<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR322665_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening binnentreden ter uitvoering van noodverordeningen Amstelveen 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, Officiële bekendmakingen, 12-02-2014, D-2014/044992</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening binnentreden ter uitvoering van noodverordeningen Amstelveen 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147, art. 149a en art. 176">Gemeentewet, art. 147, art. 149a en art. 176</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-02-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-02-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Nr. 14-03</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening binnentreden ter uitvoering van noodverordeningen Amstelveen
            2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Zij die belast zijn met de zorg voor de nakoming van een voorschrift van een
                        door de burgemeester op grond van artikel 176 van de Gemeentewet vastgesteld
                        algemeen verbindend voorschrift, zijn bevoegd tot het binnentreden in een
                        woning zonder toestemming van de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening binnentreden ter
                        uitvoering van noodverordeningen Amstelveen 2014”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van
                        bekendmaking.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 5 februari 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. P. Georgopoulou mr. G.J. de Graaf</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>1 Algemeen</tussenkop><al>Op 1 oktober 1994 zijn de Algemene wet op het binnentreden en de Wet tot
                    wijziging van de binnentredingsbepalingen (beide wetten zijn van 22 juni 1994,
                    Stb. 572 en 573, 1994) in werking getreden. De VNG heeft haar leden hierover bij
                    brief van 20 september 1994 geïnformeerd over de gevolgen van deze wetgeving,
                    een en ander ter aanvulling op de door de rijksoverheid gegeven informatie. In
                    de verschillende circulaires is geen aandacht besteed aan de relatie tussen de
                    nieuwe binnentredingsbepalingen en het gebruik van noodbevoegdheden door de
                    burgemeester. Onderstaand gaan wij hierop in.</al><tussenkop>Onderzoek gebruik noodbevoegdheden</tussenkop><al>Eind 1994 is een rapport verschenen waarin verslag wordt gedaan van een
                    onderzoek naar het gebruik van gemeentelijke noodbevoegdheden. Dit onderzoek is
                    verricht in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken, directie Politie
                    door mr. M.A.D.W. de Jong, mr. H.R.B.M. Kummeling en prof. mr. M.C. Burkens. Het
                    rapport1 is bij brief van 21 maart 1995 door de minister van Binnenlandse Zaken
                    aan alle burgemeesters toegezonden en ging vergezeld van het standpunt van de
                    minister inzake de aanbevelingen die in het onderzoeksrapport werden gedaan.
                    Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan hetgeen in het rapport en in het
                    standpunt van de minister wordt opgemerkt over de beperking van de grondrechten
                    vervat in de artikelen 10 en 12 van de Grondwet. Dit betreft respectievelijk het
                    recht op privacy en het huisrecht. Beide grondrechten liggen in dezelfde sfeer:
                    het huisrecht is een bepaald aspect van het meer omvattende recht op
                    privacy.</al><tussenkop>Reactie minister van Binnenlandse Zaken op onderzoeksrapport</tussenkop><al>In aanbeveling 12 van het rapport wordt gesteld dat de gemeentewetgever bij de
                    totstandkoming van de Gemeentewet geen aandacht heeft besteed aan de vraag of
                    via noodmaatregelen de grondrechten van de artikelen 10 en 12 van de Grondwet
                    kunnen worden beperkt. Aan de hierdoor ontstane onzekerheid voor de praktijk
                    dient een einde te worden gemaakt. In reactie hierop gaat de minister van
                    Binnenlandse Zaken in op de strekking van de artikelen 175 en 176 van de
                    Gemeentewet in relatie tot de genoemde artikelen van de Grondwet. In de
                    artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet is opgenomen dat door de burgemeester
                    bij het geven van een noodbevel, respectievelijk het geven van een
                    noodverordening, van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften kan
                    worden afgeweken. Hieruit volgt uitdrukkelijk dat bij het gebruik maken van deze
                    noodbevoegdheden niet mag worden afgeweken van de Grondwet. Om te kunnen
                    beoordelen of beperking van de hier aan de orde zijnde grondrechten wel mogelijk
                    is, stelt de minister een drietal vragen aan de orde: 1 Staan de artikelen 10 en
                    12 van de Grondwet delegatie toe van een bevoegdheid die een beperking van
                    grondrechten teweegbrengt? 2 Zo ja, is beperking van genoemde grondrechten
                    toegestaan in het kader van de handhaving van de openbare orde en de beperking
                    van gevaar? 3 Zo ja, zijn de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet voldoende
                    specifiek om te kunnen worden beschouwd als een wettelijke toepassing van de in
                    de genoemde grondwetsbepalingen neergelegde beperkingsmogelijkheden? Nadat de
                    eerste twee vragen bevestigend zijn beantwoord, wordt uitgebreid ingegaan op de
                    derde vraag. In de onderdelen Beperking privacy en Beperking huisrecht wordt het
                    standpunt van de minister weergegeven.</al><al>Door de onderzoekers en de minister is na afweging geconstateerd dat de
                    artikelen 175 en 176 van de gemeentewet geen wettelijke grondslag kunnen zijn
                    voor de beperking van het recht op privacy. Een praktisch gevolg hiervan kan
                    bijvoorbeeld zijn dat bij bommeldingen niet door middel van een noodbevel
                    (artikel 175 Gemeentewet) of vastgestelde noodverordening (artikel 176
                    Gemeentewet) de verplichting kan worden opgelegd om het huis te verlaten of om
                    deuren en ramen open te laten staan. Een ander voorbeeld betreft de evacuatie
                    van een groot aantal gemeenten tijdens de overstromingen in het voorjaar van
                    1995. Ook ten aanzien daarvan moet worden geconcludeerd dat de burgemeester niet
                    de bevoegdheid bezat om bewoners daadwerkelijk uit hun huis te laten
                    verwijderen. De minister heeft, mede naar aanleiding van deze gebeurtenissen,
                    geconstateerd dat het ontbreken van een beperkingsmogelijkheid op het recht van
                    privacy (artikel 10 Grondwet) in noodtoestanden voor gemeenten een knelpunt
                    vormt. Hij heeft daarom toegezegd te bevorderen dat in de Gemeentewet alsnog een
                    wettelijke basis wordt gecreëerd die de mogelijkheid biedt om het recht op
                    privacy in noodsituaties te beperken.</al><tussenkop>Beperking huisrecht (artikel 12 Grondwet)</tussenkop><al>Wat betreft de beperking van het huisrecht (artikel 12 Grondwet) bieden de
                    artikelen 175 en 176 de burgemeester eveneens geen instrument om daarop inbreuk
                    te maken. Een noodbevel c.q. een noodverordening kan op zich geen juridische
                    basis zijn om tegen de wil van de bewoner een woning binnen te treden
                    (bijvoorbeeld in het kader van de uitvoering van een evacuatiebesluit).</al><tussenkop>Wet van 1853</tussenkop><al>Het is opvallend dat deze problematiek tot voor kort niet uitdrukkelijk werd
                    onderkend. Uit het onderzoek is gebleken dat in voorkomende gevallen de
                    bevoegdheid tot binnentreden zonder toestemming van de bewoner ten onrechte op
                    een noodbevoegdheid werd gebaseerd; terwijl daarvoor toch een juridische basis
                    aanwezig kon zijn via de Wet van 31 augustus 1853 (Stb. 83) tot verzekering van
                    de uitvoering van sommige voorschriften van plaatselijke verordeningen. Deze wet
                    bood aan de gemeenteraad de mogelijkheid 'indien de zorg voor de nakoming van
                    eenig voorschrift eener plaatselijke verordening, hetwelk strekt tot handhaving
                    van de openbare rust of veiligheid, of tot bescherming van het leven of de
                    gezondheid van personen, vereist dat zij, die met de uitvoering belast zijn of
                    daartoe moeten meewerken, de bevoegdheid bezitten de woningen der ingezetenen,
                    huns ondanks, binnen te treden,' daartoe bij verordening een last te
                    verstrekken. Bij de Wet tot wijziging van de binnentredingsbepalingen is de Wet
                    van 1853 ingetrokken. Het in deze wet voorkomende systeem van een algemene last
                    werd in verband met de uitgangspunten van de Algemene wet op het binnentreden
                    niet langer wenselijk geacht.</al><tussenkop>Artikel 149a Gemeentewet</tussenkop><al>In verband met de intrekking van de wet van 1853 is ingevolge de Wet tot
                    wijziging van de binnentredingsbepalingen een nieuw artikel 149a aan de
                    Gemeentewet toegevoegd. Dit artikel strekt ertoe dat de gemeenteraad in bepaalde
                    gevallen aan personen die belast zijn met het toezicht op de naleving van een
                    verordening de bevoegdheid kan verlenen tot het binnentreden in woningen zonder
                    toestemming van de bewoner. Deze bevoegdheid wordt op twee manieren begrensd: 1
                    In de eerste plaats betreft dit artikel het binnentreden ter uitoefening van
                    toezicht en opsporing en niet ter uitoefening van bestuursdwang. Het
                    binnentreden ter uitoefening van bestuursdwang is voor alle gevallen geregeld in
                    afzonderlijke wetten, met name de Gemeentewet. Dit betekent dus dat indien de
                    burgemeester gebruikmaakt van zijn bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang,
                    niet hoeft worden teruggegrepen op de onderhavige verordening ex artikel 149a
                    Gemeentewet, maar gebruik dient te worden gemaakt van de in artikel 127
                    Gemeentewet gegeven regeling. 2 In de tweede plaats is het binnentreden alleen
                    geoorloofd indien de toezichthoudende zorg strekt tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid dan wel geschiedt in verband met de bescherming van het leven
                    of de gezondheid van personen en deze zorg het binnentreden vereist. Indien
                    artikel 149a niet aan de Gemeentewet was toegevoegd, zou ter uitvoering van
                    toezicht en opsporing van met name autonome verordeningen nooit een woning
                    binnengetreden kunnen worden. Dit is anders voor de uitvoering van
                    medebewindsverordeningen en bijzondere wetten, omdat in die situatie de
                    bijzondere wet een binnentredingsbevoegdheid in het kader van toezicht en
                    opsporing kan geven.</al><tussenkop>Toepassing Algemene wet op het binnentreden</tussenkop><al>Ten overvloede wordt opgemerkt dat de Algemene wet op het binnentreden onverkort
                    van toepassing is, indien in een concreet geval tot binnentreden wordt
                    overgegaan. Dit betekent onder andere dat: - Een schriftelijke machtiging door
                    een daartoe bevoegd persoon of orgaan moet zijn afgegeven. Dit is voor niet
                    strafrechtelijke onderwerpen de burgemeester. Daarnaast geldt overigens dat een
                    dergelijke schriftelijke machtiging niet is vereist, indien ter voorkoming of
                    bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen
                    of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden. - Enkel kan worden
                    binnengetreden door personen die daartoe bij of krachtens de wet bevoegd zijn
                    verklaard. - Binnentreden gebeurt met inachtneming van de overige ter zake
                    geldende regels, zoals de legitimatieplicht en de verplichting om van het
                    binnentreden een verslag op te maken.</al><tussenkop>Modelverordeningen</tussenkop><al>In de hierboven reeds genoemde ledenbrief van de VNG van 20 september 1994
                    worden een aantal modellen aangeboden van op grond van artikel 149a van de
                    Gemeentewet in respectievelijk de model algemene plaatselijke verordening en de
                    model lozingsverordening op te nemen binnentredingsbepalingen. In deze
                    losbladige editie is een op artikel 149a van de Gemeentewet gebaseerde
                    modelverordening opgenomen aan op grond waarvan het voor het bevoegd gezag
                    mogelijk wordt om zo nodig in noodsituaties het huisrecht te beperken. Het gaat
                    daarbij, gelet op de tekst van artikel 149a Gemeentewet, alleen om de uitvoering
                    van een door de burgemeester vast te stellen noodverordening ex artikel 176
                    Gemeentewet (bij een op grond van artikel 175 Gemeentewet gegeven noodbevel is
                    geen sprake van een verordening).</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>JG 04.0174</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>