<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR32503_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Maastricht</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-09-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Maastricht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2008, C. no. 42</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8, lid 1 en artikel 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-11-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Volgno. 82-2009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Afstemmingsverordening WWB 2009
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al/>
          <al>DE RAAD DER GEMEENTE MAASTRICHT,</al>
          <al/>
          <al/>
          <al>gezien het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 4 augustus 2009</al>
          <al>gehoord de commissie "Economische en Sociale Zaken"; </al>
          <al>gelet op artikel 147, eerst lid van de Gemeentewet en gezien artikel 8
                        eerste lid, onderdeel b en </al>
          <al>artikel 18 van de Wet werk en bijstand;</al>
          <al/>
          <al>BESLUIT:</al>
          <al>vast te stellen: de Afstemmingsverordening WWB 2009</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 1: Algemene Bepalingen</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 1 Begripsomschrijving</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li>
                <li nr="b."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li>
                <li nr="c."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel b, van de wet;</al></li>
                <li nr="d."><al>bijstandsnorm: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                        c, van de wet;</al></li>
                <li nr="e."><al>bijzondere bijstand de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel d, van de wet;</al></li>
                <li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand bedoeld in artikel
                                        18, tweede lid van de wet;</al></li>
                <li nr="g."><al>belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een
                                        besluit is betrokken;</al></li>
                <li nr="h."><al>inlichtingenplicht: de verplichting bedoeld in artikel 17,
                                        eerste lid, van de wet;</al></li>
                <li nr="i."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente;</al></li>
                <li nr="j."><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid: het begrip
                                        bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                        blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan dan
                                        wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel
                                        29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                                        werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of niet
                                        behoorlijk is nagekomen, waaronder begrepen het zich jegens
                                        het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig
                                        deze verordening een maatregel opgelegd.</al></li>
                <li nr="2."><al>De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging,
                                        de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden
                                        verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het
                                        opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien,
                                        indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel
                                        indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></li>
              </lijst>
              <al/>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 3. De berekeningsgrondslag en de ingangsdatum </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <lijst>
                <li nr=""><lijst>
                    <li nr="1."><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. In
                                                afwijking daarvan kan de maatregel ook op de
                                                bijzondere bijstand worden toegepast indien:</al><al>a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                                                verleend met toepassing van artikel 12 van de wet,
                                                of;</al><al>b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in
                                                relatie met zijn recht op bijzondere bijstand,
                                                daartoe aanleiding geeft.</al></li>
                  </lijst><lijst>
                    <li nr="2."><al>De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt bij
                                                voorkeur opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit
                                                tot het opleggen van de maatregel aan de
                                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                                                uitgegaan van de voor die maand geldende
                                                bijstandsnorm.</al></li>
                    <li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid kan de maatregel met
                                                terugwerkende kracht worden opgelegd.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4. Verjaring </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <al>Er wordt afgezien van het opleggen van een maatregel indien de
                                gedraging meer dan drie jaren voor de constatering van die gedraging
                                heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten
                                onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de
                                inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na vijf jaren nadat de
                                betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 5. Samenloop van gedragingen</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt
                                        aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een
                                        verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden,
                                        vindt cumulatie plaats van de maatregelen.</al></li>
                <li nr="2."><al>Indien de maatregelen niet in één kalendermaand kunnen
                                        worden geëffectueerd, worden in afwijking van artikel 3,
                                        tweede lid, de maatregelen na het besluit tot opleggen van
                                        de maatregel achtereenvolgend opgelegd.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 2: Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen en aanvaarden van algemeen geaccepteerd beleid.</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 6. Gedragingen </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <al>Gedragingen van belanghebbende waardoor de verplichting op grond van
                                artikel 9 van de wet niet of niet voldoende is nagekomen, worden
                                onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al> eerste categorie:</al></li>
                <li nr=""><al>het zich niet dan wel niet tijdig als werkzoekende laten
                                        registreren bij de Centrale organisatie werk en inkomen of
                                        het niet dan wel niet tijdig laten verlengen van de
                                        registratie; </al><al/></li>
                <li nr="2."><al>tweede categorie:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                                onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                                arbeidsinschakeling;</al></li>
                    <li nr="b."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting
                                                tot gebruik maken van een aangeboden voorziening,
                                                waaronder begrepen sociale activering gericht op
                                                arbeidsinschakeling, voor zover dit niet heeft
                                                geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                                voortijdige beëindiging van de voorziening;</al></li>
                    <li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting
                                                als bedoeld in artikel 55 van de wet die strekt tot
                                                arbeidsinschakeling.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>derde categorie:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting
                                                tot gebruik maken van een aangeboden voorziening,
                                                waaronder begrepen sociale activering gericht op
                                                arbeidsinschakeling, als dit heeft geleid tot het
                                                geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging
                                                van de voorziening</al></li>
                    <li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                                arbeid;</al></li>
                    <li nr="c."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                                belemmeren;</al></li>
                    <li nr="d."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen.</al></li>
                    <li nr="e."><al>(is vervallen; zie artikel 13, vierde lid).</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 7. Hoogte en duur van de maatregel </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De maatregel behorend bij de in artikel 6 vermelde
                                        categorieën wordt vastgesteld op:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                                maand bij gedragingen van de eerstecategorie;</al></li>
                  </lijst><lijst>
                    <li nr="b."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                                maand bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li>
                    <li nr="c."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                                maand bij gedragingen van de derde categorie.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                        verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                        maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging
                                        opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit
                                        dezelfde of een hogere categorie.</al></li>
                <li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid kan in bijzondere gevallen
                                        de maatregel met een langere duur worden opgelegd, als de
                                        ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                        omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding
                                        geeft. (dit was oorspronkelijk het vierde lid dat nu in de
                                        plaats is gekomen van het vroegere derde lid dat vervallen
                                        is)</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 8. Waarschuwing</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <al>Van het opleggen van de maatregel wegens een gedraging van de eerste
                                categorie, kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van
                                een schriftelijke waarschuwing ter zake de verwijtbare gedraging
                                bedoeld in artikel 6, eerste lid, tenzij het niet nakomen van deze
                                verplichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing kenbaar is gemaakt. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 3: Het niet nakomen van de inlichtingen- en medewerkingsplicht.</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9. Gedragingen </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Gedragingen van belanghebbende waardoor de verplichting op
                                        grond van artikel 17 van de wet niet of niet voldoende is
                                        nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                                        categorieën:</al></li>
                <li nr="1."><al>eerste categorie:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het niet binnen de door het college daartoe gestelde
                                                termijn mededeling doen van alle feiten en
                                                omstandigheden, waarvan belanghebbende
                                                redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van
                                                invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of
                                                het recht op bijstand;</al></li>
                    <li nr="b."><al>het niet binnen de door het college daartoe gestelde
                                                termijn verlenen van medewerking die redelijkerwijs
                                                nodig is voor de uitvoering van de wet;</al></li>
                    <li nr="c."><al>het niet of niet behoorlijk mededeling doen van alle
                                                feiten en omstandigheden, waarvan belanghebbende
                                                redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van
                                                invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of
                                                het recht op bijstand, voor zover dit niet heeft
                                                geleid tot een ten onrechte of tot een te hoog
                                                verleend bedrag van bijstand.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>tweede categorie:</al></li>
                <li nr=""><al>het niet of niet behoorlijk mededeling doen van alle feiten
                                        en omstandigheden, waarvan belanghebbende redelijkerwijs
                                        duidelijk moet zijn dat die van invloed kunnen zijn op het
                                        recht op bijstand, voor zover dit heeft geleid tot een ten
                                        onrechte of tot een te hoog verleend bedrag van
                                        bijstand.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10. De hoogte en de duur van de maatregel</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De maatregel behorend bij de in artikel 9 vermelde
                                        categorieën wordt vastgesteld op:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                                maand bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li>
                    <li nr="b."><al>afhankelijk van het ten onrechte verstrekte bedrag
                                                bij een gedraging van de tweede categorie:</al><lijst>
                        <li nr="-"><al>bij een netto ten onrechte verstrekt bedrag
                                                  tot € 1.000,00: tien procent van de bijstandsnorm
                                                  gedurende een maand;</al></li>
                        <li nr="-"><al>bij een netto ten onrechte verstrekt bedrag
                                                  van € 1.000,00 tot € 2.000,00: twintig procent van
                                                  de bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li>
                        <li nr="-"><al>bij een netto ten onrechte verstrekt bedrag
                                                  van € 2.000,00 tot € 4.000,00: veertig procent van
                                                  de bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li>
                        <li nr="-"><al>bij een netto ten onrechte verstrekt bedrag
                                                  van € 4.000,00 of meer: honderd procent van de
                                                  bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li>
                      </lijst></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                        verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                        maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging
                                        opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit
                                        dezelfde (of een hogere) categorie.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien de maatregel bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
                                        als gevolg van de beëindiging van het recht op bijstand niet
                                        kan worden opgelegd, wordt de maatregel alsnog opgelegd
                                        wanneer binnen een half jaar na beëindiging van de
                                        bijstandsuitkering een nieuw recht op bijstand
                                        ontstaat.</al><al/></li>
              </lijst>
              <al>(het vierde en vijfde lid zijn vervallen: zie toelichting) </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 11. Waarschuwing </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <al>Van het opleggen van de maatregel als bedoeld in artikel 10, eerste
                                lid, onderdeel a, kan worden afgezien en worden volstaan met het
                                geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake het niet binnen de
                                daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie, tenzij het te
                                laat verstrekken van inlichtingen plaatsvindt binnen een periode van
                                twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
                                belanghebbende een schriftelijke waarschuwing in het kader van de
                                inlichtingenplicht kenbaar is gemaakt. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12. Overige bepalingen schending inlichtingenplicht </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <al>De maatregel als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b,
                                wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het
                                openbaar ministerie en blijft definitief achterwege indien ter zake
                                een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting
                                een aanvang heeft genomen dan wel het recht tot strafvervolging is
                                vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 4: Overige gedragingen.</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
                                        bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet wordt
                                        afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van
                                        zijn gedraging eerder of langer recht heeft op
                                        bijstand.</al></li>
                <li nr="2."><al>De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld
                                        op:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                                maand bij een periode korter dan 3 maanden;</al></li>
                    <li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende drie
                                                maanden bij een periode van 3 tot 6 maanden;</al></li>
                    <li nr="c."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende zes
                                                maanden bij een periode van 6 maanden of
                                                langer.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>In afwijking van het eerste en tweede lid en onverminderd
                                        het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de bijzondere
                                        bijstand geweigerd indien het beroep op bijzondere bijstand
                                        het gevolg is van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid.</al></li>
                <li nr="4."><al>In afwijking van het eerste en tweede lid en onverminderd
                                        het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de aanvullende
                                        bijzondere bijstand voor 18 tot 21 jarigen, die een
                                        inkomensvooriening in-gevolge de WIJ ontvangen en aan wie
                                        een maatregel op grond van de Afstemmingsverordening WIJ
                                        2009 wordt opgelegd, met eenzelfde percentage en voor
                                        dezelfde duur verlaagd als bepaald in deze maatregel.</al></li>
                <li nr="5."><al>In afwijking van het eerste en tweede lid en onverminderd
                                        het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt een
                                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid tot
                                        uitdrukking komend in “het door eigen toedoen niet behouden
                                        van algemeen geaccepteerde arbeid” gelijkgesteld aan een
                                        gedraging van de derde categorie als bedoeld in artikel 6,
                                        derde lid. Voor het bepalen van de hoogte van de maatregel
                                        is artikel 7 van overeenkomstige toepassing.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <al>Indien de belanghebbende zich jegens het college of zijn medewerkers
                                zeer ernstig misdraagt legt het college een maatregel op. In een op
                                directieniveau vast te stellen protocol wordt nader aangegeven
                                wanneer sprake is van zo’n zeer ernstige misdraging.</al>
              <al>De maatregel bedraagt:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                                        indien de gedraging gekwalificeerd kan worden als
                                        vernieling;</al></li>
                <li nr="b."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                                        indien de gedraging gekwalificeerd kan worden als
                                        bedreiging, belaging of mishandeling.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 15. Noodzakelijke betalingen en bijstand in natura</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <al>Het college kan nadere beleidsregels stellen ten aanzien van het
                                opleggen van een maatregel wegens het niet nakomen van de
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 57 van de wet. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 5. Slotbepalingen</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 16. Inwerkingtreding </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <al>De Afstemmingsverordening WWB 2009 treedt in werking op 1 oktober
                                2009. De bestaande Afstemmingsverordening WWB 2009, vastgesteld op
                                18 november 2008, komt hiermee te vervallen, met uitzondering voor
                                de groep jongeren die onder de overgangsregeling van de WIJ valt.
                                Voor deze groep vervalt laatstbedoelde Afstemmingsverordening WWB
                                2009 pas op 1 juli 2010. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 17. Citeertitel</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <al>Deze verordening kan worden aangehaald als: de
                                Afstemmingsverordening WWB 2009.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>ALGEMENE TOELICHTING</label>
        </kop>
        <divisie>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel/>
          </kop>
          <al>In de Wet werk en bijstand (WWB) staat de eigen
                                    verantwoordelijkheid van de burger om in zijn levensonderhoud te
                                    voorzien centraal. Pas als mensen hiertoe niet in staat blijken
                                    te zijn, kunnen zij aanspraak maken op ondersteuning van de
                                    overheid. Dat brengt met zich mee dat er meer nadruk is komen te
                                    liggen op de verplichting van de bijstandsgerechtigde om alles
                                    in het werk te stellen om zo snel mogelijk weer zelfstandig in
                                    zijn levensonderhoud te voorzien. De aan de bijstand verbonden
                                    verplichtingen zijn dan ook met name op dit doel gericht. </al>
          <al/>
          <al>Net als de afstemmingsverordening WWB versie 2007 regelt de
                                    afstemmingsverordening WWB versie 2009 de verlaging van de
                                    bijstand bedoeld in artikel 18, tweede lid, WWB. </al>
          <al/>
          <al>De nieuwe verordening (2009) kent eigenlijk maar één belangrijke
                                    wijziging. De gedraging “het door eigen toedoen niet behouden
                                    van algemeen geaccepteerde arbeid” die voorheen gerangschikt was
                                    in artikel 6, onder e, is nu ondergebracht in artikel 13 onder
                                    4, als een aparte vorm van tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Deze
                                    aanpassing was noodzakelijk nadat uit jurisprudentie was
                                    gebleken dat de gedraging “het door eigen toedoen niet behouden
                                    van algemeen geaccepteerde arbeid” niet kan worden beschouwd als
                                    een verplichting genoemd in artikel 9 WWB, maar moet worden
                                    gezien als een uiting van eerdergenoemd tekortschietend besef
                                    van verantwoordelijkheid. Artikel 6 van de verordening,
                                    waaronder de gedraging voorheen was gerubriceerd, doelt
                                    expliciet op de verplichtingen van artikel 9 WWB.</al>
          <al/>
          <al>Omdat “het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                    geaccepteerde” een gedraging is die echter grote raakvlakken
                                    kent met de gedragingen vermeld in artikel 6, wordt de gedraging
                                    gelijkgesteld aan een gedraging van de derde categorie als
                                    bedoeld in artikel 6 onder punt 3. Daarnaast wordt voor het
                                    bepalen van de sanctie artikel 7 overeenkomstig toegepast. Dit
                                    geldt ook bij eventuele recidive.</al>
          <al/>
          <al>De vorige afstemmingsverordening (2007) kende ten opzichte van
                                    de verordening 2005 weliswaar geen al te grote wijzigingen, maar
                                    omdat deze ook nu weer zijn gehandhaafd, is het voor het
                                    verkrijgen van een zo volledig mogelijk beeld toch belangrijk ze
                                    hier even kort te blijven belichten.</al>
          <al/>
          <al>Net als de verordening van 2007 is ook deze verordening in
                                    redactionele zin meer in overeenstemming met de modelverordening
                                    van Divosa/Stimulansz dan de verordening van 2005.</al>
          <al/>
          <al>Verder wordt in de artikelsgewijze toelichting nog altijd
                                    expliciet ingegaan op eventuele gevolgen van ontwikkelingen als
                                    de komst van de nieuwe Zorgverzekeringswet (wat betekent het
                                    bijvoorbeeld wanneer iemand onverzekerd is en vervolgens voor
                                    ziektekosten een beroep doet op bijzondere bijstand). </al>
          <al/>
          <al>Daarnaast besteedt de artikelsgewijze toelichting nog steeds
                                    aandacht aan de specifieke werkwijze binnen het Transferium Werk
                                    en Bijstand. Meer concreet gaat het dan over de vraag hoe het
                                    niet naleven van de huisregels kan worden aangepakt. </al>
          <al/>
          <al>Het soort gedragingen ligt globaal vast in de wet, terwijl de
                                    hoogte en duur van de verlaging onderwerp zijn van gemeentelijk
                                    beleid. </al>
          <al/>
          <al>In vergelijking tot de afstemmingsverordening 2005, kende de
                                    verordening 2007 waar het hoogte en duur van de verlaging
                                    betreft slechts een paar veranderingen. Zo kwam de maatregel
                                    voor onbepaalde tijd (het oorspronkelijk derde lid van artikel
                                    7) te vervallen omdat er twijfel bestond over de juridische
                                    juistheid van deze maatregelvorm. </al>
          <al/>
          <al>Het vorenstaande betekent ook nu nog steeds niet dat na gebruik
                                    te hebben gemaakt van de recidivebepaling geen zwaardere
                                    maatregel meer zou kunnen worden opgelegd. Handhaaft een
                                    belanghebbende zijn maatregelwaardig gedrag dan kan met
                                    toepassing van artikel 2, tweede lid, nog altijd een maatregel
                                    voor langere duur worden opgelegd. Wel moet het besluit daartoe
                                    altijd binnen 3 maanden worden heroverwogen (artikel 18, derde
                                    lid WWB). </al>
          <al/>
          <al>Bijna alle in de Afstemmingsverordening 2005 opgenomen
                                    veranderingen als gevolg van de invoering van de wet (Wet werk
                                    en bijstand) werden tot uitdrukking gebracht in de verordening
                                    2007 en keren nu ook weer in deze versie (2009) terug. </al>
          <al/>
          <al>Zo kan waar vroeger onder de Algemene bijstandswet nog een boete
                                    kon worden opgelegd ook thans weer afstemming van de bijstand in
                                    de vorm van een verlaging plaatsvinden. </al>
          <al/>
          <al>Verder blijft het mogelijk de bijstand te verlagen wanneer een
                                    belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt jegens het college en
                                    de in zijn opdracht werkende ambtenaren en medewerkers.</al>
          <al/>
          <al>Uitgangspunt van de verordening blijft het beginsel dat de
                                    uitkering wordt afgestemd op het nakomen van de verplichtingen
                                    die rechtstreeks voortvloeien uit de wet en de verplichtingen
                                    die bij beschikking aan de belanghebbende zijn opgelegd. Voorts
                                    vindt afstemming plaats op grond van al dan niet gebleken
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van
                                    belanghebbende.</al>
          <al/>
          <al>Het grote belang van de plicht tot arbeidsinschakeling komt in
                                    de verordening tot uitdrukking in de onderverdeling in
                                    categorieën van gedragingen. Aan gedragingen die de
                                    arbeidsinschakeling rechtstreeks schaden wordt overeenkomstig de
                                    strekking van de wet een relatief zwaar gewicht toegekend. </al>
          <al/>
          <al>De wet biedt uitdrukkelijk de keuze om of de bijstand (algemene
                                    en bijzondere bijstand) of de langdurigheidtoeslag te verlagen.
                                    Er is voor gekozen dat de verlagingen in beginsel worden
                                    opgelegd over de (algemene) bijstandsnorm (de op belanghebbende
                                    van toepassing zijnde wettelijke norm inclusief gemeentelijke
                                    toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag).</al>
          <al/>
          <al>Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een
                                    verlaging van het uitkeringsbedrag, bijvoorbeeld wegens
                                    schending van een of meer verplichtingen, niet in de rede (zie
                                    de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3, eerste lid).</al>
          <al>Een van de uitzonderingen hierop vormt de bijzondere bijstand
                                    voor levensonderhoud voor jongeren van 18 tot 21 jaar. Deze
                                    groep kan indien aan de voorwaarden wordt voldaan een
                                    inkomensvoorziening in het kader van de WIJ ontvangen. Daarbij
                                    gaat het om lage normen die in voorkomende geval-len kunnen
                                    worden aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand
                                    voor levensonderhoud. Het kan zijn dat op grond van de WIJ een
                                    maatregel wordt opgelegd. Voor het gedeelte aanvullende
                                    bijzondere bijstand geldt dan eenzelfde sanctiehoogte. De
                                    maatregel met betrekking tot de bij-zondere aanvullende bijstand
                                    moet dan worden gekwalificeerd onder de algemene noemer
                                    “tekortschietend besef van verantwoordelijkheid”. De meer
                                    specifieke verplichtingen bijvoorbeeld met betrekking tot de
                                    arbeidsinschakeling zijn immers opgelegd in het kader van de
                                    WIJ. </al>
          <al>Ook tot de uitzonderingen behoort de situatie waarin een
                                    aanvraag bijzondere bijstand anders dan voor levensonderhoud
                                    wordt gedaan, terwijl eveneens sprake is van tekortschietend
                                    besef van verantwoordelijkheid. Bijzondere bijstand wordt,
                                    specifieke situaties daargelaten, op basis van deze verordening
                                    geweigerd dan wel gekort(meer hierover bij de artikelsgewijze
                                    toelichting van artikel 13).</al>
          <al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat
                                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate zijn nagekomen wordt
                                    in de terminologie van de WWB aangeduid als het “afstemmen” van
                                    de bijstand. Met dit begrip wordt het uitgangspunt van de WWB
                                    benadrukt dat rechten en plichten twee kanten van een medaille
                                    zijn. Zonder dit uitgangspunt los te laten wordt het afstemmen
                                    van de bijstand aangeduid als “een maatregel”. Hiermee wordt
                                    niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet
                                    boeten en maatregelen gangbaar is, maar wordt ook het
                                    sanctionerende karakter ervan benadrukt. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Artikelsgewijze toelichting</vet>
          </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 1: Algemene Bepalingen.</label>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 1. Begripsomschrijving </label>
          </kop>
          <al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt, hebben een
                                gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de WWB. Enkele
                                begrippen die niet zijn opgenomen in de WWB zijn apart gedefinieerd,
                                zoals de begrippen maatregel en belanghebbende. Bij het begrip
                                belanghebbende is aangesloten bij de artikel 1:2 van de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</label>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 1</label>
          </kop>
          <al>In deze bepaling wordt voor alle duidelijkheid artikel 18,
                                    tweede lid, WWB herhaald. Belanghebbende heeft een eigen
                                    verantwoordelijkheid voor de zelfstandige bestaansvoorziening.
                                    De eigen verantwoordelijkheid houdt in dat aan het verkrijgen
                                    van een uitkering verplichtingen zijn verbonden. Deze
                                    verplichtingen gelden vanaf de melding, dus al voordat het recht
                                    op bijstand is vastgesteld. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 2 </label>
          </kop>
          <al>In deze afstemmingsverordening zijn voor de diverse gedragingen
                                    standaardmaatregelen vastgesteld. Desondanks blijft het mogelijk
                                    de op te leggen maatregel aan te passen aan de ernst van het
                                    feit en de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                    omstandigheden van belanghebbende. Beoordeeld dient te worden of
                                    men als gevolg van de ernst van het feit en de gedraging,
                                    bijvoorbeeld afhankelijk van de zwaarte van de gedraging, omvang
                                    van de gevolgen of zoveelste recidive wil afwijken van de
                                    standaardmaatregel. De mate van verwijtbaarheid dient altijd in
                                    de beoordeling meegenomen te worden. Hierbij dient de vraag
                                    gesteld te worden in hoeverre belanghebbende op de hoogte
                                    was/kon zijn van zijn verplichtingen, alsmede de psychische
                                    gesteldheid van belanghebbende. Bij het ontbreken van iedere
                                    verwijtbaarheid wordt er geen maatregel opgelegd.</al>
          <al/>
          <al>Bij de omstandigheden van belanghebbende dient overwogen te
                                    worden of de individuele omstandigheden van belanghebbende
                                    aanleiding zijn om af te wijken van de standaardmaatregel. </al>
          <al/>
          <al>Als gevolg van de ernst van het feit en de gedraging, de mate
                                    van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden kan een
                                    maatregel, in afwijking van de standaardmaatregel hoger worden
                                    vastgesteld (tot maximaal 100%) of juist lager. In het laatste
                                    geval is het in uitzonderlijke situaties zelfs mogelijk de
                                    verlaging toe te passen tot 0%. Dit moet overigens niet worden
                                    verward met het afzien van een maatregel om dringende redenen
                                    (zie hierna).</al>
          <al/>
          <al>Een maatregel kan op basis van dit tweede lid niet alleen hoger
                                    of lager worden vastgesteld maar kan in voorkomende gevallen ook
                                    over een langere periode worden gespreid. De standaard maatregel
                                    is dan bijvoorbeeld één maand 100%, maar wordt vervolgens
                                    verdeeld over twee maanden 50%.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 3</label>
          </kop>
          <al>Bij het afzien van een maatregel wegens dringende redenen zijn
                                    de onder lid 2 genoemde criteria reeds beoordeeld en is men van
                                    mening dat er gelet op de verwijtbare gedraging een maatregel
                                    dient plaats te vinden. Echter wegens de dringende redenen wordt
                                    deze maatregel niet opgelegd. Wat dringende redenen zijn, is
                                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand
                                    worden vastgelegd. Belanghebbende ontvangt een beschikking dat
                                    er is afgezien van het opleggen van een maatregel wegens
                                    dringende redenen. Een volgende verwijtbare gedraging zal als
                                    recidive worden beschouwd.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 3. De berekeningsgrondslag en de ingangsdatum</label>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 1</label>
          </kop>
          <al>Een maatregel wordt in principe opgelegd over de (algemene)
                                    bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                                    wettelijke norm inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                                    inclusief vakantietoeslag.</al>
          <al/>
          <al>In de algemene toelichting is al aangegeven dat gelet op het
                                    karakter van de bijzondere bijstand een verlaging van het
                                    uitkeringsbedrag, bijvoorbeeld wegens schending van een of meer
                                    verplichtingen, niet in de rede ligt.</al>
          <al/>
          <al>Het gaat bij bijzondere bijstand immers vaak om een vergoeding
                                    voor specifieke en incidentele kosten.</al>
          <al/>
          <al>Heeft het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen
                                    betrekking op het verzoek of de aanvraag bijzondere bijstand,
                                    dan leidt dit tot het niet in behandeling nemen van verzoek of
                                    aanvraag. Het opleggen van een maatregel speelt in dat geval
                                    niet.</al>
          <al/>
          <al>In de algemene toelichting is echter ook gewezen op mogelijke
                                    uitzonderingen.</al>
          <al/>
          <al>Onderdelen a en b maken het mogelijk dat er in incidentele
                                    gevallen een maatregel kan worden opgelegd over de bijzondere
                                    bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                                    gedraging van belanghebbende en zijn recht c.q. aanspraak op
                                    bijzondere bijstand. </al>
          <al/>
          <al>In de algemene toelichting is in dit verband al bij wijze van
                                    voorbeeld gewezen op situaties waarin een aanvraag bijzondere
                                    bijstand wordt gedaan terwijl sprake is van een tekortschietend
                                    besef van verantwoordelijkheid. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 2</label>
          </kop>
          <al>Evenals in de eerdere verordening is er voor gekozen om een
                                    maatregel in principe naar de toekomst op te leggen. Hiermee
                                    wordt voorkomen dat het recht herzien moet worden en de teveel
                                    verstrekte bijstand moet worden teruggevorderd. De maatregel
                                    wordt opgelegd met ingang van de eerst volgend kalendermaand
                                    nadat het besluit is genomen. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 3</label>
          </kop>
          <al>In voorkomende situaties kan het praktisch zijn om de maatregel
                                    te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In
                                    dat geval moet de bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.
                                </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 4. Verjaring</label>
          </kop>
          <al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is
                                    verjaring. Omwille van de effectiviteit van een maatregel is het
                                    geboden dat deze zo snel mogelijk nadat de gedraging heeft
                                    plaatsgevonden wordt opgelegd (“lik op stuk”). Deze
                                    verjaringstermijn wordt vastgesteld op drie jaar met
                                    uitzondering van de gedragingen wegens het niet of niet
                                    voldoende nakomen van de inlichtingenplicht. In dat geval geldt
                                    een verjaringstermijn van vijf jaar, conform de handreiking
                                    handhaving rechten en plichten welke in opdracht van het
                                    ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is opgesteld.
                                    Een termijn van vijf jaar bij het schenden van de
                                    inlichtingenlicht ligt tevens voor de hand gelet op de ernst van
                                    de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak
                                    tijd nodig heeft om de omvang van de fraude vast te stellen.
                                </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 5. Samenloop van gedragingen</label>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 1</label>
          </kop>
          <al>Bij samenloop van meerdere verwijtbare gedragingen zijn er in
                                    beginsel 3 mogelijkheden: niet cumuleren van maatregelen,
                                    uitgaan van de meest ernstige gedraging of de maatregelen
                                    gelijktijdig toepassen (cumuleren). Gekozen is voor de laatste
                                    optie. </al>
          <al/>
          <al>De bepaling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking
                                    op verschillende gedragingen die (min of meer) gelijkertijd
                                    plaatsvinden. De bepaling geldt dus niet voor één bepaalde
                                    gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met
                                    zich meebrengt. Indien sprake is van schending van meerdere
                                    verplichtingen door één gedraging, dan dient voor het toepassen
                                    van de maatregel te worden uitgegaan van de gedraging waarop de
                                    zwaarste maatregel van toepassing is.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 2</label>
          </kop>
          <al>Indien er door een samenloop van maatregelen het gezamenlijke
                                    percentage hoger is dan 100%, kan het resterende deel van de
                                    maatregel opgelegd worden over de volgende maand(en).
                                    Bijvoorbeeld bij samenloop van een maatregel van 100% gedurende
                                    één maand met een maatregel van 10% gedurende één maand wordt de
                                    eerstvolgende maand na opleggen van het besluit 100% gekort en
                                    de maand daarna 10%. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 2: Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen en aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.</label>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 6. Gedragingen</label>
          </kop>
          <al>De artikelen 6, 7 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden
                                    gelezen. De verwijtbare gedragingen zijn ondergebracht in
                                    categorieën, waaraan (in artikel 7) een gewicht is toegekend in
                                    de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn
                                    gerangschikt naar toenemende zwaarte. In de indeling in
                                    categorieën is uitdrukking gegeven aan het belang dat in de WWB
                                    wordt gehecht aan de plicht tot arbeidsinschakeling. </al>
          <al/>
          <al>De Wet werk en bijstand stelt werk boven inkomen. Alle
                                    inspanningen van de cliënt en de gemeente dienen gericht te zijn
                                    op arbeidsinschakeling. Onder arbeidsinschakeling wordt verstaan
                                    het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid zonder dat
                                    daarbij gebruik wordt gemaakt van een daarop gerichte
                                    voorziening die door de gemeente wordt aangeboden. In beginsel
                                    is iedereen verplicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde
                                    arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Er worden geen beperkende
                                    voorwaarden gesteld aan de aard en de omvang van het werk en de
                                    aansluiting op opleiding en ervaring, maar alle arbeid die
                                    maatschappelijk aanvaard is dient geaccepteerd te worden. Deze
                                    algemene omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling is
                                    vastgelegd in artikel 9 van de wet. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 1</label>
          </kop>
          <al>Eerste categorie</al>
          <al/>
          <al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als
                                    werkzoekende in te schrijven bij het CWI en deze inschrijving
                                    tijdig te verlengen. De WWB hecht een groot belang aan de plicht
                                    tot arbeidsinschakeling. De inschrijving bij het Centrum voor
                                    Werk en Inkomen (CWI) is een eerste, relatief eenvoudige stap op
                                    weg naar reïntegratie in het arbeidsproces. Het niet
                                    ingeschreven staan bij het CWI betekent onvermijdelijk een
                                    vertraging van de reïntegratie, in het bijzonder voor de
                                    doelgroep die geacht wordt op eigen kracht naar reguliere arbeid
                                    uit te stromen. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 2</label>
          </kop>
          <al>Tweede categorie</al>
          <al/>
          <al>Bij toekenning van de bijstand of in een later stadium kan aan
                                    de belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer
                                    in zijn levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden
                                    opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar zijn
                                    mogelijkheden en de benodigde reïntegratie-instrumenten of om
                                    deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat
                                    uiteindelijk moet leiden tot uitstroom of zelfstandige
                                    maatschappelijke participatie. De arbeidsinschakeling wordt
                                    direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze verplichting
                                    niet of onvoldoende nakomt, hetgeen gevolgen kan hebben voor de
                                    duur van de aanspraak op bijstand. Het niet of onvoldoende
                                    verlenen van medewerking aan een traject zal immers leiden tot
                                    vertraging van dat traject. De gedragingen in deze categorie
                                    hebben echter niet tot gevolg dat het traject (definitief) geen
                                    doorgang vindt of moet worden beëindigd. Van onvoldoende
                                    medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet
                                    op afspraken bij het reïntegratiebedrijf verschijnt, opdrachten
                                    in het kader van een scholing niet naar behoren uitvoert of zich
                                    niet coöperatief opstelt ten aanzien van een diagnostisch
                                    onderzoek.</al>
          <al/>
          <al>Het Transferium Werk en Bijstand vormt wat dit laatste betreft
                                    een bijzondere plek. Binnen deze setting gelden bepaalde
                                    huisregels die ertoe moeten bijdragen dat het diagnostisch
                                    onderzoek zo goed mogelijk kan verlopen. Overtreding van die
                                    regels –bijvoorbeeld een herhaalde weigering een hoofdte-lefoon
                                    af te zetten- zou kunnen worden opgevat als een gedraging van de
                                    tweede categorie. Het zonder meer toepassen van de daarbij
                                    behorende maatregel van één maand 50% wordt echter als een te
                                    zware sanctie ervaren. </al>
          <al/>
          <al>Het is dan toch mogelijk om een maatregel te baseren op artikel
                                    6, tweede lid, maar vervolgens de hoogte te matigen met
                                    toepassing van artikel 2, tweede lid van de verordening. </al>
          <al/>
          <al>Natuurlijk dient helder te zijn dat belanghebbende, voorafgaand
                                    aan het opleggen van een maatregel eerst een duidelijke
                                    schriftelijke waarschuwing heeft gehad (overigens niet te
                                    verwarren met de waarschuwing bedoeld in artikel 8 en 11). </al>
          <al/>
          <al>Ook het niet of onvoldoende meewerken van belanghebbende aan de
                                    verplichtingen die op grond van artikel 55 van de wet aan hem
                                    zijn opgelegd en die strekken tot arbeidsinschakeling, vallen
                                    onder deze categorie (onderdeel c). De verplichting om zich
                                    onder medische behandeling te stellen, is expliciet opgenomen in
                                    dit artikel. </al>
          <al/>
          <al>Indien voor betrokkene een individueel activeringsplan, het
                                    (standaard)trajectplan, wordt opgesteld, wordt het niet
                                    ondertekenen van dit activeringsplan ook aangemerkt als een
                                    gedraging van de tweede categorie.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 3</label>
          </kop>
          <al>Derde Categorie</al>
          <al/>
          <al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een
                                    aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of het zonder
                                    noodzaak langer voortduren daarvan. Het gaat hier om het stellen
                                    van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                                    aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op
                                    arbeidsinschakeling verminderen. </al>
          <al/>
          <al>Bij onderdeel a gaat het om dezelfde soort gedragingen als
                                    bedoeld in de tweede categorie onder b, echter met dit
                                    belangrijke verschil dat de gedraging heeft geleid tot het
                                    (definitief) geen doorgang vinden of afbreken van een traject.
                                    In de praktijk zal beëindiging van een traject veelal pas
                                    plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag
                                    herhaaldelijk heeft laten blijken niet mee te willen meewerken
                                    aan instrumenten gericht op een zo spoedig mogelijke
                                    inschakeling in het arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige
                                    gedraging, bijvoorbeeld diefstal tijdens een proefplaatsing, tot
                                    beëindiging van het traject leiden. In alle gevallen betreft het
                                    gedragingen die de kans op uitstroom voor langere tijd vrijwel
                                    onmogelijk maken. Zonder traject is inschakeling in de arbeid
                                    voor de desbetreffende belanghebbende immers niet mogelijk.</al>
          <al/>
          <al>Onderdeel b heeft betrekking op het weigeren van een aangeboden
                                    dienstverband. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan,
                                    gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of
                                    voor onbepaalde duur. Essentieel is dat de belanghebbende door
                                    de werkweigering afziet van een concrete kans om geheel of
                                    gedeeltelijk uit de bijstand te komen.</al>
          <al/>
          <al>Voorbeelden onderdeel c zijn negatieve gedragingen bij
                                    sollicitaties. </al>
          <al/>
          <al>Onderdeel d heeft betrekking op de actieve sollicitatieplicht.
                                    De belanghebbende is verplicht een minimaal aantal sollicitaties
                                    te verrichten en hiervan op verzoek de bewijsstukken te tonen.
                                    Het exacte minimum aantal verplichte sollicitaties zal onder
                                    andere afhangen van het aanbod van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid. Met de enkele mededeling van mondelinge sollicitaties
                                    wordt in beginsel geen genoegen genomen, tenzij kan worden
                                    geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk hebben
                                    plaatsgevonden.</al>
          <al/>
          <al>Onderdeel e is hier komen te vervallen. De gedraging “het door
                                    eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid”
                                    is nu gerangschikt als specifieke vorm van tekortschietend besef
                                    van verantwoordelijkheid (zie artikel 13, vierde lid). </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 7. De hoogte en duur van de maatregel</label>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 1</label>
          </kop>
          <al>Aan de categorieën is een bepaald wegingspercentage gekoppeld al
                                    naar gelang de zwaarte van de gedraging. Dit percentage dient
                                    als uitgangspunt bij de uiteindelijke vaststelling van de
                                    maatregel, waarbij te allen tijde de ernst van de gedraging, de
                                    mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden moeten
                                    worden meegewogen. </al>
          <al/>
          <al>Vooral bij toepassing van een zware maatregel (zoals een 100%
                                    maatregel) speelt artikel 2, tweede lid een belangrijke rol. Er
                                    moet dan met name goed gekeken worden naar de individuele
                                    omstandigheden. </al>
          <al/>
          <al>Ook in de beoordeling van overtredingen van de huisregels van
                                    het Transferium Werk en bijstand vormt het in artikel 2, tweede
                                    lid geschetste toetsingskader een belangrijk element. Zie in dit
                                    verband de toelichting bij artikel 6, tweede lid van de
                                    verordening.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 2 </label>
          </kop>
          <al>Indien er binnen één jaar na een vorige verwijtbare gedraging
                                    sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag wordt de grotere mate
                                    van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling
                                    van de duur van de maatregel.</al>
          <al/>
          <al>Onder eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                                    verstaan die aanleiding is geweest een maatregel toe te passen,
                                    ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                                    geëffectueerd.</al>
          <al/>
          <al>Een gedraging kan overigens pas als “verwijtbaar” worden
                                    aangemerkt indien deze is beoordeeld en in een beslissing aan de
                                    belanghebbende kenbaar is gemaakt. </al>
          <al/>
          <al>Bij toepassing van recidive wordt uitgegaan van het tijdstip
                                    waarop de eerste verwijtbare gedraging zich feitelijk heeft
                                    voorgedaan. Het is daarom van belang dit goed weer te geven in
                                    het maatregelbesluit en dat vervolgens adequaat te registreren.
                                </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 3 (dit was oorspronkelijk het vierde lid)</label>
          </kop>
          <al>Met deze bepaling wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om
                                    ook bij een eerste of tweede gedraging de maatregel voor een
                                    langere periode op te leggen als de situatie daartoe aanleiding
                                    geeft. Ook hier geldt het beginsel dat in een concreet geval
                                    maatwerk mogelijk moet zijn. Hieraan moet met name gedacht
                                    worden indien de kansen van belanghebbende op uitstroom ernstig
                                    worden bemoeilijkt door het afbreken van een traject. In
                                    dergelijke gevallen moet het mogelijk zijn om, rekening houdend
                                    met de betrekkelijk ernstige gevolgen van de gedraging, reeds
                                    bij een eerste of tweede gedraging deze voor langere duur op te
                                    leggen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 8. Waarschuwing</label>
          </kop>
          <al>Uitgangspunt is dat verwijtbaar gedrag in beginsel een maatregel
                                    tot gevolg heeft. Aangezien de gedragingen van de eerste
                                    categorie relatief gering zijn met geen of weinig directe
                                    gevolgen, wordt met deze bepaling geregeld dat bij een eerste
                                    verwijtbare gedraging een schriftelijke waarschuwing kan worden
                                    gegeven.</al>
          <al/>
          <al>Van een eerste verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel
                                    is overigens wederom sprake indien belanghebbende in de 2 jaar
                                    voorafgaand aan de nieuwe gedraging (van de eerste categorie)
                                    géén schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen.</al>
          <al/>
          <al>Het geven van een schriftelijke waarschuwing is een bevoegdheid.
                                    Indien belanghebbende willens en wetens zijn inschrijving bij
                                    het CWI niet heeft verlengd, kan er direct een maatregel worden
                                    opgelegd rekeninghoudend met de ernst van het feit en de
                                    gedraging.</al>
          <al/>
          <al>Indien er binnen een periode van 2 jaar, te rekenen vanaf de
                                    datum waarop eerder aan de belang-hebbende een schriftelijke
                                    waarschuwing kenbaar is gemaakt, wederom sprake is van een
                                    verwijtbare gedraging van de eerste categorie, dient er wel een
                                    maatregel te worden toegepast. </al>
          <al/>
          <al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dat wil zeggen
                                    dat bij herhaling in principe een maatregel wordt opgelegd
                                    zonder toepassing van recidive. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 3: Het niet nakomen van de inlichtingen- en medewerkingsplicht.</label>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 9. Gedragingen </label>
          </kop>
          <al>De artikelen 9, 10 en 11 moeten ook in onderling verband worden
                                    gezien. Het betreft de verplichtingen tot het verstrekken van
                                    inlichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling of het
                                    recht op bijstand, de medewerkingsverplichting en het tonen van
                                    een identiteitsbewijs. Belanghebbende is ook verplicht om
                                    inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de
                                    arbeidsinschakeling wanneer hij ontheven is van de
                                    arbeidsverplichtingen. Immers de WWB kent geen blijvende
                                    ontheffingen ten aanzien van de arbeidsplicht.</al>
          <al/>
          <al>Deze verplichtingen zijn vastgelegd in artikel 17 van de wet. In
                                    artikel 17 lid 1 van de wet is bepaald dat belanghebbende op
                                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van
                                    alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                                    arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Om
                                    ongestructureerde meldingen te voorkomen, wordt onder
                                    ‘onverwijld’ de eerste periodieke verklaring verstaan. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 1</label>
          </kop>
          <al>De eerste categorie, onderdeel a en b, heeft betrekking op het
                                    te laat voldoen aan de inlichtingen- en
                                    medewerkingsverplichting. Veel voorkomende gedragingen ten
                                    aanzien van de inlichtingenverplichtingen zijn onder meer het
                                    niet verschijnen op een rechtmatigheidsonderzoek en het niet
                                    inleveren van de periodieke verklaring. </al>
          <al/>
          <al>Voorbeelden van de medewerkingsverplichting zijn het niet tonen
                                    van het identiteitsbewijs, niet meewerken aan een huisbezoek en
                                    niet meewerken aan een onderzoek naar de juistheid en
                                    volledigheid van de verstrekte gegevens. Indien belanghebbende
                                    niet in de daartoe gestelde termijn de informatie verstrekt of
                                    anderszins onvoldoende medewerking verleent, wordt het recht op
                                    bijstand op grond van artikel 54 van de wet opgeschort en wordt
                                    belanghebbende verzocht het verzuim binnen een gestelde termijn
                                    te herstellen (de zogenaamde hersteltermijn), Indien de
                                    informatie of medewerking alsnog wordt verstrekt of verleend,
                                    wordt een maatregel toegepast. Indien belanghebbende het verzuim
                                    niet herstelt, wordt het recht op bijstand beëindigd met ingang
                                    van de eerste dag waarover dat recht is opgeschort.</al>
          <al/>
          <al>Een bijzondere vorm van schending van de medewerkingsplicht is
                                    het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Omdat het hier gaat om
                                    het niet nakomen van een verplichting in het kader van de
                                    arbeidsinschakeling, wordt deze specifieke gedraging niet
                                    gesanctioneerd op basis van dit artikel maar op grond van
                                    artikel 6, tweede categorie onder a. De gedraging blijft
                                    overigens wel een schending van de medewerkingsplicht ex artikel
                                    17 tweede lid WWB, waardoor –althans ten aanzien van
                                    belanghebbenden aan wie al een bijstandsuitkering is toegekend-
                                    ná de maatregelwaardige gedraging de hierboven geschetste weg
                                    van artikel 54 kan worden gevolgd.</al>
          <al/>
          <al>Ten aanzien van oproepen door een Reïntegratiebedrijf (RIB) kan
                                    hier nog worden aangegeven dat de hiervoor bedoelde
                                    hersteltermijn niet gaat lopen vanaf het moment dat
                                    belanghebbende dient te verschijnen op een afspraak van het RIB,
                                    maar pas na de daaropvolgende oproep van de Sociale Dienst. Deze
                                    oproep vindt in de regel plaats nadat belanghebbende niet is
                                    verschenen op de afspraak van het RIB. Geeft belanghebbende ook
                                    geen gehoor aan de oproep dan geldt voor de hersteltermijn de
                                    datum van deze oproep om vast te kunnen stellen waarom
                                    belanghebbende niet op de afspraak van het RIB is verschenen.
                                    Voldoet een belanghebbende niet aan de oproep van de Sociale
                                    Dienst dan gaat de hersteltermijn in op het moment van deze
                                    oproep.</al>
          <al/>
          <al>Daarnaast omvat de eerste categorie, onderdeel c, het schenden
                                    van de inlichtingenplicht dat niet heeft geleid tot een teveel
                                    of ten onrechte verstrekt bedrag aan uitkering, de zogenaamde
                                    nulfraude. Voorbeelden van zogenaamde nulfraude zijn het niet
                                    opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of
                                    het niet melden van vrijwilligerswerk. Rekeninghoudend met de
                                    gedraging van de eerste categorie (te late verstrekking van
                                    gegevens) dient hier ook een maatregel te worden opgelegd.
                                    Immers het niet sanctioneren van nulfraude zou anders positiever
                                    beoordeeld worden dan het alsnog na herhaald verzoek verstrekken
                                    van gegevens. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 2</label>
          </kop>
          <al>De tweede categorie betreft het schenden van de
                                    inlichtingenplicht welke wel heeft geleid tot een ten onrechte
                                    verstrekt bedrag. Er kan in deze situaties sprake zijn van
                                    fraude als betrokkene de bedoelde inlichtingen bewust heeft
                                    verzwegen met de bedoeling er financieel van te profiteren.
                                    Waren de inlichtingen wel (tijdig) verstrekt, dan zou dat hebben
                                    geleid tot het lager vaststellen van het recht op bijstand of
                                    tot beëindiging van de bijstand. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel </label>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 1</label>
          </kop>
          <al>Voor de gedragingen van de eerste categorie is een vast
                                    percentage genoemd. Bij gedragingen van de eerste categorie,
                                    onderdeel c, kan er sprake zijn van vroegtijdig constateren van
                                    inlichtingenfraude waardoor is voorkomen dat er ten onrechte
                                    bijstand wordt verstrekt. Bijvoorbeeld constatering gedurende de
                                    aanvraagprocedure voor de eerste uitbetaling. </al>
          <al/>
          <al>Bij gedragingen van de tweede categorie is het percentage
                                    afgestemd op het ten onrechte verstrekte bedrag.</al>
          <al/>
          <al>Ook hier dient de maatregel te worden afgestemd op de ernst van
                                    de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan
                                    worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.</al>
          <al/>
          <al>Dit kan betekenen dat –zeker vanuit het oogpunt van hoogwaardig
                                    handhaven- in bepaalde situaties een hogere maatregel kan worden
                                    opgelegd.</al>
          <al/>
          <al>Toepassing geven aan artikel 2, tweede lid kan echter ook
                                    inhouden dat -met name bij een zware standaard maatregel- deze
                                    bijvoorbeeld over een langere periode wordt gespreid. Maatwerk
                                    is dus mogelijk. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 2 </label>
          </kop>
          <al>Indien er binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging
                                    sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag, wordt de grotere mate
                                    van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling
                                    van de duur van de maatregel.</al>
          <al/>
          <al>Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                                    verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien
                                    de maatregel wegens dringende redenen niet is
                                    geëffectueerd.</al>
          <al>Een gedraging kan overigens pas als “verwijtbaar” worden
                                    aangemerkt indien deze is beoordeeld en in een beslissing aan de
                                    belanghebbende kenbaar is gemaakt. </al>
          <al/>
          <al>Bij toepassing van recidive wordt uitgegaan van het tijdstip
                                    waarop de eerste verwijtbare gedraging zich feitelijk heeft
                                    voorgedaan. Het is daarom van belang dit goed weer te geven in
                                    de beslissing en die vervolgens adequaat te registreren. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 3 </label>
          </kop>
          <al>Indien na de constatering van de schending van de
                                    inlichtingenplicht de uitkering wordt beëindigd, biedt deze
                                    bepaling de mogelijkheid om de maatregel alsnog te effectueren
                                    wanneer binnen een half jaar na beëindiging van de
                                    bijstandsuitkering een nieuw recht op bijstand ontstaat. </al>
          <al/>
          <al>Er is gekozen voor deze kortere termijn (in de vorige
                                    verordening was de termijn twee jaar) omdat de verwachting is
                                    dat dan het effect van de maatregel, namelijk het
                                    bewerkstelligen van een gedragsver-andering bij de
                                    belanghebbende, het grootst is.</al>
          <al/>
          <al>Voor het bepalen van de ingangsdatum van de half jaar termijn,
                                    dient de datum van feitelijke beëindiging van de
                                    bijstandsuitkering te worden genomen. Deze hoeft niet samen te
                                    vallen met de formele beëindiging. Die kan immers vanwege fraude
                                    met terugwerkende kracht zijn bepaald.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Vervallen Lid 4</label>
          </kop>
          <al>Het vierde lid is komen te vervallen omdat artikel 3 een
                                    centraal en voldoende kader vormt voor wat betreft de
                                    berekeningsgrondslag. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Vervallen lid 5</label>
          </kop>
          <al>Het oorspronkelijke vijfde lid is komen te vervallen aangezien
                                    het bepaalde in artikel 2, tweede lid bij het opleggen van
                                    maatregelen genoemd in artikel 10, eerste lid onder b niet
                                    buiten werking kan worden gesteld. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 11. Waarschuwing </label>
          </kop>
          <al>Het geven van een schriftelijke waarschuwing is een bevoegdheid.
                                    Indien belanghebbende willens en wetens zijn inlichtingenplicht
                                    niet correct is nagekomen met als doel geldelijk gewin, kan er
                                    direct een maatregel worden opgelegd rekeninghoudend met de
                                    ernst van het feit en de gedraging.</al>
          <al/>
          <al>Zie ook toelichting artikel 8.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 12. Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</label>
          </kop>
          <al>In principe dient er bij fraude vanaf € 10.000,00 (brutobedrag
                                    inclusief de af te dragen of afgedragen loonheffing en premies
                                    en geldend per 1 januari 2009) aangifte te worden gedaan bij het
                                    Openbaar Ministerie (OM) en dient er een procesverbaal opgemaakt
                                    te worden. Als het OM een zaak in termen van strafrechtelijke
                                    bewijsbaarheid niet accepteert, bijvoorbeeld omdat er vormfouten
                                    zijn gemaakt, of dit nadeel becijfert op minder dan € 10.000,00,
                                    wordt de gemeente geïnformeerd en zal er alsnog een maatregel
                                    opgelegd dienen te worden.</al>
          <al/>
          <al>Indien er ter zake van hetzelfde feit een strafvervolging is
                                    ingesteld, wordt het opleggen van de maatregel opgeschort zolang
                                    het OM de gedraging onderzoekt. Indien er strafvervolging is
                                    ingesteld die zover is gevorderd dat het onderzoek ter
                                    terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel er een
                                    schikking heeft plaatsgevonden op grond van art. 74 Sr, blijft
                                    de maatregel definitief achterwege.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 4: Overige gedragingen.</label>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</label>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 1</label>
          </kop>
          <al>Het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                    heeft direct gevolgen voor het recht op, de hoogte of de duur
                                    van de aanspraak op bijstand. Een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals
                                    geen of te laat een aanvraag doen voor een voorliggende
                                    voorziening, het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                                    alimentatievordering, het niet verzekerd zijn of het
                                    onverantwoord interen van vermogen. </al>
          <al/>
          <al>Bij onverantwoord interen van vermogen ligt het op grond van de
                                    jurisprudentie primair op de weg van de belanghebbende om
                                    controleerbare bewijsstukken te overleggen met betrekking tot
                                    het interen op een (fors) vermogen. Belanghebbende dient
                                    voldoende inzicht te verschaffen omtrent de wijze waarop het
                                    vermogen is aangewend. Indien dit niet het geval is, omdat niet
                                    over bedoelde documenten wordt beschikt, behoort dit tot het
                                    eigen risico van belanghebbende. In dat geval is sprake van
                                    schending van de inlichtingenplicht en kan het recht op bijstand
                                    niet worden vastgesteld. De aanvraag dient in dit geval te
                                    worden afgewezen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 2</label>
          </kop>
          <al>Er is gekozen voor een vast kortingspercentage op de bijstand
                                    van 20%; de ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                                    duur van de maatregel. Velerlei gedragingen kunnen aangemerkt
                                    worden als ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid. Het
                                    betreffen hier richtlijnen. Dit betekent dat het percentage van
                                    de maatregel ook hoger of lager en de duur korter of langer
                                    vastgesteld kan worden. Ook is het mogelijk om gelet op de ernst
                                    van de gedraging onder toepassing van artikel 48, tweede lid van
                                    de wet bijstand toe te kennen in de vorm van een geldlening.
                                </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 3</label>
          </kop>
          <al>Dit lid doelt vooral op situaties waarbij een belanghebbende een
                                    beroep doet op (incidentele) bijzondere bijstand, terwijl sprake
                                    is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. </al>
          <al/>
          <al>Een voorbeeld hiervan is wanneer een belanghebbende heeft
                                    nagelaten een voor zijn (gezins)-situatie passende
                                    ziektekostenverzekering af te sluiten. </al>
          <al/>
          <al>De nieuwe Zorgverzekeringswet kent een verplichting voor het
                                    sluiten van een basisverzekering. Wie niet verzekerd is,
                                    riskeert een forse boete. Mocht een belanghebbende
                                    desalniettemin onverzekerd zijn en vervolgens vanwege
                                    ziektekosten een beroep doen op bijzondere bijstand, dan moet
                                    het onverzekerd zijn worden beschouwd als tekortschietend besef
                                    van verantwoordelijkheid. Onverminderd het bepaalde in artikel
                                    2, tweede lid, bestaat de maatregel dan uit het weigeren van de
                                    bijzondere bijstand (er is dan in feite sprake van een maatregel
                                    van 100 procent).</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 4</label>
          </kop>
          <al>In voorkomende gevallen kan aan jongeren tussen 18 en 21 jaar
                                    aanvullende bijzondere bijstand worden verstrekt. Dit kan ook in
                                    aanvulling op de lage normen ingevolge de WIJ. Het kan echter
                                    gebeuren dat een jongere door het niet nakomen van de in het
                                    kader van de WIJ opgelegde verplichtingen met toepassing van de </al>
          <al/>
          <al>Afstemmingsverordening WIJ een maatregel krijgt opgelegd. Deze
                                    maatregel kan dan alleen gelden voor de WIJ-norm en niet voor de
                                    aanvullende bijzondere bijstand. Om deze echter ook te kunnen
                                    verlagen wordt de gedraging van de jongere voor wat betreft de
                                    aanvullende bijzondere bijstand gekwalificeerd als
                                    “tekortschietend besef van verantwoordelijkheid”. De bedoeling
                                    is dan dat de maatregel in het kader van deze verordening
                                    eenzelfde percentage en duur kent als die op grond van de
                                    Afstemmingsverordening WIJ. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Lid 5 </label>
          </kop>
          <al>Een bijzondere vorm van tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid is het “door eigen toedoen niet behouden
                                    van algemeen geaccepteerde arbeid”.</al>
          <al/>
          <al>Het gaat hier onder meer om verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld
                                    een ontslag op staande voet wegens diefstal of werkweigering. </al>
          <al/>
          <al>In deze gevallen wordt een eventuele aanvraag WW vrijwel zonder
                                    uitzondering geweigerd. Tenzij achteraf anders blijkt, neemt de
                                    Sociale Dienst de constatering van de UWV, dat er sprake is van
                                    verwijtbaarheid, over. Mocht in het bezwaar tegen de weigering
                                    van de WW-uitkering blijken dat het ontslag niet verwijtbaar is,
                                    dan kan er in het kader van de WWB ook geen sprake zijn van
                                    verwijtbaarheid. Als de belanghebbende afziet van het aanvragen
                                    van WW, dan zal de Sociale Dienst zelf moeten onderzoeken of het
                                    ontslag verwijtbaar is.</al>
          <al/>
          <al>Omdat het in de praktijk gaat om een gedraging die toch een
                                    zekere samenhang laat zien met de ge-dragingen die in artikel 6
                                    zijn gerangschikt (het niet of onvoldoende meewerken aan het
                                    verkrijgen en aanvaarden van arbeid), wordt de daarmee verbonden
                                    sanctionering van artikel 7 overeenkomstig toegepast.</al>
          <al/>
          <al>Bovendien past de standaard sanctiemethodiek met betrekking tot
                                    gedragingen die in het algemeen vallen onder het begrip
                                    “tekortschietend besef van verantwoordelijkheid” zoals verwoord
                                    in artikel 13, eerst lid, niet bij de specifieke gedraging
                                    genoemd in het vierde lid.</al>
          <al/>
          <al>Tenslotte kan nog worden opgemerkt dat het door eigen toedoen
                                    niet behouden van een gesubsidieerde baan eveneens kan worden
                                    aangemerkt als een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid zoals hier in het vierde lid is
                                    bedoeld.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen</label>
          </kop>
          <al>Een gedraging die in de wet omschreven staat en die een
                                    schending van de medewerkingsplicht betekent, is het zich jegens
                                    het college zeer ernstig misdragen. Onder de term ‘zeer ernstige
                                    misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden
                                    verstaan, waarbij sprake is van gedrag dat in het normale
                                    menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                                    beschouwd. In de verordening is aangegeven dat agressief gedrag
                                    van een bijstandsgerechtigde aanleiding vormt voor het opleggen
                                    van een maatregel. Een nadere uitwerking van wat onder “het zeer
                                    ernstig misdragen” kan worden verstaan, vindt plaats in het
                                    zogenoemde Agressieprotocol. Hier wordt volstaan met de
                                    vermelding dat het moet gaan om ernstige misdragingen tegenover
                                    medewerkers van de gemeente en medewerkers van andere
                                    organisaties die belast zijn met de uitvoering van de WWB, onder
                                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering
                                    van deze wet.</al>
          <al/>
          <al>Het doen van aangifte van een strafbaar feit is geen voorwaarde
                                    voor het opleggen van een maatregel wegens vernieling,
                                    bedreiging, belaging of mishandeling. Of aangifte wordt gedaan
                                    conform het agressieprotocol staat dus los van het opleggen van
                                    een maatregel. Ook een veroordeling door de strafrechter is geen
                                    voorwaarde voor toepassing van deze bepaling. Een maatregel
                                    vanwege een ernstige misdraging is niet bedoeld om de eventueel
                                    door die misdraging veroorzaakte schade te vergoeden. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 15. Noodzakelijke betalingen en bijstand in natura</label>
          </kop>
          <al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om nadere
                                    beleidsregels te stellen ten aanzien van de verplichtingen mee
                                    te werken aan het doorbetalen van noodzakelijke betalingen uit
                                    de uitkering en het accepteren dat de bijstand in natura wordt
                                    verstrekt. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 5: Slotbepalingen</label>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel/>
          </kop>
          <al>In het kader van de inwerkingtreding kan worden opgemerkt dat de
                                    Afstemmingsverordening WWB 2009, die is vastgesteld op 18
                                    november 2008, nog niet komt te vervallen voor de groep jongeren
                                    waarop de overgangsbepalingen van de WIJ van toepassing zijn.
                                    Voor deze groep vervalt laatstbedoelde afstemmingsverordening
                                    pas op 1 juli 2010. </al>
          <al>De bepaling betreffende de citeertitel spreekt voor zich.</al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>