<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR32463_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Berkelbericht 2 februari 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, afdeling 3.4;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, artikelen 12, 14, 15 en 38.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-01-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-02-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvergadering 27 januari 2010</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Berkelland;</al><al/><al>gezien het voorstel van het college van 17 december 2009;</al><al/><al>gelet op de resultaten van de gevolgde inspraakprocedure ingevolge afdeling
                        3.4 van de Algemene wet bestuursrecht ;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14, 15 en 38 van
                        de Monumentenwet 1988;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de </al><al><vet>ERFGOEDVERORDENING BERKELLAND 2010 </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een in overeenstemming met de bepalingen
                                    van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument
                                    aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de in overeenstemming met deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>gemeentelijk stads- of dorpsgezicht: een in overeenstemming met
                                    de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk
                                    stads- of dorpsgezicht aangewezen groep van zaken en/of
                                    terreinen die van belang is wegens zijn schoonheid, zijn
                                    onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel zijn
                                    wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groep
                                    zich één of meer monumenten bevinden;</al></li><li nr="d."><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven
                                    in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde
                                    registers;</al></li><li nr="e."><al>kerkelijke monumenten: onroerende monumenten die eigendom zijn
                                    van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van
                                    een kerkelijke instelling die uitsluitend of voor een overwegend
                                    deel worden gebruikt voor de uitoefening van de eredienst;</al></li><li nr="f."><al>erfgoedcommissie: de op basis van art.15, lid 1 Monumentenwet
                                    1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of
                                    uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, deze verordening, het cultuurhistorisch
                                    beleid en het archeologiebeleid;</al></li><li nr="g."><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden:
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van
                                    geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid
                                    van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage
                                    trefkans;provinciale Archeologische Monumentenkaart:
                                    topografische kaart van (delen van) het provinciale grondgebied,
                                    waarop archeologische monumenten, archeologische vindplaatsen en
                                    archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="h."><al>gemeentelijke archeologische landschappen- en beleidskaart:
                                    topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen
                                    van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en
                                    archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="i."><al>archeologisch monument: een terrein van zeer hoge archeologische
                                    waarde, waar archeologische resten zijn aangetoond en voorkomend
                                    op de provinciale Archeologische Monumentenkaart en/of de
                                    gemeentelijke archeologische landschappen- en beleidskaart;</al></li><li nr="j."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische landschappen en beleidskaart, waarvan is
                                    aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of
                                    sporen te verwachten zijn;</al></li><li nr="k."><al>hoge archeologische verwachtingswaarde: grote kans op het
                                    aantreffen van archeologische vondsten of informatie;</al></li><li nr="l."><al>middelmatige archeologische verwachtingswaarde: gemiddelde kans
                                    op het aantreffen van archeologische vondsten of
                                    informatie;</al></li><li nr="m."><al>lage archeologische verwachtingswaarde: kleine kans op het
                                    aantreffen van archeologische vondsten of informatie;</al></li><li nr="n."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="o."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="p."><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                                    archeologische paragraaf van het bestemmingsplan.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1a.</lidnr><al>Het college kan, met instemming van de eigenaar, besluiten
                                onroerende objecten als gemeentelijk monument aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>1b.</lidnr><al>Wanneer het een object met een openbare- of religieuze functie
                                betreft en het college geen instemming van de eigenaar krijgt kan
                                zij in bijzondere gevallen, gelet op de aard en het belang van het
                                monument, de gemeenteraad verzoeken zonder instemming van de
                                eigenaar tot aanwijzing als gemeentelijk monument over te gaan.</al></lid><lid><lidnr>1c.</lidnr><al>Het verzoek aan de gemeenteraad als bedoeld onder 1b van dit artikel
                                gaat gepaard met het advies van de Erfgoedcommissie als bedoeld
                                onder sub 2 van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de Erfgoedcommissie. In spoedeisende gevallen
                                kunnen zij hiervan afwijken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie Gelderland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 12 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Erfgoedcommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 4 weken na ontvangst van het advies van
                                de commissie Cultuurhistorie, maar in ieder geval binnen 16 weken na
                                de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid en artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte
                                betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid
                                2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, als toepassing wordt
                                gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1 en 2 en onder e, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1 en 2 en onder e, af te breken, te verstoren, te
                                        verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1en onder e, te herstellen, te gebruiken of te laten
                                        gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of
                                        in gevaar gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet als het college nadere regels stelt met betrekking tot
                                de wijze waarop werkzaamheden moeten worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verleent met betrekking tot een kerkelijk monument geen
                                vergunning ingevolge de bepalingen van artikel 9 dan in
                                overeenstemming met de eigenaar, voor zover het een vergunning
                                betreft waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstoefening in dat
                                monument in het geding zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de voorbereiding van een besluit op de aanvraag om vergunning als
                                bedoeld in artikel 10 is afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de
                                Erfgoedcommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de Erfgoedcommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het college niet besluit binnen de (in artikel 3:18 Algemene
                                wet bestuursrecht) gestelde termijn, wordt de vergunning geacht te
                                zijn verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in
                                    artikel 10 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de
                                Erfgoedcommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Erfgoedcommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen
                                acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de Erfgoedcommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college zendt een afschrift van het genomen besluit aan de
                                Erfgoedcommissie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk stads- of dorpsgezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een gebied aanwijzen als gemeentelijk stads- of
                                dorpsgezicht en een zodanige aanwijzing wijzigen of intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing, wijziging of intrekking een
                                besluit neemt, vraagt het advies aan de Erfgoedcommissie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de voorbereiding van een besluit om aanwijzing als bedoeld in het
                                eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt de gemeenteraad en de Erfgoedcommissie in kennis
                                van het besluit tot aanwijzing, wijziging of intrekking van een
                                gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een in overeenstemming met het bepaalde in artikel 35 van de
                                Monumentenwet 1988 aangewezen stads- of dorpsgezicht wordt niet
                                aangewezen als gemeentelijk dorpsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De aanwijzing als gemeentelijk dorpsgezicht wordt geacht te zijn
                                ingetrokken wanneer het gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt
                                aangewezen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 35 van de
                                Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijk stads- of dorpsgezicht op
                                de gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Bestemmingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt ter bescherming van een gemeentelijk stads- of
                                dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet
                                ruimtelijke ordening (Wro).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het voorstel tot aanwijzing van een beschermd stads- of
                                dorpsgezicht wordt door het college bepaald in hoeverre het geldende
                                bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen als beschermend(e)
                                plan(nen) in de zin van het vorige lid kan/kunnen worden
                                aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college de gemeenteraad een voorstel doet voor
                                vaststelling van een bestemmingsplan in de zin van lid 1 vraagt het
                                college advies aan de Erfgoedcommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken die gelegen zijn in een beschermd
                                gemeentelijk stads- of dorpsgezicht te beschadigen of te
                                vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht
                                zonder vergunning van het college of in strijd met de bij zodanige
                                vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwwerken te plaatsen, op te richten, geheel of
                                        gedeeltelijk af te breken of te verplaatsen of in enig
                                        opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een wijze waardoor het stads- of dorpsgezicht wordt
                                        ontsierd of in gevaar gebracht;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken geen bouwwerk zijnde, hieronder begrepen
                                        straten, wegen, pleinen, wateren, bomen en erfafscheidingen
                                        te wijzigen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen sloopvergunning is vereist voor het afbreken als gevolg van een
                                aanschrijving van het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 3.4.2 van de Wet ruimtelijke ordening is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Aanwijzing archeologisch waardevol (verwachtings-)gebied</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De door de raad vastgestelde archeologische waarden- en beleidskaart
                                dient als basis voor:</al><lijst><li nr="a."><al>deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>vast te stellen bestemmingsplannen als bedoeld in artikel
                                        38a van de Monumentenwet 1988;</al></li><li nr="c."><al>aanwijzing van gemeentelijke monumenten als bedoeld in
                                        artikel 1 onder a, sub 2</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de archeologische waarden- en beleidskaart wijzigen
                                als uit onderzoek is gebleken dat de verwachtingswaarde afwijkt van
                                de waardenkaart.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19. Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om in een terrein waar zich een archeologisch
                                    monument bevindt, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of in
                                    een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1,
                                    onder j, de bodem dieper dan aangegeven op de archeologische
                                    beleidskaart te verstoren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing als:</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft in Archeologisch Waardevol
                                            Verwachtingsgebied (AWV) als aangegeven op de
                                            gemeentelijke archeologische waarden- en
                                            beleidskaart:</al><lijst><li nr="·"><al>in een gebied met lage archeologische
                                                  verwachting en het te verstoren gebied kleiner is
                                                  dan 2.500 m² (AWV categorie 9 en 10);</al></li><li nr="·"><al>in een gebied met een middelmatige
                                                  archeologische verwachting en het te verstoren
                                                  gebied kleiner is dan 100 m² (AWV categorie
                                                  8);</al></li><li nr="·"><al>in overige gebieden met een hoge archeologische
                                                  verwachting en het te verstoren gebied kleiner is
                                                  dan 100 m² (AWV categorie 6 en 7);</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                            aan de hand van de archeologische waardenkaart over de
                                            archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="c."><al>in een projectbesluit of ontheffingsbesluit als bedoeld
                                            in de artikelen 3.6, 3.10, 3.22. 3.23 of 3.40 van de Wet
                                            ruimtelijke ordening (Wro) voorschriften zijn opgenomen
                                            over de archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="d."><al>ons college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                            uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een
                                            verstoring als bedoeld in het eerste lid en aangegeven
                                            op gemeentelijke archeologische waardenkaart;</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overlegd waarin de archeologische waarden
                                            van het te verstoren terrein naar het oordeel van het
                                            college in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                            blijkt dat:</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>het behoud van de archeologische waarden voldoende worden
                                    geborgd; of</al></li><li nr="·"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig
                                    worden geschaad; of</al></li><li nr="·"><al>geen archeologische waarden aanwezig zijn.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20. Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als binnen het grondgebied van de gemeente Berkelland onderzoek
                                    wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de
                                    zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd
                                    de overige bepalingen van deze wet:</al></li><li nr="a."><al>het college een programma van eisen (pve) vast te stellen als
                                    bedoeld in artikel 1 onder n, waarbij nadere regels worden
                                    gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                    aanpak (pva) als bedoel in artikel 1 onder o van deze
                                    verordening ter goedkeuring aan het college te overleggen.</al></li><li nr="2."><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met
                                    betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het
                                    plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van
                                    het college in acht te worden genomen.</al></li><li nr="3."><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma
                                    van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college
                                    advies aan een archeologisch deskundige, zoals omschreven in de
                                    Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of
                                zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste
                                behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar
                                billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, als de schade in
                                relatie staat tot:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld in artikel
                                10 te</al><al> verlenen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de voorschriften door het college verbonden aan een vergunning als
                                bedoeld in artikel 10;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel
                                10, derde</al><al> lid;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel
                                19, tweede lid, onder d;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 20, tweede lid, tweede
                                volzin.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de behandeling van de verzoeken zijn de bepalingen van de
                                Procedureverordening Planschade bij toepassing van artikel 6.1 van
                                de Wet ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing..</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met de artikelen 10, 17 en 19 tweede lid,
                            onder d van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de
                            tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening gemeente Berkelland 2007, vastgesteld 12
                            december 2006 wordt ingetrokken op het moment dat de Verordening
                            Cultureel Erfgoed Berkelland 2010 conform artikel 26 lid 1 van deze
                            verordening in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 24 ingetrokken
                                Monumentenverordening gemeente Berkelland 2007 aangewezen en
                                geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en
                                geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 24 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke
                                monumenten treedt zij in werking op de eerste dag na het verstrijken
                                van een termijn van 1 week na bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde
                                in artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Erfgoedverordening”.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van </ondertekening><ondertekening>27 januari 2010</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>toelichting op de erfgoedverordening Berkelland 2010</titel></kop><al/><al>A.Algemene toelichting</al><al>Gelet op de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de archeologische
                    monumentenzorg van september 2007, en de feitelijke samenhang tussen monumenten
                    en archeologie, is de bestaande monumentenverordening aangevuld met een
                    archeologisch deel. De beide samengevoegde delen worden aangehaald als de
                    Verordening Cultureel Erfgoed.</al><al/><al>De instandhoudingbepaling met betrekking tot archeologische terreinen vloeit
                    voort uit de Wet op de archeologische monumentenzorg (tot stand gekomen op grond
                    het Verdrag van Malta) en komt neer op het feit dat de gemeente haar
                    bestemmingsplannen moeten actualiseren met een archeologische paragraaf, zodat
                    voldoende rekening kan worden gehouden (wat betreft de bescherming) met
                    archeologische waarden en het behoud daarvan. Omdat de actualiteit van
                    bestemmingsplannen al voor problemen kan zorgen, is het opnemen van een
                    archeologische paragraaf voor de gemeente ook niet eenvoudig of snel te
                    realiseren. De verordening voorziet daarom in een overgangssituatie door het
                    college de bevoegdheid te geven nadere regels te stellen voor verstorende
                    activiteiten in een archeologisch monument of -verwachtingsgebied. Deze nadere
                    regels kunnen dezelfde regels zijn die gaan gelden als een aanlegvergunning zou
                    worden aangevraagd op grond van een aangepast bestemmingsplan, waarin wel een
                    archeologisch paragraaf is opgenomen (Malta-proof). </al><al>In deze nieuwe verordening zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de
                    daarin gekozen systematiek als uitgangspunt genomen.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemeen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al/><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zodanig ruime
                    omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een
                    geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al/><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, moet ruim worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk gaat het om locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument
                    te kunnen spreken. Een 'zaak' is een veel ruimer begrip.</al><al/><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Het effectueren van de bescherming van
                    roerende zaken vormt een probleem omdatdie meestal eenvoudig kunnen worden
                    verplaatst. </al><al>Zij kunnen daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de werking
                    van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard onroerend zijn,
                    zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen op basis van de
                    redengevende omschrijving. </al><al/><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig deze verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het gaat hier om een administratieve handeling. Aanwijzing van een
                    monument heeft rechtsgevolgen. De daarop aansluitende plaatsing op de
                    gemeentelijke monumentenlijst is daarvan een administratief gevolg. Het scheiden
                    van aanwijzing en de plaatsing op de lijst maakt een en ander overzichtelijker.
                    Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel
                    7<cursief>.</cursief></al><al/><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Voor de definitie van het begrip is de tekst van de Monumentenwet 1988, artikel
                    1, gevolgd.</al><al>In deze verordening is de mogelijkheid opgenomen om over te gaan tot het
                    aanwijzen van</al><al>beschermde stads- of dorpsgezichten. De genoemde aanwezigheid van monumenten
                    vereist niet dat dit beschermde rijksmonumenten zijn. </al><al/><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in
                    deze verordening op te nemen. Deze verordening is voor het college namelijk een
                    voorwaarde om de bevoegdheid te krijgen tot het om vergunningen voor de
                    wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de vergunningverlening
                    voor rijksmonumenten zijn voornamelijk de artikelen 11 tot en met 21 van de
                    Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><al/><al><cursief>Sub e</cursief></al><al>Het kerkelijk monument wordt hier apart omschreven omdat deze monumenten een
                    gemeenschappelijk belang met zich dragen, namelijk dat van gebouw voor de
                    eredienst. In artikel 10 wordt op deze omschrijving teruggekomen. Het gaat daar
                    om afgifte door het college van burgemeester en wethouders van een vergunning
                    tot verandering (verbouwing, gedeeltelijke afbraak etc.) van een kerkelijk
                    monument. In die gevallen moet rekening gehouden worden met het belang van de
                    godsdienstoefeningen.</al><al>Voor aanwijzing van kerkelijke gebouwen tot gemeentelijk monument is geen apart
                    artikel nodig omdat wij in artikel 3 al de bepaling kennen dat aanwijzing van
                    een monument niet anders kan dan in overeenstemming met de gebruiker. Behoudens
                    dan de situatie als bedoeld in artikel 3 lid 2. Het is dan zaak dat de
                    gemeenteraad rekening houdt met de belangen van de godsdienstoefeningen. Dit
                    moet tot uiting komen in een schriftelijke verslaglegging van een overleg dat
                    namens de gemeenteraad met de eigenaar van het kerkelijke monument is
                    gevoerd.</al><al/><al><cursief>Sub f</cursief></al><al>De Erfgoedcommissie is een commissie die adviseert aan het college. Normaal
                    gesproken zou het dan ook het college zelf zijn, die deze commissie instelt op
                    grond van artikel 84 Gemeentewet. In de monumentenverordening gemeente
                    Berkelland 2007 heeft de raad bepaald dat een commissie Cultuurhistorie advies
                    moet uitbrengen aan het college. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet. In
                    artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de
                    inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het college over
                    aanvragen van vergunningen als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet. De
                    wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid
                    heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. </al><al>De taken van de erfgoedcommissie strekken zich uit over deze verordening en de
                    Monumentenwet 1988. </al><al>Door de erfgoedcommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over
                    de toepassing van de Monumentenwet 1988 te adviseren aan het college, is voldaan
                    aan het vereiste, genoemd in artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988.</al><al>Het rijk heeft besloten om de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en
                    Monumenten om te dopen in “Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed”. Reden
                    daarvoor is dat de taken op cultuurhistorisch vlak steeds breder worden.
                    Laatstgenoemde benaming omvat in kortere bewoordingen welke taken het
                    cultuurhistorisch beleid allemaal inhoudt. Om die reden hebben wij er ook voor
                    gekozen onze commissie cultuurhistorie om te dopen tot erfgoedcommissie. </al><al/><al><cursief>Sub h</cursief></al><al>De gemeentelijke archeologische waardenkaart met bijbehorende beleidsadviesnota
                    kan een praktische oplossing bieden als nog geen Malta-proof bestemmingsplan is
                    vastgesteld. In dat geval kunnen gebieden op een dergelijke landschappen- en
                    beleidskaart worden opgenomen, als blijkt dat daar op grond van gemeentelijk
                    historisch onderzoek mogelijk archeologische sporen in de bodem kunnen worden
                    aangetroffen.</al><al>·De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2. Het gebruik van een monument</vet></al><al/><al>Het betreft hier met name de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker
                    zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie
                    en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf.</al><al/><al><vet>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</vet></al><al/><al><cursief>Lid 1 sub a</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is een
                    administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een bevoegdheid van het college. Omdat de
                    gemeenteraad in 2006 besloot dat aanwijzing alleen mogelijk mag zijn als dat is
                    in overeenstemming met de eigenaar van het object is toen besloten om af te
                    wijken van de versie die ook in de Monumentenwet 1988 is gebruikt. De aanwijzing
                    verandert uiteindelijk niets aan het bestaande gebruik van het monument. </al><al>Een aanwijzing heeft wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. De als monumentaal aangewezen
                    onderdelen mogen namelijk alleen met een vergunning (zie art. 10, tweede lid) of
                    op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden gewijzigd. Het
                    wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij als ook geen
                    bouwvergunning is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger
                    in te perken, moet bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig
                    bekeken worden wat wel en wat niet van het object tot monumentaal
                    beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een
                    vergunningplicht achterwege kan blijven. </al><al/><al><cursief>Lid 1 sub b</cursief></al><al>Het is mogelijk, zeker bij de huidige opvattingen met betrekking tot het
                    cultuurhistorisch beleid, dat een object deel uitmaakt van een ensemble van
                    monumenten of van een bijzonder cultuurlandschap. Ook is het mogelijk dat het
                    object voor de plaats qua schoonheid en of uit wetenschappelijk oogpunt zodanig
                    bijzonder is dat het behoud er van, ondanks de weerstand van de eigenaar, toch
                    van groot belang geacht moet worden voor de gemeenschap. </al><al/><al>Om tóch een mogelijkheid te hebben om dit belang in bijzondere gevallen nog eens
                    nadrukkelijk te beschouwen voordat besloten wordt een object niet als monument
                    aan te wijzen is de mogelijkheid opgenomen om de gemeenteraad uiteindelijk
                    deelgenoot te maken van de kwestie. Wij beperken ons daarbij uitsluitend tot
                    gebouwen met een openbare functie of met een religieuze functie. De raad beslist
                    uiteindelijk of het object al dan niet als monument wordt aangewezen. </al><al/><al><cursief>Lid 1 sub c</cursief></al><al>Het spreekt voor zich dat de raad voor het nemen van een besluit in deze moet
                    beschikken over het nodige deskundig advies. Vandaar dat gesteld wordt dat het
                    advies van de erfgoedcommissie bij een aanvraag als bedoeld onder lid 1 sub b
                    aan de raad wordt overgelegd.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Voorbescherming</vet></al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    12 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument
                    niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een
                    gemeentelijke monumentenvergunning of anders dan de bij nadere regels opgestelde
                    wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan
                    motivatieplicht, omdat hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële
                    consequenties kunnen zijn verbonden. </al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de Erfgoedcommissie moet
                    adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten moet goed
                    nagedacht worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van de
                    termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te minder
                    zijn de administratieve lasten voor de burger. </al><al>De redactie van lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de Erfgoedcommissie niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in
                    het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet
                    tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Op
                    grond van artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</vet></al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Als het artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan moeten de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb ook een mededeling ontvangen.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</vet></al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect verwijzen wij ook naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><al/><al><vet>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al/><al><vet>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</vet></al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    Erfgoedcommissie nodig, tenzij sprake is van spoedeisende gevallen (lid 2).
                    Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is
                    ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan),
                    worden door het college van de monumentenlijst gehaald. Naast de registratie
                    regelt lid 3 dat monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn
                    in het geval dat het object ook als rijks- of provinciaal monument is aangewezen
                    en geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en
                    registratie als monument. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                    monumentenverordening dit zelf regelt.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 11 lid 1 van de Monumentenwet 1988. Maar in dit artikel gaat het alleen
                    over gemeentelijke monumenten. De artikelen 11 tot en met 21 van de Wet juncto
                    artikel 14 van deze verordening regelen de vergunningverlening voor de wijziging
                    van rijksmonumenten door het college. Wij willen de vergunningverlening voor
                    rijks- en gemeentelijke monumenten procedureel en inhoudelijk zoveel mogelijk op
                    elkaar afstemmen. Het is voor de aanvrager, maar ook voor de behandelende
                    gemeentelijke diensten en voor het college van praktische betekenis dat beide
                    aanvragen zoveel mogelijk langs dezelfde weg worden afgehandeld. Ten aanzien van
                    de vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het
                    verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel
                    4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een aanvraagformulier voor de vergunning
                    kan de gemeente aangeven welke gegevens zijn vereist.</al><al>In dat kader kan ook het overleggen van een rapportage met betrekking tot een
                    bouwhistorisch onderzoek als vereiste bij de vergunningaanvraag worden
                    opgenomen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de omvang
                    van de wijziging van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en
                    de daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet
                    noodzakelijk om het laten verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de
                    verordening op te nemen.</al><al/><al>In het kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers moeten
                    de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te
                    worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar
                    en kunnen bouw- en monumentenvergunning ook op dit punt (indieningsvereisten)
                    worden gecombineerd. Omdat een monumentenvergunning verleend moet zijn voordat
                    een bouwvergunning kan worden afgegeven, is tijdwinst te behalen door
                    gelijktijdig met het noodzakelijke adviseringstraject van de Erfgoedcommissie
                    ook het overleg over de bouwvergunning met de aanvrager te starten. </al><al/><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. Het gaat hierbij
                    om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn.
                    Vooral het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen,
                    zodat burgers voor relatief eenvoudige wijzigen (bijvoorbeeld met betrekking tot
                    kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) geen vergunningprocedure
                    hoeven te volgen. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die situaties
                    worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Is
                    duidelijk wat het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan
                    een monument, dan kunnen wij ook dit toetsingskader in algemene regels opnemen,
                    zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels kunnen de uitgangspunten, functionele toetsen en
                    aanwijzingen in het kader van de monumentenzorg worden opgenomen. Het is de
                    bedoeling deze nadere regels vast te leggen in een <cursief>nog op te stellen
                        “Programma van Eisen Kwaliteit Monumenten Berkelland “. </cursief>Hierbij
                    moet de bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop
                    staan. Voorts staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat
                    maatwerk kan worden geleverd. Praktisch gezien gaat een medewerker
                    monumentenzorg van de gemeente, op locatie en gezamenlijk met de
                    initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk zijn aan de hand van de
                    algemene regels, zodat de monumentale waarde van het object niet of zo min
                    mogelijk wordt aangetast.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Termijnen advies en vergunningverlening</vet></al><al>De uniforme openbare voorbereidingsprocedure is niet alleen van toepassing op de
                    verlening van de monumentenvergunning voor rijksmonumenten op grond van de
                    Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (UOV), Stb. 2005,
                    282. Complicerend is dat voor bouwvergunningen de UOV niet is voorgeschreven. In
                    deze verordening is ervoor gekozen om deze procedure ook van toepassing te
                    verklaren voor de verlening van een monumentenvergunning voor gemeentelijke
                    monumenten. Dit houdt in dat de aanvraag niet meer ter inzage wordt gelegd, maar
                    een ontwerpbesluit (de vergunning in concept) eerst verzonden wordt naar de
                    aanvrager (Awb artikel 3:13), vervolgens gepubliceerd wordt (een aantal zaken
                    moet in de publicatie vermeld worden, zie Awb art 3:12), en ten slotte zes weken
                    ter inzage gelegd wordt (Awb artikel 3:11 en 3:16). Als er zienswijzen
                    binnenkomen, dan wordt de aanvrager zo nodig in de gelegenheid gesteld te
                    reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen (Awb artikel 3:15, derde lid).
                    De verwerking van de zienswijzen in het definitieve besluit moet binnen zes
                    maanden na ontvangst van de vergunningaanvraag plaatsvinden.</al><al/><al>Als er geen zienswijzen zijn binnengekomen, dan moet dit zo snel mogelijk na het
                    verstrijken van de termijn voor de ter inzage legging gepubliceerd worden en
                    neemt het dagelijks bestuur het definitieve besluit binnen vier weken na het
                    einde van deze termijn (Awb artikel 3:18, vierde lid).</al><al>Van de mogelijkheid om de besluitvorming te verdagen met een redelijke termijn
                    kan alleen in de eerste acht weken van de proceduretermijn gebruik gemaakt
                    worden, als de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft én
                    de aanvrager in de gelegenheid gesteld is hierover zijn zienswijze kenbaar te
                    maken (Awb artikel 3:18, tweede lid).</al><al>De beoordelingstermijn is krap. Het verdient dan ook aanbeveling op basis van
                    een schetsplan overleg te plegen voordat de vergunningaanvraag wordt
                    ingediend.</al><al>De ter inzage legging van de aanvraag en de mogelijkheid van bezwaar tegen het
                    definitieve besluit zijn gecombineerd in het ter inzage leggen van een
                    ontwerpbesluit, waarop zienswijzen kunnen worden ingebracht. Omdat de
                    mogelijkheid is opgenomen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen, is
                    tegen het definitieve besluit alleen nog maar beroep mogelijk. Een volgende
                    beperking is dat alleen de aanvrager en belanghebbenden die tijdig een
                    zienswijze naar voren hebben gebracht (Awb 3:41 en 3:43) of belanghebbenden die
                    een goede reden hebben geen zienswijzen te hebben ingebracht (Awb art 6:13)
                    beroep kunnen instellen.</al><al/><al>De totale termijn van zes maanden spoort niet met die voor de bouwvergunning.
                    Het vereist (en het niet verleend) zijn van een gemeentelijke
                    monumentenvergunning is een grond voor de weigering van de bouwvergunning (art
                    44 sub e Woningwet). Wanneer een monumentenvergunning is aangevraagd en daarop
                    niet is beslist (of deze is geweigerd), zal de bouwvergunning dus tijdig
                    geweigerd moeten worden. Nadrukkelijk moet erop worden gewezen dat in de
                    Woningwet alleen een aanhoudingsregeling voor vergunningen van rijksmonumenten
                    is opgenomen (artikel 54 Woningwet). Om niet gedurende de lopende
                    monumentenprocedure de bouwvergunning te moeten weigeren kan de aanvrager van de
                    monumenten- en bouwvergunning het beste de aanvraag bouwvergunning pas later
                    indienen. Laat het college de termijn voor de verlening van de bouwvergunning
                    verlopen, dan is de bouwvergunning van rechtswege verleend, omdat de Woningwet
                    boven de monumentenverordening gaat. Er mag echter pas gebruik gemaakt worden
                    van de bouwvergunning als ook de monumentenvergunning is verleend.</al><al/><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en 6 weken ter inzage gelegd en
                    opengesteld voor beroep. De werking van de vergunning wordt opgeschort totdat de
                    beroepstermijn is verstreken, of als er beroep is ingesteld, op het beroep is
                    beslist. Titel 8.3 van de Awb is van overeenkomstige toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Intrekken van de vergunning</vet></al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het college
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. Rijksmonumenten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 13. Vergunning voor beschermd rijksmonument</vet></al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor
                    rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de Monumentenwet 1988 en
                    afdeling 3.4 van de Awb. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en, buiten de
                    bebouwde kom, ook Gedeputeerde Staten (hierna: GS) moeten binnen twee maanden na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren (Monumentenwet 1988, artikel
                    16.2).</al><al>Het definitieve besluit moet binnen vier maanden na ontvangst van het laatste
                    van de adviezen van genoemde rijksdienst en GS plaatsvinden (Monumentenwet 1988,
                    artikel 16.3). Op het definitieve besluit kan nog door een beperkte groep van
                    belanghebbenden beroep worden ingesteld (zie de toelichting bij artikel
                    11).</al><al/><al>De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst is met ingang van 2009
                    op bovenstaande van invloed. Daarom wordt de verplichte advisering in het
                    wetsvoorstel “Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband met onder meer
                    beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                    monumentenvergunning” los gelaten. Alleen als er sprake is van reconstructie,
                    sloop en herbestemming van een rijksmonument blijft de adviesplicht van
                    toepassing. Ter compensatie van het wegvallen van het advies van de rijksdienst
                    zullen alle gemeenten vanaf 2009 een Erfgoedcommissie moeten hebben aangesteld,
                    die onafhankelijk en deskundig is. Wanneer het monument buiten de bebouwde kom
                    ligt, is het college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan
                    GS te zenden. GS kunnen dan naar eigen inzicht al dan niet tot advisering
                    overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS op
                    voorhand kenbaar maakt in welke gevallen zij niet adviseren, zodat de beoogde
                    tijdwinst ook daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><al/><al><cursief>Leden 2 en 3</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de Erfgoedcommissie bij de aanvragen om
                    vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit
                    wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de Erfgoedcommissie
                    tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is in lid 3 bepaald
                    dat de Erfgoedcommissie geacht wordt te hebben geadviseerd na het verstrijken
                    van de in lid 2 gestelde adviestermijn.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5. Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>De mogelijkheid gebieden aan te wijzen als beschermd stads- of dorpsgezicht
                    heeft geen directe verplichtingen tot gevolg, maar betekent wel een extra
                    beleidsinstrument tussen de objectgerichte monumentenlijst en het
                    bestemmingsplan dat de samenhang van de objecten kan benadrukken. Aanwijzing
                    betekent een politiek belangrijke intentieverklaring.</al><al>Stads- en dorpsgezichten die al op een rijkslijst staan, komen niet voor
                    aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht in aanmerking.</al><al/><al><vet>Artikel 15</vet></al><al>Als de gemeente de cultuurhistorische waarde van een gebied erkent en wil
                    beschermen als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, wordt deze kwaliteit, in
                    bestemmingsplanterminologie, een ruimtelijk gebruiksdoeleind van de grond,
                    waaraan bijzondere situeringskenmerken kunnen worden verbonden, zoals
                    gedetailleerde bebouwingsvoorschriften. Uitsluitend het vaststellen van
                    dergelijke bestemmingsplannen, zonder aanwijzing van een stads- of dorpsgezicht,
                    is ongewenst, omdat in deze aanwijzing de legitimering gevonden wordt op grond
                    waarvan de extra plichten (in vergelijking met andere bestemmingsplannen) worden
                    opgelegd worden.</al><al/><al><vet>Artikel 17</vet></al><al>Het sloopvergunningstelsel voor bouwwerken in dit artikel is opgenomen naar
                    analogie van de Monumentenwet 1988 en de Wro. De sloopvergunningplicht ontstaat
                    bij de aanwijzing van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht; in het
                    bestemmingsplan behoeven ter zake dus geen voorzieningen meer te worden
                    getroffen. </al><al>De van toepassing verklaarde artikelen van de Wro bevatten de weigeringsgronden
                    voor een sloopvergunning (weigeren mag als geen bouwvergunning voor vervangend
                    bouwwerk is aangevraagd) en de procedurele voorschriften (onder meer
                    aanhoudingsmogelijkheid totdat is beslist over de bouwvergunning voor vervangend
                    bouwwerk).</al><al>Overigens bevat ook de bouwverordening voorschriften over het slopen. Een
                    aanvraag ex artikel 17 van de Verordening Cultureel Erfgoed Berkelland kan dan
                    ook worden gecombineerd met een aanvraag op grond van de bouwverordening, hoewel
                    zowel de toetsingscriteria als de procedure van afhandeling verschillend
                    zijn.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6. Instandhouding van archeologische terreinen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 18. Instandhoudingbepaling</vet></al><al>Artikel 18, Lid 1</al><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                    raad om bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, rekening te houden met de in de grond
                    aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Uitgangspunt van deze wet
                    (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening,
                    is daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische waardekaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in
                    de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                    overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al><al/><al><vet>Artikel 18 lid 2</vet></al><al>Wanneer vondsten of bijstelling van de rijks- en provinciale gegevens aangeven
                    dat klaarblijkelijk een andere verwachtingswaarde aan een gebied moet worden
                    gegeven dan aanvankelijk in de archeologische waarden- en beleidskaart is
                    aangegeven kan het nodig zijn om tussentijds met die andere waarden rekening te
                    houden. Het college kan daarom op grond van dit artikel tussentijds de kaart
                    wijzigen als daar aanleiding toe is.</al><al>Een gemeentelijke archeologische waardenkaart is geen statisch gegeven. Dit
                    blijkt al uit artikel 18 lid 2. De doorlopende aanvullende archeologische kennis
                    uit archeologische vondsten en uit onderzoeks-gegevens bij bijvoorbeeld
                    ruimtelijke plannen maakt het noodzakelijk om van tijd tot tijd (ongeveer eens
                    in de drie jaren) de kaart actueel te houden. Bij die gelegenheid kunnen ook de
                    in artikel 18 lid 2 genoemde wijzigingen definitief in de kaart opgenomen
                    worden. </al><al/><al><vet>Artikel 19 Lid 1</vet></al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 19 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 19 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod om de bodem dieper dan de in de
                    archeologische waarden- en beleidskaart vastgestelde waarden te verstoren. </al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid van artikel 19 wordt een vijftal uitzonderingsmogelijkheden
                    geven op het eerste lid. In onderdeel a kan van het verbod uit het eerste lid
                    worden afgeweken wanneer de verstoring plaats vindt in een archeologisch
                    monument of verwachtingsgebied als aangegeven op de landelijke of een
                    provinciale archeologische waardenkaart. Zo lang de archeologische waardenkaart
                    van Berkelland nog niet is vastgesteld kan dus worden teruggevallen op de
                    provinciale en landelijke waardekaarten. Hoe lager de verwachte archeologische
                    waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn waarbinnen een verstoring mag
                    plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde zal het aantal m2 waarbinnen een
                    verstoring mag plaatsvinden aanzienlijk kleiner zijn omdat daar exacter bekend
                    is waar en in welke mate de vondsten verwacht mogen worden. Bij de bepaling van
                    deze grenzen moet voldoende rekening gehouden worden met de vraag wat er binnen
                    het verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden aangetroffen. In
                    ieder geval moet de ruimte binnen de gehanteerde oppervlakte dusdanig zijn dat
                    in voldoende informatie verkregen kan worden over de aard, het karakter en de
                    datering van de (mogelijk) in de bodem aan te treffen archeologische
                    sporen.</al><al/><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardekaart,
                    voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                    archeologische waarden.</al><al/><al>In onderdeel c worden drie vrijstellingsmogelijkheden genoemd uit de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening. De daar bedoelde vrijstellingsbesluiten kunnen tot stand
                    komen doordat bij de aanvraag tot vrijstelling voorschriften kunnen worden
                    opgenomen met betrekking tot archeologische waarden in het gebied waarvoor de
                    vrijstelling wordt aangevraagd. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden
                    verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin de archeologische waarden van
                    het te verstoren terrein in voldoende mate zijn vastgesteld. Zo’n uitzondering
                    wordt ook in onderdeel e gegeven, maar ziet dan ook op situaties buiten de
                    aanvraag van een vrijstelling. Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d.
                    worden gevraagd en komt overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de
                    Monumentenwet in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van
                    Malta.</al><al/><al>Op grond van lid d van dit artikel kan ons college nadere regels stellen wat
                    betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een
                    archeologisch monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’
                    bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie
                    dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de
                    verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een
                    aanlegvergunning, waarin vereisten omtrent de bescherming van archeologische
                    waarden zijn opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 20. Opgravingen en begeleiding</vet></al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen stelt ons college een
                    programma van eisen (PvE) vast waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp
                    en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a). Vervolgens
                    verwachten wij van de opgraver dat hij in een plan van aanpak (PvA) weergeeft
                    hoe hij de gestelde kaders zoals omschreven in het programma van eisen denkt te
                    gaan invullen (lid 1, onder b). Op grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens
                    nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het
                    toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak. Het inhoudelijk
                    beoordelen van PvE en PvA zal in de regel geschieden door de regionaal
                    archeoloog van de Regio Achterhoek, die als deskundige voor de gemeente
                    optreedt.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6. Overige bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 21. Schadevergoeding</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening moet echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                    rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is per 1 januari 2009 niet meer
                    van toepassing. Het veroorzaker-betaalt-principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle in
                    het eerste lid genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval
                    moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening
                    kiezen wij voor een gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de
                    specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan ons college mogelijk een
                    schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al><al/><al><vet>Artikel 22. Strafbepaling</vet></al><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid aan de raad om
                    op overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere
                    dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te
                    leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,-
                    (januari 2008); in de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is
                    de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                    categorieën. In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het
                    verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld
                    aan een geldboete van de vijfde categorie € 74.000,- (januari 2008).</al><al/><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te
                    bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis
                    van drie maanden voor de hand liggend.</al><al/><al><vet>Artikel 23. Toezichthouders</vet></al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. De basis voor deze
                    aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5, waarin algemene regels
                    worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende
                    rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in
                    artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen die bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het
                    bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Op grond hiervan kan de
                    mogelijkheid tot aanwijzing van toezichthouders in deze verordening worden
                    opgenomen.</al><al/><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid alleen mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds moet hij afwegen of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
                    noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving
                    waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al/><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk vermelden wij hier
                    dat het college op grond van artikel 18 niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst
                    als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet
                    te doen omdat artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7. Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 24. Intrekken oude regeling</vet></al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude monumentenverordening, zodat niet
                    twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                    uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten
                    met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld
                    door een latere regeling.</al><al/><al><vet>Artikel 25. Overgangsrecht</vet></al><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Wanneer
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning- verlening (artikel 10).</al><al/><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om vergunning voor gemeentelijke monumenten die zijn
                    ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op
                    grond van de oude verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 26. Inwerkingtreding</vet></al><al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening is
                    allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten (lid 1) en daarna voor
                    rijksmonumenten (lid 2). Het eerste lid is gebaseerd op artikel 139 van de
                    Gemeentewet. Hierin wordt de bekendmaking van verordeningen geregeld.</al><al/><al><vet>Artikel 27. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. Gelet op het samenvoegen van de
                    oude monumentenverordening en het nieuwe archeologische deel in de verordening,
                    is gekozen voor de nieuwe en overkoepelende term ‘erfgoedverordening’.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>