<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR325738_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Treasurystatuut</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Rheden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Rheden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">elektronisch Gemeenteblad, 19-03-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Treasurystatuut</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 212 en 213</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet financiering decentrale overheden</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-02-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-03-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Treasurystatuut</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Rheden;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 20
                        januari 2014;</al><al>gelet op artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet, de Wet financiering
                        decentrale overheden en de Wet regeling uitzettingen en derivaten decentrale
                        overheden;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen het navolgende <vet>Treasurystatuut</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>BEGRIPPEN EN DOELSTELLINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippenkader</titel></kop><al>In dit statuut wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>Daggeldrente: de daggeldrente is de dagelijkse vaststelling door
                                    de Europese Centrale Bank van de rente waartegen gemiddeld
                                    genomen overnight en zonder onderpand liquiditeiten zijn geleend
                                    in de eurogeldmarkt door een panel van banken (EONIA, afgerond
                                    op 2 decimalen).</al></li><li nr="-"><al>Derivaten: financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan
                                    een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden
                                    kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn.
                                    Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te
                                    sturen en financieringskosten te minimaliseren.</al></li><li nr="-"><al>Financiering: het aantrekken van benodigde financiële middelen
                                    voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen
                                    bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen.</al></li><li nr="-"><al>Financieringsparagraaf: paragraaf in de begroting en
                                    jaarrekening waarin de beleidskaders van het Treasurystatuut
                                    worden vertaald in beleidsvoornemens (begroting) en realisatie
                                    (jaarrekening).</al></li><li nr="-"><al>Geldstromenbeheer: al die activiteiten die nodig zijn om
                                    liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf
                                    als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer).</al></li><li nr="-"><al>Intern liquiditeitsrisico: de risico’s van mogelijke wijzigingen
                                    in de liquiditeitenplanning en meerjaren investeringsplanning
                                    waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de
                                    verwachtingen.</al></li><li nr="-"><al>Kasgeldlimiet: een bedrag op basis van de Wet fido ter grootte
                                    van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de
                                    gemeente bij aanvang van het jaar. De kasgeldlimiet begrenst de
                                    omvang van de korte financiering (korter dan een jaar).</al></li><li nr="-"><al>Koersrisico: het risico dat de financiële activa van de
                                    organisatie in waarde verminderen door negatieve
                                    koersontwikkelingen.</al></li><li nr="-"><al>Kredietrisico: de risico’s op een waardedaling van een vordering
                                    ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de
                                    verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie of
                                    deficit.</al></li><li nr="-"><al>Liquiditeitenbeheer: het aantrekken en uitzetten van middelen
                                    voor een periode tot één jaar.</al></li><li nr="-"><al>Liquiditeitenplanning: een gestructureerd overzicht van de
                                    toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld naar aard en
                                    tijdseenheid.</al></li><li nr="-"><al>Openbaar lichaam: een bestuursorgaan met rechtspersoon, zijnde
                                    de staat, zijn territoriale lichamen, publiekrechtelijke
                                    instellingen en verenigingen gevormd door een of meer van deze
                                    lichamen of meer van deze publiekrechtelijke instellingen.</al></li><li nr="-"><al>Rating: de inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen
                                    bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op
                                    schuldpapier.</al></li><li nr="-"><al>Renterisico: het gevaar van ongewenste veranderingen van de
                                    (financiële) resultaten van de gemeente door
                                    rentewijzigingen.</al></li><li nr="-"><al>Renterisiconorm: een bij de aanvang van enig jaar op basis van
                                    de Wet fido gefixeerd percentage van het totaal van de vaste
                                    schuld van de gemeente dat bij de realisatie niet mag worden
                                    overschreden.</al></li><li nr="-"><al>Rentetypische looptijd: het tijdsinterval gedurende de looptijd
                                    van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de
                                    geldlening sprake is van een door de verstrekker van de
                                    geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding.</al></li><li nr="-"><al>Rentevisie: toekomstverwachting over de rente-ontwikkeling.</al></li><li nr="-"><al>Saldobeheer: het beheer van de dagelijkse saldi op de
                                    rekeningen.</al></li><li nr="-"><al>Solvabiliteitsratio van 0%: status die door een bancaire
                                    toezichthouder in een lidstaat van de Europese Economische
                                    Ruimte (lidstaten van de Europese Unie uitgebreid met Noorwegen,
                                    IJsland en Liechtenstein) aan het schuldpapier van een
                                    onderneming kan worden toegekend.</al></li><li nr="-"><al>Treasuryfunctie: de treasuryfunctie omvat alle activiteiten die
                                    zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden
                                    over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden,
                                    de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan
                                    verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit vier
                                    deelfuncties: risicobeheer, gemeentefinanciering, kasbeheer en
                                    debiteuren- en crediteurenbeheer.</al></li><li nr="-"><al>Uitzetting: het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan
                                    derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen.
                                    Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot
                                    één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een
                                    periode van één jaar of langer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelstellingen van de treasuryfunctie</titel></kop><al>De treasuryfunctie van de gemeente dient tot:</al><lijst><li nr="1."><al>Het verzekeren van duurzame toegang tot financiële markten tegen
                                    acceptabele condities. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het beschermen van gemeentelijke vermogens- en (rente)resultaten
                                    tegen ongewenste financiële risico’s zoals renterisico’s,
                                    koersrisico’s, kredietrisico’s en liquiditeitsrisico’s. </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en externe
                                    kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële
                                    posities. </al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Het optimaliseren van de renteresultaten binnen de kaders van de
                                    Wet fido respectievelijk de limieten en richtlijnen van het
                                    Treasurystatuut.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>RISICOBEHEER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Uitgangspunten risicobeheer </titel></kop><al>Met betrekking tot risicobeheer gelden de volgende algemene
                            uitgangspunten:</al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente mag leningen of garanties uit hoofde van de
                                    ‘publieke taak’ uitsluitend verstrekken binnen de uitgangspunten
                                    van risicobeheer zoals deze blijken uit artikel 6 lid 2. Voor de
                                    vraag of sprake is van een ‘publieke taak’ zijn de
                                    doelstellingen, zoals opgenomen in de programmabegroting,
                                    bepalend. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De gemeente kan middelen uitzetten uit hoofde van de
                                    treasuryfunctie indien deze uitzettingen een prudent karakter
                                    hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door
                                    het lopen van overmatig risico. Het prudente karakter van deze
                                    uitzettingen wordt gewaarborgd door middel van de richtlijnen en
                                    limieten van dit Treasurystatuut. </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het gebruik van derivaten is toegestaan maar deze worden
                                    uitsluitend toegepast ter beperking van financiële risico’s.
                                    Alvorens een derivatentransactie wordt afgesloten wint de
                                    gemeente het advies in van een externe onafhankelijke
                                    adviseur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Renterisicobeheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kasgeldlimiet wordt niet overschreden conform de Wet fido.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De renterisiconorm wordt niet overschreden conform de Wet fido.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Nieuwe leningen/uitzettingen worden afgestemd op de bestaande
                                financiële positie en de liquiditeitenplanning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De rentetypische looptijd en het renteniveau van de betreffende
                                lening/uitzetting wordt zoveel mogelijk afgestemd op de actuele
                                rentestand en de rentevisie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De rentevisie van de gemeente wordt in de financieringsparagraaf van
                                de begroting uiteengezet en indien noodzakelijk tussentijds
                                bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Binnen de kaders gesteld onder lid 3 en lid 4, streeft de gemeente
                                tevens naar spreiding in de rentetypische looptijden van
                                leningen/uitzettingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Koersrisicobeheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente beperkt de koersrisico’s op uitzettingen uit hoofde van
                                treasury, hierbij geldt als uitgangspunt de hoofdsomgarantie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tevens beperkt de gemeente de koersrisico’s door conform artikel 7
                                de looptijd van de uitzettingen af te stemmen op de
                                liquiditeitenplanning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Kredietrisicobeheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Het uitzetten van middelen uit hoofde van treasury tot en
                                        met 3 maanden vindt uitsluitend plaats bij financiële
                                        ondernemingen met ten minste een A-rating van één van de
                                        volgende erkende ratingbureaus: Moody’s, Standard &amp;
                                        Poors of Fitch IBCA;</al></li><li nr="b."><al>uitzettingen van langer dan 3 maanden worden alleen gedaan
                                        bij een financiële onderneming met een rating van AA
                                        toegekend door minimaal twee van de drie erkende
                                        ratingbureaus (Moody’s, Standard &amp; Poors of Fitch
                                        IBCA).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van leningen of garanties uit hoofde van de
                                publieke taak worden indien mogelijk zekerheden of garanties geëist.
                                In de financieringsparagraaf van de begroting wordt de publieke taak
                                nader ingevuld en worden de voorwaarden waaronder leningen en
                                garanties worden verstrekt, nader uitgewerkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor elk voornemen tot het verstrekken van een lening of garantie
                                geeft de afdeling Bedrijfsvoering, een (financieel) advies waarbij
                                de financiële positie en de kredietwaardigheid van de ‘vragende’
                                partij wordt beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het uitzetten van middelen uit hoofde van treasury vindt uitsluitend
                                plaats bij financiële ondernemingen waarvan het land van vestiging
                                tot de Europese Economische Ruimte behoort, (EU + Noorwegen, IJsland
                                en Liechtenstein) en het land een minimale creditlandenrating van AA
                                heeft, toegekend door minimaal twee van de drie erkende
                                ratingsbureaus (Moody’s, Standard &amp; Poors of Fitch IBCA).</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Tijdelijke overtollige gelden van aangetrokken leningen voor
                                projectfinanciering worden uitsluitend uitgezet bij de financiële
                                onderneming waar de leningen zijn aangegaan. Hiervoor wordt een
                                netting-overereenkomst gesloten, zodat bij niet nakomen van de
                                verplichtingen, vorderingen en schulden tegen elkaar kunnen worden
                                weggestreept. Indien een dergelijke overeenkomst niet is afgesloten,
                                moet de financiële onderneming voldoen aan de rating vereisten zoals
                                vermeld in artikel 6 lid 1 en 4.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Intern liquiditeitsrisicobeheer</titel></kop><al>De gemeente beperkt haar interne liquiditeitsrisico’s door haar
                            treasuryactiviteiten te baseren op een korte termijn
                            liquiditeitenplanning (looptijd tot één jaar), alsmede een meerjarige
                            liquiditeitenplanning met een looptijd van minimaal 3 jaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Valutarisicobeheer</titel></kop><al>De gemeente sluit valutarisico’s uit door uitsluitend leningen te
                            verstrekken, aan te gaan of te garanderen in de Nederlandse
                            geldeenheid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>SCHATKISTBANKIEREN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overtollige liquide middelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er mogen uitsluitend ten behoeve van de publieke taak leningen
                                worden aangegaan, middelen worden uitgezet of garanties worden
                                verleend. Voor het overige worden de liquide middelen in ’s Rijks
                                schatkist aangehouden. Deze middelen blijven te allen tijde
                                beschikbaar voor de publieke taak.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, kunnen liquide middelen in de vorm
                                van leningen worden uitgezet bij openbare lichamen. Met uitzondering
                                van openbare lichamen waarvan de gemeente Rheden met het financiële
                                toezicht is belast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Uitzonderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitgezonderd van het verplicht aanhouden in de schatkist zijn de
                                volgende middelen:</al><lijst><li nr="a."><al>middelen voor zover deze, gerekend over een kwartaal
                                        gemiddeld het drempelbedrag, zoals bedoeld in het tweede
                                        lid, niet te boven gaan;</al></li><li nr="b."><al>middelen op een G-rekening als bedoeld in artikel 1, onder
                                        k, van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en
                                        opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 van het Rijk.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het drempelbedrag genoemd in lid 1a wordt bepaald op basis van het
                                begrotingstotaal van de gemeente Rheden. Indien het begrotingstotaal
                                kleiner of gelijk aan € 500 miljoen is het drempelbedrag gelijk aan
                                0,75% van het begrotingstotaal, waarbij het drempelbedrag minimaal €
                                250.000,00 bedraagt. Indien het begrotingstotaal groter dan € 500
                                miljoen is, is het drempelbedrag gelijk aan € 3,75 miljoen,
                                vermeerderd met 0,2% van het deel van het begrotingstotaal dat de €
                                500 miljoen te boven gaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het drempelbedrag wordt jaarlijks in de financieringsparagraaf van
                                de begroting opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de benutting van het drempelbedrag wordt bij het jaarverslag
                                gerapporteerd over de benutting per kwartaal.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Middelen van derden vallen buiten het schatkistbankieren; het zijn
                                geen middelen van de gemeente Rheden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de uitgezonderde middelen gelden de reguliere regels rondom
                                uitzettingen zoals ze verder in deze verordening staan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>GEMEENTEFINANCIERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Financiering</titel></kop><al>Bij het aantrekken van financieringen voor een periode van één jaar en
                            langer gelden de volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="1."><al>Financieringen worden uitsluitend aangetrokken ten behoeve van
                                    de uitoefening van de publieke taak. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel
                                    mogelijk beperkt door primair de beschikbare interne
                                    financieringsmiddelen te gebruiken, teneinde de renterisico’s te
                                    beperken en het renteresultaat te optimaliseren. </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De gemeente vraagt offertes op bij tenminste 1 onderneming
                                    alvorens een financieringsovereenkomst wordt afgesloten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Langlopende uitzettingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het uitzetten van middelen uit hoofde van de treasuryfunctie en
                                voorzover niet in conflict met artikel 9 en 10, voor een periode van
                                één jaar en langer gelden, naast de voorwaarden van artikel 3, 4, 5,
                                en 6, dat de gemeente bij tenminste 1 onderneming een offerte vraagt
                                alvorens een langlopende uitzetting wordt gedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Middelen die aangehouden worden bij de schatkist, mogen binnen de
                                schatkist geplaatst worden op een depositorekening. De looptijd
                                hiervan is minimaal 2 dagen en maximaal 30 jaar met de mogelijkheid
                                tot vervroegd vrijvallen tegen de actuele marktwaarde, zoals
                                berekend in bijlage 1 van de Regeling rekening-courant- en
                                leningenbeheer derden van het Rijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Relatiebeheer</titel></kop><al>De gemeente beoogt het realiseren van gunstige c.q. marktconforme
                            condities voor af te nemen financiële diensten. Hiervoor gelden de
                            volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="1."><al>Bankrelaties en hun bancaire condities worden ten minste ééns in
                                    de 3 jaar beoordeeld.</al></li><li nr="2."><al>Bankrelaties dienen wat betreft hun kredietwaardigheid minimaal
                                    te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in artikel 6 lid
                                    1.</al></li><li nr="3."><al>Financiële ondernemingen (kredietinstellingen,
                                    beleggingsinstellingen, effecteninstellingen, verzekeraars en
                                    pensioenfondsen) dienen onder Nederlands of anderszins
                                    EER-toezicht te vallen, zoals De Nederlandsche Bank en de
                                    Verzekeringskamer.</al></li><li nr="4."><al>Tussenpersonen dienen geregistreerd te staan bij de Stichting
                                    Toezicht Effectenverkeer (STE) en daarvan een vergunning als
                                    makelaar te hebben ontvangen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>KASBEHEER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Geldstromenbeheer</titel></kop><al>Teneinde de kosten van het geldstromenbeheer te minimaliseren
                            wordt:</al><lijst><li nr="1."><al>het liquiditeitsgebruik beperkt door de geldstromen op
                                    gemeenteniveau op elkaar en de liquiditeitenplanning af te
                                    stemmen. Hierbij wordt erop toegezien dat de liquiditeitspositie
                                    voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen tijdig
                                    kunnen worden nagekomen;</al></li><li nr="2."><al>het betalingsverkeer zoveel mogelijk elektronisch uitgevoerd
                                    door één bank.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Saldo- en liquiditeitenbeheer</titel></kop><al>Voor het saldobeheer en het liquiditeitenbeheer gelden de volgende
                            specifieke richtlijnen:</al><lijst><li nr="1."><al>de gemeente streeft naar concentratie van de liquiditeiten
                                    binnen één rentecompensatiecircuit bij de bank met de gunstigste
                                    condities welke voldoet aan de in artikel 6 lid 1 gestelde
                                    eisen;</al></li><li nr="2."><al>indien er een liquiditeitsbehoefte ontstaat kan de gemeente
                                    kortlopende middelen aantrekken. Hierbij wordt -conform artikel
                                    4 lid 1- de kasgeldlimiet niet overschreden;</al></li><li nr="3."><al>toegestane instrumenten bij het aantrekken van kortlopende
                                    middelen zijn daggeld, kasgeldleningen en kredietlimiet op
                                    rekening courant;</al></li><li nr="4."><al>toegestane instrumenten bij het uitzetten van gelden voor een
                                    periode korter dan één jaar zijn rekening-courant, daggeld,
                                    spaarrekeningen, deposito’s, commercial papers en certificates
                                    of deposit. De instrumenten dienen te voldoen aan artikel 5 lid
                                    1;</al></li><li nr="5"><al>het is niet toegestaan om middelen aan te trekken enkel met doel
                                    deze middelen uit te zetten teneinde een hoger rendement te
                                    verkrijgen.</al></li><li nr="6."><al>de gemeente vraagt bij ten minste 1 onderneming een offerte op
                                    alvorens middelen worden aangetrokken of uitgezet met een
                                    looptijd korter dan één jaar.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>ADMINISTRATIEVE ORGANISATIE EN INFORMATIEVOORZIENING</titel></kop><afdeling><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Uitgangspunten administratieve organisatie en interne controle</titel></kop><structuurtekst><al>In het kader van de treasuryfunctie gelden de volgende algemene
                                uitgangspunten op het gebied van administratieve organisatie en
                                interne controle:</al><lijst><li nr="1."><al>eenduidige schriftelijke vastlegging van de
                                        verantwoordelijkheden en bevoegdheden van
                                        treasuryactiviteiten;</al></li><li nr="2."><al>schriftelijke vastlegging van bevoegdheden via delegatie en
                                        mandaat;</al></li><li nr="3."><al>functiescheiding bij treasuryactiviteiten met als
                                        belangrijkste voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>iedere transactie wordt door minimaal twee
                                                functionarissen geautoriseerd (het
                                                vier-ogen-principe);</al></li><li nr="b."><al>de uitvoering en de controle geschiedt door
                                                afzonderlijke functionarissen;</al></li><li nr="c."><al>de uitvoering en de registratie in de financiële
                                                administratie geschiedt door afzonderlijke
                                                functionarissen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Tegenpartijen wordt opdracht gegeven de bevestigingen van
                                        iedere transactie te versturen naar de financiële
                                        administratie zonder tussenkomst van de personen die bevoegd
                                        zijn tot het sluiten van de transacties.</al></li><li nr="5."><al>Een transactie wordt onmiddellijk geregistreerd door de
                                        functionaris die de transactie heeft afgesloten.</al></li><li nr="6."><al>Na ontvangst van de transactiebevestiging wordt de
                                        transactie direct gecontroleerd door de functionaris belast
                                        met de interne controle.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verantwoordelijkheden</titel></kop><al>De verantwoordelijkheden van de raad en het college met betrekking
                                tot de treasuryfunctie van de gemeente zijn in onderstaande tabel
                                nader uitgewerkt.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet>Functie</vet></al></entry><entry><al><vet>Verantwoordelijkheden</vet></al></entry><entry><al><vet>Delegatie</vet></al></entry></row><row><entry><al>Raad</al></entry><entry><al>- Het vaststellen van het Treasurystatuut</al><al>- Het houden van toezicht op het
                                                  treasurybeleid</al><al>- Het evalueren van het treasurybeleid</al></entry><entry><al>De raad delegeert de uitvoering van het
                                                  treasurybeleid conform het statuut aan het
                                                  college</al></entry></row><row><entry><al>College</al></entry><entry><al>- Stelt het treasurybeleid op en legt dit vast
                                                  in een Treasurystatuut</al><al>- Legt verantwoording af aan de raad over het te
                                                  voeren/uitgevoerde treasurybeleid</al><al>- De uitvoering van het treasurybeleid en ziet
                                                  toe op een transparante functiescheiding bij de
                                                  uitvoering</al></entry><entry><al>Het college geeft zonodig een nadere uitwerking
                                                  van het treasurybeleid in de vorm van
                                                  uitvoeringsrichtlijnen</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Informatievoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beleidsmatige informatie over de invulling van de
                                    treasuryfunctie wordt opgenomen in de financieringsparagraaf van
                                    de begroting. In het jaarverslag legt het college verantwoording
                                    af over de resultaten van het gevoerde beleid inzake de
                                    treasuryfunctie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de financieringsparagraaf van de begroting doet het college
                                    in ieder geval verslag van:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene ontwikkelingen;</al></li><li nr="-"><al>de doelstellingen en uitgangspunten van de
                                            treasuryfunctie;</al></li><li nr="-"><al>het beleid inzake risicobeheer;</al></li><li nr="-"><al>het beleid inzake de gemeentefinanciering;</al></li><li nr="-"><al>de financieringspositie van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>de financieringslasten en de renterisico’s;</al></li><li nr="-"><al>het drempelbedrag zoals beschreven staat in artikel
                                            10.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de financieringsparagraaf van het jaarverslag legt het
                                    college verantwoording af over de resultaten van het gevoerde
                                    beleid zoals is opgenomen in de financieringsparagraaf van de
                                    begroting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het schatkistbankieren heeft geen gevolgen voor de middelen die
                                    voor 4 juni 2012, 18.00 uur zijn uitgezet met een looptijd die
                                    eindigt na de datum van inwerkingtreding van deze wet. Ten
                                    aanzien van deze middelen blijven de regels gelden die van
                                    toepassing waren op het moment dat zij werden uitgezet tot het
                                    moment waarop de looptijd eindigt of zoveel eerder als zij
                                    worden geliquideerd voordat de looptijd eindigt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het drempelbedrag voor 2014 is 0,75% * € 109.279.000,00 = €
                                    819.593,00.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit Treasurystatuut treedt één dag na publicatie in
                                    werking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het Treasurystatuut vastgesteld d.d. 1 december 2011 wordt
                                    gelijktijdig ingetrokken.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 25 februari 2014, nr. 4.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Steeg, 25 februari 2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>voorzitter.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Memorie van toelichting</label></kop><al/><al>In dit Treasurystatuut zijn de kaders uiteengezet waarbinnen het college zich in
                    de uitvoering van de treasuryfunctie dient te houden. In het besluit
                    uitvoeringsrichtlijnen regelt het college de uitvoering, waaronder de
                    positionering van de treasuryfunctie in de organisatie en de regeling van de
                    verantwoordelijkheden en het mandaat. In artikel 2 van dit Treasurystatuut
                    worden de doelstellingen van de treasuryfunctie benoemd. Volgend op dit artikel
                    geeft het Treasurystatuut aan binnen welke richtlijnen en limieten de
                    doelstellingen dienen te worden gerealiseerd. Een richtlijn is een bindend
                    voorschrift voor een handelswijze die gevolgd moet worden en een limiet is een
                    type richtlijn die een uiterste grens aangeeft. Een belangrijk deel van de
                    limieten en richtlijnen is bepaald door de Wet fido. Door middel van de limieten
                    en richtlijnen wordt het ‘risicoprofiel’ van de gemeente bepaald, waarbinnen de
                    treasuryactiviteiten dienen te worden uitgevoerd. </al><al/><al>Hieronder wordt artikelsgewijs een toelichting gegeven op dit
                    Treasurystatuut.</al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>In artikel 2 worden de doelstellingen van de treasuryfunctie van de gemeente
                    weergegeven, hieronder worden deze afzonderlijk toegelicht.</al><al/><al><vet>Artikel 2 lid 1</vet></al><al>In de eerste plaats dient de treasury ervoor te zorgen dat de gemeente ‘duurzaam
                    toegang heeft tot de financiële markten tegen acceptabele condities’. De
                    richtlijnen en limieten in dit Treasurystatuut geven een waarborg dat de
                    gemeente duurzaam in staat is de voor haar activiteiten benodigde middelen aan
                    te trekken c.q. haar overtollige middelen uit te zetten op de financiële markten
                    (bijv. bij banken). De condities die daarbij worden bedongen dienen, in het
                    licht van de op het betreffende moment gebruikelijke condities, acceptabel
                    (tenminste marktconform) te zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2 lid 2</vet></al><al>De gemeente loopt de volgende financiële risico’s: renterisico’s, koersrisico’s,
                    kredietrisico’s, interne liquiditeitsrisico’s en valutarisico’s. De richtlijnen
                    en limieten in dit Treasurystatuut zijn opgenomen om dergelijke risico’s te
                    beperken. In de artikelen 4 tot en met 8 wordt aangegeven op welke wijze dit
                    wordt gewaarborgd.</al><al/><al><vet>Artikel 2 lid 3</vet></al><al>De derde doelstelling van de treasuryfunctie is het minimaliseren van de kosten
                    bij het beheren van de geldstromen en de financiële posities. Deze kosten
                    bestaan o.a. uit rentekosten, provisies en kosten van het betalingsverkeer. Het
                    is de taak van het college om het beheer zo efficiënt mogelijk uit te
                    voeren.</al><al/><al><vet>Artikel 2 lid 4</vet></al><al>De gemeente streeft ernaar de renteresultaten te optimaliseren. Dit betekent dat
                    de gemeente geen middelen onbenut laat maar streeft naar zo hoog mogelijke
                    renteopbrengsten (c.q. zo laag mogelijk rentekosten) zonder dat daarbij
                    overmatige risico’s worden gelopen. De prioriteiten van de treasuryfunctie
                    liggen in eerste instantie bij het beheersen en beperken van financiële
                    risico’s; de treasuryfunctie is immers géén winstgerichte afdeling (‘profit
                    center’). Binnen het acceptabele risicoprofiel zoals vastgesteld in de Wet fido
                    en dit Treasurystatuut dient desondanks te worden gestreefd naar optimalisatie
                    van de renteresultaten.</al><al/><al><vet>Artikel 3 lid 1</vet></al><al>De Wet fido geeft twee belangrijke beleidsmatige uitgangspunten met betrekking
                    tot treasury. Dit betreft de ‘publieke taak’ waarvoor leningen en garanties
                    dienen enerzijds en het prudente karakter van (overige) uitzettingen anderzijds.
                    Er wordt hierbij dus een specifiek onderscheid gemaakt tussen het verstrekken
                    van leningen ‘uit hoofde van de publieke taak’ en het uitzetten van middelen
                    ‘uit hoofde van treasury’.</al><al>De wet stelt geen eisen aan het verstrekken van <onderstreept>leningen en
                        garanties uit hoofde van de publieke taak</onderstreept>. Wel wordt in de
                    toelichting op de Wet fido het volgende aangegeven: ‘Het gemeentebestuur bepaalt
                    de publieke taak. De begroting en de begrotingswijzigingen bepalen het
                    budgettaire kader voor de uitoefening van de publieke taak’. In dit licht bezien
                    bepalen de doelstellingen zoals opgenomen in de programmabegroting primair het
                    ‘publieke karakter’ van een aanvraag voor een lening dan wel een garantie. In de
                    financieringsparagraaf van de begroting wordt de publieke taak nader
                    geconcretiseerd met waar mogelijk objectieve maatstaven voor het in aanmerking
                    komen van een lening of garantie.</al><al/><al><vet>Artikel 3 lid 2</vet></al><al>Conform de Wet fido, dienen <onderstreept>uitzettingen ‘uit hoofde van
                        treasury’</onderstreept> (zie toelichting artikel 3 lid 1) een prudent
                    karakter te hebben. In de Wet fido en de bijbehorende ministeriële regelingen
                    wordt het begrip ‘prudent’ nader uitgewerkt. Het aangaan van financiële
                    transacties met als oogmerk die financiële waarden te zijner tijd eventueel met
                    winst te verkopen, is nadrukkelijk niet toegestaan (zie artikel 2a lid 2 Wet
                    fido en de memorie van toelichting op de Wet fido). Bankachtige activiteiten
                    -het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van
                    inkomen- zijn als gevolg van deze bepaling verboden. De richtlijnen en limieten
                    van dit Treasurystatuut vallen binnen de kaders van de Wet fido. De limieten en
                    richtlijnen van dit Treasurystatuut zijn specifiek geformuleerd om het prudente
                    karakter van de uitzettingen uit hoofde van treasury te garanderen.</al><al/><al><vet>Artikel 3 lid 3</vet></al><al>Derivaten zijn financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde
                    onderliggende waarde. Derivaten kennen een breed toepassingsgebied en worden
                    onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te
                    minimaliseren. De Wet fido stelt dat derivaten uitsluitend mogen worden gebruikt
                    ter beperking van financiële risico’s.</al><al>Gezien de (mogelijke) complexiteit van derivaten en de beperkte kennis binnen de
                    organisatie omtrent dergelijke instrumenten, zal vooraf advies worden ingewonnen
                    van een onafhankelijke adviseur.</al><al/><al><vet>Artikel 4 lid 1</vet></al><al>Renterisicobeheer omvat het beperken van de invloed van (externe)
                    rentewijzigingen op de financiële resultaten van de gemeente.</al><al>Een belangrijk uitgangspunt van de Wet fido is het vermijden van grote
                    fluctuaties in de rentelasten van openbare lichamen. Teneinde een grens te
                    stellen aan korte financiering (met een rentetypische looptijd tot één jaar) is
                    in de Wet fido de kasgeldlimiet opgenomen. Juist voor korte financiering geldt
                    dat het renterisico aanzienlijk kan zijn, aangezien fluctuaties in de rente bij
                    korte financiering direct een relatief grote invloed hebben op de rentelasten.
                    De kasgeldlimiet wordt berekend als een percentage (8,2%) van het totaal van de
                    jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar (zie artikel 3 en 4 van
                    de Wet fido en de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden).</al><al/><al><vet>Artikel 4 lid 2</vet></al><al>Het doel van de renterisiconorm is het beheersen van de renterisico’s op de
                    vaste schuld (schuld met een rentetypische looptijd van één jaar of langer) door
                    het aanbrengen van spreiding in de looptijden in de leningenportefeuille. De
                    renterisiconorm kan worden berekend door een vastgesteld percentage (in 2001:
                    30% daarna 20%) te vermenigvuldigen met de totale vaste schuld per 1 januari van
                    enig jaar (zie artikel 6 van de Wet fido en de Uitvoeringsregeling financiering
                    decentrale overheden).</al><al/><al><vet>Artikel 4 lid 3</vet></al><al>Afstemming op de liquiditeitenplanning beoogt middelen slechts te lenen c.q. uit
                    te zetten gedurende de periode dat zij daadwerkelijk nodig respectievelijk
                    beschikbaar zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 4 lid 4</vet></al><al>Een rentevisie is een toekomstverwachting over de renteontwikkeling, op basis
                    waarvan een financierings- en beleggingsbeleid wordt gevoerd. Afhankelijk van de
                    (interne of externe) ontwikkelingen zal de gemeente haar rentevisie
                    actualiseren. De rentevisie kan daarbij gebaseerd worden op de rentevisie van
                    enkele gezaghebbende financiële ondernemingen, zoals de huisbankier. Afstemming
                    van het beleid op de rentevisie betekent bijvoorbeeld het uitstellen van
                    uitzettingen met een lange looptijd indien men een rentestijging verwacht.</al><al/><al><vet>Artikel 4 lid 5</vet></al><al>Door spreiding aan te brengen in de rentetypische looptijd (de periode dat de
                    rente van een uitzetting vast is) van uitzettingen, wordt de invloed van een
                    rentedaling op de renteresultaten gespreid over meerdere jaren. Deze spreiding
                    is slechts mogelijk indien uit de liquiditeitsplanning blijkt dat middelen
                    gedurende een langere periode beschikbaar zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 5 lid 1</vet></al><al>Ten aanzien van de financiële instrumenten die kunnen worden gehanteerd voor
                    uitzettingen in het kader van treasury, geldt in de Wet fido als belangrijkste
                    uitgangspunt dat de hoofdsom van de betreffende uitzetting aan het einde van
                    looptijd in tact blijft. Bij alle in dit artikel genoemde producten wordt aan
                    het einde van de looptijd ten minste de hoofdsom (bij vastrentende waarden de
                    ‘nominale waarde’) uitgekeerd.</al><al>Bij het uitzetten van gelden op rekening courant, spaarrekening, daggeld of
                    deposito’s worden géén koersrisico’s gelopen. Het kan bij dergelijke producten
                    echter voorkomen dat de opnamemogelijkheden beperkt zijn (in het bijzonder bij
                    deposito’s en soms bij een spaarrekening). Certificates of deposit, commercial
                    papers, obligaties en medium term notes zijn vastrentende waarden die
                    (tussentijds) verhandelbaar zijn. Bij tussentijdse verkoop kunnen koersrisico’s
                    worden gelopen. Wanneer deze waarden tot het einde van hun looptijd worden
                    aangehouden zal minimaal de nominale waarde en de vooraf overeengekomen
                    (minimale) rente worden uitgekeerd.</al><al/><al>Garantieproducten zijn beleggingsproducten waarbij de uitgevende (financiële)
                    onderneming garandeert dat op de <cursief>afloopdatum</cursief> (een bepaald
                    percentage van) de hoofdsom wordt uitgekeerd. Garantieproducten keren vaak
                    minder of geen rente uit en bieden in plaats daarvan bijvoorbeeld een rendement
                    dat gebaseerd is op een aandelen-index (zoals de AEX-index). Garantieproducten
                    waarbij minder dan 100% van de hoofdsom wordt gegarandeerd zijn expliciet niet
                    toegestaan onder de Wet fido.</al><al>Bij garantieproducten is vaak enkel de hoofdsom gegarandeerd. Aangezien de reële
                    waarde (de koopkracht) van de hoofdsom door inflatie kan verminderen, verdient
                    het de aanbeveling om bij een langere looptijd naast een hoofdsomgarantie een
                    minimaal rendement (bijv. ter hoogte van het inflatieniveau) te eisen.</al><al/><al>Voor uitzettingen uit hoofde van de publieke taak van de gemeente worden in dit
                    Treasurystatuut geen richtlijnen met betrekking tot producten opgenomen. Van
                    belang is dat de Gemeenteraad bepaalt dat de betreffende uitzetting tot de
                    ‘publieke taak’ van de gemeente behoort. In dit kader is het bijvoorbeeld
                    mogelijk dat uitzettingen in de vorm van aandelen tot de publieke taak
                    behoren.</al><al/><al><vet>Artikel 5 lid 2</vet></al><al>Koersrisico’s kunnen nooit volledig worden uitgesloten. Als de organisatie in
                    een vastrentend product heeft belegd maar -wegens wijziging in de
                    liquiditeitenplanning- voor de afloopdatum deze uitzetting moet verkopen, dan
                    wordt niet 100% van de hoofdsom terugbetaald, maar de actuele waarde van de
                    uitzetting afhankelijk van de rente en resterende looptijd. Om deze
                    koersrisico’s zoveel mogelijk te beperken stemt de gemeente de looptijd van de
                    uitzetting af op de liquiditeitenplanning.</al><al/><al><vet>Artikel 6 lid 1</vet></al><al>Ter beperking van kredietrisico’s zijn in dit artikel richtlijnen opgenomen voor
                    de minimale kredietwaardigheid van de partijen waar de gemeente middelen kan
                    uitzetten/beleggen. Een (credit)rating is een beoordeling van de
                    kredietwaardigheid van een onderneming, die voor zowel de korte als voor de
                    lange termijn wordt toegekend door gerenommeerde rating ‘agencies’ zoals
                    Standard &amp; Poor’s, Moody’s en Fitch IBCA. De hoogste kredietwaardigheid
                    wordt bij Standard &amp; Poor’s en Fitch IBCA weergegeven met AAA, gevolgd door
                    AA en A. Moody’s kwalificeert van hoog naar laag Aaa, Aa en A. Daarnaast kent
                    men kwalificaties met letters B, C en D. Een A-rating staat voor ‘zeer
                    kredietwaardig’. Als gevolg van de actualisatie van de Wet fido is het overigens
                    niet langer toegestaan dat gemeenten middelen uitzetten bij financiële
                    ondernemingen die niet beschikken over een rating.</al><al>Op dit moment worden in de ruddo de volgende ratings gehanteerd:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet><cursief>Moody’s</cursief></vet></al></entry><entry><al><vet><cursief>Standard &amp; Poor’s</cursief></vet></al></entry><entry><al><vet><cursief>Fitch</cursief></vet></al></entry></row><row><entry><al>Aaa</al></entry><entry><al>AAA</al></entry><entry><al>AAA</al></entry></row><row><entry><al>Aa1</al></entry><entry><al>AA-plus</al></entry><entry><al>AA-plus</al></entry></row><row><entry><al>Aa2</al></entry><entry><al>AA</al></entry><entry><al>AA</al></entry></row><row><entry><al>Aa3</al></entry><entry><al>Aa-minus</al></entry><entry><al>Aa-minus</al></entry></row><row><entry><al>A1</al></entry><entry><al>A-plus</al></entry><entry><al>A-plus</al></entry></row><row><entry><al>A2</al></entry><entry><al>A</al></entry><entry><al>A</al></entry></row><row><entry><al><vet>A3</vet></al></entry><entry><al><vet>A-min A3</vet></al></entry><entry><al><vet>A-min</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Artikel 6 lid 2</vet></al><al>De Wet fido stelt geen eisen aan de kwaliteit van de debiteuren bij het
                    verstrekken van leningen of garanties aan derden in het kader van de publieke
                    taak. De publieke taak en de voorwaarden waaronder het college over gaat tot het
                    verstrekken van leningen of garanties worden in de financieringsparagraaf van de
                    begroting nader ingevuld. Omdat de Gemeenteraad de publieke taak bepaalt, worden
                    leningen of garanties uitsluitend verstrekt aan partijen die voldoen aan de in
                    de financieringsparagraaf opgenomen voorwaarden. Teneinde de kredietrisico’s te
                    beheersen kunnen zekerheden of garanties worden verlangd van de debiteuren.</al><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Interne liquiditeitsrisico’s doen zich bijvoorbeeld voor wanneer de gemeente
                    middelen voor een bepaalde periode heeft uitgezet en gedurende de looptijd van
                    de uitzetting blijkt dat de middelen (onverwacht) nodig zijn voor het doen van
                    een investering. Dit kan tot gevolg hebben dat de gemeente tijdelijk een lening
                    moet aantrekken (wanneer de uitzettingen vast staan in bijvoorbeeld een
                    deposito) ofwel tussentijds een uitzetting moet verkopen (bijvoorbeeld een
                    obligatie). In beide gevallen kan dit negatieve gevolgen hebben voor de
                    financiële resultaten.</al><al>Ter beperking van dit risico baseert de gemeente haar financiële transacties op
                    een liquiditeitenplanning waarin de toekomstige inkomsten en uitgaven van de
                    gehele organisatie zijn gepland. Teneinde aansluiting te zoeken op de meerjarige
                    investeringsplanning van de gemeente is gekozen een liquiditeitenplanning met
                    een periode van 4 jaar op te stellen.</al><al>In de praktijk is het opstellen van een betrouwbare en nauwkeurige
                    liquiditeitenplanning niet eenvoudig. Dit heeft te maken met de inherente
                    onzekerheden die verbonden zijn aan de activiteiten van de gemeente en de
                    hieraan verbonden mogelijke financiële gevolgen.</al><al>Het is daarom van groot belang dat de afdeling beleid en beheer juist, tijdig en
                    volledig wordt geïnformeerd door de overige afdelingen over de financiële
                    gevolgen van hun activiteiten.</al><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Dit betreft een ongewijzigde voortzetting van het beleid binnen de
                    gemeente.</al><al/><al><vet>Artikel 9 lid 1</vet></al><al>Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 lid 1 en 2 van de Wet fido. Het doel
                    hiervan is om vast te leggen dat alle overtollige liquide middelen van een
                    openbaar lichaam bij de schatkist moeten worden aangehouden. De middelen blijven
                    echter wel te allen tijde beschikbaar voor de publieke taak.</al><al/><al><vet>Artikel 9 lid 2</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat, conform artikel 2 lid 3 van de Wet fido, er leningen
                    kunnen worden versterkt aan andere openbare lichamen. Voorwaarde is dat het
                    leningverstrekkende openbare lichaam niet belast is met het financiële toezicht
                    op het openbare lichaam waaraan de lening verstrekt wordt.</al><al/><al><vet>Artikel 10 lid 1</vet></al><al>Artikel 2 lid 4 van de Wet fido bepaalt dat er bij ministeriële regeling
                    middelen vrijgesteld worden van het schatkistbankieren. De vrijstellingen uit de
                    ministeriële regeling zijn:</al><al>middelen voor zover deze, gerekend over een kwartaal gemiddeld het drempelbedrag
                    niet te boven gaan;</al><al>middelen op een G-rekening als bedoeld in artikel 1, onder k, van de
                    Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004
                    van het Rijk.</al><al/><al><vet>Artikel 10 lid 2</vet></al><al>In dit artikel wordt bepaald wat het drempelbedrag is. Dankzij het drempelbedrag
                    kan een decentrale overheid tijdelijke fluctuaties in haar liquide middelen
                    beter opvangen zonder direct incidentele uitschieters in de schatkist te hoeven
                    storten of uit de schatkist te hoeven opnemen. Ook kan de drempel er voor zorgen
                    dat kleinere decentrale overheden met nauwelijks overtollige middelen in hun
                    werkwijze niet dagelijks met schatkistbankieren te maken hebben. Ook kan het
                    drempelbedrag gebruikt worden om een saldo aan te houden op betaalrekeningen die
                    weinig gebruikt worden, bijvoorbeeld een rekening waar slechts af en toe
                    ontvangsten op binnenkomen.</al><al>De hoogte van het drempelbedrag hangt af van de omvang van de begroting van de
                    decentrale overheid. Voor de definitie van ‘begrotingstotaal’ wordt aangesloten
                    bij de bestaande definitie in de Wet fido (die onder andere wordt gebruikt voor
                    het vaststellen van de kasgeldlimiet). Het drempelbedrag wordt vastgesteld als
                    0,75 procent van het begrotingstotaal van het lopende jaar van de decentrale
                    overheid voor zover het begrotingstotaal niet groter is dan € 500 miljoen. Als
                    het aldus berekende bedrag lager is dan € 250.000,00 dan wordt het drempelbedrag
                    vastgesteld op € 250.000,00. Als het begrotingstotaal van de decentrale overheid
                    groter is dan € 500 miljoen dan wordt het drempelbedrag vastgesteld als € 3,75
                    miljoen plus 0,2% van het deel van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te
                    boven gaat. Het drempelbedrag kent dus als het ware twee schijven, 0,75% tot €
                    500 miljoen, en 0,2% voor alles daarboven.</al><al/><al><vet>Artikel 10 lid 4</vet></al><al>Over de hoogte en de benutting van het drempelbedrag in ieder kwartaal
                    rapporteert de decentrale overheid in de jaarstukken. Het gaat daarbij om zowel
                    de voor dat jaar berekende hoogte van het drempelbedrag als de benutting van dat
                    drempelbedrag in elk kwartaal.</al><al/><al><vet>Artikel 10 lid 5</vet></al><al>Derdengelden zijn niet opgenomen als uitzondering. Deze middelen zijn immers
                    niet het juridisch eigendom van de gemeente en deze middelen vallen daarom ook
                    niet onder de verplichting uit de Wet fido om deze in de schatkist aan te
                    houden. Ook verplichtingen om bijvoorbeeld onderpand te storten of een
                    borgstelling aan te houden bij een derde partij zijn niet opgenomen. Dit zijn
                    immers uitzettingen die gedaan worden uit hoofde van de publieke taak waardoor
                    de betreffende middelen niet als overtollig kunnen worden beschouwd. Voor de
                    duidelijkheid is dit onderwerp wel benoemd in de verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 11 lid 1</vet></al><al>Het aantrekken van middelen met als doel deze met winstoogmerk te beleggen is
                    door artikel 2a lid 2 van de Wet fido (zie ook memorie van toelichting op de Wet
                    fido) nadrukkelijk niet toegestaan.</al><al/><al><vet>Artikel 11 lid 2</vet></al><al>Teneinde de renteresultaten te optimaliseren wordt zoveel mogelijk intern
                    gefinancierd.</al><al/><al><vet>Artikel 12 lid 2</vet></al><al>Als een decentrale overheid dat wenst kan een deel van de middelen op de
                    rekening-courant voor langere tijd worden vastgezet in een of meerdere
                    deposito’s. Een decentrale overheid kan een deposito vervroegd laten vrijvallen.
                    Dit kan echter alleen als de decentrale overheid (een deel van) de middelen
                    nodig heeft voor het uitoefenen van zijn publieke taak. In de praktijk is een
                    directe koppeling tussen het vrijvallen van een deposito en een uitgave aan de
                    publieke taak waarschijnlijk niet altijd te maken. Dat is ook niet nodig. Deze
                    randvoorwaarde is alleen bedoeld om te voorkomen dat via het vervroegd opvragen
                    van deposito’s gespeculeerd wordt op verwachte ontwikkelingen in de rentestand
                    met als doel koerswinst te realiseren of koersverlies te minimaliseren. Het
                    uitgangspunt is derhalve dat een deposito alleen vervroegd kan worden opgevraagd
                    wanneer de middelen benodigd zijn voor het daadwerkelijk verrichten van
                    uitgaven. Een deposito kan alleen in zijn geheel vervroegd vrijvallen. Uiteraard
                    kan een deel van de vrijgevallen middelen wel worden gebruikt om een of meerdere
                    nieuwe deposito’s af te sluiten. </al><al>Bij voortijdige beëindiging van een deposito wordt de actuele marktwaarde van
                    het deposito uitgekeerd. Voor de berekening van de actuele marktwaarde wordt
                    gebruikgemaakt van de methode voor bestaande deelnemers aan schatkistbankieren.
                    Deze berekening is opgenomen in bijlage 1 van de Regeling rekening-courant- en
                    leningenbeheer derden van het Rijk.</al><al/><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>Op het gebied van relatiebeheer beoogt de treasury het realiseren van zo gunstig
                    mogelijke condities voor de door haar af te nemen diensten. In artikel 13 is ter
                    zake een aantal voorwaarden gesteld voor de bankrelaties waarmee de gemeente
                    handelt. Deze voorwaarden hebben voornamelijk betrekking op de soliditeit van de
                    bankrelaties.</al><al/><al><vet>Artikel 14 lid 1</vet></al><al>Geldstromenbeheer omvat met name het zorg dragen voor een efficiënt
                    betalingsverkeer. Geldstromen kunnen bijvoorbeeld op elkaar worden afgestemd
                    door een betalingsdatum af te stemmen op verwachte ontvangsten. Hiermee wordt
                    voorkomen dat de gemeente tijdelijk middelen aan moet trekken (c.q. middelen aan
                    haar uitzettingenportefeuille moet onttrekken) teneinde de betreffende betaling
                    (tijdelijk) te financieren.</al><al/><al><vet>Artikel 14 lid2</vet></al><al>Het laten uitvoeren van het betalingsverkeer door één bank heeft als voordeel
                    dat de kosten van het overboeken van middelen tussen verschillende banken worden
                    vermeden.</al><al/><al><vet>Artikel 15 lid 1</vet></al><al>Het saldo- en liquiditeitenbeheer betreft het beheer van de dagelijkse saldi op
                    de rekeningen (courant) van de gemeente. Teneinde de noodzaak tot het doen van
                    interne overboekingen te beperken, worden verschillende rekeningen die de
                    gemeente bij één bank aanhoudt, opgenomen in een
                        <cursief>rentecompensatiecircuit</cursief>. Ditis een
                    systeem waarbij de (valutaire) debet en creditsaldi van alle rekeningen van een
                    organisatie worden samengevoegd tot één gecombineerd saldo, waarover de rente
                    wordt berekend.</al><al/><al><vet>Artikel 15 lid 3</vet></al><al>In dit lid worden limitatief de mogelijke korte termijn
                    financieringsinstrumenten benoemd. De term <cursief>daggeld</cursief> (ook wel
                    callgeld genoemd) staat voor opgenomen of uitgezette middelen voor onbepaalde
                    tijd die dagelijks gewijzigd kan worden. <cursief>Kasgeldleningen </cursief>zijn
                    niet verhandelbare leningen voor een vast bedrag en een vaste periode (maximaal
                    2 jaar) en tegen een vooraf overeengekomen rentepercentage.
                        <cursief>Kredietlimiet op de rekening courant</cursief> betreft de
                    mogelijkheid debet (‘rood’) te staan op de rekening courant tegen vooraf
                    overeengekomen condities.</al><al/><al><vet>Artikel 16</vet></al><al>Bij de treasuryfunctie zijn meerdere personen en organen betrokken. Met het oog
                    op de omvang en de aard van de transacties en de hiermee samenhangende risico’s,
                    zijn in dit artikel een aantal specifieke uitgangspunten opgenomen teneinde een
                    eenduidige functiescheiding aan te brengen tussen beleidsbepaling en de
                    uitvoering en tussen de administratie en controle op financiële transacties. Het
                    college werkt deze uitgangspunten nog nader uit in de vorm van
                    uitvoeringsrichtlijnen treasury.</al><al/><al><vet>Artikel 17</vet></al><al>In dit artikel wordt uitsluitend ingegaan op de verantwoordelijkheden voor de
                    raad en het college. Dit overeenkomstig de uitgangspunten van het dualisme. Een
                    nadere uitwerking in verantwoordelijkheden en bevoegdheden naar personen en
                    organen binnen de organisatie van de gemeente Rheden wordt nog nader geregeld in
                    de uitvoeringsrichtlijnen treasury.</al><al/><al><vet>Artikel 18</vet></al><al>In artikel 18 is geregeld op welke wijze het college de raad van informatie
                    voorziet. Hierbij wordt aangesloten bij de bestuurlijke beleidscyclus, waarbij
                    de begroting en jaarrekening/jaarverslag centraal staan. In de
                    financieringsparagraaf van de begroting wordt door het college aan de raad de
                    beleidsuitgangspunten inzake de treasury voorgelegd en in de
                    financieringsparagraaf van het jaarverslag legt het college verantwoording af
                    over het gevoerde treasurybeleid en de behaalde resultaten.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>