<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR324198_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement van orde voor de vergaderingen van de raad van de gemeente Zoetermeer</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zoetermeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zoetermeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch Gemeenteblad, 16-07-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement van orde voor de vergaderingen van de raad</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=16">Gemeentewet, art. 16</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-07-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-04-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 16</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015-000525</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Reglement van orde voor de vergaderingen van de raad van de gemeente
            Zoetermeer</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger.</al></li><li nr="b."><al>presidium: het door de raad ingestelde orgaan dat de
                                    raadsvergaderingen encommissievergaderingen en andere
                                    bijeenkomsten van de raad,procesmatig voorbereidt.</al></li><li nr="c."><al>amendement: schriftelijk voorstel tot wijziging van een
                                    ontwerpverordening of ontwerpbeslissing, naar de vorm geschikt
                                    om daarin direct te worden</al><al>opgenomen.</al></li><li nr="d."><al>subamendement: schriftelijk voorstel tot wijziging van een
                                    aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden
                                    opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft.</al></li><li nr="e."><al>motie: korte en gemotiveerde schriftelijke verklaring over een
                                    onderwerp waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt
                                    uitgesproken, zonder dat daaraan rechtsgevolgen zijn
                                    verbonden.</al></li><li nr="f."><al>voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de
                                    vergadering.</al></li><li nr="g."><al>interpellatie: het recht van een raadslid om tijdens een
                                    vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan
                                    het college te vragen.</al></li><li nr="h."><al>initiatiefvoorstel: een schriftelijk voorstel vanuit de raad
                                    voor een verordening of een ander voorstel.</al></li><li nr="i."><al>besluitenlijst: een door de griffier opgestelde lijst waarin
                                    alle besluiten van de raad, inclusief de uitslag van de
                                    stemmingen en stemverklaringen en de toezeggingen van het
                                    college worden opgenomen.</al></li><li nr="j."><al>schriftelijke vragen: het recht van elk raadslid om vragen te
                                    stellen aan het college.</al></li><li nr="k."><al>seniorenconvent: het door de raad ingestelde overlegplatform ter
                                    bespreking van spoedeisende zaken en afstemmingszaken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De voorzitter</titel></kop><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de vergadering.</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde.</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van het reglement van orde.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De griffier</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door de
                                door de raad daartoe benoemde plaatsvervangend griffier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De griffier kan, indien hij daartoe door de voorzitter wordt
                                uitgenodigd, aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement
                                deelnemen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Benoeming informateur en/of formateur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Indien na de gemeenteraadsverkiezingen gekozen wordt voor het aanstellen
                            van een informateur en/of een formateur van buiten de gemeenteraad
                            dienen de financiële consequenties die aan dit besluit zijn verbonden,
                            in de eerste vergadering van de nieuwe raad te worden goedgekeurd. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het begin van de zittingsperiode stelt de raad een commissie in,
                                bestaande uit drie leden van de raad en hun plaatsvervangers. De
                                benoeming geldt voor de gehele raadsperiode. De commissie onderzoekt
                                de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw
                                benoemde leden en het proces-verbaal van het (centraal)
                                stembureau.</al><lijst><li nr="2."><al>De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven
                                        verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor
                                        een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van
                                        een minderheidsstandpunt.</al></li><li nr="3."><al>Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten
                                        leden van de raad op om in de eerste vergadering van de raad
                                        in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de
                                        Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte
                                        af te leggen.</al></li><li nr="4."><al>In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de
                                        voorzitter een nieuw benoemd lid van de raad op voor de
                                        vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt
                                        beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af
                                        te leggen.</al></li><li nr="5."><al>Bij de benoeming van een wethouder onderzoekt dezelfde
                                        commissie als bedoeld in het eerste lid of de kandidaat
                                        voldoet aan de eisen van de Gemeentewet. De werkwijze van de
                                        commissie is overeenkomstig het tweede lid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Fracties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De leden van de raad die door het centraal stembureau op
                                    dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de
                                    aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een
                                    lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een
                                    afzonderlijke fractie beschouwd.</al></li><li nr="2."><al>Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst,
                                    voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien
                                    geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de
                                    fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter
                                    mee welke naam deze fractie in de raad wil voeren.</al></li><li nr="3."><al>De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als
                                    diens plaatsvervanger optreden, worden zo spoedig mogelijk
                                    doorgegeven aan de voorzitter.</al></li><li nr="4."><al>Als</al><lijst><li nr="-"><al>één of meer leden van een fractie als zelfstandige
                                            fractie gaan optreden;</al></li><li nr="-"><al>twee of meer fracties als één fractie gaan
                                            optreden;</al></li><li nr="-"><al>één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij
                                            een andere fractie;</al></li></lijst><al>wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan
                                    aan de</al><al>voorzitter. </al></li><li nr="5."><al>Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel
                                    G 3 van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de
                                    eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Tijd en plaats van vergaderen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de vergaderingen van de raad wordt door de raad, op
                                        voorstel van het presidium, een vergaderschema
                                        vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>De vergaderingen vangen aan om 20.00 uur en eindigen
                                        uiterlijk om 23.30 uur.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag,
                                        aanvangsuur en eindtijdbepalen of een andere vergaderplaats
                                        aanwijzen. Hij voert hierover, tenzij er sprake is van een
                                        spoedeisende situatie, overleg in het presidium.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Oproep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter zendt ten minste 10 dagen voor een vergadering de
                                    leden van de raad een schriftelijke oproep onder vermelding van
                                    dag, tijdstip en plaats van de vergadering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De agenda en de daarbij behorende stukken worden tegelijkertijd
                                    met de schriftelijke oproep aan de leden van de raad
                                    verzonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval er sprake is van geheime stukken, kan de voorzitter van
                                    de raad besluiten de procedure te voeren die omtrent
                                    ‘geheimhouding’ is vastgelegd in het op 2 juli 2012 door de raad
                                    vastgestelde ‘Protocol geheimhouding en besloten vergaderingen
                                    2012’.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Agenda</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>In spoedeisende gevallen kan het presidium na het
                                            verzenden van de schriftelijke oproep tot uiterlijk 3 x
                                            24 uurvoor de aanvang van een vergadering een
                                            aanvullende agenda opstellen. Deze wordt met de
                                            bijbehorende stukken aan de leden van de raad
                                            verzonden.</al></li><li nr="2."><al>Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda
                                            vast. Op voorstel van een lid van de raad of de
                                            voorzitter, kan de raad bij de vaststelling van de
                                            agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de
                                            agenda afvoeren.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de
                                            openbare beraadslaging voorbereid acht, kan hij het
                                            onderwerp verwijzen naar een commissie of aan hetcollege
                                            nadere inlichtingen of advies vragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de
                                    raad de volgorde van behandeling van de agendapunten
                                    wijzigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De wethouders</titel></kop><al>De wethouders zijn uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn
                                en aan de beraadslagingen deel te nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Openbare kennisgeving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergadering wordt door aankondiging op de website van de
                                    gemeente (www.zoetermeer.nl) ter openbare kennis gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De openbare kennisgeving vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de datum, aanvangstijd en plaats van de
                                            vergadering;</al></li><li nr="b."><al>de onderwerpen die op de agenda staan;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheid tot het uitoefenen van het spreekrecht
                                            als bedoeld in artikel 16.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Daarnaast worden de bij de agenda behorende stukken op de
                                    website van de gemeente geplaatst.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Orde der vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Presentielijst</titel></kop><al>Bij de aanvang van de vergadering tekent ieder lid van de raad
                                onmiddellijk de presentielijst. Aan het einde van elke vergadering
                                wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening
                                vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Zitplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een
                                    vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg in het
                                    seniorenconvent bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode
                                    van de raad aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling
                                    herzien na overleg in het seniorenconvent.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders,
                                    gemeentesecretaris en overige personen, die voor de vergadering
                                    zijn uitgenodigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Opening vergadering; quorum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur,
                                    indien meer dan de helft van het aantal leden van de raad
                                    blijkens de presentielijst aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het
                                    vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na
                                    voorlezing van de namen van de afwezige leden, dag en uur van de
                                    volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de
                                    Gemeentewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Primus bij hoofdelijke stemming</titel></kop><al>Indien een raadslid de voorzitter daarom verzoekt, deelt de
                                voorzitter, alvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te
                                stellen, mede bij welk lid van de raad de hoofdelijke stemming zal
                                beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van de
                                presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de
                                hoofdelijke stemming.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Spreekrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na de opening van de vergadering kan elke aangemelde spreker
                                    gedurende maximaal vijf minuten het woord voeren. Voor het
                                    inspreken is maximaal dertig minuten gereserveerd in de agenda.
                                        <vet>In afwijking van artikel 21, eerste lid, onder b mag
                                        een spreker niet worden geïnterrumpeerd tijdens zijn
                                        betoog.</vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De
                                    voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers,
                                    als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in
                                    bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de
                                    spreektijd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het woord kan niet gevoerd worden:</al><lijst><li nr="a."><al>over een besluit van het gemeentebestuur waartegen
                                            bezwaar of beroep op de rechter openstaat of heeft
                                            opengestaan;</al></li><li nr="b."><al>over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen
                                            van personen;</al></li><li nr="c."><al>indien een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet
                                            bestuursrecht kan of kon worden ingediend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, moet dit
                                    uiterlijk op de dag waarop de vergadering plaatsvindt, voor
                                    12.00 uur melden aan de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn
                                    naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het
                                    woord wil voeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Notulen en besluitenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van de vergadering wordt een woordelijk verslag (notulen)
                                    gemaakt en een besluitenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluitenlijst van de vergadering wordt, zo mogelijk binnen
                                    vijf werkdagen, digitaal aan de leden van de raad
                                    toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De notulen en de besluitenlijst worden tegelijkertijd met de
                                    schriftelijke oproep voor de eerstvolgende vergadering verstuurd
                                    aan de leden van de raad. De overige personen die het woord
                                    gevoerd hebben, ontvangen de besluitenlijst. De leden, de
                                    voorzitter, de wethouders, de griffier en de gemeentesecretaris
                                    hebben het recht, een voorstel tot verandering aan de raad te
                                    doen, als de notulen onjuistheden bevatten of niet duidelijk
                                    weergeven hetgeen besloten is. Een voorstel tot verandering
                                    dient voor de aanvang van de eerstvolgende vergadering bij de
                                    griffier te worden ingediend. De voorzitter meldt het
                                    wijzigingsvoorstel aan de raad en de raad neemt een besluit
                                    hierover.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De notulen moeten inhouden:</al><lijst><li nr="a."><al>de namen van de voorzitter, de griffier, de secretaris,
                                            de wethouders en de ter vergadering aanwezige leden,
                                            alsmede van de leden die afwezig waren en overige
                                            personen die het woord gevoerd hebben;</al></li><li nr="b."><al>een vermelding van de zaken die aan de orde zijn
                                            geweest;</al></li><li nr="c."><al>een woordelijk verslag met vermelding van de namen van
                                            de aanwezigen die het woord voerden;</al></li><li nr="d."><al>een overzicht van het verloop van elke stemming, met
                                            vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de
                                            leden die voor of tegen stemden, onder aantekening van
                                            de namen van de leden die zich overeenkomstig de
                                            Gemeentewet van stemming hebben onthouden of zich bij
                                            het uitbrengen van hun stem hebben vergist;</al></li><li nr="e."><al>de tekst van de ter vergadering ingediende voorstellen
                                            van orde, moties, amendementen en subamendementen;</al></li><li nr="f."><al>bij het desbetreffende agendapunt de naam en de
                                            hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van
                                            het bepaalde in artikel 22 door de raad is toegestaan
                                            deel te nemen aan de beraadslagingen:</al></li><li nr="g."><al>de door het college gedane toezeggingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De notulen worden in de eerstvolgende vergadering vastgesteld,
                                    waarna deze door de voorzitter en de griffier worden
                                    ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De letterlijke weergave van het besprokene is in geluid en, zo
                                    mogelijk, in beeld, beschikbaar via www.zoetermeer.nl.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Ingekomen stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de raad ingekomen stukken worden op een lijst geplaatst en
                                    van een behandelvoorstel voorzien. Deze lijst wordt aan de leden
                                    van de raad toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt op voorstel van het presidium de wijze van
                                    afdoening van de ingekomen stukken vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Aantal spreektermijnen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in
                                        ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders
                                        beslist.</al></li><li nr="2."><al>Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.</al></li><li nr="3."><al>Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord
                                        voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.</al></li><li nr="4."><al>Het derde lid is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>de rapporteur van een commissie.</al></li><li nr="b."><al>het lid dat een (sub)amendement, een motie of een
                                                initiatiefvoorstel heeftingediend, voor wat betreft
                                                dat amendement, die motie of dat voorstel.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde
                                        onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet
                                        meegerekend het spreken over een voorstel van orde.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Spreektijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter kan een spreektijdregeling voorleggen aan de
                                    raad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Over ordevoorstellen waarbij de spreektijd van de leden van de
                                    raad wordt beperkt, beslist de raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Handhaving orde; schorsing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord,
                                        tenzij</al><lijst><li nr="a."><al>de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het
                                                opvolgen van dit reglement te herinneren.</al></li><li nr="b."><al>een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen
                                                dat de spreker zonder verdere interrupties zijn
                                                betoog zal afronden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een spreker zich in beledigende of onbetamelijke
                                        uitdrukkingen uitlaat, afwijkt van het in behandeling zijnde
                                        onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert,
                                        dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de
                                        voorzitter tot de orde geroepen. Indien de betreffende
                                        spreker hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem
                                        gedurende de vergadering waarin dit plaats heeft, over het
                                        aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering
                                        voor een door hemte bepalen tijd schorsen en - indien na de
                                        heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering
                                        sluiten.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter kan de raad voorstellen aan een lid dat door
                                        zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het
                                        verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen.</al></li><li nr="5."><al>Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming
                                        daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo
                                        nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van
                                        zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie
                                        maanden de toegang tot de vergadering van de raad worden
                                        ontzegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Deelname aan de beraadslaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad kan bepalen dat de griffier en de gemeentesecretaris
                                        deelnemen aan de beraadslaging.</al></li><li nr="2."><al>Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter
                                        of één der leden vande raad genomen alvorens met de
                                        beraadslaging ten aanzien van het aan deorde zijnde
                                        agendapunt een aanvang wordt genomen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Procedures bij stemmingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Beslissing en de volgorde bij het in stemming brengen van
                                    voorstellen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de voorzitter vaststelt, dat een onderwerp of
                                        voorstel voldoende is toegelicht, sluit hij de
                                        beraadslaging, tenzij de raad anders beslist.</al></li><li nr="2."><al>Direct nadat de beraadslaging is gesloten, vindt na een
                                        stemming over eventuele amendementen, de stemming plaats
                                        over het voorstel, zoals het dan luidt, in zijngeheel tenzij
                                        geen stemming wordt gevraagd.</al></li><li nr="3."><al>Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel
                                        plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over de
                                        te nemen eindbeslissing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Stemverklaring</titel></kop><al>Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming
                                overgaat, heeftieder lid het recht zijn stemgedrag kort te
                                motiveren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Algemene bepalingen over stemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter vraagt of stemming wordt verlangd. Indien geen
                                    stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt,
                                    stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is
                                    aangenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in de
                                    besluitenlijst vragen, dat zij geacht willen worden te hebben
                                    tegengestemd of zich op grond van artikel 28 van de Gemeentewet
                                    van stemming te hebben onthouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet
                                    van deelneming aan de stemming op grond van artikel 28 van de
                                    Gemeentewet moet onthouden, verplicht zijn stem uit te
                                    brengen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de
                                    voorzitter daarvan mededeling en wordt besloten of de stemming
                                    bij handopsteken of hoofdelijk plaatsvindt. De leden 5 tot en
                                    met 7 van dit artikel zijn bij hoofdelijke stemming van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad bij
                                    naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid
                                    dat daarvoor overeenkomstig artikel 15 is aangewezen. Vervolgens
                                    geschiedt de oproeping naar de volgorde van de
                                    presentielijst.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’
                                    uit te spreken, zonder enige toevoeging.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan
                                    kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid
                                    gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan
                                    kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend
                                    heeft gemaakt, wel aantekening vragen dat hij zich heeft
                                    vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen
                                    verandering.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede,
                                    met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte
                                    stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen
                                    besluit.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de
                                    Gemeentewet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Stemming over amendementen en moties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>1. Indien een amendement op een aanhangig voorstel is
                                        ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd.</al></li><li nr="2."><al>Indien op een amendement een subamendement is ingediend,
                                        wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens
                                        over het amendement.</al></li><li nr="3."><al>Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een
                                        aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de
                                        volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt
                                        de regel, dat het meest verstrekkende amendement of
                                        subamendement het eerst in stemming wordt gebracht.</al></li><li nr="4."><al>Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is
                                        ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en
                                        vervolgens over de motie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Stemming over personen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer een stemming over personen voor het doen van een
                                        voordracht of het opstellen van een voordracht of
                                        aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter drie
                                        leden tot stembureau.</al></li><li nr="2."><al>Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond
                                        van artikel 28 van de Gemeentewet van stemming moet
                                        onthouden, is verplicht een stembriefje in televeren. De
                                        stembriefjes dienen identiek te zijn.</al></li><li nr="3."><al>Er vinden zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te
                                        benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op
                                        voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen
                                        worden samengevat op één briefje.</al></li><li nr="4."><al>Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde
                                        stembriefjes gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge
                                        het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren.
                                        Wanneer de aantallen niet gelijk zijn, worden de
                                        stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een
                                        nieuwe stemming gehouden.</al></li><li nr="5."><al>Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid, als bedoeld
                                        in artikel 30 van de Gemeentewet, worden die leden die geen
                                        behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd, geacht geen stem
                                        te hebben uitgebracht.</al></li><li nr="6."><al>In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje,
                                        beslist de raad, op voorstel van de voorzitter.</al></li><li nr="7."><al>Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes
                                        onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Herstemming over personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer bij een stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft
                                    verkregen, valt de kandidaat met de minste stemmen af. Daarna
                                    wordt de stemprocedure herhaald totdat een persoon de volstrekte
                                    meerderheid heeft verworven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien bij een stemming meerdere personen hetzelfde aantal
                                    minste stemmen hebben en wanneer bij de laatste stemming de
                                    stemmen staken, beslist terstond het lot.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Beslissing door het lot</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen
                                    wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op
                                    afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn
                                    gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal
                                    gedeponeerd en omgeschud.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de
                                    stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is
                                    gekozen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Rechten van leden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Amendementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan, tot het sluiten van de beraadslagingen,
                                amendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om
                                een raadsbesluitin één of meer onderdelen te splitsen, waarover
                                afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen beraadslaagd
                                kan worden over amendementen die ingediend zijn door leden van de
                                raad, die de presentielijst getekend hebben en in de vergadering
                                aanwezig zijn.</al><lijst><li nr="2."><al>Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op
                                        het amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging
                                        voor te stellen (subamendement).</al></li><li nr="3."><al>Elk (sub)amendement en elk voorstel moet, om in behandeling
                                        genomen te kunnen worden, schriftelijk bij de voorzitter
                                        worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het
                                        eenvoudige karakter van het voorgestelde -oordeelt, dat met
                                        een mondelinge indiening kan worden volstaan.</al></li><li nr="4."><al>Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is
                                        mogelijk, totdat de besluitvorming door de raad heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Moties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie over een
                                aanhangig onderwerp of voorstel indienen.</al><lijst><li nr="2."><al>Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden
                                        schriftelijk, aan het eind van de termijn van de spreker,
                                        bij de voorzitter worden ingediend.</al></li><li nr="3."><al>De behandeling van een motie vindt tegelijk met de
                                        beraadslaging over dat onderwerp of voorstel plaats.</al></li><li nr="4."><al>Intrekking, door de indiener(s) van de motie is mogelijk
                                        totdat de besluitvorming door de raad heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Voorstellen van orde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering
                                mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden
                                toegelicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering
                                betreffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Agenderingsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Agenderingsverzoeken worden de werkdag voorafgaand aan de
                                vergaderdag uiterlijk 12.00 uur ingediend bij de griffie en direct
                                doorgestuurd naar de raads- en commissieleden. Het verzoek wordt aan
                                de orde gesteld bij de agendavaststelling in de commissie of raad.
                                Indien de vergadering akkoord is krijgt het presidium opdracht het
                                onderwerp in te plannen, tenzij het om een spoedeisende kwestie
                                gaat. In dat geval dient de vergadering te besluiten welk ander
                                agendapunt doorgeschoven wordt naar een andere vergadering, zodat
                                agendering mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Agenderingsverzoeken die door drie of meer fracties worden
                                ingediend, worden direct gehonoreerd en door het presidium
                                ingepland. De overige agenderingsverzoeken worden aan de orde
                                gesteld bij de agendavaststelling op de eerstvolgende raadsavond,
                                voorzien van een advies van het presidium over de mogelijke
                                planning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Initiatiefvoorstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen
                                worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend. Het bevat
                                een ontwerpbeslissing waarop de raad kan besluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het presidium voorziet het voorstel zo snel mogelijk van een
                                behandelplan. Het behandelplan wordt ter kennisname verzonden aan de
                                raads- en commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het behandelplan, bedoeld in het tweede lid, houdt in ieder geval in
                                het vragen van een advies aan het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raadscommissie bespreekt het voorstel, zo mogelijk voorzien van
                                een advies van het college. De raadscommissie voorziet het voorstel
                                van een advies-besluit.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Na behandeling in de raadscommissie wordt het voorstel ter
                                besluitvorming in de eerstvolgende raad voorgelegd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De raad kan aanvullende voorwaarden stellen aan de indiening en
                                behandeling van een voorstel, niet zijnde een voorstel voor een
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op een spoedeisend initiatiefvoorstel, inhoudende het ontslag van
                                een wethouder, zijn de bepalingen in dit artikel niet van
                                toepassing. Een dergelijk voorstel kan na instemming van de raad
                                terstond aan de agenda toegevoegd worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Collegevoorstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorstel van het college aan de raad, dat vermeld staat op de
                                agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder
                                toestemming van de raad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het
                                eerste lid voor advies terug moet worden gezonden aan het college,
                                bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw
                                geagendeerd wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als na de voorafgaande bespreking van het voorstel in de
                                raadscommissie de commissie concludeert dat het voorstel niet
                                besluitrijp is, zal het presidium dit voorstel niet als agendapunt
                                voorstellen voor de volgende raadsvergadering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Interpellatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een raadslid kan een verzoek indienen om tijdens de
                                    eerstvolgende raadsvergadering aan het college vragen te stellen
                                    over een niet geagendeerd onderwerp. Het onderwerp vereist
                                    actualiteit en heeft voldoende politieke relevantie.</al></li><li nr="2."><al>Verzoeken hiervoor worden de werkdag voorafgaand aan de
                                    vergaderdag uiterlijk 12.00 uur ingediend bij de griffie en
                                    direct doorgestuurd naar de raads- en commissieleden.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter brengt het verzoek bij de vaststelling van de
                                    agenda van de eerstvolgende vergadering na indiening van het
                                    verzoek, in stemming. De raad bepaalt zo ja en op welk tijdstip
                                    tijdens de vergadering de interpellatie zal worden
                                    gehouden.</al></li><li nr="4."><al>De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de
                                    overige leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet
                                    meer dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Schriftelijke vragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De
                                vragen kunnen van een toelichting worden voorzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor
                                dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden
                                van de raad en het college of de burgemeester worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in
                                ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn binnengekomen.
                                Indien beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden,
                                stelt het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester de
                                vragensteller hiervan gemotiveerd en met opgave van een nieuwe
                                termijn in kennis. De nieuwe termijn is niet langer dan 30 dagen na
                                de ontvangst van dit bericht. Het bericht wordt behandeld als een
                                antwoord.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De antwoorden van het college of de burgemeester worden door
                                tussenkomst van de griffier aan de leden van de raad
                                toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het college niet binnen de daarvoor in lid 3 gestelde termijn
                                de schriftelijke vragen heeft beantwoord, zal behandeling op de
                                eerstkomende raadsvergadering na het verstrijken van die termijn
                                plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de
                                eerstvolgende raads- of commissievergadering, nadere inlichtingen
                                vragen omtrent het door de burgemeester of college gegeven antwoord,
                                tenzij de raad anders beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mondelinge vragen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><lijst><li nr="1."><al>Tijdens elke raad is er een agendapunt mondelinge
                                        vragen.</al></li><li nr="2."><al>Een lid van de raad heeft het recht om mondelinge vragen aan
                                        de burgemeester,wethouder en andere leden van de raad te
                                        stellen.</al></li><li nr="3."><al>Het lid van de raad dat tijdens dit agendapunt vragen wil
                                        stellen, meldt de vragen de werkdag voorafgaand aan de
                                        vergaderdag uiterlijk om 12.00 uur, schriftelijk bij de
                                        voorzitter. De voorzitter kan na overleg met het presidium
                                        de raad gemotiveerd voorstellen een onderwerp tijdens het
                                        agendapunt mondelinge vragen niet aan de orde te stellen,
                                        indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht
                                        aangegeven, of indien het onderwerp in de raadsvergadering
                                        op dezelfde dag aan de orde komt.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter bepaalt de volgorde waarin de aangemelde
                                        onderwerpen tijdens het agendapunt aan de orde komen.</al></li><li nr="5."><al>Over de spreektijd per onderwerp voor de vragensteller, de
                                        wethouder, de burgemeester en de overige leden van de raad
                                        kan de voorzitter een orde voorstel doen aan de raad.</al></li><li nr="6."><al>Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend
                                        om een of meer vragen aan het college of de burgemeester te
                                        stellen en een korte toelichting daarop te geven.</al></li><li nr="7."><al>Na beantwoording door het college of burgemeester krijgt de
                                        vragenstellerdesgewenst het woord om aanvullende vragen te
                                        stellen.</al></li><li nr="8."><al>Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad
                                        het woord verlenen om, hetzij aan de vragensteller, hetzij
                                        aan het college of de burgemeester vragen te stellen over
                                        hetzelfde onderwerp.</al></li><li nr="9."><al>Tijdens het agendapunt mondelinge vragen kunnen geen moties
                                        worden ingediend en worden geen interrupties
                                        toegelaten.</al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als
                                bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de
                                Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe schriftelijk
                                ingediend bij het college of de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een afschrift van dit verzoek wordt door de griffier toegezonden aan
                                de overige leden van de raad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de
                                eerstvolgende of in de daarop volgende vergadering gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de
                                vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Begroting en rekening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Procedure begroting</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding,
                            het onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting
                            volgens een door de raad vast te stellen procedure. Het presidium doet
                            hiertoe een voorstel aan de raad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Procedure jaarrekening</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding
                            en het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de
                            vaststelling van dejaarrekening en van een eventueel indemniteitsbesluit
                            volgens een door de raad vast testellen procedure. Het presidium doet
                            hiertoe een voorstel aan bij de raad.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Lidmaatschap van andere organisaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Verslag en verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de
                                secretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het
                                algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander
                                gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet
                                gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht (om in aansluiting op
                                de behandeling van de lijst van ingekomen stukken òf voor het
                                sluiten van de vergadering) verslag te doen over zaken die in het
                                algemeen bestuur als bedoeld of gemeenschappelijk orgaan aan de orde
                                zijn. Voor door de raad gewenste bespreking van dit verslag kan de
                                voorzitter verwijzen naar de desbetreffende commissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste
                                lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van
                                schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 37, zijn van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste
                                lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van
                                functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan.
                                De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel
                                39, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties
                                of instituties, waarin de raad één van zijn leden heeft
                                benoemd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Besloten vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van
                            overeenkomstigetoepassing, voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn
                            met het besloten karakter vande vergadering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>Besluitenlijst van een besloten vergadering</titel></kop><al>Deze besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk ter vaststelling
                            aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het
                            al dan niet openbaar maken van de besluitenlijst. De vastgestelde
                            besluitenlijst wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>Geheimhouding</titel></kop><al>1.Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad
                            overeenkomstig artikel 25,eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent de
                            inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. De
                            geheimhouding dient in acht te worden genomen door een ieder die bij de
                            vergadering aanwezig is en door een ieder die op een andere wijze kennis
                            heeft van de stukken. De raad kan besluiten de geheimhouding op te
                            heffen.</al><al>2.Voor de procedure omtrent de geheime stukken wordt verwezen naar
                            hetgeen in het op2 juli 2012 door de raad vastgestelde ‘Protocol
                            geheimhouding en besloten vergaderingen 2012’ omtrent ‘geheimhouding’ is
                            vastgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>Opheffing geheimhouding</titel></kop><al>Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55,
                            tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid, van de
                            Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt, indien
                            daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd,
                            in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg
                            gevoerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><al>1.De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op
                            de</al><al>voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.</al><al>2.Het blijk geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere
                            wijze verstoren van de orde is verboden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die in de vergaderzaal tijdens de openbare raadsvergadering
                            geluid- dan welbeeldregistraties willen maken, doen hiervan mededeling
                            aan de voorzitter en gedragenzich naar zijn aanwijzingen. Deze
                            aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheidvan pers
                            aantasten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Uitleg reglement</titel></kop><al>In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent
                            de toepassing vanhet reglement, beslist de raad op voorstel van de
                            voorzitter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking de dag na vaststelling.</al></li><li nr="2."><al>Met ingang van de inwerkingtreding vervalt het ‘Reglement van
                                    orde voor de vergaderingen van de raad’, vastgesteld bij
                                    raadsbesluit de dato 15 december 2008, met inbegrip van de
                                    daarop bij raadsbesluit van 2 juli 2012 aangebrachte wijziging
                                    van artikel 44.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Toelichting op artikel 1</tussenkop><al>1<sup/>d: Onder ‘aanhangig’ wordt verstaan aan de orde / in behandeling zijnd. </al><tussenkop>Toelichting op artikel 2</tussenkop><al>De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de
                    Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In artikel
                    77 eerste lid van de Gemeentewet staat dat de raad mag bepalen welk lid van de
                    raad belast wordt met de waarneming van het voorzitterschap van de raad. </al><al>De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de
                    vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder
                    andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 3</tussenkop><al>De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 107 Gemeentewet). De
                    griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad.
                    Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. </al><al>De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel
                    107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In
                    verband met artikel 22 Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een
                    bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de
                    beraadslaging. Rechtspositionele bepalingen omtrent de beëdiging, woonplaats
                    etcetera zijn niet in dit reglement opgenomen, aangezien dat beter geregeld kan
                    worden in de ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt. In de
                    instructie voor de griffier zijn de taken en bevoegdheden van de griffier
                    uitgewerkt. </al><tussenkop>Toelichting op artikel 5</tussenkop><al>Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de
                    benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit
                    benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De
                    benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2
                    Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan
                    de raad stukken overgelegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen
                    om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een
                    ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een
                    uittrekstel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en –datum, en (indien
                    niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van
                    artikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de
                    geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal
                    ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze
                    code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane
                    nevenfuncties. De commissie die de geloofsbrieven onderzoek brengt verslag uit.
                    Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. De formulering van het eerste lid
                    benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het
                    zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal
                    stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Het onderzoek van het proces verbaal
                    (onderzoek naar het </al><al>verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt alleen in
                    de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de verkiezingen. Het onderzoek van de
                    geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijst en va
                    de lijstverbindingen (artikel V4, lid 2 Kieswet).</al><al>Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn
                    leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een
                    nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een
                    raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in
                    nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal
                    hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of
                    verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de
                    toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of
                    verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het
                    raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd.
                    De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot
                    toelating als lid van de raad is vervallen door inwerkingtreding van de Wet
                    dualisering gemeentebestuur in 2002. Het vijfde lid geeft invulling aan een
                    leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrieven onderzoek van
                    raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is,
                    is hierover niets in de Kieswet geregeld. </al><al>De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een
                    wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. </al><al>De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de
                    vereisten voor het raadlidmaatschap (Gemeentewet artikel 36a, 36b, 41b en 41c).
                    Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor
                    het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. Vandaar dat er een vijfde
                    lid aan dit artikel is toegevoegd. Dit artikel is ook van toepassing als er geen
                    wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incompatibiliteiten en
                    nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden. Een raadslid dat
                    benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van
                    zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, lid 2 Gemeentewet). </al><tussenkop>Toelichting op artikel 6</tussenkop><al>Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen,
                    worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd.
                    De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de
                    kandidatenlijst hadden staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in
                    de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan
                    echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft
                    staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de
                    aanduiding mee. In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden
                    de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de
                    samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit
                    aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap
                    niet opzegt maar uit een </al><al>fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten
                    bij een bestaande fractie. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat
                    volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen (een kandidaat
                    wordt door de voorzitter van het stembureau benoemd). De Kieswet gaat niet uit
                    van politieke partijen, een zetel ‘hoort’ dan ook niet bij een partij maar is
                    verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft
                    om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan
                    een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om
                    te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over
                    wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de
                    naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de
                    voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de
                    eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden
                    met de nieuwe situatie. </al><tussenkop>Toelichting op artikel 7</tussenkop><al>Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe
                    heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten
                    minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van
                    redenen daarom vraagt. Het derde lid brengt tot uitdrukking dat de voorzitter in
                    het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg
                    pleegt in het presidium. Op deze wijze houdt het presidium invloed op de datum,
                    het tijdstip en de plaats van de vergadering, ook als vergaderingen niet op het
                    gebruikelijke tijdstip plaatsvinden.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 8</tussenkop><al>In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de
                    leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. Een schriftelijke
                    oproep behelst tevens een digitaal gestuurde uitnodiging. </al><al>Het bericht vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Het tweede
                    lid stelt verplicht dat de agenda en de daarbij behorende stukken,
                    tegelijkertijd met de oproep aan de leden worden verzonden. De in artikel 25,
                    eerste en tweede lid, Gemeentewet bedoelde stukken, zijn stukken ten aanzien
                    waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de
                    stukken.</al><al>Het presidium bepaalt hoe de agenda eruit komt te zien. Het versturen van de
                    agenda en stukken is geregeld in dit artikel. Dit is echter een voorlopige
                    agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk
                    zijn om 10 dagen voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht
                    heeft op de ‘waan’ van de dag. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na
                    het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en
                    stukken rondsturen. Dit kan echter niet tot op het laatste moment, maar tot
                    uiterlijk drie dagen voor de aanvang van de vergadering. Het tweede lid heeft
                    tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de
                    raadsagenda. Het derde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om
                    de raad van voldoende informatie te voorzien. Als de raad niet voldoende op de
                    hoogte is van de inhoud en strekking van een onderwerp, is het niet gewenst dat
                    de raad zich over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad
                    de mogelijkheid, het onderwerp naar een commissie te verwijzen of aan het
                    college nadere inlichtingen of advies te vragen. Het laatste lid regelt dat de
                    raad op verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter de volgorde van
                    behandeling van de agendapunten kan wijzigen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 10</tussenkop><al>Dit artikel is een nadere uitwerking van artikel 21, tweede lid, van de
                    Gemeentewet en voorziet in de mogelijkheid dat wethouders door de raad worden
                    uitgenodigd om aan de beraadslagingen deel te nemen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 11</tussenkop><al>Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19,
                    tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is
                    aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 12</tussenkop><al>De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel
                    20 Gemeentewet. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel
                    vast te stellen, dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om
                    het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet. De
                    griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom stelt
                    hij samen met de voorzitter de presentielijst vast en ondertekent deze. Deze
                    ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum
                    aanwezig was.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 13</tussenkop><al>De griffier is in elke vergadering aanwezig en heeft daarom een eigen zitplaats.
                    De voorzitter kan na overleg in het seniorenconvent de indeling herzien, indien
                    daartoe aanleiding bestaat. De wethouders zijn uitgenodigd om in de vergadering
                    aanwezig te zijn. Ook andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter
                    vergadering aanwezig te zijn. De voorzitter is de aangewezen persoon om voor een
                    zitplaats voor hen te zorgen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 14</tussenkop><al>De vergadering kan beginnen, als meer dan de helft van het aantal zitting
                    hebbende raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Artikel 20
                    van de Gemeentewet voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien
                    het vereiste aantal leden niet op komt dagen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 16</tussenkop><al>Derden hebben het recht om de vergadering toe te spreken over alle onderwerpen
                    die de gemeente met uitzondering van de onderwerpen zoals die in het
                    3<sup>e</sup> lid zijn benoemd alsmede de agenda, het verslag, de lijst
                    ingekomen stukken en dergelijke.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 17</tussenkop><al>Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop
                    het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In
                    de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting om een besluitenlijst
                    openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid Gemeentewet). Zoetermeer kiest voor
                    zowel de wettelijke verplichte besluitenlijst als voor een woordelijk verslag
                    (notulen). De notulen worden toegezonden aan de raadsleden, de voorzitter,
                    wethouders, griffier en gemeentesecretaris. De ontwerpbesluitenlijst wordt zeer
                    snel na de vergadering digitaal verstuurd aan de leden van de raad. De
                    besluitenlijst wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep verstuurd aan de
                    leden en overige personen die het woord gevoerd hebben. Omdat wethouders de
                    burgemeester, de griffier en de secretaris ook het woord kunnen voeren in de
                    vergadering, kunnen zij tevens een voorstel tot verandering van het verslag aan
                    de raad doen. Een voorstel tot verandering dient voorafgaand aan de vergadering
                    schriftelijk te worden ingediend. De griffier verleent de ambtelijke
                    ondersteuning van de raad. Daarom is de griffier aangewezen om voorstellen tot
                    wijzigingen van het verslag in ontvangst te nemen, het verslag op te stellen en
                    deze, tezamen met de voorzitter, te ondertekenen. Het is aan de raad om te
                    beslissen of een voorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt. Een
                    afwijzing van een dergelijk voorstel is niet vatbaar voor beroep (aldus de
                    Afdeling Rechtspraak van de Raad van State). Als de secretaris aanwezig is,
                    dient dit vermeld te worden in het verslag. Hetzelfde geldt voor
                    wethouders.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 18</tussenkop><al>Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken worden alleen voorstellen
                    gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming,
                    steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie,
                    doorsturen naar het college etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de
                    voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot
                    inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te
                    worden voorbereid. De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad
                    komen in principe ook bij de raad binnen. Deze worden wekelijks gebundeld en aan
                    de raad verzonden. Zij komen niet voor op de Lijst ingekomen stukken. Verder
                    bewaakt de voorzitter de orde van de vergadering. De raad stelt op voorstel van
                    het presidium de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. </al><tussenkop>Toelichting op artikel 19</tussenkop><al>Als de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig
                    is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de
                    voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen
                    aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de
                    raadsleden in de eerste en tweede termijn. Het stellen van vragen dient ook als
                    een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop
                    van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, niet zijnde een
                    stemverklaring, dient de voorzitter niet te honoreren. De beraadslaging over een
                    motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de
                    beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 20</tussenkop><al>De voorzitter doet de raad een voorstel tot het instellen van een
                    spreektijdregeling en de raad neemt een besluit. </al><tussenkop>Toelichting op artikel 21</tussenkop><al>Het eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn
                    interrupties toegestaan voor zover de voorzitter bij een overvloed aan
                    interrupties of in het belang van de voortgang van de beraadslagingen niet
                    bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te
                    bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te
                    uiten, is in artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte vervolgd
                    kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af te leggen
                    over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. Het tweede
                    lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook betrekking op de wethouders,
                    de secretaris, de griffier of andere personen, die het woord voeren. De
                    voorzitter kan hen tot de orde roepen. Indien zij hieraan geen gehoor geven, kan
                    hen het woord worden ontzegd. De bevoegdheid die in het tweede lid aan de
                    voorzitter wordt gegeven om een spreker over een aanhangig onderwerp het woord
                    te ontzeggen, gaat minder ver dan de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van
                    de Gemeentewet biedt om aan dat lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang
                    van zaken belemmert, de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De
                    laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter blijft echter onverlet. Artikel 21
                    is slechts een aanvulling op de Gemeentewet. Een besluit van de voorzitter om
                    iemand het woord te ontnemen is een op feitelijk handelen gerichte beslissing
                    met een intern karakter. Dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. (JB
                    9 (2002) 138). Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van
                    tekenen van goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen
                    van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune
                    wordt verwezen naar artikel 47 lid 2 van dit reglement.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 22</tussenkop><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet
                    geregelde verschoningsrecht. In artikel 10 van dit reglement heeft de raad
                    bepaald dat wethouders aan de beraadslagingen kunnen deelnemen. De burgemeester
                    heeft het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op
                    grond van artikel 21, eerste lid van de Gemeentewet. Daarnaast kan de raad
                    bepalen dat de griffier en de gemeentesecretaris kunnen deelnemen aan de
                    beraadslagingen.</al><al>In het tweede lid wordt het begrip ‘beslissing’ gebruikt. Het gaat hier namelijk
                    niet om het besluitbegrip in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 23</tussenkop><al>De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp
                    voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert
                    daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het
                    voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 24</tussenkop><al>Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van
                    een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen
                    worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden tot de stemming
                    begint.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 25</tussenkop><al>Als een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming
                    plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel
                    32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het
                    voorstel geacht te zijn aangenomen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van
                    stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet. In alle andere gevallen is een
                    raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in
                    principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in
                    zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers)
                    duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij wie de stemming begint, is
                    geregeld in artikel 15. In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002)
                    is het hoger beroep op artikel 28 Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling
                    wel geconcludeerd dat het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de
                    Algemene wet bestuursrecht omdat de schijn van belangenverstrengeling
                    onvoldoende was vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen
                    gerezen over de mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de
                    verantwoordelijkheden in gemeenteraden. In deze uitspraak geeft de Afdeling het
                    rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4 Awb voorrang boven hetgeen in artikel
                    28 Gemeentewet is bepaald. Over de mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseert
                    Minister Remkes in zijn beschouwing van 19 mei 2003: “de beslissing over
                    stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het individuele raadslid; bij
                    stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen besluit
                    wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of bij de
                    bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de Kroon
                    (artikel 268 Gemeentewet); de raad kan in dergelijke gevallen een belangrijke
                    rol spelen door in algemene zin te bespreken, hoe individuele raadsleden door
                    hun handelen de schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat
                    voorkomen kan worden (en dit bijv. opnemen in de gedragscode); uiteraard is de
                    gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens niet wenselijk.” Bij
                    staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van
                    toepassing. Als de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn
                    verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit
                    tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt
                    het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. </al><tussenkop>Toelichting op artikel 26</tussenkop><al>Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening
                    e.d.) wordt verwezen naar de artikelen 1, 30 en 31 van dit reglement. Voor alle
                    duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie
                    en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming
                    over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een
                    voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de
                    besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een
                    afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van
                    toepassing.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 27</tussenkop><al>Dit artikel gaat <cursief>niet </cursief>over het toelaten van raadsleden tot de
                    raad: hiervoor is een aparte regeling. </al><al>Het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming doormiddel van een
                    behoorlijk ingevuld stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt
                    als een behoorlijk ingevuld stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van
                    een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco
                    stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de
                    bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is
                    ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden
                    verstaan, is in de wet niet geregeld.</al><al>Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon (raadslid, wethouder) aan
                    in een bepaald ambt. Op het stembiljet wordt de naam van de te benoemen persoon
                    (of personen in geval van meerdere vacatures) met daarachter de opties ‘voor’ en
                    ‘tegen’ vermeld. Het gaat hier overigens niet over de benoeming tot raadslid,
                    dit is een heel ander soort benoeming dat in artikel 5 van dit reglement wordt
                    toegelicht. Onder voordracht wordt verstaan het als kandidaat voorstellen van
                    een persoon voor een bepaald ambt. Een voordracht is voor de raad bindend, op de
                    stembiljetten dienen de namen van de voorgedragen perso(o)n(en) te worden
                    vermeld met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’. Bij een aanbeveling wordt
                    voorgesteld om bepaalde personen voor een bepaald ambt voor te dragen, de raad
                    mag van de aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde vrije
                    stemming. Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen personen te
                    worden vermeld met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’ én een vrije ruimte
                    waar een kandidaat van eigen keuze kan worden ingevuld.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 29</tussenkop><al>In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van hetgeen in artikel 31,
                    derde lid van de Gemeentewet is voorgeschreven.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 30</tussenkop><al>Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit
                    artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in
                    het tweede tot en met het vierde lid. Op basis van artikel 147b van de
                    Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen. </al><tussenkop>Toelichting op artikel 32</tussenkop><al>De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van
                    een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder
                    beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel
                    niet aangenomen, (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop niet van toepassing).
                    Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor
                    een pauze. Als het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van
                    een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 34).</al><tussenkop>Toelichting op artikel 34</tussenkop><al>Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar
                    raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of
                    ontwerpbeslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht
                    van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit
                    uitgewerkt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de raad regelt op welke
                    wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld.
                    Het eerste tot en met het derde lid van artikel 34 voorzien hierin. In het
                    eerste lid is opgenomen dat een voorstel, om in behandeling te worden genomen,
                    schriftelijk bij de voorzitter moet worden ingediend. De vorm bij de indiening
                    is vrij maar om het te kunnen behandelen dient het format voor een raadsbesluit
                    gebruikt te worden. Dit kan in samenwerking met de griffie.</al><al>Artikel 147a, derde lid, bepaalt in tegenstelling tot artikel 147a, tweede lid,
                    dat voor andere initiatiefvoorstellen geen verplichte behandeling voorgeschreven
                    is. Dit betekent dat de raad (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het in
                    behandeling nemen van een ander initiatiefvoorstel. Het vierde lid geeft
                    hiervoor – in aanvulling op de eerste drie leden voorschriften. Het tweede lid
                    houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de
                    agenda plaatst, maar de voorzitter plaatst het voorstel echter niet meer op de
                    agenda, nadat de oproep verzonden is. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het
                    individuele raadslid om op grond van artikel 9, tweede lid, het
                    initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Aangezien het voor de hand
                    ligt om de raad tevens de mogelijkheid te geven om een initiatiefvoorstel
                    tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp te behandelen, is dit in
                    het derde lid opgenomen. Een initiatiefvoorstel hoeft formeel niet langs het
                    college, maar in geval het voorstel personele (en financiële) consequenties
                    heeft kan het raadzaam zijn het initiatiefvoorstel ook aan het college voor te
                    leggen voor advies. </al><tussenkop>Toelichting op artikel 35</tussenkop><al>Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. Dit artikel
                    bepaalt dat een voorstel, zodra het vermeld staat op de agenda van de raad, niet
                    door het college teruggenomen kan worden. De agenda wordt door het presidium
                    opgemaakt tegelijk met de agenda’s van de commissievergaderingen. De raad is de
                    enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel kan agenderen,
                    dan het college heeft voorbereid. Als de raad van oordeel is dat een voorstel
                    voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de
                    raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het
                    tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college
                    bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader
                    te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening
                    of ander voorstel, dan door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld
                    wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan
                    dit ook aan het presidium overlaten. </al><al>Als de commissie concludeert dat een voorstel niet besluitrijp is, doet het
                    presidium de raad een voorstel: </al><lijst><li nr="o"><al>om het stuk toch in de eerstkomende raadsvergadering te behandelen in
                            aangepaste vorm, of</al></li><li nr="o"><al>het stuk helemaal van de agenda te halen.</al></li></lijst><al>Het is dus niet de wethouder die het stuk ‘mee terugneemt naar het college’, of
                    intrekt. In de praktijk gebeurt het aanpassen van een voorstel of het van de
                    agenda afhalen van een stuk in goed overleg tussen commissie en wethouder(s). </al><tussenkop>Toelichting op artikel 36</tussenkop><al>Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155, tweede lid van de Gemeentewet.
                    Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het
                    gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over
                    een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester
                    te vragen. Daar is verlof van de raad voor nodig. Het onderwerp moet enige
                    politieke zwaarte en actualiteit hebben. Dit is ter beoordeling van de
                    gemeenteraad, die bij gewone meerderheid beslist over toelating van de
                    interpellatie. </al><tussenkop>Toelichting op artikel 37</tussenkop><al>Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen
                    over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester
                    behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking,
                    waarbij enige politieke relevantie gewenst is. Op grond van deze bepaling kan
                    een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al
                    naar gelang wie verantwoordelijk is. De verantwoordelijke portefeuillehouder
                    dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, als de beantwoording
                    niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het
                    verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het antwoord. De
                    raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de
                    burgemeester direct kan antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde
                    lid ingevoegd dat de raad anders kan beslissen. In de hier aangegeven procedure
                    wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het
                    antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de
                    vragensteller van mening is, dat de beantwoording van de vragen tot een besluit
                    van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het
                    interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de
                    raad te krijgen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 38</tussenkop><al>Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van de mondelinge vragen. Het
                    karakter van de mondelinge vragen verschilt van het recht van interpellatie. Het
                    recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter.
                    Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem
                    gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde
                    komt. Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor
                    het door hen gevoerde bestuur. In het derde lid is een aanmeldingstermijn voor
                    vragen opgenomen vanwege het feit dat wethouders moeten worden uitgenodigd om
                    antwoord te kunnen geven op de vragen van raadsleden.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 39</tussenkop><al>In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de
                    inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de
                    raad.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 42</tussenkop><al>Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of
                    de gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een
                    gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat
                    bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze,
                    waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn
                    zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de
                    gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de
                    informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten. In het eerste lid van
                    dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging (uiteraard
                    kan ook een ander moment worden gekozen). En wordt aangegeven dat bespreking in
                    een commissie kan plaatsvinden. Indien de gemeente geen commissies heeft kan
                    hier een ander daarvoor geëigend overlegorgaan worden opgenomen. In het tweede
                    lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen aangegeven,
                    overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 37. Het derde lid bevat de
                    procedure voor de ter verantwoording roeping, die aansluit bij de regels voor
                    inlichtingen. Het is zinvol de bepalingen van dit artikel ook van toepassing te
                    verklaren op andere organisaties, waarin de raad een of meer van zijn leden
                    heeft benoemd. Hierbij valt te denken aan privaatrechtelijke rechtspersonen en
                    vennootschappen, zoals een (raad van commissarissen van) een NV. Hierin voorziet
                    het vierde lid.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 43</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige
                    toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan
                    onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van
                    stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het
                    verslag. De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor
                    zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van
                    de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties
                    voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die
                    betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad
                    moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van
                    de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven. In artikel 23 van de
                    Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor ‘het sluiten van de
                    deuren’, de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 44</tussenkop><al>In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de
                    Gemeentewet. In overeenstemming met artikel 17 is de griffier verantwoordelijk
                    voor het verslag van de raadsvergadering. Dit geldt ook voor het verslag van een
                    besloten vergadering, dat niet openbaar wordt gemaakt, tenzij de raad anders
                    beslist. </al><tussenkop>Toelichting op artikel 45</tussenkop><al>Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van rechtswege
                    onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de procedure volgens
                    artikel 25 en artikel 55 van de Gemeentewet noodzakelijk.</al><al>In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de
                    geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se aan hem behoeven
                    te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86, tweede lid, van de
                    Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester geheimhouding heeft
                    opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de raadscommissie heeft overgelegd.
                    De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te heffen
                    (indien de burgemeester daar niet toe bereid is). In het onderhavige artikel is
                    nu ter zake een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan
                    het principe van hoor en wederhoor.</al><al>Op grond van artikel 55 Gemeentewet kan geheimhouding worden opgelegd door het
                    college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij
                    aan de raad of aan leden van de raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met
                    betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de raad de
                    oplegging niet in zijn eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst
                    door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt
                    bekrachtigd.</al><al>Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het
                    orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad
                    overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de
                    raad de geheimhouding wil opheffen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 46</tussenkop><al>In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de
                    geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se aan hem behoeven
                    te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86, tweede lid, van de
                    Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester geheimhouding heeft
                    opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de raadscommissie heeft overgelegd.
                    De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te heffen
                    (indien de burgemeester daar niet toe bereid is). In het onderhavige artikel is
                    nu ter zake een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan
                    het principe van hoor en wederhoor.</al><al>Op grond van artikel 55 Gemeentewet kan geheimhouding worden opgelegd door het
                    college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij
                    aan de raad of aan leden van de raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met
                    betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de raad de
                    oplegging niet in zijn eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst
                    door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt
                    bekrachtigd.</al><al>Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het
                    orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad
                    overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de
                    raad de geheimhouding wil opheffen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 47</tussenkop><al>De hier aangeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26, eerste
                    en tweede lid, van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de voorzitter van de
                    raad om toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding
                    in hun gedrag de toegang kan ontzeggen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 48</tussenkop><al>Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen
                    radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet
                    het geval als het een besloten vergadering betreft.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>