<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>322980_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente Dongen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-08-10</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente Dongen</dcterms:alternative><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentelijke informatiekrant, 14-10-10</dcterms:isFormatOf><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2015, nr. 73247</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued>2013-09-19</dcterms:issued><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source></owmsmantel><cvdr:cvdripm xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/"><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-08-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-07-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging i.v.m. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp></overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Diverse uitvoeringsbesluiten</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdr:cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente Dongen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder
                            begrepen de weg als bedoeld onder b;</al><al>b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                            Wegenverkeerswet 1994;</al><al>c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere
                            wijze toegankelijk zijn;</al><al>d. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen binnen de grenzen die zijn
                            vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 zijn
                            vastgesteld;</al><al>e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens
                            een zakelijk of persoonlijk recht;</al><al>f. bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening van de gemeente
                            Dongen daaronder wordt verstaan;</al><al>g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                            Woningwet;</al><al>h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten,
                            waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.</al><al>i. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een
                            besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
                            2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een
                            al verleende omgevingsvergunning;</al><al>j. college: het college van burgemeester en wethouders;</al><al>k. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere
                            wijze toegankelijk zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:10a, tweede
                                lid, 2:11 of 4:11.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in hetbelang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1</nr><titel>BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan,
                                    aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop
                                    van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te
                                    ontstaan of zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                    samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van
                                    politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen
                                    richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    ongeregeldheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2</nr><titel>BETOGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, waaronder begtrepen een samenkomst als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid van de wet op de openbare
                                    manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en
                                    ten minste 72 uur voordat de betoging wordt gehouden,
                                    schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;
                                            en</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaat vóór 12.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een
                                    kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3</nr><titel>VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassingop het huis-aan-huis
                                    verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven
                                    stukken en afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4</nr><titel>VERTONINGEN E.D. OP DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                    door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen
                                    openbare plaatsen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5</nr><titel>BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10a</nr><titel>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de openbare plaatsen in
                                    strijd met de publieke functie ervan </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats te gebruiken anders dan
                                    overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien degene die
                                    voornemens is dit te doen niet minimaal vier weken van te voren
                                    melding heeft gedaan aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verbiedt het beoogde gebruik:</al><lijst><li nr="a"><al>als het beoogde gebruik schade toebrengt of kan
                                            toebrengen aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor
                                            de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het
                                            doelamtig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering vormt of kan vormen voor het doelmatig
                                            beheer of onderhoud van de openbare plaats; </al></li><li nr="b."><al>als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand.</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen
                                            onroerende zaak.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder
                                    geval sprake wanneer niet enminste een vrije doorgang van 1.50 m
                                    wordt gelaten op voetpaden en van 3.50 m op de rijbaan voor
                                    fietsers of gemotoriseerd verkeer.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het colelge kan in het belang van de openbare orde of de woon-
                                    of leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het
                                    plaatsen van voorwerpen op de openbare weg.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j. of onder k. van de wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:</al><al>a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al><al>b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en</al><al>c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een
                                    vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken,
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of Verordening wegen
                                    Noord-Brabant 2010.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het vijfde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend:</al><al>a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                    activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                    beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereideingsbesluit.</al><al>b. door het college in de overige gevallen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                    opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke
                                    taken worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin
                                    wordt vorozien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, Verordening wegen Noord-Brabant 2010, de
                                    waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening gemeente Dongen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg te
                                    maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande
                                    uitweg naar de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van
                                    het bepaalde in artikel 1:5, niet persoonsgebonden doch heeft
                                    een zakelijk karakter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning
                                    slechts geweigerd:</al><al>a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;</al><al>b.indien de bruikbaarheid van de weg wordt aangetast;</al><al>c.indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een
                                    openbare parkeerplaats;</al><al>d. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare
                                    wijze wordt aangetast;</al><al> e. indien een perceel al door een andere uitweg wordt
                                    ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat
                                    van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken,
                                    de Waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>6</nr><titel>VEILIGHEID OP DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De winkelier die winkelwagentjes ter beschikking steltis
                                    verplicht deze </al><al>a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander
                                    herkenningsteken, en </al><al>b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de
                                    omgeving van dat bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een
                                    openbare plaats achter te laten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>17 Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan
                                    wel in duingebieden binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan:</al><al>a. te roken gedurende een door het college aangewezen
                                    periode;</al><al>b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                    voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                    liggen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
                                    onder 3 van het Wetboek van Strafrecht .</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden zijn voorts niet van toepassing voor het roken
                                    plaatsvindt in gebouwen of aangrezende erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                    meter boven dat gedeelte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad
                                    of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m
                                    uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte
                                    delen van een afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat
                                    artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19a</nr><titel>Gevaarlijk voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan
                                    gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen
                                    messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen
                                    kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die
                                    behoren tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en
                                    munitie en voor zover door het bij zich dragen van de
                                    voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, de openbare orde of
                                    veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                    Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden
                                    van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere
                                    objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan
                                    twee meter te plaatsen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de
                                    bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten
                                    die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                            beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                            verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in
                                            gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                            veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten
                                            te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige
                                            andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te
                                            belemmeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de
                                    Provinciale vaarwegenverordening Noord-Brabant.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>7</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bioscoopvoorstellingen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>markten als bedoeld in artikel 5:22 van deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet
                                    gelegenheid geven tot dansen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                    openbare manifestaties;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een braderie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3
                                    van deze verordening, op de weg;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                    weg;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein
                                    evenement).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een eendaags buurtgebonden klein
                                    evenement, indien:</al><al>a. het aanatal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100
                                    personen;</al><al>b. het evenement tussen 10.00 uur en 24.00 uur plaast
                                    vindt;</al><al>c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 10.00 uur of na
                                    23.00 uur;</al><al>d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad
                                    of anderszins een belemmereing vormt voor het verkeer en de
                                    hulpdiensten;</al><al>e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte
                                    van minder dan 10m<sup>2</sup> per object;</al><al>f. er een organisator is;</al><al>g. de organisastor ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het
                                    evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan binnen 5 dagen na ontvangst van de melding
                                    asl bedoeld in het tweedi lid, onder g besluiten een eendaags
                                    buurtgebonden klein evenement te verbieden, indien er aanleiding
                                    is te vermoeden dat door het evenement de openbare orde, de
                                    openbar veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is noet van toepassing op:</al><al>a. vechtsprotwedstrijden of - gala's, waaronder in ieder geval
                                    wordt begrepen kooigevechten, kickboksevenementen,
                                    freefightevenementen en daarmee vergelijkbare activiteiten en al
                                    dan niet in wedstrijdverband georganiseerde evenementen waarbij
                                    de menselijke waardigheid in het geding is;</al><al>b. evenementen waaraan op basis van professionle sportbeoefening
                                    wordt deelgenomen;</al><al>c. motortreffens, ride-outs en motorritten.</al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning naast de in artikel 1:8
                                    genoemde weigeringsgronden ook als:</al><al>a. de organisator of bij de organisatie betreokken perso(o)n(en)
                                    van een evenementen als bedoeld in het vierde lid, onder a van
                                    slecht levensgedrag zijn;</al><al>b. in het geval en onder voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van
                                    de wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                                    bestuur.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op
                                    of aan de weg, voor zover in het geregeld onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de vergunning paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26a</nr><titel>Evenementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door
                                    uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of
                                    wanordelijkheden te veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of
                                    andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een
                                    zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid
                                    in gevaar komt of kan komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die
                                    behoren tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en
                                    munitie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van
                                    ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de
                                    openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8</nr><titel>TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>openbare inrichting: </al><al>i. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                            snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;</al><al>ii elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten
                                            ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                            bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of
                                            drankenworden geschonken of rookwaren of spijzen voor
                                            directe consumptie worden verstrekt of bereid.</al></li><li nr="b."><al>terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare
                                            inrichting liggend deel daarvan waar sta- of
                                            zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                            vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen
                                            voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                                            verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de
                                    besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan
                                    waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                    vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor
                                    directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatievergunning openbare inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van
                                    de openbare inrichting in strijd is met het geldend
                                    bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester
                                    de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, indien
                                    naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
                                    leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de
                                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                                    beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich
                                    bevindt in:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor
                                    zover de activiteiten van de openbare inrichting een
                                    nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een zorginstelling;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een museum;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een bedrijfskantine of -restaurant;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling
                                    van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare
                                    inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van
                                    de Drank- en Horecawet, indien:</al><al>a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding
                                    van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld,
                                    overlast op straat of drugsgebruik en - handel hebben voorgedaan
                                    in of bij de inrichting dan wel</al><al>b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich
                                    weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28,
                                    tweede of derde lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident
                                    heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                    toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de
                                    vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28a</nr><titel>Opheffing vergunningplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan, al dan niet op verzoek, bepalen dat het
                                    gestelde in artikel 2:28 niet geldt voor een of meer in dat
                                    besluit aangeduide openbare inrichtingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitatie van een openbare inrichting waarop een besluit
                                    als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig
                                    geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                    van een openbare inrichting of de openbare orde niet op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed. De opheffing van
                                    de vergunningplicht wordt ingetrokken wanneer zich incidenten
                                    hebben voorgedaan waardoor de woon- en leefsituatie in de
                                    omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de exploitant verboden een openbare inrichting voor
                                    bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in een openbare
                                    inrichting te laten verblijven tussen 02.00 en 05.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de exploitant verboden een openbare inrichting, die
                                    geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor sociaal-culturele
                                    doeleinden (ontmoetings-, buurt- en jeugdcentra e.d.), voor
                                    bezoekers geopend te hebben, of in de openbare inrichting te
                                    laten verblijven tussen 01.00 uur en 05.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is de exploitant verboden een openbare inrichting behorende
                                    bij of op een sportveld c.q. –park/accommodatie
                                    (kantines/clubhuizen), voor bezoekers geopend te hebben, of
                                    bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven tussen
                                    24.00 en 05.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in de leden 1, 2
                                    en 3 genoemde tijden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, lid 4,
                                    onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de
                                    winkel.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in de leden 1, 2, 3 en 4 bepaalde is niet van toepassing in
                                    die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                    voorzien.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve bschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen
                                    tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende
                                    sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                    situaties waarin artikel artikel 13b van de Opiumwet
                                    voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting</titel></kop><al>Het is bezoekers verboden zich in een openbare inrichting te
                                bevinden gedurende de tijd dat de inrichting krachtens artikel 2:29
                                of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten
                                dient te zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel in openbare inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting
                                    enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze
                                    overdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting de orde te
                                verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                    gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                    Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan
                                    voor de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:31.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een openbare inrichting een inrichting is in de zin van
                                    artikel 174 van de Gemeentewet treedt het college op als bevoegd
                                    bestuursorgaan voor de toepassing van de artikelen 2:28 tot en
                                    met 2:31.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>9</nr><titel>TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN
                                NACHTVERBLIJF</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de
                                dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>10</nr><titel>TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor
                                    het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in
                                    een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                    geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                    inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op:</al><al>a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                    eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen vergunning is
                                    verleend;</al><al>b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de
                                    Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al><al>c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                    kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                    kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                    bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                    handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de
                                    kansspelen te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><al>a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon-
                                    en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed
                                    door de exploitatie van de speelgelegenheid;</al><al>b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is
                                    met een geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen; </al></li><li nr="b."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c, van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de Wet; </al></li><li nr="e."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e, van de Wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten
                                    toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kanspelautomaten niet
                                    toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>10A</nr><titel>TOEZICHT OP SMARTSHOPS, HEADSHOPS, BELSHOPS/BELWINKELS EN
                                INTERNETCAFÉS.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40a</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin
                                        bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of
                                        anders dan om niet handelingen en/of werkzaamheden worden
                                        verricht die zijn aan te merken als het exploiteren van
                                        hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als
                                        smartshop, headshop, belshop/belwinkel of internetcafé;</al></li><li nr="b."><al>exploitant: degene die een inrichting exploiteert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40b</nr><titel>Maximumstelsel</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het
                                maximale aantal inrichtingen, al dan niet categorisch.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40c</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning
                                    van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag om vergunning dient te geschieden met een door de
                                    burgemeester vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning wordt alleen aan natuurlijke personen
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant en
                                    kan niet worden overgedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40d</nr><titel>Gedragseisen</titel></kop><al>De exploitant van een inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                        ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, en</al></li><li nr="c."><al>heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40e</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden
                                geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de exploitant niet voldoet aan de in artikel 2:40d
                                        gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitant of beheerder binnen drie jaar voor de
                                        aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van
                                        (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde, dan
                                        wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is
                                        geweest;</al></li><li nr="c."><al>indien de vestiging of de exploitatie van de inrichting in
                                        strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                        stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al></li><li nr="d."><al>indien de vestiging of exploitatie strijd oplevert met de
                                        nadere regels als bedoeld in artikel 2:40b;</al></li><li nr="e."><al>indien naar het oordeel van de burgemeester moet worden
                                        aangenomen dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van
                                        de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                                        nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de
                                        inrichting;</al></li><li nr="f."><al>indien de inrichting binnen een straal van 250 meter van
                                        gevoelige objecten zoals scholen, buurthuizen of
                                        jongerencentra gevestigd is;</al></li><li nr="g."><al>in het geval en onder voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van
                                        de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
                                        openbaar bestuur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40f</nr><titel>Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</titel></kop><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere
                                omstandigheden, ter zijner beoordeling, voor één of meer
                                inrichtingen, tijdelijk andere dan de voor de betreffende
                                inrichting(en) geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijke
                                sluiting bevelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40g</nr><titel>Sluiting</titel></kop><al>De burgemeester kan een inrichting, al dan niet voor een bepaalde
                                termijn, gesloten verklaren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant handelt in strijd met het bepaalde in de
                                        artikelen 2:40c, eerste lid, of 2:40d, onder a en b;</al></li><li nr="b."><al>de exploitant handelt in strijd met de aan de vergunning
                                        verbonden voorschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40h</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge
                                    de reguliere sluitingstijden of krachtens een op grond van
                                    artikel 2:40f dan wel 2:40g genomen besluit voor bezoekers
                                    gesloten dient te zijn, zich als bezoeker daarin te
                                    bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de exploitant verboden gedurende de tijd dat een
                                    inrichting ingevolge de reguliere sluitingstijden, of krachtens
                                    een op grond van artikel 2:40f dan 2:40g genomen besluit voor
                                    bezoekers gesloten dient te zijn, de inrichting voor bezoekers
                                    geopend te hebben of daarin één of meer bezoekers toe te laten
                                    of te laten verblijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40i</nr><titel>Intrekking vergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning
                                ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitatie van de inrichting door een andere dan de in
                                        de vergunning genoemde houder wordt overgenomen;</al></li><li nr="b."><al>de exploitant niet meer voldoet aan de in artikel 2:40d,
                                        onder a en b gestelde eisen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40j</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de exploitant van een in bedrijf zijnde inrichting wordt
                                    geacht een tijdelijke vergunning voor die inrichting te zijn
                                    afgegeven voor de duur van zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt door de exploitant van een inrichting als bedoeld in het
                                    eerste lid binnen een termijn van zes maanden de ingevolge
                                    artikel 2:40c vereiste vergunning aangevraagd, dan wordt de
                                    tijdelijke vergunning als bedoeld in het eerste lid geacht te
                                    zijn verlengd tot het tijdstip waarop door het bevoegd orgaan op
                                    de aanvraag is beslist.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>11</nr><titel>MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier
                                    aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden
                                    noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet,
                                    aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben zoals lopers, valse sleutels,
                                    touwladders, lantaanrs of enig ander gereedschap, voorwerp of
                                    middel dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een
                                    gebouw of erf te vrschaffen, onrechtmatig sluitingen openen of
                                    te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkleijken
                                    of het maken van sporen te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerstel lid gestelde verbode is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in het eerste
                                    lid bedoelde voorwerpen niet bestemd zijn voor de in het eerste
                                    lid bedoelde handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44a Bezit hulpmiddelen voor winkeldiefstal</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van
                                    winkels te vervoeren of zij zich te hebben voorwerpen, die
                                    kennelijk zijn bedoeld om het plegen van winkeldiefstal te
                                    vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het vorige lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid
                                    bedoelde voorwerpen niet bestemd zijn voor de in dat lid
                                    bedoelde handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder
                                    ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de
                                    gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen,
                                    plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin
                                    gelegen wegen of paden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                    rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant
                                    van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs
                                    wordt vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het
                                    Verordening wegen Noord-Brabant 2010.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                    overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig,
                                    hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor
                                    niet bestemd straatmeubilair;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan
                                    bewoners van nabij die openbare plaatsen gelegen woningen
                                    onnodig overlast of hinder berokkent.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 424 , 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:47a Verplichte route</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen
                                    verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem
                                    aangewezen route af te wijken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te
                                    nuttigen of aangebroeken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een andere plaats dan een horecabedrijf, als bedoeld onder a,
                                    waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank-
                                    en Horecawet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                    houden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                    drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouw,
                                    appartementsgebouw of soortgelijke meergezinswoning of van
                                    gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder
                                    redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik
                                    bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten</label></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te bezigen
                                voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is
                                bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen,
                                telfooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer,
                                parkeergarages en rijwilestallingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50a</nr><titel>Vermommingen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich gemaskerd, vermomd of op andere wijze
                                    onherkenbaar gemaakt, op of aan de weg of op een voor publiek
                                    toegankelijke plaats te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die zich heeft gemaskerd, vermomd of op anderew ijze
                                    onherkenbaar heeft gemaakt is verplicht op eerste vordering van
                                    een daartoe bevoegd persoon zich onmiddellijk van ontmaskering
                                    te ontdoen of zich op andere wijze duidelijk herkenbaar te
                                    maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</label></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.</label></kop><al>Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de
                                burgemeester zijn aangewezen zich met een fiets of bromfiets te
                                bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen
                                terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod
                                kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:53 Bespieden van personen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                    gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                    bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                    woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te
                                    bespieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                    optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of
                                    woonschip bevindende persoon te bespieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren</label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:56 Alarminstallaties</label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:57 Loslopende honden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is
                                    aangelijnd;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een
                                    andere door het college aangewezen plaats;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op de weg indien de hond niet is voorzien van een halsband of
                                    een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk
                                    doet kennen</al><al></al><al>d. binnen en buiten de bebouwde kom op de ecologische
                                    verbindingszone zonder dat die hond aangelijnd is.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod in het eerste
                                    lid aanhef en onder a, niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid aanhef onder a en b zijn
                                    niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond zich
                                    vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond
                                    laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd
                                    opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op een andere door het college aangewezen plaats;</al><al></al><al>d. op de ecologische verbindingszone.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
                                    worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder
                                    van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
                                    of sociale hulphond laat begeleiden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het gestelde in de leden 1 en 2 geldt niet voor de aangewezen
                                    losloopplaatsen als bedoeld in artikel 2:57, lid 2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of terren van een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of de houder verplicht
                                    is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1.50 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:</al><al>a. vervaardigd is van een stevige kunststof, van stevig leer of
                                    van beide stoffen;</al><al>b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals
                                    is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet
                                    mogelijk is; en</al><al>c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                    afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek
                                    toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig
                                    zijn.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, erste lid, onder c,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of
                                    opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid
                                    verboden is daarbij aangeduide dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben, of</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door het college gestelde regels;</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven; of</al><al>d. te voeren</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel
                                    aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                    college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een
                                    groter aantal dan door het college is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                    verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:61 Wilde dieren</label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:62 Loslopend vee</label></kop><al>De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dierenof varkens
                                (vee)die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van
                                de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht
                                ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit
                                vee die weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:63 Duiven</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die
                                    duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in
                                    een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart
                                    en 1 juni.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van hgenodt in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de provinciale ophokverordening.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:64 Bijen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere
                                    gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen een afstand van dertig meter van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in et eerste lid is niet van toepassing indien op een
                                    afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                    afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
                                    als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod is
                                    niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op
                                    de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod is
                                    niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de
                                    provinciale wegenverordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing
                                    verlenen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:65 Bedelarij</label></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>12</nr><titel>BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a. handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene
                                maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het
                                Wetboek van Strafrecht;</al><al>b. verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op
                                andere wijze ovedragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen
                                door de handelaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar of een voorhem handelend persoon is verplicht
                                    aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen
                                    die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een
                                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt
                                    register en daarin vermeldt hij onverwijld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover
                                    dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                                    van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="1."><al>wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 473ter,
                                        tweede lid, van het Wetboek van strafrecht, de burgemeester
                                        of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in
                                        kennis te stellen dat hij van het opkopen een beroep of
                                        gewoonte maakt, waarbij hij tevens schriftelijk opgave doet
                                        van zijn woonadres en van het volledig adres van elke
                                        lokaliteit welke door hem ten behoeve van zijn onderneming
                                        in gebruik is genomen;</al></li><li nr="2."><al>de onder a bedoelde ambtenaar onder aanbieding van zijn
                                        register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie
                                        dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een bij hem ten
                                        behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;
                                    </al></li><li nr="3."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                        gevestigd een kenteken te hebben aangebracht waarop zijn
                                        naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn
                                        vermeld;</al></li><li nr="4."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
                                        waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van enig
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a
                                        bedoelde ambtenaar;</al></li></lijst><al>e. wanneer hij is opgehouden met het opkopen van goederen een beroep
                                of </al><al> gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van opkoper niet
                                langer</al><al> uitoefent, de onder a bedoelde ambtenaar hiervan onverwijld doch in
                                ieder geval</al><al>binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf werkdagen dat
                                het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige
                                wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging niet van invloed is
                                op de herkenbaarheid van het goed.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>(zie artikel 2:32)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf
                                    is of zal worden gevestigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74a</nr><titel>Openlijk drugsgebruik op of aan de weg</titel></kop><al>Het is verboden, op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke
                                plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als
                                bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te
                                dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve
                                van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>15</nr><titel>BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN
                                CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de
                                Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem
                                aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats
                                indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:10, 2:11,
                                2:16, 2:19, 2:19a, 2:26a, 2:47, 2:47a, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 en
                                5:34 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente
                                Dongen groepsgewijs niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de
                                Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid
                                van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan,
                                een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek
                                openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke
                                    openbare plaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:78</nr><titel>Gebiedsontzeggingen</titel></kop><al>1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het
                                voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van
                                aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van
                                personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een
                                persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende
                                handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48
                                uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een
                                openbare plaats op te houden.</al><al>2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de
                                burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als
                                bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw openbare orde
                                verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten
                                hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de
                                gemeente op een openbare plaats op te houden.</al><al>3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als
                                de openbare orde</al><al> verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een
                                eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid,
                                plaatsvindt.</al><al>4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde
                                bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden
                                van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op
                                aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. </al><al></al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2
                                        van deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
                                        wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de openbare orde en de bealngen genoemd in artikel
                                3:13 geno, tweede lid kan het college over dnadere regels stellen
                                met betrekking to de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit
                                hoofdstuk.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSWINKELS EN
                                DERGELIJKE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de persoonsgegevens van de beheerder, en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>staan niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke
                                    macht of de voogdij;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste, zijn de exploitant en
                                    de beheerder niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                    in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                    artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking
                                    gesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                    onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                    rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen
                                    Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curacao en Sint Maarten,
                                    dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor
                                    naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis
                                    ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                    Strafvordering is toegelaten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                    417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>de artikelen 8 en 162, derde lid , alsmede artikel 6 juncto
                                    artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>de artikelen 1, onder a, b en d 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                    de kansspelen; </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                    tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel
                                    76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro
                                    bedraagt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                    van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van de intrekking van deze vergunning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem ter zake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    tussen 02.00 en 10.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift
                                    als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor
                                    zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de
                                    op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de openbare orde en belangen genoemd in artikel
                                    3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid
                                    met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd
                                    bestuursorgaan:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                            tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de expoitant of de beheerder bedoeld in
                                    artikel 3:4, tweede lid onder a of b in de seksinrichting
                                    aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting:</al><al>a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval
                                    de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden),
                                    XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX
                                    (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede
                                    Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet
                                    wapens en munitie, en</al><al>b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd
                                    met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen
                                            of gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                            tijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in
                                    artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door
                                    politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en
                                    gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden
                                    gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en belangen
                                    genoemd in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen
                                    aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in
                                    het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde
                                    termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te
                                    bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het
                                    eerste lid onder b.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid
                                    genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke
                                    omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                    bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                    aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    in gevaar brengt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                    het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    gestelde regels.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod bedoeld in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                    toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van
                                    goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                    stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van
                                    gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
                                    de Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3</nr><titel>BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijkzing van het bepaalde in artikel1:2, eerste lid,
                                    beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de
                                    dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5
                                    gestelde eisen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                    beheersverordening, exploitatieplan, voorberedingsbesluit,
                                    stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
                                    met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij
                                    of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven
                                    kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de
                                    aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid,
                                    achterwege gelaten in het belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                    leefklimaat;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning kan voorts worden geweigerd in het geval en onder
                                    voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
                                    integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4</nr><titel>BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig 3:4
                                    op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of van het
                                    escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant
                                    daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5</nr><titel>OVERGANGSBEPALING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het exploiteren van een bestaande seksinrichting of
                                    escortbedrijf is het gestelde in artikel 3:4, eerste lid, niet
                                    van toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>gedurende 4 weken na het in werking treden daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant
                                    binnen deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag
                                    door het bevoegd bestuursorgaan een besluit is genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd
                                    bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid,
                                    genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen van
                                    in die aanschrijving vermelde voorzieningen.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1</nr><titel>GELUIDHINDER EN VERLICHTING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit gelden niet voor door het college per
                                    kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende
                                    de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer van de volgende delen: te weten Dongen, Klein Dongen en
                                    Dongen-Vaart en ’s Gravenmoer.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr.LT veroorzaakt
                                    door de inrichting, bedraagt gemeten op de gevel van gevoelige
                                    gebouwen op een hoogte van 1,5 meter:</al><lijst><li nr="·"><al>niet meer dan 65 dB(A) in de uren tussen 07.00 en 19.00
                                            uur;</al></li><li nr="."><al>niet meer dan 55 dB(A) in de uren tussen 19.00 en 01.30
                                            uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk
                                    een halfuur voor de in artikel 2:29 vastgestelde sluitingstijd
                                    te worden beëindigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de
                                    inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                    festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 4
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    4.113, eerste lid, van het Besluit, niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr.LT veroorzaakt
                                    door de inrichting bedraagt gemeten op de gevel van
                                    geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter:</al><lijst><li nr="·"><al>niet meer dan 65 dB(A) in de uren tussen 07.00 en 19.00
                                            uur;</al></li><li nr="."><al>niet meer dan 55 dB(A) in de uren tussen 19.00 en 01.30
                                            uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk
                                    een halfuur voor de in artikel 2:29 vastgestelde sluitingstijd
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten</label></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</label><label></label></kop><al></al><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in
                                    werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige
                                    wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder
                                    wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de
                                    Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit
                                    of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:6a Geluidhinder door dieren</label></kop><al></al><al>Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                                de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een
                                omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder
                                veroorzaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:6b Geluidhinder door bromfietsen e.d.</label></kop><al></al><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te
                                gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de
                                omgeving geluidhinder ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:6c Geluidhinder door vrachtauto's</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder a,
                                    van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens op zodanige
                                    wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of
                                    overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                    verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4:6d Routering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer met een vrachtauto, als bedoeld in artikel 4:6c,
                                    waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer
                                    bedraagt dan 3.500 kg of die met inbegrip van de lading een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2
                                    meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het
                                    college bij openbaar bekend te maken besluit aangewezen weg te
                                    rijden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                    verlenen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2</nr><titel>BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3</nr><titel>HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer
                                            bomen;</al></li><li nr="b."><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld,
                                            opnieuw op de stronk uitlopen;</al><al>c. dunning: velling te bevordering van het voortbestaan
                                            van de houtopstand;</al><al>d. knotten: periodiek geheel of gedeeltelijk verwijderen
                                            van uitgelopen takhout tot op de oude snoeiplaats;</al><al>e. kandelaberen: het uitdunnen van de kroon van een
                                            boom, waarbij de resterende takken tot ongeveer de helft
                                            van hun lengte wordt teruggesnoeid, met dien verstande
                                            dat, het in stand houden van door kandelaberen onstane
                                            kroonvorm onder het begrip knotten valt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben en het voor de eerste keer
                                    knotten, kandelaberen van een houtopstand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag
                                    houtopstand te vellen of te doen vellen die, gemeten op 1.30
                                    meter hoogte vanaf het maaiveld langs de stam, een stamomtrek
                                    van 100 centimeter of meer heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor houtopstand die
                                    is aangeplant en geregistreerd in het kader van de nota Project
                                    Particulier Landschapsbeheer, mits gehele of gedeeltelijke
                                    verwijdering daarvan vooraf schriftelijk wordt gemeld bij het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is tevens van toepassing voor
                                    houtopstand dat eigendom is van de gemeente.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en derde lid is niet van toepassing
                                    voor houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld of
                                    moet worden geveld waneer deze reeds is afgestorven of in een
                                    zodanige toestand verkeert dat deze direct gevaar oplevert voor
                                    de omgeving.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd
                                    op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                            dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te
                                    stellen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van
                                    het bepaalde in artikel 1:5, niet persoonsgebonden doch heeft
                                    een zakelijk karakter.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Vergunning van rechtswege</titel></kop><al>Vervallen</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12a</nr><titel>Herplant-/instandhoudingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    college is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan, kan het
                                    college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de
                                    houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot
                                    het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting
                                    opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door het college te
                                    geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan
                                    wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van
                                    de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene
                                    die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd
                                    is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het
                                    college te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen
                                    termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
                                    weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en
                                    met het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is
                                    verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12b</nr><titel>Afstand van de erfgrens</titel></kop><al>De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek
                                wordt vastgesteld op 0.5 meter voor bomen en nihil voor heesters en
                                heggen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4</nr><titel>MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel ter voorkoming van schadeaan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin
                                    van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de
                                    volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien krachtens door de Wet ruimtelijke ordening of door of
                                    krachtens, de Milieuverordening Noord-Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                    maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging
                                    of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of
                                    ernstige hinder ontstaat voor de omgeving</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toeapssing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningsplicht lichtreclame</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5</nr><titel>KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning in de zin van artikel
                                2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel
                                gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:</al><al>a. de bescherming van natuur en landschap;</al><al>b. de bescherming van een stadsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming
                                    van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en
                                    b.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label></label><nr></nr><titel></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a.voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het
                                Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met
                                uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en
                                rolstoelen;</al><al>b.parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het
                                Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde
                                            lid bedoelde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 25 meter met als middelpunt een van
                                            deze voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                    plaatsen of te hebben;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit
                                    naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Verordening wegen Noord-Brabant 2010 of de Landschapsverordening
                                    Noord-Brabant.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                                    campers, kampeerauto's, caravans en kampeerwagens, voor zover
                                    deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                    de weg worden geplaatst of gehouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of
                                    plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                    groenstrook of het daarin te doen of te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of
                                    vanwege de overheid;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                    terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het
                                belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                gezondheid verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de
                                daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2</nr><titel>COLLECTEREN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3</nr><titel>VENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het aan huis afleveren van goederen in het kader van de
                                    exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Winkeltijdenwet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als
                                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van deGemeentewet
                                    of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in
                                    artikel 5:17.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten:</al><al>a. op door het college in het belang van de openbare orde aan te
                                    wijzen openbare plaatsen;</al><al>b. op door het college in het belang van de openbare orde
                                    aangewezen dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing
                                    op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, geldt niet
                                    voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is venten van
                                    gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de
                                    Grondwet verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen, of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op door het colelge aangewezen dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4</nr><titel>STANDPLAATSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                    diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen,
                                    zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                    Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                    2:24.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met
                                    de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                    of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is
                                    dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats
                                    voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau
                                    voor de consument ter plaatse in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid, is neit van toepassing
                                    op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale
                                    wegenverordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt
                                    niet voor bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5</nr><titel>SNUFFELMARKTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid,
                                    aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>6</nr><titel>OPENBAAR WATER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de
                                    Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale
                                    vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                    gemeente;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening
                                    Noord-Brabant of de Landschapsverordening Noord-Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebrui van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                    gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening
                                    Noord-Brabant of de Landschapsverordening Noord-Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening
                                    Noord-Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement,
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening Noord-Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>7</nr><titel>CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN
                                NATUURGEBIEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31a Begripsbepalingen</nr></kop><lid><lidnr></lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>- motorvoertuig: hetgeen daardoor wordt verstaan in artikel 1,
                                    onder z, van het Reglement verkeerregels en verkeerstekens
                                    1990;</al><al>- bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                    eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarop het verbod niet van
                                    toepassing is. Het college kan daarbij regels stellen voor het
                                    gebruik van deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                            het publiek.</al></li></lijst><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig,een bromfiets, een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste
                                    lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij
                                    regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze
                                    terreinen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van natuur- of
                                    milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid niet van toepassing op
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde
                                    minister aangewezen hulpverleningsdiensten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen
                                    die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid
                                    bedoeld;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                    de onder d bedoelde personen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van
                                    toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde
                                    gebieden of terreinen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                    'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                    motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                    aangewezen als 'toestel'.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8</nr><titel>VERBOD VUUR TE STOKEN; VERBOD CARBID TE SCHIETEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                    afvalstoffen worden verbrand;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar,
                                    overlast of hinder voor de omgeving oplevert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening
                                    Noord-Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34a</nr><titel>Verbod carbid te schieten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen
                                    calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met
                                    vergelijkbare eigenschappen, op explosieve wijze te
                                    verbranden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan onder voorwaarden ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod voor locaties binnen de bebouwde
                                    kom.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor locaties
                                    buiten de bebouwde kom indien:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik wordt gemaakt van vaten met een inhoud van
                                            maximaal 50 liter, en</al></li><li nr="b."><al>de vaten zijn afgesloten met zacht materiaal (plastic
                                            bal of zak), en</al></li><li nr="c."><al>het vrije schootsveld minimaal 75 meter is en hierin
                                            geen openbare wegen of paden liggen, en</al></li><li nr="d."><al>het gebruik plaatsvindt op 31 december tussen 18.00 uur
                                            en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar,
                                            en</al></li><li nr="e."><al>geschoten wordt in een richting die is afgewend van
                                            woonbebouwing, en</al></li><li nr="f."><al>de betreffende locatie is gelegen op een afstand van
                                            tenminste:</al><lijst><li nr="·"><al>75 meter van woonbebouwing, en</al></li><li nr="·"><al>300 meter van inrichtingen voor intramurale
                                                  zorg, en</al></li><li nr="·"><al>300 meter van inrichtingen waar dieren worden
                                                  gehouden;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>het schietterrein duidelijk wordt afgezet met linten of
                                            ander vergelijkbaar materiaal.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of
                                    in het belang van de natuurbescherming plaatsen aanwijzen waar
                                    het gestelde in het tweede en derde lid niet van toepassing
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke
                                    stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wet van
                                    Strafrecht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>9</nr><titel>VERSTROOIING VAN AS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verharde delen van de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de gemeentelijke begraafplaatsen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, speelweide of zandbak.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op
                            grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van
                            de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking
                            van de rechtelijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn, naast de in artikel 141 van het wetboek van
                                strafvordering genoemde opsporingsambtenaren belast, de als
                                buitengewoon opsporingsambtenaar of -ambtenaren, beëdigde ambtenaren
                                zoals bedoeld in artike 142 van hety wetboek van
                                Strafvordering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente Dongen
                                (vastgesteld op 10 december 2009) wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop
                                zij is bekendgemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent,
                            gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening
                            (APV) voor de gemeente Dongen.</al><al></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>UITVOERINGSBESLUITEN</label></kop><al><vet><onderstreept>Opheffen vergunningplicht exploitatie
                            horecabedrijf</onderstreept>.</vet></al><al>DE BURGEMEESTER VAN DONGEN,</al><al>maakt, gelet op het Convenant Veilig Uitgaan Dongen, bekend, dat zij bij besluit
                    van 5 augustus 2015 op grond van artikel 2:28a, lid 1, van de Algemene
                    Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente Dongen heeft besloten dat de in
                    artikel 2:28 van deze verordening vervatte vergunningplicht niet geldt voor de
                    openbare inrichtingen, welke zijn gevestigd in de volgende panden:</al><al>Alexanderstraat 3, Bas Dongen 6, Deken Batenburgstraat 2, Deken Batenburgstraat
                    2b, Deken Batenburgstraat 2c, Belgiëlaan 2a, Crispijnhof 8, </al><al>Doelstraat 10, Doelstraat 16, Dongepark 1, Eindsestraat 2, Europaplein 55,
                    Gasthuisstraat 3, Gemeentenweg 95, Gerardus Majellastraat 3, Hertog Janstraat
                    32, Hertog Janstraat 41, Hof 33, Hoge Ham 45, Hoge Ham 59, Hoge Ham 105, Hoge
                    Ham 124, Hoge Ham 126, Hoge Ham 139, Sint Josephstraat 52, Sint Josephstraat 62,
                    Sint Josephstraat 63<sup>z</sup>, Sint Josephstraat 107, Sint Josephstraat 187,
                    Julianastraat 8, Kanaalstraat 10, Kardinaal van Rossumstraat 65, Kerkstraat 33,
                    Kerkstraat 43, Looiersplein 45, Looiersplein 50-52, Meester Janssenweg 44a,
                    Moersedreef 10, Otterdonk 22a, Procureurweg 2, Rembrandtstraat 3,
                    Rembrandtstraat 69, De Schacht 5, Sportlaan 4, Tramstraat 42, Tramstraat 60,
                    Tramstraat 66, Vaartweg 87a, Vaartweg 112, Vaartweg 137, Vaartweg 192a,
                    Wilhelminastraat 1, Wilhelminastraat 74c, Zandeweg 2, Hoofdstraat 4, Hoofdstraat
                    71c, Hoofdstraat 75, Hoofdstraat 91, Molendijk 24, Wielstraat 29a, Wielstraat
                    29b en Dokter Koekkoeklaan 12b.</al><al>Dit besluit treedt in werking op 14 augustus 2015.</al><al>Dongen, 5 augustus 2015.</al><al>DE BURGEMEESTER VAN DONGEN,</al><al></al><al><vet><onderstreept>OVERLAST VAN FIETS OF BROMFIETS OP MARKT- EN
                            KERMISTERREIN</onderstreept>.</vet></al><al>burgemeester en wethouders van Dongen,</al><al>maken bekend, dat zij bij besluit van 5 augustus 2015 op grond van artikel 2:52
                    van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente Dongen hebben
                    besloten dat het verboden is zich:</al><al>·op de dag waarop de weekmarkt wordt gehouden na 13.00 en vóór 16.30 uur met een
                    fiets of bromfietsop het marktterein voort te bewegen</al><al>en</al><al>·op de dagen waarop de kermis wordt gehouden na 13.30 uur en vóór 24.00 uur,met
                    een fiets of bromfiets op het kermisterrein te bevinden c.q. voort te
                    bewegen.</al><al>Dit besluit treedt in werking op 14 augustus 2015.</al><al>Dongen, 5 augustus 2015.</al><al>BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DONGEN,</al><al>De secretaris, De burgemeester,</al><al></al><al><vet><onderstreept> AANWIJZING LOSLOOPPLAATSEN</onderstreept>.</vet></al><al>BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DONGEN,</al><al>maken bekend dat zij bij besluit van 5 augustus 2015 op grond van artikel 2:57,
                    lid 2, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente Dongen
                    hebben besloten de hieronder genoemde locaties aan te wijzen als plaats waar
                    binnen de bebouwde kom honden mogen loslopen.</al><al>De losloopplaatsen zijn in het terrein door hagen omgeven en door middel van
                    borden als zodanig herkenbaar.</al><al>De plaatsen liggen op de volgende locaties:</al><lijst><li nr="·"><al>Asterstraat;</al></li><li nr="·"><al>Ruysdaelstraat;</al></li><li nr="·"><al>Jagersveld;</al></li><li nr="·"><al>Hazendonk;</al></li><li nr="·"><al>Berlagestraat;</al></li><li nr="·"><al>Europaplein (achter Pauluskerk);</al></li><li nr="·"><al>Emmastraat;</al></li><li nr="·"><al>Oude Baan (nabij kanovijver);</al></li><li nr="·"><al>hoek Hoge Ham/Biezen</al></li><li nr="·"><al>’t Bieslant.</al></li><li nr="·"><al>Plan Molenweide</al><al>Beljaart-Buiten</al></li></lijst><al>Dit besluit treedt in werking op 14 augustus 2015.</al><al>Dongen, 5 augustus 2015.</al><al>BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DONGEN,</al><al>De secretaris, De burgemeester,</al><al></al><al><vet><onderstreept>Verontreiniging door honden</onderstreept>.</vet></al><al>BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DONGEN,</al><al>maken bekend, dat zij bij besluit van 5 augustus 2015 op grond van artikel 2:58,
                    lid 1, onder c, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente
                    Dongen hebben besloten dat de eigenaar of houder van een hond verplicht is
                    ervoor te zorgen dat die hond zich, naast de op de onder a en b van lid 1 reeds
                    aangewezen plaatsen, niet van uitwerpselen ontdoet op de in Dongen aanwezige
                    sportvelden.</al><al>Dit besluit treedt in werk14 augustus 2015.</al><al>Dongen, 5 augustus 2015.</al><al>BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DONGEN,</al><al>De secretaris, De burgemeester,</al><al></al><al><vet><onderstreept>Parkeren van grote voertuigen</onderstreept>.</vet></al><al>BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DONGEN,</al><al>maken bekend, dat zij bij besluit van 5 augustus 2015 op grond van artikel 5:8,
                    lid 1, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente Dongen
                    hebben besloten de gehele bebouwde kom van Dongen aan te wijzen als plaats waar
                    het verboden is een voertuig en/of aanhanger te parkeren die, met inbegrip van
                    de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                    meter.</al><al>Bij dit besluit is eveneens bepaald dat dit verbod niet geldt op:</al><al>1</al><lijst><li nr="·"><al>de voormalige loswal aan het Wilhelminakanaal;</al></li><li nr="·"><al>de wegen gelegen op het industrieterrein Tichelrijt;</al></li><li nr="·"><al>het parkeerterrein van sportpark Het Wiel.</al></li></lijst><al>2</al><lijst><li nr="·"><al>de daartoe ingerichte vakken op het parkeerterrein gelegen aan de
                            achterzijde van het aan de Belgiëlaan nr. 2 gelegen Sportcomplex De
                            Salamander;</al></li><li nr="·"><al>het parkeerterrein gelegen nabij de rotonde Mgr. Nolenslaan/Vennen;</al></li><li nr="·"><al>het parkeerterrein nabij de sportzaal aan de Schoolstraat;</al></li><li nr="·"><al>het parkeerterrein gelegen aan de Sluisweg (noordzijde) hoek Hoge
                            Ham;</al></li><li nr="·"><al>het rechtergedeelte van het parkeerterrein bij het tennispark, gelegen
                            aan de Procureurweg,gedurende feestdagen en de zater- en zondag, alsmede
                            op maandag tot en met vrijdag van 17.00 tot 07.00 uur en met dien
                            verstande dat het aantal te parkeren voertuigen langer dan 6 meter of
                            hoger dan 2,4 meter maximaal 3 bedraagt en alleen betrekking heeft op
                            trekkers.</al></li></lijst><al>Dit besluit treedt in werking op 14 augustus 2015.</al><al>Dongen, 5 augustus 2015.</al><al>BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DONGEN,</al><al>De secretaris, De burgemeester,</al><al></al><al><onderstreept><vet>VENTVERBOD</vet></onderstreept></al><al>BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DONGEN</al><al>maken bekend dat zij bij besluit van d.d. 5 augustus 2015 op grond van artikel
                    5:15, lid 1, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente
                    Dongen hebben besloten dat het op zondag tot en met zaterdag tussen 21.00 uur en
                    09.00 uur verboden is te venten in de gemeente Dongen en dat op zondag in de
                    kern 's Gravenmoer niet mag worden gevent.</al><al>Dit besluit treedt in werking op de achtste dag na bekendmaking. </al><al>Dongen, 5 augustus 2015.</al><al>De secretaris, De burgemeester,</al><al></al><al><onderstreept><vet>ROOKVERBOD</vet></onderstreept></al><al>BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DONGEN</al><al>gelet op artikel 2:18 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de
                    gemeente Dongen</al><al>(rookverbod in bossen en natuurgebieden);</al><al>gezien de code van het risico voor het ontstaan van natuurbranden zoals
                    afgegeven door de Regionale Brandweer Midden en West Brabant;</al><al>besluiten:</al><lijst><li nr="1."><al>in de periode waarvoor door de Regionale Brandweer Midden en West
                            Brabant de natuurbrandfase code oranje of rood wordt afgekondigd wordt
                            een rookverbod ingesteld op grond van artikel 2:18 van de Algemene
                            Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente Dongen voor de natuur-
                            en recreatiegebieden De Bergen, de Hoge Kant, kanovijver aan de Oude
                            Baan, Bas Dongen, trimbos en ’t Kerkebos;</al></li><li nr="2."><al>te bepalen dat dit besluit op 1 juli 2015 in werking treedt.</al></li></lijst><al>Dongen, 1 juli 2015.</al><al>Burgemeester en wethouders van Dongen,</al><al>De secretaris, De burgemeester,</al><al>ans-Gelijns </al><al></al><al></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>