<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR32224_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Inspraakverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Elburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Elburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Huis aan huis Elburg, 13-12-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art 158</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>inspraak, beleidsvoornemen, procedure</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Inspraakverordening
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>De raad der gemeente Elburg;</vet>
          </al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 oktober
                        2005;</al>
          <al>gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;</al>
          <al>
            <vet>b e s l u i t :</vet>
          </al>
          <al>vast te stellen de Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en
                        belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden
                        betrokken (Inspraakverordening). </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
          </kop>
          <al>De verordening verstaat onder:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>inspraak: het betrekken van belanghebbenden en ingezetenen van de
                                gemeente Elburg bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li>
            <li nr="b."><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                gegeven;</al></li>
            <li nr="c."><al>beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Onderwerp van inspraak</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of
                            inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                            beleid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Geen inspraak wordt verleend:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                    vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li>
              <li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                    uitgesloten;</al></li>
              <li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij
                                    het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid
                                    heeft;</al></li>
              <li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                    dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de
                                    Gemeentewet;</al></li>
              <li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                    spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li>
              <li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van
                                    de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen
                                    in de samenleving.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Inspraakgerechtigden</titel>
          </kop>
          <al>Inspraak wordt verleend aan belanghebbenden of ingezetenen van de gemeente
                        Elburg.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Inspraakprocedure</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                            bestuursrecht van toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                            inspraak procedure vaststellen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Eindverslag</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag
                            op.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li>
              <li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                    mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li>
              <li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                    wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van
                                    het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag bekend door toezending aan de
                            indieners van een mondelinge of schriftelijke zienswijze.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Intrekking oude verordening</titel>
          </kop>
          <al>De Inspraakverordening, in werking getreden op 1 januari 1994, wordt
                        ingetrokken.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening treedt 1 januari 2006 in werking.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening.</al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus besloten door de raad der gemeente Elburg</ondertekening>
        <ondertekening>in zijn vergadering van </ondertekening>
        <ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening>
        <ondertekening>drs. H. Visser Mr. Ir. M.C. Luiting-Kamminga.</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting Inspraakverordening</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 150 van de Gemeentewet</tussenkop>
        <al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De VNG heeft in
                    1993 daarvoor een modelinspraakverordening opgesteld. Vele gemeenten hebben dit
                    model overgenomen. In 2003 heeft de VNG deze verordening grondig herzien. De
                    Modelinspraakverordening is aangepast aan diverse wetswijzigingen op nationaal
                    niveau, bijvoorbeeld aan het klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de Awb
                    is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet dualisering
                    gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in verschillende bijzondere wetten
                    (zoals artikel 118 van de Algemene bijstandswet en artikel 7a van de Wet
                    stedelijke vernieuwing). Tevens is het model aangepast aan de Aanwijzingen voor
                    de decentrale regelgeving (Adr).</al>
        <tussenkop>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                    Awb</tussenkop>
        <al>Met deze herziening is tevens beoogd de inspraakverordening aan te passen aan de
                    Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54). In deze wet
                    wordt afdeling 3.4 van de Awb grondig herzien en artikel 150 van de Gemeentewet
                    gewijzigd. De Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb is 1 juli 2005
                    in werking getreden, tegelijk met de Aanpassingswet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure.</al>
        <tussenkop>Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw)</tussenkop>
        <al>Afdeling 3.4 Awb bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze
                    afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en
                    het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Bij het inwerkingtreden van
                    de Awb in 1994 bestond naast deze afdeling nog een afdeling 3.5 die een
                    uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende. Met de nieuwe Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb is beoogd deze twee procedures ineen te schuiven en
                    tegelijkertijd te vereenvoudigen. Bij de Aanpassingswet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb wordt de nieuwe afdeling in verschillende bijzondere
                    wetten van toepassing verklaard. In de wet zelf is afdeling 3.4 (nieuw) van
                    toepassing verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten. </al>
        <al>Uit de laatste zinsnede van het nieuwe tweede lid van artikel 150 van de
                    Gemeentewet blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4 Awb zijn toegestaan (zie ook
                    de memorie van antwoord (MvA) Eerste Kamer, 2000-2001, 27 023, nummer 177b, blz.
                    3). In de memorie van toelichting (MvT) op de wet (TK 1999-2000, 27 023, nummer
                    3, blz. 31) is te lezen dat in de inspraakverordening zowel geheel als
                    gedeeltelijk kan worden afgeweken van afdeling 3.4 Awb. Dit laatste kan
                    bijvoorbeeld geschieden in gevallen waarin het wenselijk is om wel een ontwerp
                    ter inzage te leggen, maar de inspraak daarover op andere wijze te organiseren
                    dan via het mondeling naar voren brengen van zienswijzen of om te werken met
                    andere termijnen, aldus de MvT.</al>
        <tussenkop>Inspraakprocedure/deregulering</tussenkop>
        <al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. De VNG heeft
                    gekozen voor een sobere regeling mede met het oog op het door haar ondersteunde
                    dereguleringsstreven van opeenvolgende kabinetten. Door het van toepassing
                    verklaren van de procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen
                    van overbodige bepalingen (zoals het beklagrecht) en de onnodige
                    paragraafindeling, is de modelverordening nog verder gedereguleerd. Nu resteert
                    een bondige en goed leesbare verordening van slechts acht artikelen. Bovendien
                    maakt een globale raamregeling het mogelijk dat recht wordt gedaan aan de
                    behoefte van insprekers en gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal en
                    reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een
                    gedetailleerde en daardoor rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen
                    van insprekers.</al>
        <tussenkop>Alternatieven voor inspraak</tussenkop>
        <al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet naar onze mening onderscheiden worden
                    van de andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te
                    wenden. Te denken valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en
                    commissievergaderingen (regeling via het reglement van orde of een
                    commissieverordening). Andere mogelijkheden die buiten de inspraak vallen zijn:
                    het schrijven van brieven, het bezoeken van spreekuren, het houden van
                    informatiebijeenkomsten, referenda enz. Inspraak is uiteraard ook van een andere
                    orde dan de mogelijkheid om de uitkomsten van de beleidsvaststelling aan te
                    vechten door middel van bezwaar en beroep.</al>
        <al>Inspraak kan ook worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming.
                    Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor complexe
                    beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn, waarbij een
                    overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke
                    organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid betrekt om zo in een
                    open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de voorbereiding,
                    bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Interactieve
                    beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij
                    beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet weet - of nog niet wil
                    bepalen - hoe deze opgelost zullen worden.</al>
        <tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop>
        <al>a.Inspraak:</al>
        <al>Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in dit artikel
                    opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de
                    Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van
                    het gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan
                    belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens
                    kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk
                    hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke
                    belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet
                    'eenzijdig' gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen gedachtewisseling met het
                    bestuursorgaan is inbegrepen. Dit tweezijdige element van gedachtewisseling kan
                    wel naar voren komen in het organiseren van informatiebijeenkomsten. Deze
                    vallen, zoals gezegd in de Algemene toelichting, onder Alternatieven voor
                    inspraak, over interactieve beleidsvorming, buiten de inspraakprocedure. Door
                    middel van een informatiebijeenkomst wordt een derde doel gediend, te weten het
                    creëren van draagvlak voor beleidsvoornemens.</al>
        <al>b.Inspraakprocedure:</al>
        <al>De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over inspraak ligt
                    ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad. Zoals in de algemene
                    toelichting is vermeld, is afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard. Artikel 4,
                    tweede lid, van de verordening geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere
                    procedure te volgen. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor
                    uitvoering, de nadere regeling en organisatie van de inspraak.</al>
        <al>c.Beleidsvoornemen:</al>
        <al>Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het
                    bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk
                    zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of
                    maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden
                    gebaseerd.</al>
        <tussenkop>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</tussenkop>
        <al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1,
                    eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en burgemeester.
                    Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan inspraak
                    onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 20) is vermeld dat
                    het ter volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke
                    beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Omdat het in bepaalde gevallen
                    doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld
                    spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste
                    lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze
                    van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is
                    een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt.</al>
        <al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder hebben wij opgesomd welke
                    wettelijke verplichtingen gelden. Wij hebben ervan afgezien om dit op te nemen
                    in de tekst van artikel 2 zelf, omdat in de eerste plaats bij een nieuwe
                    wettelijke verplichting direct de verordening moet worden aangepast en in de
                    tweede plaats het een dermate uitgebreide opsomming is dat de verordening
                    hiermee onoverzichtelijk wordt.</al>
        <al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan thans bij:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing
                            (artikel 7a Wet stedelijke vernieuwing);</al></li>
          <li nr="b."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17,
                            derde lid, Wet milieubeheer (WM));</al></li>
          <li nr="c."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                            afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 WM (artikel 10.26,
                            tweede lid, WM);</al></li>
          <li nr="d."><al>het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel 1a Wet
                            voorzieningen gehandicapten);</al></li>
          <li nr="e."><al>de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving
                            van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Algemene bijstandswet
                            (artikel 118), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel 42, eerste lid, onder
                            d) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (artikel 42, eerste lid, onder
                            d);</al></li>
          <li nr="f."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                            bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a en b, van de Woningwet
                            (artikel 12, vierde lid).</al></li>
        </lijst>
        <al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend.</al>
        <tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop>
        <al>Er zijn geen wettelijke beletselen om bij het in procedure brengen van het
                    ontwerpplan af te wijken van het voorontwerp dat aan inspraak onderworpen is
                    geweest. Dit neemt niet weg dat, indien de afwijkingen ten opzichte van het
                    voorontwerp naar aard en omvang zodanig zijn dat een geheel ander plan is
                    ontstaan, dit aanleiding kan zijn de inspraak opnieuw een aanvang te laten
                    nemen. In dit geval oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State (ABRS) dat terecht geen nieuwe inspraak is opengesteld (ABRS 22 januari
                    2003, inzake nummer 200001851/1, LJN-nummer AF3164).</al>
        <tussenkop>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</tussenkop>
        <al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden 'in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen' vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                    'belanghebbende' is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook
                    gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al>
        <tussenkop>Artikel 4 Inspraakprocedure</tussenkop>
        <al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb
                    van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 (tot de
                    inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb:
                    artikel 3:11 tot en met 3:13) Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na
                    terinzagelegging en bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden
                    gedurende zes weken (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb: vier weken) schriftelijk of mondeling hun
                    zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend
                    zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid de
                    inspraakprocedure worden aangepast. Wij kunnen ons voorstellen dat bijvoorbeeld
                    de genoemde zeswekentermijn door het bestuursorgaan te lang wordt bevonden. Deze
                    termijn zou in de verordening kunnen worden aangepast of bij besluit van het
                    bestuursorgaan op grond van het tweede lid.</al>
        <al>In dit kader wordt voor twee punten aandacht gevraagd.</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Een inspraakprocedure kan ook het houden van een facultatief referendum
                            omvatten (uitvoering van de wijze waarop men zijn zienswijze naar voren
                            kan brengen). Dit middel zal echter, gezien de daaraan verbonden kosten,
                            op beperkte schaal worden toegepast. Daarnaast zijn wij ook van mening
                            dat dit in een afzonderlijke verordening moet worden vormgegeven.</al></li>
          <li nr="2."><al>Het is uiteraard mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te
                            ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet. Zo zou voor
                            artikel 19 WRO-procedures een aparte procedure kunnen worden ontwikkeld
                            met bijvoorbeeld een standaardtermijn van twee in plaats van zes
                            weken.</al></li>
        </lijst>
        <al>Naast de wettelijk voorgeschreven terinzagelegging, kan tevens gebruik gemaakt
                    worden van de gemeentelijke website om de burgers op het beleidsvoornemen te
                    wijzen. Zo kan in een internetpublicatie gewezen worden op (de samenvatting van)
                    het beleidsvoornemen en de inspraakprocedure. </al>
        <tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop>
        <al>Bij de behandeling van het beroep tegen de goedkeuring van een bestemmingsplan
                    wordt door de afdeling niet ingegaan op het bezwaar van appellant tegen de
                    beperking van de spreektijd tijdens de inspraakavond. Appellant had hiertegen
                    een klacht kunnen indienen en heeft dit niet gedaan, aldus de afdeling (ABRS 10
                    juli 2002, inzake nummer 200103950/1, LJN-nummer AE5107).</al>
        <tussenkop>Artikel 5 Eindverslag</tussenkop>
        <al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In artikel
                    3:17 (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure: artikel 3:13, vijfde lid) Awb wordt namelijk slechts
                    bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure
                    mondeling naar voren is gebracht.</al>
        <al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde
                    inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is
                    afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage
                    gelegd enz.?</al>
        <al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT
                    bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte
                    zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de
                    personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.</al>
        <al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                    bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.</al>
        <al>In het derde lid is bepaald dat het eindverslag wordt bekend gemaakt door
                    toezending aan de indieners van een mondeling of schriftelijke zienswijze. </al>
        <tussenkop>Artikel 6 Intrekking oude verordening</tussenkop>
        <al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De datum
                    waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking
                    treedt (zie artikel 7).</al>
        <tussenkop>Artikel 7 Inwerkingtreding</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al>
        <tussenkop>Artikel 8 Citeertitel</tussenkop>
        <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening. In de citeertitel
                    wordt geen jaartal opgenomen om te voorkomen dat de schijn wordt gewekt dat de
                    verordening slechts voor een jaar geldt.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>