<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR32485_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Exploitatieverordening gemeente Berkelland 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Berkelbericht 2 oktober 2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Exploitatieverordening gemeente Berkelland 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de ruimtelijke ordening, artikel 42;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 222;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-09-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-10-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2008-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeenteraad 18 september 2007</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Exploitatieverordening gemeente Berkelland 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Berkelland, </al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 augustus 2007, </al><al/><al>gelet op artikel 42 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 222
                        Gemeentewet en de Algemene Wet Bestuursrecht, </al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening houdende de voorwaarden
                        waaronder de gemeente medewerking zal verlenen aan het in exploitatie
                        brengen van gronden. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel><vet> Algemene bepalingen</vet></titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 1 Algemene begripsbepalingen</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder </al><lijst><li nr="a."><al>medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden: het door
                                    of met medewerking van de gemeente treffen van voorzieningen van
                                    openbaar nut, waardoor de in het exploitatiegebied gelegen
                                    onroerende zaken gebaat worden;</al></li><li nr="b."><al>exploitatiegebied: een als zodanig door de gemeenteraad
                                    aangewezen gebied, dat gebaat is door de aanleg van
                                    voorzieningen van openbaar nut;</al></li><li nr="c."><al>exploitant: de genothebbende krachtens eigendom, bezit of
                                    beperkt recht of anderszins rechthebbende van een in het
                                    exploitatiegebied gelegen onroerende zaak welke door het treffen
                                    van voorzieningen van openbaar nut gebaat is;</al></li><li nr="d."><al>exploitatie-overeenkomst: de overeenkomst, onder welke naam dan
                                    ook gesloten, waarin de gemeente met een exploitant de
                                    voorwaarden overeenkomt waaronder de gemeente voorzieningen van
                                    openbaar nut zal treffen of daaraan medewerking zal
                                    verlenen;</al></li><li nr="e."><al>aangevuld bekostigingsbesluit: een besluit van de gemeenteraad
                                    waarin niet alleen overeenkomstig artikel 222 Gemeentewet, wordt
                                    besloten in welke mate de aan de voorzieningen verbonden lasten
                                    zullen kunnen worden verhaald op een daarbij aangeduid gebied,
                                    maar waarin ook een omschrijving van de voorzieningen van
                                    openbaar nut en een begroting van kosten en opbrengsten is
                                    opgenomen;</al></li><li nr="f."><al>voorzieningen van openbaar nut, waardoor de in het
                                    exploitatiegebied gelegen onroerende zaken gebaat worden: onder
                                    meer: </al><lijst><li nr="1."><al>riolering, met inbegrip van bijbehorende werken;</al></li><li nr="2."><al>wegen, parkeergelegenheden, pleinen, trottoirs, voet- en
                                            rijwielpaden, straatmeubilair, waterpartijen,
                                            watergangen, bruggen, tunnels en andere rechtstreeks met
                                            de aanleg en inrichting van deze voorzieningen en
                                            kunstwerken verband houdende werken;</al></li><li nr="3."><al>plantsoenen en andere groenvoorzieningen, waaronder
                                            begrepen de aanleg en inrichting van openbare
                                            speelplaatsen en speelweiden alsmede de sierende
                                            elementen welke rechtstreeks voortvloeien uit een juiste
                                            uitvoering van een verzorgd bestemmingsplan;</al></li><li nr="4."><al>openbare verlichting en brandkranen met de nodige
                                            aansluitingen;</al></li><li nr="5."><al>waterhuishoudkundige voorzieningen, met inbegrip van
                                            drainagevoorzieningen; </al></li></lijst></li><li nr="g."><al>afstand van gronden aan de gemeente: eigendomsoverdracht van
                                    gronden aan de gemeente.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Kosten van exploitatie</titel></kop><al>Voor de berekening ten behoeve van de begroting van kosten en ten
                            behoeve van de vaststelling van exploitatiebijdragen, wordt onder de
                            kosten, verband houdende met het verlenen van medewerking aan het in
                            exploitatie brengen van grond begrepen: </al><lijst><li nr="1."><al>De inbrengwaarde van alle binnen het exploitatiegebied gelegen
                                    gronden, zijnde:</al><lijst><li nr="a."><al>de waarde van de grond;</al></li><li nr="b."><al>de waarde van de opstallen, die voor de verwezenlijking
                                            van de bestemming niet gehandhaafd kunnen worden; </al></li><li nr="c."><al>de kosten van het vrijmaken van de gronden van
                                            opstallen;</al></li><li nr="d."><al>de kosten van vrijmaken van de grond van zich in de
                                            grond bevindende resten, zoals funderingen, leidingen en
                                            kabels, en van persoonlijke rechten en lasten, eigendom,
                                            bezit of beperkt recht, zakelijke lasten, alsmede de
                                            kosten van schadevergoedingen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De kosten van aanleg binnen een exploitatiegebied door de
                                    gemeente van de onder artikel 1, onder f omschreven
                                    voorzieningen van openbaar nut. </al></li><li nr="3."><al>De kosten van aanleg van voorzieningen van openbaar nut buiten
                                    het exploitatiegebied voor zover de binnen het exploitatiegebied
                                    liggende onroerende zaken door deze voorzieningen direct dan wel
                                    indirect gebaat zijn.</al></li><li nr="4."><al>De kosten van:</al><lijst><li nr="a."><al>het dempen van sloten en het verrichten van grondwerken
                                            ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut met
                                            inbegrip van het egaliseren, ophogen en afgraven;</al></li><li nr="b."><al>het verrichten van bodemonderzoek en -sanering,
                                            voorzover het de ondergrond van voorzieningen van
                                            openbaar nut betreft en voorzover verhaal bij derden van
                                            de daarmee verband houdende kosten niet in de rede
                                            ligt;</al></li><li nr="c."><al>in verband met de milieuwetgeving of milieutechnisch
                                            noodzakelijke maatregelen en voorzieningen ter
                                            uitvoering van een bestemmingsplan;</al></li><li nr="d."><al>de verwerving van de ondergrond van voorzieningen van
                                            openbaar nut buiten het exploitatiegebied; </al></li><li nr="e."><al>het slopen van opstallen op de ondergrond van
                                            voorzieningen van openbaar nut buiten het
                                            exploitatiegebied;</al></li><li nr="f."><al>alle overige werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor
                                            het verlenen van medewerking aan het in exploitatie
                                            brengen van gronden, in ieder geval:</al><lijst><li nr="1."><al>de kosten van planontwikkeling,
                                                  planvoorbereiding en planbeheer en plantoezicht.
                                                  Onder deze kosten wordt ten minste verstaan: de
                                                  kosten verband houdende met het opstellen van
                                                  structuurplannen en bestemmingsplannen, het
                                                  opstellen van planmatige uitwerkingen of
                                                  wijzigingen, het vervaardigen van besluiten tot
                                                  het verlenen van vrijstelling van een
                                                  bestemmingsplan alsmede van overige planologische
                                                  maatregelen voorzover deze nodig zijn voor het in
                                                  exploitatie brengen van gronden binnen het
                                                  exploitatiegebied;</al></li><li nr="2."><al>de kosten verband houdende met onderzoeken,
                                                  voorbereiding en toezicht ten behoeve van de
                                                  voorzieningen van openbaar nut voorzover deze
                                                  verband houden met het in exploitatie brengen van
                                                  gronden binnen het exploitatiegebied; </al></li><li nr="3."><al>de kosten van het gemeentelijk apparaat,
                                                  voorzover die rechtstreeks aan het in exploitatie
                                                  brengen van gronden kunnen worden
                                                  toegerekend;</al></li><li nr="4."><al>de rente van geïnvesteerde kapitalen en overige
                                                  lasten, verminderd met rente- opbrengsten;</al></li><li nr="5."><al>de kosten van tijdelijk beheer van de ondergrond
                                                  van voorzieningen van openbaar nut, zijnde de
                                                  kosten die tengevolge van een noodzakelijk actief
                                                  verwervingsbeleid worden gemaakt en niet dan wel
                                                  niet geheel door middel van tijdelijke verhuur
                                                  worden gedekt; </al></li><li nr="6."><al>overige kosten, die in beginsel ten laste van de
                                                  grondexploitatie behoren te worden gebracht.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>In exploitatie brengen op initiatief van de gemeente</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Vaststelling aangevuld bekostigingsbesluit</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Voordat op initiatief van de gemeente met het treffen van
                                    voorzieningen van openbaar nut in een exploitatiegebied wordt
                                    aangevangen, wordt door de gemeenteraad een aangevuld
                                    bekostigingsbesluit voor dat exploitatiegebied vastgesteld en
                                    bekendgemaakt op de wijze zoals bedoeld in artikel 139
                                    Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>Het aangevuld bekostigingsbesluit bevat in ieder geval de
                                    volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="a."><al>aanduiding van het exploitatiegebied en aanwijzing van
                                            de daarin gelegen onroerende zaken die gebaat zijn door
                                            de aanleg van voorzieningen van openbaar nut;</al></li><li nr="b."><al>aanduiding van de mate waarin de kosten, verband
                                            houdende met het verlenen van medewerking aan het in
                                            exploitatie brengen van gronden, op de genothebbenden
                                            van de in het vorige lid bedoelde onroerende zaken
                                            kunnen worden verhaald;</al></li><li nr="c."><al>omschrijving van de van gemeentewege uit te voeren
                                            voorzieningen van openbaar nut en daarmee verband
                                            houdende werkzaamheden; </al></li><li nr="d."><al>de bepaling dat, in geval met een exploitant niet tot
                                            overeenstemming kan worden gekomen over een
                                            exploitatie-overeenkomst, kostenverhaal zal kunnen
                                            plaatsvinden door middel van heffing van baatbelasting;
                                            e een begroting van de ten laste van de onroerende zaken
                                            in het exploitatiegebied komende kosten, verband
                                            houdende met het verlenen van medewerking aan het in
                                            exploitatie brengen van grond, en van de ten gunste van
                                            het in exploitatie nemen van gronden komende
                                            opbrengsten. De opbrengsten bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>subsidies;</al></li><li nr="2."><al>verkoop van gronden;</al></li><li nr="3."><al>bijdragen in de kosten van aanleg van
                                                  voorzieningen van openbaar nut, hetzij via
                                                  overeenkomst hetzij via baatbelasting; </al></li><li nr="4."><al>overige bijdragen. Van deze begroting maakt
                                                  eveneens deel uit de wijze van toerekening van de
                                                  totale kosten en opbrengsten aan de onroerende
                                                  zaken in het exploitatiegebied, zoveel mogelijk
                                                  naar de mate van het profijt dat de onroerende
                                                  zaken hebben van het samenhangend geheel van
                                                  voorzieningen van openbaar nut. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In het aangevuld bekostigingsbesluit kan worden bepaald
                                            dat de begroting als bedoeld in het tweede lid onder e
                                            later door de gemeenteraad wordt vastgesteld. De
                                            begroting kan door de gemeenteraad periodiek worden
                                            herzien. De begroting wordt bekendgemaakt op de wijze
                                            als bedoeld in artikel 139 Gemeentewet.</al></li><li nr="4."><al>Voor de berekening van de in het tweede lid onder e
                                            bedoelde kosten wordt ervan uitgegaan dat het
                                            exploitatiegebied in zijn geheel door de gemeente in
                                            exploitatie zal worden gebracht.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Wijze van toerekening naar mate van profijt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toerekening van het profijt wordt als rekeneenheid gebruikt
                                het gemiddelde bedrag van de ten nutte van het exploitatiegebied
                                gemaakte of te maken kosten per m2 grondoppervlakte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder de grondoppervlakte wordt verstaan de kadastrale oppervlakte
                                van de onroerende zaken, waar mogelijk ingedeeld naar de in een
                                bestemmingsplan opgenomen geprojecteerde kavels (bouw)grond,
                                vermenigvuldigd met factoren voor ligging en bestemming en
                                objectieve gebruiksmogelijkheid, waarin het profijt van de van
                                gemeentewege getroffen voorzieningen van openbaar nut tot
                                uitdrukking komt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval de toerekening op basis van m2 grondoppervlakte geen
                                geschikte grondslag blijkt te zijn, geschiedt de toerekening op
                                basis van een nader door de gemeenteraad te bepalen grondslag, welke
                                voorziet in de aanwezige verschillen in profijt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vaststelling exploitatiebijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant betaalt als bijdrage in de kosten verband houdende met
                                het verlenen van medewerking aan het in exploitatie brengen van
                                gronden het bedrag dat volgens de in de begroting als bedoeld in
                                artikel 3, tweede lid onder e uitgewerkte wijze aan zijn onroerende
                                zaak wordt toegerekend, vermeerderd met de kosten op de afstand van
                                de gronden bestemd voor de aanleg en/of aanpassing van voorzieningen
                                van openbaar nut vallende en de kosten van kadastrale uitmeting, en
                                verminderd met de inbrengwaarde van de bij de exploitant in eigendom
                                zijnde en voor exploitatie bedoelde gronden en van de gronden welke
                                zijn bestemd voor het treffen van voorzieningen van openbaar nut en
                                door exploitant aan de gemeente worden afgestaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De waarde van de in het eerste lid bedoelde grond die door de
                                exploitant is ingebracht wordt door de gemeente en de exploitant
                                gezamenlijk door middel van taxatie vastgesteld. Indien hierover
                                geen overeenstemming kan worden bereikt, wordt deze waarde
                                vastgesteld door een commissie van drie deskundigen, van wie één aan
                                te wijzen door de gemeente, één door de exploitant en een derde door
                                de beide reeds aangewezen deskundigen of, indien zij het daarover
                                niet eens kunnen worden, door de terzake bevoegde
                                kantonrechter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de exploitant zelf conform artikel 6, derde lid, onder e
                                voorzieningen van openbaar nut aanlegt bestaat de
                                exploitatiebijdrage uit de bijdrage, zoals deze op grond van het
                                eerste lid van dit artikel wordt bepaald, verminderd met de kosten
                                van de door exploitant uit te voeren werkzaamheden, voorzover deze
                                kosten corresponderen met de begroting van kosten zoals bedoeld in
                                artikel 3, tweede lid, onder e. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inhoud exploitatie-overeenkomst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verhaal van kosten verband houdende met het verlenen van
                                medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden vindt plaats
                                met inachtneming van de voorgaande artikelen. Van de
                                exploitatie-overeenkomst wordt een akte opgemaakt. Indien de
                                exploitatie-overeenkomst mede een grondtransactie betreft, is dit
                                een notariële akte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders besluiten tot het aangaan van een
                                exploitatie-overeenkomst op initiatief van de gemeente slechts nadat
                                een aangevuld bekostigingsbesluit is vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De exploitatie-overeenkomst bevat in ieder geval bepalingen
                                over:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard, omvang en kwaliteit van de door de gemeente of
                                        exploitant aan te leggen voorzieningen van openbaar nut
                                    </al></li><li nr="b."><al>het tijdvak waarbinnen deze voorzieningen worden
                                        uitgevoerd;</al></li><li nr="c."><al>de ten laste van de exploitant komende bijdrage als bedoeld
                                        in artikel 5, eerste lid;</al></li><li nr="d."><al>in voorkomende gevallen de afstand van gronden aan de
                                        gemeente, voorzover die gronden zijn bestemd voor de aanleg
                                        of aanpassing van voorzieningen van openbaar nut, en in deze
                                        gevallen het verrichten van onderzoek naar
                                        bodemverontreiniging op kosten van exploitant; </al></li><li nr="e."><al>in gevallen waarbij burgemeester en wethouders besluiten de
                                        gehele of gedeeltelijke uitvoering van de door de gemeente
                                        aan te leggen voorzieningen van openbaar nut aan de
                                        exploitant op te dragen: deze opdracht en de waarborging van
                                        een tijdige en kwalitatief goede uitvoering;</al></li><li nr="f."><al>een betalingsregeling;</al></li><li nr="g."><al>in voorkomende gevallen een taakverdeling;</al></li><li nr="h."><al>in voorkomende gevallen een regeling voor gewijzigde
                                        omstandigheden, wanprestatie, aansprakelijkheid en
                                        faillissement. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>In exploitatie brengen op verzoek van exploitant</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 Indiening aanvraag voor medewerking</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Een belanghebbende kan bij burgemeester en wethouders een
                                    aanvraag indienen voor medewerking aan het in exploitatie
                                    brengen van gronden. </al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts medewerking aan het
                                    op aanvraag van exploitant in exploitatie brengen van gronden
                                    krachtens een exploitatie-overeenkomst als bedoeld in artikel 6,
                                    met dien verstande dat artikel 6, tweede lid in dat geval niet
                                    van toepassing is. </al></li><li nr="3."><al>Bij de aanvraag dient in ieder geval te worden gevoegd:</al><lijst><li nr="a."><al>een nauwkeurige omschrijving van de in exploitatie te
                                            brengen onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al>gegevens, waaruit blijkt dat de belanghebbende
                                            genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                            van de in exploitatie te brengen onroerende zaken is of
                                            kan worden;</al></li><li nr="c."><al>gegevens omtrent de door belanghebbende te treffen
                                            (bouw)werkzaamheden.</al></li><li nr="4."><al>Ingeval door burgemeester en wethouders een aanvraag
                                            voor een bouwvergunning, eventueel in combinatie met een
                                            aanvraag voor vrijstelling, wordt ontvangen, waarbij in
                                            geval van verlening van de vrijstelling en/of
                                            bouwvergunning van gemeentewege voorzieningen van
                                            openbaar nut moeten worden getroffen, wordt hiervan zo
                                            spoedig mogelijk, doch in ieder geval voor de beslissing
                                            op de aanvraag mededeling gedaan aan de aanvrager.
                                            Daarbij zal een zo nauwkeurig mogelijke raming van de
                                            voor rekening van de exploitant komende kosten, verband
                                            houdende met het in exploitatie brengen van gronden,
                                            worden verstrekt. Tevens zal daarbij aan de aanvrager de
                                            gelegenheid worden gegeven tot het indienen van een
                                            aanvraag voor medewerking. </al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders reageren op de aanvraag voor
                                            medewerking, hetzij met een weigering hetzij met de
                                            aanbieding van een concept-overeenkomst, binnen zes
                                            maanden na de dag waarop het verzoek is ontvangen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Aanhouding verzoek</titel></kop><al>De reactie op een aanvraag kan worden aangehouden: a ingeval de
                            procedure tot goedkeuring van een van toepassing zijnd bestemmingsplan
                            of een herziening daarvan nog niet is afgerond, tot vier weken na het
                            onherroepelijk worden van (het betreffende deel van) het bestemmingsplan
                            of de herziening daarvan; b ingeval voorzienbaar is dat de in artikel 9
                            genoemde belemmeringen binnen afzienbare tijd zullen kunnen worden
                            weggenomen, tot vier weken nadat deze belemmeringen zijn weggenomen.
                            </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4 Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Weigeringsgronden voor een
                                exploitatie-overeenkomst</titel></kop><al>De medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden behoeft in
                            ieder geval niet te worden verleend, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de in exploitatie te brengen grond niet is gelegen in een gebied
                                    waarvoor een bestemmingsplan geldt; </al></li><li nr="b."><al>de door de exploitant aangegeven (bouw)werkzaamheden of de
                                    daartoe benodigde voorzieningen van openbaar nut zouden leiden
                                    tot strijd met het bestemmingsplan of de Woningwet;</al></li><li nr="c."><al>het treffen van de voorzieningen, hoewel overeenkomstig een
                                    bestemmingsplan, anderszins zou leiden tot strijd met belangen
                                    van een doeltreffende uitbreiding van bebouwing of
                                    herinrichting;</al></li><li nr="d."><al>het in exploitatie brengen van grond anderszins zou leiden tot
                                    ten laste van de gemeente blijvende kosten van voorzieningen van
                                    openbaar nut of tot bezwaren ten aanzien van het doeltreffend
                                    voorzien in watervoorziening, openbare verlichting, riolering en
                                    andere voorzieningen van openbaar nut;</al></li><li nr="e."><al>exploitant geen afstand wil doen van gronden ten behoeve van
                                    aanleg van voorzieningen van openbaar nut; f exploitant de
                                    ondergrond van voorzieningen van openbaar nut niet wil
                                    onderzoeken op de aanwezigheid van bodemverontreiniging, dan wel
                                    de bodem niet wil saneren wanneer dat noodzakelijk is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Relatie baatbelasting</titel></kop><al>In een gebied waarvoor een aangevuld bekostigingsbesluit is
                            genomen, zal, indien de exploitant een exploitatie-overeenkomst aangaat,
                            in de overeenkomst worden bepaald dat, met betrekking tot de uitvoering
                            van de in deze overeenkomst genoemde voorzieningen van openbaar nut,
                            geen aanvullend kostenverhaal op basis van baatbelasting ten laste van
                            de betreffende onroerende zaak zal plaatsvinden. </al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Uitzonderingsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde in artikel 2, onder 1, en de artikelen 3, 5, en 6
                                    van deze verordening is niet van toepassing voor voorzieningen
                                    van openbaar nut van ondergeschikt belang, zoals een uitweg op
                                    de openbare weg of een aansluiting op het openbare riool. In
                                    dergelijke gevallen besluiten burgemeester en wethouders onder
                                    welke voorwaarden deze voorzieningen van openbaar nut door of
                                    met medewerking van de gemeente zullen worden aangelegd. </al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in artikel 2, onder 1, voor zover geen betrekking
                                    hebbend op de ondergrond van voorzieningen van openbaar nut, en
                                    artikel 5, eerste en tweede lid van deze verordening kan buiten
                                    toepassing blijven ten aanzien van</al><lijst><li nr="a."><al>een exploitatiegebied dat in de naaste toekomst niet of
                                            niet geheel voor bebouwing in aanmerking komt; </al></li><li nr="b."><al>de in een exploitatiegebied gelegen gronden die in de
                                            naaste toekomst niet voor bebouwing in aanmerking
                                            komen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12 Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Ingeval vóór het moment van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aangevuld bekostigingsbesluit is genomen danwel een aanvraag als bedoeld
                            in artikel 7 is ingediend, kan de exploitatie-overeenkomst worden
                            gebaseerd op de desbetreffende Exploitatieverordening van:</al><lijst><li nr="·"><al>de voormalige gemeente Borculo zoals vastgesteld bij
                                    raadsbesluit van 26 februari 1998 en van rechtswege vervallen op
                                    1 januari 2005;</al></li><li nr="·"><al>de voormalige gemeente Ruurlo zoals vastgesteld bij raadsbesluit
                                    van 29 mei 1997 en van rechtswege vervallen op 1 januari
                                    2005;</al></li><li nr="·"><al>de voormalige gemeente Eibergen zoals vastgesteld bij
                                    raadsbesluit van 30 mei 1995 en van rechtswege vervallen op 1
                                    januari 2005;</al></li><li nr="·"><al>de voormalige gemeente Neede zoals vastgesteld bij raadsbesluit
                                    van 6 oktober 1998 en van rechtswege vervallen op 1 januari
                                    2005;</al></li></lijst><al> met dien verstande dat, voor zover van belang, in afwijking van de
                            desbetreffende Exploitatieverordening , het aangaan van overeenkomsten
                            geschiedt door burgemeester en wethouders. </al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van bekendmaking op de wijze als bedoeld in artikel 139
                            Gemeentewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Exploitatieverordening
                            gemeente Berkelland 2007'. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 september 2007 De
                        griffier, De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>Toelichting op de exploitatieverordening 2007 van de gemeente Berkelland.
                    </al><al/><al><vet>Algemeen </vet></al><al>In de model-exploitatieverordening zoals opgenomen in deze uitgave is in 1997
                    een klein aantal wijzigingen van ondergeschikte aard aangebracht ten opzichte
                    van de model- exploitatieverordening zoals die in 1996 in deze uitgave werd
                    opgenomen. Ten eerste is in de definitie van 'exploitant' ter verduidelijking de
                    term 'anderszins rechthebbende' toegevoegd. In de tweede plaats is de in artikel
                    3, tweede lid onder d vastgelegde verplichting, om in het aangevuld
                    bekostigingsbesluit aan te geven op welke termijn een exploitant een aanbod tot
                    het aangaan van een exploitatieovereenkomst zal kunnen ontvangen, komen te
                    vervallen. In de derde plaats is in artikel 11, tweede lid ter verduidelijking
                    aangegeven dat de inbrengwaarde van ondergrond van voorzieningen van openbaar
                    nut uiteraard wel als kostenpost opgevoerd kan worden. Voor de wijzigingen van
                    artikel 1 en 11 geldt dat de beoogde verduidelijking reeds in de artikelsgewijze
                    toelichting wordt bereikt. In 2000 is uit artikel 13 van de modelverordening het
                    vereiste van goedkeuring van Gedeputeerde Staten voor wijzigingen van de
                    verordening geschrapt. </al><al/><al><vet>Artikelgewijs </vet><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Artikel 42 WRO geeft aan dat de exploitatieverordening de voorwaarden bevat
                    waaronder de gemeente medewerking zal verlenen aan het in exploitatie brengen
                    van gronden. Daarnaast geeft het tweede lid van artikel 42 WRO aan dat de
                    exploitatieverordening onder meer voorschriften bevat omtrent het aandeel van de
                    kosten van voorzieningen van openbaar nut dat ten laste wordt gebracht van de
                    gebate gronden. De medewerking kan dus zowel bestaan uit het treffen van
                    voorzieningen van openbaar nut, als uit werkzaamheden die de gemeente verricht
                    teneinde de aanleg van voorzieningen van openbaar nut door een derde (eventueel
                    exploitant zelf) mogelijk te maken. De definitie van medewerking aan het in
                    exploitatie brengen van grond sluit ook aan op de voor de baatbelasting
                    gehanteerde definitie. Dit betekent dat alle eigenaren en genothebbenden van
                    gebate onroerende zaken in een door voorzieningen gebaat gebied, ook de
                    eigenaren van reeds gebouwde percelen, in aanmerking komen voor een
                    exploitatieovereenkomst. In ieder geval dient hiermee in de omslag van kosten
                    rekening te worden gehouden. In de baatbelasting-nieuwe-stijl wordt omschreven
                    wie belastingplichtig is. Deze modelverordening beoogt een zo nauw mogelijke
                    samenhang in de inzet van privaatrechtelijk en fiscaalrechtelijk kostenverhaal.
                    Om die reden is een definitie van een mogelijke contractpartner in het kader van
                    de exploitatieverordening gekozen die de omschrijving van een mogelijke
                    belastingplichtige 'dekt'. Exploitanten kunnen dus zowel voor fiscaal als
                    privaatrechtelijk kostenverhaal in aanmerking komen. Hoewel voor de
                    baatbelasting geldt dat economische eigenaren van gronden die gebaat worden door
                    de aanleg van openbare voorzieningen niet worden geacht 'genothebbenden
                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht' van die gronden te zijn, zijn zij
                    uitdruk- kelijk wel partij voor een te sluiten exploitatieovereenkomst. Om
                    verwarring te voorkomen kan daarom in de definitie ook de 'anderszins
                    rechthebbende' expliciet worden vermeld, zoals in de wijziging van de
                    model-verordening van 1997 ook is gebeurd. In ieder geval valt onder de
                    definitie van exploitant ook de economisch eigenaar en degene die op een andere
                    wijze kan aantonen dat hij de grond in eigendom zal (kunnen) verkrijgen (zie ook
                    artikel 7, derde lid onder b). De aanwijzing van exploitatiegebieden maakt ook
                    toepassing mogelijk op onroerende zaken in stads- en dorpsvernieuwingsgebieden.
                    Het kan met andere woorden zowel om nieuwbouwlocaties als om reconstructie van
                    bestaand bebouwd gebied gaan. Rioolwaterzuiveringsinstallaties en
                    bemalingsinrichtingen komen op de lijst van werken die als voorzieningen van
                    openbaar nut kunnen worden aangemerkt niet meer voor (in tegenstelling tot de
                    lijst behorende bij het model van 1968); dit omdat de kosten van deze
                    voorzieningen ten laste van de waterkwaliteitsbeheerders behoren te komen en
                    niet ten laste van de gemeentelijke grondexploitatie. </al><al/><al><vet>Artikel 2 Kosten van exploitatie</vet></al><al>De gemeente brengt de kosten in rekening verband houdende met het door of met
                    medewerking van de gemeente treffen van voorzieningen van openbaar nut. Dit kan
                    meer zijn dan alleen de directe kosten van de aanleg van voorzieningen van
                    openbaar nut. In dit artikel wordt aangegeven welke voorzieningen voor
                    kostenverhaal in aanmerking komen, en vervolgens welke daarmee samenhangende
                    kosten. Ten opzichte van het model van 1968 is een aantal extra
                    kostencategorieën expliciet opgenomen: voorbereiding, toezicht en onderzoek ten
                    behoeve van de voorzieningen van openbaar nut, tijdelijk beheer van gronden,
                    bodemonderzoek en -sanering, in verband met de milieuwetgeving noodzakelijke
                    maatregelen en voorzieningen op, en de verwerving van, de ondergrond van
                    voorzieningen van openbaar nut en het slopen van opstallen op die ondergrond.
                    Met nadruk zij vermeld dat als exploitatiegebied wordt aangemerkt het totale
                    gebate gebied; dit gebied omvat niet alleen de voor nieuwbouw in aanmerking
                    komende gronden (zoals gebruikelijk bij veel puur gemeentelijke
                    exploitatie-opzetten), maar ook het overige gebate gebied. Omgekeerd kan het
                    exploitatiegebied weer niet gelijk zijn aan het bestemmingsplangebied.
                    Afhankelijk van de doelstellingen van het bestemmingsplan en de daaruit
                    voortvloeiende begrenzing kan het exploitatiegebied kleiner zijn dan het
                    bestemmingsplangebied dan wel groter. Onder de inbrengwaarde van gronden wordt
                    zowel de waarde van de grond zelf als de opstallen, die niet kunnen worden
                    gehandhaafd, begrepen. Omdat het hier grondexploitatie betreft is toch gekozen
                    voor de term 'gronden', hoewel het hier feitelijk de inbrengwaarde van
                    onroerende zaken betreft. Onder de inbrengwaarde wordt ook begrepen de kosten
                    van schadevergoedingen, waaronder ook zeker planschadevergoedingen.
                    Achterliggend idee van de inbrengwaardemethodiek (zie ook de toelichting op
                    artikel 5 van deze verordening) is de toepassing van de fictie van gemeentelijke
                    grondexploitatie op de situatie van particuliere grondexploitatie. Welnu, in een
                    gemeentelijke grondexploitatie zou het voor de hand liggen de van tevoren
                    getaxeerde (te verwachten) planschadevergoedingen mee te nemen. De kosten van
                    bodemsanering komen alleen voor rekening van exploitant voor zover het de
                    gemeente niet lukt de kosten hiervan te verhalen op degene die aansprakelijk kan
                    worden gesteld voor de bodemverontreiniging, en voorzover betrekking hebbend op
                    de ondergrond van voorzieningen van openbaar nut. Dat spreekt weliswaar voor
                    zich, maar voor de duidelijkheid is dit toch in de betreffende bepaling
                    opgenomen. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Vaststelling aangevuld bekostigingsbesluit</vet></al><al>Sinds juni 1991 is een bekostigingsbesluit een minimale voorwaarde voor het
                    kunnen heffen van een baatbelasting. Een model van een bekostigingsbesluit
                    waarmee aan deze minimale voorwaarde wordt voldaan, is eveneens in deze uitgave
                    opgenomen (zie E4/ 7). Het aangevuld bekostigingsbesluit bevat de krachtens de
                    Gemeentewet verplichte elementen van een bekostigingsbesluit (een aanduiding van
                    het gebate gebied en de mate waarin de aan de voorzieningen verbonden lasten
                    zullen worden verhaald), maar daarnaast ook een aanduiding van de voorzieningen
                    van openbaar nut en een begroting van kosten en openbrengsten. Deze bepalingen
                    (en enkele andere, zoals de aankondiging dat een exploitatieovereenkomst zal
                    kunnen worden aangeboden) vormen ook de onderscheidende kenmerken van het
                    aangevuld bekostigingsbesluit ten opzichte van het 'gewone' bekostigingsbesluit.
                    Het aangevuld bekostigingsbesluit wordt, met behulp van deze bepalingen, ook een
                    kader voor het privaatrechtelijk kostenverhaal door de gemeente. Overigens is in
                    de model-exploitatieverordening zoals opgenomen in dit Handboek de verplichting
                    in het aangevuld bekostigingsbesluit een aankondiging op te nemen dat een
                    exploitatieovereenkomst binnen een bepaalde termijn aan exploitanten zal kunnen
                    worden aangeboden, komen te vervallen. Een bekostigingsbesluit is een besluit
                    dat exclusief fiscaalrechtelijke rechtsgevolgen heeft en beoogt. Een aangevuld
                    bekostigingsbesluit echter is een rechtsfiguur die alleen bestaat in het kader
                    van de exploitatieverordening. Een dergelijk besluit heeft dezelfde
                    fiscaalrechtelijke status als een bekostigingsbesluit. De bevoegdheid tot het
                    vaststellen van het aangevuld bekostigingsbesluit ligt bij de raad, omdat het
                    tevens geldt als bekostigingsbesluit in de zin van artikel 222 Gemeentewet
                    (baatbelasting). Ook na de Wet dualisering gemeentebestuur is de bevoegdheid tot
                    het vaststellen van bekostigingsbesluiten voor de baatbelasting bij de raad
                    gebleven. Met de woorden 'op initiatief van de gemeente' wordt gedoeld op het
                    volgende. Indien de gemeente voornemens is de voorzieningen van openbaar nut aan
                    te leggen, ongeacht of exploitanten daarom hebben gevraagd of niet, dan wordt
                    het initiatief geacht bij de gemeente te liggen. Dit kan betekenen dat de
                    gemeente weliswaar weet dat één (of enkele) exploitanten van zins zijn gronden
                    in exploitatie te brengen, maar ongeacht dat feit zelf van zins is voorzieningen
                    van openbaar nut aan te leggen. Indien de gemeente zelf geen voornemens had
                    aangaande de aanleg van voorzieningen van openbaar nut maar daartoe wel bereid
                    is op verzoek van exploitanten over te gaan, dan is sprake van initiatief van de
                    exploitant. Dat laat onverlet dat gemeenten een (aangevuld) bekostigingsbesluit
                    kunnen nemen indien exploitant het initiatief neemt maar uiteindelijk er niet in
                    slaagt met de gemeente een exploitatieovereenkomst te sluiten. In dat geval ligt
                    een 'gewoon' bekostigingsbesluit overigens meer voor de hand dan een aangevuld
                    bekostigingsbesluit. De exploitant is immers niet bereid een
                    exploitatieovereenkomst aan te gaan, dus aan een basis daarvoor in de vorm van
                    een aangevuld bekostigingsbesluit is geen behoefte meer. Een begroting van de
                    opbrengsten is opgenomen om de exploitant inzicht te verschaffen in de op alle
                    (dus ook gemeentelijke) gronden te verhalen kosten, en in de mate waarin (denk
                    ook aan tekort-locaties) en de wijze waarop die kosten over de exploitanten
                    worden omgeslagen. Dit inzicht kan de bereidheid van de exploitant tot betaling
                    van een bijdrage vergroten. In het aangevuld bekostigingsbesluit kán worden
                    bepaald dat de begroting van kosten en opbrengsten later door de gemeenteraad
                    wordt vastgesteld. De begroting kán ook door de gemeenteraad periodiek worden
                    herzien. Er is niet altijd voldoende tijd om de begroting vast te stellen
                    tegelijk met het aangevuld bekostigingsbesluit. In die gevallen kan worden
                    besloten de begroting later vast te stellen. Deze bevoegdheid berust overigens
                    per definitie bij de raad, aangezien de begroting deel uitmaakt van het
                    aangevuld bekostigingsbesluit (dat op grond van artikel 156, tweede lid onder g
                    Gemeentewet per definitie door de gemeenteraad moet worden genomen). Uiteraard
                    moet er op het moment dat een eerste exploitatieovereenkomst wordt afgesloten
                    wel een begroting zijn; die begroting vormt immers de grondslag voor de
                    berekening van de exploitatiebijdrage(n). Ten overvloede kan hier nog gewezen
                    worden op het belang van de naleving van de voorschriften van de
                    exploitatieverordening in het algemeen en dit voorschrift in het bijzonder. De
                    exploitatieovereenkomst die in het arrest- Uden van 15 februari 1996 door de
                    Hoge Raad nietig werd geacht, ontbeerde onder andere een tijdig vastgestelde
                    exploitatie-opzet. Een begroting kan eveneens periodiek worden herzien. Dat
                    betekent dat de exploitatiebijdragen die middels exploitatieovereenkomst in
                    rekening worden gebracht, kunnen worden vastgesteld op grond van (in de tijd)
                    verschillende begrotingen, afhankelijk van het moment waarop de
                    exploitatieovereenkomst wordt aangegaan. Het is echter raadzaam zorgvuldig om te
                    gaan met wijzigingen in de begroting. Grote verschillen kunnen leiden tot vragen
                    over de billijkheid van exploitatiebijdragen in verhouding tot door andere
                    exploitanten eerder betaalde bedragen, en tot druk op de onderhandelingen.
                    Overigens kan in het kader van kostenverhaal via baatbelasting het totaalbedrag
                    aan te verhalen kosten géén verandering ondergaan. In het aangevuld
                    bekostigingsbesluit wordt uitgegaan van de vermelding van een percentage te
                    verhalen kosten (in beginsel 100%). In de baatbelastingverordening, die tot twee
                    jaar na realisatie van de voorzieningen kan worden vastgesteld, kan dan worden
                    aangegeven welk bedrag aan werkelij- ke kosten worden verhaald. Anders is het
                    als er voor wordt gekozen in het aangevuld bekostigingsbesluit reeds een bedrag
                    te vermelden. Dat bedrag is dan het maximaal via baatbelasting te verhalen
                    bedrag. Bij hantering van een percentage in het aangevuld bekostigingsbesluit
                    functioneert de begroting dus alleen als berekeningsbasis voor
                    exploitatiebijdragen op grond van de exploitatieverordening. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Wijze van toerekening naar de mate van profijt </vet></al><al>Uitgegaan wordt van de situatie dat de gemeente het gebied in zijn geheel tot
                    exploitatie brengt; de berekening is daarom gestoeld op de (fictieve) situatie
                    dat de gemeente alle benodigde gronden heeft verworven en alle kosten omslaat
                    over die gronden, gedifferentieerd naar objectief (dat wil zeggen: aan de grond,
                    niet aan de eigenaar of exploitant) bepaalbare factoren als ligging, bestemming
                    en objectieve gebruiksmogelijkheid. Objectief, dat wil in dit geval letterlijk
                    zeggen gerelateerd aan het object, de onroerende zaak. De vraag of de
                    'toevallige' eigenaar of rechthebbende, gezien het huidige gebruik van de
                    onroerende zaak en/of zijn of haar wensen met betrekking tot de inrichting van
                    het gebied, gebaat is of zich gebaat voelt, is in dit verband niet ter zake. Dat
                    kan ertoe leiden dat bestaande bebouwing objectief gezien gebaat is, wat
                    betekent dat van de rechthebbenden op die onroerende zaken een bijdrage gevraagd
                    kan worden. In het geval van heffing van baatbelasting is er zelfs de plicht
                    deze onroerende zaken te belasten. Alle gebate percelen moeten worden
                    aangeslagen. Wel is het mogelijk middels tariefdifferentiatie bebouwde grond
                    minder te belasten dan (nog) niet bebouwde grond, uiteraard alleen voorzover dit
                    verband houdt met objectief aanwijsbare verschillen in baat. Deze objectief
                    aanwijsbare verschillen in baat kunnen zich bijvoorbeeld voordoen als een
                    perceel reeds over alle te realiseren voorzieningen beschikt en evenmin wordt
                    gebaat door deze extra voorzieningen (bijvoorbeeld een perceel dat reeds twee
                    ontsluitingen heeft, riolering, enz.). Het gebruik van m2 als rekeneenheid sluit
                    aan op de bij de uitgifte van gronden gehanteerde kostprijsberekening per m2.
                    Anders dan in het model van 1968 voorziet lid 3 van dit artikel in de
                    mogelijkheid dat (onverhoopt) de naar ligging en dergelijke gedifferentieerde
                    grondslag het profijt onvoldoende tot uitdrukking brengt: in dat geval stelt de
                    gemeenteraad een andere grondslag voor toerekening vast. De
                    model-baatbelastingverordening bevat eveneens verschillende alternatieve
                    toerekeningssystemen. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Vaststelling exploitatiebijdrage</vet></al><al>De bij de berekening van de exploitatiebijdrage gehanteerde
                    inbrengwaardemethodiek biedt een goede maatstaf voor de baat die gronden hebben
                    bij openbare voorzieningen. Uitgangspunt is, zoals gezegd, dat de gemeente het
                    gehele gebied zelf in exploitatie brengt. De werkwijze is dan als volgt: </al><lijst><li nr="1."><al>De waarde van alle gronden in het gebied wordt vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Alle kosten verbonden aan de exploitatie worden berekend.</al></li><li nr="3."><al>De op deze wijze berekende totale kosten worden gemiddeld per m2
                            (gebate, bebouwde óf onbebouwde) grond (er kunnen ook andere
                            verdeelmaatstaven worden gehanteerd).</al></li><li nr="4."><al>De hieruit resulterende gemiddelde bruto-bijdrage per m2 wordt
                            vermenigvuldig met het aantal m2 gebate grond van exploitant (en
                            eventueel vermenigvuldigd met (een) factor(en) voor ligging, bestemming
                            en dergelijke).</al></li><li nr="5."><al>Op dit bedrag wordt in mindering gebracht de getaxeerde waarde van de
                            door exploitant ingebrachte grond, zowel die ten behoeve van de
                            exploitatie als die ten behoeve van de aanleg van voorzieningen van
                            openbaar nut. </al></li></lijst><al>De inbrengwaarde is daarmee van groot belang voor de vaststelling van zowel de
                    gemiddelde kostprijs per m2 (die stijgt als de inbrengwaarde stijgt) als de
                    individuele exploitatiebijdrage (die daalt als de inbrengwaarde stijgt). Om die
                    reden is in het tweede lid een regeling opgenomen voor de vaststelling van de
                    inbrengwaarde van de gronden van exploitant. Het derde lid van dit artikel
                    regelt de berekening van de exploitatiebijdrage in het geval dat de exploitant
                    tot (gehele of gedeeltelijke) realisatie van de voorzieningen van openbaar nut
                    overgaat. Kort gezegd wordt op de bijdrage dan nog extra in mindering gebracht
                    het in eerste instantie in de begroting opgenomen bedrag voor de voorzieningen
                    van openbaar nut, voorzover die voorzieningen voor rekening en risico van de
                    exploitant komen. De methodiek van de inbrengwaarde biedt weliswaar een goede
                    maatstaf voor de berekening van exploitatiebijdragen naar analogie van de
                    gemeentelijke grondexploitatie, maar kan wel bewerkelijk zijn. Om die reden is
                    in artikel 11 een aantal uitzonderingssituaties aangegeven waarin de
                    exploitatiebijdrage op een andere wijze kan worden berekend. De begroting van
                    kosten en opbrengsten vervult een belangrijke rol bij het privaatrechtelijk
                    kostenverhaal. Het aangevuld bekostigingsbesluit vormt het kader voor de wijze
                    van kostenverhaal, en de begroting vormt de basis voor de berekening van
                    individuele exploitatiebijdragen verschuldigd op grond van een
                    exploitatieovereenkomst. De begroting vervult weliswaar een belangrijke rol in
                    het privaatrechtelijk kostenverhaal, maar blijft deel uitmaken van het aangevuld
                    bekostigingsbesluit. </al><al/><al><vet>Artikel 6 Inhoud exploitatieovereenkomst</vet></al><al>In dit artikel wordt uitgesproken dat de gemeente bij kostenverhaal van
                    voorzieningen van openbaar nut de voorkeur geeft aan het instrument van de
                    exploitatieovereenkomst krachtens de exploitatieverordening. Hiermee wordt het
                    vrijwillige karakter van de overeenkomst bevestigd, zoals dat in de praktijk en
                    jurisprudentie blijkt. Teneinde de indruk te vermijden dat in alle gevallen een
                    aangevuld bekostigingsbesluit verplicht is om een exploitatieovereenkomst te
                    kunnen sluiten, is expliciet vermeld dat het hier exploitatie op initiatief van
                    de gemeente betreft. Op grond van de verordening wordt de overeenkomst ook
                    voorzien van kwaliteitseisen aan de voorzieningen, in voorkomende gevallen van
                    bepalingen omtrent de afstand van grond aan de gemeente, van een
                    betalingsregeling, in voorkomende gevallen (namelijk wanneer de gemeente een
                    deel van de voorzieningen realiseert en een particuliere eigenaar een deel) een
                    taakverdeling, uitvoeringstermijn(en) en een regeling voor gewijzigde
                    omstandigheden, wanprestatie, aansprakelijkheid en faillissement. De afstand van
                    grond aan de gemeente betreft de ondergrond van openbare voorzieningen. De
                    gemeente zal immers in vrijwel alle gevallen onderhoudsplichtig zijn voor de
                    openbare voorzieningen. Het bepaalde onder artikel 42, tweede lid onder a, van
                    de Wet op de ruimtelijke ordening vormt de juridische basis voor het afhankelijk
                    stellen van het treffen van voorzieningen van openbaar nut van de afstand van
                    grond. Hiermee wordt niet gedoeld op de afstand van grond waarop
                    woningbouwkavels of kavels voor bedrijfsvestiging zijn voorzien. De
                    exploitatieverordening is geen extra verwervingsinstrument. De bevoegdheid te
                    besluiten tot het aangaan van exploitatieovereenkomsten ligt bij het college van
                    burgemeester en wethouders. Op 7 maart 2002 is de Wet dualisering
                    gemeentebestuur (Stb. 111, 2002) in werking getreden die strekt tot concentratie
                    van bestuursbevoegdheden bij het college en concentratie van kaderstellende en
                    controlerende bevoegdheden bij de raad. In de Wet dualisering gemeentebestuur is
                    de bevoegdheid tot het besluiten tot het aangaan van overeenkomsten aan het
                    college geattribueerd. Het is mogelijk dat een exploitatie-overeenkomst van
                    zodanig belang is, dat de raad moet worden ingelicht. Op die situatie ziet
                    artikel 169, vierde lid Gemeentewet. Dit artikel bepaalt dat vóórdat het college
                    een dergelijk besluit neemt dient het de raad inlichtingen te geven over de
                    uitoefening van de bevoegdheid, 'indien de raad daarom verzoekt of indien de
                    uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente'. In het laatste
                    geval 'neemt het college geen besluit dan nadat de raad zijn wensen en
                    bedenkingen ter zake ter kennis van het college heeft kunnen brengen'.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 7 Indiening verzoek om medewerking</vet></al><al>In beginsel neemt de gemeente het initiatief tot het in exploitatie brengen van
                    een gebied; het is echter ook mogelijk dat de exploitant het initiatief neemt.
                    Dat kan middels een bij burgemeester en wethouders ingediende aanvraag. In het
                    model van 1968 werd er nog van uitgegaan dat het altijd om de realisatie van
                    opstallen zou gaan, in dit model vallen alle (bouw)werkzaamheden in beginsel
                    onder vigeur van de verordening, en bovendien alle percelen die gebaat zijn,
                    ongeacht of er (bouw)werkzaamheden op plaatsvinden. Ten behoeve van de
                    rechtszekerheid van de burger en in verband met de informatietaak van de
                    gemeente wordt, in het geval dat daarvoor voorzieningen van openbaar nut moeten
                    worden aangelegd, een aanvrager van een bouwvergunning vóór de beslissing op die
                    aanvraag gemeld dat van hem of haar een bijdrage wordt verwacht in verband met
                    benodigde voorzieningen van openbaar nut. Dit maakt het de aanvrager ook beter
                    mogelijk de aan de (bouw)werken verbonden kosten af te wegen. Het besluit van
                    burgemeester en wethouders op de bouwaanvraag staat uiteraard geheel los van de
                    beslissing van de exploitant om wel of niet een exploitatieovereenkomst aan te
                    gaan. Zie voor een bespreking van de jurisprudentie over kostenverhaal,
                    specifiek de onmogelijkheid via financiële voorwaarden aan besluiten
                    kostenverhaal te plegen, E1/2.7. Een exploitatieovereenkomst op aanvraag van
                    exploitant is gelijk aan een exploitatieovereenkomst op initiatief van de
                    gemeente, met dien verstande dat een aangevuld bekostigingsbesluit in het eerste
                    geval niet vereist is. Een begroting is in alle gevallen vereist, want deze
                    vormt de basis voor berekening van de exploitatiebijdragen (zie ook artikel 6,
                    derde lid onder c). Het blijft evenwel mogelijk, indien de aanvraag tot het
                    aangaan van een exploitatieovereenkomst niet kan worden gehonoreerd, dat de
                    gemeente toch voorzieningen van openbaar nut wil (laten) aanleggen en de kosten
                    daarvan op de gebate percelen wil verhalen. Afhankelijk van de aanwezigheid van
                    andere gebate percelen dan dat van de oorspronkelijke aanvrager van de
                    exploitatieovereenkomst kan de gemeenteraad in zo'n geval een 'gewoon' of een
                    aangevuld bekostigingsbesluit nemen. In het geval van een 'gewoon'
                    bekostigingsbesluit vindt het kostenverhaal niet meer plaats binnen het kader
                    van de exploitatieverordening, maar op grond van de algemene bevoegdheid tot
                    heffing van baatbelasting. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 8 Aanhouding verzoek</vet></al><al>De gemeente bindt zichzelf met deze verordening. Het is echter niet nodig dat de
                    gemeente zich, in een concreet geval, bindt tegen haar wil en het belang van de
                    aanvrager in. Met deze bepaling wordt voorkomen dat de gemeente een aanvraag
                    moet afwijzen, terwijl zij er in beginsel positief tegenover staat. </al><al/><al><vet>Artikel 9 Weigeringsgronden voor een overeenkomst </vet></al><al>Toegevoegd ten opzichte van het model van 1968 zijn de weigeringsgronden met
                    betrekking tot strijdigheid met het bestemmingsplan respectievelijk die met
                    betrekking tot de weigering ondergrond van te realiseren voorzieningen van
                    openbaar nut over te dragen. Met het laatste wordt invulling gegeven aan artikel
                    42, tweede lid onder a: '(voorschriften omtrent:) de gevallen waarin en de wijze
                    waarop het treffen van voorzieningen van openbaar nut afhankelijk wordt gesteld
                    van de afstand van grond aan de gemeente'. Ten slotte is ook nieuw de
                    mogelijkheid medewerking te weigeren als een exploitant de bodem van de aan de
                    gemeente over te dragen (onder)grond (van voorzieningen van openbaar nut) niet
                    wil onderzoeken, of saneren wanneer dat noodzakelijk is. De
                    bodemsaneringsproblematiek, en met name het gebrek aan middelen voor sanering,
                    maakt het noodzakelijk voor gemeenten voorzichtigheid op dit punt te betrachten.
                    De weigeringsgronden kunnen zich zowel voordoen in het geval van een aanvraag
                    van de exploitant als in het geval van een gemeentelijk aanbod tot het aangaan
                    van een exploitatieovereenkomst op grond van een aangevuld bekostigingsbesluit.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 10 Relatie met baatbelasting</vet></al><al>De exploitant sluit niet alleen een overeenkomst over een te betalen
                    exploitatiebijdrage, maar koopt met deze overeenkomst ook het risico van een
                    baatbelasting af. De praktijk van grondexploitatie leert dat de daarmee
                    verbonden kosten geregeld hoger uitvallen dan berekend. De baatbelasting wordt
                    vaak berekend op basis van reële kosten, terwijl de exploitatiebijdrage op grond
                    van de exploitatieovereenkomst wordt berekend op basis van gecalculeerde kosten
                    (op 'voorcalculatorische' basis). De exploitatieovereenkomst wordt weliswaar
                    vrijwillig aangegaan, maar de weigering een exploitatieovereenkomst aan te gaan
                    betekent niet dat de aan de exploitant gepresenteerde rekening dan niet moet
                    worden voldaan; de exploitatiebijdrage wordt niet 'vergeten'. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Uitzonderingsbepalingen</vet></al><al>De centrale regeling in de model-exploitatieverordening (vaststelling door de
                    raad van een aangevuld bekostigingsbesluit per exploitatiegebied en dergelijke)
                    is onnodig ingewikkeld om te komen tot een contractueel verhaal van kosten van
                    geïsoleerde, geen onderdeel van een complex werken uitmakende, voorzieningen van
                    (semi-)openbaar nut zoals het aanbrengen van een uitrit op de openbare weg of
                    het realiseren van een huisaansluiting tussen erfgrens en straatriool. Om die
                    reden wordt voor die voorzieningen in het eerste lid van dit artikel een
                    uitzondering gemaakt wat betreft de procedure voorafgaand aan een
                    exploitatieovereenkomst. Voor gronden die niet in de naaste toekomst voor
                    bebouwing in aanmerking komen (o.a. bestaande bebouwing) geldt evenzeer dat een
                    eenvoudiger werkwijze moet kunnen worden gevolgd voor de berekening van
                    exploitatiebijdragen. Het is immers mogelijk dat gronden worden gebaat door de
                    aanleg van voorzieningen van openbaar nut, zonder dat zij door deze aanleg 'in
                    de naaste toekomst voor bebouwing in aanmerking komen' (zie artikel 42 WRO).
                    Voor deze gronden geldt dat de wettelijke verplichting tot het hanteren van een
                    exploitatieverordening als basis voor het afsluiten van overeenkomsten strikt
                    genomen niet van toepassing is. Aangezien de exploitatieverordening echter tot
                    doel heeft de rechtszekerheid van de exploitanten te vergroten, ligt het, ook
                    met het oog op voorkoming van juridische vragen over de juiste basis voor een
                    overeenkomst, voor de hand de werking van de verordening verder te laten
                    strekken dan op grond van de wet strikt noodzakelijk is. Op grond van de
                    ontstaansgeschiedenis van artikel 42 WRO moet het ervoor worden gehouden dat de
                    wetgever met het begrip 'gronden die in de naaste toekomst voor bebouwing in
                    aanmerking komen' doelde op gronden die deel uitmaken van de grondexploitatie,
                    i.e. gronden die door de aanleg van voorzieningen van openbaar nut technisch
                    voor bebouwing geschikt worden gemaakt (terwijl zij vóór de aanleg van de
                    voorzieningen niet reeds technisch voor bebouwing geschikt waren). De begrenzing
                    van het exploitatiegebied in menggebieden (deels wel, deels geen nieuwe
                    bebouwing) wordt bij voorkeur 'ruim' genomen, dus inclusief de percelen die niet
                    in de naaste toekomst voor bebouwing in aanmerking komen maar wel gebaat zijn.
                    Dit vindt vanzelf plaats doordat de exploitatieverordening de vaststelling van
                    exploitatiegebieden voorschrijft. Een exploitatiegebied omvat immers de gronden
                    die door de aanleg van voorzieningen van openbaar nut gebaat zijn, ongeacht of
                    de gronden wel of niet deel uitmaken van een grondexploitatie. Dit sluit ook aan
                    op de bouwgrondbelasting ex artikel 274 gemeentewet (oud), op grond waarvan
                    bijdragen konden worden geheven van gronden die door de aanleg van openbare
                    voorzieningen door of met medewerking van de gemeente geschikt of beter geschikt
                    voor bebouwing werden gemaakt of in een voordeliger positie kwamen te verkeren.
                    Het bepaalde in artikel 11, tweede lid onder a is gericht op exploitatiegebieden
                    die voor een deel (in de praktijk meestal voor het grootste deel) bestaande
                    bebouwing bevatten. Het gaat dan bijvoorbeeld om de reconstructie van een
                    winkelstraat of de aanleg van riolering in het buitengebied. Het bepaalde in
                    artikel 11, tweede lid onder b is gericht op individuele gronden gelegen in een
                    exploitatiegebied dat grotendeels nog niet bebouwd is. Het betreft dan gebieden
                    waar daadwerkelijk grondexploitatie plaatsvindt. De toepassing van de
                    exploitatieverordening heeft betrekking op alle gronden die gebaat zijn, dus ook
                    (bijvoorbeeld) de percelen met bestaande bebouwing aan de rand van het gebied.
                    Voor deze individuele percelen kan op basis van de bedoelde bepaling de
                    inbrengwaardemethodiek buiten toepassing blijven. Dit laat onverlet dat deze
                    gronden wel gebaat zijn en in aanmerking komen voor een exploitatieovereenkomst
                    of de heffing van baatbelasting. Overigens maken de kosten van de ondergrond van
                    voorzieningen van openbaar nut (uiteraard) deel uit van de kosten die verhaald
                    kunnen worden. In de model-exploitatieverordening zoals die is opgenomen in dit
                    Handboek is artikel 11, tweede lid in die zin verduidelijkt. De keuze om voor
                    bepaalde gronden of het exploitatiegebied in zijn geheel de
                    inbrengwaardemethodiek buiten toepassing te laten moet blijken in de begroting
                    van kosten en opbrengsten, waarop immers de inbrengwaarden wel of niet worden
                    vermeld, en waarin bovendien is opgenomen de wijze van toerekening van de kosten
                    aan de betreffende onroerende zaken. De verplichting de wijze van toerekening
                    van exploitatiebijdragen in de begroting op te nemen, houdt niet in dat een
                    bedrag per m2 vermeld moet worden. Het gaat erom inzicht te verschaffen in de
                    wijze van toerekening. Een exploitant hoeft niet uit de begroting reeds zijn of
                    haar bijdrage te kunnen opmaken. Er moet immers ook nog een
                    onderhandelingsproces plaatsvinden, waarin bijvoorbeeld ook nog de inbrengwaarde
                    van de grond aan de orde komt. </al><al/><al><vet>Artikel 12, overgangsbepaling</vet></al><al>In het geval dat de gemeente op het moment dat deze verordening werd vastgesteld
                    al beschikte over een verordening waarin de figuur van het aangevuld
                    bekostigingsbesluit voorkwam, dient vastgelegd te worden welke verordening zal
                    worden aangehouden. Enerzijds is de hoofdregel (volgens de Aanwijzingen voor de
                    regelgeving van het rijk) de onmiddellijke werking van nieuwe regelingen,
                    anderzijds vereisen redelijkheid en billijkheid en het algemene beginsel van
                    behoorlijk bestuur dat gewekt vertrouwen niet beschaamd mag worden, dat voor
                    'lopende gevallen' een aparte (overgangs)regeling wordt getroffen. Met name als
                    de oudere regeling voor de betrokkene voordeliger is dan de nieuwe, kan in
                    sommige gevallen betwijfeld worden of het redelijk is onverkort de nieuwe
                    regeling toe te passen vanaf het moment van inwerkingtreding. In de praktijk zal
                    het verschil tussen de oude en de nieuwe verordening voor betrokkene
                    vermoedelijk niet zo groot zijn. Belangrijker is dat er duidelijkheid bestaat
                    over welk regime van toepassing is. Vanuit het perspectief van de exploitant is
                    enerzijds het blijven hanteren van de oude regels het duidelijkst, anderzijds
                    kan de nieuwe regeling nu juist voordelen bieden die de oude niet heeft.
                    Veiligheidshalve kan daarom waarschijnlijk het beste de volgende lijn worden
                    aangehouden: 1 in beginsel wordt gekozen voor een overgangsbepaling waarbij de
                    oude regeling voor 'lopende' gevallen nog blijft gelden; 2 als de nieuwe
                    regeling substantieel voordeliger is voor de exploitant, wordt die regeling
                    onmiddellijk van toepassing verklaard voor 'lopende' (en uiteraard toekomstige)
                    gevallen. In verband met de Wet dualisering van het gemeentebestuur is de
                    mogelijkheid opgenomen om zo nodig afwijkend van een oude verordening
                    overeenkomsten te laten aangaan door B en W. Dit is van toepassing voor zover de
                    oude verordening het aangaan van overeenkomsten overliet aan de Raad. De Raad
                    neemt die beslissingen sinds de dualisering niet meer. </al><al/><al><vet>Artikel 13</vet></al><al/><al>In de Gemeentewet is een algemene regeling voor bekendmaking voor besluiten,
                    inhoudende algemeen verbindende voorschriften gegeven. De exploitatieverordening
                    kan uiteindelijk als algemeen verbindend voorschrift worden aangemerkt. In
                    verband met het bijzondere karakter van deze verordening, die voorwaarden bevat
                    waaronder de gemeente een overeenkomst zal sluiten, is het echter mogelijk dat
                    de rechter deze verordening toch niet als algemeen verbindend voorschrift
                    aanduidt. Om die reden wordt zekerheidshalve voor de inwerkingtreding van deze
                    verordening uitgegaan van de systematiek van de Gemeentewet, inhoudende dat de
                    verordening acht dagen na bekendmaking in werking treedt; dat wordt in dit
                    artikel expliciet geregeld. </al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>