<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR322916_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2014 (ASV)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-11-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2014, 42329</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2014 (ASV)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht art. 4:23</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-06-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-07-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging artikel 2 lid 1, artikel 16 en toelichting artikel 2 lid 1 en lid 5 en toelichting artikel 16</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/120870</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Uitgaande subsidies</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening geeft de wettelijke grondslag voor het verstrekken van subsidies door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2014 (ASV)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Reikwijdte verordening</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het
                        college van burgemeester en wethouders op de beleidsterreinen die zijn
                        opgenomen in de gemeentelijke begroting, met uitzondering van subsidies
                        waarvoor de raad bij bijzondere subsidieverordening een regeling heeft
                        getroffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Uitvoering door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college van burgemeester en wethouders, hierna te noemen het
                                college, voert het subsidieproces uit en neemt de subsidiebesluiten.
                                Het college kan beleidsregels dan wel nadere regelingen, hierna te
                                noemen subsidieregelingen, vast stellen ter uitvoering van deze
                                verordening.</al></li><li nr="2."><al>Indien het subsidiebudget voor de subsidieregeling op jaarbasis
                                maximaal €250.000,00 bedraagt stelt het college bij
                                subsidieregelingen vast welke activiteiten in aanmerking kunnen
                                komen voor subsidie en welke inhoudelijke criteria er gelden voor
                                toe te kennen subsidies. Voor zover van toepassing, wordt hierin
                                tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen,
                                hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden
                                uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>Indien het subsidiebudget voor de subsidieregeling op jaarbasis meer
                                dan € 250.000,00 bedraagt stelt in afwijking van het eerste lid de
                                raad de subsidieregelingen vast. Hierin wordt opgenomen welke
                                activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie en welke
                                inhoudelijke criteria er gelden voor toe te kennen subsidies. Voor
                                zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen
                                voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en
                                hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.</al></li><li nr="4."><al>Het college besluit over het aangaan en toepassen van een
                                aanvullende (uitvoerings) overeenkomst. Het college stelt hiertoe
                                beleidsregels vast.</al></li><li nr="5."><al>Het college is tevens bevoegd om op basis van deze verordening te
                                besluiten over subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig
                                is.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Europese regels over staatssteun</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees
                            staatssteunkader noodzakelijk is, zal het college deze verordening
                            aanvullen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de subsidieregeling worden de toepasselijke bepalingen van het
                            Europees staatssteunkader opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidies waarop een Europees staatssteunkader van toepassing is,
                            verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van
                            het Europees staatssteunkader.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij subsidies waarop een Europees staatssteunkader van toepassing is,
                            komen alleen activiteiten, doelstellingen, resultaten, kosten en
                            ondernemingen in aanmerking die voldoen aan de eisen en voorwaarden van
                            het toepasselijke Europees staatssteunkader.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Eenmaal in de vier jaren evalueert het college de doeltreffendheid en
                        doelmatigheid van de subsidieregelingen en de subsidieverstrekkingen en
                        rapporteert hierover aan de raad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad legt de beschikbare middelen per programma jaarlijks vast in de
                            gemeentebegroting en kan hierbij subsidieplafonds vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan met inachtneming van de gemeentebegroting
                            subsidie(deel)plafonds en de wijze van verdeling vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien bij het vaststellen van een subsidieplafond of in een
                            subsidieregeling geen voorrang is bepaald, wordt het beschikbare
                            subsidiebedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen
                            verdeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij burgemeester
                            en wethouders met gebruikmaking van een aanvraagformulier. Het college
                            kan bepalen dat de aanvraag digitaal wordt ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag legt de aanvrager de volgende gegevens over: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt
                                    aangevraagd;</al></li><li nr="b."><al>de doelen en resultaten die met de activiteiten worden
                                    nagestreefd, hoe de activiteiten daaraan bijdragen, waarbij
                                    voorts het belang wordt aangegeven van de activiteiten voor de
                                    gemeente of haar ingezetenen;</al></li><li nr="c."><al>een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze
                                    activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van andere
                                    aangevraagde dan wel verleende subsidies of vergoedingen ten
                                    behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand
                                    van zaken daarvan. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan als de aanvrager een onderneming is bepalen dat gegevens
                            en verklaringen worden overgelegd, die nodig zijn voor het bepalen van
                            de toelaatbaarheid van de subsidie in verband met de Europese regels
                            over staatssteun.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt van meer
                            dan € 50.000, voegt een kopie van de oprichtingsakte, de statuten en het
                            jaarverslag, de jaarrekening inclusief balans van het voorgaande jaar
                            toe aan de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kan van lid 2 en lid 4 worden afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Aanvraagtermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt
                            ingediend uiterlijk 1 juli voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop
                            de aanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overige aanvragen om subsidie worden ingediend uiterlijk 17 weken
                            voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten
                            waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist op een tijdige en volledige subsidieaanvraag als
                            bedoeld in artikel 7, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar
                            voorafgaande aan het subsidie tijdvlak waarop de aanvraag betrekking
                            heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in
                            artikel 7, tweede en derde lid, binnen 9 weken na ontvangst van de
                            volledige aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan de beslistermijn met maximaal 9 weken verdagen. Zij doen
                            hiervan voor afloop van de beslistermijn mededeling aan de
                            aanvrager.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Weigering, intrekking en terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht
                            weigert het college de subsidie in ieder geval indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met het Europese
                                    staatssteunkader;</al></li><li nr="b."><al>In het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van
                                    de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar
                                    bestuur;</al></li><li nr="c."><al>de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met andere wettelijke
                                    voorschriften.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het eerste lid kan het college de subsidie weigeren
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Niet voldaan is aan de eisen en criteria genoemd in deze
                                    verordening;</al></li><li nr="b."><al>De te subsidiëren activiteiten van niet of niet in overwegende
                                    mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of
                                    onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar
                                    ingezetenen;</al></li><li nr="c."><al>Niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het
                                    verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt
                                    gevraagd;</al></li><li nr="d."><al>De aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor
                                    subsidie in aanmerking te komen;</al></li><li nr="e."><al>De activiteit geen invulling geeft aan de doelstellingen of het
                                    beleid van de gemeente Zaanstad;</al></li><li nr="f."><al>Het aannemelijk is dat de gelden niet of niet in onvoldoende
                                    mate besteed zullen worden aan de activiteiten en / of het doel
                                    waarvoor subsidie beschikbaar wordt gesteld;</al></li><li nr="g."><al>de doelstellingen, activiteiten, statuten of reglementen van de
                                    aanvrager dan wel het beoogde gebruik van de subsidie
                                    discriminatie opleveren wegens godsdienst, levensovertuiging,
                                    politieke gezindheid, ras, geslacht, burgerlijke staat, seksuele
                                    gerichtheid, leeftijd of op welke grond dan ook. Onder
                                    discriminatie wordt in dit verband niet begrepen onderscheid ter
                                    opheffing van maatschappelijke achterstand;</al></li><li nr="h."><al>In de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een subsidie intrekken in het geval en onder de
                            voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
                            integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter
                            uitvoering van een terugvorderingbesluit van de Europese Commissie of
                            een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Algemene verplichtingen subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als aannemelijk is dat activiteiten waarvoor de subsidie is verleend
                            niet of niet geheel worden verricht of dat niet of niet geheel aan de
                            aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de
                            subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een subsidieontvanger informeert het college verder onverwijld
                            schriftelijk over:</al><lijst><li nr="a."><al>aanmerkelijke verschillen tussen de werkelijke uitgaven en
                                    inkomsten van de begrote uitgaven en inkomsten, onder vermelding
                                    van de oorzaak van de verschillen;</al></li><li nr="b."><al>ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat gemaakte afspraken
                                    voortvloeiende uit een tussen gemeente en subsidieontvanger
                                    gesloten uitvoeringsovereenkomst niet kunnen worden
                                    verwezenlijkt.</al></li><li nr="c."><al>ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de subsidie
                                    verbonden verplichtingen niet of niet geheel kunnen worden
                                    nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging
                                    van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend of tot
                                    ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;</al></li><li nr="e."><al>relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische
                                    verhouding met derden;</al></li><li nr="f."><al>wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de
                                    gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of
                                    bestuurders en het doel van de rechtspersoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidieontvanger heeft schriftelijke toestemming van het college
                            nodig voor rechtshandelingen vermeld in artikel 4:71 van de Awb. Indien
                            de betreffende rechtshandeling het voortbestaan van de subsidieontvanger
                            bedreigt of aantoonbaar kan bedreigen of de belangen van de
                            subsidieontvanger ernstig bedreigt of aantoonbaar kan bedreigen kan het
                            college de goedkeuring in ieder geval weigeren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Subsidieontvangers die onder de werking van de Wet normering bezoldiging
                            topfunctionarissen publieke en semipublieke sector vallen dienen zich te
                            houden aan het in deze wet opgenomen bezoldigingsmaximum en de
                            openbaarmaking van de bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Zorgvuldig beheer en verzekeringsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger beheert de middelen zorgvuldig en treft maatregelen
                            ter voorkoming van vermogensschade.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieontvanger is verplicht haar roerende zaken te verzekeren en
                            verzekerd te houden op basis van dagwaarde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidieontvanger is verplicht haar onroerende zaken te verzekeren en
                            verzekerd te houden op basis van herbouw- of vervangingswaarde.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidieontvanger is verplicht het bij haar in dienst zijnde
                            personeel en de voor haar werkzame vrijwilligers gedurende de tijd dat
                            deze voor haar werkzaam zijn te verzekeren tegen de gevolgen van
                            wettelijke aansprakelijkheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Aan een beschikking tot subsidieverlening kunnen verplichtingen worden
                            verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van het geen met de
                            subsidie tot stand is gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>2.Bij subsidies hoger dan € 50.000 kan de verplichting worden opgelegd
                            tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot
                            dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en
                            inkomsten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>3.Het college kan nadere eisen stellen aan de inrichting van de
                            administratieve organisatie van de subsidieontvanger.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Het college kan verplichtingen opleggen met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van de contributie van de leden van de
                                            subsidieontvanger;</al></li><li nr="b."><al>de hoogte van de tarieven of bijdragen van deelnemers
                                            aan de gesubsidieerde activiteiten;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de gesubsidieerde activiteiten worden
                                            verricht;</al></li><li nr="d."><al>een sociale wederdienst (social return on
                                            investment);</al></li><li nr="e."><al>toegankelijkheid van de activiteiten voor mensen met een
                                            beperking;</al></li><li nr="f."><al>duurzaamheid.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verantwoording subsidie tot en met € 5.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie tot en met € 5.000 wordt door het college direct vastgesteld of
                            verleend en – tenzij toepassing wordt gegeven aan het volgende lid
                            -binnen 13 weken nadat de activiteiten moeten zijn verricht, ambtshalve
                            vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvrager kan worden verplicht om aan te tonen dat de activiteiten
                            waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan
                            aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. In dat geval vindt de
                            vaststelling plaats binnen 13 weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn
                            verstrekt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling wordt bepaald of de subsidie wordt verleend of
                            vastgesteld en op welke manier wordt aangetoond dat de gesubsidieerde
                            activiteiten zijn verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Verantwoording subsidie tussen € 5.000 en € 50.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij subsidies van meer dan € 5.000 doch ten hoogste € 50.000 dient de
                            subsidieontvanger uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde
                            activiteiten zijn verricht, een aanvraag tot vaststelling in.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de
                                    activiteiten zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden
                                    uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);</al></li><li nr="c."><al>een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting
                                    daarop.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de verplichtingen zoals neergelegd in het
                            tweede lid voor een bepaalde (categorie) subsidieontvangers niet
                            gelden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij subsidieregeling of bij subsidiebeschikking kan worden bepaald dat
                            op een andere manier wordt aangetoond in hoe verre de activiteiten zijn
                            verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verantwoording bij een subsidie vanaf € 50.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij subsidie van meer dan € 50.000 dient de subsidieontvanger een
                            aanvraag tot vaststelling in</al><lijst><li nr="a."><al>bij een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt uiterlijk
                                    op 1 juli van het jaar dat volgt op het betrokken
                                    kalenderjaar;</al></li><li nr="b."><al>bij de overige subsidies uiterlijk 13 weken nadat de
                                    gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de
                                    activiteiten zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden
                                    uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening).
                                    Hierin worden ook opgenomen de bezoldiging van de
                                    topfunctionarissen;</al></li><li nr="c."><al>een balans van het afgelopen subsidie tijdvlak met een
                                    toelichting daarop;</al></li><li nr="d."><al>een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijke
                                    accountant. Het controleprotocol van Zaanstad is bepalend voor
                                    de controleopdracht. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld of andere
                            gegevens of stukken worden verlangd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan besluiten dat de verplichting, zoals neergelegd in het
                            tweede lid, onder d van dit artikel, voor een bepaalde (categorie)
                            subsidieontvangers niet gelden of andere gegevens worden verlangd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college controleert de getrouwheid van de in artikel 13, 14 en 15
                            bedoelde gegevens en kan aanvullend onderzoek (laten) verrichten om een
                            oordeel te krijgen de rechtmatigheid van besteding van de toegekende
                            subsidie en de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde
                            voorwaarden en verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rekenkamer van de gemeente kan nadere inlichtingen vragen over de
                            jaarrekening dan wel een aanvullende onderzoek instellen. Oogmerk kan
                            zijn om een oordeel te krijgen over de effectiviteit en doelmatigheid
                            van de subsidie, de rechtmatigheid van besteding en de getrouwheid van
                            de administratie ervan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidieontvanger is verplicht medewerking te verlenen aan een
                            controle respectievelijk een onderzoek zoals bedoeld in dit artikel en
                            verschaft toegang tot de betreffende accommodatie en verleent inzage in
                            de boekhouding</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de subsidie vast binnen 9 weken na ontvangst van de
                            volledige aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling
                            anders is bepaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze termijn kan eenmaal met ten hoogste 9 weken worden verdaagd. Zij
                            doet hiervan vóór afloop van de in het eerste lid vermelde termijn
                            mededeling aan de aanvrager. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen categorieën van subsidies of
                            subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt
                            vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te
                            worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de subsidieontvanger de volledige verantwoording niet tijdig
                            indient kan het college de subsidie lager vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van
                            uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met
                            gebruikmaking van een bij de subsidieregeling of bij de
                            subsidieverlening voorgeschreven berekeningswijze.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven
                            wordt uitgegaan van bij de subsidieregeling of bij de subsidieverlening
                            voorgeschreven definities.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidie waarop een Europees staatssteunkader van toepassing is,
                            komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen
                            aan de eisen van het toepasselijke staatssteunkader.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Betaling en voorschot</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Betaling vindt plaats binnen 6 weken nadat de subsidie is
                            vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij subsidieverlening een voorschot geven. Het college
                            stelt beleidsregels vast voor het verstrekken van voorschot en betaling.
                        </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan vorderingen op een subsidieontvanger met de betaling
                            verrekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Vermogensvorming subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vermogensvorming met de subsidiemiddelen zal in beginsel niet worden
                            toegestaan en exploitatieoverschotten mogen in beginsel niet worden
                            gereserveerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de subsidieontvanger toestaan een bestemmingsfonds te
                            vormen, mits die nauw samenhangt met de gesubsidieerde activiteiten. De
                            subsidieontvanger dient vooraf toestemming aan het college te vragen en
                            daarbij de noodzaak van het bestemmingsfonds te motiveren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een bestemmingsfonds, als bedoeld in het tweede lid van dit
                            artikel, is opgebouwd, dient de subsidieontvanger het fonds aan te
                            wenden voor het bestemmingsdoel. Over het bestemmingsfonds dient
                            gerapporteerd te worden in de jaarrekening als aparte post op de
                            balans.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een bestemmingsfonds als bedoeld in het tweede lid van dit
                            artikel is opgebouwd, dient de subsidieontvanger dit fonds binnen 3 jaar
                            te gebruiken voor de bestemming.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de subsidiemiddelen toegevoegd aan het bestemmingsfonds na 3 jaar
                            niet is benut voor het bestemmingsdoel vloeien de middelen terug naar de
                            gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet of onduidelijk is, beslist
                        het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen artikelen van deze verordening
                            buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet
                            op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger, leidt tot een
                            onbillijkheid van overwegende aard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Toepassing van het eerste lid wordt gemotiveerd in de
                            subsidiebeschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op
                                haar bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>De Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2008, vastgesteld door de
                                raad op 29 november 2007, wordt gelijktijdig met de inwerkingtreding
                                van deze verordening ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering van 28 januari 2014.</ondertekening><ondertekening>Voorzitter, Raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2014 (ASV)</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>De Algemene wet bestuursrecht</tussenkop><al>De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent in titel 4.2 een uitgebreide
                    regeling voor het verstrekken van subsidies door bestuursorganen.
                    Subsidieverstrekking dient in beginsel gebaseerd te zijn op een wettelijk
                    voorschrift (artikel 4:23, eerste lid, van de Awb). Deze eis komt voort uit de
                    wens van de wetgever dat de rechtszekerheid van de subsidieaanvrager en
                    subsidieontvanger voldoende gewaarborgd wordt. Tevens wordt hiermee een
                    doelmatige besteding van overheidsuitgaven nagestreefd. </al><al/><al>Subsidieverstrekking dient in beginsel gebaseerd te zijn op een wettelijk
                    voorschrift. Dit wettelijke voorschrift dient de essentiële elementen van het
                    proces van subsidieverstrekking bevatten, zoals een omschrijving van de te
                    subsidiëren activiteiten, de bevoegdheid voor het vaststellen van een
                    subsidieplafond en de bijbehorende verdelingsmaatstaf. Daarnaast moet het een
                    grondslag bevatten voor de verplichtingen die het bestuursorgaan aan de
                    subsidieverlening kan verbinden (voor zover die grondslag niet al in de Awb is
                    neergelegd; zie artikel 4:37 van de Awb, dat niet limitatief is).</al><al/><tussenkop>De ASV en de uitwerking daarvan in subsidieregelingen</tussenkop><al>Deze Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2014 (hierna te noemen: ASV) is een
                    wettelijk voorschrift. Het is een procesverordening, die de essentiële elementen
                    van het subsidieproces bevatten. De ASV bevat niet elementen die gelden voor het
                    toekennen van de subsidie voor de diverse programma’s en beleidsvelden. Een
                    uitwerking in beleidsinhoudelijke regelingen is dus noodzakelijk. In artikel 2
                    krijgt het college van burgemeester en wethouders (hierna te noemen: het
                    college) de bevoegdheid gedelegeerd om subsidieregelingen vast te stellen waarin
                    de beleidselementen worden vastgelegd, zoals de te subsidiëren activiteiten, de
                    doelgroep en het subsidiebedrag. De door het college vastgestelde
                    subsidieregelingen zijn door de delegatie wettelijke voorschriften. Wettelijke
                    voorschriften dienen bekend te worden gemaakt via het Gemeenteblad én te worden
                    gepubliceerd op www.overheid.nl. Dit is de Centrale Voorziening Decentrale
                    Regelgeving (CVDR). </al><al/><al>In de ASV is een onderscheid gemaakt om verschillende (standaard)beslistermijnen
                    te kunnen vastleggen per subsidiesoort. Er is zodoende onderscheid gemaakt
                    tussen subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt en subsidies die voor een
                    bepaalde activiteit worden verstrekt.</al><al/><tussenkop>Het subsidiebegrip</tussenkop><al>Subsidie is een materieel begrip en wordt omschreven in artikel 4:21, eerste
                    lid, van de Awb. Voldoet een geldverstrekking aan de daar genoemde voorwaarden,
                    dan is het een subsidie.</al><al>Er is sprake van een subsidie als het gaat om geldverstrekkingen die aan de
                    volgende kenmerken voldoen (zie artikel 4:21, eerste lid, van de Awb):</al><lijst><li nr="a."><al>het betreft een aanspraak op financiële middelen;</al></li><li nr="b."><al>die door een bestuursorgaan worden verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager;</al></li><li nr="d."><al>anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen
                            of diensten.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Toelichting op de artikelen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Reikwijdte verordening</tussenkop><al>In dit artikel wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om te besluiten over
                    het verstrekken van subsidies op alle beleidsterreinen opgenomen in de
                    begroting. Het betreft alle besluiten in het subsidieproces, dus ook lager
                    vaststellen, weigeren, terugvorderen, uitbetalen, een voorschot geven en
                    dergelijke. Het college past daarbij het bepaalde in deze verordening en in de
                    gemeentebegroting toe. </al><al/><tussenkop>Artikel 2. Uitvoering door het college van burgemeester en
                    wethouders</tussenkop><al>Het eerste lid geeft aan het college opdracht om het subsidieproces uit de
                    voeren. Dit omvat de bevoegdheid en verantwoordelijkheid om te besluiten over
                    subsidies. Het college stelt ter uitvoering van deze bevoegdheid algemeen
                    uitvoeringsbeleid op, zoals voorschotbeleid en sanctiebeleid. Daarnaast worden
                    beleidsveldinhoudelijke regels gesteld voor specifieke subsidies.
                    Subsidieregelingen geven algemeen verbindende voorschriften en vormen de
                    juridische grondslag voor inhoudelijk subsidiebeleid met een bepaald
                    beleidsdoel. Beleidsregels leggen vast hoe het college met zijn bevoegdheden
                    omgaat ter uitvoering van een bepaald beleidsdoel. Beleidsregels worden
                    gehanteerd wanneer er maar een beperkt aantal subsidieontvangers zijn, bij
                    incidentele subsidies en wanneer het beleid nog niet volledig
                    uitgekristalliseerd is. Dit laatste doet zich bijvoorbeeld voor bij nieuwe
                    gemeentelijke taken of bij nieuw beleid, waarbij het effect en de inzet van het
                    subsidie-instrument nog niet beproefd zijn in de praktijk.</al><al/><al> Hierbij kan gedacht worden aan voorschotbeleid, sanctiebeleid en ander
                    uitvoeringsbeleid.</al><al/><al>In een subsidieregeling wordt bepaald voor welke activiteiten subsidiemiddelen
                    beschikbaar worden gesteld. Voor zover de gemeente Zaanstad iets wenst te
                    regelen met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen,
                    de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen, dient dit eveneens in
                    de subsidieregeling te gebeuren. Ook in andere artikelen van de ASV wordt
                    vastgelegd dat bij subsidieregeling het subsidiebeleid kan worden uitgewerkt,
                    zoals het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de concrete subsidie of de
                    wijze van verdelen van het subsidieplafond. </al><al/><al>Artikel 4:36 Awb geeft de mogelijkheid dat ter uitvoering van de beschikking tot
                    subsidieverlening een overeenkomst wordt gesloten. De subsidiëring is en blijft
                    conform de Awb een publiekrechtelijke handeling waartegen bezwaar en beroep
                    mogelijk is. De overeenkomst wordt beheerst door het privaatrecht. Het
                    instrument van de overeenkomst maakt het mogelijk dat de subsidiebeschikking de
                    activiteiten waarvoor subsidie wordt toegekend op hoofdlijnen beschrijft,
                    waarbij die beschrijving nader wordt uitgewerkt in de uitvoeringsovereenkomst.
                    Een overeenkomst geeft bovendien uitdrukking aan de onderhandelingsrelatie
                    tussen de gemeente en subsidieontvangers; van het maken van afspraken in plaats
                    van het eenzijdig opleggen van eisen. Veelal wordt de uitvoeringsovereenkomst
                    gehanteerd om prestatieafspraken met de grote, professionele subsidieontvangers
                    vast te leggen. Overigens is het sluiten van een overeenkomst geen juridische
                    noodzaak: de gemeente kan volstaan met een beschikking tot subsidieverlening
                    waarin meer of minder precies is vastgelegd wat van de subsidieontvanger wordt
                    verwacht. Het college besluit of een uitvoeringsovereenkomst moet worden
                    gesloten. (derde lid). </al><al/><al>Het college heeft haar algemeen beleid over het sluiten
                    (uitvoerings)overeenkomsten in een beleidsregeling vastgelegd. </al><al/><al>Het vijfde lid geeft aan het college tevens de bevoegdheid om te besluiten over
                    subsidies waarvoor een juridische grondslag ontbreekt. Het betreft hier de
                    subsidies die bedoeld zijn in lid 3 van artikel 4:23 Algemene Wet Bestuursrecht.
                    Hieronder vallen de subsidies waarvan in de gemeentelijke begroting de
                    subsidieontvanger en het budget is vermeld. Voor deze categorie wordt geen
                    subsidieregeling vastgesteld, maar wordt het beleid vastgesteld in een
                    beleidsnotitie. Tevens vallen hieronder incidentele subsidies, waarvoor geen
                    subsidieregeling of beleidsregels zijn opgesteld. Dergelijke incidentele
                    subsidies zonder juridische grondslag kunnen alleen verstrekt worden indien het
                    aantal subsidieontvangers beperkt is en de subsidie voor ten hoogste 4 jaren
                    wordt verstrekt. Het verstrekken van dergelijke incidentele subsidies vereist
                    maatwerk.</al><al>Subsidies die door de gemeente zijn verkregen (inkomende subsidies) van Europese
                    bestuursorganen vallen ook onder artikel 4:23 Awb lid 3. </al><al/><al/><tussenkop>Artikel 3. Europese regels over staatsteun</tussenkop><al>Staatssteun is in principe verboden (artikel 107, eerste lid, van het Verdrag
                    betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU)). Er is sprake van
                    staatssteun als financiële steun aan een onderneming (subsidies, garanties,
                    leningen, korting op de grondprijs etc.) voldoet aan de criteria uit het
                    staatssteunverbod. </al><al/><al>Een onderneming is een entiteit die economische activiteiten verricht.
                    Entiteiten die uitsluitend een typische overheidstaak zonder economisch karakter
                    verrichten (activiteiten van puur sociale aard of het uitoefenen van
                    overheidsgezag), zijn geen ondernemingen. Steun aan burgers valt niet onder het
                    Europese staatssteunkader, mits de steun niet indirect alsnog bij een
                    onderneming terechtkomt. Als er sprake is van staatssteun, is het soms mogelijk
                    om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening of om
                    vrijstelling te vragen bij de Europese Commissie. </al><al/><al>Om subsidies onder een vrijstellingsverordening te brengen moet de subsidie op
                    het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat
                    er wordt afgeweken van de ASV, of dat deze wordt aangevuld. Het eerste lid maakt
                    het college daartoe bevoegd.</al><al/><al>Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese
                    Commissie dat in subsidieregelingen en subsidiebeschikkingen die gebruik maken
                    van het Europese steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt
                    vermeld.</al><al/><al>Als sprake is van subsidie die valt onder een vrijstellingsverordening dan
                    kunnen uiteraard alleen activiteiten, doelstellingen, resultaten, kosten en
                    ondernemingen voor subsidie in aanmerking komen, die voldoen aan de eisen en
                    voorwaarden van het betreffende steunkader (lid 4).</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Evaluatie</tussenkop><al>Aan het college wordt de opdracht gegeven om minimaal een keer in de 4 jaar te
                    evalueren of de subsidieregelingen en de gesubsidieerde activiteiten bijdragen
                    aan de gestelde beleidsdoelen en of de subsidies de gewenste effecten hebben.
                    Het college rapporteert hierover aan de raad.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</tussenkop><al>In de Awb zijn in de artikelen 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste bepalingen
                    rondom het werken met een subsidieplafond gegeven. Het dient om de uitgaven te
                    beheersen. Het subsidieplafond voorkomt een open einde financiering. De raad
                    stelt het financiële kader vast met de gemeentebegroting. Binnen dit kader kan
                    het college voor beleidsterreinen en/of werkvelden subsidie(deel)plafonds
                    vaststellen. Veelal gebeurt dit bij een subsidieregeling.</al><al/><al>Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Awb dat het subsidieplafond bekend
                    wordt gemaakt vóór ingang van de periode waarop het betrekking heeft. Zo kunnen
                    potentiële aanvragers tijdig weten hoeveel geld beschikbaar is. Maar vooral van
                    belang is dat subsidieaanvragen zonder nadere motivering kunnen worden afgewezen
                    op het moment dat het subsidieplafond bereikt is. Bij de bekendmaking wordt de
                    wijze van verdelen vermeld. </al><al/><tussenkop>Artikel 6. Aanvraag </tussenkop><al>Als gevolg van artikel 4:29 van de Awb begint het subsidieproces met een
                    aanvraag. </al><al/><al>Zowel voor de aanvrager als voor de gemeente is het praktisch om te werken met
                    een aanvraagformulier. Het komt de efficiëntie van het subsidieproces ten goede.
                    De aanvrager weet dan welke informatie hij moet leveren en de gemeente beschikt
                    op overzichtelijke wijze over alle relevante informatie. Tevens kan met een
                    aanvraagformulier de uniformiteit van behandeling van subsidieaanvragen in de
                    verschillende beleidsterreinen van de gemeente worden bevorderd. Dit
                    vergemakkelijkt de uitvoering en is van belang bij de evaluatie van het beleid. </al><al/><al>In de loop van 2014 zal mogelijk worden om de subsidieaanvraag digitaal te doen.
                    Tot het moment dat het college besloten heeft om de digitale weg open te stellen
                    dienen subsidieaanvragen schriftelijk te worden gedaan. </al><al/><al>Het college is bevoegd andere of slechts enkele van de in dit artikel genoemde
                    gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de
                    aanvraag noodzakelijk of voldoende zijn. Het college kan aanvullende gegevens
                    eisen. Zo zal bij subsidie aan ondernemingen veelal worden gevraagd om een
                    deminimis-verklaring. Hierin verklaren ondernemingen welke subsidies zij in de
                    afgelopen 3 belastingjaren hebben ontvangen. Op basis van de
                    deminimis-verordening kan bepaald worden of de subsidie geoorloofde steun
                    is.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Aanvraagtermijn</tussenkop><al>De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er is onderscheid
                    gemaakt tussen subsidies voor activiteiten die voor een kalenderjaar worden
                    verstrekt en overige subsidies voor kortlopende activiteiten. Bij die laatste
                    groep gaat het vooral om subsidies die worden versterkt voor bepaalde
                    kortlopende en in de tijd nauwkeurig afgebakende activiteiten.</al><al/><al>Het derde lid maakt het mogelijk om in de desbetreffende subsidieregeling af te
                    wijken van de hoofdregel.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Beslistermijn</tussenkop><al>Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen
                    op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op
                    een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies
                    per kalenderjaar en overige subsidies.</al><al/><al>Het derde lid maakt het mogelijk om in de desbetreffende subsidieregeling af te
                    wijken van de hoofdregel.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Weigering, intrekking en terugvordering</tussenkop><al>In dit artikel worden de algemeen geldende weigeringgronden van artikelen 4:25,
                    tweede lid en 4:35 van de Awb, met nadere gronden aangevuld.</al><al/><al>In het eerste lid zijn verplichte weigeringgronden opgenomen. </al><al/><al>Subsidie wordt geweigerd wanneer de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met
                    andere wettelijke voorschriften, waarbij het Europees staatssteunkader en de Wet
                    Bevordering integriteit met naam worden genoemd. </al><al/><al>Strijd met het Europees staatssteunkader treedt bijvoorbeeld op wanneer de
                    subsidie hoger is dan volgens de cumulatieregels van het toepasselijke Europees
                    staatssteunkader of de de-minimisverordening geoorloofd is.</al><al/><al>De Wet Bibob stelt het college in staat om te screenen of de subsidieaanvragers
                    dan wel -ontvangers in relatie staan tot strafbare feiten. Hierdoor wordt
                    voorkomen dat een bestuursorgaan onbedoeld strafbare feiten faciliteert door het
                    verlenen van een subsidie. Bij deze weigeringgrond is niet van belang of de
                    activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel
                    zijn. Het gaat hierbij louter om de integriteit van de persoon dan wel
                    rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob
                    geen subsidie wenst te verlenen.</al><al/><al>In het tweede lid zijn enkele facultatieve weigeringgronden opgenomen. Het
                    college kan in deze gevallen weigeren, maar is daar niet toe verplicht.</al><al/><al> Lid 2 sub h geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling
                    aanvullende weigeringgronden op te nemen. Weigeringgronden die met de te
                    subsidiëren activiteiten samenhangen. </al><al/><al>Bij lid 3 betreft het intrekken van een verleende subsidie.</al><al/><al>Bij lid 4 betreft het een terugvorderen met rente van subsidiemiddelen. </al><al/><tussenkop>Artikel 10. Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger</tussenkop><al>Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en een informatieplicht
                    (tweede lid) die voor alle subsidieontvangers geldt.</al><al/><al>De subsidieontvanger heeft schriftelijk toestemming nodig voor een aantal
                    rechtshandelingen genoemd in artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht. Het
                    gaat om rechtshandelingen die van invloed kunnen zijn op de aanwending van
                    subsidiegelden, de hoogte van de later ingediende subsidieaanvragen of de
                    kwaliteit of omvang van de activiteiten (derde lid).</al><al/><tussenkop>Artikel 11. Zorgvuldig beheer en verzekeringsplicht</tussenkop><al>In dit artikel wordt de algemene verplichting aan subsidieontvangers opgelegd om
                    middelen zorgvuldig te beheren en relevante verzekeringen af te sluiten. Deze
                    verplichtingen zijn opgenomen, omdat het beheer van invloed kan zijn op de
                    hoogte van de later ingediende subsidieaanvragen of de kwaliteit of omvang van
                    de activiteiten. Gesteld kan worden dat het vooral een zaak van de
                    subsidieontvanger zelf is om de haar toevertrouwde middelen goed te beheren. De
                    eigen verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger staat voorop te staan. </al><al/><tussenkop>Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere
                    verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel bevat een aanvullende bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan
                    de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op
                    wat mogelijk is direct op grond van de Awb en deze verordening. </al><al/><al>De artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb maken het mogelijk om nog andere
                    verplichtingen aan een subsidie te verbinden, als de verordening daarvoor een
                    grondslag biedt. Die grondslag is in artikel 10 gegeven. In artikel 4:38 gaat
                    het om verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de
                    subsidie. Dat is het geval in het eerste lid van artikel 10: het beheer en
                    gebruik van datgene wat met de subsidie tot stand is gebracht.</al><al/><tussenkop>Artikel 13. Verantwoording subsidies tot en met € 5.000</tussenkop><al>De omvang van de verantwoordingsverplichting is gekoppeld aan de hoogte van het
                    subsidiebedrag. </al><al/><al>Bij de verstrekking van kleine subsidies aan bijvoorbeeld sportverenigingen of
                    muziekkorpsen loopt de gemeente slechts een beperkt financieel risico. Het
                    subsidiebedrag is niet zo hoog, terwijl de administratieve en bestuurlijke
                    lasten naar verhouding hoog kunnen zijn. </al><al/><al>In de ASV is er daarom voor gekozen om subsidies tot en met € 5.000 of wel
                    direct vast te stellen of wel te verlenen en later ambtshalve vast te stellen.
                    De subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling in te dienen.
                    Hierdoor kan op de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de
                    subsidieverstrekker worden bespaard. Kenmerkend is ook dat de subsidieontvanger
                    achteraf niet standaard verantwoording hoeft af te leggen aan de
                    subsidieverstrekker. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de
                    subsidieontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 10).
                    Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de
                    subsidieontvanger. Een meer risicogeoriënteerde aanpak betekent ook een zekere
                    risicoacceptatie. De verantwoordingsfocus bij kleine subsidies ligt op het
                    leveren van de prestatie. </al><al/><al>In het geval van directe vaststelling (eerste lid) worden bewijsstukken van de
                    activiteit direct met de aanvraag meegestuurd. Ook als de activiteiten nog niet
                    hebben plaatsgevonden kan dit worden toegepast. De toepassing is dan onder meer
                    afhankelijk van de aard van de subsidie en risicoafweging van de
                    subsidieverstrekker. Steekproefsgewijze controle na de vaststelling is mogelijk,
                    maar leidt alleen in bijzondere gevallen, zoals fraude, tot terugvordering.</al><al/><al>In het geval van verlening, gevolgd door ambtshalve vaststelling (eerste lid),
                    wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten
                    moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen een nader bepaalde
                    termijn ambtshalve vastgesteld door de subsidieverstrekker. In het tweede lid is
                    een afwijkende termijn opgenomen voor situaties waarin rapportageverplichtingen
                    worden opgelegd. </al><al/><al>De subsidieontvanger dient desgevraagd, op een door het college in de
                    beschikking aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de
                    subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie
                    verbonden verplichtingen. De subsidieverstrekker zal steekproefsgewijs van deze
                    bevoegdheid gebruik maken.</al><al/><tussenkop>Artikel 14. Verantwoording subsidies tussen € 5.000 en €
                    50.000</tussenkop><al>In dit artikel is bepaald op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem
                    verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. De wijze van
                    verantwoording wordt bij de beschikking tot verlening van de subsidie aan de
                    subsidieontvanger bekend gemaakt.</al><al/><al>Het tweede lid van artikel 14 bepaalt met welke documenten de subsidieontvanger
                    moet aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn
                    uitgevoerd. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is
                    aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. </al><al/><al>Bij subsidies van een beperkte omvang is het niet altijd nodig om een balans
                    conform het tweede lid in te dienen. Hetzelfde geldt voor subsidies die voor een
                    doel worden aangewend dat nadere verantwoording van de besteding van het geld
                    overbodig maakt, bijvoorbeeld de huurkosten van een gebouw. De verantwoorde
                    besteding van de subsidie blijkt dan immers al uit het feit dat het betreffende
                    gebouw in gebruik is bij de subsidieontvanger.</al><al/><al>Voor dit soort subsidies is in het derde en vierde mogelijkheden geopend het
                    college om andere bewijsmiddelen te verlangen dan de gebruikelijke. Bij de
                    aanschaf van een speeltoestel bijvoorbeeld kan gedacht worden aan een foto. Bij
                    een gehouden evenement aan een krantenartikel. </al><al/><tussenkop>Artikel 15. Verantwoording subsidies vanaf € 50.000</tussenkop><al>Bij subsidies vanaf € 50.000 worden zwaardere eisen gesteld aan de
                    verantwoording. Bij de financiële eindverantwoording wordt daarom in beginsel
                    een goedkeurende controleverklaring van een accountant gevraagd. De vaststelling
                    van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en de
                    gemaakte kosten. </al><al/><al>Het college is niet verplicht om in alle gevallen te vragen om een
                    controleverklaring. Het vierde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te
                    bepalen dat er ook andere, waaronder minder, gegevens gevraagd worden. </al><al>Uitgangspunt is dat de verantwoordingslasten in verhouding moeten staan tot de
                    hoogte van het subsidiebedrag.</al><al/><al>Als er wordt gekozen voor het vragen van een controleverklaring door een
                    onafhankelijke accountant is het van belang dat de subsidieontvanger en de
                    accountant op de hoogte is van de beoogde wijze van verantwoorden en over de
                    aspecten die in de controle worden betrokken. Daartoe is een controleprotocol
                    door het college vastgesteld. Het controleprotocol wordt meegezonden met de
                    subsidiebeschikking als het college een controleverklaring vraagt en is op grond
                    van artikel 4:37, eerste lid onder f van de Awb een bindend voorschrift.</al><al/><al>Sinds 2013 gelden voor het financiële jaarverslag ook de verplichtingen die
                    voortvloeien uit de Wet Normering Topinkomens. Elke instelling waarop de WNT van
                    toepassing is en die valt onder regime 1 of 2, is verplicht om jaarlijks de
                    bezoldiging van iedere topfunctionaris in het financieel jaarverslag op te
                    nemen. Per topfunctionaris moet de bezoldiging worden vermeld op persoonsnaam,
                    ongeacht een eventuele overschrijding van het bezoldigingsmaximum. Ook
                    subsidierelaties die niet onder de WNT vallen met een subsidie van meer dan
                    €50.000, wordt gevraagd om in de jaarrekening te rapporteren over de
                    bezoldigingen.</al><al/><al>Het college kan andere termijnen stellen. Zo wordt bij Verbonden Partijen een
                    korte termijn voor verantwoording opnemen in de subsidiebeschikking. Immers op
                    basis van Besluit Begroting Verantwoording is de gemeente sinds 2013 verplicht
                    in de jaarrekening de (concept)jaarcijfers van de verbonden partij moet
                    opnemen.</al><al/><tussenkop>Artikel 16. Onderzoek</tussenkop><al>Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van het gemeentelijke
                    subsidiebeleid. Zij toetst bij de subsidieverstrekking de naleving van de aan de
                    subsidie verbonden voorwaarden en verplichtingen. Het college kan besluiten om
                    nader onderzoek te laten doen als zij dit wenselijk acht. </al><al/><al>Ook de rekenkamer van de raad kan besluiten om nader onderzoek te doen. De
                    rekenkamer heeft op basis van artikel 184 van de Gemeentewet al de bevoegdheid
                    inlichtingen in te winnen over de jaarrekening en een onderzoek in te stellen
                    bij privaatrechtelijke rechtspersonen waaraan de gemeente subsidie heeft
                    verstrekt ten bedrage van ten minste vijftig procent van de baten van deze
                    instelling, over de jaren waarop deze subsidie betrekking heeft. In lid 2 wordt
                    de bevoegdheid van de rekenkamer uitgebreid naar alle subsidieontvangers.</al><al/><al>De subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan een onderzoek.</al><al/><al/><tussenkop>Artikel 17. Subsidievaststelling</tussenkop><al>Het eerste lid bevat de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te
                    worden. Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen
                    worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De
                    verdaging van de beslistermijn – voor de duur van ten hoogste de in het tweede
                    lid nader bepaalde termijn – biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging is
                    appellabel.</al><al/><al>Bij subsidieregeling kunnen categorieën van subsidieontvangers aanwijzen voor
                    wie de subsidie ambtelijk wordt vastgesteld. Dus zonder dat hiervoor door de
                    subsidieontvanger een aanvraag moet worden ingediend. Dit wordt ambtelijke
                    vaststelling genoemd. Hierdoor worden de lasten voor zowel de subsidieaanvrager
                    als de subsidieverstrekker beperkt. (derde lid)</al><al/><al>In een subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.</al><al/><al>Het vijfde lid geeft het college de bevoegdheid om een sanctie op te leggen bij
                    het overschrijden van verantwoordingsverplichtingen en termijnen op te leggen.
                    Indien niet tijdig een aanvraag tot vaststelling wordt gedaan zal de
                    subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn wordt gesteld om dit alsnog te
                    doen. Doet hij dit vervolgens niet binnen deze termijn, dan zal het college
                    overgaan tot ambtshalve vaststelling. </al><al/><tussenkop>Artikel 18. Berekening van uurtarieven, uniforme
                    kostenbegrippen</tussenkop><al/><al>Dit artikel schrijft voor dat als het college bij de bepaling van de
                    subsidiabele kosten gebruik maakt van uurtarieven, de berekeningswijze hiervan
                    en de voorgeschreven definities in een subsidieregeling of bij de
                    subsidieverlening vastgelegd dienen te worden. Bij subsidies waarop een Europees
                    steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt tot tarieven en
                    kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke
                    staatssteunkader.</al><tussenkop>Artikel 19. Betaling en voorschot</tussenkop><al>In dit artikel wordt aangegeven binnen welke termijn de subsidie betaald zal
                    worden en dat bij verlening een voorschot gegeven kan worden. In de Awb is
                    bepaald dat als er voorschot wordt verleend, bepaald moet worden in welke
                    termijnen dat gebeurd en welk bedrag (artikel 4:86 Awb) of eventueel alleen de
                    manier waarop het voorschot wordt betaald (artikel 4:95 Awb).</al><al/><al>Een voorschot kan verleend worden indien redelijkerwijs kan worden aangenomen
                    dat de gesubsidieerde activiteiten zullen worden verricht. Het college heeft
                    beleidsregels vastgesteld over het voorschot en betalingsbeleid.</al><al/><al>Voorschotten worden automatisch (ambtshalve) verstrekt volgens het in de
                    subsidieregeling of de verleningbeschikking opgenomen bevoorschottingsritme. De
                    subsidieaanvrager hoeft dus geen aanvraag voor bevoorschotting in te dienen of
                    tussentijdse overzichten van prestaties of uitgaven te overleggen. Dit leidt tot
                    lastenbesparingen bij zowel de subsidieontvanger als de subsidieverstrekkende
                    gemeente.</al><al/><al>Omdat de bevoorschotting mede afhankelijk is van de aard van de te subsidiëren
                    activiteit is er voor gekozen om de termijnen waarop de (automatische)
                    bevoorschotting plaats vindt niet in de verordening te noemen. Het
                    bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten worden in
                    verleningbeschikking vermeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 20. Vermogensvorming subsidieontvanger</tussenkop><al>Uitgangspunt is dat het opbouwen van vermogen met subsidiemiddelen niet wordt
                    toegestaan. Het college kan een uitzondering maken wanneer de vorming van een
                    bestemmingsfonds noodzakelijk is om het doel van de subsidie te verwezenlijken.
                    De subsidieontvanger dient schriftelijk toestemming van het college te hebben en
                    de subsidiemiddelen binnen 3 jaar inzetten voor de bestemming.</al><al/><tussenkop>Artikel 21. Onvoorziene omstandigheden</tussenkop><al>Dit artikel kan niet worden toegelicht, omdat het onvoorzienbare omstandigheden
                    betreft. Het gaat hierbij om omstandigheden waarin de verordening niet
                    voorziet.</al><al/><tussenkop>Artikel 22. Hardheidsclausule</tussenkop><al>De toepassing van de hardheidsclausule dient beperkt te blijven tot individuele
                    gevallen. De te treffen voorziening, die niet in de verordening is voorzien,
                    dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen.</al><al/><al>Zodra de toepassing van een hardheidsclausule voor bepaalde gevallen voldoende
                    is uitgekristalliseerd en daardoor een bestendig karakter heeft gekregen, dient
                    dit beleid in de ASV of een subsidieregeling te worden neergelegd.</al><al/><tussenkop>Artikel 23. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op haar
                    bekendmaking en is van toepassing op alle aanvragen die na 1 januari 2014 wordt
                    ontvangen. De verordening wordt bekendgemaakt in het gemeenteblad en
                    gepubliceerd op overheid.nl. Op subsidieaanvragen die voor de inwerkingtreding
                    zijn ingediend zijn de bepalingen van de Algemene Subsidie Verordening Zaanstad
                    2008 van toepassing.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>