<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR32609_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Zwolle 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">de Peperbus, 14-04-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Zwolle 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=36">artikel 36 Wet Werk en Bijstand </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-03-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-04-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>gb 1-2010.053</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wie komt in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag, hoe is de aanvraagprocedure en wat is de hoogte van de toeslag?</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      VERORDENING LANGDURIGHEIDSTOESLAG GEMEENTE ZWOLLE 2010
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Algemene begrippen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>wet: de Wet werk en bijstand;</al></li>
              <li nr="b."><al>Wij: de Wet investeren in jongeren;</al></li>
              <li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Zwolle;</al></li>
              <li nr="d."><al>langdurigheidstoeslag: de toeslag als bedoeld in artikel 36
                                        van de wet;</al></li>
              <li nr="e."><al>referteperiode: een ononderbroken periode van 36
                                        kalendermaanden direct voorafgaand aan de peildatum;</al></li>
              <li nr="f."><al>peildatum: </al><lijst>
                  <li nr="1°"><al>indien belanghebbende voor het eerst een aanvraag
                                                langdurigheidstoeslag indient; de eerste dag van de
                                                kalendermaand volgend op de maand waarin de aanvraag
                                                is ingediend;</al></li>
                  <li nr="2°"><al>indien belanghebbende eerder een
                                                langdurigheidstoeslag heeft ontvangen, de eerste dag
                                                van de 13<sup>e</sup> kalendermaand gerekend vanaf
                                                de peildatum die bij de eerdere toekenning is
                                                gehanteerd;</al></li>
                  <li nr="3°"><al>in afwijking van het gestelde onder 2° wordt de
                                                peildatum vastgesteld op de eerste dag van de
                                                kalendermaand volgend op de maand waarin de aanvraag
                                                is ingediend als deze aanvraag in de 13<sup>e</sup>
                                                maand of later is ingediend;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="g."><al>peilmaanden: de 1<sup>e</sup> maand, 12<sup>e</sup> maand,
                                        24<sup>e</sup> maand en de 36<sup>e</sup> maand voorafgaande
                                        aan de peildatum;</al></li>
              <li nr="h."><al>norm: bedrag voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                                        bestaan, </al><lijst>
                  <li nr="1°"><al>het bedrag voor de algemeen noodzakelijke kosten van
                                                het bestaan zoals bedoeld in artikel 5 onder b van
                                                de wet of de inkomensvoorziening zoals bedoeld in
                                                artikel 24 van de Wij;</al></li>
                  <li nr="2°"><al>het bedrag voor de algemeen noodzakelijke kosten van
                                                het bestaan wordt voor een alleenstaande of een
                                                alleenstaande ouder vermeerderd met de toeslag;</al></li>
                  <li nr="3°"><al>de uitkomst van het gestelde onder 1° en 2° wordt
                                                verminderd met de in de wet of in de Wij geldende
                                                vakantietoeslag;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="i."><al>toeslag: het maximale bedrag van de toeslag als bedoeld in
                                        artikel 25 van de wet of artikel 30 van de Wij, voor zover
                                        deze toeslag op de situatie van belanghebbende van
                                        toepassing is;</al></li>
              <li nr="j."><al>inkomen: het inkomen van belanghebbende zoals bedoeld in
                                        artikel 32 en 33 lid 1 van de wet verminderd met de
                                        ontvangen vakantietoeslag. Tot het inkomen wordt ook
                                        gerekend de bijstand voor algemeen noodzakelijke kosten van
                                        het bestaan zoals genoemd in artikel 5 onder b van de wet en
                                        of de inkomensvoorziening zoals genoemd in artikel 24 van de
                                        Wij. Bij een gehuwde wordt uitgegaan van de som van het
                                        inkomen van belanghebbende en zijn partner;</al></li>
              <li nr="k."><al>partner: de persoon met wie de belanghebbende tijdens de
                                        referteperiode of op de peildatum al of niet gehuwd een
                                        gezamenlijke huishouding voert in de zin van artikel 3 van
                                        de wet;</al></li>
              <li nr="l."><al>vermogen: het vermogen van belanghebbende zoals bedoeld in
                                        artikel 34 van de wet. Bij een gehuwde wordt uitgegaan van
                                        de som van het vermogen van belanghebbende en zijn
                                        partner.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Langdurig laag inkomen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Er is sprake van een langdurig laag inkomen als het inkomen,
                                gedurende de referteperiode niet hoger was dan 115% van de
                                norm.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien het inkomen in de peilmaanden niet meer bedroeg dan 115% van
                                de norm wordt aangenomen dat voldaan wordt aan het gestelde in lid
                                1.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Indien als gevolg van wisselende of eenmalige inkomsten het inkomen
                                in een peilmaand hoger was dan 115% van de norm, wordt in afwijking
                                van het gestelde in lid 2, uitgegaan van een gemiddeld inkomen. Het
                                gemiddeld inkomen wordt berekend door de som van het inkomen dat
                                gedurende 36 maanden voorafgaand aan de peildatum is genoten te
                                delen door 36. Het gemiddelde inkomen mag niet meer bedragen dan
                                115% van de norm.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>In afwijking van het gestelde in lid 1, 2 en 3 is er eveneens sprake
                                van een langdurig laag inkomen als het inkomen gedurende de
                                referteperiode meer bedroeg dan 115% van de norm en het meerdere
                                gedurende de gehele referteperiode is aangewend ter aflossing van
                                een schuldenlast in het kader van een minnelijke schuldregeling of
                                een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering
                                Natuurlijke Personen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>In afwijking van het gestelde in lid 1, 2 en 3 is er eveneens sprake
                                van een langdurig laag inkomen als:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>belanghebbende of diens partner in een periode van 12
                                        maanden voorafgaand aan de peildatum een uitkering voor
                                        levensonderhoud heeft ontvangen op grond van een sociale
                                        verzekering of een sociale voorziening en</al></li>
              <li nr="b."><al>deze uitkering is beëindigd als gevolg van het aanvaarden
                                        van betaalde arbeid en</al></li>
              <li nr="c."><al>het inkomen in de referteperiode gedurende 12 maanden
                                        voorafgaand aan de peildatum niet meer bedroeg dan 130% van
                                        de norm en</al></li>
              <li nr="d."><al>het inkomen in de 13<sup>e</sup> tot en met de
                                        36<sup>e</sup> maand voorafgaand aan de peildatum niet meer
                                        bedroeg dan 115% van de norm. </al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Geen uitzicht op inkomensverbetering</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Er is geen uitzicht op inkomensverbetering als het inkomen,
                                gedurende de referteperiode was aan te merken als een langdurig laag
                                inkomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking van het gestelde in lid 1, is er sprake van uitzicht op
                                inkomensverbetering als een belanghebbende of diens partner op de
                                peildatum of in de referteperiode een inkomen geniet of heeft
                                genoten op grond van de Wet op de Studiefinanciering of de Wet
                                Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Wie komt voor de langdurigheidtoeslag in aanmerking</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Om voor de langdurigheidstoeslag in aanmerking te komen: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>dient de belanghebbende en diens partner op de peildatum
                                        ingeschreven te staan in de gemeentelijke basisadministratie
                                        van de gemeente Zwolle en</al></li>
              <li nr="b."><al>dient er sprake te zijn van een langdurig laag inkomen
                                        zonder uitzicht op inkomensverbetering en,</al></li>
              <li nr="c."><al>mag het inkomen in de maand voorafgaand aan de peildatum
                                        niet hoger zijn dan 115% van de norm en</al></li>
              <li nr="d."><al>mag het vermogen in de maand voorafgaand aan de peildatum
                                        niet meer zijn dan de vermogensgrens genoemd in artikel 34
                                        lid 2 onder d en lid 3 van de wet.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking van het gestelde in lid 1 onder c komt iemand in
                                aanmerking voor de langdurigheidstoeslag als:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het inkomen in komen in de maand voorafgaand aan de
                                        peildatum niet hoger is dan 130% van de norm en</al></li>
              <li nr="b."><al>voldaan wordt aan het gestelde in artikel 2 lid 4 of artikel
                                        2 lid 5. </al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Indien er sprake is van eigenwoning bezit is artikel 50 lid 1 van de
                                wet op overeenkomstige wijze van toepassing</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Wie komt niet voor de langdurigheidstoeslag in aanmerking</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Er bestaat geen recht op langdurigheidstoeslag indien in een periode
                                van 12 maanden voorafgaand aan de peildatum langdurigheidstoeslag is
                                verstrekt aan belanghebbende of diens partner.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Er bestaat geen recht op een langdurigheidstoeslag als
                                belanghebbende en of diens partner in de referteperiode buiten
                                Nederland heeft verbleven en het verblijf buiten Nederland, per
                                kalenderjaar bezien, langer was dan de periode genoemd in artikel 13
                                lid 1 onder d of artikel 13 lid 4 onder a van de wet. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Hoogte langdurigheidstoeslag</titel>
          </kop>
          <al>De hoogte van de langdurigheidstoeslag bedraagt voor een belanghebbende
                            die op de peildatum is aan te merken als:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>een gehuwde: 6% van de norm, zoals deze gold op 1 januari van
                                    het kalenderjaar, waarin de aanvraag is ingediend.</al></li>
            <li nr="b."><al>een alleenstaande ouder: 6% van de norm, zoals deze gold op 1
                                    januari van het kalenderjaar, waarin de aanvraag is
                                    ingediend.</al></li>
            <li nr="c."><al>een alleenstaande: 6% van de norm, zoals deze gold op 1 januari
                                    van het kalenderjaar, waarin de aanvraag is ingediend.</al></li>
            <li nr="d."><al>De uitkomst van het gestelde onder a, b of c wordt
                                    vermenigvuldigd met 12.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Aanvraag</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Voor het aanvragen van de langdurigheidstoeslag dient belanghebbende
                                gebruik te maken van een door het college vast te stellen
                                formulier.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De partner dient er schriftelijk mee in te stemmen dat
                                belanghebbende mede namens hem een aanvraag indient.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Bij de aanvraag dient belanghebbende de op het aanvraagformulier
                                gevraagde bewijsstukken te overleggen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Indien het naar het oordeel van het college noodzakelijk is, dient
                                de belanghebbende naast de op het aanvraagformulier aangegeven
                                bewijsstukken nadere informatie te verstrekken.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Hardheidsclausule</titel>
          </kop>
          <al>Het college kan in bijzondere gevallen artikel 1 onder f, artikel 2 lid
                            4, artikel 4 onder a, artikel 5 lid 2 buiten toepassing laten of daarvan
                            afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van belanghebbende
                            leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Ingangsdatum</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op datum bekendmaking.De
                                    bepalingen van deze verordening zijn ook van toepassing op
                                    aanvragen die in de periode 1 januari 2010 tot het tijdstip van
                                    de datum van inwerkingtreding zijn ingediend.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <tussenkop>TOELICHTING VERORDENING LANGDURIGHEIDSTOESLAG GEMEENTE ZWOLLE
                    2010</tussenkop>
        <tussenkop>Aanleiding</tussenkop>
        <al>De langdurigheidstoeslag bestaat sinds 2004. In de Wet werk en bijstand (WWB)
                    die per 1 januari 2004 in werking is getreden zijn bepalingen (artikel 36 WWB)
                    opgenomen die het verstrekken van de langdurigheidstoeslag regelen. De regering
                    heeft als wens gemeenten meer armslag te geven in de bestrijding van armoede
                    door gerichte inkomensondersteuning (coalitieakkoord). Deze wens is ook
                    neergelegd als afspraak in het Bestuursakkoord Rijk en Gemeenten “Samen aan de
                    slag”. Daarin is afgesproken dat de langdurigheidstoeslag wordt gedereguleerd.
                    Daarnaast stuit de langdurigheidstoeslag in de gemeentelijke praktijk veelvuldig
                    op uitvoeringsproblemen. Eén en ander heeft er toe geleid dat het parlement op
                    voorstel van het kabinet de bepalingen voor de langdurigheidstoeslag met ingang
                    van 1 januari 2009 heeft gewijzigd. Eén van de gevolgen van deze wetswijziging
                    is dat de gemeente meer beleidsvrijheid krijgt. De gemeenteraad moet voor het
                    verstrekken van de langdurigheidstoeslag een verordening vaststellen. In juni
                    2009 heeft de gemeenteraad de verordening langdurigheidstoeslag 2009
                    vastgesteld. Als gevolg van de invoering van de Wet investeren in jongeren (Wij)
                    per 1 oktober 2009 was het nodig om wijzigingen aan te brengen. Daarnaast leiden
                    een aantal bepalingen tot ongewenste situaties en bleek dat een aantal
                    bepalingen bij nader inzicht juridisch niet haalbaar zijn. Het gaat hierbij met
                    name om situaties waarbij mensen in een ABWZ inrichting of in een instelling
                    voor maatschappelijke opvang verblijven en of dak- of thuisloos zijn. In deze
                    verordening is met deze punten rekening gehouden. </al>
        <tussenkop>Waarom langdurigheidstoeslag? </tussenkop>
        <al>In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de
                    bepalingen rond de langdurigheidstoeslag wordt aangegeven dat de
                    “rechtvaardiging van de langdurigheidsheidstoeslag is dat mensen die langdurig
                    van het sociaal minimum afhankelijk zijn, over het algemeen geen mogelijkheden
                    meer hebben om te reserveren voor (onverwachte) hoge kosten, zoals
                    vervangingsuitgaven die na verloop van tijd onvermijdelijk zijn”. Ook wordt
                    vermeld: “Om deze reden wordt de langdurigheidstoeslag voor één jaar toegekend
                    en in één belastingvrij bedrag uitbetaald. Hiermee wordt bereikt dat er op het
                    moment van uitbetaling ruimte ontstaat binnen het budget waaruit hogere kosten
                    kunnen worden voldaan, bijvoorbeeld voor vervangingsuitgaven. Dat betekent dat
                    bij bijzondere bijstandsverlening voor een bepaald gebruiksgoed bijvoorbeeld,
                    enerzijds rekening kan worden gehouden met reeds verleende
                    langdurigheidstoeslag. Anderszijds moet nagegaan worden of er bijzondere
                    omstandigheden zijn waarom ook na ontvangst van de langdurigheidstoeslag
                    bijzondere bijstand nodig is”. Deze uitgangspunten golden bij de invoering van
                    de Wet werk en bijstand en blijven ook na de wetswijziging gehandhaafd.</al>
        <tussenkop>Verschil tussen de oude en nieuwe wetgeving? </tussenkop>
        <al>In beginsel kwam iemand die 60 maanden of langer leeft van een inkomen dat niet
                    hoger is dan de bijstandsnorm en een vermogen heeft dat niet meer is dan het
                    vrij te laten bescheiden vermogen voor de langdurigheidstoeslag in aanmerking.
                    Cruciaal in de oude bepalingen was het al of niet aanwezig zijn van
                    arbeidsmarktperspectief (in het verleden en in de toekomst). Alleen bij het
                    ontbreken van arbeidsmarkt perspectief kwam men voor langdurigheidstoeslag in
                    aanmerking. In artikel 36 WWB werd uitdrukkelijk aangegeven dat iemand die
                    gedurende de referteperiode (60 maanden) inkomsten uit of in verband met arbeid
                    heeft ontvangen niet voor langdurigheidstoeslag in aanmerking kwam. Aangezien de
                    bepalingen tot onbillijkheden leidden is één en ander in 2006 wat versoepeld. De
                    wettelijke bepalingen waren ingewikkeld en lastig uit te voeren. Daarnaast heeft
                    de Centrale Raad van Beroep een aantal uitspraken gedaan die tot een
                    aanzienlijke verruiming hebben geleid.</al>
        <al>Onder de oude bepalingen had de gemeente vrijwel geen beleidsvrijheid. De
                    langdurigheidstoeslag viel niet onder de begripsomschrijving bijstand en de
                    meeste WWB bepalingen golden niet voor de langdurigheidstoeslag. </al>
        <al/>
        <al>Op grond van het nieuwe artikel 36 WWB kan iemand van 21 jaar in aanmerking
                    komen voor de langdurigheidstoeslag (was 23 jaar). Ook in de nieuwe wetgeving is
                    iemand van 65 jaar of ouder uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag.
                    De rechtvaardiging hiervoor ligt in het feit dat de hoogte van de AOW-uitkering
                    hoger is dan de bijstandsuitkering voor iemand die jonger dan 65 jaar is. Verder
                    is de bepaling gehandhaafd dat iemand slechts eenmaal binnen een periode van 12
                    maanden in aanmerking kan komen voor een langdurigheidstoeslag. In tegenstelling
                    tot de oude wetgeving zijn de meeste bepalingen van de WWB van toepassing op de
                    langdurigheidstoeslag. </al>
        <al>Het nieuwe artikel 36 geeft aan dat iemand “die langdurig een laag inkomen en
                    geen in aanmerking te nemen vermogen als in artikel 34 heeft en geen uitzicht
                    heeft op inkomensverbetering” in aanmerking kan komen voor een
                    langdurigheidstoeslag. De WWB laat de invulling van deze begrippen over aan de
                    gemeente. De begrippen arbeidsmarktperspectief en inkomen uit arbeid zijn in de
                    nieuwe bepalingen niet meer opgenomen.</al>
        <al/>
        <al>Schematisch overzicht verschil oude en nieuwe wetgeving</al>
        <table>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="col1" colwidth="35*"/>
            <colspec colname="col2" colwidth="31*"/>
            <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="34*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Oude wetgeving</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Nieuwe wetgeving</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Doelgroep</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>23 tot 65 jaar</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>21 tot 65 jaar</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Aard inkomen</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Geen inkomen uit arbeid</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Beleidsvrijheid gemeente</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Hoogte inkomen</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Niet hoger dan WWB-norm</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Beleidsvrijheid gemeente</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Langdurig laag inkomen</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>60 maanden </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Beleidsvrijheid gemeente</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Arbeidsmarktperspectief</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Ldt alleen bij gebrek aan arbeidsmarktperspectief</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Begrip is niet meer opgenomen</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Uitzicht op inkomensverbetering</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Begrip gold niet onder de oude wetgeving</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Ldt als er geen uitzicht is op inkomensverbetering. Gemeente
                                        moet begrip zelf invullen</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Vermogenstoets</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Zelfde als bij de WWB</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Zelfde als bij de WWB</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Aanvraag</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Verplicht</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Verplicht</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Hoogte toeslag</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>In de wet geregeld ± 3% bijstandsnorm</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Beleidsvrijheid gemeente</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Frequentie verstrekking</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>1x per 12 maanden</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>1x per 12 maanden</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>De nieuwe langdurigheidstoeslag is een bijzondere vorm van bijzondere bijstand.
                    Hierdoor is de langdurigheidstoeslag niet langer vatbaar voor beslag. In
                    tegenstelling tot de reguliere bepalingen van de bijzondere bijstand gelden de
                    bepalingen bij de verlening van bijstand voor de algemene bestaanskosten over in
                    aanmerking te nemen en vrij te laten middelen (inkomen en vermogen) ook voor de
                    langdurigheidstoeslag. </al>
        <al>Het feit dat de langdurigheidstoeslag een vorm van bijzondere bijstand is
                    geworden, heeft gevolgen voor de financiering vanuit het rijk. In de oude
                    situatie kreeg de gemeente via het Inkomensdeel van het WWB-budget een
                    vergoeding voor het verstrekken van de langdurigheidstoeslag. In de nieuwe
                    situatie zijn de landelijke uitgaven voor de langdurigheidstoeslag uit het
                    Inkomensdeel van het WWB-budget genomen en toegevoegd aan de middelen die via de
                    algemene uitkering van het gemeentefonds beschikbaar worden gesteld. Ook hier
                    gaat het om een niet geoormerkte toevoeging aan de algemene uitkering van het
                    gemeentefonds. </al>
        <tussenkop>Wat regelt deze verordening? </tussenkop>
        <al>In artikel 8 WWB is aangegeven dat de gemeenteraad bij verordening regels moet
                    stellen voor de verstrekking van de langdurigheidstoeslag. In ieder geval moet
                    dit betrekking hebben op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze
                    waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen. Met
                    deze verordening wordt voldaan aan de wettelijke opdracht. Daarnaast regelt deze
                    verordening: wie er wel of niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking
                    komt en de aanvraagprocedure. De bepalingen in deze verordening die betrekking
                    hebben op wie wel of niet in aanmerking komen voor de langdurigheidstoeslag zijn
                    een aanvulling op de bepalingen van artikel 11 WWB (rechthebbenden) en artikel
                    13 WWB (uitsluiting van het recht op bijstand). </al>
        <tussenkop>Wat wil de gemeente Zwolle bereiken?</tussenkop>
        <al>De gemeente Zwolle wil bereiken dat de langdurigheidstoeslag meer dan voorheen
                    een middel is om armoede te bestrijden. Dit wordt bereikt door de doelgroep van
                    het armoedebeleid en de doelgroep voor de langdurigheidstoeslag gelijk te
                    trekken. Door de hoogte van de langdurigheidstoeslag zodanig vast te stellen dat
                    iemand daadwerkelijk kan reserveren voor grotere uitgaven kan voorkomen worden
                    dat men een beroep op bijzondere bijstand voor deze uitgaven moet doen. Voor
                    mensen die langdurig van een laag inkomen moeten leven ontstaat er een situatie
                    dat zij meer zekerheid hebben en dat zij meer dan bij de bijzondere bijstand
                    zelf kunnen nagaan of er recht op een voorziening bestaat. </al>
        <tussenkop>Toelichting per artikel </tussenkop>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>e.referteperiode</al>
        <al>Artikel 36 van de Wet werk en bijstand geeft aan dat een langdurigheidstoeslag
                    verstrekt kan worden aan iemand die langdurig een laag inkomen heeft en geen in
                    aanmerking te nemen vermogen heeft en geen uitzicht heeft op
                    inkomensverbetering. In deze verordening wordt bepaald dat gedurende een
                    referteperiode wordt getoetst of voldaan wordt aan langdurig, laag inkomen en
                    geen uitzicht op inkomensverbetering. Volgens het Nibud ontstaan er in de regel
                    bij mensen die langdurig moeten leven van een laag inkomen na 36 maanden
                    problemen bij de reservering voor duurdere uitgaven en of vervanging van
                    duurzame gebruiksgoederen. Hierbij is aansluiting gezocht door de referteperiode
                    vast te stellen op een aaneen gesloten periode van 36 maanden. Door deze periode
                    “in het verleden” te leggen ontstaat een beter beeld dan door een en ander “in
                    de toekomst” te bezien. </al>
        <al/>
        <al>f.peildatum</al>
        <al>Het is voor de duidelijkheid naar belanghebbenden en voor een eenduidige
                    uitvoering van belang om vast te leggen wanneer de referteperiode start. De WWB
                    regelt dit niet, zodat in deze verordening hiervoor bepalingen zijn opgenomen.
                    Bij de langdurigheidstoeslag zoals deze tot 1 januari 2009 gold, werd uitgegaan
                    van een aaneen gesloten periode van 60 maanden. Het recht op
                    langdurigheidstoeslag ontstond direct na afloop van die periode. De samenhang
                    tussen de aanvraagdatum en de ingangsdatum van de referteperiode was niet
                    geregeld. Hierdoor was het mogelijk om geruime tijd (soms zelfs meer dan een
                    jaar) alsnog een aanvraag in te dienen. Ook in het nieuwe artikel 36 WWB wordt
                    één en ander niet geregeld. De wetgever heeft echter de WWB artikelen die
                    betrekking hebben op de aanvraag niet van toepassing verklaard op de
                    langdurigheidstoeslag. Ten einde duidelijkheid te scheppen is in deze
                    verordening bij de begripsomschrijving peildatum aangegeven wanneer de peildatum
                    start en is een relatie gelegd met de aanvraagdatum. </al>
        <al>Bepaald is dat de referteperiode aanvangt op de 1<sup>e</sup> van de maand
                    volgend op de maand waarin de aanvraag is ingediend. Vanaf deze datum wordt 36
                    maanden teruggekeken. Deze bepaling geldt voor de eerste aanvraag
                    langdurigheidstoeslag. Na 12 maanden kan iemand opnieuw voor
                    langdurigheidstoeslag in aanmerking komen. In een dergelijke situatie gaat de
                    referteperiode in op de 1<sup>e</sup> van de 13<sup>e</sup> maand volgend op de
                    vorige peildatum. Het kan voorkomen dat iemand pas na 12 maanden een
                    vervolgaanvraag indient. In een dergelijke situatie wordt de peildatum gesteld
                    op de 1<sup>e</sup> van de maand volgend op de maand waarin de aanvraag is
                    ingediend. Op deze wijze is het niet mogelijk om een aanvraag met terugwerkende
                    kracht toe te kennen.</al>
        <al>Het komt voor dat iemand in een andere gemeente een langdurigheidstoeslag heeft
                    ontvangen en bijvoorbeeld als gevolg van een verhuizing vervolgens via de
                    gemeente Zwolle aansluitend een langdurigheidstoeslag wil ontvangen. In een
                    dergelijke situatie wordt uitgegaan van de peildatum die de vorige gemeente
                    heeft vastgesteld, tenzij de aanvraag in de 13<sup>e</sup> maand of later
                    volgend op de eerdere peildatum wordt ingediend.</al>
        <al>In de volgende voorbeelden wordt de werking van de vaststelling van de
                    referteperiode nader toegeleicht.</al>
        <tussenkop>
          <onderstreept>Eerste aanvraag</onderstreept>
        </tussenkop>
        <tussenkop>Voorbeeld 1</tussenkop>
        <al>Iemand dient op 12 maart 2009 voor het eerst een aanvraag ldt in (heeft nog niet
                    eerder ldt ontvangen):</al>
        <al>Peildatum wordt gesteld op de 1<sup>e</sup> van de maand volgend op de aanvraag
                    waarin de aanvraag is ingediend. In het voorbeeld dus 1 april 2009.</al>
        <al>De referteperiode is een ononderbroken periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                    peildatum. In het voorbeeld is de referteperiode dus de periode: 1 april 2006
                    tot en met 31 maart 2009.</al>
        <tussenkop>Voorbeeld 2 </tussenkop>
        <al>Iemand leeft op 1 april 2009 36 maanden van een laag inkomen. De aanvraag wordt
                    pas in oktober 2009 ingediend. De referteperiode is de periode 1 november 2006
                    tot en met 31 oktober 2009. </al>
        <al>
          <onderstreept>Vervolg aanvraag</onderstreept>
        </al>
        <al>De wet geeft aan dat iemand 1x per 12 maanden in aanmerking komt voor de ldt. In
                    de verordening is bepaald dat de peildatum wordt gesteld op de 1<sup>e</sup> van
                    de 13<sup>e</sup> maand gerekend vanaf de eerdere peildatum.</al>
        <tussenkop>Voorbeeld 3</tussenkop>
        <al>Uitgaande van het eerste voorbeeld ontstaat de volgende situatie als iemand in
                    maart 2010 een vervolg aanvraag indient:</al>
        <al>Eerdere peildatum: 1 april 2009 </al>
        <al>Vervolg aanvraag: 3 maart 2010 </al>
        <al>Peildatum vervolg aanvraag: 1 april 2010</al>
        <al>Referteperiode: 1 april 2007 tot en met 31 maart 2010.</al>
        <al>Er kunnen zich bij een vervolg aanvraag echter situaties voordoen die afwijken
                    van voorbeeld 3.</al>
        <tussenkop>Voorbeeld 4</tussenkop>
        <al>Iemand dient binnen de periode van 12 maanden volgend op de eerste peildatum een
                    aanvraag in. </al>
        <al>Aanvraagdatum: 10 februari 2010</al>
        <al>Eerdere peildatum: 1 april 2009</al>
        <al/>
        <al>Als de hoofdregel gevolgd zou worden komt de peildatum te liggen op 1 maart
                    2010. Een en ander ligt binnen de eerder genoemde periode van 12 maanden,
                    waardoor de aanvraag afgewezen moet worden. Om dit laatste te voorkomen wordt in
                    artikel 2 onder e 2° bepaald dat in een dergelijke situatie de peildatum wordt
                    gesteld op de 1<sup>e</sup> van de maand van de 13<sup>e</sup> kalendermaand
                    gerekend vanaf de vorige peildatum. De referte periode is dus 1 april 2007 tot
                    en met 31 maart 2010.</al>
        <tussenkop>Voorbeeld 5</tussenkop>
        <al>Iemand dient na de periode van 12 maanden volgend op de eerste peildatum een
                    aanvraag in. </al>
        <al>Aanvraag datum: 10 mei 2010</al>
        <al>Eerdere peildatum: 1 april 2009</al>
        <al/>
        <al>In een dergelijke situatie geldt de hoofdregel dat de peildatum wordt gesteld op
                    de 1<sup>e</sup> van de maand volgend de maand waarin de aanvraag is ingediend.
                    De peildatum wordt gesteld op 1 juni 2010. De referteperiode wordt 1 juni 2007
                    tot en met 31 mei 2010.</al>
        <al>In een dergelijke situatie wordt dus niet aangesloten bij de afloop van de
                    eerdere referteperiode. Als dit wel zou gebeuren wordt het mogelijk om met
                    terugwerkende kracht aan te vragen, hetgeen als niet wenselijk wordt
                    ervaren.</al>
        <al/>
        <al>k.partner</al>
        <al>Bij de begripsomschrijving partner is aansluiting gezocht bij de bepalingen van
                    de WWB. Het kan voorkomen dat er tijdens de referteperiode sprake is van
                    meerdere partners, dat er op de peildatum sprake is van een andere partner of
                    dat er in de referteperiode gedurende bepaalde tijdvakken geen sprake was van
                    een partner. In dergelijke situaties wordt bij de toetsing uitgegaan van de
                    feitelijke situatie. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 2 Langdurig laag inkomen </vet>
        </al>
        <al>Er is sprake van een langdurig laag inkomen als gedurende de referteperiode het
                    inkomen van belanghebbende of de som van het inkomen van belanghebbende en diens
                    partner niet hoger is dan 115% van de bijstandsnorm. Door voor 115% van de
                    bijstandsnorm te kiezen is aansluiting gezocht bij de doelgroep van het
                    armoedebeleid van de gemeente Zwolle. </al>
        <al>Voor mensen die een traject in het kader van schuldhulpverlening volgen is een
                    bepaling opgenomen die afwijkt van de 115% grens. Mensen met een hoger inkomen
                    hebben in een dergelijke situatie veelal een besteedbaar inkomen dat lager ligt
                    dan de bijstandsnorm. Ook is een bepaling opgenomen die bij uitstroom uit een
                    uitkering naar betaalde arbeid nog eenmaal de verstrekking van de
                    langdurigheidstoeslag mogelijk maakt als het inkomen na uitstroom hoger is dan
                    115% van de bijstandsnorm.</al>
        <al/>
        <al>Om praktische redenen is er voor gekozen om het inkomen niet gedurende de hele
                    periode van 36 maanden te toetsen, maar dit slechts op 4 momenten te doen (de
                    1<sup>e</sup> maand, 12<sup>e</sup> maand, 24<sup>e</sup> maand en de
                    36<sup>e</sup> maand voorafgaande aan de peildatum). Op deze wijze wordt de
                    bewijslast voor belanghebbende verminderd en ontstaat er toch een redelijk beeld
                    over de inkomenssituatie. Bij een vervolg aanvraag wordt gebruik gemaakt van de
                    reeds bekende gegevens en kan belanghebbende volstaan met het verstrekken van
                    het inkomen voorafgaand aan de peilmaand.</al>
        <al>Het komt voor dat er sprake is van een wisselend inkomen, waardoor het hanteren
                    van de peilmaanden geen juist beeld geeft. In een dergelijke situatie wordt
                    uitgegaan van het gemiddelde inkomen over 36 maanden. Ook komt het voor dat het
                    hanteren van peilmaanden bij zelfstandigen niet mogelijk is of geen juist beeld
                    oplevert. In een dergelijke situatie wordt individueel bepaald of iemand van een
                    langdurig laag inkomen leeft, en welke bewijsstukken hiervoor overlegd moeten
                    worden.</al>
        <al/>
        <al>In tegenstelling tot wat bij de bijzondere bijstandsverlening is bepaald zijn de
                    WWB artikelen over het al of niet in aanmerking nemen van middelen (inkomsten en
                    vermogen) van toepassing op de verstrekking van de langdurigheidstoeslag.
                    Eveneens om praktische redenen wordt het inkomen verminderd met de ontvangen
                    vakantietoeslag en wordt dit vervolgens getoetst aan de op de gezinssituatie van
                    toepassing zijnde bijstandsnorm voor algemene bestaanskosten, nadat deze norm is
                    verminderd met de vakantietoeslag. </al>
        <al/>
        <al>Bij alleenstaanden of alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder bestaat de WWB
                    uitkering en de inkomensvoorziening op grond van de Wij uit twee delen: de
                    landelijke basisnorm en de gemeentelijke toeslag. Het verstrekken van de
                    gemeentelijke toeslag is afhankelijk van de situatie van betrokkene (veelal het
                    al of niet kunnen delen van de kosten). De tekst van de verordening geeft aan
                    dat bij de toetsing van het inkomen aan de norm de toeslag meegenomen wordt voor
                    zover deze toeslag op de situatie van betrokkene van toepassing is. Om
                    praktische reden wordt bij een alleenstaande van 23 jaar of ouder of een
                    alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder ongeacht de feitelijke situatie de
                    landelijke basisnorm verhoogd met de maximale toeslag op grond van de WWB en of
                    Wij. Aan een alleenstaande van 21 of 22 jaar wordt volgens het toeslagenbeleid
                    van de gemeente Zwolle geen toeslag toegekend. Bij deze groep vindt de toetsing
                    in het kader van de langdurigheidstoeslag uitsluitend plaats op de landelijke
                    basisnorm.</al>
        <al/>
        <al>Vanaf 21 jaar bestaat er aanspraak op langdurigheidstoeslag. Hierdoor moet bij
                    een 21 jarige het inkomen vanaf het 18<sup>e</sup> jaar getoetst worden. Voor
                    een 18, 19 en 21 jarige kent de Wij afzonderlijke normen. Deze normen maken geen
                    onderscheid tussen jongeren die bij ouders wonen of die zelfstandig wonen. De
                    toetsing van het inkomen in het kader van de langdurigheidstoeslag vindt plaats
                    naar de landelijke normen, met eventueel aanvullende bijzondere bijstand wordt
                    geen rekening gehouden. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 3 Geen uitzicht op inkomensverbetering </vet>
        </al>
        <al>Bij de beoordeling of er sprake is van uitzicht op inkomensverbetering wordt
                    niet uitgegaan of er in de toekomst sprake kan zijn van inkomensverbetering. Een
                    dergelijke beoordeling kan moeilijk plaatsvinden en kan veel discussie
                    opleveren. Gekozen is om als iemand langdurig van het zelfde inkomensniveau
                    leeft er van uit te gaan dat er geen sprake is van uitzicht op
                    inkomensverbetering. Om praktische redenen is er voor gekozen hiervoor dezelfde
                    periode en hetzelfde inkomensniveau te hanteren als bij de beoordeling of iemand
                    voldoet aan landurig laag inkomen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 4 en 5 Wie komt wel of niet voor langdurigheidstoeslag in
                        aanmerking?</vet>
        </al>
        <al>In artikel 11 WWB wordt aangegeven wie recht hebben op bijstand. Dit artikel is
                    eveneens van toepassing op de verstrekking van de langdurigheidstoeslag. Hieruit
                    volgt dat:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>alleen mensen die hier te lande verblijven recht hebben op de
                            langdurigheidstoeslag.</al></li>
        </lijst>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven en die voldoen aan
                            het gestelde in artikel 11 lid 2 en 3 recht hebben op een
                            langdurigheidstoeslag.</al></li>
        </lijst>
        <al>Artikel 13 WWB lid 1 bepaalt wie uitgesloten zijn van het recht op bijstand. Het
                    betreft hier zowel de bijstand voor algemene bijstand als de bijzondere
                    bijstand. Ook dit artikel is van toepassing op de verstrekking van de
                    langdurigheidstoeslag. Voor de duidelijkheid wordt aangegeven dat er onder
                    andere geen recht op langdurigheidstoeslag bestaat als:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>iemand gedetineerd is, tenzij er sprake is van een situatie als bedoeld
                            in artikel 13 lid 3 (bijzondere vormen van detentie).</al></li>
        </lijst>
        <al>Artikel 13 WWB bepaalt dat iemand die jonger is dan 27 jaar geen recht op
                    bijstand heeft. In artikel 36 WWB wordt echter aangeven dat iemand pas recht op
                    de langdurigheidstoeslag heeft als hij 21 jaar maar nog geen 65 jaar is. </al>
        <al>De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn van belang bij de toetsing van de
                    situatie op het moment van de aanvraag cq de peildatum. Het is de vraag of deze
                    bepalingen ook toegepast kunnen worden op de situatie tijdens de referteperiode.
                    Om praktische redenen vindt deze toetsing alleen plaats op het moment van
                    aanvraag cq de peildatum. Hierop wordt één uitzondering gemaakt. Bij een
                    verblijf in het buitenland tijdens de referteperiode is het niet objectief vast
                    te stellen of iemand voldoet aan de bepalingen rond langdurig laag inkomen en
                    het al of niet aanwezig zijn van vooruitzicht op inkomensverbetering. Bovendien
                    is het niveau van een buitenlands inkomen niet of nauwelijks te vergelijken met
                    het niveau van een Nederlands inkomen. In de verordening is een bepaling
                    opgenomen, vergelijkbaar met art 13 WWB lid d, die recht op
                    langdurigheidstoeslag uitsluit bij langdurig verblijf in buitenland tijdens de
                    referteperiode.</al>
        <al/>
        <al>Eén van de voorwaarden om voor de langdurigheidstoeslag in aanmerking te komen
                    is dat een belanghebbende voldoet aan de vermogensbepalingen. In de wet worden
                    voor eigen woning bezit vermogensvrijlatingen genoemd. Deze
                    vermogensvrijlatingen zijn ook van toepassing op de verlening van de
                    langdurigheidstoeslag. In de wet wordt echter aangegeven dat als iemand als
                    gevolg van het bezit van een eigen woning meer vermogen heeft dan het vermogen
                    dat vrijgelaten mag worden er onder voorwaarden bijstand verleend kan worden in
                    de vorm van een lening. Het is niet toegestaan om de langdurigheidstoeslag in de
                    vorm van een lening te verstrekken. Een strikte toepassing van de wet, betekent
                    dat er in een dergelijke situatie geen langdurigheidstoeslag verleend kan
                    worden, hetgeen tot een onbillijke situatie kan leiden. In een situatie dat
                    iemand als gevolg van het eigen woning bezit meer vermogen heeft dan toegestaan,
                    het duidelijk is dat het inkomen in de referteperiode en in de maand voorafgaand
                    aan de peildatum niet meer is dan 115% van de bijstandsnorm wordt de
                    langdurigheidstoeslag wel verleend. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 6 Hoogte langdurigheidstoeslag</vet>
        </al>
        <al>Er is gekozen om de langdurigheidstoeslag op jaar basis vast te stellen op 6%
                    van bijstandsnorm voor algemene bijstand. Bij de bijzondere bijstandsverlening
                    voor duurzame gebruiksgoederen hanteert de gemeente als richtlijn dat iemand met
                    een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm in staat is om op jaarbasis 6% van
                    de bijstandsnorm te reserveren voor de aanschaf en of vervanging van duurzame
                    gebruiksgoederen en stoffering of het op peil houden van de woninginrichting.
                    Door de hoogte van de langdurigheidstoeslag op 6% van de bijstandsnorm te
                    stellen, beschikt iemand die langdurig van een laag inkomen afhankelijk is over
                    de mogelijkheid tot reserveren voor duurdere uitgaven. </al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>