: </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, als bedoeld in de artikelen 5, 6,
                                en 16 van deze verordening wordt gebruik gemaakt van een
                                declaratieformulier, indien deze kosten uit eigen middelen vooruit
                                zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raads- of het commissielid dient het declaratieformulier binnen twee
                                maanden in bij de griffier of een door hem aangewezen ambtenaar,
                                onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Tegemoetkoming kosten computer en internetverbinding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de tegemoetkoming in de kosten, als bedoeld in artikel 8,
                                    lid 1 van deze verordening maakt het raadslid gebruik van een
                                    declaratieformulier.</al></li><li nr="2."><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend.
                                    Het raadslid dient het declaratieformulier binnen zes maanden na
                                    zijn installatie in bij de griffier of een door hem aangewezen
                                    ambtenaar, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><al>De vergoeding van kosten, als bedoeld in artikel 7 kan plaatsvinden door
                            rechtstreekse toezending van de door het raadslid voor akkoord
                            ondertekende factuur aan de gemeente. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads-
                            en commissieleden 2014. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 27 maart 2014.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Intrekken verordening</titel></kop><al>Vanaf de inwerkingtredingdatum van deze verordening wordt de Verordening
                            rechtspositie raads- en commissieleden 2011, vastgesteld op 17 januari
                            2011 (RB10.0200), ingetrokken.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de raadsvergadering van 3 maart 2014.</al><al>Koen Schuiling, voorzitter</al><al>Mr. drs. M. Huisman, griffier</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING VERORDENING RECHTSPOSITIE RAADS- EN COMMISSIELEDEN
                        2014</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN </tussenkop><tussenkop>Wettelijke regelingen </tussenkop><al>De regeling van de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke
                    commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet, AMvB en
                    gemeentelijke verordening. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere
                    invulling van de rechtspositie van raads- en commissieleden moet worden geregeld
                    bij AMvB. Daartoe is tot stand gekomen het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de
                    rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen,
                    zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is
                    in de rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor
                    secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming in de
                    kosten van een ziektekostenverzekering of een uitkering bij aftreden als
                    raadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen te
                    treffen. Deze secundaire voorzieningen worden respectievelijk voor raads- en
                    commissieleden geregeld in de verordening rechtspositie raads- en
                    commissieleden. </al><al></al><tussenkop>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening </tussenkop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De grondslag hiervoor is te
                    vinden in de Gemeentewet en genoemd rechtspositiebesluit. Buiten wat hun bij of
                    krachtens de wet is toegekend genieten raads- en commissieleden als zodanig geen
                    inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente (artikel 99 van de
                    Gemeentewet). Het tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij
                    gemeentelijke verordening aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in
                    de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor
                    is wel de goedkeuring van gedeputeerde staten vereist. De rechtspositionele
                    aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan ook uitsluitend te vinden in
                    respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden en de lokale Verordening rechtspositie raads- en commissieleden
                    gemeente Den Helder. </al><al></al><tussenkop>Afzonderlijke verordeningen </tussenkop><al>Sommige gemeenten geven er de voorkeur aan de lokale verordening voor wethouders
                    en voor raads- en commissieleden in afzonderlijke verordeningen op te nemen.
                    Daartegen bestaat geen bezwaar. De gemeente Den Helder heeft geopteerd voor
                    afzonderlijke verordeningen. </al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><lijst><li nr="-"><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                            (artikelen 2 en 15);</al></li><li nr="-"><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor raadsleden (artikel 3);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raads- en commissieleden (artikelen 5, 6, 14
                            en 15);</al></li><li nr="-"><al>aanschaf dan wel beschikbaarstelling van computer- en
                            communicatieapparatuur aan raads- en commissieleden (artikelen 8 en 17)
                            en faciliteiten in de vorm van deelname van raads- en commissieleden aan
                            cursussen, congressen en dergelijke (artikelen 7en 16);</al></li><li nr="-"><al>de procedure van declareren (artikelen 19 tot en met 21).</al></li></lijst><al></al><tussenkop>De arbeidsverhouding van het raadslid </tussenkop><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                    niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het
                    raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
                    Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als
                    werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben daarom op grond van die
                    wet geen recht op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding
                    verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                    basisverzekering. </al><al>Als gevolg van een wijziging van artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads-
                    en commissieleden van 6 december 2006 (Stb. 2006, 660) kan de raad echter bij
                    verordening wel een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering
                    worden toegekend. Daardoor is tegemoet gekomen aan de inhouding van de
                    inkomensafhankelijke bijdrage. Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente
                    is, vallen raadsleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964, maar worden
                    hun inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid
                    opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap
                    (zie hieronder). </al><al></al><tussenkop>De loon- en inkomstenbelasting </tussenkop><tussenkop>Opting in regeling </tussenkop><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in
                    regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat
                    wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                    verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt
                    geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                    loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de
                    Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het
                    woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de
                    sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook
                    geen premies sociale zekerheid ingehouden. De inkomsten worden als loon belast
                    in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval geen administratie bij te houden.
                    Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente
                    onder voorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde
                    faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar stellen. Genoemd kunnen worden de
                    vergoeding van reis- en verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en
                    congressen. Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden
                    verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor na inhouding
                    van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert. Het meest duidelijke
                    voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan raadsleden die gekozen hebben voor
                    ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt verstrekt. Raadsleden die gekozen hebben
                    voor de standaard regeling ontvangen een lager bedrag dat vergelijkbaar is met
                    het netto resultaat van de bruto vergoeding. </al><tussenkop>Fiscale standaardpositie </tussenkop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het raadslid dat
                    hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet.
                    In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                    mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling
                    zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij als onkostenvergoeding ontvangen
                    inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal
                    aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het
                    raadslidmaatschap. </al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de
                    hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel
                    of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                    toelichting op artikel 3). </al><tussenkop>Eénmalige keuze per zittingsperiode </tussenkop><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor
                    de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om
                    voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt
                    en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene
                    als spijtoptant per 1 januari van enig jaar terugkomen op deze beslissing voor
                    de resterende periode. </al><al></al><tussenkop>De vergoedingssystematiek </tussenkop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend
                    te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen
                    vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke
                    middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de
                    gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter
                    behoefte blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende
                    wijze van redeneren: </al><lijst><li nr="-"><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al></li><li nr="-"><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                            maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al></li><li nr="-"><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr="-"><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                            (bruto) vergoeding worden verstrekt.</al></li></lijst><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende. </al><tussenkop>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering </tussenkop><lijst><li nr="-"><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s;</al></li><li nr="-"><al>deelname aan cursussen en congressen en dergelijke.</al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door het raadslid,
                    maar worden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen worden om niet
                    in bruikleen gegeven. Zij vallen daardoor buiten de vergoedingssfeer. </al><tussenkop>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen
                    worden vergoed </tussenkop><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven het raadslid op basis van
                    declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan de gestelde
                    voorwaarden, onbelast worden vergoed. </al><tussenkop>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast
                    kunnen worden vergoed </tussenkop><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto) kostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op artikel 3 is aangegeven om welke beroepskosten
                    het gaat. </al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek, maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Hun vergoedingen worden niet gebruteerd toegekend, omdat zij hun
                    werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen.</al><tussenkop>Controle en verantwoording </tussenkop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijke gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden over het gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen
                    door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde belasting. </al><al>Dat is ook in hun belang, omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderd door onzekerheden over de financiering van de functionele
                    uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en
                    administratieve organisatie is ingericht, dat er vertrouwen kan bestaan over de
                    juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven. </al><al>In hoofdstuk IV is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven en declaratie
                    van vooruit betaalde kosten. </al><al>Daarbij gaat het onder meer om afspraken over de bestuurlijke uitgaven die in
                    aanmerking komen voor bespreking en zo nodig besluitvorming in het college. In
                    die gedragscode is ook het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging van
                    zakendiners met derden opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve
                    procedures beschreven over de afwikkeling van declaraties en facturen en de
                    daarbij te hanteren verdeling van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om
                    te gaan met interpretatie- of meningsverschillen. </al><al></al><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid </tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit
                    het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. </al><al>In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. De
                    gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de minister
                    vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op drie manieren: </al><lijst><li nr="-"><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                            percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                            maximum;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald
                            als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de raadsvergoeding
                            zijn;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast.</al></li></lijst><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                    raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt voor
                    alle raadsleden. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is
                    geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het
                    indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                    besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin is aangegeven, dat de
                    raadsvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een
                    percentage daarvan. </al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen kunnen sinds 1 januari 2006 verzoeken
                    hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                    lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze keuzemogelijkheid
                    moet bij verordening worden toegestaan en is opgenomen in artikel 11 van deze
                    verordening. </al><al></al><tussenkop>Artikel 3 Vaste onkostenvergoeding </tussenkop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het raadslidmaatschap verbonden
                    kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van de volgende kostencomponenten: </al><lijst><li nr="-"><al>representatie;</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur;</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen;</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten;</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften;</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten;</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis;</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><al>Sinds 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                    cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                    voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8, 16 en 17). De onkostenvergoeding
                    is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts bijgesteld. De vaste
                    kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden verstrekt.
                    Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is het bedrag
                    gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft echter geen
                    betrekking op raadsleden die niet hebben geopteerd voor het loonbelastingregime.
                    Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het
                    resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste kostenvergoeding
                    zonder de brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen,
                    blijft de raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal alsnog
                    worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting. </al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald.
                    Wel is in het rechtspositiebesluit voor raadsleden het maximale bedrag van de
                    kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en 13 is de hoogte van de
                    kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Ook de onkostenvergoeding kan
                    door de raad op een lager bedrag worden bepaald, dat echter niet lager mag zijn
                    dan 80% van het door de minister vastgestelde maximum. Het bedrag van de
                    kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan
                    de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                    besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin is aangegeven of de
                    onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een
                    percentage daarvan. </al><al></al><tussenkop>Artikel 5, 6 en 14 Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden </tussenkop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werk-verkeer’ voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads-
                    en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor
                    reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing
                    van het gemeentebestuur. </al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, lid 1, van de Gemeentewet echter
                    wel een vergoeding worden gegeven voor reis- en verblijfkosten in verband met
                    reizen binnen de gemeente. De gemeente Den Helder vergoedt slechts de reis- en
                    verblijfkosten in verband met reizen buiten de gemeente.</al><al>Tot 2004 werd in de rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit geval, de
                    Reisregeling binnenland en de Reisregeling buitenland zoals die voor de sector
                    Rijk zijn vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 is voor wethouders de ‘Regeling
                    rechtspositie wethouders’ en voor burgemeesters de ‘Regeling rechtspositie
                    burgemeesters’ ingevoerd. De vergoedingen in deze regelingen zijn in principe
                    dezelfde als in de genoemde reisregelingen zijn opgenomen, maar de minister van
                    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door deze specifieke regelingen
                    voor politieke ambtsdragers de mogelijkheid meer op het ambt toegespitste
                    vergoedingen vast te stellen. De huidige regelingen voor burgemeesters en
                    wethouders kennen in beginsel dezelfde bedragen als de rijksregeling. De
                    vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is niet
                    nader ingevuld. Daarmee is dit een lokale aangelegenheid die kan worden
                    vastgelegd in een voor de raadsleden door de raad vast te stellen
                    uitvoeringsregeling, waarbij eventueel aansluiting gezocht kan worden bij de
                    rijksregelingen. Het is aan te bevelen de lokale uitvoeringsregelingen op elkaar
                    af te stemmen. </al><al>Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden geen eigen
                    vergoedingsregeling is opgenomen, is in artikel 5, lid 2 onder b, aansluiting
                    gezocht bij de vergoedingsregeling voor wethouders, die, zoals gezegd,
                    overeenkomt met de vergoedingen in de Reisregeling binnenland. Daardoor wordt
                    het aantal regelingen waarnaar verwezen zou kunnen worden, beperkt. De
                    vergoeding van noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakt verblijfkosten is ook
                    voor raads- en commissieleden een lokale aangelegenheid die kan worden
                    vastgelegd in een door de raad vast te stellen uitvoeringsregeling, waarbij
                    aansluiting gezocht kan worden bij de uitvoeringsregeling voor de
                    wethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd. Vergoed kunnen worden de kosten van
                    openbaar vervoer of bij gebruik van eigen vervoermiddelen een
                    kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt. De vergoeding van
                    de reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is
                    voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte vervoermiddel. In het Handboek
                    loonheffingen 2013 wordt over de kilometervergoeding opgemerkt: </al><tussenkop>Andere vergoedingen</tussenkop><al>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt, zijn
                    loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer-, veer- en tolgelden, voor
                    (extra) afschrijving en slijtage van de auto, voor het inbouwen van een carkit,
                    voor extra benzineverbruik door een aanhangwagen of voor schade aan de auto. </al><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                    belast. </al><al></al><tussenkop>Artikelen 7 en 16 Cursus, congres, seminar of symposium </tussenkop><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht
                    en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn in
                    verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een onderscheid is
                    gemaakt tussen cursussen, congressen en dergelijke die door of vanwege de
                    gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen
                    en dergelijke waaraan het individuele raadslid in verband met de vervulling van
                    het raadslidmaatschap op eigen initiatief deelneemt. Partijgebonden
                    bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de gemeente worden gebracht. Om die
                    reden wordt in het tweede lid het algemeen belang van de cursus etc. benadrukt.
                    In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden gesteld (inhoudelijke
                    informatie over de cursus of het congres en een kostenspecificatie). Hierbij kan
                    de fractievoorzitter een rol spelen. In het aanvraagformulier (koppelen) is een
                    vraag opgenomen of de fractievoorzitter de aanvraag ondersteunt. </al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan te merken als beroepskosten, waarvan de vergoeding dan wel
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                    de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                    opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende
                    randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd. </al><al></al><tussenkop>Artikelen 8 en 17 Computer en internetverbinding </tussenkop><al>De apparatuur die een raadslid vanuit deze verordening aanschaft kan bestaan
                    uit:</al><lijst><li nr="-"><al>laptop/notebook (inclusief transport en/of beschermingsartikelen);</al></li><li nr="-"><al>Ipad of Android tablet (inclusief transport en/of
                            beschermingsartikelen);</al></li><li nr="-"><al>bijbehorende apparatuur (bestemd om aan de computer te worden gekoppeld
                            om informatie uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn een modem, een
                            printer, een fax en een docking station).</al></li></lijst><al>Belangrijk is dat niet kan worden gekozen voor een tablet met een ander
                    besturingssysteem dan IOS of Android, omdat de app van de gemeenteraad hier niet
                    voor beschikbaar is.</al><al></al><tussenkop>Artikel 9 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid </tussenkop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om
                    deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te blijven, worden
                    weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat indien een persoon
                    inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of
                    intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit, omdat een
                    dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid
                    ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor raadsleden kan dit ertoe
                    leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door een raadsvergoeding een
                    grote teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling. Dit kan
                    zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raadszetel of bij verhoging
                    van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van artikel 12 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen gemeenten hiervoor een
                    voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 11 van de verordening. Daarin
                    is geregeld dat op aanvraag een raadslid een lagere vergoeding voor de
                    werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal
                    leiden tot een verlaging van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van
                    het raadslid. </al><al></al><tussenkop>Artikel 10 Compensatie korting werkloosheidsuitkering </tussenkop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                    werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in
                    de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en
                    onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit
                    de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien iemand tot raadslid wordt
                    gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren dat het UWV
                    voor het raads- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze verlaging van de
                    WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden zal er een
                    negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is
                    geregeld in artikel 12 van de verordening.</al><al></al><tussenkop>Artikel 11 Ziektekostenvoorziening </tussenkop><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap of de
                    status van fiscaal zelfstandige moet over de raads- en onkostenvergoeding een
                    inkomensafhankelijke bijdrage worden betaald van 4,4%. Bij degenen die hebben
                    gekozen voor het fictieve werknemerschap wordt deze door de gemeente ingehouden;
                    zelfstandigen betalen deze via de inkomstenbelasting. Na afloop van het
                    belastingjaar zal aan de hand van de vaststelling van het maximum inkomen
                    waarover de bijdrage wordt geheven (dus alle belastbare inkomsten die in welke
                    hoedanigheid dan ook zijn ontvangen) worden vastgesteld of te veel is ingehouden
                    resp. betaald. In dat geval zal dat door de Belastingdienst worden terugbetaald,
                    te beginnen bij de inhoudingen van 4,4%. </al><al>De raad kan op grond van artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden besluiten dat deze tegemoetkoming wordt vastgesteld. Dit moet bij
                    verordening worden bepaald. Deze tegemoetkoming is door tussenkomst van de VNG
                    tot stand gekomen op verzoek van een groot aantal gemeenten als reactie op de
                    inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage waardoor de netto raadsvergoeding
                    vermindert. De tegemoetkoming kan worden gezien als een compensatie hiervoor. </al><al></al><tussenkop>Artikel 13 Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen </tussenkop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen en dergelijke, tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke
                    mate het gemeentelijk belang dient. De hoogte van het presentiegeld wordt bij
                    gemeentelijke verordening bepaald. De minister van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1 januari het maximum vast, zoals dat is
                    herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. In artikel 26,
                    eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te bepalen op het
                    door de minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager bedrag
                    vaststellen. Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook
                    de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde
                    gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder
                    bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 26, vierde lid, van de
                    verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar het is
                    ook mogelijk om het bedrag uit een hogere gemeenteklasse te kiezen. </al><al><vet></vet></al><tussenkop>Artikelen 18 t/m 21 De procedure van declaratie </tussenkop><al>In artikel 18 zijn de twee wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 19
                    tot en met 21 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze
                    aan de orde is en welke procedurevoorschriften in acht genomen moeten worden. </al><al></al><tussenkop>Declaratie van vooruitbetaalde kosten </tussenkop><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies;</al></li><li nr="-"><al>vergoeding voor de aanschaf van ict-middelen.</al><al></al></li></lijst><tussenkop>Rechtstreekse facturering bij de gemeente </tussenkop><al>Rekeningen kunnen rechtsreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in
                    gevallen van deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door
                    raadsleden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>