<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR322135_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening gemeente Hellevoetsluis 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Groot-Hellevoet, 12-02-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening gemeente Hellevoetsluis 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 149 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-02-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-02-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-02-13</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-03-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>06-02-14/10</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening gemeente Hellevoetsluis
            2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nummer: 06-02-14/10</al><al/><al>De raad der gemeente Hellevoetsluis<vet>;</vet></al><al>gehoord de commissie algemene zaken en middelen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouder van 17 december 2013,
                        nummer: 06-02-14/10;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving
                        van de openbare orde;</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de Algemene plaatselijke verordening gemeente Hellevoetsluis
                        2014. </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al/><al><vet>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>-</al><al>bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de
                            grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de
                            Wegenwet;</al><al>-</al><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een
                            besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
                            2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een
                            al verleende omgevingsvergunning;</al><al>-</al><al>bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordeningdaaronder wordt
                            verstaan;</al><al>-</al><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al><al>-</al><al>gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet
                            daaronder wordt verstaan;</al><al>-</al><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten,
                            waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;</al><al>-</al><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere
                            wijze toegankelijk zijn;</al><al>-</al><al>openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties
                            daaronder wordt verstaan;</al><al>-</al><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een
                            zakelijk of persoonlijk recht;</al><al>-</al><al>weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet
                            daaronder wordt verstaan.</al><al/><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn</vet></al><al>1.</al><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning
                            of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de
                            aanvraag.</al><al>2.</al><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                            verdagen.</al><al>3.</al><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                            aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of
                            een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel 4:11.</al><al/><al><vet>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</vet></al><al>1.</al><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend
                            minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de
                            vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten
                            de aanvraag niet te behandelen.</al><al>2.</al><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of
                            ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd
                            tot ten hoogste acht weken.</al><al/><al><vet>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>1.</al><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                            worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot
                            bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                            vergunning of ontheffing is vereist.</al><al>2.</al><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de
                            daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al/><al><vet>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                            ontheffing</vet></al><al>De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze
                            verordening anders is bepaald.</al><al/><al><vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                ontheffing</vet></al><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><al>a.</al><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                            verstrekt;</al><al>b.</al><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten
                            opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking
                            of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter
                            bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;</al><al>c.</al><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al><al>d.</al><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen
                            een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde
                            termijn, binnen een redelijke termijn; of</al><al>e.</al><al>indien de houder dit verzoekt.</al><al/><al><vet>Artikel 1:7 Termijnen</vet></al><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al><al/><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet></al><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><al>a.</al><al>de openbare orde;</al><al>b.</al><al>de openbare veiligheid;</al><al>c.</al><al>de volksgezondheid;</al><al>d.</al><al>de bescherming van het milieu.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2. Openbare orde</titel></kop><structuurtekst><al/><al><vet>Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                            samenscholing, onnodig op te dringen of door te vechten of door
                            uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al><al>2.</al><al>Degene die op een openbare plaats</al><al>a.</al><al>aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen
                            te ontstaan;</al><al>b.</al><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van
                            publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
                            of</al><al>c.</al><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing of vechtpartij; is
                            verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen
                            of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al><al>3.</al><al>Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen
                            die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de
                            openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn
                            afgezet.</al><al>4.</al><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                            gestelde verbod.</al><al>5.</al><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op
                            betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                            samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al><al>6.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Afdeling 2. Betoging</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:2 Optochten</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><al>1.</al><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te
                            houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3,
                            eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de
                            openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt
                            gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al><al>2.</al><al>De kennisgeving bevat:</al><al>a.</al><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al><al>b.</al><al>het doel van de betoging;</al><al>c.</al><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang
                            en van beëindiging;</al><al>d.</al><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van
                            beëindiging;</al><al>e.</al><al>voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en</al><al>f.</al><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een
                            regelmatig verloop te bevorderen.</al><al>3.</al><al>Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het
                            tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Voorschriften, beperkingen of
                            verboden met betrekking tot de betoging, door de burgemeester gesteld,
                            onderscheidelijk gegeven krachtens artikel 5 van de Wet openbare
                            manifestaties worden op </al><al>het bewijs vermeld.</al><al>4.</al><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een
                            vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende
                            feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan
                            de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.</al><al>5.</al><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een
                            kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2:4 Afwijking termijn</vet></al><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al><al/><al><vet>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</vet></al><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al><al/><al><vet>Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                stukken of afbeeldingen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen
                            onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het
                            college aangewezen openbare plaatsen.</al><al>2.</al><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en
                            uren.</al><al>3.</al><al>Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of
                            het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                            afbeeldingen.</al><al>4.</al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                            lid.</al><al>5.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:8 Dienstverlening</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:9 Straatartiest e.d.</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                            straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de
                            burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid,
                            de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen.</al><al>2.</al><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                            dagen en uren.</al><al>3.</al><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>4.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:10</vet><vet>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg
                                in strijd met de publieke functie van de weg</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde
                            bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan
                            overeenkomstig de publieke functie daarvan. </al><al>2.</al><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: </al><al>a. </al><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24; </al><al>b. </al><al>terrassen als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid; </al><al>c.</al><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; </al><al>d</al><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. </al><al>3.</al><al>Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet: </al><al>a.</al><al>Voor de categorieën van voorwerpen die door het bevoegde bestuursorgaan
                            zijn aangewezen waarbij de nadere regels die voor categorieën van
                            voorwerpen zijn gesteld in acht moeten worden genomen.</al><al>b.</al><al>Voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                            Beheer Rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement (als dat
                            reglement een specifieke citeertitel heeft dan verdient het aanbeveling
                            om die te hanteren).</al><al>4.</al><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:</al><al>a.</al><al>Indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert
                            voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                            daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                            onderhoud van de weg. </al><al>b.</al><al>Indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de
                            omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. </al><al>c.</al><al>Ter voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de
                            nabijheid gelegen onroerende zaak. </al><al>5.</al><al>In dit artikel wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college
                            of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en
                            daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet,
                            de burgemeester. </al><al>6.</al><al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de
                            Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                            tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen
                                en veranderen van een weg</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te
                            leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te
                            spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of
                            anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een
                            weg.</al><al>2.</al><al>De vergunning wordt verleend:</al><al>a.</al><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten
                            zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening,
                            exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of</al><al>b.</al><al>door het college in de overige gevallen.</al><al>3.</al><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht
                            van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden
                            verricht.</al><al>4.</al><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt
                            voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de
                            waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                            Telecommunicatieverordening.</al><al>5.</al><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de
                            Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                            tijdig beslissen) van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te
                            brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien:</al><al>a.</al><al>degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering
                            te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren
                            melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een
                            situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande
                            situatie; of</al><al>b.</al><al>het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.</al><al>2.</al><al>Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien:</al><al>a.</al><al>daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;</al><al>b.</al><al>dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;</al><al>c.</al><al>het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
                            of</al><al>d.</al><al>er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere
                            uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste
                            gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.</al><al>3.</al><al>De uitweg kan worden aangelegd indien niet binnen vier weken na
                            ontvangst van de melding hebben beslist dat de gewenste uitweg wordt
                            verboden.</al><al>4.</al><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                            wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de
                            Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement.</al><al/><al/><al><vet>Afdeling 6. Veiligheid op de weg</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</vet></al><al>1.</al><al>Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht
                            deze</al><al>a.</al><al>te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken,
                            en</al><al>b.</al><al>terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat
                            bedrijf.</al><al>2.</al><al>Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare
                            plaats achter te laten.</al><al>3.</al><al>Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op
                            situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al><al/><al><vet>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk
                            voorwerp</vet></al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben
                            op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt
                            belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar
                            ontstaat.</al><al/><al><vet>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</vet></al><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk,
                            rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een
                            openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te
                            dekken.</al><al/><al><vet>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.</vet></al><al>1.</al><al>Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen
                            betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid
                            van de weggebruikers opleveren.</al><al>2.</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                            door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van
                            Strafrecht.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                            duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:</al><al>a.</al><al>te roken gedurende een door het college aangewezen periode;</al><al>b.</al><al>voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen
                            te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.</al><al>2.</al><al>De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties
                            waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het
                            Wetboek van Strafrecht.</al><al>3.</al><al>De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken
                            plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.</al><al/><al><vet>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</vet></al><al>1.</al><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan
                            dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het
                            verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden,
                            gewijzigd of verwijderd.</al><al>2.</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                            door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet
                            Privaatrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van
                            voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                            hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten,
                            die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te
                            plaatsen of te hebben.</al><al>2.</al><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen indien de elektrische
                            spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.</al><al>3.</al><al>Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de
                            hoogspanningslijn.</al><al>4.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden:</al><al>a.</al><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                            verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere
                            wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al><al>b.</al><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op
                            de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te
                            beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen
                            of te belemmeren.</al><al>2.</al><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                            door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale
                            vaarwegenverordening.</al><al/><al><vet>Afdeling 7. Evenementen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:24 Begripsbepaling</vet></al><al>1.</al><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek
                            toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:</al><al>a.</al><al>bioscoopvoorstellingen;</al><al>b.</al><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                            Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;</al><al>c.</al><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al><al>d.</al><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid
                            geven tot dansen;</al><al>e.</al><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare
                            manifestaties;</al><al>f.</al><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                            verordening.</al><al>2.</al><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><al>a.</al><al>een herdenkingsplechtigheid;</al><al>b.</al><al>een braderie;</al><al>c.</al><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van
                            deze verordening, op de weg;</al><al>d.</al><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;</al><al>e.</al><al>een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement).</al><al/><al><vet>Artikel 2:25 Evenement</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de
                            burgemeester een evenement te organiseren.</al><al>2.</al><al>Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien:</al><al>a.</al><al>het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 25 personen;</al><al>b.</al><al>het evenement tussen 09.00 en 22.00 uur plaats vindt;</al><al>c.</al><al>geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 22.00
                            uur;</al><al>d.</al><al>het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of
                            parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de
                            hulpdiensten;</al><al>e.</al><al>slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder
                            dan 10 m2 per object;</al><al>f.</al><al>er een organisator is; en</al><al>g.</al><al>de organisator ten minste 20 werkdagen voorafgaand aan het evenement
                            daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.</al><al>3.</al><al>De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding
                            besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te
                            vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, </al><al>de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</al><al>4.</al><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op
                            of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto
                            148, van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al>5.</al><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2:26 Ordeverstoring</vet></al><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al><al/><al><vet>Afdeling 8. Toezicht op horecabedrijven</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</vet></al><al>1.</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a.</al><al>horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin
                            bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt
                            verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor
                            directe consumptie worden bereid of verstrekt. </al><al>Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: </al><al>een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek,
                            buurthuis of clubhuis, een gelegenheid waar anders dan om niet enigerlei
                            eet- of drinkwaren te verkrijgen, af te halen of te verbruiken zijn.
                            Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend
                            terras en andere aanhorigheden.</al><al>b.</al><al>terras: een buiten de besloten ruimte van het horecabedrijf of
                            horecavoorziening liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan
                            worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken
                            of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                            verstrekt.</al><al>2.</al><al>Onder horecabedrijf wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte
                            van het horecabedrijf liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid
                            kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden
                            geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                            verstrekt.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2:28 Exploitatievergunninghorecabedrijf</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van
                            de burgemeester.</al><al>2.</al><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie
                            van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.</al><al>3.</al><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of
                            gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen
                            dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de
                            openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of wanneer
                            bij de ondernemer in enig opzicht sprake is van slecht levensgedrag dan
                            wel slecht ondernemerschap.</al><al>4.</al><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt
                            de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk,
                            waarin het horecabedrijf is gelegen, de aard van het horecabedrijf en de
                            spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot
                            zal komen te staan door de exploitatie.</al><al>5.</al><al>Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in een winkel als
                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een
                            nevenactiviteit is van de winkelactiviteit.</al><al>6.</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in
                            geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer
                            bij het horecabedrijf aanwezige terrassen voorzover deze zich op de weg
                            bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het
                            terras.</al><al>7.</al><al>Onverminderd het gestelde in het derde en het vierde lid kan de
                            burgemeester de in het zesde lid bedoelde ingebruikneming van die weg
                            ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen
                            weigeren:</al><al>a.</al><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar
                            oplevert voor debruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig
                            gebruik daarvan;</al><al>b.</al><al>indien het gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer
                            en onderhoud van de weg.</al><al>8.</al><al>Het bepaalde in het zesde en zevende lid geldt niet voorzover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                            rijkswaterstaatwerken of het provinciaal wegenreglement.</al><al>9.</al><al>De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of
                            een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft,
                            verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.</al><al>10.</al><al>Voorts geldt het eerste lid niet voor:</al><al>een horecabedrijf in zorginstelingen;</al><al>a.</al><al>een horecabedrijf in musea;</al><al>b.</al><al>een onderwijsinstelling;</al><al>c.</al><al>een bedrijfskantine.</al><al>11.</al><al>De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren
                            dan wel intrekken in het geval en onder voorwaarden bedoeld in artikel 3
                            van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                            bestuur.</al><al>12.</al><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de
                            vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in
                            het vijfde lid.</al><al/><al><vet>Artikel 2:29 Sluitingstijd</vet></al><al>1.</al><al>Het is de exploitant verboden het horecabedrijf voor bezoekers geopend
                            te hebben, of bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven: op
                            maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op zaterdag
                            en zondag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.</al><al>2.</al><al>De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere
                            sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een
                            daartoe behorend terras.</al><al>3.</al><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer
                            gebaseerde voorschriften.</al><al>4.</al><al>Voor een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid, gelden
                            dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.</al><al/><al><vet>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke
                            sluiting</vet></al><al>1.</al><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of
                            gezondheid, zedelijkheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor
                            een of meer horecabedrijven tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen
                            of tijdelijk sluiting bevelen.</al><al>2.</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b
                            van de Opiumwet voorziet.</al><al/><al><vet>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</vet></al><al>Het is verboden in een horecabedrijf:</al><al>a.</al><al>de orde te verstoren;</al><al>b.</al><al>zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting
                            gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30,
                            eerste lid;</al><al>c.</al><al>op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen
                            gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras;</al><al/><al><vet>Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven</vet></al><al>1.</al><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld
                            in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel
                            437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al>2.</al><al>De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of
                            een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft,
                            verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.</al><al/><al><vet>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>Indien een horecabedrijf geen voor het publiek openstaand gebouw of
                            bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt
                            het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als
                            bevoegd bestuursorgaan.</al><al/><al><vet>Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld
                                in de Drank- en Horecawet</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:34a Begripsbepaling</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>- alcoholhoudende drank,</al><al>- horecabedrijf,</al><al>- horecalocaliteit,</al><al>- inrichting,</al><al>- paracommerciële rechtspersoon,</al><al>- sterke drank,</al><al>- slijtersbedrijf en</al><al>- zwak-alcoholhoudende drank,</al><al>dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële
                            rechtspersonen</vet></al><al>1.</al><al>Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van
                            recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve,
                            levensbeschouwelijke of godsdienstige aard verstrekken uitsluitend
                            alcoholhoudende drank</al><al>a.</al><al>maandag tot en met vrijdag na 12.00 uur en tot 0.00 uur;</al><al>b.</al><al>zaterdag na 12.00 uur en tot 01.00 uur; en</al><al>c.</al><al>zondag na 12.00 uur en tot 01.00 uur.</al><al>2.</al><al>Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank
                            tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht
                            zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van
                            de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.</al><al/><al><vet>Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:35 Begripsbepaling</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                            besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                            personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen
                            wordt verschaft.</al><al/><al><vet>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</vet></al><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                            exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                            verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven
                            aan de burgemeester.</al><al/><al><vet>Artikel 2:37 Nachtregister</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</vet></al><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                            verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting
                            volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum,
                            geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te
                            verstrekken.</al><al/><al><vet>Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</vet></al><al>1.</al><al>In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het
                            publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang
                            alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te
                            beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden
                            gewonnen of verloren.</al><al>2.</al><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                            speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is
                            niet van toepassing op:</al><al>a.</al><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid,
                            onder b, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend;</al><al>b.</al><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van
                            Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; en</al><al>c.</al><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine
                            kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te
                            beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van
                            de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel I, onder a, van
                            de Wet op de kansspelen te verrichten.</al><al>3.</al><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><al>a.</al><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
                            leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde
                            op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van
                            de speelgelegenheid; of</al><al>b.</al><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een
                            geldend bestemmingsplan.</al><al>4.</al><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2:40 Kansspelautomaten</vet></al><al>1.</al><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al>a.</al><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al><al>b.</al><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de
                            Wet;</al><al>c.</al><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder
                            d, van de Wet;</al><al>d.</al><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder
                            e, van de Wet.</al><al>2.</al><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan,
                            waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al><al>3.</al><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                            toegestaan.</al><al/><al><vet>Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten
                            woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning
                            of dat lokaal behorend erf te betreden.</al><al>2.</al><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten
                            woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die
                            woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk
                            lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al><al>3.</al><al>Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in
                            de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.</al><al/><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende
                            zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te
                            bekladden.</al><al>2.</al><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op
                            een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf
                            die plaats zichtbaar is:</al><al>a.</al><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te
                            plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen
                            aanbrengen;</al><al>b.</al><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter,
                            cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.</al><al>3.</al><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld
                            wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al><al>4.</al><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                            meningsuitingen en bekendmakingen.</al><al>5.</al><al>Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van
                            handelsreclame.</al><al>6.</al><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                            meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op
                            de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.</al><al>7.</al><al>De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een
                            opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te
                            geven.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet,
                            aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te
                            vervoeren of bij zich te hebben.</al><al>2.</al><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of
                            gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen
                            als verboden in artikel 2:42.</al><al/><al><vet>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren
                            of bij zich te hebben.</al><al>2.</al><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet
                            zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot
                            een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of
                            te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het
                            maken van sporen te voorkomen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:44a Verbod op het vervoeren van geprepareerde
                                voorwerpen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of
                            bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het
                            plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.</al><al>2.</al><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                            redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde
                            voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</vet></al><al>1.</al><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing
                            van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud
                            zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken,
                            buiten de daarin gelegen wegen of paden.</al><al>2.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden
                            te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij
                            dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.</al><al>2.</al><al>Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                            door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale
                            wegenverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op een openbare plaats:</al><al>a.</al><al>te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping,
                            constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                            afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd
                            straatmeubilair;</al><al>b.</al><al>zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners
                            van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of
                            hinder berokkent.</al><al>2.</al><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                            door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of
                            artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al/><al><vet>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te gebruiken
                            indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren,
                            het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast
                            veroorzaken.</al><al>2.</al><al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door
                            het college aangwezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of
                            aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende </al><al>drank bij zich te hebben.</al><al>3.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><al>a.</al><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1
                            van de Drank- en Horecawet; en</al><al>b.</al><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor
                            een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en
                            Horecawet.</al><al/><al><vet>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden:</al><al>a.</al><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;</al><al>b.</al><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van
                            een gebouw te zitten of te liggen.</al><al>2.</al><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw,
                            appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een
                            gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk
                            doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte
                            van dat gebouw.</al><al/><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                ruimten</vet></al><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen
                            hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                            toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken
                            voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze
                            ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen,
                            wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en
                            rijwielstallingen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                            plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de
                            gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien:</al><al>a.</al><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker
                            van dat gebouw of dat portiek; of</al><al>b.</al><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al><al/><al><vet>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                kermisterrein e.d.</vet></al><al>Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de
                            burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te
                            bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein
                            waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt
                            gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                            van het terrein.</al><al/><al><vet>Artikel 2:53 Bespieden van personen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw,
                            woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze
                            persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit
                            woonschip bevindt, te bespieden.</al><al>2.</al><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch
                            instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip
                            bevindt te bespieden.</al><al/><al><vet>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:56 Alarminstallaties</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:57 Loslopende honden</vet></al><al>1.</al><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                            verblijven of te laten lopen:</al><al>a.</al><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                            ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere
                            door het college aangewezen plaats;</al><al>b.</al><al>binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd;
                            of</al><al>c.</al><al>op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander
                            identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.</al><al>2.</al><al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing
                            op door het college aangewezen plaatsen.</al><al>3.</al><al>De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet van
                            toepassing op de eigenaar of houder van een hond:</al><al>a.</al><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond
                            laat begeleiden; of</al><al>b.</al><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of
                            sociale hulphond.</al><al/><al><vet>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</vet></al><al>1.</al><al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht
                            ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden
                            verwijderd.</al><al>2.</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een
                            hond</al><al>a.</al><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond
                            laat begeleiden; of</al><al>b.</al><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of
                            sociale hulphond.</al><al>3.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het
                            college aangewezen plaatsen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</vet></al><al>1.</al><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of
                            hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een
                            aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die
                            hond </al><al>verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een
                            ander.</al><al>2.</al><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond
                            aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot
                            halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al><al>3.</al><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de
                            hond voorzien te houden van een muilkorf die:</al><al>a.</al><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide
                            stoffen;</al><al>b.</al><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is
                            aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk
                            is; en</al><al>c.</al><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten
                            ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen
                            scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.</al><al>4.</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c, dient een
                            hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de
                            bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door
                            middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.</al><al/><al><vet>Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                                dieren</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van
                            overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen,
                            buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat
                            aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: </al><al>a.</al><al>aanwezig te hebben;</al><al>b.</al><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college
                            gestelde regels;</al><al>c.</al><al>aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is
                            aangegeven.</al><al>2.</al><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen
                            plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing
                            verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.</al><al>3.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2:61 Wilde dieren</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:62 Loslopend vee</vet></al><al>De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens (vee)
                            die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg
                            is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te
                            zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg
                            niet kan bereiken.</al><al/><al><vet>Artikel 2:64 Bijen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden bijen te houden:</al><al>a.</al><al>binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar
                            overdag mensen verblijven;</al><al>b.</al><al>binnen een afstand van 30 meter van de weg</al><al>2.</al><al>Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing
                            verlenen.</al><al>3.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2:65 Bedelarij</vet></al><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg
                            of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of
                            andere zaken.</al><al/><al><vet>Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van
                                goederen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:66 Begripsbepaling</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als
                            bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van
                            artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                                verkoopregister</vet></al><al>1.</al><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of
                            ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in
                            een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt
                            register, en daarin onverwijld op te nemen:</al><al>a.</al><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;</al><al>b.</al><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al><al>c.</al><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor dat mogelijk is
                            - soort, merk en nummer van het goed;</al><al>d.</al><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
                            en</al><al>e.</al><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.</al><al>2.</al><al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.</al><al>3.</al><al>Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het
                                Wetboek van Strafrecht</vet></al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><al>a.</al><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                            stellen:</al><al>1.</al><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn
                            woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende
                            vestiging;</al><al>2.</al><al>van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;</al><al>3.</al><al>dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;</al><al>4.</al><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf
                            afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;</al><al>b.</al><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter
                            inzage te geven;</al><al>c.</al><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn
                            naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;</al><al>d.</al><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in
                            bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.</al><al/><al><vet>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen
                            goederen</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</vet></al><al>[Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare
                            inrichtingen) onder artikel 2:32]</al><al/><al><vet>Afdeling 13. Vuurwerk</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:71 Begripsbepaling</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen
                            daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                            nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                            (Vuurwerkbesluit ).</al><al/><al><vet>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                                tijdens de verkoopdagen.</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                            consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                            beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het
                            college.</al><al>2.</al><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                jaarwisseling</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college
                            in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast
                            aangewezen plaats.</al><al>2.</al><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken
                            als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al><al>3.</al><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing
                            op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1,
                            van het Wetboek van Strafrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 2:73a Carbid schieten</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen
                            calciumacetylide (carbid) en water of een gasmengsel met vergelijkbare
                            eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.</al><al>2.</al><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet buiten de bebouwde kom van 31
                            december 10.00 tot 1 januari van het daaropvolgend jaar 02.00 uur.</al><al>3.</al><al>Het college is, met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid,
                            bevoegd nadere regels te stellen.</al><al>4.</al><al>Het college is bevoegd van het in het eerste lid gestelde verbod
                            ontheffing te verlenen.</al><al>5.</al><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet
                            wapens en munitie en het Wetboek van Strafrecht.</al><al/><al><vet>Afdeling 14. Drugsoverlast</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:74 </vet></al><al>Drugshandel op straatOnverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het
                            verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te
                            bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of
                            daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om
                            middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop
                            gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden
                            of </al><al>te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik</vet></al><al>Het is verboden, op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke
                            plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld
                            in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan
                            wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik
                            voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.</al><al/><al><vet>Artikel 2:74b Weggooien van spuiten en dergelijke</vet></al><al>Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden,
                            reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende voorwerpen op of
                            aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het
                            kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.</al><al/><al><vet>Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen en gebruik lasers</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</vet></al><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de
                            Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem
                            aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien
                            deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19, 2:47,
                            2:48, 2:49, 2:50, 2:72 en/of 5:34 van de Algemene plaatselijke
                            verordening groepsgewijs niet naleven.</al><al/><al><vet>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de
                            Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                            wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een
                            gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                            gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als
                            veiligheidsrisicogebied.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al>1.</al><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de
                            Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                            bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.</al><al>2.</al><al>De burgemeester wijst de openbare plaats of plaatsen aan waar het
                            cameratoezicht wordt uitgeoefend.</al><al/><al><vet>Artikel 2:77a Gebruik lasers</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op of aan de weg, op een openbare plaats zodanig met
                            laserlicht te schijnen dat daardoor de openbare orde of veiligheid wordt
                            verstoord of overlast wordt veroorzaakt.</al><al>2.</al><al>Het is verboden op de weg, een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                            een door het college aangewezen gebied, lasers, laserpennen of
                            dergelijke apperatuur in bezit te hebben of met zich mee te voeren,
                            anders dan voor professioneel gebruik.</al><al/><al><vet>Afdeling 16. Omgevingsverboden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:78 Wijkverbod</vet></al><al>1.</al><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid,
                            het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van
                            aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of
                            goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan degene die strafbare
                            feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een verbod
                            opleggen om zich te bevinden op in dat verbod aangewezen gebied
                            gedurende een in het verbod neergelegde periode.</al><al>2.</al><al>Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de
                            burgemeester aan degene aan wie eerder een wijkverbod als bedoeld in het
                            eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat
                            hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen
                            verricht, een wijkverbod opleggen om zich gedurende een in dat
                            wijkverbod genoemd tijdvak van ten hoogste 30 dagen te bevinden op een
                            in dat wijkverbod aangewezen gebied.</al><al>3.</al><al>Een wijkverbod krachtens het tweede lid kan slechts worden opgelegd
                            indien strafbare feiten of andere openbare orde verstorende handelingen
                            binnen zes maanden na het opleggen van een eerder wijkverbod, opgelegd
                            op grond van het eerste of het tweede lid, zijn geconstateerd.</al><al>4.</al><al>De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde
                            wijkverboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden
                            van betrokkene noodzakelijk is.</al><al>5.</al><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester
                            opgelegd wijkverbod.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3. Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
                            e.d.</titel></kop><structuurtekst><al/><al><vet>Afdeling 1. Begripsbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a.</al><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                            seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>b.</al><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van
                            seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>c.</al><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                            waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                            seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                            erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                            worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                            sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens
                            begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                            elkaar;</al><al>d.</al><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                            rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                            was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de
                            bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al>e.</al><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                            hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                            particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;</al><al>f.</al><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                            rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan
                            wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                            rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al><al>g.</al><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                            feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting
                            of escortbedrijf;</al><al>h.</al><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering
                            van:</al><al>1. </al><al>de exploitant;</al><al>2. </al><al>de beheerder;</al><al>3. </al><al>de prostituee;</al><al>4. </al><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al><al>5. </al><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze
                            verordening;</al><al>6. </al><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende
                            redenen noodzakelijk is.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al/><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                            college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen
                            en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de
                            Gemeentewet, de burgemeester.</al><al/><al><vet>Artikel 3:3 Nadere regels</vet></al><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13,
                            tweede lid kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de
                            uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.</al><al/><al><vet>Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te
                            wijzigen zonder vergunning van </al><al>het bevoegd bestuursorgaan.</al><al>2.</al><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval
                            vermeld:</al><al>a.</al><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al><al>b.</al><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al><al>c.</al><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al><al>3.</al><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><al>1.</al><al>De exploitant en de beheerder:</al><al>a.</al><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of
                            de voogdij;</al><al>b.</al><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al><al>c.</al><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al><al>2.</al><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en de
                            beheerder niet:</al><al>a.</al><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een
                            psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van
                            het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;</al><al>b.</al><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                            onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden of meer door de
                            rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, </al><al>Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een
                            andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een
                            bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het
                            Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al><al>c.</al><al>binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken
                            onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500
                            euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede
                            wegens </al><al>overtreding van:</al><al>-</al><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet,
                            de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;</al><al>-</al><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252,
                            250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater
                            en 453 van het Wetboek van Strafrecht;</al><al>-</al><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of
                            juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al><al>-</al><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de
                            Kansspelen;</al><al>-</al><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al><al>-</al><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al><al>3.</al><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                            gesteld:</al><al>a.</al><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede
                            lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid
                            onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                            minder dan 375 euro bedraagt;</al><al>b.</al><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.</al><al>4.</al><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><al>a.</al><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van
                            beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al><al>b.</al><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de
                            intrekking van deze vergunning.</al><al>5.</al><al>De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen
                            exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf
                            die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is
                            gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid,
                            is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt
                            treft.</al><al/><al><vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en
                            daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:</al><al>a.</al><al>op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur;</al><al>b.</al><al>op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.</al><al>2.</al><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke seksinrichting
                            andere sluitingstijden vaststellen.</al><al>3.</al><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden
                            gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of
                            tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te
                            zijn.</al><al>4.</al><al>Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op situaties
                            waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde
                            voorschriften.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                sluiting</vet></al><al>1.</al><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13,
                            tweede lid of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit
                            hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:</al><al>a.</al><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid,
                            geldende sluitingstijden vaststellen;</al><al>b.</al><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                            gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al><al>2.</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                            bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in
                            het eerste lid bekend overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet
                            bestuursrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                beheerder</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                            zonder dat exploitant of de beheerder bedoeld in artikel 3:4, tweede lid
                            onder a of b in de seksinrichting aanwezig is.</al><al>2.</al><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de
                            seksinrichting:</al><al>a.</al><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten
                            genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven
                            tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en
                            XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de </al><al>Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en</al><al>b.</al><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij
                            of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                            bepaalde.</al><al/><al><vet>Artikel 3:9 Straatprostitutie</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere
                            wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de diensten van een
                            prostituee, uit te nodigen dan wel aan te lokken:</al><al>a.</al><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;</al><al>b.</al><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.</al><al>2.</al><al>Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan
                            door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een
                            bepaalde richting te verwijderen.</al><al>3.</al><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13,
                            tweede lid, kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op
                            de wegen of gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid,
                            het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te </al><al>verwijderen.</al><al>4.</al><al>De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen
                            genoemd in artikel 3:13, tweede lid, personen aan wie ten minste eenmaal
                            een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden </al><al>zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van
                            vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de tijden
                            bedoeld in het eerste lid onder b.</al><al>5.</al><al>De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid indien dat
                            in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                            noodzakelijk is.</al><al>6.</al><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester
                            opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al><al/><al><vet>Artikel 3:10 Sekswinkels</vet></al><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                            sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                            openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen
                            van de gemeente.</al><al/><al><vet>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                            dergelijke</vet></al><al>1.</al><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop
                            goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken
                            dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon
                            te stellen, aan te bieden of aan te brengen: </al><al>a.</al><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                            bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen
                            daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; </al><al>b.</al><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het
                            belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. </al><al>2.</al><al>Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het
                            tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften,
                            aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, </al><al>die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in
                            artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al/><al><vet>Afdeling 3. Beslistermijn: weigeringsgronden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:12 Beslistermijn</vet></al><al>1.</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist het
                            bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel
                            3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag
                            ontvangen is.</al><al>2.</al><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf
                            weken verdagen.</al><al/><al><vet>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</vet></al><al>1.</al><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd
                            indien:</al><al>a.</al><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5
                            gestelde eisen;</al><al>b.</al><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                            escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                            beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit,
                            stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; of</al><al>c.</al><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf
                            personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het
                            Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid
                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al><al>2.</al><al>Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan,
                            onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in
                            artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of
                            vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in
                            het belang van:</al><al>a.</al><al>de openbare orde;</al><al>b.</al><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al><al>c.</al><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                            leefklimaat;</al><al>d.</al><al>de veiligheid van personen of goederen;</al><al>e.</al><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al>f.</al><al>de gezondheid of zedelijkheid; of</al><al>g.</al><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al><al/><al/><al><vet>Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</vet></al><al>1.</al><al>De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig artikel 3:4
                            op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de seksinrichting of het
                            escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al><al>2.</al><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft
                            de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                            bestuursorgaan.</al><al/><al><vet>Artikel 3:15 Wijziging beheer</vet></al><al>1.</al><al>Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het
                            escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan binnen
                            een week schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al><al>2.</al><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het
                            bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besluit de
                            verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te
                            wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a,
                            is van overeenkomstige toepassing.</al><al>3.</al><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer
                            worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de
                            exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend,
                            totdat over de aanvraag is besloten.</al><al/><al><vet>Afdeling 5. Overgangsbepaling</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:16 Overgangsbepaling</vet></al><al>1.</al><al>Op het exploiteren van een bestaande seksinrichting of escortbedrijf is
                            het gestelde in artikel 3:4, eerste lid, niet van toepassing:</al><al>a.</al><al>gedurende 12 weken na het in werking treden daarvan;</al><al>b.</al><al>na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant binnen
                            deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4,
                            eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag door het bevoegd
                            gezag een besluit is genomen.</al><al>2.</al><al>Gedurende de periode als bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd
                            bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde
                            belangen van de exploitant aanschrijven tot het treffen van in die </al><al>aanschrijving vermelden voorzieningen.</al><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg
                            voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><structuurtekst><al/><al><vet>Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a.</al><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                            milieubeheer;</al><al>b.</al><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;</al><al>c.</al><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider,
                            beheerder of anderszins een inrichting drijft;</al><al>d.</al><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een
                            klein aantal inrichtingen is verbonden;</al><al>e.</al><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan
                            één of een klein aantal inrichtingen;</al><al>f.</al><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel
                            1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige
                            gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende
                            inrichting;</al><al>g.</al><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de
                            Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met
                            uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;</al><al>h.</al><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.</al><al/><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><al>1.</al><al>De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                            Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het
                            college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                            gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al><al>2.</al><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                            sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste
                            lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar
                            aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te
                            wijzen dagen of dagdelen.</al><al>3.</al><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het
                            college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt voor een bepaald gebied
                            binnen de gemeente.</al><al>4.</al><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van
                            een nieuw kalenderjaar bekend.</al><al>5.</al><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet
                            te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit
                            als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</al><al>6.</al><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting,
                            bedraagt niet meer dan 20 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige
                            gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.</al><al>7.</al><al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte
                            muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens
                            wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.</al><al>8.</al><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen
                            van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen
                            2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening-
                            in de buitenruimte uiterlijk niet later eindigen dan 24.00 uur op zondag
                            tot en met donderdag en niet later eindigen dan 01.00 uur op zaterdag,
                            zondag en feestdagen. Collectieve festiviteiten in de binnenruimte mogen
                            uiterlijk niet later eindigen dan: op maandag tot en met vrijdag dan
                            01.00 uur, en niet later eindigen dan 02.00 uur op zaterdag, zondag en
                            feestdagen.</al><al/><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><al>1.</al><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten
                            per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de
                            artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze
                            verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting
                            ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                            daarvan in kennis heeft gesteld.</al><al>2.</al><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 3 incidentele
                            festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten
                            behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, eerste lid, van het
                            Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten
                            minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college
                            daarvan in kennis heeft gesteld.</al><al>3.</al><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                            kennisgeving.</al><al>4.</al><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier,
                            volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op
                            dat formulier vermeld.</al><al>5.</al><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college
                            op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit,
                            die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.</al><al>6.</al><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting
                            bedraagt niet meer dan 20 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige
                            gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.</al><al>7.</al><al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte
                            muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens
                            wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwen gelaten.</al><al>8.</al><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen
                            van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen
                            2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening -
                            in de buitenruimte uiterlijk niet later eindigen dan 24.00 uur op zondag
                            tot en met donderdag en niet later eindigen dan 01.00 uur op zaterdag,
                            zondag en feestdagen. Collectieve festiviteiten in de binnenruimte mogen
                            uiterlijk niet later eindigen dan: op maandag tot en met vrijdag dan
                            01.00 uur, en niet later eindigen dan 02.00 uur op zaterdag, zondag en
                            feestdagen. De geluidsnorm is exclusief 10 dB(A) aftrek vanwege
                            muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                            beschouwing gelaten.</al><al>9.</al><al>De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde
                            gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.</al><al>10.</al><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren
                            gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of
                            goederen.</al><al/><al><vet>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</vet></al><al>1.</al><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in
                            artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen
                            inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien
                            verstande dat:</al><al>a.</al><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige
                            gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen
                            geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen
                            uitvoeren van geluidsmetingen;</al><al>b.</al><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige
                            terreinen op de grens van het terrein;</al><al>c.</al><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het
                            woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en
                            verblijfsruimten;</al><al>d.</al><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen
                            bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.</al><al>e.</al><al>Tabel</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><thead><row><entry><al/></entry><entry><al>7.00-1900</al><al>uur</al></entry><entry><al>19.00-2300</al><al>uur</al></entry><entry><al>23.00-7.00</al><al>uur</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>LAr.LT op de gevel van gevoelige </al><al>gebouwen</al></entry><entry><al>50 dB(A)</al></entry><entry><al>45 dB(A)</al></entry><entry><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige</al><al>gebouwen</al></entry><entry><al>35 dB(A)</al></entry><entry><al>30 dB(A)</al></entry><entry><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>LAmax op de gevel van gevoelige </al><al>gebouwen</al></entry><entry><al>70 dB(A)</al></entry><entry><al>65 dB(A)</al></entry><entry><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>LArmax in in- en aanpandige gevoelige</al><al>gebouwen</al></entry><entry><al>55 dB(A)</al></entry><entry><al>50 dB(A)</al></entry><entry><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.</al><al>Voor de duur van 2 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het
                            oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en
                            fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en
                            avondperiode </al><al>uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.</al><al>3.</al><al>Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte
                            elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en
                            is het Besluit van toepassing.</al><al>4.</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele
                            festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 en artikel 4:3.</al><al/><al/><al/><al><vet>Artikel 4:5a Traditioneel schieten</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                            of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten
                            in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende
                            of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</al><al>2.</al><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al><al>3.</al><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                            door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties,
                            het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.</al><al>4.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 4:6a (Geluid)hinder door dieren</vet></al><al>Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de
                            zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of
                            overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 4:6b (Geluid)hinder door bromfietsen e.d.</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                            zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat
                            daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder
                            ontstaat.</al><al>2.</al><al>Gedragen betreft niet alleen rondrijden, maar ook het stilstaan met
                            (luidruchtig) draaiende motor.</al><al/><al><vet>Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:7 Straatvegen</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                            natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al><al/><al><vet>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare
                                riolen en putten buiten gebouwen</vet></al><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                            gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert
                            voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de
                            gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al><al/><al><vet>Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:10 Begripsbepalingen</vet></al><al>1.</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a.</al><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;</al><al>b.</al><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk
                            uitlopen.</al><al>c.</al><al>boom: houtig gewas met een duidelijke doorgaande stam.</al><al>d.</al><al>gedenkboom: gemeentelijke boom die geplant is ter gelegenheid van een
                            bijzondere gebeurtenis.</al><al>e.</al><al>dunning: onderhoudsmaatregel ter bevordering van het voortbestaan van de
                            houtopstand.</al><al>2.</al><al>In deze afdeling wordt onder vellen verstaan: rooien, met inbegrip van
                            verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die leiden tot de
                            dood of ernstige beschadiging en ontsiering van een houtopstand.</al><al/><al><vet>Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van
                                houtopstanden</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden zonder vergunning van het collegeg houtopstanden te
                            vellen of te doen vellen in onderstaande situaties:</al><al>a.</al><al>gedenkbomen.</al><al>b.</al><al>alle gemeentelijke houtopstanden waarvan de omtrek groter is dan 0,30
                            meter gemeten op 1,30 meter hoogte vanaf het maaiveld.</al><al>2.</al><al>Het verbod geldt niet voor:</al><al>a.</al><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld.</al><al>b.</al><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de plantenziektewet of
                            krachtens een aanschrijving of last van het college uit het oogpunt van
                            veiligheid.</al><al>c.</al><al>een dode houtopstand.</al><al>3.</al><al>Voor bomen op niet gemeentelijke grond geldt dat het kappen van bomen
                            vergunningsvrij is voor bomen met een omtrek kleiner dan 2,50 meter
                            gemeten op 1,30 meter hoogte vanaf het maaiveld.</al><al>Dit geldt niet als het aantal te rooien bomen per jaar met een omtrek
                            groter dan 0,3 meter gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld meer
                            bedraagt dan 5 stuks.</al><al/><al><vet>Artikel 4:11a Weigeringsgronden</vet></al><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning ook worden geweigerd op
                            grond van:</al><al>a.</al><al>de natuurwaarde van de houtopstand.</al><al>b.</al><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand.</al><al>c.</al><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon.</al><al>d.</al><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand.</al><al>e.</al><al>de culthuurhistorische waarde van de houtopstand.</al><al>f.</al><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al><al/><al><vet>Artikel 4:11b Bijzondere vergunningsvoorschriften</vet></al><al>1.</al><al>Het college kan nadere verplichtingen opleggen zoals:</al><al>a.</al><al>herplantplicht.</al><al>b.</al><al>verplantplicht.</al><al>Zij kan aan her- en verplanten extra voorwaarden verbinden zoals het
                            laten taxeren van de boomwaarde en- of het opstellen van een bomen
                            effect analyse.</al><al>2.</al><al>Het college kan een her- en verplantplicht opleggen als er zonder
                            vereiste vergunning is gekapt.</al><al>3.</al><al>Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van feitelijk
                            niet-gebruik tot het moment van definitief worden van de vergunning,
                            oftewel tot het moment dat:</al><al>a.</al><al>de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is verstreken zonder dat
                            bezwaar of beroep is ingediend;</al><al>b.</al><al>beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening;</al><al>c.</al><al>beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot voorlopige
                            voorziening is gedaan.</al><al/><al><vet>Artikel 4:11c Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen</vet></al><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en
                            stankoverlast</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                enz.</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk
                            aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan
                            wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                            plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de
                            openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te
                            slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: </al><al>a.</al><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of
                            vaartuigen of onderdelen daarvan;</al><al>b.</al><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al><al>c.</al><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan,
                            indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
                            verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of</al><al>d.</al><al>mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                            verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                            landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</al><al>2.</al><al>Het is verbodenop een door het college aangewezen plaats een bepaald
                            voorwerp of een bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te
                            hebben.</al><al>3.</al><al>Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede
                            lid nadere regels stellen.</al><al>4.</al><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                            krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de
                            Provinciale Verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of
                            te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding
                            waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder
                            ontstaat voor de omgeving.</al><al>2.</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                            door het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.</al><al/><al><vet>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:17 Begripsbepaling</vet></al><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of
                            voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van
                            artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt
                            wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</al><al/><al><vet>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten
                            kampeerterreinen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen
                            te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als
                            zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan
                            of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.</al><al>2.</al><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen
                            gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al><al>3.</al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het
                            eerste lid.</al><al>4.</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden
                            geweigerd in het belang van:</al><al>a.</al><al>de bescherming van natuur en landschap; of</al><al>b.</al><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al><al>5.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing</al><al/><al><vet>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</vet></al><al>1.</al><al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door
                            het college aangewezen plaatsen.</al><al>2.</al><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de
                            belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                            gemeente</titel></kop><structuurtekst><al/><al><vet>Afdeling 1. Parkeerexcessen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a.</al><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het
                            Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering
                            van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;</al><al>b.</al><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement
                            verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).</al><al/><al><vet>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al><al>1.</al><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:</al><al>a.</al><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al><al>b.</al><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen
                            betaling.</al><al>2.</al><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:</al><al>a.</al><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht
                            die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die
                            nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al><al>b.</al><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde
                            persoon.</al><al>3.</al><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van
                            maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te
                            verhandelen, verboden:</al><al>a.</al><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de
                            weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als
                            middelpunt een van deze voertuigen;</al><al>b.</al><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al><al>4.</al><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al><al/><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te
                            parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te
                            verhandelen.</al><al>2.</al><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al><al>3.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</vet></al><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig
                            te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie
                            achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al><al/><al><vet>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van
                            onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op
                            de weg te parkeren.</al><al>2.</al><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                            door de Wet milieubeheer.</al><al/><al><vet>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden een woonwagen , kampeerwagen, caravan, camper,
                            magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat
                            voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan
                            verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al><al>a.</al><al>langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen
                            of te hebben;</al><al>b.</al><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar
                            zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente.</al><al>2.</al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid,
                            aanhef en onder a.</al><al>3.</al><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                            wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale
                            landschapsverordening.</al><al>4.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van
                            handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee
                            handelsreclame te maken.</al><al>2.</al><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al><al>3.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte
                            heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te
                            parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn
                            oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>2.</al><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte
                            heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college
                            aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met
                            het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</al><al>3.</al><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van
                            maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al><al>4.</al><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers,
                            kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen
                            niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst
                            of gehouden.</al><al>5.</al><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden
                            ontheffing verlenen.</al><al>6.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte
                            heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de
                            weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                            gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of
                            gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun
                            anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al><al>2.</al><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt
                            wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van
                            het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al><al/><al><vet>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                stoffen</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door
                            voertuigen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of
                            een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin
                            te doen of te laten staan.</al><al>2.</al><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><al>a.</al><al>op de weg;</al><al>b.</al><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de
                            overheid; en</al><al>c.</al><al>op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die
                            voor dit doel zijn bestemd.</al><al>3.</al><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al><al>4.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</vet></al><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk
                            aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of
                            ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen
                            fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of
                            plaatsen te laten staan.</al><al/><al><vet>Artikel 5:12a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in
                                kampeermiddelen</vet></al><al>Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen,
                            dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een
                            soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit
                            als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid
                            daartoe te bieden.</al><al/><al><vet>Afdeling 2. Collecteren</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                            inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst
                            aan te bieden.</al><al>2.</al><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij
                            het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of
                            gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van
                            geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk
                            wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of
                            ideëel doel is bestemd.</al><al>3.</al><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden
                            wordt.</al><al>4.</al><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Afdeling 3. Venten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:14 Begripsbepaling</vet></al><al>1.</al><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van
                            de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                            goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen
                            plaats of aan huis.</al><al>2.</al><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><al>a.</al><al>het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van
                            een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al><al>b.</al><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het
                            aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel
                            160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22;</al><al>c.</al><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het
                            aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel
                            5:17.</al><al/><al><vet>Artikel 5:15 Ventverbod</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden te venten op door het college aangewezen locaties,
                            alsmede indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                            volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</al><al>2.</al><al>Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen
                            22.00 en 08.30 uur.</al><al>3.</al><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                            wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</al><al>4.</al><al>Het college kan ten aanzien van het eerste lid nadere aanwijzingen
                            geven.</al><al/><al><vet>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting</vet></al><al>1.</al><al>Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van toepassing op
                            het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en
                            gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
                            de Grondwet.</al><al>2.</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van
                            gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden
                            geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet
                            verboden:</al><al>a.</al><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen; of</al><al>b.</al><al>op door het college aangewezen dagen en uren.</al><al>3.</al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede
                            lid.</al><al>4.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Afdeling 4. Standplaatsen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:17 Begripsbepaling</vet></al><al>1.</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste
                            plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop
                            aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten,
                            gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een
                            tafel.</al><al>2.</al><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><al>a.</al><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160,
                            eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al><al>b.</al><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al><al/><al><vet>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te
                            nemen of te hebben.</al><al>2.</al><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                            bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                            voorbereidingsbesluit.</al><al>3.</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden
                            geweigerd:</al><al>a.</al><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de
                            omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al><al>b.</al><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een
                            deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het
                            verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van
                            goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in
                            gevaar </al><al>komt.</al><al>4.</al><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</vet></al><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop
                            zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                            ingenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</vet></al><al>1.</al><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op
                            situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</al><al>2.</al><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van
                            toepassing op bouwwerken.</al><al/><al><vet>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Afdeling 5. Snuffelmarkten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:22 Begripsbepaling</vet></al><al>1.</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een
                            voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en
                            incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden
                            vanaf een standplaats.</al><al>2.</al><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al><al>a.</al><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en
                            onder h, van de Gemeentewet;</al><al>b.</al><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al><al/><al><vet>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt
                            te organiseren.</al><al>2.</al><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg
                            geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de
                            Winkeltijdenwet.</al><al>3.</al><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                            bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                            voorbereidingsbesluit.</al><al>4.</al><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Afdeling 6. Openbaar water</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</vet></al><al>1.</al><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een
                            voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te
                            plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of
                            vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor
                            de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig
                            gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer
                            en onderhoud van het openbaar water.</al><al>2.</al><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp
                            met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen,
                            doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan Het
                            college.</al><al>3.</al><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de
                            melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.</al><al>4.</al><al>Het verbod in het eerste lid geldt is niet van toepassing op situaties
                            waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de
                            Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de
                            Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop
                            gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben
                            dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door
                            het college aangewezen gedeelten van openbaar water.</al><al>2.</al><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een
                            ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid
                            aangewezen gedeelten van openbaar water:</al><al>a.</al><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                            volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                            gemeente;</al><al>b.</al><al>beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al><al>3.</al><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door andere wet- of regelgeving.</al><al/><al><vet>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</vet></al><al>1.</al><al>Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven
                            met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats
                            in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de
                            milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</al><al>2.</al><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het
                            college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen
                            of gebruik van een ligplaats op te volgen.</al><al>3.</al><al>Het verbod in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door andere wet- of
                            regelgeving.</al><al/><al><vet>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</vet></al><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te
                            stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                            bepaalde.</al><al/><al><vet>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te
                            brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen,
                            kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten,
                            duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                            bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.</al><al>2.</al><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                            door andere wet- of regelgeving.</al><al/><al><vet>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</vet></al><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe
                            bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan
                            wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al><al/><al><vet>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</vet></al><al>1.</al><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water
                            ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer
                            daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</al><al>2.</al><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                            door andere wet- of regelgeving.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een
                            vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin
                            te begeven of te bevinden.</al><al>2.</al><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig,
                            liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</al><al/><al><vet>Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:31A Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>-</al><al>motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z,
                            van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al><al>-</al><al>bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid
                            onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al/><al><vet>Artikel 5:32 Crossterreinen</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig
                            of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een
                            wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan
                            wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets
                            met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al><al>2.</al><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college
                            aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor
                            het gebruik van deze terreinen:</al><al>a.</al><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al><al>b.</al><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                            omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al><al>c.</al><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste
                            lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</al><al>3.</al><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                            wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie
                            sportmotoren.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden,
                            parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te
                            rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een
                            fiets of een paard.</al><al>2.</al><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college
                            aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor
                            het gebruik van deze terreinen:</al><al>a.</al><al>het voorkomen van overlast;</al><al>b.</al><al>de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al><al>c.</al><al>de veiligheid van het publiek.</al><al>3.</al><al>Het verbod in het eerst lid is niet van toepassing op motorvoertuigen,
                            bromfietsen, fietsen en paarden:</al><al>a.</al><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van
                            andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en
                            verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen
                            hulpverleningsdiensten;</al><al>b.</al><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van
                            de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al><al>c.</al><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk
                            voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al><al>d.</al><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die
                            gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al><al>e.</al><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de
                            onder d bedoelde personen.</al><al>4.</al><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van
                            toepassing:</al><al>a.</al><al>op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden
                            of terreinen;</al><al>b.</al><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden'
                            aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of
                            krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.</al><al>5.</al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde
                            verbod.</al><al>6.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Afdeling 8. Verbod vuur te stoken</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen
                                of anderszins vuur te stoken</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                            inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te
                            leggen, te stoken of te hebben.</al><al>2.</al><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving,
                            is het verbod niet van toepassing </al><al>op:</al><al>a.</al><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al><al>b.</al><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen
                            worden verbrand;</al><al>c.</al><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al><al>3.</al><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al><al>4.</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden
                            geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al><al>5.</al><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                            door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht
                            of de Provinciale milieuverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 5:34a Aanleggen van vuur en barbecuen op strand</vet></al><al>1.</al><al>Het is verboden op het strand of in de duinen een vuur aan te leggen, te
                            voeden of te onderhouden.</al><al>2.</al><al>De burgemeester kan van het verbod in het eerste lid ontheffing
                            verlenen, voorzover het betreft het aanleggen, voeden, of onderhouden
                            van een vuur op door het college bij openbaar bekend te maken besluit
                            aangewezen en als zodanig herkenbare plaatsen.</al><al>3.</al><al>Het is verboden op het strand, tussen 00.00 uur en 19.00 uur, of de
                            duinen te barbecuen.</al><al>4.</al><al>De burgemeester kan van het verbod in het derde lid ontheffing
                            verlenen.</al><al/><al><vet>Afdeling 9. Verstrooiing van as</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:35 Begripsbepaling</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het
                            verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door
                            de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent
                            daartoe bestemd terrein.</al><al/><al><vet>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</vet></al><al>1.</al><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><al>a.</al><al>verharde delen van de weg;</al><al>b.</al><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al><al>2.</al><al>Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere
                            plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing
                            plaatsvindt.</al><al>3.</al><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de
                            asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het
                            verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                            crematoriumterreinen.</al><al>4.</al><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                            toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 5:37 Hinder of overlast</vet></al><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                            overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al/><al><vet>Artikel 6:1 Strafbepaling</vet></al><al>Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en
                            de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen
                            wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete
                            van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met
                            openbaarmaking van de rechtelijke uitspraak.</al><al/><al><vet>Artikel 6:2 Toezichthouders</vet></al><al>1.</al><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                            verordening bepaalde zijn belast: ambtenaren van de politie en de door
                            het college of de burgemeester aangewezen personen.</al><al>2.</al><al>Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met
                            dit toezicht belasten.</al><al/><al><vet>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</vet></al><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al><al/><al><vet>Artikel 6:4 Intrekking oude verordening</vet></al><al>De Algemene plaatselijke verordening gemeente Hellevoetsluis 2009 wordt
                            ingetrokken.</al><al/><al><vet>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</vet></al><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent,
                            gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al><al>Onder het overgangsrecht vallen in ieder geval:</al><al>De Notitie uitstallingen bij winkels in gemeente Hellevoetsluis zoals
                            vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 3
                            november 2009;</al><al>De Notitie standplaatsen- en ventbeleid 2007 gemeente Hellevoetsluis
                            zoals vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 18
                            december 2007 en laatstelijk gewijzigd bij besluit d.d. 31 oktober
                            2012;</al><al>Het aanwijzingsbesluit en de vastgestelde gebieden ventverboden zoals
                            vastgesteld door het college van burgemeester en wethouder bij besluit
                            van d.d. 12 januari 2010.</al><al/><al><vet>Artikel 6:6 Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt in werking op 13 februari 2014.</al><al/><al><vet>Artikel 6:7 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            gemeente Hellevoetsluis 2014.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 6 februari 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>H.J. van der Wel. mr. F.D. van Heijningen.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING APV</titel></kop><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al><cursief>Karakter toelichting</cursief></al><al>Deze toelichting behoort bij de model-APV en is als zodanig te beschouwen als
                    een gebruiksaanwijzing voor degenen die dit model gaan omzetten in een
                    collegevoorstel voor een APV aan de raad. Het is dus niet zo dat deze
                    toelichting onderdeel (moet of kan) uitmaken van een door de raad vastgestelde
                    APV. Uiteraard kunnen gedeelten van de toelichting bij deze model-APV wel
                    gebruikt worden in de voordracht van het college aan de raad.</al><al><cursief>Autonomie en medebewind</cursief></al><al>De APV is hét klassieke voorbeeld van een autonome gemeentelijke verordening.
                    Toch staat er al sinds jaren één artikel in dat een medebewindbepaling bevat:
                    artikel 2:3, over kennisgeving betogingen. Dit is een uitwerking van artikel 3
                    en 4 van de Wet Openbare Manifestaties.</al><al>De verwachting is dat er in de komende jaren meer medebewindbepalingen een
                    plaats zullen krijgen in de model-APV. In de gewijzigde Drank- en horecawet die
                    naar verwachting op 1 juli 2012 in werking zal treden wordt een verordening
                    verplicht gesteld voor de paracommerciële horecabedrijven (artikel 4). Ook de
                    prostitutiewet bevat een verplichte verordening (artikel 10, tweede lid). Deze
                    (en eventueel nog volgende soortgelijke verordeningen) betreffen net als de APV
                    in elk geval gedeeltelijk de openbare ruimte en hangen nauw samen met de andere
                    bepalingen in de APV. Het ligt daarom het voor de hand deze nieuwe
                    medebewindverordeningen onder te brengen in de (model-)APV. Op deze manier
                    blijft er een samenhangend geheel bestaan van gemeentelijke regelingen die de
                    openbare ruimte betreffen.</al><al/><al><vet>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.</al><al>Over de definities kan het volgende worden opgemerkt.</al><al><cursief>Openbare plaats</cursief></al><al>Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom).</al><al>Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een
                    plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.
                    Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen,
                    te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door
                    de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open
                    staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van
                    voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de
                    plaats”.</al><al>Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</al><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”,
                    aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr.
                    6).</al><al><cursief>Weg</cursief></al><al>Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg maakt daar
                    onderdeel van uitmaakt.</al><al>In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”:</al><al>a.de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever
                    heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen
                    van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze
                    wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde
                    beperkingen; zie hierna);</al><al>b.de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor
                    het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de
                    noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van
                    de weg in te grijpen.</al><al><cursief>Op of aan de weg</cursief></al><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden)
                    gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een
                    zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld
                    voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen.
                    Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</al><al>Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Artikel 27
                    van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen
                    het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations.
                    Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er
                    bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar
                    geen weg, maar wel openbare plaats.</al><al><cursief>Openbaar water</cursief></al><al>Een 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan
                    “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.</al><al><cursief>Bebouwde kom</cursief></al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de
                    bebouwde kom.</al><al>Voor het begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de aanwijzing van
                    gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de
                    Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Het is
                    daarom praktischer de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de
                    verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus
                    mee gepubliceerd worden.</al><al>Een alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen
                    van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de
                    Wegenverkeerswet 1994.</al><al><cursief>Rechthebbende</cursief></al><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</al><al><cursief>Bouwwerk</cursief></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: “elke
                    constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op
                    de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden
                    is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                    plaatse te functioneren”.</al><al><cursief>Gebouw</cursief></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk
                    bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met
                    wanden omsloten ruimte vormt”.</al><al><cursief>Handelsreclame</cursief></al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden
                    buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband
                    met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste
                    jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van
                    gedrukte stukken e.d.</al><al>Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet
                    in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van
                    openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot
                    “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts
                    betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en
                    omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing
                    op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal
                    niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan
                    artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze
                    verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.</al><al><cursief>Bevoegd gezag</cursief></al><al>Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of
                    veranderen van een weg (artikel 2:11) en het vellen van houtopstanden (artikel
                    4:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen
                    in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het
                    vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo kan ook van
                    toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke
                    functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken
                    (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen
                    in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. Zie verder de toelichting
                    bij artikel 2:10.</al><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één
                    procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal
                    worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot
                    toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar
                    bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</al><al>Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10, 2:11 en 4:11 van deze
                    verordening.</al><al>Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd
                    bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van
                    burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen
                    verandering.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al><cursief>Weg</cursief></al><al>Strandovergang is openbare weg in de zin van artikel 4, lid 1, onder II,
                    Wegenwet. ABRS 16-03-1999, Gst. 1999, 7100, 3 m.nt. HH.</al><al>Nu in dit geval onvoldoende vaststaat dat de strook grond een weg in de zin van
                    artikel 1 APV was, staat evenmin vast dat het verbod van artikel 9.1 APV is
                    overtreden. ABRS 29-08-2001, LJN AD3795.</al><al><cursief>Handelsreclame</cursief></al><al>Onder een “commercieel belang dienen” moet mede worden begrepen: dienstig te
                    zijn tot koop en verkoop. HR 11-05-1982, NJ 1983, 68.</al><al/><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn</vet></al><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift
                    de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden.
                    Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In
                    dit model hebben wij de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid).
                    Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid,
                    van de Awb, wordt gesteld. Uiteraard kan een gemeente ook kiezen voor een
                    andere, kortere, beslistermijn of zelfs voor per type besluit verschillende
                    beslistermijnen. Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel
                    dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor
                    elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen
                    worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere
                    adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de
                    beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn hebben we in het model op
                    acht weken gesteld (tweede lid). Ook hier geldt dat een individuele gemeente een
                    andere termijn kan vastleggen. Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn
                    redelijk moet zijn.</al><al>Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit
                    verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk
                    is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Artikel ; 4:14 schort de
                    termijn niet op, het is alleen een 'beleefdheidsvoorschrift' om te laten weten
                    dat de termijn niet gehaald wordt. Het is dus geen besluit.</al><al>Zie hierover ook bijv. TK 2004/05, 29 934, nr. 6 (memorie van toelichting Wet
                    dwangsom en beroep), p. 10, waarin dit nog eens uitdrukkelijk wordt uitgelegd.
                    Daar wordt zelfs gezegd dat een dergelijk briefje in feite juist 'een
                    uitdrukkelijke erkenning door het bestuursorgaan [is] dat het in gebreke
                    is'.</al><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de
                    Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen
                    een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn
                    van artikel 1:2 voldoet daaraan.</al><al>Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de
                    beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit
                    gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat
                    voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit
                    criterium.</al><al>De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van
                    de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Het derde lid
                    is een implementatie van deze verplichting.</al><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel
                    3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.</al><al>Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt
                    dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden
                    verlengd. De wegaanlegvergunning (art 2:11) en de kapvergunning (art 4:11)
                    vallen onder de Wabo, en ook onder bepaalde omstandigheden het plaatsen van
                    voorwerpen op of aan de weg (art 2:10). De vergunning voor het aanleggen of
                    veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de
                    Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste
                    lid onder g. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg
                    anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om
                    het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan
                    van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de
                    Wabo.</al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die
                    onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor,
                    Staatscourant 2010-5162). De algemene indieningvereisten staan in artikel 1.3
                    Mor, dat luidt als volgt:</al><al>Artikel 1.3 Indieningvereisten bij iedere aanvraag</al><al>1.In de aanvraag vermeldt de aanvrager:</al><al>a.de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het elektronisch
                    adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt
                    ingediend;</al><al>b.het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project;</al><al>c.een omschrijving van de aard en omvang van het project;</al><al>d.indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres en
                    woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de gemachtigde, indien de
                    aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend;</al><al>e.indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: zijn
                    naam, adres en woonplaats.</al><al>2.De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van de
                    aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt met behulp
                    van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte middelen.</al><al>3.De aanvrager doet bij de aanvraag een opgave van de kosten van de te
                    verrichten werkzaamheden.</al><al>In Hoofdstuk 7 van de Mor staan nog bijzondere indieningsvereisten. Daarvan zijn
                    in het kader van de APV alleen die voor het vellen van houtopstanden van belang.
                    Zie daarvoor de toelichting bij artikel 4:11.</al><al/><al><vet>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</vet></al><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel (“kan”) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie
                    weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om
                    de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken.</al><al>Vanzelfsprekend kan ook een langere of kortere termijn worden vastgelegd. Als
                    wordt overwogen voor verschillende APV-vergunningen of -ontheffingen
                    verschillende termijnen vast te leggen, dan dient iedere afwijking van de
                    algemene regel in het betreffende onderdeel van de APV te worden vastgelegd.
                    Gemeenten die met een systematiek werken die inhoudt dat een vergunning voor een
                    bepaald jaar vóór 1 december van het daaraan voorafgaande jaar moet worden
                    aangevraagd, kunnen dit expliciet bepalen en bekendmaken.</al><al>Er kan ook een regeling voor te vroeg ingediende aanvragen worden opgenomen. In
                    het model is hiervoor niet gekozen omdat er in de praktijk weinig behoefte aan
                    is. Als een aanvraag echt veel te vroeg wordt gedaan en dan nog niet kan worden
                    beoordeeld, volstaat een gemotiveerde mededeling daarvan aan de aanvrager.</al><al><cursief>Herhaalde aanvraag (artikel 4:6 Awb)</cursief></al><al>Als er lange tijd is verstreken tussen beide aanvragen kan het praktischer zijn
                    om de aanvraag opnieuw inhoudelijk te behandelen in plaats van een discussie te
                    voeren over de vraag of het wel of niet om een herhaalde aanvraag gaat. Zie
                    ABRvS 3 mei 2006, JB 2006/186. Daar was meer dan tien jaar verlopen tussen beide
                    aanvragen, en de Afdeling oordeelde dat er geen sprake was van een herhaalde
                    aanvraag, omdat één aanvraag was gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur,
                    en de andere op de Archiefwet.</al><al/><al><vet>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot
                    het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin
                    het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing
                    staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van
                    duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij
                    moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend
                    mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste
                    van vergunning of ontheffing is gesteld.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al>De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan
                    worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het
                    tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als
                    verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.</al><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd
                    moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                    zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                    belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden
                    verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van
                    algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het
                    commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt
                    de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan
                    de vergunningvoorwaarden is voldaan.</al><al>In de algemene strafbepaling die in deze model-APV is opgenomen (artikel 6:1)
                    wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf
                    bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan
                    een vergunning of ontheffing verbonden zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</vet></al><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend
                    vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten,
                    zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De
                    persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling
                    dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is
                    de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet
                    bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten
                    zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit
                    vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal
                    aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre
                    overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan
                    worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de
                    wachtlijst staat.</al><al>Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                    rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de
                    houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk
                    te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam
                    en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.</al><al><cursief>Literatuur en jurisprudentie</cursief></al><al>Voor de overdraagbaarheid van APV-vergunningen, zie: C.L. Knijff,
                    Rechtsopvolging bij vergunningen in de gemeentepraktijk, GS 2004, 7205, onder
                    3.4 Overgang uitgesloten: APV-vergunningen.</al><al>Volgens art. 1:10 APV is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden tenzij bij
                    of krachtens deze verordening anders is bepaald. Ingevolge art. 1:11, aanhef en
                    onder e APV kan de vergunning of ontheffing worden gewijzigd indien de houder of
                    zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. De Afdeling is van oordeel dat art. 1:11
                    aanhef en onder e APV niet afdoet aan het persoonsgebonden karakter van de
                    vergunning. Van een zelfstandige bepaling die het persoonsgebonden karakter van
                    de exploitatievergunning voor een coffeeshop kan opheffen is geen sprake, gelet
                    op de aard van de vergunning en op de strekking van het in de APV neergelegde
                    vergunningstelsel. De burgemeester was derhalve niet zonder meer gehouden zijn
                    medewerking te verlenen aan een verzoek tot overdracht van een vergunning aan
                    een derde. ABRS 23-11-1999, LJN AA5058, GS 2000, 7112 , 6.</al><al/><al><vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</vet></al><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                    intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het
                    rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid
                    tot wijziging en intrekking.</al><al>Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of
                    te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun
                    bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Gelet op art. 1:6 APV in samenhang gelezen met art. 2.1.4.1, tweede lid (oud),
                    APV was de burgemeester in het onderhavige geval bevoegd de vergunning in te
                    trekken. Intrekking van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding.
                    Als specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden
                    ingewonnen. Zes werkdagen zijn daarvoor voldoende. ABRS 11-06-2003, 200205273/1,
                    JG 03.0125, met noot M. Geertsema.</al><al/><al><vet>Artikel 1:7 Termijnen</vet></al><al>Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde
                    tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat
                    stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de
                    vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                    voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare
                    vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een
                    beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                    belang.</al><al>Over punt b.: Uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in
                    beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen
                    logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt
                    grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe
                    aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare
                    vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en
                    onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen worden
                    georganiseerd.</al><al>Over punt c: Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten
                    zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan
                    doorstaan.</al><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</al><al>Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de
                    toelichting onder artikel 1:8.</al><al>Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden
                    gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor
                    onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij
                    gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook
                    daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij
                    geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen
                    belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak
                    daarvoor ontbreekt.</al><al/><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet></al><al>Vergunningstelsels zijn in de model-APV als volgt geformuleerd: een
                    verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning.
                    Vergunningstelsels kenden tot 2007 vervolgens een artikellid of –leden met
                    weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven wat
                    suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden
                    golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van deregulering en
                    vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden
                    gekeken. We hebben ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de
                    model-APV ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te
                    benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende
                    artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere
                    weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het
                    betreffende artikel genoemd.</al><al><cursief>Vergunningen</cursief></al><al>Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de model-APV
                    zijn deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de
                    volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de
                    evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een
                    seksinrichting, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt.
                    Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn uitgezonderd,
                    zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt.</al><al><cursief>Vestiging of tijdelijke overschrijding</cursief></al><al>Bij het screenen van de model-APV aan de Dienstenrichtlijn is het volgende in
                    ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de
                    ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse
                    dienstverrichter.</al><al>De richtlijn staat toe dat er onderscheid wordt gemaakt tussen deze drie
                    categorieën. Het zou in theorie kunnen dat de overheid aan een Nederlandse
                    dienstverlener zwaardere eisen stelt dan aan een buitenlandse ’tijdelijke
                    grensoverschrijder’, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt van
                    rechtsgelijkheid niet wenselijk.</al><al>Wij achten het op dezelfde gronden evenmin gewenst een onderscheid aan te
                    brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke
                    grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders
                    zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een
                    bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om
                    zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen
                    onderdanen.</al><al>Alleen in het geval van prostitutie is daarop een uitzondering gemaakt. Zie
                    daarvoor de toelichting bij hoofdstuk 3.</al><al>Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk,
                    maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën
                    aanvragers dezelfde. Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd
                    zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten
                    bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</al><al>De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen
                    dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een
                    vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het
                    verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan
                    doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt.
                    Daarom is in de model-apv geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en
                    dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden.</al><al>Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor
                    in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden
                    beantwoord:</al><al><cursief>Overlast</cursief></al><al>Vanouds is de APV een openbare orde en overlastverordening. Het begrip
                    ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij
                    verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het
                    milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de
                    omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast
                    veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt
                    eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</al><al><cursief>Verkeersveiligheid</cursief></al><al>De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen
                    belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake
                    van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen
                    van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.</al><al><cursief>Veiligheid van personen en gezondheid</cursief></al><al>Deze gronden waarop grond voorheen een evenementenvergunning kon worden
                    geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid)
                    kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</al><al><cursief>Zedelijkheid</cursief></al><al>Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt
                    uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke
                    waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan,
                    palingtrekken of zwijntjetik) aan het belang van dierenwelzijn. Ook andere
                    dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’ hebben.
                    [check]</al><al><cursief>Voorzieningenniveau bij standplaatsen</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De
                    gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen
                    waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                    economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten.
                    Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een
                    standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder
                    b). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing.</al><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening kan worden overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. Artikel 8.3, tweede lid, van het
                    Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) bepaalt dat een vreemdeling die geen rechtmatig
                    verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op
                    de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van o.m.
                    gemeenten , voor zover die betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten,
                    collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige
                    activiteiten.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 1. BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</vet></al><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik
                    als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare
                    orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de
                    openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt
                    om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</al><al/><al><vet>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven
                    bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                    categorie.”</al><al>Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie.
                    Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft
                    van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit
                    soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het
                    vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel
                    van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende)
                    ongeregeldheden.</al><al>De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2
                    Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid van de model-APV bevat het geven van een
                    bevel in een concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar
                    gesteld via opname van artikel 2:1, tweede lid in artikel 6:1 van de
                    (model)APV.</al><al>Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het
                    politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. het
                    desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV (artikel 6:1 van de
                    model-APV).</al><al>Naast de politiebevelen ex artikel 2:1- model-APV blijven uiteraard ook de
                    bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden
                    mogelijk. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet,
                    of aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in
                    mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar
                    worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Oordeel van de politie is element van gemeentelijke strafbepaling. HR 12 02
                    1940, NJ 140, 622, AB 1940, p. 744, Gst. 1940, p. 125 (Haags tippelverbod). Zie
                    ook: HR 02 06 1903, W. 7938, Gst., 2715 (APV Amsterdam); HR 20 01 1936, NJ 1936,
                    343, Gst. 1936, p. 90, AB 1936, p. 558 (APV Amsterdam); HR 03 06 1969, NJ 1969,
                    411, AB 1970, p. 17, OB 1971, XIV.3, nr. 30391, NG 1970, p. 616 m.nt. H.R.G.
                    Veldkamp (APV Amsterdam) en HR 17 03 1970, NJ 1970, 331, OB 1971, X.4, nr.
                    31108, NG 1971, p. 292 (APV Arnhem).</al><al>Van een volksoploop ex artikel 186 WvSr is sprake als een menigte zich
                    verzamelt. De openbare orde hoeft niet te worden verstoord. HR 26-02-1991, NJ
                    1991, 512 en HR 14-01-1992, NJ 1992, 380.</al><al>Relatie tussen APV bepaling en artikel 184 en 186 WvSr. Aanvulling van de
                    gemeentelijke wetgever erkend. HR 02 06 1903, W. 7938 (APV Amsterdam) en HR 25
                    06 1963, NJ 1964, 239 m.nt. B.V.A. Röling (samenscholingsarrest).</al><al>HR 29-01-2008, NJ 2008, 206, LJN BB4108: Voor een bevel of vordering ‘krachtens
                    wettelijk voorschrift’ gedaan als bedoeld in art. 184, eerste lid, Sr is vereist
                    dat het betreffende voorschrift uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar
                    gerechtigd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering. Art. 2
                    Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet
                    worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of
                    bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184,
                    eerste lid, Sr moet worden voldaan. Art. 2 Politiewet 1993 kan wel worden
                    aangemerkt als een wettelijk voorschrift ter uitvoering waarvan de in art. 184
                    Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten,
                    belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan
                    opleveren.</al><al>LJN BM9992, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 juni 2010: Nu art. 7 APV Tilburg
                    niet uitdrukkelijk bepaalt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen
                    van een vordering als bedoeld in art. 184 Sr, wordt de verdachte vrijgesproken
                    van de ten laste gelegde overtreding van art. 184 Sr.</al><al>LJN BO4382, Gerechtshof Leeuwarden, 16 november 2010: Aan verdachte is onder 2
                    ten laste gelegd dat hij opzettelijk een bevel of vordering krachtens artikel
                    2.3.1.7. en/of 2.1.1.1. van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente
                    [gemeente] (hierna: APV), in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift,
                    niet heeft opgevolgd. Het in artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van
                    Strafrecht (hierna: Sr) beschreven misdrijf vereist een krachtens wettelijk
                    voorschrift gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk
                    inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een
                    vordering. Het hof overweegt dat de artikelen 2.3.1.7. en 2.1.1.1. van de APV
                    niet uitdrukkelijk een dergelijke bevoegdheid bevatten. Derhalve zijn deze
                    artikelen geen "wettelijk voorschrift" in de zin van artikel 184, eerste lid,
                    Sr. Voorts kan ook artikel 2 van de Politiewet 1993 niet worden aangemerkt als
                    een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden
                    gegeven, waaraan op straffe van overtreding van artikel 184 van het Wetboek van
                    Strafrecht moet worden voldaan.</al><al/><al><vet>AFDELING 2. BETOGING</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:2 Optochten</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>In 2006 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen
                    onder de evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie verder de toelichting
                    bij die artikelen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><al>Dit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties
                    (WOM).</al><al>In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid “openbare
                    plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik
                    openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is
                    begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid,
                    van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name
                    wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen). Deze
                    definitie is in artikel 1:1 overgenomen (zie toelichting aldaar).</al><al>Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja,
                    voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele
                    procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de
                    bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en
                    beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een
                    aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan
                    de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te
                    beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op
                    andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de
                    bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</al><al>De meeste APV’s kennen alleen een kennisgevingeis voor betogingen. De overige
                    activiteiten zijn ongereguleerd gebleven. In verband hiermee heeft artikel 2:3.
                    alleen betrekking op betogingen. Het artikel kan zonodig worden uitgebreid tot
                    samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, tot
                    vergaderingen en tot “processies”.</al><al><cursief>Uitgangspunten Wet openbare manifestaties</cursief></al><al>De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de
                    bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om
                    betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden.</al><al>De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan
                    volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen
                    deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8).</al><al>Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als
                    artikel 9 Grondwet maken het mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de
                    wetgever acht dat niet nodig.</al><al>Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7
                    Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand verlof
                    ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of
                    levensbeschouwelijk van aard zijn.</al><al>De memorie van toelichting geeft een opsomming van de bevoegdheden die de WOM
                    aan gemeenteraden en burgemeesters toekent (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p.
                    5/6):</al><al>-de bevoegdheid tot het creëren van een kennisgevingstelsel voor betogingen,
                    vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet laat een zekere variatie toe ten
                    aanzien van kwesties als: voor welke activiteiten is een kennisgeving vereist;
                    aan welke vereisten moet een kennisgeving voldoen; welke voorschriften en
                    beperkingen kunnen opgelegd worden;</al><al>-de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen;</al><al>-de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen
                    beëindigen.</al><al>Een aantal onderwerpen is daarentegen geheel of gedeeltelijk aan de plaatselijke
                    regelgeving onttrokken. De reden is dat enerzijds de Grondwet zich tegen een
                    dergelijke regeling verzet en dat anderzijds de rechtsgelijkheid een uniforme
                    regeling van de centrale wetgever rechtvaardigt. Het gaat met name om de
                    volgende onderwerpen (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 6):</al><al>-het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige grondrechten
                    door gemeentelijke organen is toegestaan (artikelen 2 en 8 WOM);</al><al>-een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die tijdens
                    eerder genoemde activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3, vierde lid, 4,
                    derde lid, en 5, derde lid);</al><al>-de bescherming van het functioneren van buitenlandse vertegenwoordigingen en
                    bepaalde andere instellingen die een bijzondere volkenrechtelijke bescherming
                    genieten, voor zover deze bescherming verder dient te reiken dan “de bestrijding
                    of voorkoming van wanordelijkheden” (artikel 9 WOM);</al><al>-de strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de WOM gegeven normen
                    (artikel 11 WOM) en de strafbaarstelling van verhindering en verstoring van
                    geoorloofde openbare manifestaties (wijziging van de artikelen 143-146 Wetboek
                    van Strafrecht, onder artikel 11 WOM);</al><al>-de bescherming van de zondagsrust, deze bescherming verder dient te reiken dan
                    “de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden” (wijziging van de artikelen
                    3, 5 en 5a en 8 Zondagswet, onder artikel III WOM).</al><al>-Voor op vaste tijdstippen regelmatig terugkerende godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke bijeenkomsten op openbare plaatsen, uitgaande van een
                    kerkgenootschap en zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op
                    geestelijke grondslag is, gelet op artikel 3, derde lid, WOM een eenmalige
                    kennisgeving voldoende. De gemeenteraad heeft twee mogelijkheden; of deze
                    bijeenkomsten ongeregeld laten of een eenmalige kennisgeving voorschrijven.</al><al>Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent
                    de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8
                    WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.</al><al>Voor een nadere toelichting over “openbare en andere dan openbare plaatsen”: zie
                    de toelichting bij artikel 1:1.</al><al><cursief>Betoging</cursief></al><al>Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de
                    Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als:</al><al>-een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in
                    beweging, en</al><al>-de groep er op uit is een mening uit te dragen.</al><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om
                    het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied (TK 1986-1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie
                    eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en
                    groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen
                    van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een
                    optocht is niet perse een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR
                    30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een
                    betoging geen “menigte” nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van
                    een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540).</al><al>Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is “betoging” omschreven
                    als “het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar
                    uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek
                    gebied”.</al><al>Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                    bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het
                    mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze
                    rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van
                    een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (TK 1975-1976,
                    13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de
                    regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip
                    “betoging” meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke
                    meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van
                    dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin
                    van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij
                    blokkades van wegen en waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33).</al><al>Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke
                    meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is
                    geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK
                    1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo’n optocht kan, als die opiniërende elementen
                    bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</al><al><cursief>Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging</cursief></al><al>Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie
                    over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan
                    een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet
                    zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</al><al><cursief>Klokgelui en oproepen tot gebed</cursief></al><al>Artikel 10 WOM stelt dat de gemeenteraad bevoegd is om regels te stellen over de
                    duur, het tijdstip en het geluidsniveau van klokgelui en oproepen tot
                    gebed.</al><al>De strekking van artikel 10 WOM is niet om een beperkingsbevoegdheid op het
                    grondrecht vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om het
                    recht tot klokluiden en oproepen tot gebed buiten twijfel te stellen en
                    daarnaast de autonome bevoegdheid van gemeentebesturen om in het kader van de
                    beperking van geluidsoverlast regelend op te treden onverlet te laten.</al><al>Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van
                    geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome
                    bepalingen.</al><al>Artikel 10 WOM vertoont een zekere overlap met artikel 4:6 model APV (overige
                    geluidhinder). Zie de toelichting bij dat artikel.</al><al><cursief>Gemeentelijke bevoegdheden</cursief></al><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot
                    optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De memorie van
                    toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de
                    Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter
                    slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden
                    wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of
                    als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. In
                    die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of
                    krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen.</al><al>Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om
                    krachtens artikel 176 Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een
                    noodverordening. Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel
                    176 Gemeentewet zich als bestanddeel in de omschrijving van de overtreding tegen
                    het openbaar gezag van artikel 443 Sr. en het is “dus de wet (in formele zin),
                    die in die noodtoestand de zeer tijdelijke onderbreking van de uitoefening van
                    het grondrecht gedoogt”, HR 28-11-1950, NJ 1951, 137 (Tilburgse APV).</al><al>Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde
                    bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester dus
                    bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in
                    artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een
                    verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. De burgemeester heeft in
                    de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176, de bevoegdheid om
                    grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de gezondheid, in het
                    belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van
                    wanordelijkheden.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                    tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende
                    bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen
                    erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste
                    is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te
                    beschikken.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Het doel van de optocht kan de burgemeester geen grond opleveren voor weigering
                    van de vergunning. Wnd. Vz.ARRS, 23-11-1979, NG 1980, p. S 59, OB 1980,
                    III.2.2.7, nr. 41197 en Gst. 1980, 6602 m.nt. J.M. Kan (demonstratie Den
                    Haag).</al><al>Onwettig gedrag van derden tegenover de deelnemers, zware belasting van het
                    politiekorps en ernstige hindering van het verkeer zijn onvoldoende zwaarwegende
                    omstandigheden om het betogingrecht te beperken. Vz.ARRS 27-05-1982, AB 1983,
                    62, m.nt. JHvV, (Idem demonstratieverbod Afcent, Wnd.Vz.ARRS, 30-05-1983, AB
                    1984, 85, P.J. Boon)</al><al>De omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek irritaties opwekt
                    of tegendemonstraties uitlokt, is onvoldoende basis om de demonstratie op grond
                    van de WOM te verbieden. Slechts wanneer er gegronde vrees bestaat voor ernstige
                    ongeregeldheden die niet kunnen worden voorkomen of bestreden door middel van
                    door de overheid te treffen maatregelen, kan er grond bestaan een demonstratie
                    te verbieden. Wnd.Vz.ARRS 21-03-1989, KG 1989, 158</al><al>Een betoging mag slechts in dwingende situaties preventief worden verboden. Zo’n
                    beperking van het recht van demonstratie kan in beginsel niet gelegen zijn in de
                    overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover deelnemers aan een
                    betoging de verstoring van de openbare orde tot gevolg zullen hebben. Pres. Rb
                    Maastricht 22 maart 2001, JG 01.0198.</al><al>In gelijke zin: Voorzieningenrechter Rb.Rotterdam 24-01-2002, JG 02.0040 ,en: de
                    uitoefening van een grondrecht mag aanleiding zijn tot een grotere inspanning
                    dan bij evenementen als een risicowedstrijd van een voetbalclub. Het gaat hier
                    om de waarborging van de uitoefening van een grondrecht. De WOM is niet van
                    toepassing op een persconferentie in een woonhuis. ARRS 30-12-1993, JG 94.0160,
                    Gst. 1994, 6983, 4 m.nt. HH, AB1994, 242 m.nt. RMvM.</al><al>De actie ter blokkering van het vliegverkeer d.m.v. het oplaten van ballonen
                    door de Vereniging Milieudefensie is een betoging wegens de gemeenschappelijke
                    meningsuiting. Pres. Rb Haarlem 25-10-1996, Gst. 1996, 7044, 4 m.nt. EB, JB
                    1996, 266 m.nt. REdW..</al><al>Kan een vreedzame demonstratie worden beëindigd, enkel en alleen omdat die niet
                    is aangemeld? De Nationale Ombudsman heeft in zijn rapport van december 2007,
                    “Demonstreren staat vrij”
                    (http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/grote_onderzoeken/2007demonstreren/index.asp),
                    de juridische grenzen nog eens helder op een rij gezet . De Hoge Raad
                    onderschreef in zijn arrest van 17 oktober 2006 (NJ 2007, 207, AB 2007, 23) het
                    oordeel van het gerechtshof dat een demonstratie kan worden beëindigd, alleen
                    omdat die niet is gemeld. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het
                    Gerechtshof, omdat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de politie op eigen
                    gezag de demonstratie kon beëindigen. Die bevoegdheid ligt uitdrukkelijk bij de
                    burgemeester, en die zal dan ook de feitelijke beslissing moeten nemen.</al><al>Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelde in haar arrest van
                    17 juli 2007 (NJB 2007, 1839) anders. In bijzondere omstandigheden, waarin een
                    demonstratie een onmiddellijke reactie is op politieke gebeurtenissen, is het
                    enkel en alleen ontbreken van een melding onvoldoende om de demonstratie te
                    beëindigen. Als er verder niets illegaals aan de hand is en de demonstratie geen
                    bedreiging vormt voor de openbare orde, zou het beëindigen van de demonstratie
                    alleen omdat de melding ontbreekt, een disproportionele beperking van het
                    grondrecht om te demonstreren zijn.</al><al>De Ombudsman sluit zich daarbij aan: bij het beëindigen van een demonstratie
                    moet in zijn visie altijd worden afgewogen of dat in het belang van
                    volksgezondheid, het verkeersbelang, of ter voorkoming van wanordelijkheden
                    noodzakelijk is. Dat is overigens, zo blijkt uit het rapport, ook het beleid van
                    de burgemeester van Den Haag.</al><al>Of de Hoge Raad in een nieuw arrest aansluiting zou zoeken bij het EHRM valt
                    uiteraard niet te voorspellen, maar er is alle reden om de lijn van het EHRM en
                    de Ombudsman aan te houden: het grondrecht van demonstratie moet niet
                    lichtvaardig worden beperkt, en niets is logischer dan om ook bij het beëindigen
                    van een demonstratie vanwege het ontbreken van een melding af te wegen of het
                    belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of de voorkoming van
                    wanordelijkheden dat noodzakelijk maken. Niet voor niets schept het artikel in
                    de model APV de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een kort voor de
                    demonstratie gedane melding te accepteren.</al><al/><al><vet>Artikel 2:4 Afwijking termijn</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>Opgenomen in artikel 2:3, vijfde lid</al><al/><al><vet>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>Opgenomen in artikel 2:3, tweede lid</al><al/><al><vet>AFDELING 3. VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                        afbeeldingen</vet></al><al>Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen
                    wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod
                    voor die wegen verder te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij
                    het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende
                    verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid toegekende
                    bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er “geen gebruik van
                    enige betekenis” overblijft. Zie ook de toelichting op artikel 2:42.</al><al>Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de
                    Gemeentewet.</al><al>Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever
                    het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit
                    grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de
                    Grondwet. Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</al><al>1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of
                    gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de
                    wet.</al><al>2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand
                    toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.</al><al>3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de
                    voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig
                    wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
                    De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan
                    zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden.</al><al> 4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
                    handelsreclame.</al><al>De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een
                    zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het
                    derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel
                    7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat
                    punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude
                    Grondwet kan als volgt worden samengevat.</al><al><cursief>Daklozenkrant</cursief></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6.</al><al>Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan
                    kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de
                    daklozen vertegenwoordigen. Immers, niet iedereen kan een straatkrant verkopen.
                    De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de
                    koepelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële
                    straatkantverkopers zijn.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Het in artikel 7, lid 1 van de Grondwet beschermde recht om zonder voorafgaand
                    verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren impliceert het recht
                    om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, waarin
                    gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder voorafgaand verlof door
                    verspreiding of door enig ander middel in het openbaar aan het publiek bekend te
                    maken. 07 11 1892, W. 6259 (ventverbod ‘s Gravenhage); HR 28 11 1950, NJ 1951,
                    137 en 138 m.nt. W.P.J. Pompe, NG 1951, p. 123, AB 1951, 437 en 443 (APV Tilburg
                    en APV Sittard) en Gst. 22 1 1981, NG 1981, Gst. 1982, 6692,2 m.nt. J.M. Kan,
                    (reclameverordening ‘s Gravenhage).</al><al>Elk middel tot bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige betekenis
                    heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien,
                    valt onder de bescherming van artikel 7. Dit betekent dat de bekendmaking van
                    gedachten en gevoelens met behulp van middelen, die in het maatschappelijk
                    verkeer dezelfde functie vervullen als geschriften in eigenlijke zin, is
                    begrepen in de in artikel 7 erkende vrijheid van drukpers. Als “zelfstandige
                    middelen van bekendmaking” zijn in de jurisprudentie onder meer aangemerkt:</al><al>-het op de weg uitgeven van strooibiljetten, HR 27 02 1951, NJ 1951, 472 m.nt.
                    B.V.A. Röling, AB 1951, p. 716, NG 1951, p. 196, Gst. 1951, 5118 (APV
                    Eindhoven);</al><al>-het gebruik maken van reclameborden of opschriften aan onroerend goed, HR 24 01
                    1967, NJ 1967, 270 m.nt. W.F. Prins; AB 1968, p. 72 m.nt. R. Streng, OB 1967,
                    IX.1, nr. 26092, NG 1967, p. 187 (Nederland ontwapent); ARRS 23 10 1978, AB
                    1979, 499 m.nt. F.H. van der Burg, NG 1979, S 4, BR 1979, p. 36, Gst. 1979,6548
                    (verordening stadsschoon Leiden);</al><al>-het aanbrengen van aanplakbiljetten op onroerend goed, HR 19 09 1977, NJ 1978,
                    516 (APV Hengelo);</al><al>-het staan of lopen met propagandamiddelen, HR 30 05 1967, NJ 1968 m.nt. W.F.
                    Prins, AB 1968, p. 332, NG 1967, p. 319 (Vietnam I);</al><al>-het aanbieden van gedrukte stukken bij gelegenheid van het houden van een
                    inzameling (niet het houden van de inzameling zélf), HR 27 06 1978, NJ 1979, 59
                    m.nt. M. Scheltema, AB 1979, 195 m.nt. J.R. Stellinga (APV Eindhoven); Vz.ARRS
                    16 08 1979, AB 1980, 297 m.nt. JHvdV, NG 1979, S 176, Gst. 1980, 6604 m.nt. P.
                    van Zanten (APV Rotterdam) en Vz.ARRS 18 10 1979, (APV Katwijk);</al><al>-verlichte fotovitrine, ARRS 20 08 1981; Gst. 1982,6692 m.nt. J.M. Kan (APV
                    Pijnacker);</al><al>De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden jegens de inhoud van
                    gedrukte stukken e.d., maar is krachtens artikel 149 Gemeentewet wel bevoegd het
                    in het openbaar bekend maken (“verspreiden”) van gedrukte stukken e.d. aan
                    beperkingen te onderwerpen in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en
                    gezondheid en van andere zaken betreffende de huishouding der gemeente.</al><al>Daarbij geldt dat:</al><al>1.een vergunningenstelsel (voorafgaand verlof) voor het gebruik van een bepaald
                    middel van bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft,
                    niet is geoorloofd;</al><al>2.een algemeen verbod tot zodanig gebruik evenmin is toegestaan;</al><al>3.een (naar tijd, plaats en wijze) beperkt verbod mogelijk is, mits:</al><al>a.die beperking geen betrekking heeft op de inhoud van de gedrukte stukken, doch
                    gesteld is in het belang van de openbare orde e.d.;</al><al>b.gebruik “van enige betekenis” overblijft; anders komt de beperking in feite
                    neer op een algemeen verbod, HR 17 03 1953, NJ 1953, 389 m.nt. B.V.A. Röling, OB
                    1953, IX.1, nr. 10867, NG 1953, p. 264, AB 1953, p. 587 (Wachttorenarrest); ARRS
                    28-04-1981, Gst. 1981, 6686 m.nt. J.M. Kan, OB 1982, nr. 43849, III.2.2.7 (APV
                    Nijmegen).</al><al/><al><vet>AFDELING 4. VERTONINGEN E.D. OP DE WEG</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>In 2006 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen
                    onder de evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie het commentaar bij
                    die artikelen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:8 Dienstverlening</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2.1.4.2 (oud) bevatte een vergunningstelsel voor dienstverlening.
                    Dienstverlening betreft allerlei straatberoepen, zoals kruiers, de scharensliep,
                    de reiniger van voertuigen en de glazenwasser. Sommigen zijn uit het straatbeeld
                    verdwenen, anderen hebben hun intrede gedaan. Denk bijvoorbeeld aan
                    besteldiensten van pizzeria’s of de supermarkt en bewakingsdiensten. De VNG
                    heeft het dienstverleningsartikel in 2007 geschrapt vanwege het streven naar
                    vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven
                    (deregulering).</al><al/><al><vet>Artikel 2:9 Straatartiest e.d.</vet></al><al>Het oude artikel 2.1.4.1 (Feest, muziek en wedstrijd) is in 2006 geschrapt.
                    Feesten en wedstrijden zijn ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan
                    ook een evenement zijn, zie onder artikel 2:24. Het optreden van een
                    straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is in artikel 2:24 lid 1 onder
                    f uitgezonderd van het evenementbegrip. Net als straatfotografen en de andere
                    categorieën genoemd in artikel 2:9 wordt een straatmuzikant onder de
                    straatartiesten gebracht.</al><al>De motieven om openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van
                    algemeen belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid,
                    volksgezondheid en milieu. Zie voor de betekenis van deze begrippen het
                    commentaar onder artikel 1:8.</al><al>De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur
                    en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. Het begrip
                    “openbaren van gedachten of gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de
                    toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke
                    uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van
                    degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986,
                    Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7,
                    derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof
                    nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de
                    inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten
                    echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden
                    van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel
                    gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat
                    betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid,
                    opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die
                    bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:6, Beperking
                    aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, is dat
                    uitgewerkt in een verbod met ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten
                    en uren geldt. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd.</al><al>De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de
                    Gemeentewet.</al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is als straatartiest op te treden
                    zal doorgaans op initiatief van het college zelf gebeuren, en niet op aanvraag.
                    Mocht er wel een aanvraag aan de orde zijn, dan bestaan er geen duidelijke
                    bezwaren tegen een lex silencio positivo. Een ontheffing van het verbod zal
                    vaker op aanvraag gebeuren, maar ook een ambtshalve ontheffing zal voorkomen,
                    bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is
                    geen reden om van een lex silencio af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt op
                    het gehele artikel van toepassing verklaard.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De weigering van een ontheffing in verband met de verstoring van de openbare
                    orde moet reëel zijn en voldoende onderbouwd zijn. Vz.ARRS 01 10 1993, JG
                    94.0046, Gst. 1994, 6979, 3 m.nt. EB, AB 1994, 207 m.nt. RMvM, ABRS 15 07 1994,
                    JG 95.0208.</al><al>Terechte weigering ontheffing voor optreden als straatfotograaf. Optreden als
                    straatfotograaf is niet gericht op het openbaren van gedachten of gevoelens als
                    bedoeld in artikel 7, derde lid, Grondwet. Openbare orde verzet zich tegen het
                    optreden van meer dan twee straatfotografen. ABRS 03 09 1997, Gst. 1997, 7064, 3
                    m.nt. EB.</al><al/><al><vet>AFDELING 5. BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg</vet></al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers.</al><al><cursief>Deregulering</cursief></al><al>In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten
                    is bekeken of de vergunningplicht in dit artikel kan vervallen. Dat is een
                    discussie met vele kanten, en voor diverse oplossingen valt iets te zeggen. De
                    VNG kiest ervoor om als model een breed gestelde algemene regel op te nemen in
                    plaats van het voorheen bestaande vergunningsstelsel. De gemeenteraad maakt met
                    het overnemen van dit model een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer
                    ruimte aan burger en bedrijfsleven. De gedachte is dat voor een groot aantal
                    voorwerpen die in de openbare ruimte worden geplaatst een vergunning overbodig
                    is, omdat deze voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen
                    aan de leefbaarheid.</al><al>Sommige gemeenten hebben behoefte aan een concretere invulling van het begrip
                    hinder voor het verkeer. Er is dan bijvoorbeeld in lid 1 onder a een extra
                    volzin opgenomen: “Van hinder voor het verkeer is in elk geval sprake wanneer er
                    niet een vrije doorgaan wordt gelaten van …m op stoepen en … m in
                    voetgangersgebieden.”</al><al>Omdat aan een vergunningsstelsel ook voordelen biedt, is in deze toelichting een
                    alternatieve tekst aangeboden, waarbij het vergunningsstelsel wordt
                    gehandhaafd.</al><al>Bovendien is bij de wijziging van 2008 een nieuw tweede lid ingevoegd, waarin
                    het bevoegd bestuursorgaan de bevoegdheid krijgt nadere regels te stellen. In
                    2011 is dit overigens gewijzigd in “het college” omdat de raad geen regelgevende
                    bevoegdheid aan de burgemeester kan delegeren. De bevoegdheid nadere regels te
                    stellen is met name opgenomen omdat veel gemeenten niet met een
                    horeca-exploitatievergunning werken, en dus niet langs die weg een vergunning
                    afgeven. Terrassen zijn dan alleen nog maar gereguleerd door de brede algemene
                    regel van art. 2:10. Dat is voor veel gemeenten een erg gedurfde stap, vandaar
                    dit derde lid. Het college kan dan regels stellen over omvang, de vrije doorgang
                    voor verkeer, voetgangers en hulpdiensten, en de sluitingstijden. Ook bestaat er
                    soms vrees voor een wildgroei aan uitstallingen. De lijst kan natuurlijk
                    desgewenst worden aangevuld. Op verzoek van gemeenten zijn daaraan in 2011 ook
                    op of aan de weg geplaatste reclames toegevoegd. Ook daarvoor kunnen dus nadere
                    regels worden gesteld.</al><al>Er dergelijke optie is ook denkbaar voor alle voorwerpen. Dan ontstaat in plaats
                    van een vergunningstelsel een algemene regel die in detail voorschrijft wat er
                    wel en niet is toegestaan. Een aantal gemeenten hebben daarvoor gekozen. Nadeel
                    van die aanpak is dat zo’n regel onvermijdelijk een uitvoerig stuk wordt, omdat
                    voor een heel scala aan voorwerpen (bloembakken, uitstallingen, bouwsteigers,
                    straatmeubilair, etc.) moet worden omschreven waar en hoe ze kunnen worden
                    geplaatst, en wat de omvang mag zijn. Ook is het heel goed mogelijk dat de regel
                    niet overal in de gemeente dezelfde zal zijn. Het zal duidelijk zijn dat zo’n
                    regel zo afhankelijk is van de lokale situatie, dat die niet als model door de
                    VNG kan worden aangeboden.</al><al>Voordeel van een gedetailleerde regel is dat er de nodige duidelijkheid wordt
                    gegeven. Daarmee is meteen een nadeel genoemd van een algemeen gestelde regel.
                    Feitelijk is daarmee voor burgers en bedrijven een zogeheten “zorgplicht”
                    neergelegd. Er mogen voorwerpen worden geplaatst, zolang de verkeersveiligheid
                    niet in gevaar wordt gebracht en aan de andere voorwaarden in het eerste lid
                    wordt voldaan. De burger dient dat zelf af te wegen. Als de gemeente wenst op te
                    treden omdat zij van mening is dat het verbod van het eerste lid wordt
                    overtreden, zal daarover al snel discussie ontstaan. Dat vraagt
                    inschattingsvermogen, zelfstandigheid en tact van de toezichthoudende
                    ambtenaren. De gemeente zal haar handhavingsbesluit zeer nauwkeurig dienen te
                    motiveren.</al><al>De burgemeester is ten aanzien van terrassen wel het bevoegd bestuursorgaan voor
                    wat betreft het verlenen van ontheffingen (derde lid). Hij kan daarvoor
                    desgewenst beleidsregels vaststellen op grond van artikel 4:81 Awb).</al><al>Handhaven van een vergunningsplicht:</al><al/><al><vet>Artikel 2:10a Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg
                        in strijd met de publieke functie van de weg</vet></al><al>1.Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college de weg of een
                    weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie
                    daarvan.</al><al>2.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:</al><al>a.indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor
                    de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan
                    wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de
                    weg;</al><al>b.indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de
                    omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al><al>c.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van
                    de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><al/><al><vet>Artikel 2:10b Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen</vet></al><al>1.Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel is niet van toepassing
                    op:</al><al>a.evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al><al>b.terrassen als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid;</al><al>c.standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18.</al><al>2.Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel is voorts niet van
                    toepassing op voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                    geopenbaard.</al><al>3.Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel is niet van toepassing op
                    situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het
                    Provinciaal wegenreglement.</al><al>4De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, van het vorige artikel is niet
                    van toepassing indien in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</al><al>5.De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b,van het vorige artikel is niet
                    van toepassing op bouwwerken;</al><al>6.De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c, van het vorige artikel is niet
                    van toepassing indien in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                    milieubeheer.</al><al/><al><vet>Artikel 2:10c Vrij te stellen categorieën</vet></al><al>Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het
                    eerste lid van artikel A niet geldt.</al><al>Net als een gedetailleerde regel kan een vergunning met de daarbij gestelde
                    voorschriften voor duidelijkheid zorgen: de houder van de vergunning weet waar
                    hij aan toe is, net als de gemeentelijke toezichthouder.</al><al>Vergeleken met het oude artikel 2.1.5.1. APV is overigens ook in dit artikel een
                    dereguleringsslag gemaakt:</al><al>Vanwege de overzichtelijkheid zijn een aantal artikelen in de model APV,
                    waaronder ook artikel 2:10., onderverdeeld in een aantal afzonderlijke
                    artikelen.</al><al>Een aantal gedetailleerde bepalingen zijn vervallen, zoals het deel van lid 1
                    dat regels voor voorwerpen boven de weg stelde, tot op de twintig
                    centimeter.</al><al>Ook voor deze vergunning geldt dat ze in beginsel voor een onbeperkte periode
                    wordt verstrekt. Uiteraard kan er wel een termijn worden gesteld voor zaken die
                    per definitie tijdelijk worden geplaatst maar waarvan wenselijk is dat ze niet
                    onnodig lang het straatbeeld ontsieren, zoals steigers en stortcontainers.</al><al>Tenslotte kan de gemeente een aanzienlijke verlaging van de administratieve
                    lasten bereiken door ruim invulling te geven aan de vrijstellingsbepaling van
                    artikel 2:10 C. Eén van de belangrijkste ergernissen die de toepassing van dit
                    artikel oproept, is dat gemeenten soms een vergunning eisen terwijl van reële
                    hinder of overlast geen sprake is. Er kan worden gedacht aan bloembakken,
                    uitstallingen (eventueel alleen in het winkelgebied) en kleine
                    reclameborden.</al><al><cursief>Alternatief artikel (het Roosendaals model)</cursief></al><al>Op verzoek van een aantal gemeenten hebben wij hier een alternatieve bepaling
                    opgenomen, waarbij de vergunningplicht is gehandhaafd, maar in een veel
                    beknoptere vorm dan bij het eerste alternatief.</al><al>In het hier gegeven alternatieve artikel (Roosendaal is gekozen voor een lex
                    silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen).
                    Het gaat hier om een vergunning voor alle voorwerpen die niet onder één van de
                    genoemde uitzonderingen vallen. Er is geen sprake van een op voorhand
                    onwenselijke activiteit die bij uitzondering wordt toegestaan,zoals bij de
                    ontheffing in het model-artikel 2:10, maar van een ‘gewone’ vergunning. In dat
                    geval ligt het meer voor de hand dat het bestuur op tijd dient te beschikken, en
                    dat de aanvrager verder kan met zijn activiteit als dat niet gebeurt. Uiteraard
                    is de gemeenteraad geheel vrij om in haar APV een andere keus te maken.</al><al><cursief>Inboedels</cursief></al><al>Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van de
                    ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met artikel 2:10. In de VNG
                    ledenbrief, kenmerk 97/39, wordt ingegaan op het toepassen van bestuurswang ten
                    aanzien van op de weg geplaatste zaken. Ook het preventief optreden tegen
                    dergelijke overtredingen wordt in deze ledenbrief behandeld. Bij Nieuwsbrief
                    1360 van 12 november 2001 concludeerde de VNG naar aanleiding van de hoger
                    beroepuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 7 november 2001 (zie ook
                    onder jurisprudentie), dat met deze uitspraak het advies van de ledenbrief van
                    20 maart 1997 wordt gehandhaafd om met preventieve bestuursdwang op te treden
                    tegen de in strijd met artikel 2.1.5.1. (oud) van de model-APV op de weg
                    geplaatste zaken. De verhuurder kan daartoe worden aangeschreven en op hem
                    kunnen de kosten van de toepassing van bestuursdwang worden verhaald.</al><al><cursief>Containers</cursief></al><al>Over het plaatsen van containers kan nog opgemerkt worden dat het Centrum voor
                    Regelgeving en Onderzoek in de Grond , Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek
                    (CROW) in 1998 richtlijnen heeft uitgebracht, getiteld Markering onverlichte
                    obstakels. Deze richtlijnen gaan in op het uniform plaatsen en markeren van
                    verplaatsbare onverlichte obstakels (waaronder vuil en opslagcontainers),
                    inclusief mogelijke regelgeving met bijbehorende handhavings- en
                    controlemogelijkheden.</al><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als
                    bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik
                    bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn
                    als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van
                    puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet
                    altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende
                    zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen
                    van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling
                    dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve
                    bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is
                    valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de
                    Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste
                    zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsgvergunning. Daarom is een
                    nieuw vierde lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de
                    definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in
                    een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent.</al><al>Daarnaast blijft het derde lid gehandhaafd, waarin staat dat het bevoegde
                    bestuursorgaan (i.c. het college of de burgemeester) ontheffing kan verlenen
                    voor gebruik van de weg dat niet valt onder de Wabo, namelijk wanneeer het gaat
                    om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn
                    bijvoorbeeld bloembakken, straatmeubilair, terrassen en dergelijke.</al><al>Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project – bijvoorbeeld een
                    grootscheepse restauratie van monumentale panden – zowel de ontheffing van het
                    bevoegd bestuursorgaan (derde lid) als de onmgevingsvergunning (vierde lid)
                    nodig is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde gezagen
                    zijn. Met het oog op die gevallen kan overwogen worden om met toepassing van
                    artikel 2.2, tweede lid van de Wabo alle activiteiten waarbij voorwerpen op of
                    aan de weg worden geplaatst, onder de Wabo te brengen. Dat heeft als nadeel dat
                    de zwaardere procedure van de Wabo in alle gevallen gevolgd moet worden. Wij
                    verwachten dat deze situatie maar heel zelden zal voorkomen en hebben 2.2,
                    tweede lid van de Wabo in de model-APV dan ook niet toegepast.</al><al><cursief>Afleidende objecten langs snelwegen</cursief></al><al>Rijkswaterstaat heeft op 21 oktober 2011 het “Beleidskader afleidende objecten
                    langs snelwegen” vastgesteld. De hoofdlijn voor objecten (waaronder reclame) is
                    nu:</al><al>-bewegende objecten of beelden zijn niet toegestaan</al><al>-de objecten of beelden mogen niet verblinden (moeten voldoen aan richtlijn
                    lichthinder)</al><al>-de objecten of beelden moeten op voldoende afstand van de rijbaan zijn
                    geplaatst.</al><al>De APV kan op dit soort objecten van toepassing zijn, namelijk als de grond
                    langs de snelweg valt binnen het begrip “weg” of binnen de definitie van
                    “openbare plaats” als genoemd in artikel 1:1 van deze modelverordening. In dat
                    geval zal het rijksbeleidskader handvaten kunnen bieden om te bepalen of het
                    object gevaar oplevert voor de bruikbaarheid of het doelmatig en veilig gebruik
                    van de weg (art 2:10, eerste lid onder a).</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al><cursief>Uitstallingen</cursief></al><al>Weigering van een uitstalvergunning voor handelswaar is niet alleen gehandhaafd
                    op de onder b genoemde weigeringsgrond (welstand), maar ook op de onder a
                    opgenomen weigeringsgrond (de uitstallingen staan ook in de weg). De Afdeling
                    ziet geen grond voor het oordeel dat de plaatsing van dit artikel in het
                    hoofdstuk dat betrekking heeft op openbare orde, in de weg staat aan het opnemen
                    van de onder b genoemde weigeringsgrond. Niet valt in te zien dat een zekere
                    beoordeling van het uiterlijk aanzien van een uitstalling niet in het belang van
                    de bescherming van de openbare orde kan worden geacht. ARRS 07-10-1996, Gst.
                    1997, 7050, 5 m.nt. HH.</al><al><cursief>Evenementen</cursief></al><al>Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. Pres. Rb Leeuwarden
                    06-09-2001, LJN AD3917: er doen zich geen weigeringsgronden voor op grond van
                    artikel 2.1.5.1 en 2.2.2 APV. Ook strijdigheid met het bestemmingsplan biedt
                    geen grondslag voor weigering vergunning.</al><al><cursief>Terrassen</cursief></al><al>Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de
                    zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel
                    is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit
                    artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor
                    zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het
                    college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS 05-06-2002, JG
                    02.0018, m.nt. M. Geertsema . In dezelfde zin: ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr.
                    200202419, LJN AF0269, JG 03.0022 m.nt. A.L. van Esveld.</al><al><cursief>Reclame</cursief></al><al>Zie voor jurisprudentie over handelsreclame voorts in het commentaar onder
                    artikel 4.21.</al><al>De reclameverordening bevatte het verbod om zonder vergunning van het college
                    reclameborden te plaatsen, die vanaf de weg of een andere voor het publiek
                    toegankelijke plaats zichtbaar zijn. De vergunning kon worden geweigerd in het
                    belang van welstand of verkeersveiligheid. Het college heeft een maximum van 123
                    locaties voor driehoeksborden aangewezen. Het stellen van beleidsregels was op
                    grond van de Reclameverordening verplicht, maar het college had nagelaten deze
                    op te stellen, zodat niet duidelijk was welke procedure werd gevolgd bij de
                    verdeling van de schaarse locaties. De Afdeling oordeelt</al><al/><al><vet>Toelichting model-APV</vet></al><al>allereerst: Anders dan art. 7 lid 1 Gw beschermt art. 10 EVRM ook uitingen met
                    een commercieel karakter. De inmenging in het recht van vrije meningsuiting is
                    echter voorzien bij de wet conform het tweede lid van art. 10. Aangezien het
                    stelsel in de Reclameverordening er voorts toe strekt reclame-uitingen te
                    reguleren in het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen van
                    wanordelijkheden en strafbare feiten, alsmede de bescherming van de rechten van
                    anderen, is er van strijd met art. 10 EVRM geen sprake.</al><al>Vervolgens: Aan het college kan niet de bevoegdheid worden ontzegd om een
                    maximum te stellen aan het aantal locaties waar driehoeksborden kunnen worden
                    geplaatst. Dit maximum zal moeten worden gerechtvaardigd uit hoofde van
                    bescherming van de in de Reclameverordening genoemde belangen. Het college heeft
                    dit nagelaten. Nu het maximum aantal aangewezen locaties het uitgangspunt vormde
                    voor de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek van
                    appellante en niet kan worden nagegaan of dit uitgangspunt rechtens houdbaar is,
                    moet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet kan worden gedragen
                    door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat deze voor vernietiging
                    in aanmerking komt. ABRS 20-04-2005, nr. 200407498, AB 2005, 180 m.nt. A.
                    Tollenaar; Gst. 2005, 7236, 140 m.nt. D.E. Bunschoten.</al><al>Aangenomen mag worden dat een te beperkend beleid met betrekking tot
                    reclameconstructies op grond van artikel 2.1.5.1 niet als redelijk kan worden
                    gekwalificeerd, nog daargelaten of dit in overeenstemming is met artikel 10 EVRM
                    (Pres. Rb Zwolle 29-10-1997, KG 1997, 389). Immers, dit kan betekenen dat er in
                    feite geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik van het middel van
                    verspreiding en bekendmaking zou overblijven Volgens de President kunnen wel
                    beleidscriteria in de vorm van restricties voor wat betreft het aantal
                    vergunningen (al dan niet per aanvrager per jaar), en de locatie en duur van
                    elke vergunning worden gesteld (Pres. Rb Zwolle 26-9-1997, KG 1997, 338). Dit
                    beleid kan worden onderbouwd met behulp van een politierapport of
                    welstandsadvies.</al><al>Over driehoeksreclameborden ten behoeve van een Rasti Rostelli-show, oordeelde
                    de Pres. Rb ’s-Hertogenbosch 23-09-1999, KG 1999, 299 dat bij elke aanvraag om
                    vergunningverlening een individuele en concrete beoordeling nodig is, ongeacht
                    het gevoerde beleid. Geen acht is geslagen op de borden als zodanig en de plaats
                    van opstelling. Geen strijd met redelijke eisen van welstand. Aanvrager dient te
                    worden behandeld als ware hij in het bezit van een vergunning.</al><al>APV-bepaling biedt geen ruimte voor de weigering van een vergunning voor
                    reclameborden op basis van beleid volgens welk toestemming voor reclameborden
                    uitsluitend wordt verleend voor plaatselijke, niet-commerciële evenementen.
                    Artikel 2.1.5.1. kent een aantal limitatieve weigeringsgronden. De aard van de
                    reclame, commercieel of niet-commercieel, valt daar niet onder. Pres. Rb Breda
                    9-11-1994, JG 95.0137, KG 1995, 20. Zie ook Pres. Rb Zwolle 26-9-1997 en
                    29-10-1997, resp. KG 1997, 338 en 389. Een soortgelijke uitspraak betreft Pres.
                    Rb ‘s Hertogenbosch 12-11-1998, KG 1999, 23. Weigering van vergunning voor
                    reclameborden, aangezien het geen reclame voor een zeer bijzonder evenement
                    betreft. Aard van een evenement is geen weigeringsgrond in de zin van artikel
                    2.1.5.1.</al><al><cursief>Afvalcontainers</cursief></al><al>Plaatsing van een bedrijfsafvalcontainer op de openbare weg is in strijd met de
                    bestemming. Bovendien komt het doelmatig en veilig gebruik van de weg in het
                    geding. ARRS 30-12-1993, JG 94.0213, Gst. 1994, 6995, 5 m.nt. HH.
                    Afvalcontainers kunnen echter bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn
                    waarvoor een bouwvergunning is vereist. Dit hangt af van de constructie, omvang
                    van de constructie en de plaatsgebondenheid. Artikel 8.2 APV, welk artikel
                    vergelijkbaar is met 2.1.5.1, blijft buiten toepassing. ABRS 29-01-1998, Gst.
                    1998, 7054, 5 m.nt. JT en MenR 1998, 54 m.nt. HAMG.</al><al><cursief>Handhaving</cursief></al><al>Ten onrechte merkte de opzichter bij een woningontruiming de inboedel als afval
                    aan en liet de afgevoerde inboedel als afval verbranden. Gemeente aansprakelijk
                    voor de schade. Pres. Rb Amsterdam 15-02-2001, JG 01.0138 m.nt. E.H.J. de Bruin,
                    KG 2001, 87.</al><al>Het op straat plaatsen en daar laten staan van inboedel is geen gebruik van de
                    weg overeenkomstig de bestemming, zodat zo’n handeling onder het verbod van
                    artikel 2.1.5.1 (oud), eerste lid, van de APV valt. Hoewel artikel 5:21 van de
                    Awb niet met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid van een preventieve
                    bestuursdwangaanschrijving, kan een dergelijk besluit volgens vaste
                    jurisprudentie worden genomen indien er sprake is van klaarblijkelijk gevaar van
                    een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of
                    krachtens de wet gesteld voorschrift. De Afdeling overweegt nog expliciet dat
                    niet van belang is er of sprake is van dreigende ernstige schade. Het enige
                    criterium voor preventieve bestuursdwang is dus “klaarblijkelijk gevaar van
                    overtreding”. Verder oordeelt de Afdeling dat de aanschrijving terecht aan de
                    woningstichting is gericht. Als opdrachtgeefster tot ontruiming, waarbij de
                    inboedel op straat komt te staan, is ze overtreedster van artikel 2.1.5.1 (oud)
                    van de APV. Als overtreedster is de woningstichting op grond van artikel 5:25
                    van de Awb ook de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang
                    verschuldigd. ABRS 07-11-2001, JG 02.0006, LJN AD5810 (Brunssum) m.nt. M.
                    Geertsema, Gst. 2002, 7157, 6 m.nt. R. Boesveld.</al><al>Spoedeisende bestuursdwang met toepassing van artikel 5:31 van de Awb ten
                    aanzien van op de weg geplaatste zaken na ontruiming. Het op straat plaatsen en
                    daar laten staan van een veelal uit losse voorwerpen van niet geringe omvang
                    bestaande inboedel kan niet als gebruik van de weg overeenkomstig haar
                    bestemming worden aangemerkt, zodat een dergelijke handeling onder het verbod
                    van artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV valt. Deurwaarder is een
                    instrumenterend openbaar ambtenaar. Woningstichting is als opdrachtgeefster tot
                    ontruiming overtreedster van artikel 2.1.5.1 APV en dient de kosten van
                    bestuursdwang te betalen. ABRS 17-07-2002, JG 02.0151 m. nt. van M.
                    Geertsema.</al><al>Ook een preventieve last onder dwangsom kan worden opgelegd aan de ontruimer.
                    Vz. Rb. Zutphen 25-08-2004, LJN AQ8910.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting bij alternatieve artikelen met
                        vergunningsplicht</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:10a Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg
                        in strijd met de publieke functie van de weg</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De vergunningsplicht. Hier zijn geen wijzigingen.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Hier is naast de genoemde algemeen geldende weigeringsgronden een
                    verbijzondering opgenomen: de vergunning kan worden geweigerd als het gevraagde
                    problemen, hinder of schade zou opleveren voor de weg of het gebruik ervan.</al><al/><al><vet>Artikel 2:10b Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen</vet></al><al><cursief>Eerste lid, onder a: evenementen</cursief></al><al>Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van
                    artikel 2:25, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel
                    2:10.A. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de
                    voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan immers ook de
                    verkeersveiligheid worden gewaarborgd.</al><al><cursief>Eerste lid, onder b: terrassen horecabedrijf</cursief></al><al>Het in artikel 2:10 A bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor
                    terrassen behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester
                    vergunning is verleend op grond van artikel 2:28 Zo’n terras maakt blijkens de
                    definitie in artikel 2:27 deel uit van dat bedrijf. Daarom is hier een
                    afbakeningsbepaling opgenomen.</al><al>Als de gemeente geen exploitatievergunningenstelsel in zijn APV heeft geregeld,
                    zal de toetsing van een vergunningsaanvraag voor een terras bij een voor het
                    publiek openstaand gebouw rechtstreeks gebaseerd moeten zijn op art. 174
                    Gemeentewet. De gemeente die in dat geval toch een vergunning wil geven op grond
                    van art. 2:10 moet attent zijn op het feit dat het in dit artikel niet gaat om
                    de openbare orde, maar om hinder, gevaar of ontsiering door voorwerpen of
                    stoffen op, aan of boven de weg of een weggedeelte. Dit houdt in dat op grond
                    van deze bepaling geen voorwaarden kunnen worden gesteld i.v.m. de openbare
                    orde. Dit zal dan moeten gebeuren op grond van artikel 174 Gemeentewet. Op grond
                    van artikel 174 Gemeentewet blijft de burgemeester – ook bij toepassing van
                    artikel 2:10 – op grond van jurisprudentie het bevoegd gezag. Voor de
                    duidelijkheid: het gaat hier om een terras dat behoort bij een voor het publiek
                    openstaand gebouw.</al><al>In het geval een terras niet behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw
                    of een in artikel 2:28 bedoeld horecabedrijf en het terras is gelegen op de weg
                    of een weggedeelte kunnen alleen de in artikel 2:10 bedoelde eisen worden
                    gesteld en is het college het bevoegd gezag.</al><al><cursief>Eerste lid, onder c: standplaatsen</cursief></al><al>Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop artikel 5:17 van
                    toepassing is.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het verbod van artikel 2:10. A is niet van toepassing op voorwerpen waarop
                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningsstelsel voor zulke
                    uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van
                    meningsuiting). Het is op grond van artikel 2:1. wel verboden om uitingen te
                    doen als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar gebracht.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Regelt de afbakening met landelijke verkeerswetgeving.</al><al/><al><vet>Artikel 2:10c Vrijstellingen</vet></al><al>Bij vrijstellingen kan worden gedacht aan:</al><al>-Bloembakken en plantenbakken binnen een meter van de gevel van woningen
                    (eventueel met een maatvoering)</al><al>-Reclameborden (eventueel met een maatvoering)</al><al>-Uitstallingen bij winkels (eventueel met een maatvoering; eventueel beperkt tot
                    winkelgebieden)</al><al>-Stortbakken en steigers nodig voor een verbouwing. Er zijn situaties denkbaar
                    dat een vergunning voor dit soort voorwerpen volstrekt redelijk is. Anderzijds
                    komt het ook voor dat vergunningen worden afgegeven voor het plaatsen van een
                    aantal steigers in de loop van een jaar, waarbij naar de locatie dus niet word
                    gekeken. Als service aan de burgers zou het college in het vrijstellingsbesluit
                    de verplichting kunnen stellen dat er met een bord wordt aangegeven hoe lang dat
                    gaat duren. Dat is in een aantal Europese</al><al> landen gebruikelijk.</al><al/><al><vet>Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                        veranderen van een weg</vet></al><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d.
                    van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat
                    de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze
                    vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let
                    wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel
                    3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing
                    (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes
                    weken).</al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo
                    valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de
                    algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor de
                    toelichting bij artikel 1.2 model-APV. Voor het aanleggen of veranderen van een
                    weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</al><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De
                    weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.</al><al>Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening
                    of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college
                    bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het
                    derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te
                    verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg,
                    beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op
                    de bruikbaarheid van die weg.</al><al>Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst
                    zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst
                    onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere
                    aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering,
                    water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende
                    lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten
                    meebrengt.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet
                    worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                    derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de
                    Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg,
                    verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.
                    Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde
                    “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze
                    wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan
                    voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze
                    van verharding, breedte e.d.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van
                    hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan
                    worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor
                    het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor
                    telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde
                    telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en
                    omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de
                    Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke)
                    Telecommunicatieverordening.</al><al><cursief>Vijfde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij
                        niet tijdig beslissen)</cursief></al><al>In de WABO is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve
                    beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Voor de duidelijkheid
                    is dat hier nogmaals opgemerkt. NB! De gemeenteraad heeft bij de vaststelling
                    van de APV niet de vrijheid om te bepalen dat er geen lex silencio van
                    toepassing is!</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De voorschriften mogen slechts slaan op datgene wat op de weg zelf betrekking
                    heeft - zoals de grenzen, de afmetingen, het profiel, de hoogte, de wijze van
                    verharding - of wat met die weg ten nauwste verband houdt zoals beplanting en
                    verlichting langs en van de weg, alsmede de (situering van de) langs of in de
                    weg liggende riolering, Vz.ARRS 10 01 1986, BR 1986, 426 (Wegaanleg
                    Gennep).</al><al>Anti-rampalen (voor juwelierswinkel) in het voetgangersgebied van een druk
                    winkelcentrum leveren gevaar op voor de bruikbaarheid van de weg en voor het
                    doelmatig gebruik daarvan in de zin van artikel 2.1.5.2, derde lid, van de APV
                    Zutphen. Legalisering van de palen is niet aan de orde. Objecten die in dezelfde
                    winkelstraat staan, zoals fietsen, terrasstoelen en bloempotten, zijn anders dan
                    de twee betonnen palen. Deze kunnen ’s nachts van de openbare weg worden
                    verwijderd. Er is bovendien een aanvaardbaar alternatief. De palen kunnen achter
                    de gevellijn worden gerealiseerd. ABRS 04-02-2004, 200302804/1, LJN AO2900.</al><al/><al><vet>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in
                    2007 bezien of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven.
                    In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer
                    gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet
                    nodig. Men zou zelfs kunnen overwegen of regeling in de APV nodig is, en of
                    uitwegen niet puur privaatrechtelijk zouden kunnen worden geregeld. Het is
                    duidelijk dat dit voor veel gemeenten een zeer vergaande stap zou zijn. Er is
                    daarom voor gekozen de vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht.
                    Daarbij is wel een zogenaamde “noodrem” opgenomen: bij onacceptabele gevolgen
                    kan het college de uitweg alsnog verbieden.</al><al>Artikel 2:12 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar
                    te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer
                    ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar
                    groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms
                    (zeer) schaarse parkeerruimte.</al><al>Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een
                    weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat
                    regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de
                    vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de
                    bruikbaarheid van de weg.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke
                    toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet
                    worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                    derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><al>De indiener van de melding moet bij zijn melding een situatieschets van de
                    gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de
                    hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken of de gewenste
                    uitweg al of niet kan worden toegestaan en eventueel onder oplegging van welke
                    voorschriften.</al><al>Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt
                    evenmin met artikel 14 Wegenwet.</al><al>De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld
                    gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als dat op een
                    onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar groen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Eigenaar dient uitwegen op de weg te gedogen. ARRS 01 09 1977, AB 1977, 366
                    m.nt. JHvdV, Gst. 1977, 6472 m.nt. Kan, BR 1977, p. 914 m.nt. Crince le Roy
                    (Maastricht I); ARRS 08 06 1978, AA p. 574 m.nt. Wessel, Gst. 1977, 6514 (De
                    Bilt); ARRS 08 05 1981, AB 1981, nr. 391 m.nt. Borman (uitwegvergunning Nuth
                    I).</al><al>Ontheffing verleend voor de verbreding in het belang van de veiligheid en
                    bruikbaarheid van de weg onder de voorwaarde dat moet worden bijgedragen in de
                    kosten. Kosten van de wegverbreding konden in redelijkheid niet geheel ten laste
                    van appellante komen. ARRS 20-06-1983, AB 1984, 75 m.nt. JHvdV.
                    (Wegverbreding)</al><al>Weigering uitwegvergunning op basis van de verordeningsbepaling, die in het
                    belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt niet met artikel 14 van de
                    Wegenwet. HR 30 09 1987, BR 1988, 212 m.nt. P.C.F. van Wijmen.</al><al>Het schrijven van het college dat grond niet in gebruik wordt gegeven, is mede
                    aan te merken als een weigering om een uitwegvergunning te verlenen. Noch het
                    eigendomsrecht, noch de handhaving van het bestemmingsplan kan een rol spelen
                    bij de beslissing gelet op het opschrift van het hoofdstuk waarin het artikel is
                    geplaatst. Rubrica est lex. ARRS 11 01 1991, Gst. 6929, nr. 6. m.nt. HH.</al><al>Via voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop wordt
                    uitgewegd worden geregeld. ARRS 28 10 1983, Gst. 6774, nr. 12 (APV Vlijmen);
                    ARRS 01 04 1980, tB/S V, p. 662 (APV Dongen)). Als voorschrift aan de vergunning
                    kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd worden, ARRS 12 07 1982, tB/S III, nr.
                    356.</al><al>Ter bescherming van de veiligheid op de weg en mits opgelegd naar evenredigheid
                    kan een financiële voorwaarde worden verbonden aan een uitwegvergunning. ARRS,
                    20 06 1983, AB 1984, 75 m.nt.JHvdV. Zie ook ABRS 16 06 1995, Gst. 1996, 7035, 2
                    m.nt. EB.</al><al>Indien de uitweg gedeeltelijk is aangelegd op gemeentegrond, is uitwegvergunning
                    nodig. Nader onderzocht moet worden of er een privaatrechtelijke
                    eigendomsverhouding ten grondslag ligt aan de eis dat de uitrit moet voldoen aan
                    het bestratingsplan. Vz.ABRS 20 01 1994, JG 94.0176, Gst. 1995, 7005, 4 m.nt.
                    HH.</al><al>Intrekken van een uitwegvergunning kan slechts plaatsvinden op grond van de
                    gronden, genoemd in artikel 1.11, lid 1, (thans: artikel 1.6 model) APV. De
                    voorwaarde tot betaling van een recognitie maakt geen deel uit van de
                    vergunning, zij is gebaseerd op het eigendomsrecht van de gemeente. ABRS 05 12
                    1996, Gst. 1997, 7061, 3 m.nt. HH.</al><al>Besluit inhoudende dat privaatrechtelijke toestemming voor gebruik van de uitweg
                    is geweigerd, is geen beschikking. De vraag of een vergunning kan worden
                    verleend staat immers los van de vraag of van die vergunning ook gebruik kan
                    worden gemaakt. Appellant niet ontvankelijk. ABRS 14 07 1997, AB 1997, 369 m.nt.
                    FM.</al><al>ABRS 28-01-2000, Gst. 2000, 7123, 3 m.nt. HH: Inrit is zonder uitwegvergunning
                    aangelegd, nu de brief dat de inrit in het trottoir zal worden gemaakt, zodra de
                    kosten daarvan aan de gemeente zijn betaald, geen besluit behelst in de zin van
                    artikel 1:3, eerste lid, Awb, maar slechts een mededeling van feitelijke aard
                    is.</al><al>Weigering van toestemming voor gebruik van bij gemeente in eigendom zijnde
                    groenstrook naast woning ten behoeve van het maken van een uitweg is geen
                    besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, maar een rechtshandeling naar burgerlijk
                    recht. ZBRS 04-07-2000, JB 2000, 225, Gst. 2000, 7128, 4 m.nt. HH.</al><al>Aanvragen bouwvergunning en uitwegvergunning moeten naar verschillende
                    maatstaven worden beoordeeld. Vergunningaanvrager heeft bijzonder belang bij
                    uitwegvergunning, nu het college een bouwvergunning heeft verleend voor een
                    garage, namelijk het belang deze ook daadwerkelijk te kunnen gebruiken voor zijn
                    auto. Slechts zeer bijzondere belangen aan de kant van de gemeente zouden de
                    weigering kunnen dragen. Weigering op grond van te verwachten parkeerdruk ten
                    gevolge van uitwegvergunning in de toekomst is niet nader onderbouwd. ABRS
                    19-01-2001, Gst. 2001, 7139, 2 m.nt. HH.</al><al>Marginale toetsing rechter. De rechtbank heeft de uitwegvergunning ten onrechte
                    vernietigd op basis van een eigen oordeel over veilig en doelmatig gebruik van
                    de weg. De rechter moet zich beperken tot de vraag of de voorgedragen
                    beroepsgronden tot het oordeel leiden dat het college het genomen besluit
                    onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel bij beoordeling van de daarvoor
                    in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot weigering van de
                    gevraagde vergunning heeft kunnen besluiten. ABRS 27-06-2001, JB 2001, 207.</al><al/><al><vet>AFDELING 6. VEILIGHEID OP DE WEG</vet></al><al>Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot
                    het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het
                    onderwerp waarin deze wet voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn
                    met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare oude
                    Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204 m.nt.
                    W.F. Prins).</al><al>Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen
                    worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid
                    op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de
                    weg.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De gemeenteraad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het verkeer
                    op wegen - ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan
                    verkeersbelangen indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het
                    normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de wegenverkeerswetgeving wordt
                    doorkruist. HR 21-06-1966, NJ 1966, 417 m.nt. W.F. Prins, AB 1967, p. 186, NG
                    1966, p. 432, VR 1966, p. 227 m.nt. R.J. Polak (bromfietsverbod Sneek); HR
                    23-12-1980, NJ 1981, 171 m.nt. T.W. van Veen, AB 1981, 237, NG 1981, p. S 63, VR
                    1981, p. 58 m.nt. J.J. Bredius (rijverbod Schiermonnikoog) en AR 5-3-1981, Gst.
                    1981, 6678 m.nt. EB (rijverbod Vlieland).</al><al/><al><vet>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>Dit artikel ging onder andere over het sneeuw- en ijsvrij houden van stoepen.
                    Iedere winter komt de vraag weer op waarom dit geschrapt is. Vele APV’s kennen
                    of kenden een plicht voor de eigenaar van een gebouw of terrein, gelegen binnen
                    de bebouwde kom, om het trottoir langs dat gebouw of terrein sneeuwvrij te maken
                    en te houden. Rond deze bepaling keert dikwijls de vraag terug van bevoegdheid
                    tot regeling. Het opnemen van zo’n plicht in de APV zou namelijk strijd
                    opleveren met de in 1930 in Geneve door de International Labour Organisation
                    vastgestelde conventie betreffende de gedwongen of verplichte arbeid, of zou in
                    strijd zijn met artikel 4 van het EVRM.</al><al>Daarnaast moet geconstateerd worden dat een dergelijke bepaling door de overheid
                    niet gehandhaafd wordt. Om deze redenen is afgezien van opname van een
                    “sneeuwruimbepaling” in de model APV.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Bewoners hebben de verplichting ingevolge de APV om gladheid op aangrenzend
                    trottoir te bestrijden. Van bewoners kan niet worden gevergd dat zij bij
                    sneeuwval hun trottoir voortdurend sneeuwvrij houden. Rb Amsterdam d.d. 20 01
                    1993, VR 1994, 158.</al><al/><al><vet>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</vet></al><al>Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te
                    verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze
                    winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het
                    probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De
                    consument kan een wagentje pas gebruiken met bijvoorbeeld een munt van 50
                    eurocent. Dit leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Om die reden gaan
                    sommige gemeenten er toe over om in hun APV bepaling een verbod jegens de burger
                    op te nemen.. Omdat niet iedere gemeente behoefte heeft aan een dergelijke
                    bepaling is dit artikel bij de herziening van 2011 facultatief gemaakt.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Is een winkelbedrijf vergunningplichtig op basis van de milieuregelgeving, dan
                    kunnen voorschriften met betrekking tot winkelwagentjes worden verbonden aan de
                    milieuvergunning. KB 12 6 1985, WO RvS 1985, nr. V 60 en Gst. 6802, 10
                    (Haarlem).</al><al>De algemene voorwaarden die aan de ontheffing inzake gebruik van winkelwagentjes
                    worden verbonden, bevatten o.a. een verplichting de wagentjes uit te rusten met
                    een muntmechanisme. Dit beleid is niet op zich zelf zodanig onjuist of
                    onredelijk te achten dat reeds daarom een onevenredig nadeel voor verzoekster
                    aanwezig moet worden geacht. De bedoelde voorwaarde strekt er onmiskenbaar toe
                    de van rondslingerende winkelwagentjes ondervonden overlast te beperken. Wnd
                    Vz.ARRS, 01 12 1981, OB 44127, III.2.2.7, nr. 49; NG 1982, nr. 7, p. 103 e.v.,
                    ARRS 17 06 1983, AB 1983, 511 m.nt. JHvdV (APV Weert).</al><al/><al><vet>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</vet></al><al><cursief>Deregulering</cursief></al><al>In de model APV is het artikel waarin een vergunningsplicht was opgenomen voor
                    het plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan (artikel
                    2:10.) vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer het
                    gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert. Daarmee
                    vervalt de noodzaak van het artikel over hinderlijke beplanting. het was daarom
                    geschrapt. Meerdere gemeenten hebben echter aangegeven om praktische redenen dit
                    artikel te willen handhaven, vandaag dat de tekst is teruggeplaatst
                    (facultatief).</al><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last
                    opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op
                    zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of
                    daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Tuin afgeschermd met lattenscherm en coniferen. Het college vond het belang van
                    privacy zwaarder wegen dan het belang van de verkeersveiligheid. De Afdeling is
                    van oordeel dat de belemmering van het uitzicht van beperkte betekenis is omdat
                    het lattenscherm een open constructie kent. De weigering bestuursdwang uit te
                    oefenen tegen de coniferen blijft echter niet in stand omdat de Afdeling van
                    oordeel is dat de coniferen bij het uitrijden van de inrit het zicht geheel
                    ontnemen. ARRS 10 12 1993, JG 94.0138.</al><al/><al><vet>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.</vet></al><al>Bij de herziening van 2008 is besloten deze bepaling facultatief te maken. De
                    vraag is namelijk of deze bepaling iets toevoegt aan de hieronder genoemde
                    bepaling in het Wetboek van strafrecht.</al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Artikel 427, onder 1 en 3 , Wetboek van Strafrecht verplicht de eigenaar tot het
                    treffen van de nodige voorzorgmaatregelen met betrekking tot kelderingangen en
                    toegangen tot onderaardse ruimten ten behoeve van de veiligheid van
                    voorbijgangers.</al><al>De onderhavige APV bepaling gaat verder. Geopende kelderingangen e.d. blijven,
                    ook al worden ze met de nodige voorzorgsmaatregelen omgeven, een gevaar voor het
                    publiek. Het zonder noodzaak geopend hebben van kelderingangen e.d. kan hiermee
                    tegengegaan worden.</al><al/><al><vet>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</vet></al><al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                    eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in
                    de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen,
                    niet meer mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt zou van 1 maart
                    tot 1 november kunnen zijn.</al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>In artikel 429, aanhef en onder 3 , van het Wetboek van Strafrecht is bepaald:
                    Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede
                    categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of
                    voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.</al><al/><al><vet>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>In deze model APV is het artikel waarin een vergunningsplicht was opgenomen voor
                    het plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan (artikel
                    2:10.) vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer het
                    gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert. Daarmee
                    vervalt de noodzaak van het oude artikel.</al><al>Wanneer uw gemeente ervoor kiest om wel een vergunningsplicht te handhaven,
                    blijft de noodzaak om dit artikel te handhaven, omdat het hier gaat om situaties
                    die men zonder meer wenst te verbieden, zonder in onwenselijke en mogelijk het
                    optreden vertragende vergunningsprocedures te verzeilen. Vandaar dat hier als
                    optie de tekst van het artikel is bijgevoegd, met de oude toelichting:</al><al>1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers
                    bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad
                    of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                    meter boven dat gedeelte van de weg.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere
                    scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van
                    de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn
                    aangebracht.</al><al>3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van
                    de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al><al>4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp
                    wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al/><al><vet>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</vet></al><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt.</al><al>Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige
                    artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer
                    de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of
                    de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al><al/><al><vet>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</vet></al><al>Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen
                    een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften
                    opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij
                    kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten
                    gebouwen.</al><al>Ook sluit het desbetreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de
                    eigenaren van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen
                    staan of lopen. Deze overeenkomsten beperken, uiteraard tegen een
                    schadevergoeding, de zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook
                    altijd voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de gronden onder de
                    hoogspanningslijnen. In gemeenten waar dit op deze wijze is geregeld, kan het
                    opnemen van dit artikel achterwege blijven.</al><al>Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan
                    bevat artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze
                    bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met
                    bestuursdwang recht te kunnen zetten. Wel moeten de voorschriften, bijvoorbeeld
                    de hoogte van toe te laten gebouwen, i.c. twee meter, uit bestemmingsplan en APV
                    op elkaar afgestemd zijn.</al><al>Vanwege het gevaarsaspect is bepaald dat de Lex Silencio Positivo niet van
                    toepassing is op de ontheffing bedoeld in het tweede lid.</al><al/><al><vet>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</vet></al><al>Het oorspronkelijke tweede lid van dit artikel (“Eenieder is verplicht op eerste
                    vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter
                    voorkoming van gevaar voor personen of goederen”) is in 2002 geschrapt. Reden is
                    dat deze formulering ten onrechte aansprakelijkheid van de gemeente kan
                    suggereren bij het door het ijs zakken. Het oude derde lid is vernummerd tot
                    tweede lid.</al><al/><al><vet>AFDELING 7. EVENEMENTEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:24 Begripsbepaling</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien
                    van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend
                    criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”)
                    wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van
                    de bepalingen valt.</al><al>a.In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen.</al><al>b.Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten. Indien het
                    college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                    Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor
                    regels vaststellen in een marktverordening. Snuffelmarkten zijn specifiek
                    geregeld in artikel 5:22 van de APV. Uitgebreide informatie over markten is te
                    vinden onder de toelichtingen bij artikel 5:22 en de modelmarktverordening van
                    de VNG. De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.</al><al>c.Dansen in een DHW-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip omdat
                    dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een andere, meer
                    incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen
                    (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel
                    als evenement worden aangemerkt. Zie Lbr 92/78. Zie verder hieronder onder
                    feest.</al><al>d.Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom. Zie voor
                    een toelichting op de Wom onder artikel 2:3.</al><al>e.Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2:9
                    (Straatartiest) en 2:39 (Speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard om dubbele
                    regelgeving te voorkomen.</al><al>Indien een gemeentebestuur van mening is dat bepaalde, niet in de
                    begripsomschrijving uitgezonderde, evenementen van de vergunningplicht behoren
                    te worden vrijgesteld, kunnen deze evenementen ook als uitzondering worden
                    opgenomen.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al><cursief>Herdenkingsplechtigheid</cursief></al><al>Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is,
                    maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt
                    ze als evenement genoemd.</al><al><cursief>Braderie</cursief></al><al>Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat
                    terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden
                    aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG
                    93.0002). Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in
                    de zin van artikel 5:22, van de model-APV. Omdat een braderie een voor publiek
                    toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement:</al><al><cursief>Optochten</cursief></al><al>Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                    bloemencorso’s enz., die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten
                    van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de
                    Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid
                    van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de</al><al>Wet openbare manifestaties (Wom) van toepassing.</al><al><cursief>Feest, muziek</cursief></al><al>Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een
                    vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de
                    begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid. Het feest kan als een voor
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten
                    feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling
                    omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand
                    van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een
                    “besloten” karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of
                    reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement. De gemeente kan bij
                    feesten waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld
                    worden georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de
                    uitspraak met betrekking tot het verplicht handhavend optreden bij
                    schuurfeesten. ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103 m.nt. P.J.H.) Ook in het kader
                    van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en
                    verkeersoverlast.</al><al>Prins Charles-Joseph de Ligne (1735-1814), Oostenrijks veldmaarschalk, werd door
                    Goethe beschouwd als “de vrolijkste man van zijn tijd”. Zijn geestige memoires
                    zijn nog steeds het lezen waard.</al><al>Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale
                    bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende diskjockey of een
                    optreden van een bekende band) zijn op grond van artikel 2.2.2 (oud)
                    vergunningplichtig. ABRS 11-01-2006, LJN AU9388 (Ghostship/Ghosthouse).</al><al>Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaats vindt, is dit
                    een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor
                    publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor
                    publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen,
                    muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting
                    als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:25.</al><al>Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het
                    activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de model-APV geven
                    het college de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een
                    inrichting. Voorschriften met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen
                    op grond van artikel 4:6 van de model-APV in de vergunning worden
                    opgenomen.</al><al><cursief>Wedstrijd op of aan de weg</cursief></al><al>Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist,
                    krachtens het bepaalde in het eerste lid, van artikel 2:25 en artikel 2:24,
                    tweede lid, onder d.</al><al>Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef
                    en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel
                    10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 WVW 1994
                    bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen
                    van die ontheffing geschiedt:</al><al>a.voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en
                    Waterstaat;</al><al>b.voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de
                    ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing
                    wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente.</al><al>Aan de ontheffing kan de burgemeester voorschriften verbinden om binnen
                    redelijke grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis
                    van de WVW 1994 mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van
                    het verkeer. In artikel 2, tweede en derde lid, WVW 1994 worden onder meer de
                    volgende motieven worden genoemd:</al><al>-het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of
                    schade;</al><al>-het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het
                    karakter of van de functie van objecten of gebieden;</al><al>-het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik.</al><al>Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de
                    Wegenverkeerswet 1994 dan is - naast artikel 10 juncto artikel 148
                    Wegenverkeerswet 1994 - artikel 2:25 van toepassing. De evenementenbepaling is
                    namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de
                    Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven, zoals
                    openbare orde, veiligheid en gezondheid, weigeren medewerking te verlenen aan
                    het evenement, in casu de wedstrijd op de openbare weg. In die zin is de
                    evenementenbepaling aanvullend op de wedstrijdbepalingen uit de
                    Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of
                    bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg als hier bedoeld,
                    dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de burgemeester op grond van
                    artikel 2:25. Op grond van de artikel 2:25 geldt voor andere wedstrijden op of
                    aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan
                    bijvoorbeeld “vossenjachten”, droppings e.d.</al><al><cursief>Klein evenement</cursief></al><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of straatfeest
                    is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger
                    gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip
                    evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In het derde
                    lid is een klein evenement daarom gedefinieerd. Het moet gaan om kleinschalige
                    activiteiten die niet langer duren dan één dag en die zich in de openbare ruimte
                    afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden.</al><al/><al><vet>Artikel 2:25 Evenement</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk,
                    controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare
                    orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid
                    e.d.</al><al>Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de
                    gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het
                    evenement toegesneden voorwaarden.</al><al>In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding. Het is
                    dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet
                    geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Voor kleine evenementen volstaat een meldingsplicht. Het blijft verboden om
                    zonder melding zo’n evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als
                    zonder deze melding de barbecue en/of straatfeest wordt georganiseerd</al><al><cursief>Tweede lid, onder a en b</cursief></al><al>Het aantal personen dat aanwezig is, moet lokaal worden vastgesteld. Dit kan
                    gebeuren in samenspraak met politie en/of hulpdiensten zoals de brandweer en de
                    ambulancedienst. Eveneens wordt de tijd gedurende welke het evenement plaats
                    vindt lokaal vastgesteld</al><al><cursief>Tweede lid, onder c</cursief></al><al>Voor het houden van een straatfeest of barbecue is impliciet lawaai toegestaan.
                    De gemeenteraad dient wel de afweging te maken tussen de sociale cohesie van de
                    buurt en de overlast die het geluid kan hebben voor de overige buurtbewoners. Er
                    is voor gekozen dat het tussen 23.00 uur en 07.00 uur stil moet zijn. Uiteraard
                    kan de gemeente andere tijdstippen kiezen.</al><al>Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte muziek omdat beide vormen van
                    geluid onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor buurtbewoners.</al><al><cursief>Tweede lid, onder d</cursief></al><al>Zodra een rijbaan, fiets/bromfietspad of parkeergelegenheid wordt afgezet voor
                    een evenement is tenminste een tijdelijke verkeersmaatregel nodig, genomen door
                    het college. Deze bevoegdheid kan overigens krachtens artikel 168 van de
                    Gemeentewet gemandateerd worden aan de burgemeester. Als het evenement plaats
                    vindt op het trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte
                    voor passanten. Als richtlijn wordt hierbij 1.50 cm aangehouden. Het gaat vooral
                    om het ongehinderd kunnen passeren van invaliden, kinderwagens etc. Met
                    betrekking tot de hoofdroute van de brandweer is het belangrijk dat er een lijst
                    wordt opgesteld met: doorgaande wegen, wegen en terreinen met een bijzondere
                    bestemming (markt), evenemententerreinen en routes van de operationele diensten
                    (brandweer, ambulance etc.)</al><al>Locaties waar barbecues/straatfeesten kunnen worden gehouden, zijn: parken,
                    plantsoenen, pleintjes, grasveldjes, sportveldjes, e.d.</al><al><cursief>Tweede lid, onder e</cursief></al><al>Hier wordt met object bedoeld een kleine partytent, een barbecuetoestel, een
                    springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte bepaalt het aantal te
                    plaatsen voorwerpen. Uiteraard mag ook hier het verkeer, waaronder voetgangers
                    geen hinder van ondervinden</al><al><cursief>Tweede lid, onder f</cursief></al><al>Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels
                    te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan
                    een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.</al><al><cursief>Tweede lid, onder g</cursief></al><al>De organisator stelt de burgemeester tenminste ……werkdagen voorafgaand aan het
                    evenement in kennis van het evenement. De gemeente heeft er belang bij om tijdig
                    op de hoogte te zijn van een initiatief dat zich afspeelt in de buitenlucht. De
                    gemeente moet hierbij zelf overwegen welke termijn redelijk is. Wij adviseren
                    hiervoor een termijn van maximaal 5 werkdagen aan te houden.</al><al>De Drank- en Horecawet bepaalt dat er geen vergunning of ontheffing nodig is
                    als: a. er een besloten feest wordt gehouden, waar b. geen entree wordt gevraagd
                    en waar c. gratis alcohol wordt geschonken. Er moet dan wel voldaan worden alle
                    drie vereisten, Wanneer er sprake is van het vragen en betalen van een vaste
                    bijdrage impliceert dit dat er sprake is van het anders dan om niet verstrekken
                    van alcoholische drank (artikel 1 jo. 3 Drank en Horecawet, Uitspraak Hoge Raad
                    van 10 februari 1987, NJ 1987, nr. 836). In laatstgenoemde geval kan de
                    burgemeester op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het
                    eendaagse evenement een ontheffing verlenen.</al><al>Bij toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn is het een vereiste om de
                    meldingplichtige een ontvangstbevestiging te sturen. Daarin wordt vermeld dat
                    het evenement mag plaats vinden, indien de burgemeester niet binnen een bepaalde
                    termijn reageert.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te verbieden.
                    Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</al><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen
                    stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is
                    aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen
                    voor deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven. Het begrip “toezicht” is ruimer dan alleen de handhaving van de
                    openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de
                    veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien
                    de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan
                    ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig
                    afdeling 10.1.1. Awb.</al><al><cursief>Aansprakelijkheid vergunninghouder/organisator</cursief></al><al>Voorop staat dat de vergunninghouder of de organisator zelf, of degene die
                    bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in het leven roept dat zich
                    vervolgens verwezenlijkt, primair aansprakelijk kan worden gesteld voor daardoor
                    veroorzaakte schade. Het arrest Vermeulen/Lekkerkerker (HR 10 maart 1972, NJ
                    1972, 278) is van overeenkomstige toepassing op de houder van de
                    evenementenvergunning. De Hoge Raad oordeelt in dat arrest dat het feit dat een
                    Hinderwetvergunning (nu: Wet milieubeheer) is verleend, nog niet betekent dat
                    eigenaren van naburige erven schade en hinder, welke zij in het algemeen niet
                    behoeven te dulden, wel zouden moeten verdragen van een vergunninghouder.</al><al>Een dergelijke vergunning vrijwaart de vergunninghouder volgens de Hoge Raad dan
                    ook niet voor zijn aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, ook niet als door
                    de desbetreffende eigenaar tegen verlening van de vergunning tevoren bezwaren
                    zijn ingebracht, maar deze bezwaren zijn verworpen.</al><al><cursief>Aansprakelijkheid gemeente</cursief></al><al>Mr. V.H. Affourtit gaat in het tijdschrift “Risicobewust” onder andere in op de
                    aansprakelijkheid voor toezichtsfalen (Aansprakelijkheid van gemeenten bij
                    evenementen, Tijdschrift Risicobewust, nr. 4, november 2003). Kort samengevat
                    komt zijn artikel op het volgende neer.</al><al>Voor het houden van toezicht op evenementen bestaan op zichzelf geen heldere
                    regels bij overtreding waarvan de aansprakelijkheid eenvoudig kan worden
                    vastgesteld. De grondslag voor aansprakelijkheid moet dan ook worden gezocht in
                    artikel 6:162 BW en de door het zogenaamde Kelderluikarrest (HR 5 november 1965,
                    NJ 1966, 136) ingevulde ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.</al><al><cursief>Belastingheffing</cursief></al><al>Voor het behandelen van een aanvraag voor een vergunning voor het houden van een
                    evenement kunnen leges worden geheven. In de gemeentelijke legesverordening kan
                    hiervoor een tariefbepaling worden opgenomen. Een en ander kan voor de gemeente
                    aanleiding zijn tot beleidsuitgangspunt te nemen dat de leges voor een
                    vergunning voor een groot evenement hoger moet zijn dan die voor een
                    kleinschalig evenement. Of dat voor het kleinschalig evenement helemaal geen
                    leges worden geheven.</al><al>Opmerking verdient dat de tarieven niet naar het inkomen, de winst of het
                    vermogen mogen worden gedifferentieerd.</al><al>Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet maakt het
                    mogelijk dat een vermakelijkheidsretributie geheven wordt voor evenementen.
                    Vereiste daarvoor is dat gebruik moet worden gemaakt van door of met medewerking
                    van de gemeente tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen.
                    Hieronder valt ook een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht. De
                    gemeente moet derhalve (extra) kosten maken in verband met het evenement. De
                    gemeente hoeft de hoogte van de kosten niet aan te tonen. Het is dus niet zonder
                    meer mogelijk om de vermakelijkheidsretributie in het leven te roepen op grond
                    van het feit dat een organisator een gemeentelijke weg gebruikt voor een
                    evenement. Het gebruik van de weg moet zodanig zijn dat de gemeente hierdoor
                    extra onderhoudskosten heeft.</al><al>Opmerking verdient dat de vermakelijkheidsretributie in een belastingverordening
                    moet worden geregeld. De reikwijdte van een dergelijke verordening zal zich
                    veelal ook uitstrekken tot andere “vermakelijkheden” in de gemeente.</al><al>De vermakelijkheidsretributie wordt geheven van degene die het evenement
                    organiseert. Vaak wordt de vermakelijkheidsretributie geheven als een
                    toegangsprijs voor een evenement moet worden betaald. Op die manier kan de
                    vermakelijkheidsretributie door de organisator in de toegangsprijs worden
                    opgenomen, zodat deze vrij eenvoudig aan de bezoekers doorberekend kan
                    worden.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van een
                    evenement. Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een aantal
                    voorwaarden:</al><al>a.De voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke regeling.</al><al>b.De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het voorkomen
                    van aantasting van de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, zie
                    de artikelen 1:4 en 1:8.</al><al>c.De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van behoorlijk
                    bestuur.</al><al>Het is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak aanvaardbaar dat de burgemeester
                    aan een evenementenvergunning alsnog nadere voorschriften stelt en zich niet
                    hoeft te beperken tot de voorschriften die voortvloeien uit de aanvraag, of de
                    voorschriften waarmee de aanvrager instemt. ABRS 28-04-2004, “Rockbitch”, LJN
                    AO8495.</al><al>Niet nakoming van voorschriften die aan de vergunning verbonden zijn kan grond
                    opleveren voor intrekking van de vergunning dan wel voor toepassing van andere
                    administratieve sancties. In artikel 1:6 is de intrekkingsbevoegdheid
                    vastgelegd.</al><al><cursief>Entreeheffing</cursief></al><al>Hennekens gaat in de Gemeentestem. 1998, 7076, p. 281-288 in op de vraag of het
                    heffen van entreegeld voor het bezoeken van een evenement al dan niet geoorloofd
                    is. Hij concludeert dat voor entree de organisator met de bezoeker overeenkomt
                    om tegen betaling van een bepaald bedrag het door de organisator geboden
                    evenement te mogen bezoeken. Het is dus de organisator die bepaalt of er entree
                    geheven wordt en zo ja, hoe hoog dat entreegeld zal zijn.</al><al><cursief>Evenementen en bestemmingsplan</cursief></al><al>Een aanvraag voor een APV- vergunning voor een evenement kan niet geweigerd
                    worden enkel omdat het in strijd is met een bestemmingsplan. Een aanvraag voor
                    een evenementenvergunning moet namelijk worden beoordeeld aan de hand van de
                    belangen die zijn opgenomen in de weigeringsgronden. Andersoortige belangen
                    kunnen bij het beoordelen van de aanvraag geen zelfstandige weigeringsgrond
                    opleveren, ABRS 29-03-2003, LJN AF8028.</al><al>Het bestemmingsplan is vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening uiteraard wel
                    relevant .</al><al>Het bestemmingsplan moet het gebruik ten behoeve van het gewenste evenement
                    namelijk toestaan. Daarbij moet worden beoordeeld of het evenement naar omvang,
                    duur en uitstraling een planologische relevantie heeft.</al><al>Evenementen die geen of slechts geringe planologische relevantie hebben, kunnen
                    gewoon plaatsvinden. Daarvoor is geen omgevingsvergunning nodig.</al><al>Voor deze evenementen is wel een evenementenvergunning vereist op grond van de
                    APV en eventuele andere toestemmingen of ontheffingen voor muziek/geluidhinder,
                    brandveiligheid enz.</al><al>Voor het gebruik van een terrein in strijd met het bestemmingsplan voor een
                    evenement met planologische relevantie kan (naast de APV evenementenvergunning)
                    een omgevingsvergunning (artikel 2.1, lid 1 onder c van de Wabo) worden
                    aangevraagd.</al><al>Het college kan de omgevingsvergunning verlenen met behulp van de in artikel
                    2.12, lid 1 onder a. Wabo genoemde afwijkingsmogelijkheden.</al><al>Vaak zal daarbij gebruik kunnen worden gemaakt van de ‘buitenplanse
                    afwijkingsmogelijkheid’. Het Besluit omgevingsrecht (Bor) biedt het college
                    namelijk de bevoegdheid om van de bepalingen in het bestemmingsplan af te wijken
                    als het gaat om het gebruiken van gronden of bouwwerken ten behoeve van
                    evenementen met een maximum van drie per jaar en een duur van ten hoogste
                    vijftien dagen per evenement, het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten
                    behoeve van het evenement hieronder begrepen. ( art. 2.12, eerste lid, onder a,
                    onder 2 Wabo jo artikel 4, lid 8 Bijlage II Bor).</al><al>Wanneer het bestemmingsplan het gebruik als evenemententerrein niet toestaat, er
                    wel sprake is van planologische relevantie en het verlenen van een
                    omgevingsvergunning niet mogelijk is, zal handhavend moet worden
                    opgetreden.</al><al>ABRS 13-04-2005, LJN AT3708 (Schuttersfeest Diepenheim, Hof van Twente), Gst.
                    2005, 7229, m.nt. Teunissen; Rb Leeuwarden 27-07-2005, LJN AU0442
                    (Veenhoopfestival Smallingerland).</al><al>Het is daarom van belang dat gemeenten naast de vergunningverlening erop toezien
                    dat de bestemmingsplannen voorzien in de te houden evenementen.</al><al>In het bestemmingsplan dient dan niet alleen het betreffende gebied als
                    evenementterrein te worden bestemd, ook moet daarbij het aantal, soort en duur
                    van de evenementen en het maximaal toegestane aantal bezoekers per evenement
                    worden geregeld. Dit zijn allemaal aspecten met ruimtelijke relevantie die in
                    het kader van de rechtszekerheid in het bestemmingsplan moeten worden
                    vastgelegd.</al><al>ABRS 05-01-2011, BO9802 ; ABRS 16-02-2011, BP4728</al><al><cursief>Evenementen op de openbare weg</cursief></al><al>Hennekens heeft in Gst, 1998, 7076, p. 281-288 een opstel geschreven met als
                    titel “Evenementen op de openbare weg”. Hij gaat uitgebreid in op de verhouding
                    tussen het normale gebruik van een openbare weg en het gebruik daarvan voor het
                    houden van een evenement. Eerst worden enkele opmerkingen gemaakt over de
                    evenementenvergunning als grondslag voor het besluit om een (gemeentelijke)
                    openbare weg af te sluiten voor het houden van een evenement. Hierna wordt de
                    vraag beantwoord wie bevoegd is om tot een dergelijke wegafsluiting te besluiten
                    en wat de gevolgen daarvan zijn. Daarbij wordt o.a. aandacht besteed aan de
                    openbaarheid van de weg en de regeling van wegafsluitingen in en krachtens de
                    Wegenverkeerswet 1994.</al><al><cursief>Evenementenbeleid</cursief></al><al>Aan de hand van de motieven, neergelegd in de weigeringsgronden kan de
                    burgemeester beleidsregels vaststellen.</al><al>Het doel van een evenementenbeleid is enerzijds het vastleggen van wat er met
                    betrekking tot evenementen in een gemeente wordt nagestreefd, in relatie tot de
                    APV en onder welke voorwaarden dit is toegestaan. Anderzijds behelst het beleid
                    de afstemming van processen binnen de vergunningverlening zodat deze zo
                    efficiënt en goedkoop mogelijk kan plaatsvinden.</al><al><cursief>Draaiboek evenementen</cursief></al><al>Een andere mogelijkheid om een evenementen te beheersen is het instellen van een
                    evenementendraaiboek.</al><al>Het doel van een draaiboek is om duidelijkheid te bieden aan gemeentelijke
                    diensten, bewoners, publiek en externe partijen. Het moet voor alle betrokken
                    partijen duidelijk zijn onder welke voorwaarden een evenement kan plaatsvinden.
                    Het draagt bij aan een soepel verloop van de vergunningaanvraag, een efficiënte
                    samenwerking tussen alle betrokken partijen en daarmee een veilig en ongestoord
                    verloop van het evenement. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld zelf in samenwerking
                    met eigen diensten, politie en betrokken partijen een draaiboek evenementen
                    ontwikkelen, zoals de gemeente Amsterdam dit inmiddels in gebruik heeft.</al><al><cursief>Vijfde lid: Lex silencio positivo</cursief></al><al>Kleinere evenementen zijn al vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op
                    grotere evenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien
                    de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook
                    vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid,
                    aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een
                    inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende
                    dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare
                    veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf
                    4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Het in het vooruitzicht stellen van een beloning in de vorm van prijzen e.d.
                    maakt de activiteit tot een wedstrijd. Rb Maastricht 15-02-1977, VR 1977,
                    91.</al><al>Een limitatieve omschrijving van het begrip “evenement” kan in de praktijk tot
                    problemen aanleiding geven. ARRS 12-08-1985, Gst. 1986, 6805, 4.</al><al>Het door geblinddoekte personen proberen om in aanwezigheid van publiek met een
                    sabel de hals van een van tevoren gedode gans af te slaan (zgn. gansslaan) is
                    een vertoning in de zin van artikel 39, lid 1 APV Eijsden. Dit artikel is
                    opgenomen in hoofdstuk III betreffende de openbare orde. Bij de afweging van
                    belangen met betrekking tot de vergunningverlening moet derhalve in ieder geval
                    het belang van de openbare orde worden betrokken. In casu gegronde reden voor
                    vrees voor verstoring van de openbare orde, in aanmerking genomen de emoties
                    rond het evenement en de escalatie daarvan. ABRS 26-08-1987, AB 1988, 263.</al><al>Het weigeren van een vergunning ten behoeve van het houden van evangelisatie
                    activiteiten op het Museumplein in Ede is toegestaan wegens verstoring van de
                    openbare orde en veiligheid. Vz.ARRS 06-08-1991, AB 1992, 53 m.nt. PJB, AA 1992,
                    10 m.nt. P.W.C. Akkermans, JG 92.0003 m.nt. L.J.J. Rogier.</al><al>Braderie is geen jaarmarkt of gewone markt. Vz. ARRS 27-05-1992, JG
                    93.0002.</al><al>Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur. Schending
                    van de zondagsrust? Pres. Rb Utrecht 06-06-1995, JG 95.0316 m.nt. A.B. Engberts,
                    KG 1995, 292.</al><al>Vergunning voor houden van festivals. Ruime uitleg begrip “openbare orde”. Pres.
                    Rb Groningen 11-08-1995, Gst. 1996, 7030, 3 m.nt HH.</al><al>Het toekennen van de bevoegdheid tot het verlenen van een evenementenvergunning
                    aan de burgemeester is niet in strijd met artikel 162 van de Gemeentewet. De
                    Afdeling oordeelt dat een dergelijke bevoegdheidstoekenning in lijn is met het
                    bepaalde in artikel 174 Gemeentewet. Een stelsel waarbij voor een evenement een
                    naar tijd en plaats bepaalde algemene evenementenvergunning wordt afgegeven aan
                    een organisator, die binnen de in de vergunning aangegeven grenzen en voor de in
                    de vergunning al opgenomen activiteiten op privaatrechtelijke grondslag zonder
                    bemoeienis van de burgemeester overeenkomsten sluit, waarmee verder invulling
                    wordt gegeven aan het evenement, is toegestaan. “Koninginnenacht Den Haag” ABRS
                    11-03-1999, H01.98.1109, JG 99.0129 m.nt. M. Geertsema.</al><al>Gebruik perceel voor evenementen, o.a. schuurfeesten in strijd met de
                    bestemming. Dat evenementen elk slechts een of een enkele maal per jaar worden
                    georganiseerd, doet daar niet aan af. Slechts in bijzondere omstandigheden
                    afzien van handhavend optreden (op verzoek van belanghebbende). ABRS 02-04-1999,
                    Gst. 1999, 7103, 4 m.nt. P.J.H.</al><al>Ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester - en niet het
                    college - bevoegd om geluidsvoorschriften op te nemen in de
                    evenementenvergunning. ABRS 13-12-1999, JG 00.0055 m.nt. M. Geertsema, Gst.
                    2000, 7116, 3 m.nt. HH.</al><al>Kooigevecht is niet een sportwedstrijd maar een evenement. Weigering vergunning
                    op grond van veiligheid van personen en de goede zeden. Pres. Rb ‘s
                    Hertogenbosch 14-02-1997, KG 1997, 106. In hoger beroep: Het is primair aan de
                    burgemeester om invulling te geven aan het begrip zedelijkheid als bedoeld in de
                    APV. Weigering op grond van zedelijkheid is toegestaan. Geen sprake van gevaar
                    voor veiligheid van personen. ABRS 25-08-2000, AB 2001, 337, JG 00.0205 m.nt.
                    G.H.M. van der Horst, Gst. 2000, 7131, 3 m.nt. HH, JB 2000, 273.</al><al>Met het oog op de bescherming van het belang van de openbare orde en veiligheid
                    kan de evenementenvergunning worden ingetrokken, omdat de organisatie van het
                    evenement onjuiste dan wel onvoldoende gegevens heeft verstrekt ter verkrijging
                    van de vergunning en omdat het evenement niet zal worden georganiseerd volgens
                    oorspronkelijke plannen. Rb. Groningen 21-01-2001, LJN AB1828.</al><al>Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. er doen zich geen
                    weigeringsgronden voor op grond van artikel 2.1.5.1 (oud) en 2.2.2 (oud)APV. Ook
                    strijdigheid met het bestemmingsplan biedt geen grondslag voor weigering
                    vergunning. Pres. Rb Leeuwarden 06-09-2001, LJN AD3917.</al><al>Vechtsportevenement is een evenement in de zin van de APV en vormt niet zonder
                    meer een inbreuk op de openbare orde en zedelijkheid. Rb Amsterdam 13-3-2003,
                    LJN AF6101.</al><al>Aanvraag om evenementenvergunning moet worden beoordeeld aan de hand van de
                    belangen die zijn opgenomen in de weigeringsgronden van de APV-bepaling.
                    Andersoortige belangen kunnen geen zelfstandige weigeringsgrond opleveren, ABRS
                    29-04-2003, LJN AF8028.</al><al>Intrekken van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding, Als
                    specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden
                    ingewonnen met betrekking tot MKZ-besmetting. Zes werkdagen zijn daarvoor
                    voldoende. ABRS 11-6-2003, LJN AF9809.</al><al>Voor wat betreft het opnemen van voorschriften in de evenementenvergunning met
                    betrekking tot professionele beveiligingsbeambten, oordeelde de Afdeling dat de
                    burgemeester van Tubbergen voldoende had gemotiveerd waarom hij professionele
                    begeleiding van het Pinksterfeest nodig achtte. ABRS 07-04-2004, LJN
                    AO7140.</al><al>De burgemeester kon nadere voorschriften aan de door hem alsnog verleende
                    vergunning verbinden. ABRS 28-04-2004, LJN AO8495.</al><al>Burgemeester heeft terecht evenementenvergunning voor meerdaags festival
                    geweigerd wegens ontbreken van politiecapaciteit voor een extra dag. Hij heeft
                    in dit kader grote beleidsvrijheid. Rb Haarlem 06-05-2004, LJN AO9076.</al><al>Het gebruik van de grond voor het houden van het schuttersfeest houdt
                    strijdigheid met het bestemmingsplan in die niet is toegestaan, althans niet
                    zonder een passende planologische vrijstelling. Het feest heeft naar omvang,
                    duur en uitstraling een planologische relevantie. ABRS 13-04-2005, LJN AT3708,
                    Gst. 2005, 7229, m.nt. Teunissen. (Schuttersfeest Diepenheim, Hof van Twente).
                    Zie ook: Rb. Leeuwarden 27-07-2005, LJN AU0442 (Veenhoopfestival
                    Smallingerland).</al><al>Aanwezigheid van hoger aantal bezoekers dan 25.000 bij evenement zal leiden tot
                    concrete, zich direct aandienende, de veiligheid of gezondheid bedreigende
                    situatie. Burgemeester was derhalve bevoegd verbod uit te vaardigen. ABRS
                    04-05-2005, LJN AT5100.</al><al>De burgemeester heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het dat het feest
                    vanwege de grootschaligheid, de muziekstijl, het soort publiek dat er komt, en
                    de sluitingstijd - drie uur na de toegestane sluitingstijd - niet tot de normale
                    bedrijfsvoering van de inrichting behoort. Daarbij is in aanmerking genomen dat
                    het feest niet door de exploitanten van de inrichting, maar door een derde is
                    georganiseerd en de exploitanten er geen blijk van hebben gegeven dat zij op de
                    hoogte waren van hetgeen precies zou plaatsvinden in hun inrichting. Voorts is
                    daarbij in aanmerking genomen dat volgens de burgemeester de ervaring heeft
                    geleerd dat dit soort houseparty’s vaak gepaard gaat met grootschalig
                    drugsgebruik, met alle risico’s van dien, en dat extra politie-inzet nodig is om
                    de openbare orde te handhaven, terwijl dit niet het geval is bij een reguliere
                    avond in “The Royce”. Onder deze omstandigheden heeft de burgemeester zich niet
                    ten onrechte op het standpunt gesteld dat “Ghosthouse” een evenement in de zin
                    van artikel 2.2.1 (oud) van de APV is, waarvoor ingevolge artikel 2.2.2 (oud),
                    eerste lid, van de APV een vergunning nodig is.</al><al>Er zijn voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het gevaar bestond dat
                    het feest “Ghosthouse” zou worden gehouden zonder de daarvoor benodigde
                    vergunning en dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid overtreding van
                    artikel 2.2.2 (oud), eerste lid, van de APV zou plaatsvinden. De burgemeester
                    was dan ook bevoegd de last onder dwangsom op te leggen</al><al>Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder het korte tijdsbestek
                    waarbinnen de burgemeester moest handelen aangezien tevoren met het
                    gemeentebestuur geen enkel overleg was gevoerd en de burgemeester pas op de dag
                    waarop het feest was gepland vernam dat het in “The Royce” zou worden gehouden,
                    alsmede de ervaring dat een feest als dit een grote inzet van de politie vergt,
                    welke inzet binnen het korte tijdsbestek moeilijk zo niet onmogelijk te
                    realiseren was, heeft de burgemeester in redelijkheid kunnen oordelen dat het
                    opleggen van de last onder dwangsom hier aangewezen was. ABRS 11-01-2006, LJN
                    AU9388.</al><al/><al><vet>Artikel 2:26 Ordeverstoring</vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al/><al><vet>AFDELING 8. TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</vet></al><al/><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al><cursief>Deregulering</cursief></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in
                    2009 bekeken of het horeca-exploitatievergunningstelsel in de model-APV
                    gehandhaafd of geschrapt moet worden. In met name kleine gemeenten met een
                    overzichtelijk uitgaansgebied en/of enkele bekende horecaondernemingen, is er
                    niet altijd behoefte aan zo'n stelsel. Anderzijds hebben veel gemeenten toch
                    behoefte aan de horeca-exploitatievergunning. Deze gemeenten zijn namelijk van
                    mening dat deze vergunning noodzakelijk is voor het handhaven van de openbare
                    orde en het tegengaan van de overlast.</al><al>De VNG heeft gekozen voor het handhaven van het model
                    horeca-exploitatievergunning, maar alleen voor inrichtingen die</al><al>-niet onder de Drank- en Horecawet vallen, dit in verband met de Bibob-toets,
                    en</al><al>-wel onder de Drank- en Horecawet vallen en die voor ernstige overlast hebben
                    gezorgd. Bedrijven die géén ernstige overlast veroorzaken krijgen een
                    vrijstelling van de vergunningplicht. In de toelichting bij artikel 2:28, vijfde
                    lid wordt dit nader uitgewerkt.</al><al>Het staat gemeenten uiteraard vrij om de horeca-exploitatievergunning geheel af
                    te schaffen of geheel te handhaven. Het hier weergegeven systeem is een
                    alternatief. In ieder geval geldt ook bij het alternatieve systeem dat het zo
                    lastenarm mogelijk uitgevoerd moet worden.</al><al><cursief>Europese Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven van
                    een horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De
                    Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir, wel
                    noodzakelijk en proportioneel is. In bijna alle gevallen gaat het bij horeca om
                    vestiging van een openbare inrichting waarvoor artikel 9 van de richtlijn de
                    bovenstaande criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in artikel 9 verstaan
                    een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat onder meer de volgende
                    gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in
                    de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde;
                    bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de
                    stedelijke en rurale ruimtelijke ordening; Zie verder overweging 40 van de
                    richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule of reason’. Mocht het in een
                    enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een horecaondernemer die de
                    grens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan is niet artikel 9, maar
                    artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria openbare orde, openbare
                    veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een vergunningstelsel
                    kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8.</al><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet
                    volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een algemene
                    regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de
                    vergunning. Alleen door het stellen van vergunningvoorwaarden aan de ondernemer
                    kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het
                    confectiepak voldoet hier niet.</al><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 is er overeenkomstig de rechtspraak van
                    het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een
                    economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt
                    verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde
                    tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de
                    ondernemer zijn activiteiten onderneemt.</al><al><cursief>Bestemmingsplan</cursief></al><al>Een regeling via het bestemmingsplan achten wij minder adequaat. Een
                    bestemmingsplan ordent immers de ruimte en is niet bedoeld voor het handhaven
                    van de openbare orde. Er mogen alleen ruimtelijk relevante factoren worden
                    meegewogen. Het is natuurlijk mogelijk om in een bestemmingsplan een
                    horecafunctie positief te bestemmen of juist uit te sluiten of per plangebied
                    een maximumstelsel in het leven te roepen. En dat gebeurt ook. Maar de
                    burgemeester kan op grond van de huidige regelgeving niet overgaan tot
                    tijdelijke of algehele sluiting van de horecaonderneming in geval van (gevaar
                    voor) verstoring van de openbare orde of om overlast buiten de inrichting tegen
                    te gaan.</al><al><cursief>Natte en droge horeca</cursief></al><al>De reikwijdte van de Drank- en Horecawet wordt bepaald door het begrip
                    "horecabedrijf" zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en
                    Horecawet. Bedrijven waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan
                    om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse, hebben een vergunning nodig
                    ex artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Die vergunningplichtige bedrijven
                    duiden we aan met de term natte horeca.</al><al>In artikel 2:27, eerste lid van de APV wordt de term "openbare
                    inrichting"gebruikt. Daaronder wordt ook de droge horeca verstaan: het schenken
                    van niet-alcoholhoudende dranken en van licht alcoholische dranken voor gebruik
                    elders, en het verstrekken van rookwaar. Dit laatste is opgenomen om ook
                    coffeeshops onder de model-APV te laten vallen. In deze paragraaf worden
                    coffeeshops dan ook als gewone openbare inrichtingen behandeld en zijn geen
                    bijzondere bepalingen over coffeeshops opgenomen.</al><al>Dat roept de vraag naar de verhouding met de Opiumwet op. De Opiumwet verbiedt
                    immers de handel in drugs. Uitgangspunt is dat de vergunningverlening op grond
                    van de APV daar geen betrekking op heeft, maar wel op de exploitatie van een
                    alcoholvrije inrichting. Dat laat overigens onverlet dat ten aanzien van
                    coffeeshops - vanwege de effecten die met name deze inrichtingen kunnen hebben
                    op de openbare orde - wel degelijk een specifiek beleid kan worden vastgesteld.
                    Meer informatie hierover is te vinden in de publicatie 'De Wet 'Damocles',
                    bestuursdwangbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet' van het Steun- en
                    informatiepunt drugs en veiligheid (VNG-uitgeverij, Den Haag 1999).</al><al>Daarnaast is het ook mogelijk om voor de exploitatie van bijvoorbeeld een
                    internetcafé een exploitatievergunning van de burgemeester verplicht te stellen
                    indien het internetcafé ook horeca-activiteiten ontplooit, zoals de exploitatie
                    van een koffiehoek. Indien het internetbedrijf alleen internetdiensten aanbiedt,
                    is er geen vergunning nodig. Zie ook onder "Jurisprudentie APV".</al><al><cursief>Bibob-toets en VOG</cursief></al><al>Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is
                    een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de Drank-
                    en Horecawet (DHW) jo. artikel 3, van de Wet bevordering
                    integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De DHW geldt niet voor bedrijven waar
                    geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. In het kader van de
                    vergunningsplicht op grond van de APV is het voor gemeenten mogelijk om ook voor
                    de aanvrager van een vergunning voor de exploitatie van een coffeeshop een
                    Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. De
                    horeca-exploitatievergunning is immers op grond van artikel 1:5
                    persoonsgebonden.</al><al>Artikel 4 van het Besluit Bibob bepaalt in overeenstemming met de model-APV dat
                    als inrichtingen, waarvoor de Wet Bibob geldt, onder andere aangewezen worden:
                    "inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of
                    anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of
                    rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt". Dit zijn dus
                    openbare inrichtingen zoals gedefinieerd in artikel 2:27, van de model-APV. Dit
                    betekent dat voor openbare inrichtingen in de zin van de APV een Bibob-onderzoek
                    mag worden gedaan. Zonder de APV is hier geen wettelijke grondslag voor. De
                    Dienstenrichtlijn verzet zich niet tegen een Bibob-onderzoek.</al><al>De exploitant van de inrichting speelt een belangrijke rol in de wijze van
                    exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en
                    leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Daarom kan het raadzaam zijn om een
                    verplichting voor de vergunningaanvrager op te nemen om een recente VOG voor de
                    leidinggevende te overleggen. De leidinggevende kan de aanvrager zelf zijn, maar
                    ook een werknemer. Dit zou kunnen door aan het tweede lid van artikel 2:28 toe
                    te voegen: of indien de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met
                    betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de
                    datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven.</al><al><cursief>Onbepaaldheid van de duur</cursief></al><al>Op grond van het nieuwe artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd.
                    Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin
                    een tijdsduur wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien
                    jaar, dan mag dit slechts op gronden ontleend aan dwingende redenen van algemeen
                    belang. Zie ook onder de toelichting bij artikel 1:7.</al><al><cursief>Overige wet- en regelgeving</cursief></al><al>Op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Drank- en Horecawet nog
                    vele andere regels van toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer, Wet op de
                    stads- en dorpsvernieuwing, Wet op de kansspelen, Opiumwet, Wet ruimtelijke
                    ordening en Woningwet.</al><al>Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit
                    horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Bij dit besluit is een
                    aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur, opslag van koolzuur
                    en afvalstoffen opgenomen. De tekst van het besluit is te vinden op:
                    www.overheid.nl. Nadere informatie is te vinden op: www.infomil.nl en
                    www.horeca.org.</al><al><cursief>Geluidsnormen</cursief></al><al>Het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande als
                    nieuwe horeca-inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische voorschriften
                    stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te voldoen. Daarnaast
                    kan de gemeente afwijkende geluidsnormen voorschrijven voor de gehele activiteit
                    of voor specifieke activiteiten, anders dan feestjes. Hierbij kunnen aanvullende
                    eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan de duur van de activiteit.</al><al>In paragraaf 6.5 van het Activiteitenbesluit zijn overgangsbepalingen
                    opgenomen.</al><al>Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn
                    vrijgesteld van de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente
                    bij verordening afwijkende regels kan stellen.</al><al>Voor horecaconcentratiegebieden blijft dezelfde mogelijkheid als onder het oude
                    Besluit bestaan, namelijk dat er meer geluid mag worden geproduceerd.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Een gemeentelijke verordening waarin een vergunningstelsel is opgenomen dat
                    specifiek regels stelt ten behoeve van coffeeshops is in strijd met de Opiumwet.
                    Rb Amsterdam 16 januari 1998 en 19 januari 1998, AB 1998, 222 en 223 m.nt. FM;
                    Rb Dordrecht 3 juli 1998, JG 98.0202; Pres. Rb Rotterdam 16 juli 1998, JG
                    98.0203 en Pres. Rb Zutphen 14 september 1998, JG 98.0204 m.nt. W.A.G.
                    Hillenaar.</al><al>Burgemeester is bevoegd tot bestuursdwang, dit vergt wel zorgvuldigheid
                    bewijsvoering. Afvoeren van gedooglijst is geen gedoogbesluit. LJN AO7469, JG
                    04.0105 m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Weigering om af te wijken van beleidsregels om een nog niet gevestigde
                    coffeeshop te gedogen is een Awb-besluit. Rechtbank Assen, 03/527BESLU, JG
                    04.0104 m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Intrekken gedoogverklaring brengt niet-ontvankelijk verklaring met zich mee,
                    zolang niet feitelijk handhavend is opgetreden. LJN AO6089, JG 04.0079 m. nt.
                    A.L. Esveld.</al><al>Uitoefening bestuursdwangbevoegdheid is mogelijk, het ontbreken van vastgesteld
                    en gepubliceerd coffeeshopbeleid doet daar niet aan af. LJN AO2883, JG 04.0110,
                    m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Exploitant horeca-inrichting verantwoordelijk voor handelingen in zijn
                    inrichting met betrekking tot handel in softdrugs. Inrichting gesloten. LJN
                    AI0787, JG 03.0168 m. nt. T. van der Reijt.</al><al>Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol bij de vraag of zich een situatie
                    voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. LJN AP0405, JG 04. september,
                    m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Gebiedsontzegging i.v.m. met overlast, die te maken heeft met de handel in en
                    het gebruik van verdovende middelen, zijn gerechtvaardigd door het algemeen
                    belang in een democratische samenleving. LJN AP8138, JG 04.0132 m. nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Aankondiging bevel tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet is geen
                    besluit in de zin van de Awb. Rechtbank Groningen, AWB 03/90 GEMWT VEN, JG.
                    03.0064 m.nt. T. van der Reijt.</al><al>Aan het ongegrond verklaren van een bezwaar tegen het schrappen van de lijst met
                    gedoogde coffeeshop komt een gemeente niet toe, de bezwaarmaker is immers
                    volgens vaste jurisprudentie van de Raad van State niet-ontvankelijk. LJN
                    AR7067, JG 05.0034 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Een Tapvergunning voor de exploitatie van een horecabedrijf is persoonsgebonden.
                    Dat tevens een gedoogverklaring voor de exploitatie van een coffeeshop is
                    verstrekt doet hier niet aan af. Na overlijden vervalt de vergunning en
                    gedoogverklaring. LJN AS5523, JG 05.0050 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Voor de exploitatie van een internetcafé is een exploitatievergunning van de
                    burgemeester nodig indien het ook horeca-activiteiten ontplooit. Pres. Rb.
                    Rotterdam 2 augustus 2000, nr. VGMWET 00/1559-ZWI).</al><al/><al><vet>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</vet></al><al>In plaats van de term "horecabedrijf" wordt nu de term "openbare inrichting"
                    gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk
                    met "horecabedrijf" alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan
                    om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de
                    zogenaamde "natte horeca". De bepalingen in de APV betreffen juist ook de
                    bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde "droge
                    horeca": tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops.</al><al/><al><vet>Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichtingen</vet></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door
                    de burgemeester verleend.</al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in
                    2009 bekeken of het horeca-exploitatievergunningstelsel in de model-APV
                    gehandhaafd of geschrapt moet worden. In met name kleine gemeenten met een
                    overzichtelijk uitgaansgebied en/of enkele bekende horecaondernemingen, is er
                    niet altijd behoefte aan zo'n stelsel. Anderzijds hebben veel gemeenten toch
                    behoefte aan de horeca-exploitatievergunning. Deze gemeenten zijn namelijk van
                    mening dat deze vergunning noodzakelijk is voor het handhaven van de openbare
                    orde.</al><al>De VNG heeft gekozen voor het handhaven van het model
                    horeca-exploitatievergunning, maar alleen voor inrichtingen die</al><al>-niet tevens vergunningplichtig zijn op grond van artikel 3 van de Drank- en
                    Horecawet, dit in verband met de Bibob-toets, en</al><al>-wel vergunningplichtig zijn op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet
                    en die voor ernstige overlast hebben gezorgd.</al><al>Bedrijven die géén ernstige overlast veroorzaken krijgen een vrijstelling van de
                    horeca-exploitatievergunningplicht.</al><al>Het staat gemeenten uiteraard vrij om de horeca-exploitatie geheel af te
                    schaffen of geheel te handhaven. Het hier weergegeven systeem is een
                    alternatief. Welk systeem de gemeente ook kiest, het spreekt vanzelf dat dit zo
                    lastenarm mogelijk moet worden uitgevoerd.</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet
                    discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is. De richtlijn is van toepassing
                    op horeca. Het drijven van een horecaonderneming is immers het verrichten van
                    een dienst aan de klant. Voor wat betreft de noodzakelijkheid moet een gemeente
                    afwegen of er dwingende redenen van algemeen belang zijn die een
                    vergunningstelsel rechtvaardigen. Het gaat hier om de ‘rule of reason’, omdat er
                    bijna altijd sprake is van vestiging van een horecaondernemer. Op vestiging van
                    buitenlandse dienstverleners is artikel 9 van toepassing. Nadere uitleg hiervan
                    en van het begrip proportionaliteit vindt u onder het algemeen deel van deze
                    afdeling onder “Europese Dienstenrichtlijn” .</al><al><cursief>Vergunning voor onbepaalde tijd</cursief></al><al>Op grond van artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook
                    voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin een tijdsduur
                    wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien jaar, dan is het
                    alleen op gronden ontleend aan dwingende reden van algemeen belang geoorloofd
                    een termijn te stellen. Zie verder onder het algemeen deel bij deze
                    afdeling.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Als het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet
                    toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te
                    verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met
                    het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een
                    dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar
                    brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende
                    bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing
                    van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet
                    of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</al><al><cursief>Aanvulling: verplichte verklaring omtrent gedrag</cursief></al><al>De exploitatievergunning is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant
                    speelt immers een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de
                    wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde
                    beïnvloedt. Om die reden kan het raadzaam zijn om de verplichting op te nemen
                    voor de vergunningaanvrager om een recente verklaring omtrent gedrag voor de
                    leidinggevende te overleggen. Leidinggevende kan de aanvrager zelf zijn, maar
                    ook iemand die bij hem in dienst is. Dit zou kunnen door aan het tweede lid van
                    artikel 2:28 toe te voegen:</al><al>of indien de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de
                    leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de
                    vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.</al><al>Een verklaring omtrent het gedrag (VOG) wordt aangevraagd bij de gemeente waar
                    men staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Het Centraal
                    Orgaan VOG geeft de verklaring namens de Minister van Justitie af.</al><al>In het kader van de Wet BIBOB (Bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar
                    bestuur) is het aan te raden dit artikellid op te nemen. Indien toepassing wordt
                    gegeven aan de mogelijkheden van de Wet BIBOB, zal de gemeente eerst zelf al het
                    mogelijke moeten doen om de integriteit en achtergrond van de
                    vergunningaanvrager te onderzoeken. Een belangrijk hulpmiddel kan daarbij de
                    verklaring omtrent het gedrag zijn.</al><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp de
                    toelichting bij artikel 1:8 onder het kopje Verificatieplicht
                    Vreemdelingenwet.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca ruim zijn
                    geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is bepaald
                    dat het hier om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat. Het begrip
                    openbare orde moet wel binnen de kaders van de dienstenrichtlijn worden
                    geïnterpreteerd.</al><al><cursief>Woon- en leefsituatie in de omgeving</cursief></al><al>De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich
                    verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in
                    welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate
                    de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen
                    aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden, staat
                    omschreven in het derde lid.</al><al>De weigeringsgrond woon- en leefmilieu valt onder de ‘rule of reason’ en mag
                    daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de
                    Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd.</al><al><cursief>Maximumstelsel</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat het in
                    het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen
                    aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden
                    beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als door een veelheid van
                    horecabedrijven in de straat of de wijk de openbare orde of het woon- en
                    leefmilieu in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of
                    aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake
                    is.</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn
                    in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van
                    artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op
                    objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet
                    zijn.</al><al>Het beleid kan worden neergelegd in een horecanota of een vergelijkbaar
                    beleidsstuk, waarin gemotiveerd het maximum aantal te verlenen vergunningen is
                    vermeld, of waarin horecaconcentratie of horecastiltegebieden zijn aangewezen.
                    Uiteraard zal dat beleid moeten overeenstemmen met het voor het gebied van
                    kracht of in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Een maximumstelsel kan ook in
                    het bestemmingsplan zelf worden neergelegd.</al><al>In het algemeen mag de burgemeester afwijzend beslissen op een aanvraag om een
                    vergunning als daarmee het maximum wordt overschreden. Daarbij zal de
                    burgemeester steeds moeten nagaan, of bijzondere omstandigheden nopen tot het
                    maken van een uitzondering op het beleid: iedere vergunningaanvraag moet immers
                    zelfstandig en met inachtneming van de betrokken belangen worden
                    beoordeeld.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Voor een aantal categorieën van kleinschalige openbare inrichtingen waar geen
                    alcohol wordt geschonken, en waar de openbare orde evident niet in het geding
                    is, is in de visie van de VNG geen vergunning nodig. Te denken valt aan
                    tearooms, een ontbijthoekje bij de bakker, ijssalons, bedrijfskantines en
                    -restaurants etc. Vooralsnog is gekozen om winkels in de zin van de
                    Winkeltijdenwet, die als nevenactiviteit een horecagedeelte hebben, uit te
                    sluiten. De gemeente kan – indien gewenst - het toepassingsgebied verder
                    beperken door in het artikel eisen te stellen aan de afmetingen van de ruimte.
                    Bijvoorbeeld deze mag maximaal 20 vierkante meter bedragen en niet meer dan 20 %
                    van het vloeroppervlak. In het model is zo’n maatvoering niet opgenomen om de
                    gemeente de gelegenheid te geven dit lokaal te bepalen.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Hier wordt een alternatief geïntroduceerd voor de openbare inrichtingen die
                    onder de Drank- en Horecawet vallen, de zogenaamde "natte horeca". Indien deze
                    in de afgelopen zes maanden geen ernstige overlast gegeven hebben, verleent de
                    burgemeester aan dergelijke bedrijven ambtshalve of op verzoek een vrijstelling.
                    De horeca-exploitatievergunning fungeert in dit systeem dan nog alleen als stok
                    achter de deur voor de "natte" horecabedrijven die ernstige overlast geven.
                    Tegen de verlening van zo’n vrijstelling staat bezwaar en beroep open. De
                    burgemeester kan de vrijstelling ambtshalve verlenen. Daardoor hoeft de
                    vergunninghouder de vrijstelling niet aan te vragen.</al><al>Geeft een horecabedrijf alsnog ernstige overlast, dan trekt de burgemeester de
                    vrijstelling in. Het bedrijf heeft dan een vergunning nodig en zal die dus
                    moeten aanvragen. Zolang de vergunning niet is verleend, zal het bedrijf
                    gesloten moeten blijven.</al><al>Op de "natte" horecabedrijven die op het moment van inwerkingtreding van deze
                    bepaling al over een horeca-exploitatievergunning beschikken, zijn de
                    weigeringsgronden genoemd in het tweede en derde lid niet van toepassing; anders
                    hadden zij de vergunning immers niet gekregen. Horecabedrijven die zich nieuw in
                    de gemeente willen vestigen krijgen in beginsel het vertrouwen; ze krijgen dus
                    een vrijstelling voor een proefperiode van een half jaar. Als het bedrijf in die
                    periode geen ernstige overlast heeft veroorzaakt, krijgt het dezelfde permanente
                    vrijstelling als de andere reeds aanwezige bedrijven. Als het wel overlast
                    veroorzaakt, gaat het alsnog onder de vergunningplicht vallen.</al><al>Uiteraard kan de gemeente de duur van een half jaar naar eigen bevinding
                    aanpassen.</al><al>Voor de zogenaamde "droge horeca" – waar geen alcohol geschonken wordt – blijft
                    de horeca-exploitatievergunning wel van toepassing. Deze vergunningsplicht op
                    grond van de APV maakt het voor gemeenten mogelijk om ook voor de aanvrager van
                    een vergunning voor de exploitatie van een coffeeshop een Verklaring Omtrent het
                    Gedrag (VOG) te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. De
                    horeca-exploitatievergunning is immers op grond van artikel 1:5
                    persoonsgebonden.</al><al>Artikel 4, van het Besluit Bibob bepaalt in overeenstemming met de model-APV dat
                    als inrichtingen, waarvoor de Wet Bibob geldt, onder andere aangewezen worden:
                    "inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of
                    anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of
                    rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt". Dit zijn dus
                    openbare inrichtingen zoals gedefinieerd in artikel 2:27, van de model-APV. Dit
                    betekent dat voor openbare inrichtingen in de zin van de APV een Bibob-onderzoek
                    mag worden gedaan. Zonder de APV is hier geen wettelijke grondslag voor. De
                    Dienstenrichtlijn verzet zich niet tegen een Bibob-onderzoek.</al><al>De exploitant van de inrichting speelt een belangrijke rol in de wijze van
                    exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en
                    leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Daarom kan het raadzaam zijn om een
                    verplichting voor de vergunningaanvrager op te nemen om een recente VOG voor de
                    leidinggevende te overleggen. De leidinggevende kan de aanvrager zelf zijn, maar
                    ook een werknemer. Dit zou kunnen door aan het tweede lid van artikel 2:28 toe
                    te voegen: of indien de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met
                    betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de
                    datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven.</al><al><cursief>Zevende lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij
                        niet tijdig beslissen)</cursief></al><al>Dit artikel valt onder de reikwijdte van de Europese Dienstenrichtlijn. Hier is
                    er vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de lex silencio
                    niet van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een vergunning voor met name
                    horeca-inrichtingen. Het zou met name vanwege aspecten van openbare orde en
                    milieu onwenselijk zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde
                    vergunning kunnen openen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Strijd met het bestemmingsplan is als weigeringsgrond aanvaardbaar. ABRS 24 03
                    1997, AB 1997, 201 m.nt. FM, Gst. 1997, 7058, 4 m.nt. HH, JG 97.0165 m.nt.
                    E.M.H. Franssen.</al><al>Aannemelijk is dat de aantasting van de woon en leefsituatie wordt veroorzaakt
                    door de cumulatieve effecten van het totale aantal inrichtingen. ARRS
                    22-05-1987, AB 1988, 240; ARRS 08 01 1988, AB 1988, 417; ABRS 24 01 1995, Gst.
                    1995, 7011, 3, JG 95.0200.</al><al>Voorschrift in terrasvergunning, waarbij op dagen dat er evenementen zijn aan
                    het gebruik van de weg voor dat doel prioriteit wordt gegeven, dient doelmatig
                    gebruik en beheer van de weg. ABRS 17 06 1997, JG 98.0027 98.0027, Gst. 1998,
                    7067, 2 met noot van HH.</al><al>Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de
                    zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel
                    is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit
                    artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor
                    zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het
                    college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS 05-06-2002, JG
                    02.0128 m.nt. M. Geertsema. In dezelfde zin: ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr.
                    200202419, LJN AF0269.</al><al>De burgemeester heeft terecht vergunning verleend voor de exploitatie van een
                    terras van bepaalde afmetingen en aan deze vergunning in verband met het belang
                    van de verkeersveiligheid een voorwaarde inzake wijze van bediening verbonden.
                    LJN AF0274, JG 03.0023 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Het college is niet bevoegd tot het nemen van besluiten op aanvragen om
                    terrasvergunningen. LJN-nr. AF0261, JG 03.0022 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Internetdiensten trekken een zelfstandige stroom bezoekers; internetcafé komt
                    niet in aanmerking voor vergunning op grond van de DHW. JG 04.0193, m. nt. A.L.
                    Esveld, LJN A08501. Gst. 2004, 188 m.nt. J.L.A. Kessen.</al><al>Weigering op grond van gemeentelijk onderzoek als gevolg van de Wet Bibob. Rb
                    Roermond 30-12-2004, JG 05.0035 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Een APV vergunning voor de exploitatie van een horecabedrijf is
                    persoonsgebonden. Dat tevens een gedoogverklaring voor de exploitatie van een
                    coffeeshop is verstrekt doet hier niets aan af. Na overlijden vervalt vergunning
                    en gedoogverklaring. LJN AS5523, JG 05.0050 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 2:29 Sluitingstijd</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Artikel 2:29 voorziet in een sluitingsregeling. Daarin is onderscheid gemaakt
                    tussen de sluitingstijden op werkdagen en de sluitingstijden gedurende het
                    weekeinde. Uiteraard kan deze onderverdeling anders worden opgezet, indien
                    gewenst.</al><al>Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149
                    Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor openbare
                    inrichtingen vaststellen in het belang van de openbare orde. Deze bevoegdheid
                    houdt ook in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de
                    zondag. Volgens HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15, belet dit artikel de raad niet om
                    voor de zondag een afwijkende regeling te treffen voor de sluitingstijden van
                    cafés e.d. mits de grond voor de afwijking van de voor de andere dagen geldende
                    regeling niet gelegen is in het bijzondere karakter van de zondag. Volgens de
                    Hoge Raad beoogt de Zondagswet naar haar strekking niet de gemeentelijke
                    wetgever te beperken in zijn bevoegdheid om ter afwering van verstoring van de
                    openbare orde voorzieningen te treffen.</al><al>De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de
                    eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir
                    gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting
                    bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten,
                    clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</al><al>Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat
                    de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf:
                    immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen
                    activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit kan echter
                    niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar
                    belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De
                    sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de
                    (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm
                    van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's,
                    het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.).</al><al>Sommige gemeenten hebben, bij wijze van of na een experiment, de verplichte
                    sluitingsuren uit de APV geschrapt. Argument daarvoor is meestal, dat daardoor
                    onder meer de verstoring van de openbare orde (nachtrust) aanzienlijk kan worden
                    beperkt: er is sprake van minder geluidsoverlast doordat cafébezoekers niet
                    langer tegelijk maar geleidelijk aan huiswaarts keren en de politie is beter in
                    staat voldoende toezicht uit te oefenen. Zo’n maatregel zal meer vruchten
                    afwerpen naarmate zij tevens van kracht is in gemeenten in de directe omgeving:
                    anders bestaat immers het gevaar dat de liberalere openingstijden een
                    aantrekkingskracht uitoefenen op horecabezoekers uit aangrenzende gemeenten, en
                    dat de kans op verstoring van de openbare orde wordt vergroot.</al><al><cursief>Uitvoering</cursief></al><al>Het onderscheid tussen regelgeving en uitvoering heeft in het kader van de
                    sluitingsuren van inrichtingen aanleiding gegeven tot veel jurisprudentie van de
                    Afdeling rechtspraak van de Raad van State. In de uitspraak van 2 september
                    1983, AB 1984, 245 m.nt. JHvdV (Oploo, Sint Anthonis en Ledeacker) stond de
                    vraag centraal of de burgemeester bevoegd was een permanente ontheffing te
                    verlenen van het verbod uit de APV. De Afdeling heeft over de
                    bevoegdheidsafbakening tussen de raad en burgemeester aangegeven dat de
                    gemeenteraad in het APV artikel in het geheel geen grenzen stelt aan de
                    ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester. Noch uit de tekst van het APV
                    artikel, noch anderszins blijkt dat de ontheffing bijvoorbeeld slechts in
                    bijzondere omstandigheden of in incidentele gevallen door de burgemeester mag
                    worden verleend.</al><al>De visie van verweerder dat hij zich op het terrein van de gemeentelijke
                    wetgever zou bewegen, zou naar het oordeel van de Afdeling slechts opgaan indien
                    hij aan alle inrichtingen in de gemeente onbeperkt ontheffing van het in het
                    desbetreffende APV-artikel vervatte verbod zou verlenen. In dat geval zou
                    verweerder immers de door de gemeenteraad vastgestelde sluitingsuren als vermeld
                    in artikel 56 (2.3.1.4), eerste lid, APV in feite ter zijde stellen. De Afdeling
                    kan daarom niet inzien waarom de burgemeester de bevoegdheid zou missen het
                    verzoek om ontheffing in te willigen.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Voor het horecagedeelte geldt dezelfde sluitingstijd als voor de winkel om te
                    voorkomen dat de horeca-activiteiten na sluitingstijd worden voortgezet.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 kan vergunningplichtig zijn
                    ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) of onder de werking van het
                    Activiteitenbesluit vallen. Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning
                    kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden
                    gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting.</al><al>De sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voor zover de op de Wm
                    gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Wat betekent dit voor de
                    reikwijdte van de APV bepalingen? De Wm beoogt een uitputtende regeling te geven
                    ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu door het
                    in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen. De gemeenteraad
                    is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen, indien daarmee wordt
                    beoogd dezelfde belangen te beschermen.</al><al>De raad kan dus niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder of andere
                    belangen die onder het begrip "bescherming van het milieu" vallen, tegengaan die
                    wordt veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de
                    Wm.</al><al><cursief>Zesde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij
                        niet tijdig beslissen)</cursief></al><al>Anders dan bij het zevende lid van artikel 2:28 gaat het hier om een relatief
                    overzichtelijk besluit. Er zijn geen dwingende redenen van algemeen belang om
                    van een lex silencio positivo af te zien. De lex silencio positivo is hier van
                    toepassing.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Een in naam besloten club die wel in hoge mate voor het publiek toegankelijk is,
                    moet voldoen aan de sluitingstijden van de APV. Vz. ARRS, 21 12 1992, Gst. 1993,
                    6073, 4 m.nt. HH, JG 93.0260.</al><al>Beleid op basis waarvan coffeeshops, in tegenstelling tot andere
                    horecabedrijven, vanaf 20.00 uur gesloten moeten zijn is noch in strijd met de
                    Winkeltijdenwet noch anderszins onredelijk. Een coffeeshop is geen winkel. Hij
                    is immers in hoofdzaak ingericht als een bedrijf waar gekochte waren ter plaatse
                    worden genuttigd. Rb Breda, 03-12-1997, JG 98.0025, AB 1998, 76 m.nt. FM.</al><al>Sluitingstijden in de APV stellen geen grenzen aan de bevoegdheid van de
                    burgemeester om ontheffing te verlenen. ARRS 02-09-1983, AB 1984, 245 m.nt.
                    JHvdV. De ontheffing van de burgemeester mag geen permanent karakter hebben en
                    niet alle in de gemeente aanwezige inrichtingen betreffen. ARRS 19-01-1984, AB
                    1984, 491 m.nt. JHvdV.</al><al>Herhaalde overtreding van sluitingstijd leidt tot onmiddellijke sluiting
                    horecabedrijf. LJN AM5381, JG 04.0102 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn
                    gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft
                    een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook
                    tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt
                    de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden
                    of tot tijdelijke sluiting.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet "Damocles" (artikel 13b van de
                    Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat
                    gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid
                    behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt
                    het raadzaam door middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te
                    stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor
                    artikel 13b Opiumwet is bedoeld. Zie voor meer informatie en jurisprudentie ook
                    de website van het SIDV www.sidv.nl .</al><al>Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348).
                    Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een
                    pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a
                    Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere
                    persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de
                    verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig
                    achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot
                    onteigening.</al><al>In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet
                    en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers.
                    Conform artikel 3:16 BW. Merkwaardig genoeg geldt deze inschrijvingsplicht niet
                    voor de sluitingen op grond van de APV.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet geeft aan de burgemeester reeds een
                    sluitingsbevoegdheid. Wenselijk om ook in de APV een sluitingsbepaling op te
                    nemen. ARRS 15 06 1984, AB 1985, 96 m.nt. JHvdV.</al><al>Sluitingsmaatregel heeft geen punitief karakter en is niet onevenredig zwaar.
                    ABRS 23 05 1995, AB 1995, 475 m.nt. LJJR.</al><al>Sluitingsbevel zonder tijdsbepaling voldoet niet aan artikel 221 gemeentewet
                    (oud). Vz. 26-08-1992, AB 1993, 104, JG 93.0116 , en ABRS 05-07-1996, JG
                    96.0266.</al><al>Terechte sluiting voor onbepaalde tijd van coffeeshop die het nuloptiebeleid
                    overtreedt. Vz.ABRS 05-091997, Gst. 1998, 7069, 4 m.nt. HH.</al><al>Terechte sluiting van horecagelegenheid voor de duur van een jaar wegens handel
                    in harddrugs. Persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant daarbij (bij handel
                    in harddrugs) is niet van belang. ABRS 04-07-2001, AB 2001, 6 m.nt. JGB/AES.
                    Terechte sluiting van twee horeca-inrichtingen en intrekking van de
                    exploitatievergunningen wegens smokkel van illegalen. Aantasting van de openbare
                    orde. Pres. Rb Rotterdam 5 september 1997, JG 97.0209.</al><al>Bij uitoefening sluitingsbevoegdheid hoeft burgemeester geen strikte
                    strafrechtelijke bewijsregels in acht te nemen. ABRS 06-021997, JG 97.0075.
                    Sluiting is geen "criminal charge" als bedoeld in artikel 6 EVRM. Inzage in
                    geanonimiseerde getuigenverklaringen en politierapporten is dan ook niet
                    strijdig met het "fair trial"-beginsel. ABRS 11-061998, AB 1998, 297 m.nt. FM.
                    In bestuursrechtelijk geding moeten wel de juistheid van de feiten en
                    zorgvuldigheid van het besluit kunnen worden getoetst. Pres. Rb Breda, 27
                    januari 1998, JG 98.0096.</al><al>Terechte sluiting van een discotheek op grond van artikel 2.3.1.5 van de APV van
                    Zaanstad, nu is gebleken dat de situatie rond het gebruik van partydrugs uit een
                    oogpunt van te beschermen gezondheidsbelangen onbeheersbaar is. Pres. Rb Haarlem
                    16 november 2001, LJN AD5792.</al><al>Het (tijdelijk) sluiten van een horecabedrijf enkele weken nadat een overtreding
                    van de sluitingsuren heeft plaatsgehad, is geen reparatoire maatregel maar een
                    punitieve sanctie, waar de waarborgen van artikel 6 van het EVRM op zien. Rb.
                    Den Haag 10-05-2005, LJN AT6239, JG 05.00105 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Het intrekken van de horecavergunning (voor een bedrijf dat geen alcohol
                    verkoopt) vanwege het feit dat de aanvrager niet voldoet aan eisen ten aanzien
                    van zedelijk gedrag, is geen punitieve sanctie en daarom niet in strijd met
                    artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden. ABRS 11-05-2005, LJN AT5345, JG 05.0094 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Bij een beslissing van de burgemeester om een horeca-inrichting te sluiten
                    toetst de rechter terughoudend. ABRS 09-02-2005, LJN AS5485, JG 05.0048, m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al>Het niet voorkomen van overlast in de omgeving van een coffeeshop reden voor
                    tijdelijke sluiting. LJN AR2177, JG 04.0163 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>De aanwezigheid van cocaïne leidt tot onmiddellijke sluiting en het schrappen
                    van de gedooglijst van een coffeeshop. LJN AR8730, JG 05.0033 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Eén pistoolschot is nog geen reden tot sluiting LJN AR6323, JG 05.0049 m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al>Aantreffen van harddrugs leidt tot onmiddellijke sluiting van coffeeshop.
                    Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol. LJN AT3727, JG 05.0081 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Schietincident bij overval is reden voor tijdelijk sluiting. Is een reparatoire
                    maatregel, gericht op herstel van de openbare orde, waarbij de persoon van de
                    coffeeshophouder geen rol speelt. LJN AT5655, JG 05.juli/augustus m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</vet></al><al><cursief>Onder a</cursief></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat
                    zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al><cursief>Onder b</cursief></al><al>Ook het bepaalde onder b lid richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de
                    inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting
                    bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel
                    2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de
                    exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk).</al><al>Het gestelde onder c richt zich tot de exploitant.</al><al><cursief>Zwarte lijst</cursief></al><al>Het verschijnsel "zwarte lijst" heeft enkele malen de publiciteit gehaald als
                    instrument ter handhaving van de openbare orde in het algemeen en van de orde in
                    inrichtingen in het bijzonder, dat op individuele bezoekers is gericht.</al><al>Al uit HR 02-06-1924,NJ 1924, p. 901, AB 1924, p. 410, blijkt dat een verbod om
                    personen in een tapperij te laten verblijven die zich aan alcoholhoudende drank
                    plegen te buiten te gaan, de openbare orde betreft.</al><al>In ARRS 19-06-1984, AB 1985, 215 komt aan de orde hoe het hanteren van de zwarte
                    lijst zich verhoudt tot de internationale verdragen en tot de huishouding van de
                    gemeente. Kort gezegd oordeelde de Afdeling dat, mede gezien de achtergrond van
                    het bestreden besluit en het feit dat het verbod slechts deels betrekking heeft
                    op het verblijf van appellant in het jongerencentrum waar deze als vrijwilliger
                    werkzaam was, het gehanteerde middel evenredig is te achten tot het daarmee
                    beoogde doel, te weten de bescherming van de openbare orde, en dat het genomen
                    besluit noodzakelijk kan worden geacht ter bescherming van dat belang.</al><al>Het instrument van de zwarte lijst wordt weinig toegepast. Indien gewenst, zou
                    in de APV de volgende bepaling kunnen worden opgenomen:</al><al>1.Het is de houder van een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 2:27,
                    eerste lid, verboden in die inrichting toe te laten of te laten verblijven niet
                    tot zijn gezin behorende personen, die naar het oordeel van de burgemeester
                    misbruik van alcoholhoudende drank plegen te maken en wier namen als zodanig
                    schriftelijk door de burgemeester aan die houder zijn opgegeven.</al><al>2.Het is aan een persoon wiens naam ingevolge het bepaalde in het eerste lid
                    door de burgemeester aan de houders van openbare inrichtingen, als bedoeld in
                    artikel 2:27, eerste lid, is opgegeven, verboden zich in een dergelijke
                    inrichting te bevinden nadat hij schriftelijk door de burgemeester van dit
                    verbod in kennis is gesteld.</al><al>3.Het verbod in het tweede lid geldt voor een bepaalde periode, die niet langer
                    is dan een jaar.</al><al>Volgens Ktr. Tilburg 22 maart 1989, NJ 1989,- 585, is een toegangsverbod van
                    onbepaalde duur strijdig met artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de
                    rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In verband daarmee verdient
                    het aanbeveling bovenstaande modelbepaling uit te breiden.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Instrument van de zwarte lijst wordt toelaatbaar geacht. Wnd. Vz. 16 09 1982, AB
                    1983, 38, en Wnd. Vz. 30-03-1983, KG 1983, 195.</al><al>Hetgeen in dit artikel onder b staat vermeld wordt meestal in de
                    vergunningsvoorschriften opgenomen. Hier is het als algemene regel geformuleerd.
                    Naar wens kunnen andere algemene regels worden toegevoegd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</vet></al><al>Dit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés
                    regelmatig gestolen goed wordt verhandeld.</al><al>In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden
                    naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen.
                    Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde
                    verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter
                    slechts op verkoophandelingen.</al><al>Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de
                    handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149
                    Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154
                    Gemeentewet.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Sluiting café i.v.m. heling; burgemeester moet aan het sluitingsbevel ten
                    grondslag liggende feiten voldoende aannemelijk maken. ABRS 15 07 1996, AB 1996,
                    414 m.nt. FM, JG 96.0267 .</al><al>Terechte sluiting snackloket i.v.m. heling. Bekendmaking van de sluiting dient
                    geen enkel doel. Pres. Rb Rotterdam 07 04 1995, JG 95.0202.</al><al/><al><vet>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>Het begrip "openbare inrichting" als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op
                    inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de
                    Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde
                    bestuursorgaan. De tekst is in overeenstemming gebracht met die van artikel 174
                    van de Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>AFDELING 8A. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE
                        DRANK- EN HORECAWET </vet></al><al><cursief>NB Deze toelichting is geschreven met de (mogelijke) keuzes die in de
                        modelverordening gemaakt zijn in gedachte. Als een individuele gemeente op
                        punten andere keuzes maakt, dan sluit deze toelichting mogelijk niet aan.
                        Wel kan deze uiteraard als basis dienen voor een eventueel door de gemeente
                        zelf op te stellen toelichting. Voor een goed beeld dient deze
                        modelverordening in samenhang met ledenbrief nr. 13/023 gelezen te
                        worden.</cursief></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>Deze modelverordening bevat medebewindbepalingen die zijn gebaseerd op de
                    artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Drank- en Horecawet (DHW). Door middel
                    van een wijziging van de model-Algemene Plaatselijke Verordening (model-APV)
                    worden de bepalingen als afdeling 8A ingevoegd. Hoewel de model-APV voor het
                    overgrote deel uit autonome bepalingen bestaat is er voor gekozen om deze
                    medebewindbepalingen daarin op te nemen omdat dit vanuit praktisch oogpunt een
                    logische stap is. Immers, de model-APV regelt al aanverwante zaken zoals de
                    horeca-exploitatievergunning, sluitingstijden en dergelijke.</al><al><cursief>Oneerlijke mededinging</cursief></al><al>De op basis van artikel 4 van de DHW door gemeenten te stellen regels met
                    betrekking tot de paracommerciële horecabedrijven dienen ter voorkoming van
                    oneerlijke mededinging. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008/09,
                    32 022, nr. 3, blz. 10) blijkt dat de regering ervan uitgaat dat de gemeenten de
                    belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële
                    instellingen in acht zullen nemen en geen onnodige beperkingen zullen opleggen
                    daar waar de mededinging niet in het geding is en er geen sprake is van
                    onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren.</al><al>Concreet komt het er op neer dat de gemeentelijke uitwerking moet leiden tot
                    regels die op z’n minst in enige mate bijdragen aan het voorkomen van oneerlijke
                    mededinging. Of in bepaalde gevallen sprake zal zijn van oneerlijke mededinging
                    is sterk afhankelijk van de lokale situatie. Bij de aanzienlijke ruimte die dit
                    uitgangspunt biedt zal de gemeentelijke uitwerking verder overeenkomstig de
                    algemene beginselen van behoorlijk bestuur plaats moeten vinden. Er is dus
                    aanzienlijke ruimte voor een afweging van belangen, die enerzijds niet tot het
                    volledig uitbannen van oneerlijke mededinging hoeft te leiden en anderzijds niet
                    tot het volledig ongemoeid laten van oneerlijke mededinging mag leiden.</al><al><cursief>Verplichte en niet verplichte bepalingen</cursief></al><al>Een regeling op grond van artikel 4 van de DHW, in deze modelverordening
                    uitgewerkt in artikel 2:34b, is verplicht. Dat geldt niet voor de artikelen
                    2:34c tot en met 2:34f, die gebaseerd zijn op de artikelen 25a, 25b, 25c en 25d
                    van de DHW. Daarnaast hebben deze bepalingen niet als doel het tegengaan van
                    oneerlijke mededinging, maar het tegengaan van onverantwoorde verstrekking van
                    alcohol, met name aan jongeren.</al><al><cursief>Bestuurlijke boete, strafbaarstelling en bestuursdwang</cursief></al><al>Uit de eerder aangehaalde memorie van toelichting (blz. 51) blijkt dat aan de
                    bestaande arrangementen niets verandert als het gaat om de afbakening tussen
                    bestuursrechtelijke handhaving via bestuurlijke boeten en strafrechtelijke
                    handhaving op grond van de Wet op de economische delicten (WED). “Uitgangspunt
                    is en blijft dat de handhaving van de DHW zal geschieden door het opleggen van
                    bestuurlijke boeten. Alleen indien de overtreding een direct gevaar voor de
                    gezondheid of veiligheid van de mens tot gevolg heeft of het door de
                    wetsovertreder genoten economisch voordeel groter is dan de bestuurlijke boetes
                    zal er behoefte kunnen zijn om de zaak voor te leggen aan het Openbaar
                    Ministerie om via de WED af te doen: de WED voorziet namelijk in een breder
                    arsenaal aan sancties, zoals hogere maxima voor boetes en de mogelijkheid tot
                    ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zolang dit duale stelsel
                    bestaat heeft deze situatie zich nog geen enkele keer voorgedaan. We mogen
                    constateren dat tot op heden het duale stelsel in het kader van de DHW
                    probleemloos functioneert.”</al><al>De grondslag voor het opleggen door de burgemeester van een bestuurlijke boete
                    voor overtreding van onder meer de op basis van deze modelverordening
                    vastgestelde bepalingen is artikel 44a van de DHW. Op grond van datzelfde
                    artikel 44a kan de burgemeester ook voor overtreding van een aantal andere
                    bepalingen uit de DHW een bestuurlijke boete opleggen. Informatie over de
                    toepassing van de bestuurlijke boete vindt u op de website van het
                    Expertisecentrum handhaving DHW van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
                    (NVWA), http://www.handhavingdhw.nl, onder FAQ.</al><al>Overtredingen van de op basis van deze modelverordening aan de APV toegevoegde
                    bepalingen zijn strafbaar als overtredingen op grond van artikel 2, vierde lid,
                    juncto artikel 1, onder 4º, van de WED. De desbetreffende artikelen zijn daarom
                    niet in de opsomming van overtredingen in hoofdstuk 6 van de model-APV
                    opgenomen.</al><al>In artikel 44 van de DHW is voorts bepaald dat de Minister en de burgemeester
                    bestuursdwang kunnen toepassen ter handhaving van de verplichting om een
                    toezichthouder alle medewerking te verlenen bij het uitoefenen van zijn
                    bevoegdheden (artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb)).</al><al><cursief>Toezichthouders</cursief></al><al>De toezichthouders worden benoemd door de burgemeester. Zij kunnen worden
                    vermeld in artikel 6:2 van de model-APV. Op grond van artikel 42 van de DHW
                    hebben zij de bevoegdheid om woningen binnen te treden zonder toestemming van de
                    bewoners, als de toezichthouder vermoedt dat daar bedrijfsmatig of anders dan om
                    niet alcoholhoudende drank aan particulieren wordt verstrekt of als dat
                    daadwerkelijk gebeurt.</al><al>Tot 1 januari 2014 kan de burgemeester ook ambtenaren van de NVWA inzetten,
                    naast de eigen gemeentelijke toezichthouders, voor het toezicht op de naleving
                    van de artikelen 20 en 45 van de DHW. Zie artikel V van de wijzigingswet (Stb.
                    2012, 237).</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><cursief>NB In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die delen die
                        (inhoudelijke) toelichting behoeven nader toegelicht.</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2:34a Begripsbepaling</vet></al><al>De begripsbepalingen uit de DHW werken door in de op de DHW gebaseerde
                    regelgeving. Ter verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen,
                    waaruit tevens blijkt dat deze begripsomschrijvingen enkel voor afdeling 8A
                    gelden. Het gaat om de volgende begripsomschrijvingen.</al><al>alcoholhoudende drank: de drank die bij een temperatuur van twintig graden
                    Celsius voor meer dan een half volumeprocent uit alcohol bestaat.</al><al>horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of
                    anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter
                    plaatse.</al><al>In afdeling 8 van de model-APV (toezicht op openbare inrichtingen) wordt de term
                    horecabedrijf niet gebruikt, maar de term openbare inrichting. Uit de definitie
                    in artikel 2:27 van de model-APV blijkt dat onder openbare inrichtingen niet
                    alleen horecabedrijven als bedoeld in de DHW vallen, maar ook bedrijven waar
                    alleen alcoholvrije drank wordt geschonken, of rookwaar voor gebruik ter plaatse
                    wordt versterkt (coffeeshops), of zwak-alcoholhoudende drank om mee te nemen
                    wordt verkocht (snackbars en dergelijke). Op de horecabedrijven in de zin van de
                    DHW is dus zowel afdeling 8 als afdeling 8A van de model-APV van
                    toepassing.</al><al>horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit,
                    onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt
                    uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende
                    drank voor gebruik ter plaatse.</al><al>inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf
                    wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen
                    in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor
                    gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een
                    andere besloten ruimte.</al><al>paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze
                    vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich
                    naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve,
                    levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen
                    beheer van een horecabedrijf.</al><al>sterke drank: de drank, die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor
                    vijftien of meer volumenprocenten uit alcohol bestaat, met uitzondering van
                    wijn.</al><al>slijtersbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om
                    niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter
                    plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet
                    aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank
                    voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij
                    algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen.</al><al>zwak-alcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank, met uitzondering van sterke
                    drank.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen</vet></al><al>Artikel 4 van de DHW verplicht gemeenten ter voorkoming van oneerlijke
                    mededinging regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te
                    houden hebben wanneer zij alcoholhoudende drank verstrekken. Op grond van
                    artikel 4, eerste lid en derde lid, onder a, van de DHW moet geregeld worden
                    gedurende welke tijden in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank mag
                    worden verstrekt. Met andere woorden, de schenktijden voor alcoholhoudende
                    dranken moeten geregeld worden. Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid,
                    onder b en c, van de DHW moeten regels gesteld worden met betrekking tot door
                    paracommerciële rechtspersonen in de inrichting te houden bijeenkomsten van
                    persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of
                    niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon
                    betrokken zijn. Uiteraard alleen voor zover er tijdens deze bijeenkomsten
                    alcoholhoudende drank wordt verstrekt door de paracommerciële rechtspersoon.
                    Zoals in het algemeen deel van deze toelichting reeds is aangegeven betekent dit
                    dat de gemeentelijke uitwerking moet leiden tot regels die op z’n minst in enige
                    mate bijdragen aan het voorkomen van oneerlijke mededinging.</al><al><cursief>NB De ledenbrief, in bijzonder het daaraan bijgevoegde ‘stappenplan’,
                        kan als basis dienen voor een eventueel door de gemeente zelf op te stellen
                        toelichting bij de gekozen variant uit Bijlage 1 – 40 varianten van artikel
                        2:34b van deze modelverordening.</cursief></al><al>Op grond van artikel 4, vierde lid, van de DHW heeft de burgemeester de
                    bevoegdheid om voor ten hoogste twaalf aaneengesloten dagen ontheffing te
                    verlenen van de hier door de raad gestelde regels voor schenktijden en voor de
                    verschillende soorten bijeenkomsten. Het gaat om bijzondere gelegenheden van
                    zeer tijdelijke aard. Uit deze bewoordingen van de wet blijkt dat hier zeer
                    terughoudend mee moet worden omgegaan. Te denken valt aan kampioenschappen en
                    dergelijke grotendeels onvoorziene gebeurtenissen, maar het kan ook gaan om
                    feestelijkheden die wel te voorzien zijn, zoals carnaval en Koninginnedag.</al><al>Omdat de burgemeester deze bevoegdheid rechtstreeks aan de wet ontleent, kan de
                    raad hier verder geen beperkingen aan stellen. De burgemeester kan hiervoor zelf
                    uiteraard wel beleidsregels opstellen (artikel 4:81 van de Awb).</al><al>De DHW valt onder de Dienstenwet en ingevolge artikel 28, eerste lid, van die
                    wet is de lex silencio positivo (LSP) van toepassing op vergunningen (daar zijn
                    ontheffingen ook onder begrepen), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
                    bepaald. Op het moment van schrijven (maart 2013) is de LSP wel van toepassing
                    op ontheffingen op grond van artikel 4, vierde lid, van de DHW. Op het moment
                    van schrijven is echter ook een wetsvoorstel (Veegwet SZW 2012, Kamerstukken II,
                    2012-23, 33 507) bij de Tweede Kamer aanhangig dat hier verandering in zal
                    brengen. Wanneer het wetsvoorstel in werking zal treden is nog onduidelijk.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en
                    slijtersbedrijven</vet></al><al>Deze modelbepaling is een uitwerking van artikel 25a van de DHW. Het verbiedt de
                    verstrekking van sterke <cursief>of</cursief>alcoholhoudende drank in
                    inrichtingen die gelegen zijn in bepaalde aangewezen gebieden
                        <cursief>en/of</cursief> die beschikken over nader aangegeven aard
                        <cursief>en/of</cursief> gedurende nader bepaalde tijdsruimten. De nadere
                    invulling van een verbod dient, in zoverre daar voor gekozen wordt, in de
                    verordening zelf te gebeuren en kan niet aan de burgemeester gedelegeerd
                    worden.</al><al>In het tweede lid wordt overeenkomstig artikel 25a, tweede lid, aanhef en
                    onderdeel b, van de DHW de burgemeester de bevoegdheid verleend om voorschriften
                    aan de vergunning te verbinden of deze te beperken tot zwak-alcoholhoudende
                    drank, als dit vanwege de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de
                    zedelijkheid en de volksgezondheid nodig is.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden</vet></al><al>Deze bepaling is gebaseerd op artikel 25b van de DHW. Op grond van dat artikel
                    kan bij verordening de toegang van jongeren tot horecalokaliteiten en terrassen
                    gereguleerd worden. Overeenkomstig artikel 25b, eerste lid, van de DHW is het
                    aan gemeenten om te bepalen waar de leeftijdsgrens wordt gelegd, deze mag echter
                    niet hoger zijn dan 21 jaar.</al><al><cursief>Verdere toelichting bij alternatief 2</cursief></al><al>Hier is de toegangsleeftijd gekoppeld aan het sluitingsuur van de
                    horecalokaliteit, met verwijzing naar artikel 2:29 van de model-APV
                    (mogelijkheid om sluitingstijd aan te passen). In de praktijk gaat het om
                    nachtcafés. Artikel 2:29 van de model-APV gaat over openbare inrichtingen. Dat
                    is een ruimere categorie dan de horecabedrijven uit de DHW, waar artikel 2:34d
                    betrekking op heeft. Het toelatingsverbod van artikel 2:34d geldt dus alleen
                    voor die openbare inrichtingen die tegelijk ook een horecabedrijf zijn. Een
                    jongere in de hier opgenomen leeftijdscategorie mag dus geen nachtcafé in, maar
                    wel een broodjeszaak die de hele nacht open is.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan
                        slijtersbedrijven</vet></al><al>Deze bepaling is gebaseerd op artikel 25c van de DHW. Daarbij is uitdrukkelijk
                    bepaald dat het verbod alleen betrekking kan hebben op een beperkte tijdsruimte.
                    Een beperking van het verbod tot bepaalde delen van de gemeente is optioneel.
                    Het gaat om de verbod van het verkopen van zwak-alcoholhoudende drank in
                    bedrijven en winkels zoals warenhuizen, snackbars, supermarkten of andere
                    levensmiddelenwinkels (artikel 18, tweede lid, van de DHW)
                        <cursief>en/of</cursief> vanuit bestelruimten (internetbestellingen)
                    (artikel 19, tweede lid, onder a, van de DHW). Doel van deze bepaling is
                    voorkomen dat er tijdens bepaalde feestelijkheden en evenementen in de
                    detailhandel blikjes bier, flessen wijn, breezers en andere zwak-alcoholhoudende
                    drank wordt verkocht die vervolgens op straat wordt opgedronken. Het verkopen
                    van sterke drank is uiteraard in ieder geval verboden in snackbars en in andere
                    soorten winkels dan slijterijen.</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Het gaat hier om een algeheel verbod, dat uiteraard beperkt is tot de nader
                    bepaalde tijdsruimte en eventueel nader bepaalde delen van de gemeente.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Hier gaat het niet om een verbod om meer dan een nader bepaald aantal eenheden
                    zwak-alcoholhoudende drank per klant te verkopen. Uiteraard is ook dit verbod
                    beperkt tot de nader bepaalde tijdsruimte en eventueel nader bepaalde delen van
                    de gemeente.</al><al/><al><vet>AFDELING 9. TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN
                        NACHTVERBLIJF</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:35 Begripsbepaling</vet></al><al><cursief>Inrichting</cursief></al><al>Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek
                    van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan
                    personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van
                    een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van
                    kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</al><al/><al><vet>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</vet></al><al>Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                    overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en
                    kampeerinrichtingen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:37 Nachtregister</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de
                    inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</vet></al><al>Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te
                    verstrekken. Een dergelijke aanvulling van het Wetboek van strafrecht bij
                    plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht: HR 10 april
                    1979, NJ 1979, 442.</al><al/><al><vet>AFDELING 10. TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten
                    aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals
                    speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met
                    uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden,
                    waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</al><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als
                    bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen
                    beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts
                    indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen , zoals poker, worden
                    beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling
                    om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is
                    dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</al><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan.</al><al>De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om
                    een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege
                    de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak
                    wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in
                    het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel
                    van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
                    omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                    nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er
                    strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen
                    vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet
                    de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 van de model APV zijn
                    voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><al>Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 is een aantal
                    vernummeringen doorgevoerd. Daarom verwijst het tweede lid onder a van artikel
                    2:39 niet langer naar artikel 30c, lid 1 onder c, maar naar artikel 30c, lid 1
                    onder b van de Wet op de kansspelen</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Vergunning ingetrokken, illegaal casino. Rb Maastricht 07-01-2003, nr 01/1750 en
                    01/1751 GEMWT I, LJN AF2782</al><al><cursief>Speelautomatenhallen</cursief></al><al>Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling. Het is mogelijk in een
                    speelautomatenhallenverordening te bepalen dat bij de beoordeling van een
                    aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal rekening
                    wordt gehouden met de woon en leefsituatie. De VNG heeft een model
                    speelautomatenhallenverordening opgesteld.</al><al><cursief>Vierde lid Lex silencio positivo(positieve fictieve beschikking bij
                        niet tijdig beslissen)</cursief></al><al>Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast
                    speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is hoogst onwenselijk zijn
                    als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke
                    toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio
                    positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen
                    belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt
                    niet van toepassing verklaard.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Internetgokzuil in inrichting maakt dat er sprake is van speelgelegenheid,
                    burgemeester kan handhavend optreden. ABRS 29-01-2003, 200203981/1, LJN-nr
                    AF3507, Rb Almelo11-03-2002, JG 02.0152 m.nt. T.J. van der Reijt.</al><al>Burgemeester kan bestuursdwang toepassen in geval er sprake is van een
                    speelgelegenheid, in dit geval een illegaal casino, zonder vergunning. Rb
                    Maastricht 07-01-2003, 01/17050 en 01/1751 GMWT I, LJN AF2782.</al><al>Speelgelegenheid door een vereniging waarvan tegen betaling van een gering
                    bedrag een ieder lid kan worden, heeft geen besloten karakter, burgemeester kan
                    optreden indien er geen vergunning is. Rb Arnhem 17-07-2002, 00/3094 en 00/3095
                    AW, LJN AF5840. Vergelijkbaar: Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten
                    aangemerkt, dus kan bestuursdwang worden toegepast. Rb Arnhem 17-07-2002,
                    02/1400, LJN AE5840.</al><al/><al><vet>Artikel 2:40 Kansspelautomaten</vet></al><al>Op 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over de
                    speelautomaten in werking getreden (opnieuw gewijzigd per 1 november 2000). De
                    wetgever had er bewust voor gekozen ruimte te laten voor de uitleg van de
                    artikelen: de rechter moest maar voor nieuwe jurisprudentie zorg dragen. Deze
                    opvatting gaf de gemeenten nogal wat problemen. De vraag was met name of een
                    horeca inrichting als “hoogdrempelig” of “laagdrempelig”, wat van belang was
                    voor de vraag of er gokautomaten aanwezig mochten zijn. Er ontstond een
                    uitvoerige en gedetailleerde jurisprudentie. Zie hieronder voor een aantal
                    voorbeelden.</al><al>Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 constateerde de wetgever
                    dat het gezien de regels van de Europese Dienstenrichtlijn niet viel te
                    verdedigen dat voor het aanwezig hebben van enkele behendigheidsautomaten een
                    vergunning vooraf wordt geëist. Dit vooral ook omdat een aanwezigheidsvergunning
                    voor gokkasten met name wordt verdedigd door te wijzen op het risico van
                    gokverslaving. Het valt moeilijk vol te houden dat een flipperkast een
                    vergelijkbaar risico op verslaving oplevert als een fruitautomaat. Dat nog los
                    van de vele verslavende spelen die op het internet gespeeld kunnen worden, al
                    dan niet gratis.</al><al>Voor de model APV betekent dit dat in artikel 2:40 tweede en derde lid de term
                    “speelautomaten”, die ook behendigheidsautomaten zoals flipperkasten omvat,
                    wordt vervangen door “kansspelautomaten”, waarmee gokkasten worden aangeduid
                    waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar doorgaans geen behendigheid bij te
                    pas komt.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Het verstrekken van lunches tussen 12.00 uur en 15.30 uur, dat speciaal op een
                    reclamebord wordt aangekondigd en waarvoor een aparte lunchkaart is, vormt een
                    laagdrempelige activiteit. CBB 11-04-2003, AWB 02/1474, LJN AF7697.</al><al>Sportkantine niet per definitie laagdrempelig. CBB 17-07-2002, AWB01/822, JG
                    02.0153 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN AE 7540.</al><al>Steeds geheel of gedeeltelijk geopende harmonicawand tussen café en zaalgedeelte
                    is niet voldoende om te spreken van twee afzonderlijke horecalokaliteiten. In
                    café geen kansspelautomaten toegestaan. CBB 15-02-2002, AWB01/482 29010, JG
                    02.0069 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN AD9977.</al><al/><al><vet>AFDELING 11. MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</vet></al><al><vet>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien
                    dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt,
                    verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is aan te raden om voor
                    de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds verbroken
                    een strafbepaling zoals in het eerste lid van artikel 2:41 op te nemen, waarin
                    een sanctie wordt gesteld op overtreding van het verbod.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als
                    in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als
                    bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd,
                    verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid.
                    Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden
                    tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke
                    lokalen.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd.
                    Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><al>Op de in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde Vrijheid van meningsuiting zou
                    inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden
                    of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel
                    2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde
                    verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van
                    dit middel van bekendmaking meebrengt, voor door dat gebruik een anders recht
                    wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid.</al><al>Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                    aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting
                    dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt
                    als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare
                    orde.</al><al>Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                    plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en
                    daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens
                    jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel
                    10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000
                    inwoners. Zie daarover: M. Geertsema in de noot onder ABRS 05-06-2002 in JG
                    02.0221. .</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Verzoek om vergunning voor het aanbrengen van borden aan lantaarnpalen ten
                    behoeve van het plakken van affiches is terecht opgevat als verzoek om
                    toestemming van de gemeente als eigenares van de lantaarnpalen. Betreft een
                    privaatrechtelijke aangelegenheid. ARRS 30 12 1993, JG 94.0194 m.nt. J.M. van
                    den Bosch van Os, AB 1994, 578 m.nt RMvM.</al><al>Een projectie van een lichtreclame is te beschouwen als een andere wijze van
                    aanbrengen dan aanplakken van een afbeelding of aanduiding als bedoeld in de
                    APV. Vz.ARRS 13 12 1992, JG 93.0261 , Gst. 1993, 6965, 3 m.nt EB.</al><al>In APV opgenomen plakverbod is onverbindend wegens strijd met artikel 7, lid 1,
                    Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Derhalve is geen vervolging mogelijk ter
                    zake van “wild plakken”. Er waren geen voldoende vrije plakplaatsen in de
                    stadsdelen. Gemeente is verplicht deze te scheppen. Rb. Amsterdam
                    07-10-1993.</al><al>“Niet aannemelijk is geworden dat ten gevolge van het (...) verbod geen
                    mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik van het onderhavige middel van
                    verspreiding en bekendmaking zou overblijven”. De bepaling is niet in strijd met
                    artikel 10, tweede lid, EVRM, aangezien deze “prescribed by law” is en
                    “necessary in a democratic society (...) for the prevention of disorder” en
                    “protection of the (...) rights of others”. HR 01-4-1997, NJ 1997, 457.</al><al>Plakverbod van artikel 2.4.2 model-APV is niet in strijd met artikel 7 Grondwet
                    noch met artikel 10 EVRM. ABRS 05-06-2002, LJN AE3657, JG 02.0169 m.nt. M.
                    Geertsema, JB 2002, 221 m.nt. J. van der Velde, AB 2002, 361 m.nt. J.G. Brouwer
                    en A.E. Schilder.</al><al>Het is een te ruime uitleg om “doen” aanbrengen zo uit te leggen dat dit mede
                    inhoudt het niet tegengaan dat van Radio 538 afkomstig reclamemateriaal wordt
                    aangeplakt. Er is geen sprake van opdracht of een actieve bemoeienis van Radio
                    538. ABRS 18-09-2002, LJN AE7789, JB 2002, 329, Gst. 7181, 42 m.nt. M.M. Dolman
                    en Kistenkas.</al><al>Appellant heeft posters doen plakken. Hij is verantwoordelijk voor het gedrag
                    van het bedrijf waaraan hij opdracht heeft gegeven posters te plakken, ook als
                    dat bedrijf tegen zijn instructies in zou hebben gehandeld (door op niet
                    toegestane plaatsen te plakken). Dat appellant het bedrijf heeft opgedragen
                    uitsluitend op toegestane locaties te plakken disculpeert hem niet. Gesteld is
                    immers niet dat hij goede grond had om te mogen vertrouwen dat dit bedrijf zich
                    zou houden aan die opdracht. Hof Amsterdam 23-12-2004, 1774/03, LJN AS5302.</al><al/><al><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                    rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde
                    stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het
                    bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM
                    neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig
                    is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op
                    wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te
                    verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.</al><al>Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van
                    Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met
                    enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van
                    strafprocesrecht.</al><al>Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk
                    gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of
                    er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</al><al/><al><vet>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot
                    bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. HR 07
                    06 1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 (APV
                    Nijmegen).</al><al><cursief>Rooftassen</cursief></al><al>Naar aanleiding van een motie van Tweede Kamerlid De Wit heeft de Minister van
                    Justitie bij de VNG het verzoek gedaan om in het model van de Algemeen
                    Plaatselijke Verordening (APV) een artikel op te nemen om het op de weg of in de
                    nabijheid van winkels bij zich te hebben of vervoeren van tassen en
                    kledingstukken die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van
                    winkeldiefstal te vergemakkelijken, strafbaar te stellen.</al><al>Met het oog op de administratieve lastenverlichting en het gegeven dat het
                    aantal malen dat gemeenten te maken hebben met een overval met behulp van
                    geprepareerde voorwerpen grote variatie kent, hebben wij besloten om geen
                    bepaling toe te voegen aan de model-APV. Wel willen wij u een voorbeeldartikel
                    aanreiken dat u, indien gewenst, kunt opnemen in de APV. Deze gemeentelijke
                    maatregel kan echter alleen succesvol zijn als daartegenover ook inspanningen
                    van andere betrokken partijen staan. Derhalve dient een dergelijk artikel
                    opgenomen te worden als onderdeel van een samenhangend pakket aan maatregelen.
                    Zie hierover onze ledenbrief van 26 april 2010, nr 10/046.</al><al>Het artikel kan worden toegevoegd na dat over inbrekerswerktuigen en luidt:</al><al/><al><vet>Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen</vet></al><al>1.Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij
                    zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van
                    (winkel)diefstal te vergemakkelijken.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                    redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet
                    bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.</al><al>Toelichting: Het gaat hierbij om een verbodsbepaling met betrekking tot het
                    vervoeren van geprepareerde tassen dan wel andere voorwerpen op de weg of in de
                    nabijheid van winkels.</al><al>Teneinde de private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in lid 2
                    opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen
                    dat de desbetreffende burger geen intentie heeft om winkeldiefstel te gaan
                    plegen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</vet></al><al>Tweede lid: Het gaat hier om een ontheffing voor personen die om wat voor reden
                    dan ook noodzakelijkerwijs in een plantsoen moeten zijn waar dat normaliter
                    verboden is (voor het bevoegd betreden van het plantsoen geldt het verbod
                    sowieso niet). Wij kiezen ervoor hier de lex silencio positivo niet toe te
                    passen omdat het onwenselijk zou zijn dat personen hun gang zouden kunnen gaan
                    wanneer te laat op hun verzoek is beslist. Het staat de gemeenteraad uiteraard
                    vrij om anders te kiezen. Het zal immers door de bank genomen geen ingewikkelde
                    beslissing zijn om deze ontheffing te verlenen of te weigeren.</al><al>Voor het overige spreekt deze bepaling voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</vet></al><al>Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van
                    wegen. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling
                    ziet derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving,
                    maar kan als toelaatbaar worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van
                    artikel 149 Gemeentewet is de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het
                    stellen van regels die andere belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze
                    regels het stelsel van de wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet
                    het geval. Het verbod heeft slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien
                    zijn van rubberbanden.</al><al>De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn voorzien van
                    rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Die beperking is
                    opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten. Verder wordt
                    hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt betreden.</al><al>Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in
                    niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende
                    groenstroken, wordt geregeld in artikel 5:11 (aantasting groenvoorzieningen door
                    voertuigen).</al><al/><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</vet></al><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden.</al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar,
                    terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf
                    bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen
                    zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker
                    dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Deze bepaling
                    in de APV vormt hierop een aanvulling.</al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is
                    zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in artikel 2:47 gaat
                    verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor
                    de toelichting op artikel 1.1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt
                    op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel
                    2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere
                    regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><al/><al><vet>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</vet></al><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet
                    toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt
                    alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al><cursief>Omvang gebied</cursief></al><al>Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld
                    gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig
                    overlast veroorzaakt wordt.</al><al>Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet
                    namelijk wel een concrete aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied
                    aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees
                    bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al
                    aangetast. Als dat geldt voor het hele grondgebied van de gemeente is het
                    stadium van hinderlijk drankgebruik allang gepasseerd, en heeft de burgemeester
                    zijn noodbevoegdheden uit de Gemeentewet nodig. Daarnaast zou het college bij
                    een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de openbare weg en op openbare
                    plaatsen, ook van goedwillende personen, verbieden. Daarmee zou er geen
                    evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel
                    3:4, van de Awb. Dit geldt ook voor een verbod om onaangebroken flesjes en
                    blikjes bij zich te hebben, waar met enige regelmaat naar wordt gevraagd. Het
                    gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen
                    dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te
                    dragen.</al><al>Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de
                    richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal
                    plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk zijn,
                    omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke
                    karakter mede bepalend voor het verschijnsel zijn. Als er toch verplaatsing
                    optreedt, kan het college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een
                    aanwijzingsbesluit nemen.</al><al><cursief>Verstoring openbare orde</cursief></al><al>Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 2
                    van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven..</al><al>Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal
                    optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van
                    Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de
                    praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel,
                    waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de “voorfase” - dus het bier
                    drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</al><al/><al><vet>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</vet></al><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47
                    (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen).</al><al/><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                        ruimten</vet></al><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord
                    “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip “weg”.
                    Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het
                    publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van
                    voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</al><al>Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het
                    ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel
                    of op voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking
                    gebracht.</al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de
                    handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen,
                    mede om de eigendommen van derden te beschermen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Artikel 138 Sr. vereist een handeling van een rechthebbende, HR 12 06 1951, NJ
                    1951, 618</al><al>Reglement NS, inhoudende een verbod om zich op enig gedeelte van het station
                    onbehoorlijk te gedragen, is noch in strijd met artikel 1 Wetboek van Strafrecht
                    noch met artikel 7 van de Europese conventie voor de rechten van de mens (ECRM),
                    HR 02 04 1985, NJ 1985, 796 (Algemeen reglement vervoer NS). De (min of meer
                    gelijkluidende) bepaling in de APV Amsterdam is verbindend, omdat de norm
                    voldoende is geconcretiseerd, HR 01-09-1998 NJ 1999, 61 (APV Amsterdam).</al><al/><al><vet>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast.</al><al>Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de
                    eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen
                    hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel
                    2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><al/><al><vet>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                        e.d.</vet></al><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht.</al><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen
                    worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van
                    het terrein worden kenbaar gemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 2:53 Bespieden van personen</vet></al><al>Deze bepaling is facultatief omdat deze zeer weinig wordt toegepast en, zoals de
                    toelichting hieronder al aangeeft, is gericht op excessieve situaties. Anders
                    dan bij het delict belaging (“stalking”) uit artikel 285b WvS is geen oogmerk
                    vereist om iemand ergens toe brengen of van af te houden, dan wel vrees aan te
                    jagen . Dit artikel is daar dus een aanvulling op.</al><al>Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren
                    verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het artikel alleen in
                    excessieve situaties vinden. De politie zal in het algemeen pas optreden indien
                    burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling over heimelijk
                    afluisteren is in verband met artikel 139a en verder, 374bis en 441a van het
                    Wetboek van Strafrecht niet nodig.</al><al>Let wel: als de raad artikel 2:53 in de APV overneemt, kan de gemeente er ook op
                    aangesproken worden.</al><al/><al><vet>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het
                    Wetboek van Strafrecht in werking getreden (Stb. 2003, 365). De bepalingen gaan
                    over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Deze
                    wijziging wordt ook wel aangehaald als de Wet heimelijk cameratoezicht. Hiermee
                    is artikel 2.4.14 (oud) vervallen.</al><al>Er is sprake van heimelijk cameratoezicht wanneer beelden van personen worden
                    gemaakt met camera’s die zijn aangebracht om personen herkenbaar in beeld te
                    brengen zonder dat de aanwezigheid ervan duidelijk kenbaar is gemaakt. Heimelijk
                    cameratoezicht was voor de wetswijziging al verboden in winkels of
                    horecagelegenheden (artikel 441b Wetboek van Strafrecht). Dit verbod geldt
                    voortaan ook voor alle andere openbare plaatsen en gebouwen (incl. de openbare
                    weg), zoals banken, stations, casino’s, bussen, musea, uitgaansgebieden of
                    stadions. Het gebruik van camera’s voor toezicht en beveiliging is alleen
                    toegestaan als de aanwezigheid van deze camera’s duidelijk is aangegeven
                    (kenbaar), bijvoorbeeld door de camera’s zichtbaar op te hangen of door middel
                    van een bord met pictogram of mededeling. Daarnaast gelden de regels van de Wet
                    bescherming persoonsgegevens.</al><al>De strafbaarstelling van het heimelijk maken van opnamen van personen op
                    besloten plaatsen, dat wil zeggen niet voor het publiek toegankelijke plaatsen,
                    is uitgebreid (artikel 139f Wetboek van Strafrecht). Het was al verboden om
                    mensen in een woning of een ander niet voor publiek toegankelijk gebouw
                    (bijvoorbeeld een kantoor) te filmen als deze personen daarvan niet op de hoogte
                    waren gesteld. Dit verbod geldt voortaan voor alle niet voor het publiek
                    toegankelijke plaatsen, dus inclusief plaatsen die geen gebouw zijn, zoals
                    afgesloten tuinen, erven, niet voor publiek toegankelijke parken en
                    parkeerterreinen. Het verbod is niet langer beperkt tot afbeeldingen die het
                    rechtmatig belang van de afgebeelde persoon kunnen schaden, bijvoorbeeld
                    afbeeldingen die compromitterend of onwelvoeglijk van aard zijn. Het heimelijk
                    maken van een afbeelding van een persoon wordt nu in principe in alle gevallen
                    verboden. Of de aard van de afbeeldingen zodanig is dat daarmee het rechtmatig
                    belang van de afgebeelde persoon kan worden geschaad, doet niet ter zake.</al><al/><al><vet>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>In 2002 is deze bepaling vervallen omdat nodeloos alarmeren geregeld is in
                    artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 2:56 Alarminstallaties</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>Dit artikel is vervallen in 2007. Bij de vorige wijziging van de APV werd over
                    dit artikel opgemerkt dat het niet langer van toepassing was op nieuwe,
                    gecertificeerde alarminstallaties, waarvoor toen de Wet particuliere
                    beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en de kwaliteitseisen van de
                    Regeling BORG 1.1 waren gaan gelden. De vergunning werd echter gehandhaafd omdat
                    deze wettelijke regels niet golden voor toen al bestaande geluidsalarmen en voor
                    zelf aangelegde alarminstallaties.</al><al>De VNG heeft nu overwogen dat deze bepaling, als er al feitelijk invulling aan
                    wordt gegeven, en zeker als ook de model vergunningsvoorschriften die in de
                    toelichting waren opgenomen daarbij worden gebruikt, een aanzienlijke financiële
                    en administratieve last voor burgers en bedrijven oplevert: volgens deze
                    voorschriften zou de installatie bijvoorbeeld dienen te voldoen aan de Regeling
                    BORG 1.1, er zouden jaarlijkse controles moeten plaatsvinden, en door of vanwege
                    het college aangewezen deskundigen zouden op kosten van de vergunninghouder de
                    deugdelijkheid van de installatie kunnen onderzoeken.</al><al>Nog los van de vraag of deze zware eisen überhaupt in verhouding staan tot het
                    te dienen belang, acht de VNG het risico van afschaffing van deze vergunning
                    niet dermate groot dat de vergunning om die reden moet worden gehandhaafd. Een
                    plotselinge epidemie van zelf gebouwde, lawaaiige en te pas en te onpas afgaande
                    alarminstallaties ligt niet voor de hand.</al><al>Op een vergunning- of ontheffingsstelsel voor alarminstallaties is de Wabo van
                    toepassing. Omdat het artikel over alarminstallaties in de model-APV vervallen
                    is, is hier geen regeling opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:57 Loslopende honden</vet></al><al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond
                    aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn
                    algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten
                    grondslag.</al><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><al>-de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar
                    kan worden gebracht;</al><al>-het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al><al>-het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al><al>-het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken,
                    e.d.);</al><al>-het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                    loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven
                    staan.</al><al>Artikel 2:57 kende tot 2002 geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter
                    situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een
                    strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere
                    de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze
                    categorie in het derde lid een voorziening getroffen..</al><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden
                    aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet
                    (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college
                    aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te
                    achterhalen is.</al><al>Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het
                    eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden
                    en katten op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf van de eigenaar of
                    houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4 bepaalt
                    dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten van een en ander
                    en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien dagen na de datum
                    van het bericht op te halen. Het ter plaatse doden van loslopende honden en
                    katten is geregeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet op de
                    dierenbescherming.</al><al>De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt
                    in twee opzichten beperkt:</al><al>1.De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven of in
                    het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is.</al><al>2.Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste staan.</al><al>3.De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie en de
                    door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van
                    politie.</al><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                    vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente
                    moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging
                    van het dier op zich nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven
                    door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de
                    kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is
                    de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                    mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken.
                    De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging
                    onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige
                    redenen is vereist.</al><al>Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier
                    niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even
                    verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een “gevonden
                    dier”.</al><al>Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend bedoeld. De
                    gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het
                    geheel niet regelen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op de
                    geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz. ABRS 13-12-1996, JG
                    97.0050.</al><al>Het college dient het onaangelijnd zijn van de hond te gedogen in verband met de
                    functie van de hond als signaal- of dovengeleidehond. Vz. ARRS 20-07-1993, JG
                    94.0055 , AB 1994, 454.</al><al/><al><vet>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</vet></al><al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan
                    staat het probleem al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen.</al><al>Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te
                    pakken.</al><al>Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is
                    daardoor deels preventief . Sommige gemeenten gaan er daarom toe over om het bij
                    zich hebben van “opruimmiddelen” verplicht te stellen, wat uiteraard wel
                    controleerbaar is. Overtreding van het verontreinigingsverbod door
                    hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die
                    vatbaar zijn voor transactie door de politie.</al><al>Sommige gemeenten gaan ertoe over in hun APV ook verontreiniging door paarden op
                    te nemen. Het is dan zaak om zich te realiseren dan een ruiter het minder dan
                    degene die een hond uitlaat in de hand heeft waar en wanneer een paard zich
                    ontlast. De nadruk zal dan ook meer moeten liggen op het (laten) opruimen van de
                    uitwerpselen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</vet></al><al>Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident
                    met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk
                    op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen
                    en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan
                    worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te
                    muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling
                    agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer
                    gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden. Politierapport en vonnis
                    kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt dat honden gevaarlijk zijn en
                    de te treffen maatregelen. ARRS 05 02 1991, Gst. 1991, 6932, 13 m.nt. CG.</al><al>Gevecht tussen niet-gemuilkorfde pitbullterriërs en een andere hond, waarbij een
                    hond is overleden en een omwonende is aangevallen. De burgemeester heeft in
                    redelijkheid het zwaarste gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van de
                    veiligheid van mens en dier in de gemeente en besloten tot het doden van de
                    pitbulls op grond van artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet. Vz.CBB 24-5-1993,
                    AB 1993, 460.</al><al>Een soortgelijke casus is te vinden in Pres. Rb Zwolle 3-3-1995, JG 95.0307,
                    Gst. 1996, 7028 m.nt. HH. Artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is
                    een speciale bevoegdheid ten opzichte van artikel 172 Gemeentewet.</al><al>Muilkorfgebod op grond van de APV voor Argentijnse Dog na bijtincident met
                    dodelijke afloop voor andere hond. Het college heeft bij het opleggen van een
                    dergelijke maatregel een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig.
                    Vz.ABRS 22-05-2001, KG 2001,179, JG 01.0139 m.nt. M. Geertsema.</al><al/><al><vet>Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                    dieren</vet></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer” op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Het (oude) vierde lid is daarmee vervallen.</al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt.
                    Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat
                    het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn
                    oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is
                    verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er
                    sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156
                    Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en
                    Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.</al><al>Er zijn gemeenten die deze bepaling niet opnemen in de APV, waarbij doorgaans
                    als reden wordt gegeven dat er zelden sprake is van werkelijk omvangrijke
                    overlast of dreigende schade voor de volksgezondheid, maar dat het meestal gaat
                    om geschillen tussen buren.</al><al>Facultatief is genoemd als toevoeging: het voeren van bepaalde dieren. Sommige
                    gemeenten hebben er behoefte aan het voeren van bijvoorbeeld meeuwen of duiven
                    op bepaalde plaatsen te verbieden om daar zo nodig handhavend tegen te kunnen
                    optreden.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het is niet eenvoudig aan te geven wanneer en waarom, als er eenmaal eisen en
                    beperkingen zijn gesteld, daar met een ontheffing weer van zou worden afgeweken.
                    Doorgaans zal vrij snel (en dan naar alle waarschijnlijkheid negatief) op een
                    aanvraag om deze ontheffing kunnen worden beschikt. Toch is hier van het
                    toepassen van de lex silencio positivo afgezien. Dit vooral omdat in gevallen
                    waarin dit artikel wordt toegepast vaak al enig ongenoegen leeft over de in de
                    buurt ondervonden overlast. Een van rechtswege ontstane ontheffing en daardoor
                    weer toenemende hinder zou de sfeer niet ten goede komen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Aanschrijving tot verplaatsing van een hok van een haan die geluidsoverlast
                    veroorzaakt. Nader onderzoek van het college verlangd. ARRS 26 02-1991, Gst.
                    1991, 6962, 3 m.nt. JMK, JG 91.0382 m.nt. L.J.J. Rogier.</al><al>Aanschrijving verwijdering pluimvee in verband met overlast omwonenden. Vz.ARRS
                    02 06 1991, JG 92.0007 , AB 1991, 686 m.nt. JHvdV.</al><al>Aanschrijving tot verwijdering van kraaiende haan terecht. De door het college
                    gehanteerde methode van geluidmeting is niet onredelijk. ARRS 09 04 1992, JG
                    92.0401 , GO 1992, 3, GO 1994, 2 m.nt. L.F.D, AB 1992, 583 m.nt RMvM, TMR 1994,
                    9 m.nt. RJdH.</al><al>Overlast van een papegaai. Onvoldoende onderzoek naar de klacht. ARRS 22 12
                    1993, JG 94.0137 m.nt. A.B. Engberts.</al><al>Aanschrijving tot verwijdering paard in verband met overlast omwonenden terecht.
                    Klachten van omwonenden, onderzoek van bouw- en woningtoezicht en proces-verbaal
                    van politie geeft voldoende feitelijke onderbouwing. ABRS 03-07-1999, JG 99.0003
                    m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al><al>Zonder aanwijzing van het college kan artikel 2.4.20 geen grondslag bieden voor
                    de toepassing van bestuursdwang. ABRS 17-10-2001, JG 02.0025, art. 2-4-20-, art.
                    4-1-7b- m.nt. M. Geertsema.</al><al>Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren (artikel 2.4.20 oud).
                    Geluidhinder door dieren (zie voorbeeldbepaling 4:5b model-APV). Ernstige
                    geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het schoonhouden en wellicht bijvullen
                    van een kikkerpoel zal de aanwezigheid van kikkers mogelijk bevorderen, maar dit
                    is onvoldoende om te concluderen dat de buurman kikkers houdt (op grond van
                    artikel 2.4.20 oud) en er de zorg voor heeft. Bij de besluitvorming is terecht
                    rekening gehouden met het feit dat de eiser in het buitengebied woont en het
                    gekwaak van kikkers tot gebiedseigen geluiden moet worden gerekend. Rb.
                    ´’s-Hertogenbosch, nr.AWB 99/6873 GEMWT, LJN AD4783.</al><al/><al><vet>Artikel 2:61 Wilde dieren</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>Bij ledenbrief 98/192 is artikel 2.4.21 (Oud) Wilde dieren vervallen omdat het
                    artikel het Wetboek van Strafrecht doorkruist. Zowel artikel 2.4.21 (oud) als
                    artikel 425 WvStr. ziet op de bescherming van de algemene veiligheid van
                    personen of goederen. Rb. Dordrecht, d.d. 19 mei 1998, parketnummer
                    11.410090.96.</al><al/><al><vet>Artikel 2:62 Loslopend vee</vet></al><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van
                    honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57.</al><al>Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt
                    het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend
                    pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die
                    bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:63 Duiven</vet></al><al>Verwilderde duiven veroorzaken in het voorjaar nogal wat schade aan jonge
                    gewassen doordat zij akkerbouwgebieden als foerageerplaats gebruiken. Deze
                    bepaling geeft het college de mogelijkheid om tussen 1 maart en 1 juni een
                    periode aan te wijzen, die bijvoorbeeld kan variëren van een week tot een dag
                    per week, waarin de eigenaren of bezitters van duiven verplicht zijn de duiven
                    binnen te houden. Dit geeft de jagers de mogelijkheid om het verwilderde
                    duivenbestand uit te dunnen.</al><al>Wel lijkt het raadzaam om in overleg met de colleges van omliggende gemeenten en
                    de diverse postduivenverenigingen deze periode jaarlijks vast te stellen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:64 Bijen</vet></al><al>Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst
                    zijn en op zodanige wijze dat de “aanvliegbanen” hiervan over de weg lopen,
                    gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren.</al><al>Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de
                    aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden teruggebracht. Het
                    zal echter kunnen voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de
                    bijen overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn te
                    treffen. Vooral in de bebouwde kom van een gemeente kan in sommige gevallen het
                    houden van bijen daarom onaanvaardbaar zijn.</al><al>Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand “op de openbare weg of op een
                    andere voor het publiek toegankelijke plaats” valt aan te wijzen, kan men toch
                    van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op
                    “openbare belangen”.</al><al>Zesde lid: Voor de ontheffing van het vijfde lid is gekozen voor een lex
                    silencio positivo. Overwegingen daarbij zijn dat, hoewel overlast mogelijk is,
                    het artikel al bepaalde eisen aan de bijenhouder stelt, waaraan in het gros van
                    de gevallen wordt voldaan. De enkele keer dat van die eisen ontheffing wordt
                    gevraagd zal daar tijdig op kunnen worden beslist. Ook het belang van de
                    bijenhouderij en de moeilijke situatie waarin zij verkeert zijn een afweging. De
                    gemeenteraad zou in dit geval tot een andere afweging kunnen komen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Weigering ontheffing voor het houden van bijenvolken. Begrip “overlast” heeft
                    geen betrekking op schade aan verder afgelegen tuinbouwkassen. ARRS 17 07 1993,
                    JG 94.0283 , AB 1994,432</al><al>Weigering toepassing bestuursdwang tot verwijdering van de bijenkasten. Imker is
                    verhuisd. Mogelijkheid toepassing bestuursdwang voor toekomstige gevallen. ABRS
                    25 07 1994, JG 95.0210.</al><al>Artikel 2:60 (artikel 2.4.20 oud) en 2.64 (artikel 2.4.24 oud) kunnen in sommige
                    situaties beide worden toegepast. Artikel 2:60 fungeert niet als lex specialis
                    ten opzichte van artikel 2.4.20. ABRS 02-06-1997, JG, 10 (1999) 5 m.nt.
                    Hillenaar.</al><al>Overlast bijen. Voldaan aan de criteria van het tweede lid. Het college heeft
                    zich terecht niet bevoegd tot bestuursdwang geacht. ABRS 26-09-2000, JU 001065
                    (VNG-databank).</al><al/><al><vet>Artikel 2:65 Bedelarij</vet></al><al>Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze
                    gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te
                    intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde
                    in het geding.</al><al>Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht
                    (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of
                    nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de
                    wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de
                    gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het
                    leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te
                    verstoren. In 2006 is daarom in de model-APV bovenstaand artikel opgenomen dat
                    beoogt bedelarij tegen te gaan. Op grond van dit artikel kan het college
                    gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van
                    het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het
                    dus een verbod instellen.</al><al>Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een
                    geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod,
                    maar onder de regeling van artikel 2:9. Ook de verkoop van daklozenkranten valt
                    niet onder dit verbod. Deze kan immers niet verbonden worden aan een vergunning
                    vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de
                    Grondwet.</al><al>Omdat dit niet in elke gemeente behoefte bestaat aan zo’n bedelarijartikel wordt
                    het hier gepresenteerd als een facultatief artikel.</al><al/><al><vet>AFDELING 12. BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</vet></al><al>Deze afdeling is optioneel. Gemeenten dienen een afweging te maken of zij deze
                    afdeling opnemen in hun APV.</al><al/><al><vet>Artikel 2:66 Begripsbepaling</vet></al><al>De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk
                    aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden.</al><al>Het Wetboek van strafrecht (WvSr.). bevat enkele bepalingen die de bestrijding
                    van heling op het oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437,
                    437bis, 437ter en 437quater. Het binnentreden bij handelaren is - ook zonder dat
                    een strafbaar feit wordt vermoed - te allen tijde mogelijk op basis van artikel
                    552 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al>De in artikel 141 WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te
                    oefenen vrije toegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan
                    redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt.
                    Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de
                    Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen.</al><al>De politie kan voorwerpen in beslag nemen.</al><al>Op grond van artikel 142 WvSv kunnen toezichthouders als buitengewone
                    opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover meer in de toelichting bij hoofdstuk
                    6.</al><al>Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor
                    buitengewone opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als
                    bedoeld in artikel 141 WvSv, bij de controle op de naleving van voorschriften
                    inzake de helingbestrijding in het algemeen geen plaats. De in artikel 552 WvSv
                    neergelegde binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene
                    opsporingsambtenaren.</al><al>Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat
                    bekend is, welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Aan de
                    verplichting ex artikel 437ter, tweede lid, WvSr om zich schriftelijk aan te
                    melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar wordt in de
                    huidige praktijk door veel handelaren niet voldaan.</al><al>In dat geval zal de burgemeester gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem
                    door artikelen 437 e.v. WvSr toegekende taken op te dragen aan door hem aan te
                    wijzen ambtenaren.</al><al>Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn
                    alle handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal
                    zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel gestolen goederen
                    worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek ,
                    (brom)fiets en autohandel).</al><al>Ten behoeve van de andere branches zou het college dan vrijstelling kunnen
                    verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen
                    registratieverplichtingen.</al><al><cursief>Handelaar</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste
                    lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van
                    dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                    Strafrecht, KB 06-01-1992).</al><al>Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in
                    gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken,
                    kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-,
                    radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.
                    Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren
                    in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden
                    vermeld.</al><al>Voorheen werd ook het begrip “verkoopregister” omschreven in dit artikel. Bij de
                    herziening van de APV begin 2008 is het geschrapt, omdat dit begrip alleen nog
                    terug komt in artikel 2:67. In dit artikel (en de toelichting) staat het nader
                    omschreven.</al><al/><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister</vet></al><al>De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de
                    handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen
                    hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting
                    wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort
                    goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig
                    zijn.</al><al>In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze
                    van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een
                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en
                    daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde
                    verkoopregister.</al><al>Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is
                    aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het
                    inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het
                    inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het
                    opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven.</al><al>Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een
                    doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is
                    bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting
                    van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal
                    bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen
                    onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden
                    (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als
                    fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling
                    toegevoegd.</al><al>Er kan ook voor worden gekozen om de goederen die niet hoeven te worden
                    geregistreerd expliciet en limitatief op te sommen in het eerste en dan enige
                    lid, óf te bepalen dat alleen die goederen moeten worden geregistreerd die de
                    burgemeester heeft aangewezen.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Hier wordt de lex silencio positivo van toepassing verklaard op de ontheffing
                    van het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle
                    verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn.
                    Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis
                    een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid.</al><al/><al><vet>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                        Strafrecht</vet></al><al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor
                    heling beogen te voorkomen.</al><al>Bij de herziening van de APV in 2008 zijn er geen inhoudelijke wijzigingen
                    aangebracht, maar is getracht een overzichtelijker artikel te formuleren, dat
                    kort en bondig is geformuleerd. Het voorheen gehanteerde begrip “lokaliteit” is
                    vervangen door “vestiging”. Daarnaast is het oude artikel 2.5.4 (2:69) in dit
                    artikel geïntegreerd.</al><al><cursief>Onder a</cursief></al><al><cursief>Ten eerste</cursief></al><al>Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de
                    burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te
                    stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft
                    afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een
                    voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht
                    is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt.</al><al><cursief>Ten tweede en derde</cursief></al><al>Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient
                    de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de
                    registratie van de handelaren up to date houden.</al><al><cursief>Ten vierde</cursief></al><al>Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar
                    wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling
                    ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is
                    het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet
                    in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv.</al><al><cursief>Onder b</cursief></al><al>In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe
                    aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het
                    inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet
                    aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. Door de
                    bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen
                    ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister
                    inzien.</al><al><cursief>Onder d</cursief></al><al>Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende
                    de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68,
                    onder d, voorziet hierin.</al><al>De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder
                    d en f, WvSr.</al><al>Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de
                    burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of
                    niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen,
                    strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie dagen,
                    zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al> Het oude artikel 2.5.4 is nu opgenomen in artikel 2:68.</al><al/><al><vet>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</vet></al><al>Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven en is
                    genummerd artikel 2:32.</al><al/><al><vet>AFDELING 13. VUURWERK</vet></al><al><vet>Artikel 2:71 Begripsbepaling</vet></al><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari
                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                    vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart
                    2002 (grotendeels) in werking getreden.</al><al>Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het Vuurwerkbesluit Wet
                    milieugevaarlijke stoffen waarbij zowel de regelgeving voor consumentenvuurwerk
                    als die voor professioneel vuurwerk in één nieuwe algemene maatregel van bestuur
                    wordt geïntegreerd. Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren
                    dan wel vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken
                    en afsteken van vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde
                    vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van
                    vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer
                    gevaarlijke stoffen (Wvgs).</al><al>Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als
                    professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze
                    afdeling niet relevant.</al><al><cursief>Definitie consumentenvuurwerk</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te
                    voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de
                    Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</al><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is
                    voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit -
                    indien:</al><al>a.het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier;</al><al>b.het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of
                    besteld door een particulier;</al><al>c.het aangetroffen wordt bij een particulier;</al><al>d.het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt
                    gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen
                    of</al><al>e.het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.</al><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op:</al><al>-vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed, zoals
                    klappertjes voor speelgoedpistolen;</al><al>-vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een
                    bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer
                    is;</al><al>-vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of vliegtuig
                    binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in Nederland wordt
                    gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander zeeschip
                    onderscheidenlijk vliegtuig.</al><al><cursief>Fop- en schertsvuurwerk</cursief></al><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al><al><cursief>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                        jaarwisseling</cursief></al><al>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk
                    tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><al>-een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                    particulier (artikel 2.3.2 lid 1);</al><al>-dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat als een
                    van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag geldt, in welk
                    geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen dan niet geldt op 28
                    december (artikel 2.3.2 lid 2);</al><al>-een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan een
                    particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3);</al><al>-een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                    beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet
                    aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het bevoegd gezag
                    overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen (artikel 2.3.4);</al><al>-een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te stellen aan
                    personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel 2.3.5);</al><al>-een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan tussen
                    31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop volgende jaar
                    (artikel 2.3.6).</al><al>De bepalingen 2:72 en 2:73 van de model-APV zijn gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en
                    afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit.</al><al/><al><vet>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van vuurwerk tijdens
                        verkoopdagen</vet></al><al><cursief>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</cursief></al><al>Op basis van artikel 2:72 van de model-APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk
                    tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Ter bevordering van
                    de deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de model-APV zijn in
                    mei 2007 twee artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1:7 bepaalt dat de
                    vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene
                    weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd. Zie voor
                    meer informatie de toelichting bij de betreffende artikelen.</al><al>Algemene weigeringsgronden zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de
                    openbare orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming
                    van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door
                    overlast dreigt te worden aangetast. De vergunning kan daarom worden geweigerd
                    als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen,
                    bejaardentehuizen en dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van
                    handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan
                    de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is
                    wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Zie daarvoor artikel 1:4
                    en het commentaar daarbij.</al><al><cursief>Koopzondag</cursief></al><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op
                    artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag.
                    Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in
                    die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de
                    gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Gezien de veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans
                    met zich meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche is er van afgezien
                    om hier een lex silencio positivo in te voeren.</al><al/><al><vet>Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling</vet></al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</al><al>Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                    zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar
                    moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met
                    rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is.</al><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Voorlopige voorziening. Verbod om vuurwerk op oudejaarsdag tussen 10.00 en 22.00
                    uur af te steken in de directe nabijheid van een verkooppunt op een
                    bedrijventerrein. Afsteekverbod kan in rechte stand houden. Rb. Leeuwarden
                    27-12-2001, 01/1133 GEMWT, LJN AD7648.</al><al/><al><vet>AFDELING 14. DRUGSOVERLAST</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</vet></al><al><cursief>Afbakening met de Opiumwet</cursief></al><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk
                    instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden
                    genoemd op lijst I (“harddrugs”) en II (“softdrugs”) die behoren bij deze wet.
                    Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te
                    verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In
                    de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel
                    op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een
                    artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en
                    van strafbare feiten tot doel heeft.</al><al><cursief>Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid</cursief></al><al>Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De
                    straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om
                    daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen,
                    die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van
                    strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.</al><al>In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars
                    (“drugsrunners”) strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit
                    ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van
                    voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</al><al>Sommige gemeenten gaan nog een stap verder en hebben in de APV ook
                    samenscholingsverboden, verblijfsontzeggingen, enz. opgenomen. Dit geldt onder
                    meer voor de gemeenten Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. De noodzaak om
                    dergelijke verboden in de APV op te nemen speelt uiteraard niet voor alle
                    gemeenten, maar met name voor gemeenten waar de problematiek rond handel en
                    gebruik van drugs op straat groot is. In de model-APV zijn dan ook geen
                    bepalingen te vinden.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg in de
                    APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en strafbare
                    feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere gedragingen dan
                    strafbaar gesteld in de Opiumwet. HR 17-11-1992, NJ 1993, 409, JG 94.0005 m.nt.
                    A.B. Engberts.</al><al/><al><vet>AFDELING 15. BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN
                        CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</vet></al><al>Artikel 2:75 is gebaseerd op artikel 154a Van de Gemeentewet Dit artikel
                    voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige
                    ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een
                    door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding
                    is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden
                    aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende
                    demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het bestuursrechtelijke
                    instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in) een verordening
                    waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze
                    niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel
                    2:75 voorziet hierin.</al><al>De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn
                    vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig 154a
                    van de Gemeentewet” impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden
                    voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze
                    voorwaarden zijn hiervoor beschreven.</al><al>De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van “door hem [= de burgemeester]
                    aangewezen groepen”. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen
                    waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren
                    door de formulering “degenen die zich door kleding, uitrusting of gedraging
                    manifesteren als supporter van .../deelnemer aan de actie tegen ...”. Verder kan
                    de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich
                    bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handelingen
                    die de leden van de groep op dat moment verrichtten de grootte van de groep of
                    door vermelding van de taal, herkomst of nationaliteit van de leden van de
                    groep.</al><al>De bepaling vereist een nadere invulling van specifieke voorschriften die zich
                    bij groepsgewijze niet-naleving voor het overgaan tot bestuurlijke ophouding
                    lenen. De huidige model-APV biedt hiervoor een aantal mogelijkheden. Het is
                    echter niet noodzakelijk om alle bepalingen uit de model-APV die in aanmerking
                    komen, aan te wijzen als voorschrift waarvan de groepsgewijze niet-naleving de
                    mogelijkheid van bestuurlijke ophouding biedt. Welke bepalingen aangewezen
                    zullen moeten worden in artikel 2:75, zal afhangen van de lokale situatie
                    waarbij eerdere ervaringen met grootschalige openbare-ordeverstoringen als
                    leidraad kunnen dienen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><al>-vervoermiddelen te onderzoeken;</al><al>-een ieders kleding te onderzoeken;</al><al>-te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.</al><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als
                    veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is
                    en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving
                    van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij
                    hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
                    korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><al>-feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de
                    openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het
                    ontstaan daarvan;</al><al>-zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het
                    individuele belang van de burgers (privacy);</al><al>-subsidiariteit en proportionaliteit;</al><al>-breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van leefbaarheid
                    en veiligheid.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>ABRvS 09-11-2005, 200503854/1, LJN AU5839. De direct betrokkene (regelmatige
                    bezoekster van het veiligheidsrisicogebied) is belanghebbende bij het besluit
                    van de burgemeester tot het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied op grond
                    van artikel 151b Gemeentewet. Rechtbank Alkmaar heeft op 28 juni 2004, LJN
                    AP5618, onterecht geconcludeerd dat er geen rechtstreeks belang is bij het
                    aanwijzingsbesluit (het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied). Hof
                    Amsterdam 23-09-2005, AB 2006, 30 m.nt. J.G. Brouwer en A.E. Schilder.</al><al/><al><vet>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen
                    de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten
                    hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de
                    bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen
                    omkleed.</al><al>De gemeenteraad kan de bevoegdheid van de burgemeester inperken. De volgende
                    varianten zijn bijvoorbeeld denkbaar:</al><al>-De gemeenteraad besluit expliciet/impliciet om binnen de gemeente geen
                    cameratoezicht toe te passen.</al><al>-De gemeenteraad bepaalt bij verordening dat de burgemeester mag besluiten tot
                    het toepassen van cameratoezicht op specifieke plaatsen, bijvoorbeeld in de
                    binnenstad, en geeft daarbij aan voor welke duur de plaatsing van camera’s ten
                    hoogste mag geschieden.</al><al>-De gemeenteraad verleent bij verordening zonder beperkingen de bevoegdheid aan
                    de burgemeester tot plaatsing van camera’s ten behoeve van de handhaving van de
                    openbare orde op openbare plaatsen.</al><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.</al><al>Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand
                    binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken
                    als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in
                    zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van
                    zo’n pand zijn.</al><al><cursief>Doel van het cameratoezicht</cursief></al><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te
                    gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen
                    camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en
                    effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot
                    bovendien hun veiligheid.</al><al><cursief>Kenbaarheid</cursief></al><al>In artikel 151c lid 4 Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s
                    kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de
                    mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden
                    dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet
                    niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake
                    is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar
                    plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met
                    camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden
                    geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s
                    altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden
                    gesteld van de precieze opnametijden.</al><al>In artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht is de niet-kenbare toepassing van
                    cameratoezicht op voor het publiek toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld! De
                    straf kan een hechtenis van ten hoogste twee maanden inhouden of een geldboete
                    van € 4.500.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c lid 1 Gemeentewet de bevoegdheid
                    om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk
                    zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te
                    brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het
                    doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wom
                    vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op
                    gebleken lokale behoeften. Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het
                    cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de
                    openbare orde.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE
                    E.D.</vet></al><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al><cursief>Verordenende bevoegdheid van gemeenten</cursief></al><al>Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van
                    prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde
                    omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die
                    niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De
                    enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is dus via de APV.
                    De gemeentelijke bevoegdheid om bij verordening regels te stellen, heeft
                    daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn
                    gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij
                    (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, de
                    verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend “ter regeling en
                    bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens artikel 108, eerste
                    lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de
                    behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen.</al><al>Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet, maar - voor het betrekking heeft op prostitutie - tevens op artikel
                    151a Gemeentewet.</al><al>Bij artikel 19, derde lid, van de Grondwet kan de vrije keuze van arbeid worden
                    onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een
                    maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van
                    vergunningsvoorschriften daaraan beperkingen op (in het belang van
                    kwaliteitsbewaking, de bescherming van de cliënt, de bescherming van de
                    werknemer tegen gevaar en exploitatie, de bescherming van de omgeving tegen
                    gevaar en overlast en dergelijke). Deze vergunningsvoorschriften hebben niet als
                    motief het beperken van de vrijheid van arbeidskeuze en dienen dan ook niet te
                    worden beschouwd als beperking daarvan. Desalniettemin mogen deze
                    vergunningsvoorschriften - ook al liggen daaraan andere motieven ten grondslag -
                    niet zo ver strekken dat de vrije arbeidskeuze daardoor impliciet illusoir
                    wordt. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat gemeenten, bijvoorbeeld aan
                    het beroep van bordeelhoud(st)er of van prostituee, beperkingen mogen opleggen
                    ter “regeling en bestuur van de gemeentelijke huishouding”: in het belang van de
                    openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De omstandigheid dat de prostituees in afwachting van een beslissing op de
                    aanvraag rechtmatig in Nederland verblijven maakt niet dat zij in dat stadium
                    aan de zogenoemde Associatieovereenkomsten aanspraak kunnen ontlenen om arbeid
                    als zelfstandige te mogen verrichten. LJN AO3839, JG 04.0112 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor de
                    onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan die het
                    gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een seksinrichting
                    en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf. LJN AQ8750, JG 04.0150
                    m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Voor betaalde tantramassage is vergunning op grond van de APV nodig, onverlet de
                    planologische vrijstelling voor een schoonheidsinstituut. LJN AT4882, JG 05.0079
                    m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>AFDELING 1. BEGRIPSBEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</vet></al><al><cursief>Prostitutie en prostituee (onder a en b)</cursief></al><al>Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie in
                    artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                    taalkundige redenen zijn de termen “derde” en “betaling” uit de definitie in het
                    Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk “ander”
                    en “vergoeding”.</al><al><cursief>Seksinrichting (onder c)</cursief></al><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening.
                    Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie
                    bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij
                    het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities
                    (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet
                    gepubliceerd). “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op
                    bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze
                    diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden
                    dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het
                    bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</al><al>In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat
                    dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of
                    een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich
                    niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of
                    gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking
                    voor het publiek toegankelijk is.</al><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                    zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                    seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                    behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet
                    alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                    plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees
                    voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden
                    verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter de prostituee
                    tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een seksbioscoop is een
                    inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard
                    worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van
                    een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische
                    aard worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin
                    deze vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten
                    - met andere woorden “live” - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop,
                    de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk
                    voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café
                    bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient
                    derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter
                    worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting
                    van vermaak”), waarvoor volgens artikel 2:25 vergunning van de burgemeester
                    vereist is.</al><al><cursief>Escortbedrijf (onder d)</cursief></al><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een
                    website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de
                    vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van
                    advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van
                    een combinatie van een seksinrichting en een escortservice.</al><al><cursief>Sekswinkel (onder e)</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet.
                    Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van
                    goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die
                    aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden
                    aangemerkt.</al><al>Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van
                    toepassing. Een sekswinkel is geen “seksinrichting” als hierboven omschreven; de
                    exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3:4,
                    eerste lid. De vestiging van sekswinkels zal doorgaans afdoende kunnen worden
                    gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan. Indien dat in aanvulling
                    daarop (in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving) raadzaam
                    wordt geacht, kan worden overwogen de exploitatie van sekswinkels te verbieden
                    in aangewezen gebieden of delen van de gemeente en daartoe artikel 3:10 op te
                    nemen. Indien wordt afgezien van het opnemen van artikel 3:10 kan onderdeel e in
                    artikel 3:1 achterwege worden gelaten en komt de titel van afdeling 2
                    “Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke” te luiden.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Een bordeel is een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174 lid
                    1, van de Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie woonbebouwing. LJN
                    AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan. LJN
                    AE6669, JG 03.0024 m. nt. A.L. Esveld.</al><al>In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor de
                    onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan die het
                    gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een seksinrichting
                    en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf. LJN AQ8750, JG 04.0150,
                    m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Voor betaalde tantramassage is vergunning op grond van de APV nodig, onverlet de
                    planologische vrijstelling voor een schoonheidsinstituut. LJN AT4882, JG 05.0079
                    m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van
                    raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of
                    krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier
                    voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met “het toezicht op de
                    openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven” (eerste lid) en met “de
                    uitvoering van verordeningen voor deze betrekking hebben op het in het eerste
                    lid bedoelde toezicht” (derde lid).</al><al>In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt
                    als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het
                    publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In
                    de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip “ruimte”
                    opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de
                    vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven.
                    Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit verband met name gedacht moet
                    worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om
                    deze afbakening - waar aan de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten
                    weergeven, is in hoofdstuk 3 het begrip “bevoegd bestuursorgaan” gehanteerd en
                    is dat in artikel 3:2 eenmalig gedefinieerd.</al><al>Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet
                    geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Aangezien van onbevoegd
                    genomen besluiten vernietiging in de rede ligt, moet deze vraag met
                    zorgvuldigheid worden beantwoord.</al><al>Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het college een of
                    meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het gaat
                    hierbij om mandaat: de opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit naam en
                    onder verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat daarover bovendien
                    aanwijzingen kan geven (derde lid). Om de uitvoering van het gemeentelijk
                    prostitutiebeleid zoveel mogelijk te stroomlijnen, zou het college zijn
                    bevoegdheid kunnen mandateren aan de burgemeester. Dit doet er niet aan af dat
                    goed moet worden bezien, of een concreet te nemen besluit een besluit van de
                    burgemeester zelf of van het college is.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Blijkens ARRS 27 augustus 1993 moet een raamprostitutiebedrijf worden beschouwd
                    als een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174, eerste lid,
                    van de Gemeentewet, ten aanzien waarvan mitsdien de burgemeester exclusief
                    bevoegd is, JG 94.0053.</al><al>Een bordeel is een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174 lid
                    1, van de Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie woonbebouwing. LJN
                    AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Ook (reguliere) bestuursrechtelijke bevoegdheden ter handhaving van de openbare
                    orde behoren exclusief toe aan de burgemeester. LJ-nr. AR3854, JG 05.0004 m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 3:3 Nadere regels</vet></al><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. Artikel 3:3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid
                    als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn
                    de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij
                    van overeenkomstige toepassing.</al><al>Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester)
                    over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van
                    de Awb. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen beleidsregels het
                    bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een vaste gedragslijn bij het
                    toepassen van de desbetreffende bevoegdheid, zij het niet onder alle
                    omstandigheden: gelet op artikel 4:84 van de Awb moet het bevoegd bestuursorgaan
                    namelijk handelen overeenkomstig de beleidsregel “tenzij dat voor een of meer
                    belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden
                    onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen”.
                    Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als regel op een bepaalde
                    wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen anders te kunnen besluiten,
                    ligt het dus in de rede daarover geen “nadere regel” maar een beleidsregel vast
                    te stellen.</al><al/><al><vet>AFDELING 2. SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSWINKELS EN
                        DERGELIJKE</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Er is hier voor gekozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven
                    te reguleren door middel van de vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een
                    voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de
                    seksinrichting valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen wordt
                    bedoeld een wijziging van welke aard dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
                    gedacht aan verandering van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze
                    van exploitatie en de naam van een of meerdere exploitanten. Dit is om te
                    voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt met de feitelijke situatie.</al><al>Het is ook mogelijk om een gedifferentieerd vergunningstelsel vast te stellen,
                    indien de lokale omstandigheden het wenselijk maken dat seksinrichtingen (alle,
                    of bepaalde soorten) geografisch worden geconcentreerd. De mogelijkheid om - met
                    vergunning - een seksinrichting te exploiteren, bestaat dan uitsluitend in
                    daartoe aangewezen gebieden of delen van de gemeente en is voor het overige
                    verboden. Zo’n beleid wordt veelal ingegeven door het belang van de openbare
                    orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid of de bescherming van het
                    milieu.</al><al>Als grondslag voor een (algemeen) concentratiebeleid, zou artikel 3:4 als volgt
                    kunnen luiden:</al><al/><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</vet></al><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een
                    seksinrichting te exploiteren of te wijzigen in door het college aangewezen
                    gebieden of delen van de gemeente.</al><al>2.Het is verboden een seksinrichting te exploiteren in andere gebieden of delen
                    van de gemeente dan de in het eerste lid bedoelde.</al><al>3.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een escortbedrijf te
                    exploiteren of te wijzigen.</al><al>4.In de aanvraag om en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:</al><al>a.de persoonsgegevens van de exploitant;</al><al>b.de persoonsgegevens van de beheerder; en</al><al>c.de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al><al>Ook kan, om de exploitatie van seksinrichtingen te reguleren vanuit het belang
                    van openbare orde enz. ervoor worden gekozen het aantal vergunningen dat kan
                    worden verleend aan een maximum te binden. Zo’n maximumbeleid kan ook neergelegd
                    worden in een bestemmingsplan. Het kan “zelfstandig” worden toegepast, maar kan
                    ook worden gehanteerd ter ondersteuning van genoemd concentratiebeleid: denkbaar
                    is immers dat een maximumbeleid een waardevolle bijdrage kan leveren bij de
                    bescherming van de openbare orde in gebieden die zijn aangewezen voor het
                    exploiteren van seksinrichtingen. Indien de plaatselijke omstandigheden daartoe
                    aanleiding geven, kan een maximumbeleid worden toegesneden op de uiteenlopende
                    vormen van seksinrichtingen. Zo kan in een gemeente met het oog op de
                    bescherming van de openbare orde e.a. beleid worden gevoerd waarin de vestiging
                    van raamprostitutiebedrijven slechts in zeer beperkte mate, of zelfs in het
                    geheel niet wordt toegestaan.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht laat
                    vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan de hand van
                    een ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen) vormen over alle
                    rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen (artikel 3:4 van de
                    Awb). Indiening en inontvangstneming van een aanvraag staan dus nadrukkelijk in
                    het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken
                    belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld wat
                    de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de
                    beheerder zijn. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag en voor de
                    ingevolge artikel 1:4 op te leggen vergunningsvoorschriften of beperkingen is de
                    aard van de seksinrichting relevant. Het is van belang te weten of het om
                    bijvoorbeeld een prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie.
                    De vraag of vergunning kan worden verleend voor raamprostitutiebedrijven, wordt
                    in de meeste gevallen strenger beoordeeld dan een andere seksinrichting.</al><al><cursief>Derde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij
                        niet tijdig beslissen)</cursief></al><al>Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name de openbare orde en
                    volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van
                    rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag
                    heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook
                    niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde
                    en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing
                    verklaard.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Bouwvergunning mag op grond van planologische uitstraling niet worden geweigerd
                    (bestemming prostitutie), de exploitatie van raambordelen is daartegen uit een
                    oogpunt van verkeersveiligheid niet toegestaan. LJN AK4053, JG 03.0195 m. nt.
                    A.L. Esveld.</al><al>Planologische voorwaarden voor de vestiging van bordelen toegestaan, ook al
                    zouden deze de vestiging van een prostitutiebedrijf op een bepaalde plaats
                    feitelijk onmogelijk maken. LJN AN9215, JG 04.0077 m. nt. A.L. Esveld</al><al/><al><vet>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    “decriminaliseren” van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                    besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                    seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij
                    betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</al><al>Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld
                    in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële
                    documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                    beheerder zijn vermeld in een aanvraag . (artikel 13 van het Besluit justitiële
                    gegevens)</al><al>In artikel 3:5 wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden
                    nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en
                    het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Dit
                    heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een vergunning
                    krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een antecedentenonderzoek kan worden
                    verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit dat
                    inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de antecedentenbeoordeling.
                    In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horeca zijn in deze
                    bepaling zedendelicten en mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en
                    overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav opgenomen. De toevoeging van
                    bepalingen over misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming
                    van de prostituees. De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de
                    Wav is gelegen in de bestrijding van de mensenhandel.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>“In enig opzicht van slecht levensgedrag” ex artikel 3:5, eerste lid, onder b
                    omvat meer dan de “onherroepelijke veroordeling” ex tweede lid, onder b van de
                    model-APV. LJN AO6071 JG 04.0076 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>De algemene norm, neergelegd in artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder b, van
                    de APV, dat de exploitant en de beheerder niet in enig opzicht van slecht
                    levensgedrag zijn, houdt als zodanig geen beperking in van de vrijheid van
                    arbeidskeuze als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Grondwet.. ABRS
                    28-02-2007 (Uden), 200603367/1, LJN AZ9519</al><al/><al><vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van
                    de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare (waaronder
                    seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Deze
                    bevoegdheid houdt evenzeer in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden
                    vastgesteld voor de zondag. Sommigen concluderen uit artikel 7 van de Zondagswet
                    dat de gemeenteraad niet bevoegd is een speciaal voor de zondag geldende
                    sluitingsregeling vast te stellen. Volgens HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15, belet
                    dit artikel de raad echter niet om voor de zondag een afwijkende regeling te
                    treffen voor het sluitingsuur van openbare inrichtingen als deze, mits de grond
                    voor de afwijking van de voor de andere dagen geldende regeling niet is gelegen
                    in het bijzondere karakter van de zondag.</al><al>De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van toepassing op het begrip
                    “seksinrichting”) heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals vermeld in de
                    toelichting bij artikel 3:1, onder e, is op sekswinkels het regime van de
                    Winkeltijdenwet van toepassing.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel
                    1:4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden
                    vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een voorschrift worden verbonden
                    aan de vergunning die aan de exploitant van de betrokken inrichting(en) zal
                    worden verleend. Zo’n vergunningvoorschrift is er een als bedoeld in artikel 1.4
                    en moet mitsdien strekken ter bescherming van het belang of de belangen in
                    verband waarmee de vergunning vereist is.</al><al>Over de uitoefening van deze bevoegdheid kan het bevoegd bestuursorgaan
                    desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid,
                    van de Awb. Daarin kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat, bij het beantwoorden
                    van de vraag of voor een afzonderlijke inrichting bij vergunningvoorschrift
                    afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld, per categorie
                    seksinrichting als regel een bepaald beleid wordt gehanteerd. Van het voor die
                    categorie geldende beleid kan het bevoegd bestuursorgaan in een concreet geval
                    (gemotiveerd) afwijken, indien het dat noodzakelijk acht in het belang van
                    bijvoorbeeld de openbare orde, de woon- en leefomgeving en dergelijke.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde
                    lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met
                    toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                    gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het
                    derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of
                    beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering
                    verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat aan het opnemen van het derde
                    lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de bescherming van de aan de
                    eigendom verbonden rechten; het derde lid van artikel 3:6 strekt tot handhaving
                    van een publiekrechtelijke regeling.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Aan een gemeentelijke verordening die een algemene sluitingsuurregeling bevat
                    ter voorkoming of beperking van excessieve en verder verwijderde overlast, ligt
                    dan een ander motief ten grondslag dan aan de Wet milieubeheer. Dit gaat op voor
                    artikel 3.2.3 (oud), dat niet is toegespitst op de specifieke situatie in en
                    rond seksinrichtingen, maar dat zich richt op de nadelige invloed van de
                    aanwezigheid van zulke inrichtingen als zodanig op de openbare orde en de woon-
                    en leefomgeving ter plaatse (daartoe ARRS 31-12-1986, AB 1987, 326).</al><al/><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                        sluiting</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Ten opzichte van artikel 3:6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                    voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het “reguliere” sluitingstijdenregime
                    is) biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te
                    wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat:</al><al>-voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere sluitingstijden
                    worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3:6 gestelde; of</al><al>-van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of
                    gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen.</al><al>De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in gevallen waarin
                    openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van
                    criminaliteit.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De burgemeester ontleent reeds een sluitingsbevoegdheid aan artikel 174 van de
                    Gemeentewet. De noot bij ARRS 15-06-1984, AB 1985, 96, maakt duidelijk, waarom
                    het gewenst kan zijn toch een sluitingsbepaling in de APV op te nemen: De
                    beschikking laat voorts zien dat de rechtstreeks uit artikel 221 gemeentewet
                    (oud) voortvloeiende taak tot daadwerkelijke handhaving van de openbare orde de
                    actuele situatie tot onderwerp heeft en dat hier alleen het nemen van concrete
                    maatregelen op korte tijd aan de orde is.</al><al>In een sluitingsbevel rechtstreeks gebaseerd op artikel 174 van de Gemeentewet
                    dient altijd de termijn van de sluiting te zijn opgenomen. Blijkens Vz.ARRS
                    26-08-1992, AB 1993, 104; JG 93.0116 , en ABRS 05071996, JG 96.0266, voldoet een
                    sluitingsbevel zonder tijdsbepaling niet aan de aard en het doel van artikel 221
                    gemeentewet (oud). Indien gesloten wordt op basis van dit artikel in de APV kan
                    de sluiting niet alleen van langere duur zijn dan wanneer gesloten wordt op
                    basis van artikel 174 Gemeentewet, maar lijkt in analogie met uitspraken ten
                    aanzien van de sluiting van coffeeshops - onder omstandigheden - ook sluiting
                    voor onbepaalde tijd mogelijk. Daarvan kan met name sprake zijn als de vestiging
                    van de seksinrichting zonder meer in strijd is - en zal zijn - met het lokaal
                    beleid. Zie ter vergelijk: Vz.ABRS 05-09-1997; Gst. 7069, 4, waarin een
                    coffeeshop voor onbepaalde tijd wordt gesloten wegens strijdigheid met het
                    geldende nulbeleid. Een sluiting voor onbepaalde tijd staat de opheffing ervan
                    op een later tijdstip niet in de weg.</al><al>Advies van bureau Bibob is oorzaak sluiting bordeel. LJN: AT2983, JG 05.0061 m.
                    nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet
                    slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod
                    opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in
                    verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede
                    lid.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                    verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de
                    inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend,
                    moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie,
                    prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling,
                    geweldsdelicten en dergelijke.</al><al>In de jurisprudentie is al eerder uitgemaakt dat de exploitant - uiteraard
                    binnen redelijke grenzen - verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de
                    inrichting. Dat wordt door deze toezichtverplichting, die ook geldt voor de
                    beheerder(s), nog eens onderstreept.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Bepaalde strafbare feiten in de inrichting vormen een (ernstige) verstoring van
                    de openbare orde. Als niet de overtreding van dit artikel, maar de
                    ordeverstoring de grondslag vormt om bijvoorbeeld tot sluiting over te gaan,
                    speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant in de beoordeling van
                    de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting noopt, in het geheel
                    geen rol. Ook de omstandigheid dat de exploitant is vrijgesproken door de
                    strafrechter doet dan niet ter zake (ABRS 30-07-1996, AB 1996, 471).</al><al>Aan de vergunning was het volgende voorschrift verbonden: 1. de vergunninghouder
                    is verplicht dagelijks een nauwkeurige registratie bij te houden van de naam,
                    leeftijd, nationaliteit, adres en woonplaats van de bij hem/haar werkzame
                    prostituees; 2. deze registratie dient in de seksinrichting aanwezig te zijn; 3.
                    dienaangaande moeten kopieën van paspoorten of andere wettige
                    identiteitspapieren bij deze administratie bewaard worden; 4. de registratie
                    moet zeven jaar bewaard worden. De Afdeling constateert dat hoofdstuk 3 van de
                    APV “Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.” moet worden
                    aangemerkt als een verordening als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, van de
                    Gemeentewet. Het voorschrift mist niet iedere wettelijke grondslag. In rechte
                    moet van de geldigheid van dat voorschrift worden uitgegaan. De burgemeester is
                    bevoegd tot handhaving. ABRS 24-1-2007 (Eindhoven), LJN AZ6851</al><al/><al><vet>Artikel 3:9 Straatprostitutie</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de
                    straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van prostitutie die nadere
                    regulering behoeft. Dat is de laatste jaren gebleken, doordat in verschillende
                    gemeenten - vanuit een oogpunt van handhaving met wisselend succes - zogenaamde
                    gedoogzones zijn aangewezen. Aan de belangen die behoren tot hun “huishouding”
                    (genoemd in artikel 3:13) ontlenen gemeenten de bevoegdheid tot regulering, ook
                    ten aanzien van straatprostitutie.</al><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op
                    de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft
                    aangewezen.</al><al>Over de vraag of deze afweging er ook op neer kan komen dat er in het geheel
                    geen tippellocatie wordt aangewezen verschillen de meningen. De Rechtbank
                    Maastricht oordeelde een dergelijk algeheel verbod in strijd met de vrijheid van
                    arbeidskeuze (zie hierna onder jurisprudentie).</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod daarop -
                    politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te
                    geven. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit
                    artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op
                    niet-naleving.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het derde en vierde lid hebben betrekking op straatprostitutie binnen de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden. Krachtens het in lid 3 gestelde kan, bijvoorbeeld
                    in het belang van de openbare orde en veiligheid of de voorkoming of beperking
                    van overlast ter plaatse, door politieambtenaren een bevel tot onmiddellijke
                    verwijdering worden gegeven aan prostituees, maar ook aan andere aldaar
                    aanwezige personen. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven
                    vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie
                    op niet-naleving.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Als het mondeling bevel tot verwijdering als bedoeld in lid 3 geen soelaas
                    blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke verblijfsontzegging
                    in het vierde lid worden gegrepen. Een verblijfsontzegging behelst een verbod om
                    zich na aanzegging door of vanwege de burgemeester te bevinden - in casu - op de
                    wegen en gedurende de tijden als bedoeld in het eerste lid, voor in de
                    aanzegging genoemd. Uit een verblijfsontzegging vloeit een sterke beperking van
                    de bewegingsvrijheid voort, zoals die onder meer wordt gewaarborgd door artikel
                    12 van het Internationaal Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke Rechten
                    (IVBPR). Deze moet daarom met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden
                    opgelegd. De maatregel moet noodzakelijk zijn, moet proportioneel zijn (in
                    verhouding tot de veroorzaakte ordeverstoring) en er moet worden voldaan aan het
                    subsidiariteitsbeginsel, dat erop neerkomt dat niet met een minder ingrijpend
                    middel zou kunnen worden volstaan.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Voor wat betreft de bevoegdheid om in de APV tippelverboden op te nemen en
                    tippelzones aan te wijzen (en in te richten), kan worden gewezen op HR
                    23-10-1990, NJ 1991, 542, Gst. 6926, 4: de APV-bepaling van de gemeente
                    Groningen waarin het personen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
                    die zich aan prostitutie overgeven wordt verboden om post te vatten of zich heen
                    en weer te bewegen op door het college aangewezen wegen of openbare plaatsen,
                    werd door de HR niet in strijd geacht met artikel 12 IVBPR (vrijheid van
                    beweging). Over een vergelijkbare APV-bepaling in Heerlen, waar burgemeester en
                    wethouder de gehele gemeente hadden aangewezen voor de gelding van dit verbod,
                    werd door de HR 06-11-1990, NJ 1991, 218, Gst. 6918, 8, geoordeeld dat van
                    strijdigheid met artikel 1 van de Grondwet evenmin sprake was.</al><al>Vz.ARRS 27-09-1991, BR 1992, p. 203: met betrekking tot de inrichting van een
                    tippelzone hebben het college van Arnhem terecht besloten dat geen
                    vrijstellingen ex artikel 17 en 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vereist
                    zijn. Tippelen is niet in strijd met bestemming verkeersdoeleinden, de
                    “afwerkschotten”, die uitsluitend ’s avonds worden geplaatst, zijn dat evenmin.
                    Het plaatsen van een zogeheten huiskamerbus is een vorm van parkeren.</al><al>ARRS 10-02-1981, AB 1981, 446 en HR 07-02-1984, AB 1984, 274 - indirect vervolgd
                    door HR 11-06-1985, NJ 1986, 41, AB 1986,106 - zien op de vraag wat de
                    reikwijdte van (de bevoegdheid tot) het opleggen van een verblijfsontzegging is.
                    Het vierde lid zoals hier opgenomen is daarmee in overeenstemming. Vz.ARRS
                    31-07-1989, AB 1990, 315 maakt duidelijk dat de bevoegdheid van de burgemeester
                    niet te ruim kan worden gedelegeerd. Het toekennen van een beschikkingsmandaat
                    is niet toegestaan.</al><al/><al><vet>Artikel 3:10 Sekswinkels</vet></al><al>Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is ervoor gekozen
                    sekswinkels niet onder het “seksinrichting”-begrip (en daarmee de
                    vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de
                    vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs
                    de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde
                    of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als regel aan
                    voorafgaand toezicht te onderwerpen.</al><al>Om dezelfde reden is deze bepaling facultatief.</al><al/><al><vet>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voor het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader heeft
                    besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal worden
                    toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het tentoonstellen en
                    dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook betrekking hebben op
                    erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht aan sekstheaters,
                    bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de voorstellingen.</al><al>Deze bepaling is facultatief. In niet iedere gemeente zal de behoefte bestaan om
                    hier regelend op te treden.</al><al/><al><vet>AFDELING 3. BESLISTERMIJN: WEIGERINGSGRONDEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:12 Beslistermijn</vet></al><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Indien een langere
                    beslissingstermijn dan de in artikel 1:2 genoemde wenselijk wordt geacht, kan
                    daartoe artikel 3:12 worden opgenomen (vanzelfsprekend is de daarin genoemde
                    termijn van twaalf weken indicatief).</al><al>In dat geval dient tevens het derde lid van artikel 1:2 als volgt te worden
                    gewijzigd!</al><al>'3. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing
                    op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid'.</al><al/><al><vet>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</vet></al><al><cursief>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan</cursief></al><al>Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van afdeling 2.3,
                    zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een
                    weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende
                    bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse
                    niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt
                    verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van
                    kan worden gemaakt.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op seksinrichtingen. Het drijven
                    van een dergelijke onderneming is immers het verrichten van een dienst aan de
                    klant. De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel a. niet
                    discriminatoir, b. noodzakelijk en c. proportioneel is. In bijna alle gevallen
                    gaat het om vestiging van een seksinrichting waarvoor artikel 9 van de richtlijn
                    de bovengenoemde criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in artikel 9
                    verstaan een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat onder andere
                    de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als
                    bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de
                    maatschappelijke orde; doelstellingen van het sociaal beleid; bescherming van
                    afnemers van diensten; bescherming van werknemers; voorkoming van fraude;
                    bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, verkeersveiligheid. Zie
                    verder overweging 40 van de richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule of
                    reason’. Mocht het in een enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een
                    ondernemer die de grens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan is niet
                    artikel 9, maar artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria openbare
                    orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een
                    vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8.</al><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet
                    volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een algemene
                    regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de
                    vergunning. Alleen door middel van vergunningvoorwaarden te stellen aan de
                    ondernemer kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het
                    confectiepak voldoet hier niet.</al><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 van de richtlijn is er overeenkomstig de
                    rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke
                    uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een
                    duurzame vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een
                    onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt
                    gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt.</al><al>Wij hebben gemeend dat de weigeringsgronden onder de rule of reason vallen. Wel
                    moeten de begrippen worden geïnterpreteerd binnen de bandbreedte van de rule of
                    reason. Andere weigeringsgronden zijn niet geoorloofd. Uiteraard dient
                    gemotiveerd te worden van welke weigeringsgrond sprake is en waarom.</al><al><cursief>Tweede lid, aanhef: openbare orde als weigeringsgrond (artikel
                        1:8)</cursief></al><al>De weigeringsgrond “ openbare orde” is hier niet apart genoemd, omdat deze al is
                    vermeld bij de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8. Als specifieke
                    toelichting bij artikel 3:13 hier het volgende. De bescherming van de openbare
                    orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer aanleiding zijn om het aantal
                    seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend aan een maximum te
                    binden. Indien het maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning voor
                    een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen dat de openbare orde
                    ter plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf verder wordt verstoord.</al><al>Onder meer ARRS 18-02-1999, JG 99.0168 m.nt. W.A.G. Hillenaar, 22-05-1987, AB
                    1988, 240, en 08-01-1988, AB1988, 417 maken duidelijk dat de rechter op zichzelf
                    aannemelijk acht dat aantasting van de woon- en leefomgeving wordt veroorzaakt
                    door de cumulatieve effecten van een aantal inrichtingen (in casu bordelen) in
                    de gemeente en dat dit aantal kan worden gemaximeerd. Wel moet bij een
                    “boventallige” vergunningaanvraag worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat
                    de aanwezigheid of de wijze van exploitatie van de betrokken inrichting de
                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt. Om in dat geval
                    voldoende gemotiveerd vergunning te weigeren kan dus niet worden volstaan met
                    het gegeven dat het maximumaantal te verlenen vergunningen is bereikt maar moet
                    ook worden aangegeven dat er in casu niets is gebleken van bijzondere
                    omstandigheden die ertoe zouden nopen om - in afwijking van dat beleid - toch
                    vergunning te verlenen.</al><al><cursief>Tweede lid, onder c: woon- en leefomgeving</cursief></al><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw
                    met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid kan worden geacht te zijn ontleend
                    aan het belang van de openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd
                    als met name gericht op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde
                    delen van de gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid, wordt een
                    maximumbeleid en een concentratiebeleid veelal ter onderlinge versterking in
                    combinatie toegepast.</al><al><cursief>Tweede lid, onder d: Veiligheid personen of goederen</cursief></al><al>Bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot
                    belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen
                    die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet:</al><al>-is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de brandveiligheid van
                    de inrichting zelf; en</al><al>-biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voor het gaat om
                    het gebruik van de inrichting.</al><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting
                    bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</al><al><cursief>Tweede lid, onder e: verkeersvrijheid of -veiligheid</cursief></al><al>Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare
                    veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en
                    raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of aan de
                    openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen voetgangers en
                    motorvoertuigen.</al><al><cursief>Tweede lid onder f: gezondheid</cursief></al><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook
                    dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende
                    instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de
                    ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Prostitutiebedrijf is een voor publiek openstaand gebouw. Strijd met het
                    bestemmingsplan als weigeringgrond aanvaard. Exploitatie van het
                    prostitutiebedrijf past niet in het bestaand woonklimaat. LJN AH9858, JG
                    03.0194, m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan. LJN
                    AE6669, JG 03.0024 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor de
                    onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan die het
                    gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een seksinrichting
                    en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf. LJN AQ8750, JG 04.0150,
                    m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Bouwvergunning mag op grond van planologische uitstraling niet worden geweigerd
                    (bestemming prostitutie), de exploitatie van raambordelen is daartegen uit een
                    oogpunt van verkeersveiligheid niet toegestaan. LJN AK4053, JG 03.0195 m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al>Weigering van een vergunning voor een horeca-inrichting op grond van het feit
                    dat het bestemmingsplan een seksinrichting niet toestaat? ABRS 03-11-2004, LJN
                    AR5047, JG 05.0006 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>AFDELING 4. BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</vet></al><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft
                    er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente
                    actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat
                    binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet
                    worden kennisgegeven.</al><al/><al><vet>Artikel 3:15 Wijziging beheer</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te
                    kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in
                    het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun
                    werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week
                    na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van
                    de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege
                    vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting
                    in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de
                    exploitant zelf.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst
                    te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in
                    dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is
                    voorgeschreven in artikel 3:4, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te
                    vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de
                    nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                    moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er
                    voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het
                    aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee
                    tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van
                    beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de
                    exploitatie.</al><al>Uit het oogpunt van lastenvermindering verkiezen sommige gemeenten bij de
                    wijziging in het beheer een systeem van verplichte kennisgeving in plaats van
                    wijzigingsvergunningen. Een alternatieve tekst van het tweede en derde lid is
                    dan:</al><al>2.Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder of nieuwe
                    beheerders, indien de exploitant het bevoegd bestuursorgaan hiervan vooraf in
                    kennis heeft gesteld en het bevoegd bestuursorgaan de kennisgeving heeft
                    aanvaard, dan wel na de kennisgeving zes weken zijn verstreken.</al><al/><al><vet>AFDELING 5. OVERGANGSBEPALING</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 3:16 Overgangsbepaling</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>Geschrapt, omdat het onwaarschijnlijk is dat gemeenten die eind 2011 nog geen
                    vergunnningstelsel hebben dit alsnog gaan invoeren in het zicht van de
                    inwerkingtreding van de nieuwe Prostitutiewet (naar verwachting in 2012).</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR
                        HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 1. GELUIDHINDER EN VERLICHTING</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</vet></al><al><cursief>Besluit</cursief></al><al>Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, hierna aangeduid als
                    Besluit, biedt de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te
                    stellen aan festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder. Het
                    Besluit wordt vaak aangeduid als Activiteitenbesluit.</al><al><cursief>Inrichting</cursief></al><al>Op grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor
                    het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken, of
                    voldoen aan een algemene maatregel van bestuur (AMvB), welke artikelen met
                    betrekking tot de bescherming van het milieu bevat.</al><al/><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet
                    gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid,
                    onder a, van het Besluit. Evenals in het oude besluit voorziet dit artikel van
                    het Besluit erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet
                    worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze
                    voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van
                    collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en
                    recreatieve manifestaties.</al><al>In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er
                    hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke
                    feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient
                    aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke
                    bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het
                    Besluit niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing
                    voor het aantal dagen opgenomen. Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een
                    bepaald maximum aantal festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou door het
                    college kunnen worden vastgelegd in een beleidsregel. Als de gemeenteraad dit
                    zelf wenst te bepalen, dan dient het maximum te worden vastgelegd in de
                    verordening zelf.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij
                    sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn
                    uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij
                    collectieve festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid, onder a, van het
                    Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten
                    de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een
                    sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Ook hier
                    verdient het aanbeveling het college – in samenspraak met de plaatselijke
                    sportverenigingen - vast te laten stellen op welke data de betreffende
                    beperkingen niet van toepassing zijn.</al><al>In het Besluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid
                    geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve
                    wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande
                    toelichting bij het eerste lid.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de
                    verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De gemeenteraad kan het
                    grondgebied van de gemeente in de verordening bijvoorbeeld verdelen naar
                    verschillende dorpskernen of wijken. De vaststelling van deze gebieden dient
                    plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Awb
                    mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt
                    tijdens carnaval, kermissen of culturele, sport- en recreatieve manifestaties.
                    De mogelijkheid van gebiedsdifferentiatie was ook in het oude besluit opgenomen.
                    Wel kan bijstelling van gebieden wenselijk zijn doordat de werkingssfeer van de
                    festiviteitenregeling sterk wordt uitgebreid.</al><al>Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden
                    dat deze de strekking van de regeling niet ondermijnt. Het onderscheid tussen
                    collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijken.
                    Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen
                    per gebied kan verschillen. Artikelen 2.21 en 4.113 van het Besluit kennen
                    alleen gebiedsdifferentiatie voor collectieve festiviteiten.</al><al><cursief>Zesde tot en met het achtste lid</cursief></al><al>In tegenstelling tot het oude besluit biedt dit Besluit gemeenten de
                    mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te
                    stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De basis voor deze
                    bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel a. Hierin wordt
                    wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om voorwaarden ter voorkoming van
                    geluidhinder. Voor de verlichting bij sportbeoefening is deze mogelijkheid niet
                    in het Besluit opgenomen.</al><al>De voorwaarden kunnen gaan over bijvoorbeeld beperking van het geluidsniveau,
                    het bepalen van het eindtijdstip of gedragsvoorschriften. De keuze om bepaalde
                    voorschriften wel of juist niet op te nemen in de APV is afhankelijk van de
                    lokale situatie en bestuurlijke prioriteiten. Wanneer er veel (horeca- of
                    andere) inrichtingen dicht bij geluidgevoelige bestemmingen zoals woonwijken
                    liggen kan het wenselijk zijn om beperkende voorwaarden op te nemen. Anderzijds
                    kan ook gekozen worden om bedrijven meer geluidsruimte te geven en (net als
                    onder het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer) geen
                    voorwaarden in de APV op te nemen. Daarbij is het wel zo dat voortaan de
                    regeling voor collectieve festiviteiten geldt voor àlle type A- en
                    B-inrichtingen onder het Besluit en niet alleen voor horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen.</al><al>Voor de hoogte van het geluidsniveau in het zesde lid wordt bij het Besluit een
                    suggestie gedaan van 10 of 20 dB(A) hoger dan de reguliere norm. Bij enkele
                    gemeenten wordt mogelijk een aanvullende norm opgenomen voor lagere frequenties
                    (gesteld in dB(C). De reden voor een geluidsnorm met gebruik van een C-filter is
                    het effect van lage bastonen bij hogere geluidsniveaus. Bij de C-filter worden
                    deze lage frequenties sterker meegewogen dan bij een A-filter vanwege de
                    problematiek met lage geluidsfrequenties. Een andere mogelijkheid is, als
                    woningen op grotere afstand van de inrichtingen liggen, een geluidsnorm op een
                    vaste, kortere afstand van de inrichtingen op te nemen.</al><al>In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is
                    onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden
                    hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn.
                    Dit betekent dat voor onversterkte muziek in principe geen maximum geluidsnorm
                    geldt. Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het
                    Besluit hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke
                    verordening aan te passen (zie ook artikel 4:5). De reguliere geluidsnormen
                    gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen
                    produceren. Om de omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van
                    onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek
                    meegenomen in de geluidsnorm.</al><al>Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het zevende lid de
                    bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid buiten beschouwing gelaten. Dit in
                    tegenstelling tot de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hiervoor
                    wordt aangesloten bij de systematiek en motivatie uit het Besluit: in de
                    handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog op continubedrijven.
                    Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die
                    bijvoorbeeld om 1.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de
                    nachtperiode hoger mag zijn door correctie voor de resterende nachtperiode.
                    Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij
                    muziekgeluid niet toegestaan.</al><al>In het achtste lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om te
                    voorkomen dat feesten bij bedrijven zonder wettelijke sluitingstijden
                    (theoretisch) de hele nacht door kunnen gaan.</al><al/><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten
                    voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en
                    4.113 van het Besluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de
                    gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop
                    individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen
                    verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit
                    die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld
                    een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of
                    straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het
                    maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of
                    dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid
                    om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het
                    aantal te verlagen. In het onderhavige artikel dient de raad in de verordening
                    te bepalen hoeveel incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn
                    toegestaan in de gemeente. Het maximum aantal van 12 incidentele festiviteiten
                    is ongewijzigd in vergelijking met de vorige regeling voor horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen. Wat wel verandert is dat de regeling nu ook geldt voor
                    festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit
                    vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en
                    transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen
                    doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type
                    C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen
                    onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw).</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de
                    verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur
                    zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 4.113 kan hiervan worden
                    afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere
                    competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege
                    vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de
                    beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per
                    jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen
                    naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.</al><al>Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113
                    tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisterte
                    voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele
                    activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare
                    lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd
                    gezag.</al><al><cursief>Zesde tot en met het tiende lid</cursief></al><al>In tegenstelling tot het oude besluit horeca-. sport en recreatie-inrichtingen
                    biedt het Besluit gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke
                    verordening voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis
                    voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel b.
                    Voor de algemene toelichting over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij
                    festiviteiten en de toelichting bij het zesde tot en met het tiende lid wordt
                    kortheidshalve verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4:2 APV, zesde
                    tot en met het achtste lid. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de
                    regeling voor incidentele festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen
                    onder het Besluit in plaats van alleen voor horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen zoals onder het oude besluit.</al><al>In het negende en tiende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren
                    bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen
                    hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het
                    buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies.
                    Daarbij is het zo dat de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport-
                    en recreatie-inrichtingen maar ook voor alle andere type A- en B-inrichtingen,
                    wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de
                    omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor
                    muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij
                    evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld.</al><al/><al><vet>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van
                    de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor publiek openstaande gebouwen en andere openbare vermakelijkheden. Die
                    bevoegdheid van de burgemeester hoeft in de verordening niet te worden
                    herhaald.</al><al/><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</vet></al><al>Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het Besluit. Het
                    artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet
                    buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de
                    Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de
                    algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f
                    juncto vijfde lid, van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor
                    onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening.
                    Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is
                    dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd.
                    De geluidwaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. Het kan zijn dat
                    u er de voorkeur aan geeft hogere waarden vast te stellen, bijvoorbeeld vanwege
                    oude, meer gehorige panden. Deze keuze is aan de gemeente.</al><al>Gemeenten kunnen op basis van artikel 2.20 voor geluid maatwerkvoorschriften
                    vaststellen. Er kan op basis van artikel 2.20 en 2.17 (en dus indirect artikel
                    2.18) voor gekozen worden om ook maatwerkvoorschriften vast te stellen voor
                    onversterkte muziek. Deze kunnen dan mogelijk wel afwijken van hetgeen in de APV
                    gesteld wordt. Dit kan verwarrend zijn voor bedrijven die meer of minder geluid
                    mogen produceren bij versterkte (maatwerkvoorschriften) dan bij onversterkte
                    muziek (APV). Om de geluidsnormen voor versterkte muziek gelijk te kunnen maken
                    aan onversterkte muziek, is dit artikel op genomen.</al><al>Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te
                    geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2
                    een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van
                    de geluidsniveaus. In artikel 2 wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier
                    worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van
                    oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</al><al>De genoemde geluidsniveaus in het eerste lid onder tabel e zijn niet van
                    toepassing op;</al><al>a.het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke
                    bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van
                    deze bijeenkomsten of plechtigheden;</al><al>b.het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het
                    hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op
                    militaire inrichtingen;</al><al>c.het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire
                    muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee
                    uren per week op militaire inrichtingen.</al><al/><al><vet>Artikel 4:5a Traditioneel schieten</vet></al><al>Op 1 januari 2010 is een wijziging van het Besluit in werking getreden die
                    gevolgen heeft voor het traditioneel schieten, een activiteit van vooral
                    Brabantse en Limburgse schutterijen. Door toevoeging van een onderdeel g aan
                    artikel 2.18, eerste lid, zijn de schutterijen niet meer vergunningplichtig bij
                    het traditioneel schieten. In plaats daarvan gelden algemene regels voor de
                    geluidshinder. Gemeenten krijgen wel de mogelijkheid om bij verordening
                    geluidsregels te stellen. In artikel 2.18, eerste lid, onder g is namelijk
                    bepaald dat bij het bepalen van de geluidsniveaus bedoeld in artikel 2.17, 2.19,
                    2.20 dan wel 6.12 van het Activiteitenbesluit, buiten beschouwing blijft het
                    traditioneel schieten, met uitzondering van die gevallen waarvoor bij
                    gemeentelijke verordening regels zijn gesteld. Dit biedt de mogelijkheid tot
                    maatwerk. De gemeenten die hieraan behoefte hebben kunnen via artikel 4:5A
                    regels stellen aan het traditioneel schieten.</al><al/><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</vet></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd.
                    Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een
                    milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn
                    algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels
                    zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</al><al>In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare
                    manifestaties, het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is
                    gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in lid 3.</al><al>De provinciale milieuverordening is toegevoegd in dit lid. In een provinciale
                    milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden
                    aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij
                    provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van
                    geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale
                    milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.</al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het
                    kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al>Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><al>-een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis,
                    een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</al><al>-het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek
                    maken of mededelingen doen;</al><al>-het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al><al>-het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</al><al>-het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en
                    heistellingen;</al><al>-het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.</al><al>-overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</al><al>Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door
                    het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van
                    geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook
                    niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde,
                    aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging
                    betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke
                    situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften.</al><al>Vierde lid: Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet
                    tijdig beslissen)</al><al>Het tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk.
                    Vanwege de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert is er van afgezien
                    om hier een lex silencio positivo toe te passen.</al><al>Bedacht moet worden dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens een
                    minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond hebben.
                    Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl
                    men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mee te werken.</al><al>In de voorbeeldbepalingen 4:6a tot en met 4:6e (zie hierna) is in het eerste lid
                    de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer”
                    opgenomen.</al><al>Ook deze bepalingen zullen moeten worden uitgezonderd voor de gevallen waarin de
                    bepaling een regeling geeft voor activiteiten waarop ook de Wm ziet. Gebeurt dit
                    niet dan loopt de bepaling het risico onverbindend verklaard te worden. Deze
                    voorbeeldbepalingen vallen - net als artikel 4:6 zelf - onder voorschriften over
                    overlast in het algemeen. Om die reden staat “geluid” steeds tussen haakjes:
                    neemt u artikel 4:6 (en specifieke bepalingen) op in hoofdstuk 2, afdeling 11,
                    Maatregelen tegen overlast en baldadigheid, dan dient de toevoeging “geluid”
                    uiteraard te vervallen. De voorbeelden zijn - net als artikel 4:6 - gebaseerd op
                    de verordenende bevoegdheid krachtens de Gemeentewet. Let wel: door het opnemen
                    van de voorbeelden 4:6a tot en met 4:6e is artikel 4:6 niet overbodig
                    geworden.</al><al/><al><vet>Artikel 4:6a (Geluid)hinder in de openlucht</vet></al><al>1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer in de
                    openlucht een geluidsapparaat, een (recreatie)toestel of een (bouw)machine in
                    werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor
                    de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.</al><al>3.Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het
                    eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de
                    aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, (recreatie)toestellen of
                    (bouw)machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen
                    voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder.</al><al>4.De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen:</al><al>a.het maximale geluidsniveau;</al><al>b.de situering van geluidsbronnen;</al><al>c.de frequentie en tijden van gebruik.</al><al/><al><vet>Artikel 4:6b (Geluid)hinder door dieren</vet></al><al>Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft
                    voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de
                    omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 4:6c (Geluid)hinder door bromfietsen e.d.</vet></al><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zich met
                    een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een
                    omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat.</al><al>Artikel 4:6c verbiedt het zich “(geluid)hinderlijk” gedragen met een
                    motorvoertuig of een bromfiets. “Gedragen” betreft niet alleen het rondrijden,
                    maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor. Het artikel komt niet
                    in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet; de Hoge Raad heeft uitgemaakt
                    dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van de weg door personen
                    die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden.</al><al/><al><vet>Artikel 4:6d (Geluid)hinder door vrachtauto’s</vet></al><al>1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een
                    vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels
                    en verkeerstekens op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een
                    omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.</al><al/><al><vet>Artikel 4:6e Routering</vet></al><al>1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer met
                    een vrachtauto, als bedoeld in artikel 4:6d, waarvan het ledig gewicht
                    vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kg of die met inbegrip
                    van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2
                    meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het college bij openbaar
                    bekend te maken besluit aangewezen weg te rijden.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.</al><al>Indien de gemeente tot een routering voor vrachtauto’s besluit over te gaan, is
                    het aan te bevelen de overwegingen die hebben geleid tot dit besluit ook buiten
                    het geluidhindervlak te zoeken, bij voorbeeld in de bescherming van de
                    leefbaarheid van een woonwijk. Ook kan aansluiting gezocht worden bij eventuele
                    routering voor gevaarlijke stoffen. Het is nodig dat in het besluit van het
                    college de toegestane route wordt vastgelegd. De regeling kan aan de
                    weggebruikers worden duidelijk gemaakt met een fantasiebord (artikel 120
                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens). In deze opzet is het verbod
                    neergelegd in de Algemene plaatselijke verordening en in het besluit van het
                    college, niet in de geplaatste borden.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Weigering ontheffing om voor onbepaalde tijd eens in de twee weken op dinsdag-
                    of donderdagavond van 19.00 tot 21.30 uur luide hardrockmuziek af te spelen op
                    eigen muziekinstallatie, blijft in hoger beroep in stand. Het opnemen van
                    geluidsnormen in de verordening is een zaak van de gemeentelijke wetgever. ABRS
                    16-12-2002, 200202622/1, LJN AE8977.</al><al>Voorlopige voorziening, Vergunning onder voorschriften wordt verleend voor het
                    houden van een besloten buurtfeest voor ongeveer 25 personen. Omvang en karakter
                    van het buurtfeest zijn - naar voorlopig oordeel - dusdanig te achten dat
                    daarvan in redelijkheid geen geluidhinder als bedoeld in artikel 4.1.5 (oud) van
                    de APV valt te verwachten. Rb Zutphen 05-07-2002, 02/972 VEROR 58, LJN
                    AE5178.</al><al>Verlening ontheffing, onder voorschriften, voor het ten gehore brengen van
                    carillonmuziek. Vier keer per dag twee minuten en wekelijks op woensdag- of
                    zaterdagmiddag maximaal 45 minuten. De norm van 75 dB(A) ter plaatse van
                    woningen is niet voldoende onderbouwd. Het uitgangspunt dat het carillon in het
                    winkelgebied moet worden gehoord geeft geen, althans onvoldoende blijk dat de
                    belangen van de appellant, die tussen de toren en het winkelgebied woont, bij de
                    besluitvorming in voldoende mate zijn afgewogen. ABRS 12-12-2001, 200102118/1,
                    LJN AE0239.</al><al>Weigering ontheffing voor geluidversterking bij geloofsverkondiging. Grote
                    zorgvuldigheid bij uitoefening grondrecht. Vz. ARRS 17-8-1990, AB, 1991, 44
                    m.nt.P.J. Boon, GS, 1991 6913, 3 m.nt. E. Brederveld, JG 91.0144 , BF 1991, 4
                    m.nt.J.M.H. de Vet-tacken.</al><al>Het aan- of afslaan van een c.v. installatie is niet aan te merken als het
                    verrichten van een handeling in de zin van het APV-artikel. ABRS 3 6 1996, JG
                    97.0148 . Zie ook Lbr. 97/144.</al><al>Vergunningverlening voor het ten gehore brengen van mechanische muziek in
                    winkelstraten. Overlast voor omwonenden. ABRS 10-3-1995, JG 95.0206 m.nt. A.B.
                    Engberts.</al><al>Ontheffing van verbod tot veroorzaken geluidhinder in verband met spelen op
                    trompet. ABRS 7-6-1994, JG 94.0290.</al><al>Geluidsvergunning voor feesttent, waarin met ontheffing van burgemeester alcohol
                    wordt geschonken, is gelijk te stellen aan geluidsvergunning voor
                    horeca-inrichting. Vz. ARRS, JG 92.0395 m.nt. L.J.J. Rogier, GS, 1992, 6945, 4
                    m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens.</al><al>Weigering vergunning voor rijden met geluidswagen, Wnd. Vz. ARRS 2-11-1990, GS,
                    1992, 6937, 6 m.nt. E. Brederveld.</al><al>Carillonmuziek. Waar in het verleden geregeld over het bespelen van carillons,
                    en dan vooral voor zover dit als geluidsoverlast werd ervaren, geregeld
                    “succesvol”geprocedeerd word (bijvoorbeeld ABRvS 19 december 2001,
                    &lt;&lt;JM&gt;&gt; 2002/54 en BR 2002, 58, p. 319 en ABRvS 28 juni 2006, AB,
                    2006, 289), zal dit vanwege de wijziging van het Activiteitenbesluit niet langer
                    mogelijk zijn; uitsluitend als een gemeente dit in een verordening regelt,
                    kunnen aan onversterkte muziek in het algemeen en carillons in het bijzonder nog
                    voorwaarden gekoppeld worden.</al><al>Klokgelui Tilburgse pastoor. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 109a van
                    de APV van de gemeente Tilburg de in artikel 10, tweede lid, van de WOM
                    omschreven bevoegdheid niet overschrijdt. Artikel 109a van de APV heeft niet het
                    gestelde effect dat de belijding van godsdienst illusoir wordt en is niet in
                    strijd met artikel 6 van de Grondwet. De wijze waarop het klokgelui dor artikel
                    109a van de APV aan banden is gelegd, wordt toegestaan door artikel 10 WOM. De
                    rechtbank is tevens verwerpt tevens het standpunt dat artikel 109a van de APV
                    aan het BARIM dient te worden getoetst. Hierbij neemt zij in aanmerking dat
                    artikel 109a van de APV zijn grondslag niet vindt in de Wm of een tot de Wm te
                    herleiden algemene maatregel van bestuur, maar slechts in de WOM. Daarom leidt
                    strijd met een bepaling van het BARIM – zo daarvan sprake zou zijn – op zichzelf
                    niet tot de conclusie dat artikel 109a van de APV wegens onverbindendheid buiten
                    toepassing moet blijven. Rechtbank Breda 20 oktober 2010 (LJN: BO1112)</al><al/><al><vet>Artikel 4:6a Mosquito</vet></al><al>Een “mosquito” is een apparaatje dat een hinderlijke hoge pieptoon veroorzaakt
                    die alleen voor jongeren tot een leeftijd van ongeveer 25 jaar hoorbaar is. Dit
                    apparaat wordt in meer dan honderd Nederlandse gemeenten gebruikt ter
                    bestrijding van overlast door hangjongeren.</al><al>Het gebruik van de mosquito is effectief, maar omstreden. Hoewel uit onderzoek
                    van onder meer TNO blijkt dat de mosquito bij normaal gebruik geen
                    gezondheidsschade oplevert, wordt met het aanbrengen ervan in ieder geval de
                    bewegingsvrijheid van jongeren beperkt, die wordt beschermd door artikel 2,
                    vierde protocol Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM). Voor een
                    uitvoeriger schets van de mensenrechtelijke en verdragsrechtelijke bezwaren
                    verwijzen wij naar de notitie “Handreiking gebruik mosquito door gemeenten” die
                    als bijlage is toegevoegd bij onze ledenbrief van 17 juni 2010:
                    http://www.vng.nl/eCache/DEF/97/314.html</al><al><cursief>APV-artikel</cursief></al><al>Mede vanwege de omstreden status van de mosquito verdient het de voorkeur om een
                    apart artikel in de APV op te nemen, en dat niet, zoals ook wel gebeurt, de
                    gemeente zichzelf een ontheffing verleent van het artikel “overige
                    geluidshinder” dat in de meeste APV’s is opgenomen.</al><al/><al><vet>AFDELING 2. BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</vet></al><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al>Bij de aanpassing van de model APV in 2004 is een groot aantal bepalingen in
                    deze afdeling geschrapt en ondergebracht in een aparte model
                    Afvalstoffenverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 4:7 Straatvegen</vet></al><al>Dit artikel bevat een verkeersbeperkende bepaling. Blijkens de jurisprudentie
                    van de Hoge Raad is de gemeenteraad op basis van artikel 149 van de Gemeentewet
                    bevoegd tot het treffen van regelen die andere belangen dan verkeersbelangen
                    beogen te dienen, tenzij deze regels ondanks het afwijkende motief zo diep en zo
                    algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen dat het stelsel van de
                    Wegenverkeerswet 1994 wordt doorkruist. Zie HR 21 juni 1966, NJ 1966, 417, met
                    noot W.F. Prins (bromfietsenverbod Sneek) en HR 23 december 1980, NJ 1981, 171,
                    met noot Th.W. van Veen (rijverbod Schiermonnikoog).</al><al/><al><vet>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Doorgaans beter bekend onder de naam “wildplassen”. Momenteel zijn er veel
                    gemeenten die in het kader van een lik-op-stuk-beleid onderhavige bepaling
                    strikt handhaven. Sommige gemeenten hebben in de APV een mogelijkheid gecreëerd
                    om ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar wildplassen is
                    verboden, bijvoorbeeld bij veelbezochte parkeerterreinen en picknickplaatsen,
                    vanwege de daar ondervonden overlast.</al><al/><al><vet>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                        en putten buiten gebouwen</vet></al><al>Dit artikel is bij de herziening van 2004 hernummerd van 4.4.8 in 4.2.3, wegens
                    het vervallen van afdeling 4.2 (oud) en het vervallen van enkele artikelen van
                    afdeling 4.4. Zie daarover onder de algemene toelichting bij afdeling 4.2. In
                    2008 is het artikel hernummerd naar 4:9.</al><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de Model-bouwverordening
                    geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet
                    direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de
                    model-APV besloten. Zie daarover ook Gst. nr. 6849, 14, m. nt. mr. J.M.H.F.
                    Teunissen.</al><al/><al><vet>AFDELING 3. HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving zijn de
                    bepalingen inzake het bewaren van houtopstanden in 2007 tegen het licht
                    gehouden.</al><al>Onze leden gaven aan dat de bepalingen 4.3.1 (oud) tot en met 4.3.8 (oud) niet
                    meer voldeden. Er bestaat behoefte aan een regeling die uitsluitend betrekking
                    heeft op een beperkt aantal te beschermen bomen. Een algemeen kapverbod geeft de
                    gemeente onnodig veel werk omdat er in praktijk meer dan 90% van de aanvragen om
                    kapvergunning wordt verleend. Ook voor de burger is een algemeen kapverbod
                    belastend.</al><al>Gekozen is voor het uitgangspunt dat in beginsel geen kapvergunning vereist is
                    voor het vellen van een boom tenzij deze staat vermeld op de door de gemeente
                    opgestelde en vastgestelde bomenlijst.</al><al>Van belang is om bij de aanvrager onder de aandacht te brengen dat niet altijd
                    gebruik kan worden gemaakt van een verleende vergunning. Het kan zijn dat een
                    vereiste vergunning/vrijstelling/ontheffing van de Natuurbeschermingswet of
                    Flora-en faunawet ontbreekt. M.n. de vogels in de bomen dienen te worden
                    beschermd.</al><al>Ten slotte: deze bepalingen zijn bedoeld om toe te zien op het onderhoud en
                    bewaren van het (openbare) groen. Hoe dat eruit ziet en wat daarbij de meest
                    geschikte methode is, kan zeer lokaal bepaald zijn en daarom per gemeente sterk
                    verschillen. Dat blijkt ook in de praktijk: waar veel bepalingen uit de
                    model-APV door de meeste gemeenten worden overgenomen, bestaat bij dit artikel
                    een grote lokale diversiteit. Wij wijzen er daarom ten overvloede op dat deze
                    bepalingen onderdeel zijn van de model-APV en geen blauwdruk vormen voor iedere
                    gemeente.</al><al>De artikelen 4.3.5 (oud) tot en met 4.3.8 (oud) zijn in verband met de nieuwe
                    opzet komen te vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 4:10 Begripsbepalingen</vet></al><al>Het nieuwe uitgangspunt van de bepalingen heeft uiteraard tot gevolg dat veel
                    begripsomschrijvingen in 2007 zijn komen te vervallen. Er resteren slechts de
                    begripsomschrijvingen: houtopstand en vellen. Deze zijn ongewijzigd
                    overgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van
                    houtopstanden</vet></al><al>In deze bepaling wordt het belangrijkste nieuwe element geïntroduceerd: de
                    bomenlijst.</al><al>De gemeenteraad moet deze lijst vaststellen.</al><al>Uitgangspunten van deze lijst zijn:</al><al>-de verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten zelf: d.w.z. voor het
                    inventariseren en actualiseren van het gemeentelijk bomenbestand en het
                    overnemen van de gemeentelijke monumentale bomen die vermeld staan op de
                    landelijke lijst van de Bomenstichting in Utrecht.</al><al>-Duidelijk en inzichtelijk voor de burgers;</al><al>-Zoveel mogelijk de te beschermen bomen verankeren in een bestemmingsplan, op
                    het renvooi van de plankaart of in een landschapsbeleidsplan of bomenplan.</al><al>-De bomenlijst als bijlage opnemen bij de bepalingen.</al><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>De vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel 2.2,
                    eerste lid onder g. van de Wabo. Vaak zal naast de vergunning nog een
                    vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Natuurbeschermingswet of
                    de Flora- en Faunawet nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun
                    nesten in de bomen. De Natuurbeschermingswet en Flora- en Faunawet haken aan bij
                    de Wabo. Er wordt dan dus één omgevingsvergunning verleend of geweigerd. De
                    Boswet haakt echter niet aan bij de Wabo. Indien die van toepassing is, blijft
                    dus een aparte vergunning vereist.</al><al>In de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162) zijn
                    indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen.
                    Naast een aantal algemene indieningsvereisten (zie daarvoor de toelichting bij
                    artikel 1:2 van de model-APV) zijn er in artikel 7.5 van de Mor nog een aantal
                    speciale indieningsvereisten voor het vellen van houtopstanden opgenomen. Dit
                    artikel 7:5 luidt als volgt:</al><al>1.In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit, als bedoeld in
                    artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de wet, identificeert de
                    aanvrager op de aanduiding als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, van deze
                    regeling iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een
                    nummer.</al><al>2.In of bij de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, vermeldt de aanvrager
                    per genummerde houtopstand:</al><al>a.de soort houtopstand;</al><al>b.de locatie van de houtopstand op het voor-, zij- dan wel achtererf;</al><al>c.de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld;</al><al>d.de mogelijkheid tot herbeplanten, alsmede het eventuele voornemen om op een
                    daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden
                    aantal soorten over te gaan.</al><al>Vierde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                    beslissen)</al><al>In de Wabo is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve
                    beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Voor de duidelijkheid
                    is dat hier nogmaals opgemerkt. NB! De gemeenteraad heeft bij de vaststelling
                    van de APV dus niet de vrijheid om te bepalen dat er geen lex silencio van
                    toepassing is!</al><al/><al><vet>Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>AFDELING 4. MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                    enz.</vet></al><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is
                    bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan
                    bepaalde regels gebonden is.</al><al>Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin
                    van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover
                    de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan
                    worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen
                    voorschriften.</al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Hierdoor vervalt in het vierde lid de afbakening met de Wet
                    milieubeheer.</al><al/><al><vet>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>Vanuit dereguleringsoogpunt is dit artikel in 2008 geschrapt. Via de
                    Messtoffenwet wordt veel geregeld. Op zandgronden mag maar zeer beperkt mest
                    wordt uitgereden (ca 6 maanden per jaar). Veel mest wordt bovendien al
                    emissie-arm, dus stankarm aangewend.</al><al/><al><vet>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</vet></al><al>Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van
                    administratieve lasten is in 2007 het oude artikel 4.4.2 ingrijpend herzien. Dat
                    houdt in dat de reclamevergunning geheel is verdwenen en vervangen door een
                    algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar
                    te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden.</al><al>De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis
                    doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden
                    getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast
                    wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk
                    valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle
                    reclames in stand te houden.</al><al>Gemeenten waar de ervaring is dat reclame niet of nauwelijks problemen oplevert
                    en via de bouwvergunningen afdoende kan worden geregeld, kunnen het daarbij
                    laten.</al><al>Artikel 4:15 is niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7,
                    vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden van de
                    vrijheid van drukpers uitgezonderd.</al><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Op een vergunnings- en ontheffingsstelsel voor handelsreclame aan gebouwen is de
                    Wabo van toepassing. Omdat een zodanig stelsel in de model-APV geschrapt is, is
                    daarvoor geen regeling opgenomen.</al><al><cursief>Afleidende objecten langs snelwegen</cursief></al><al>Rijkswaterstaat heeft op 21 oktober 2011 het “Beleidskader afleidende objecten
                    langs snelwegen” vastgesteld. De hoofdlijn voor objecten (waaronder reclame) is
                    nu:</al><al>-bewegende objecten of beelden zijn niet toegestaan</al><al>-de objecten of beelden mogen niet verblinden (moeten voldoen aan richtlijn
                    lichthinder)</al><al>-de objecten of beelden moeten op voldoende afstand van de rijbaan zijn
                    geplaatst.</al><al>De APV kan op dit soort objecten van toepassing zijn, namelijk als de grond
                    langs de snelweg valt binnen het begrip “weg” of binnen de definitie van
                    “openbare plaats” als genoemd in artikel 1:1 van deze modelverordening. In dat
                    geval zal het rijksbeleidskader handvaten kunnen bieden om te bepalen of het
                    object het verkeer in gevaar brengt.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP zijn alleen in het geding zijn als de
                    verspreiding van reclame zo zeer aan banden zou zijn gelegd dat de vrijheid om
                    reclame te maken zelf zou worden aangetast ( JG 95.0207, AB 1995, 163).</al><al>Geen strijd met artikel 10 EVRM en 19 IVBP aangezien het verbod bij wet is
                    voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving ter voorkoming van
                    wanordelijkheden en ter bescherming van rechten van derden (HR 1 april 1997, NJ
                    1997, 457).</al><al>Nu in dit geval de Woningwet van toepassing is, heeft het college zich terecht
                    op het standpunt gesteld dat naast de door hen verleende bouwvergunning voor de
                    oprichting van de reclamezuil niet ook een reclamevergunning als bedoeld in
                    artikel 4.7.2 van de APV is vereist. Zij hebben dan ook terecht het verzoek om
                    toepassing van bestuursdwang ten aanzien van de dubbelzijdige lichtreclamezuil
                    afgewezen. ABRS 13-11-2002, Gst, 2003, 7180, 34 m.nt. J.Teunissen.</al><al>Anders dan het college meent, is het welstandstoezicht in het kader van de
                    Woningwet niet beperkt tot toetsing van bouwkundige elementen. ABRS 04-12-2002,
                    Gst, 2003, 7180, 35 m.nt. J. Teunissen.</al><al>Meer recent in dezelfde zin ABRS 02-06-2004, LJN AP0370.</al><al/><al><vet>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>In het per 1 januari 2008 van kracht geworden Activiteitenbesluit is een
                    zorgplicht opgenomen die ertoe verplicht geen lichthinder te veroorzaken.
                    Daarmee vervalt de noodzaak om dit onderwerp bij APV te regelen.</al><al/><al><vet>AFDELING 5. KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</vet></al><al/><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>In verband met de afschaffing van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) met
                    ingang van 1 januari 2008 wordt geadviseerd in de APV drie artikelen op te
                    nemen. Zie voor verdere informatie Ledenbrief lbr. 05/128 Ledenbrief
                    Lbr.07/125.</al><al/><al><vet>Artikel 4:17 Begripsbepaling</vet></al><al>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan.</al><al/><al><vet>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</vet></al><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                    reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie.
                    Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.</al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en milieu. Het zou hoogst
                    onwenselijk zijn als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan die toestaat
                    dat in een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt
                    niet van toepassing verklaard.</al><al/><al><vet>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</vet></al><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                    reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie.
                    Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5. ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER
                        GEMEENTE</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 1. PARKEEREXCESSEN</vet></al><al><cursief>Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen</cursief></al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen
                    verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid
                    van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde
                    milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of
                    beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of
                    de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie art. 2,
                    tweede lid WVW 1994).</al><al>Op initiatief van de VNG heeft de Tweede Kamer door middel van een amendement
                    een nieuw artikel 2a in de Invoeringswet WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt
                    als volgt:</al><al>“Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij
                    verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet
                    voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze
                    wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich
                    daar niet toe lenen.”</al><al>Hierbij werd met name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen, zoals ook
                    blijkt uit de toelichting bij dit amendement. Artikel 2a WVW 1994 geeft derhalve
                    aan dat gemeenten bevoegdheid zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen.
                    De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149
                    Gemeentewet.</al><al><cursief>Begrip “parkeerexces”</cursief></al><al>In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip
                    “parkeerexces” precies inhoudt. Degene die tot taak heeft hieromtrent
                    verbodsbepalingen te formuleren, zal evenwel tevoren dienen te weten wat dit
                    begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het verkeer aan een voortschrijdende
                    ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip “parkeerexces” bezwaarlijk een
                    voldoende concrete definitie te geven. Blijkens de jurisprudentie kan onder het
                    begrip “parkeerexces” ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen,
                    dus:</al><al>a.wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de verdeling van de
                    beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die gelegenheid om te
                    parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan
                    worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling), en</al><al>b.wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zich zelf niet
                    ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het
                    parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een
                    te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van
                    anderen; alsook</al><al>c.wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere
                    motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid
                    en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van
                    uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling).</al><al>Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats
                    van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg,
                    strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - zo lijkt de zienswijze
                    van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven - in de eerste
                    plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een
                    voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van)
                    voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur
                    gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij
                    mag het niet te diep ingrijpen in het “normale” verkeer, en dus ook niet in het
                    “normale” parkeren. In het “normale” verkeer voorziet de geldende wettelijke
                    verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad, NG 1974, blz. S88
                    m.nt. jhr. J.J.M.M. van Rijckevorsel.</al><al>Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces ingeval het parkeren
                    op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente,
                    beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen.
                    Al deze vormen van excessief, hinderlijk en ontsierend gebruik van de weg kunnen
                    door de gemeentelijke wetgever aan regels worden gebonden. Zie bij voorbeeld de
                    beide Dordtse arresten van de Hoge Raad, HR 15 juni 1971, NJ 1971, 432, m.nt.
                    W.F. Prins, VR 1972, nr. 32, m.nt. A. Herstel, OB 1972, XIV.1.2.2, nr. 32566 en
                    25 april 1972, NJ 1972, 296, m.nt. W.F. Prins, VR 1972, nr. 113, m.nt. A.
                    Herstel, OB 1972, XIV. 1.2.2, nr. 32567, NG 1972 blz. S 75, m.nt. J.H. van dcr
                    Veen.</al><al><cursief>Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen</cursief></al><al>Gezien de ruime uitleg van het begrip “parkeerexces” is het niet nodig om een
                    onderscheid te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg:
                    gevallen die excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als
                    “parkeerexcessen” moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander
                    motief aan het stellen van regels (in hoofdzaak) ten grondslag ligt. Er bestaat
                    geen noodzaak deze soorten in aparte verordeningen onder te brengen, een
                    parkeerexcessenverordening respectievelijk de algemene plaatselijke
                    verordening.</al><al>Het verdient aanbeveling de thans voorgestelde modelbepalingen in hun geheel
                    onder te brengen in de algemene plaatselijke verordening, en wel in een
                    hoofdstuk “Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente”.
                    Plaatsing in dit hoofdstuk verdient de voorkeur boven plaatsing in een ander
                    hoofdstuk, omdat aan deze bepalingen meerdere motieven ten grondslag
                    liggen.</al><al>Met het onder één noemer - die van het parkeerexces - brengen van de
                    modelbepalingen blijken de aan de bepalingen ten grondslag liggende motieven
                    niet steeds uit de tekst van de bepalingen. Het is daarom verstandig, dat in de
                    toelichting op de bepalingen deze motieven tot uitdrukking worden gebracht. Een
                    van de voordelen van deze aanpak is, dat artikelen, die een zelfde gedraging
                    verbieden, doch op grond van verschillende motieven, in één artikel kunnen
                    worden samengebracht.</al><al>In de afdeling “parkeerexcessen” is ook een aantal onderwerpen opgenomen, die
                    niet kunnen worden aangeduid als “parkeerexcessen in eigenlijke zin”, waarvan
                    gesproken kan worden als het gaat om gedragingen op de weg in de zin van de WVW
                    1994. Daar deze voorschriften door het publiek wel als zodanig (zullen) worden
                    ervaren geven wij er de voorkeur aan ook deze onderwerpen in deze paragraaf te
                    regelen. Men denke hierbij aan een onderwerp als het “aantasten van
                    groenvoorzieningen”.</al><al><cursief>Beperking tot gedragingen op de weg?</cursief></al><al>Bij parkeerexcessen “in eigenlijke zin” gaat het om gedragingen op de weg in de
                    zin van de WVW 1994. Onder weg verstaat de model-APV ingevolge artikel 1:1
                    hetzelfde als de WVW 1994 daaronder verstaat. In artikel 1, eerste lid onder b,
                    van de WVW 1994 wordt het begrip wegen als volgt omschreven “alle voor het
                    openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende
                    bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of
                    zijkanten”.</al><al>In de afdeling “Parkeerexcessen” zijn niet uitsluitend onderwerpen geregeld die
                    als parkeerexcessen “in eigenlijke zin” kunnen worden aangeduid. Zo hebben de
                    artikelen 5:6, eerste lid onder b, 5:7, eerste lid, en 5:10 ook betrekking op
                    gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Beperking van de hierin
                    neergelegde verbodsbepalingen tot “op de weg” ligt niet voor de hand, wanneer
                    men let op het motief dat aan deze bepalingen ten grondslag ligt. Deze
                    bepalingen strekken niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen.</al><al>Bedoelde gedragingen zijn daarom in die verbodsbepalingen ook strafbaar gesteld,
                    indien zij buiten de weg (in de zin van de WVW 1994) zijn gepleegd. Indien aan
                    een bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de
                    werkingssfeer van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin van de
                    WVW 1994). Zie bijvoorbeeld de artikelen 5:2 en 5:8,tweede lid.</al><al>Aan de andere bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven ten
                    grondslag. Toch regelen ook deze bepalingen slechts gedragingen op de weg (in de
                    zin van de WVW 1994). Voor zover deze gedragingen plaatsvinden buiten de weg,
                    kan hiertegen reeds op basis van andere voorschriften in voldoende mate worden
                    opgetreden. Zie bij voorbeeld artikel 4:19 (4.6.1 (oud).</al><al>Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de bepalingen betreffende
                    parkeerexcessen - zowel de “eigenlijke” als de “oneigenlijke” - zoveel mogelijk
                    in een afdeling samengevoegd. De bedoelde gedragingen zullen door het publiek
                    immers alle als parkeerexces worden ervaren.</al><al>Voor in de begripsomschrijvingen van artikel 5:1 opgenomen definities van
                    “voertuig” en “parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de
                    wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de
                    verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan niet slechts betrekking
                    hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al><cursief>Vervangende parkeergelegenheid</cursief></al><al>Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor bepaalde
                    categorieën voertuigen - in het bijzonder voor vrachtwagens - de aanwezigheid
                    van vervangende parkeergelegenheid moeten worden bezien.</al><al>Uitgangspunt dient te zijn dat de desbetreffende ondernemingen in principe zelf
                    hiervoor behoren te zorgen. De indruk bestaat, dat er (met name buiten de
                    werkuren) in diverse gevallen op de bedrijfsterreinen toch voldoende
                    parkeergelegenheid voor de eigen vrachtwagens is of kan worden gecreëerd. In
                    beginsel is het niet onredelijk te achten, dat de chauffeurs die op enige
                    afstand van hun bedrijven wonen, hun vrachtwagens ’s avonds en in het weekeinde
                    niet meer voor de woning, maar bij voorbeeld op het eigen bedrijfsterrein
                    parkeren en dat zij zich, evenals andere forensen, met “normale” vervoermiddelen
                    begeven van het bedrijf naar de woning en omgekeerd.</al><al>Bij onderscheidene bedrijven ontbreekt evenwel de hiervoor benodigde ruimte.
                    Verder zijn de kosten, verbonden aan het creëren van eigen parkeergelegenheid,
                    dermate hoog, dat er de voorkeur aan gegeven zal worden het parkeren van die
                    vrachtwagens, waarvoor het bestaande eigen terrein geen plaats biedt, te doen
                    geschieden op openbare wegen en terreinen.</al><al>Om aan de zich hier voordoende praktische bezwaren tegemoet te komen, zou de
                    overheid het parkeren kunnen blijven toelaten (of wellicht zelfs
                    parkeergelegenheid kunnen scheppen) op parkeerterreinen en op die wegen waar het
                    parkeren van vrachtwagens op weinig of geen bezwaren stuit. Hoewel er niet a
                    priori van een plicht van de gemeentelijke overheid tot aanleg van vervangende
                    parkeergelegenheid kan worden gesproken, mag er anderzijds van worden uitgegaan
                    dat naleving van de hier bedoelde verbodsbepalingen met des te meer reden
                    gevergd kan worden, wanneer de belanghebbende een andere parkeerplaats als
                    alternatief ter beschikking staat. In het bijzonder kan zulks het geval zijn ten
                    aanzien van exploitanten van bestaande bedrijven, aan wie onder omstandigheden
                    bezwaarlijk een ontheffing kan worden onthouden, wanneer een redelijk te
                    realiseren alternatief voor hen ontbreekt.</al><al>Voor het geval van gemeentewege tot aanleg van een parkeerplaats wordt
                    overgegaan, zal er wellicht van het gemeentebestuur een zekere waarborg worden
                    verwacht dat voertuigen op een dergelijk parkeerterrein veilig kunnen worden
                    gestald. In het algemeen kan niet worden gesteld, dat de gemeentelijke overheid
                    een dergelijk verlangen dient te honoreren. Immers, parkeerterreinen hebben, zo
                    zij al onder toezicht staan, dit toezicht zelden ook ’s nachts; bovendien is de
                    toezichthouder in het algemeen niet aansprakelijk voor aan de gestalde
                    voertuigen door derden toegebrachte schade; men denke hierbij aan de zogenaamde
                    exoneratieclausules.</al><al>Ten slotte zij erop gewezen dat een eventueel door de gemeente aan te leggen
                    parkeerterrein voor vrachtwagens zal moeten passen binnen een planologisch kader
                    (bestemmingsplan).</al><al>Parkeerplaatsen zouden kunnen worden aangeduid met een bord model E4 van bijlage
                    1 van het RVV 1990.</al><al>De aanduiding van parkeerplaatsen voor vrachtwagens in het kader van de
                    voorkoming van parkeerexcessen moet gebeuren op basis van de betreffende
                    bepalingen uit de APV en niet op basis van verkeersborden die gebaseerd zijn op
                    de wegenverkeerswetgeving.</al><al><cursief>Ontheffingen</cursief></al><al>Bij de onderscheidene modelverbodsbepalingen is aangegeven ten aanzien van welke
                    bepalingen de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen als een
                    noodzakelijk element moet worden beschouwd. Met name zal ten aanzien van
                    bestaande bedrijven aan het verlenen van een ontheffing, waaraan voorschriften
                    kunnen worden verbonden en welke een naar plaats of tijd beperkt karakter
                    hebben, niet steeds kunnen worden ontkomen.</al><al><cursief>Overleg met vervoerders(organisaties)</cursief></al><al>Het behoeft geen nader betoog dat het wenselijk is overleg te plegen met de
                    betrokken chauffeurs en bedrijven betreffende de vaststelling of uitvoering van
                    parkeerregelingen van vrachtwagens e.d.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State bevestigt dat een gemeentelijke
                    parkeerexcessenregeling niet strijdig is met de Wegenverkeerswet (oud) en haar
                    uitvoeringsregelingen, zoals het RVV (oud). ARRS 3-12-1992, JG 93.0120.</al><al/><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>De definitie van “weg” in artikel 1:1 van deze verordening is ook op deze
                    afdeling van toepassing. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer
                    openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en
                    duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. De artikelen
                    5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, eerste lid, onder a, 5:7, 5:8, tweede lid, en 5:9
                    hebben derhalve slechts op “echte” parkeerexcessen betrekking. De andere
                    artikelen in deze afdeling strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg
                    in de zin van de WVW 1994.</al><al><cursief>Onder a</cursief></al><al>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal
                    bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen
                    de definitie van “voertuigen” die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt
                    gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen,
                    gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine
                    voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. is een uitzondering
                    gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden
                    krijgen.</al><al>Fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie
                    van voertuigen. Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden
                    daarom als voertuig beschouwd.</al><al><cursief>Onder b</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in
                    artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder
                    parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die
                    nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van
                    passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De gegeven
                    definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van
                    voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde
                    verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en
                    het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die
                    door deze modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen
                    van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf
                    stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van
                    parkeren.</al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich
                    ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan”
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><al/><al><vet>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde twijfel
                    over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan
                    een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term
                    “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf.</al><al><cursief>Derde lid, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Bij het opstellen van deze bepaling is er naar gestreefd de
                    delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de
                    bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs
                    dat betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier
                    bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem
                    toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren. De
                    woorden “drie of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig
                    zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren
                    dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal
                    parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en
                    eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het eerste lid, onder b).</al><al>Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het
                    zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen
                    buiten de weg.</al><al>De gemeente dient zelf het aantal meters in te vullen. In de APV’s van Rotterdam
                    en Den Haag bijvoorbeeld wordt een straal van 25 meter genoemd.</al><al><cursief>Derde lid, onder b</cursief></al><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake
                    geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd
                    over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.</al><al>De Afdeling rechtspraak keurde zelfs de weigering van de gemeente Binnenmaas om
                    ontheffing te verlenen voor het parkeren van meer dan twee auto’s bij elkaar
                    goed. Het feit dat het bedrijf ter plaatse was toegestaan deed daaraan niet af.
                    Het behoud van het beperkte aantal parkeerplaatsen in de omgeving van het
                    bedrijf woog zwaarder. ARRS 16-8-1988, AB 1989, 373.</al><al/><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks
                    sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                    beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.</al><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
                    omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                    voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag
                    op de beschikbare parkeerruimte gelegd.</al><al><cursief>Derde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij
                        niet tijdig beslissen)</cursief></al><al>Dit artikel dient om te kunnen optreden tegen geïmproviseerde kleine automarkten
                    op de openbare weg. Gezien de overlast die daarmee gepaard kan gaan is het niet
                    wenselijk om hier een lex silencio positivo toe te passen.</al><al/><al><vet>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</vet></al><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die
                    gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig,
                    moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                    krijgen.</al><al>Het artikel is facultatief. Gemeenten dienen een afweging te maken of zij dit
                    artikel nodig achten. Dit zal niet in alle gemeenten het geval zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</vet></al><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of
                    bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in
                    het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen
                    en voor de weggebruikers.</al><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen
                    de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze
                    bepaling.</al><al/><al><vet>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.</vet></al><al><cursief>Eerste lid, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder
                    geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens,
                    keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd
                    in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te
                    maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan,
                    aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet
                    langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan
                    verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten
                    (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als
                    vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.</al><al>Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg - vaak juist ook in
                    woonwijken - zou ervoor gekozen kunnen worden om de redactie van de bepaling in
                    het eerste lid onder a stringenter te redigeren en direct voor de gehele
                    gemeente (of een gedeelte daarvan) van toepassing te verklaren:</al><al>“a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen (binnen de bebouwde kom)
                    op de weg te plaatsen of te hebben;”</al><al><cursief>Eerste lid, onder b</cursief></al><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg
                    in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een
                    “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt
                    op een weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al><cursief>Vierde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij
                        niet tijdig beslissen)</cursief></al><al>Het motief voor een aanwijzingsbesluit is doorgaans dat een toch al beperkte
                    parkeerruimte door caravans e.d. overbelast zou raken. In die situatie zou het
                    onwenselijk zijn dat een ontheffing zou ontstaan als er een beslistermijn wordt
                    overschreden. Om die reden is van een lex silencio positivo afgezien.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State stelde de gemeente Beverwijk in
                    het gelijk enerzijds in de aanwijzing van een weg waar parkeren van een
                    kampeerwagen langer dan 48 uur niet is toegestaan en anderzijds in de weigering
                    hiervan ontheffing te verlenen. De verkeersveiligheid en het aanbod van
                    parkeerruimte waren in het geding. ARRS 11-3-1993, AB 1993, 553.</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat het college
                    van zijn bevoegdheid om voor een bepaalde locatie te bepalen dat er niet met een
                    kampeerwagen e.d. mag worden geparkeerd (zoals in art. 5.1.5, eerste lid, onder
                    b (oud) bedoeld), slechts gebruik kan maken voor zover het gaat om een locatie
                    die geen “weg” is in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Binnenplein is weg in
                    de zin van de WVW en valt daarmee niet onder “aangewezen plaats” uit de
                    APV-bepaling. ABRS 18-4-1997, JG 97.0210 m.nt. A.B. Engberts.</al><al/><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.</al><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>In deze bepaling gaat het om een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt
                    dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben
                    van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats
                    is geregeld in artikel 4:15 van deze model-APV.</al><al>Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame
                    (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van
                    de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van
                    handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. Voor wat betreft de relatie met
                    artikel 10 EVRM en 19 IVBP zij verwezen naar de jurisprudentie vermeld bij
                    artikel 4:15.</al><al><cursief>Derde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij
                        niet tijdig beslissen)</cursief></al><al>In dit geval is ervoor gekozen een lex silencio positivo op te nemen. Deze
                    situatie is veel zeldzamer dan die in het vorige artikel (kampeermiddelen e.a.).
                    Ook vergt het toekennen of afwijzen van deze ontheffing geen langdurige of
                    complexe afweging</al><al>Uiteraard kan de gemeenteraad hier een andere afweging maken en besluiten geen
                    lex silencio positivo op te nemen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak acht het beleid van het college van Zierikzee
                    geen ontheffingen te verlenen voor het parkeren van reclamevoertuigen binnen de
                    bebouwde kom en de daaropvolgende bestuursdwangaanschrijving aanvaardbaar. De
                    bescherming van het uiterlijk aanzien (beschermd stadsgezicht) speelt een
                    belangrijke rol. ABRS 1-8-1994, JG 95.0245.</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak meent dat het college van Groningen terecht een
                    dwangsomaanschrijving heeft doen uitgaan tegen een voor een winkel geplaatste
                    riksja, waarmee handelsreclame werd gemaakt. Voor de toepassing van deze
                    bepaling is de aanwezigheid van een verkeersgevaarlijke situatie niet vereist.
                    ABRS 5-12-2001, nr. 200103426/1.</al><al/><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het
                    parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in de
                    stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan.
                    Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt
                    ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze
                    parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij
                    schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid
                    van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                    inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht
                    vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz. Op den
                    duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te
                    geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de
                    bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de
                    jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren
                    van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de recente
                    verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer)
                    redelijkerwijze als “normaal” verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 5:8 en
                    5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit
                    excessief is, kan worden tegengegaan. Zie voorts ook de algemene toelichting
                    onder punt 5 Vervangende parkeergelegenheid.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt aan de gemeentebesturen mogelijkheden te verschaffen om
                    aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten
                    staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote
                    voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor
                    monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open
                    landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon
                    betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s
                    bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het
                    zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.</al><al>Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van
                    grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel
                    betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen.</al><al>Wat het motief: bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft,
                    dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan
                    om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of
                    karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van
                    een “parkeerexces”.</al><al>Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het
                    gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name niet vereist dat de bij
                    openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen van
                    schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens worden gewezen op de
                    subjectieve redactie van de onderhavige bepaling.</al><al>Niet apart zijn vermeld de oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde verbod
                    zou dan immers zelfs gelden voor het kleinste aanhangwagentje. Primair ware hier
                    echter te reguleren het parkeren van grote voertuigen.</al><al>Bij de aanwijzing van plaatsen waar volgens besluit van het college grote
                    voertuigen met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente niet mogen worden geparkeerd, zal eventueel rekening moeten worden
                    gehouden met een provinciale verordening die - geheel of gedeeltelijk -
                    hetzelfde terrein uit hoofde van hetzelfde motief bestrijkt, bij voorbeeld een
                    verordening bescherming landschapsschoon.</al><al>Binnen de verboden zones zullen in ieder geval uitzonderingen moeten worden
                    gemaakt ten behoeve van autobussen in lijndienst.</al><al>Een speciaal probleem wordt gevormd door de vraag, hoe dit verbod onder de
                    aandacht van belanghebbenden te brengen. Het is in ieder geval gewenst, dat de
                    in de gemeente gevestigde ondernemingen door de gemeente in kennis worden
                    gesteld van dit verbod. In veel gemeenten wordt een systeem toegepast, waarbij
                    langs de naar de gemeente toeleidende wegen door middel van aanwijzingsborden
                    kenbaar wordt gemaakt, dat binnen de (bebouwde kom van de) gemeente het parkeren
                    van grote voertuigen slechts is toegelaten op de als zodanig aangeduide
                    parkeergelegenheden.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een
                    excessief gebruik van de weg.</al><al>Met betrekking tot dit motief: buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt,
                    dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér
                    voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een
                    parkeerexces in deze zin opleveren.</al><al>In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens
                    minder opportuun.</al><al>Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote voertuigen niet
                    toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing is gebaseerd op
                    de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks mede in verband
                    met het bepaalde in het derde lid. Geschiedt een aanwijzing door middel van een
                    verwijzing naar een plattegrond (zie onder eerste lid) dan kan bij voorbeeld
                    door het gebruik van verschillende kleuren bij het arceren van de plaatsen waar
                    niet geparkeerd mag worden, worden aangegeven welk motief ten grondslag ligt aan
                    de aanwijzing of dat beide motieven daaraan ten grondslag liggen. Zeer wel
                    denkbaar is echter dat aan een aanwijzing beide motieven ten grondslag kunnen
                    liggen.</al><al>Zie wat betreft de vraag, hoe dit verbod kenbaar kan worden gemaakt, de
                    toelichting op eerste lid.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
                    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is.</al><al>Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het
                    college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden
                    kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor
                    het in het eerste lid gestelde verbod.</al><al>Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede
                    lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan
                    bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden
                    krachtens het hierop volgende artikel 5:9.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Dit artikellid maakt het mogelijk dat ook campers, caravans en kampeerwagens die
                    door hun afmetingen onder het verbod van het eerste lid zouden vallen, toch voor
                    maximaal 3 dagen op de weg geparkeerd mogen blijven staan.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven
                    verboden een ontheffing te verlenen.</al><al>Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een
                    onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.</al><al>Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken.
                    Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven - ongeacht de aard - kunnen
                    worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.</al><al>Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik
                    dienen te worden gemaakt:</al><al>-voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare werken en
                    bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke nabijheid van het werk
                    worden geparkeerd;</al><al>-voor chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen, waaruit
                    blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen parkeerterrein
                    gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder ontheffing in
                    moeilijkheden zou komen.</al><al>Verder zou een soepel ontheffingenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover het
                    gaat om bij voorbeeld:</al><al>-rijdende winkels;</al><al>-wagens van kermisexploitanten;</al><al>-wagens van bedrijven die in geval van bij voorbeeld ongevallen in het
                    wegverkeer terstond moeten kunnen “uitrukken” (sleepwagens e.d.);</al><al>-voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten (auto’s met
                    speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken (elektrowagens met
                    beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de parkeerplaats moeten worden
                    gesteld.</al><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende
                    de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><al><cursief>Zesde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij
                        niet tijdig beslissen)</cursief></al><al>In dit geval is ervoor gekozen wel een lex silencio positivo op te nemen. Deze
                    situatie is veel zeldzamer dan die in het artikel over kampeermiddelen e.a. Ook
                    vergt het toekennen of afwijzen van deze ontheffing geen langdurige of complexe
                    afweging.</al><al>Uiteraard kan de gemeenteraad hier een andere afweging maken en besluiten geen
                    lex silencio positivo op te nemen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De instelling van een parkeerverbod voor grote voertuigen dient of te gebeuren
                    op basis van de APV of op basis van een verkeersbesluit
                    (Wegenverkeerswetgeving). Een combinatie hiervan is niet mogelijk. Zie Vz. AGRS
                    27-4-1993 (B03.93.0018), JU 941157 (VNG-databank).</al><al>Ontheffingenbeleid van gemeenten Grave en Stad Delden, waarbij geen ontheffingen
                    worden verleend voor het parkeren van grote voertuigen in een woonbuurt, wordt
                    door de Voorzitter van de ARRS als niet onredelijk aangemerkt. Vz. ARRS
                    18-12-1992,S03.92.4266, JU 931114 (VNG-databank) en Vz. ARRS
                    16-9-1993,S03.93.3369, JU 941013 (VNG-databank).</al><al>De weigering een ontheffing te verlenen voor het parkeren van een groot voertuig
                    wordt vernietigd, omdat er geen sprake is van een hoge parkeerdruk ter plaatse,
                    zoals werd aangevoerd. ARRS 4-5-1993, JG 93.0353 .Bij een verzoek om
                    bestuursdwang in geval van het parkeren van een groot voertuig, waarbij het
                    uiterlijk aanzien in het geding is, dient het college een goede belangenafweging
                    te maken tussen enerzijds de redelijke eisen van welstand en anderzijds de
                    belangen van de eigenaar van het voertuig. De belangenafweging acht de Afdeling
                    rechtspraak niet onredelijk. ARRS 3-6-1991, JG 92.0301.</al><al>Wanneer (nagenoeg) de gehele bebouwde kom wordt aangewezen als gebied waar geen
                    vrachtwagens mogen worden geparkeerd, dient het college zich ervan te
                    vergewissen dat geschikte alternatieve parkeergelegenheid aanwezig is, waarbij
                    ook rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de geparkeerde
                    vrachtwagens. ABRS 15-5-2001, nr. 200002098/1.</al><al/><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 5:8.</al><al>Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan
                    uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of
                    gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan
                    belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten
                    gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al>Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is, blijkt uit een reeds oude uitspraak van
                    de Hoge Raad (HR 16 januari 1986, NJ 1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde
                    zinsnede in de APV van Enschede verbindend achtte.</al><al>De delictsomschrijving kan desgewenst worden geconcretiseerd door het
                    bestanddeel “bij” te vervangen door “binnen een afstand van (...) meter van”
                    (een voor bewoning enz. bestemd pand op zodanige wijze dat enz.) Zo wordt in de
                    APV van Rotterdam een afstandsmaat van 10 meter gehanteerd.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    "hoogwerkers", meetwagens e.d.</al><al>Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze
                    mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde
                    parkeren.</al><al/><al><vet>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                    stoffen</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen.</al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het
                    groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</al><al>Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een “oneigenlijk”
                    parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de “weg” (in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de
                    bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden
                    bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over openbare
                    beplantingen enz. wordt verboden.</al><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel
                    deel uit van de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien de
                    berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de desbetreffende weg
                    betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de berm, zoals
                    parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto’s, motoren
                    e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het
                    trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd.
                    Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de
                    bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als
                    ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden
                    ingesteld. Dit kan door plaatsing van het bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990
                    met een onderbord, waarop staat dat het parkeerverbod alleen geldt voor de berm.
                    Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is,
                    bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de
                    berm wel kan worden toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde
                    bord E1 noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de
                    berm wel is toegestaan.</al><al>Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de bermen begrijpt, is het in
                    artikel 5:11 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving
                    voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening
                    wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de
                    Wegenverkeerswet). Zie hierover artikel 2:46.</al><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit
                    te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing
                    behoren te zijn op een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in
                    groenvoorzieningen.</al><al>Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen “doen of laten staan” in
                    plaats van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een
                    plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid
                    veroorzaakt.</al><al>Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige gevallen
                    ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht
                    met zich mee brengen.</al><al>Zie voorts HR 27 oktober 1930, NJ 1931, blz. 62, waarbij een bepaling in de APV
                    van Assen, volgens welke het in de kom van de gemeente verboden was zich te
                    bevinden op de van gemeentewege aangelegde grasperken, verbindend werd geacht.
                    De bewering dat de gemeentelijke wetgever niet bevoegd zou zijn naast het
                    algemene verbod van artikel 461, Wetboek van Strafrecht bedoelde verbodsbepaling
                    uit te vaardigen, ging niet op.</al><al>Deze APV-bepaling had naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk ten doel
                    “maatregelen te nemen tegen beschadiging van stadsbosch en door de gemeente
                    aangelegde grasperken, derhalve zorg voor de instandhouding van gemeentelijk
                    terrein, zijnde een onderwerp dat de huishouding van de gemeente betreft”.</al><al>Indien het in artikel 5.1.10 (oud) bedoelde voertuig een door een
                    woonwagenbewoner bewoonde woonwagen is, zal het college deze niet met toepassing
                    van bestuursdwang op grond van artikel 61 Woonwagenwet uit de gemeente kunnen
                    doen verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten toestemming is
                    verleend als bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing op grond van het
                    vierde lid van dat artikel is uitgevaardigd. Zie Wnd. Vz. ARRS 24 juni 1983, nr.
                    RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout).</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst.
                    Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</al><al><cursief>Vierde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij
                        niet tijdig beslissen)</cursief></al><al>Gezien het belang dat hier aan de orde is: het voorkomen van schade aan
                    groenvoorzieningen, lijkt het niet bijzonder wenselijk om hier een lex silencio
                    positivo toe te passen. Daarvan is dan ook afgezien.</al><al/><al><vet>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</vet></al><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.
                    Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van
                    gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra
                    en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter
                    plekke aanwezig zijn.</al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen.</al><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang.</al><al>Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het
                    publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de
                    plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke, dat
                    onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het
                    raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald
                    en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De Raad van State heeft de laatste jaren meerdere uitspraken gedaan over het
                    verwijderen van fietsen die buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen zijn
                    geplaatst. Verwezen wordt naar de uitspraken van 5 februari 2005 (nr.
                    200406067/1), 24 oktober 2007 (nr. 200702300/1), 6 februari 2008 (nr.
                    200703327/1) en 12 mei 2010 (nr. 200908219/1/H3).</al><al>Uit deze jurisprudentie kan ten aanzien van het verwijderen van foutief
                    geplaatste fietsen de volgende lijn worden afgeleid:</al><al>-Er moet feitelijk sprake zijn van een gevaarlijke of hinderlijke situatie die
                    het direct of na een beperkte tijd (begunstigingstermijn) verwijderen van deze
                    fietsen rechtvaardigt.</al><al>-Per geval zal moeten worden bezien of een (korte) begunstigingstermijn wel of
                    niet aan de orde is. Bijvoorbeeld geen begunstigingstermijn bij gevaarlijke
                    situaties, maar wel bij hinderlijke situaties.</al><al>-Er moeten in de buurt voldoende stallingsplaatsen voor fietsen aanwezig
                    zijn.</al><al>-In verband met bewijsvoering is het verstandig om een of meerdere foto’s te
                    maken van de foutief geplaatste fiets, voordat deze wordt verwijderd.</al><al>-Het besluit tot toepassing van bestuursdwang moet direct bij het ophalen van de
                    verwijderde en opgeslagen fiets of zo snel mogelijk daarna worden overhandigd
                    c.q. worden toegestuurd aan de eigenaar van de fiets.</al><al>-Degene die het besluit tot toepassing van bestuursdwang overhandigt moet
                    hiertoe gemandateerd zijn door het college van burgemeester en wethouders.</al><al>-Indien een fiets buiten de fietsklemmen, maar binnen de omheining van een
                    fietsenstalling wordt geplaatst zonder dat dit tot een gevaarlijke situatie
                    aanleiding geeft, kan niet tot onmiddellijke verwijdering van deze fiets worden
                    overgegaan. In zo’n geval zal eerst het besluit tot bestuursdwang op schrift
                    moeten worden gesteld.</al><al/><al><vet>AFDELING 2. COLLECTEREN</vet></al><al><vet>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de
                    liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen,
                    verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van
                    volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de
                    inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat maar een ander
                    (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de
                    opbrengst naar het goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het
                    geval is.</al><al>Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken
                    primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen
                    in handen hebben. Dit is destijds verwoord in de Memorie van Toelichting (MvT)
                    bij het wetsontwerp tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met een
                    bepaling omtrent telefonische colportage voor een goed doel (Kamerstuk 15678,
                    Stb. 1982,12). In de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook de overheid heeft
                    een taak om het misbruik dat in sommige gevallen van de betere gevoelens van de
                    mensen en van hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden. Niet alleen is dit
                    nodig ter bescherming van het publiek, maar ook ter bescherming van de bonafide
                    charitatieve instellingen, die voor de financiering van hun activiteiten in
                    meerdere of mindere mate zijn aangewezen op de offerzin van het publiek”.</al><al><cursief>De rol van het Centraal Bureau Fondsenwerving</cursief></al><al>Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de
                    inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het
                    CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse
                    gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig door het CBF
                    geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor nadere informatie. Het CBF is zo het
                    eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van
                    fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad
                    bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten
                    aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met
                    alle gemeenten en een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een
                    “collectenplan” gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF
                    jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt
                    waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een
                    week wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere
                    instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De
                    fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle
                    gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken
                    instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen mogelijk.</al><al>Zie ook de website van het CBF: http://www.cbf.nl/</al><al><cursief>Huidige ontwikkelingen</cursief></al><al>De vraag is of in de huidige maatschappij nog steeds behoefte is aan een
                    beschermende overheid zowel in het kader van het toezicht op bonafide
                    instellingen als van de beperking van het aantal inzamelingen met het oog op het
                    voorkomen van overlast voor burgers. Er zijn verschillende redenen om deze rol
                    van de overheid voort te zetten.</al><al>-De manieren waarop wordt ingezameld zijn steeds indringender geworden: via de
                    post (direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct dialogue),
                    door shows op tv (het Glazen Huis) en concerten (Live Aid, ) direct of indirect
                    aangesproken.</al><al>-De goede doelen-branche is steeds verder is geprofessionaliseerd; denk aan de
                    professionele (commerciële) enwervingsbedrijven. Deze sales- en
                    marketingbedrijven zijn gericht op het werven van klanten (leden of donateurs)
                    voor hun opdrachtgevers.</al><al>-Er zijn daarnaast nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving die enige
                    bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt regelmatig aangegeven dat het
                    bij bezoek aan de deur, voor wat voor reden dan ook, verstandig is een
                    legitimatie te vragen.</al><al>Dit alles doet vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van een
                    inzamelingsvergunning ongewenst zijn. Dit is voor de VNG de reden om de
                    inzamelingsvergunning niet te schrappen uit de model-APV.</al><al>Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster (zie hiervoor) wordt
                    een vergunning voor bepaalde tijd afgegeven. Juist doordat de gemeente bij deze
                    instellingen niet kan afgaan op een oordeel van het CBF dient deze zelf een
                    afweging te maken of sprake is van een bonafide instelling. Daarbij is het
                    uitgangspunt van het collecterooster dat er slechts één organisatie per week
                    huis-aan-huis mag collecteren met het oog op het voorkomen van overlast.</al><al>De landelijke instellingen doen een aanvraag om in een bepaalde week te mogen
                    inzamelen. Beide partijen (gemeente en aanvrager) zullen er voor zorgen dat de
                    vergunning ruim voor die tijd is verleend, omdat bij overschrijden van de
                    termijn de vergunning geen nut heeft. Gezien het collecterooster is namelijk
                    uitwijken naar een andere week niet eenvoudig. Er zijn overigens geen signalen
                    ontvangen uit de praktijk dat het niet halen van de termijnen een probleem
                    is.</al><al><cursief>Direct dialogue</cursief></al><al>Direct dialogue is een fondsenwervingmethode waarbij mensen worden aangesproken
                    en gevraagd om donateur of lid te worden van een instelling voor een goed doel
                    en waarbij een intekenlijst wordt aangeboden. Het publiek geeft een machtiging
                    af. Het is een wervingmethode die de laatste jaren snel populair is geworden.
                    Bij het opstellen van de bepaling van de model-APV is met deze methode geen
                    rekening is gehouden. Deze zag immers voornamelijk op landelijk georganiseerde
                    inzamelingen huis-aan-huis.</al><al>Tot voor kort voor was de meest voorkomende vorm van direct dialogue inzameling
                    op plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het winkelgebied of bij
                    stations. Tegenwoordig wordt deze vorm van inzamelen ook huis-aan-huis
                    toegepast. Dit maakt de vergunningverlening complexer. Duidelijk is dat voor de
                    huis-aan-huiswerving rekening gehouden dient te worden met het collecterooster.
                    De vergunning voor huis-aan-huis direct dialogue kan dan ook alleen verleend
                    worden voor de vrije perioden, waarin ook ruimte dient te zijn voor lokale
                    instellingen.</al><al>Organisaties die gebruik maken van direct dialogue, willen graag meerdere malen
                    per jaar, gedurende enkele dagen leden werven. Een systeem van
                    vergunningverlening zoals aan de huis-aan-huiscollecten ten grondslag ligt (één
                    keer per jaar één week) voldoet niet aan deze behoefte. Duidelijk is ook dat er
                    een verschil is tussen huis-aan-huis collecteren en inzamelingen op straat. Een
                    groot aantal huis-aan-huiscollecten geeft eerder dan een groot aantal
                    straatcollecten aanleiding tot afkeer en wrevel onder de bevolking (AR
                    02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3).</al><al>Niet elke gemeente heeft te maken met direct dialogue-activiteiten, maar
                    gemeenten die regelmatig aanvragen krijgen kunnen overwegen om beleidsregels
                    vast te stellen. De gemeente kan aangeven hoeveel instellingen op een zelfde dag
                    een inzamelingsvergunning krijgen voor straatwerving, waarbij ook gekeken kan
                    worden naar het aantal wervers dat per instelling ingezet mag worden. Ook kan de
                    gemeente bepalen op welke plaatsen gebruik kan worden gemaakt van de vergunning.
                    Afgewogen dient te worden welke plekken het meest wenselijk zijn vanuit de
                    belangen van de wervende instelling en welke plekken geschikt zijn in het kader
                    van verkeersveiligheid, openbare orde en overlast. De in artikel 1:8 opgenomen
                    weigeringgronden geven de gemeente de mogelijkheid aan de hand van daar genoemde
                    criteria een maximumstelsel te hanteren.</al><al>Er bestaat een Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct Dialogue
                    Donateurswervers Nederland. In deze gedragscode zijn regels opgenomen voor het
                    werven van leden en donateurs door middel van persoonlijke gesprekken. Enkele
                    van die regels zijn: de dienstverleners en hun medewerkers zullen zich aan
                    landelijke en lokale regelgeving houden (o.a. de APV), geen gebruik maken van
                    een intimiderende of agressieve werkwijze, de wervers hebben altijd een
                    identificatie bij zich en zijn goed getraind en geïnformeerd.</al><al><cursief>Direct dialogue in relatie tot venten</cursief></al><al>Het komt de laatste tijd regelmatig voor dat gemeenten benaderd worden door
                    marketing- en salesorganisaties die een vergunning aanvragen om huis-aan-huis
                    klanten te werven voor hun opdrachtgevers. Een opdrachtgever kan een
                    charitatieve instelling zijn waarvoor leden worden geworven door middel van een
                    intekenlijst, maar ook een bedrijf dat producten verkoopt. Bijvoorbeeld een
                    energie- of telefonieleverancier werft huis-aan-huis klanten waarbij aan de deur
                    een contract wordt ondertekend.</al><al>De vergunningen die mogelijk op deze activiteiten van toepassing zijn, zijn de
                    inzamelingsvergunning (art 5:13 APV) en de ventvergunning (art. 5:14 e.v. APV).
                    Wat betreft de inzamelingsvergunning is het verwarrend dat het niet het
                    charitatieve doel zelf is dat de vergunning aanvraagt, maar de commerciële
                    organisatie in opdracht van een goed doel. Voor de hand ligt dat aan deze
                    instelling bij het verlenen van de inzamelingsvergunning dezelfde voorwaarden
                    worden opgelegd als aan een charitatieve instelling, dus ook het terugkoppelen
                    van wat ingezameld is (hoeveel machtigingen en voor welk bedrag).</al><al>Bij venten ziet de vergunningplicht zowel op het aanbieden van goederen als het
                    aanbieden van diensten. Het werven van klanten voor energieleveranciers valt
                    onder het aanbieden van diensten. Doel is immers om via deze methode een
                    contract af te sluiten voor de levering van een dienst. Een andere vorm van
                    venten is het op straat of huis-aan-huis verkopen van producten als een hotelbon
                    of bon voor vakantiepark.</al><al><cursief>Gemeentelijk beleid met betrekking tot de verlening van de
                        inzamelingsvergunningen</cursief></al><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van inzamelingsvergunningen heeft
                    twee uitgangspunten: de inzameling geschiedt door bonafide te achten
                    instellingen en in het kader van overlast wordt het aantal collecten beperkt en
                    gelijkmatig over het jaar verdeeld. Desgewenst wordt een onderscheid gemaakt
                    tussen inzamelingen huis-aan-huis en op straat.</al><al>De collecten van landelijke instellingen, voorkomende op het collecterooster
                    krijgen een doorlopende vergunning. De gemeente volgt hierbij het CBF en de
                    Stichting Collecteplan. Instellingen die niet op dit collecterooster voorkomen
                    en een vergunning vragen voor een vrije periode of voor werving op straat dienen
                    door de gemeente beoordeeld te worden. Bij de beoordeling van de aanvragen
                    worden in de praktijk onder meer de volgende criteria gehanteerd (indien van
                    toepassing):</al><al>-de instelling moet als bonafide zijn aan te merken (advies inwinnen bij
                    CBF);</al><al>-de instelling moet specifiek plaatselijke kenmerken bezitten; en/of</al><al>-de voorgenomen actie is geen duplicering van andere al “gevestigde”
                    inzamelingen ten bate van een identiek doel, met name dat van instellingen
                    vermeld op het collecteplan; en/of</al><al>-de opbrengst van de voorgenomen collecte moet worden besteed ten behoeve van
                    personen of instellingen buiten de kring van collecterende instellingen;
                    en/of</al><al>-de aanvragende instelling mag geen (controversiële) politieke doeleinden
                    nastreven;</al><al>-controle van de begroting op besteding van de gelden;</al><al>-tellen onder toezicht van een notaris;</al><al>-betalingsbewijs achteraf (dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt aan
                    doel);</al><al>-gesloten bus, legitimatie inzamelaars etc.;</al><al>-onderschrijven Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct Dialogue
                    Donateurswervers Nederland.</al><al><cursief>Dierenrechtenactivisme en dierenrechtenextremisme</cursief></al><al>In het voorjaar van 2009 heeft er een Algemeen Overleg in de Tweede Kamer
                    plaatsgevonden waarbij de inzamelingsvergunning ter sprake kwam. Aanleiding voor
                    het AO vormt een rapport van de AIVD Dierenrechtenextremisme in Nederland
                    gefragmenteerd maar groeiende. In dit rapport wordt het volgende opgemerkt:
                    “Zeer regelmatig wordt er gecollecteerd in bijvoorbeeld winkelcentra, waarbij
                    getracht wordt de goedgeefsheid van het publiek te bevorderen door het vertonen
                    van shockerende foto’s”.</al><al>In het AO hebben Kamerleden aan de minister gevraagd of het voorkomt dat
                    gecollecteerd wordt door organisaties die illegale activiteiten plegen. De
                    minister heeft toegezegd in overleg met de VNG na te gaan hoe gemeenten omgaan
                    met de vergunning verlening voor collecten en welke criteria daarbij gehanteerd
                    worden.</al><al>Zowel het CBF als de VNG herkennen het beeld dat de AIVD in haar rapport schetst
                    niet. Wij vermoeden dat deze collectes vooral plaatsvinden zonder vergunning.
                    Het is daarmee allereerst een handhavingstaak.</al><al>In het geval er wel een vergunning wordt aangevraagd zal dit waarschijnlijk een
                    incidentele vergunning betreffen. In de paragraaf hierboven is aangegeven welke
                    criteria de gemeente kan hanteren bij het verlenen van een incidentele
                    vergunning.</al><al>Van belang is dat altijd contact wordt opgenomen met het CBF. Zij kunnen
                    aangeven of deze organisatie een keurmerk of certificaat heeft. Ook kan worden
                    aangegeven of de organisatie recent ook in andere gemeenten een aanvraag voor
                    een inzamelingsvergunning heeft ingediend. Indien bij het CBF wordt gemeld dat
                    zich problemen voordoen met dergelijke organisaties kan het CBF besluiten om
                    daar bekendheid aan te geven door bijvoorbeeld een waarschuwing te plaatsen op
                    de website van het CBF.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college
                    nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels
                    collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de
                    inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd
                    wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in
                    geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te
                    doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of
                    aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                    plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor
                    een commercieel doel.</al><al>Deze bepaling ziet formeel ook op inzamelen met collectebussen die op de
                    toonbank van winkels geplaatst zijn. Meestal betreft het hier een collectebus
                    die voor langere tijd geplaatst wordt. Hoewel dit formeel vergunningplichtig is,
                    wordt hier in de praktijk soepel mee omgegaan. Het heeft nog nooit tot klachten
                    van hetzij burgers hetzij organisaties op het collecterooster geleid.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij
                    een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt
                    veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding
                    van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij
                    de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al><al><cursief>Briefkaartenacties</cursief></al><al>Bij briefkaartenacties worden briefkaarten huis-aan-huis te koop aangeboden.
                    Deze activiteit komt tot stand op initiatief van commerciële organisaties
                    waarbij de naam van een goed doel wordt gebezigd. Er wordt gebruikt gemaakt van
                    studenten bij de verkoop. Een klein deel van de opbrengst komt ten goede aan het
                    goede doel, de rest van de opbrengst aan de initiatiefnemers van de commerciële
                    instelling. Het is verwarrend dat erkende goede doelen (CBF-keur) meewerken aan
                    dergelijke acties, Het CBF dringt er bij de door haar erkende goede doelen dan
                    ook op aan om goed toezicht te houden op de verkoopactiviteiten en de informatie
                    die daarbij vertrekt wordt. Vanwege klachten over deze activiteiten die zowel
                    bij het CBF als bij de goede doelen zijn binnengekomen, is door verschillende
                    instellingen met een goed doel besloten te stoppen met deze activiteiten.</al><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van
                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit is
                    niet het geval. In vaste rechtspraak is een scheiding aangebracht tussen het
                    collecteren enerzijds en het daarbij aanbieden van gedrukte stukken anderzijds
                    (HR 26-05-1987, 106, Vz ARRS 16-08-1979, AB 1979, 297 en 18-10-1979, OB 180, nr.
                    41340, rubriek III.2.2.7). Ook een beroep op artikel 10 van het EVRM en artikel
                    19 van het IVBPR heeft de verbindendheid van een dergelijke bepaling niet
                    aangetast.</al><al>In het tweede lid van artikel 5:13 zijn de beide handelingen - het collecteren
                    en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar
                    gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare
                    inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of
                    verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Dit houdt dus in dat als een
                    aanvraag om een inzamelingsvergunning wordt geweigerd waarbij de aanvrager van
                    plan was om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het
                    recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan. Daarbij maakt het
                    bijzondere element “... indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk
                    wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of een
                    ideëel doel is bestemd” nog eens duidelijk, dat het gaat om een regeling van het
                    collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met gedrukte
                    stukken. Huis-aan-huisverkoop van briefkaarten e.d. waarbij te kennen wordt
                    gegeven dat dit geheel of gedeeltelijk plaatsvindt ten behoeve van het goede
                    doel is op basis van het bovenstaande dan ook een vergunningplichtige
                    activiteit. De uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2000, NJ 2000, 482 waar
                    door commerciële kaartverkooporganisaties nog wel eens naar verwezen wordt, doet
                    daar niet aan af. Bij deze kaartverkoopacties is het voornaamste doel het
                    inzamelen van geld (veelal deels ten behoeve van het goede doel).</al><al>Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of inzamelen (onder gelijktijdige
                    aanbieding van gedrukte stukken)</al><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                    onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Venten
                    of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, eerste
                    lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de
                    kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van
                    gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de
                    verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer
                    voor deze stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt
                    gevraagd. Denk hierbij aan de verkoop van abonnementen op kranten of
                    tijdschriften. Verkrijgt men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag
                    of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken,
                    bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een
                    duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake
                    van een collecte. De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning
                    van die actie uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte.
                    Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort, zonder vergunning gehouden
                    inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden, dat te kennen is
                    gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is
                    bestemd voor een ideëel doel</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid van artikel 5:13 is een uitzondering op de vergunningplicht
                    opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. Voor deze
                    uitdrukking is aansluiting gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch
                    colporteren voor charitatieve doeleinden wordt verboden. De uitdrukking “in
                    besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de
                    persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of
                    verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het
                    begrip “besloten kring” veronderstelt een nauwere band dan alleen het
                    gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere
                    gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band
                    tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk
                    lidmaatschap van een grote organisatie als een vak- of een omroepvereniging.
                    Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde kerkgenootschap. Wordt de actie
                    echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door een
                    plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake
                    kunnen zijn van een besloten kring.</al><al><cursief>Vierde lid Lex silencio positivo</cursief></al><al>Gezien het ideële belang van collectes, die doorgaans voor een bepaald moment
                    zijn gepland en waarbij voor dat moment vrijwilligers e.d. zijn aangezocht, is
                    het van belang dat er tijdig op een aanvraag wordt beslist. Wij hebben ervoor
                    gekozen daarom wel een lex silencio positivo op te nemen. Uiteraard kan de
                    gemeenteraad hier een andere afweging maken.</al><al><cursief>Jurisprudentie collectevergunning en textiel</cursief></al><al>De Raad van State oordeelde dat ingezameld textiel (draagbare en niet-draagbare
                    kleding, lakens, dekens, grote lappen stof en gordijnen) is aan te merken als
                    een huishoudelijke afvalstof, omdat de aangeboden kleding kennelijk ongesorteerd
                    wordt aangeboden en daarom nog een sorteerbewerking moet ondergaan. Een deel van
                    de ingezamelde textiel kan namelijk gebruikt worden overeenkomstig de
                    oorspronkelijke bestemming, een deel is slechts geschikt voor een ander gebruik
                    en een deel is onbruikbaar. De Raad van State verwijst ook naar een uitspraak
                    van het Hof van Justitie, waarin werd geoordeeld dat het toepassingsgebied van
                    het begrip afvalstof afhangt van de term “zich ontdoen van”. ABRS 28-01-2003,
                    nr. 200206958.</al><al><cursief>Jurisprudentie overig</cursief></al><al>Noch een APV-vergunning inzake het inzamelen van geld en goed, noch een
                    vergunning voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en/of groot
                    huisvuil is vereist. Inzameling van kleding is geen inzameling van huisvuil.
                    Inzamelen bij een centraal inzamelpunt is geen inzameling aan de weg of aan
                    huis. Vz. ARRS 19-01-1993, JG 93.0355 , Gst. 1994, 6983, 3 m.nt. EB.</al><al>Het beleid van het college dat - conform het advies van het Centraal Archief van
                    het Inzamelingswezen - sedert 1985 aan landelijk opererende instellingen die in
                    de zgn. vrije periode collecteren, de voorwaarde wordt gesteld tot het binnen
                    twee jaar overleggen van een financiële verantwoording, in de vorm van een
                    jaarverslag met een accountantsverklaring, is niet onredelijk. ARRS 28-02-1989,
                    AB 1989, 251.</al><al>Een groot aantal huis-aan-huiscollecten kan eerder dan een groot aantal
                    straatcollecten aanleiding geven tot afkeer en wrevel onder de bevolking. ARRS
                    02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3, m.nt. J.M. Kan.</al><al>Een inzameling is openbaar als deze aan de openbare weg of van daaraf zichtbaar
                    dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats plaatsvindt. HR
                    31-10-1938, NJ 1939, 235</al><al>Het te koop aanbieden van bonnetjes op zich zelf en zonder dat is aangegeven tot
                    welk doel de opbrengst van de verkoop strekt, is nog niet aan te merken als het
                    houden van een openbare inzameling. HR 07-11-1932, W. 1933, 12584.</al><al>Het zich tot verschillende personen wenden om een geldelijke bijdrage, levert
                    het houden van een inzameling van geld op, ook indien op die verzoeken slechts
                    één gift is ontvangen. HR 21-03-1927, NJ 1927.</al><al>De collectevergunning geldt voor liefdadige én commerciële inzamelingen.
                    Daarnaast rechtvaardigt de ABRS het door de gemeente gelegde verband tussen
                    inzamelingsvergunningen voor textiel en het afvalstoffenbeleid, JG 00.0187.</al><al/><al><vet>AFDELING 3. VENTEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:14 Begripsbepaling</vet></al><al>Bij de herziening van 2007 is omschreven wat onder venten wordt verstaan. Dit is
                    een verbetering omdat het uitoefenen van de ambulante handel (het venten)
                    onderscheiden moet worden van enerzijds de collectevergunning en anderzijds de
                    standplaatsvergunning. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging
                    is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het
                    tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen venten. HR 26-03-1974, NJ
                    1974, 239.</al><al>Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of
                    colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de
                    vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen
                    goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen.
                    Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig bedrag of een
                    weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag
                    aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk
                    kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen
                    worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij
                    strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder vergunning gehouden inzamelingen
                    zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden dat te kennen is gegeven of de
                    indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een
                    ideëel doel.</al><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats betreft de
                    periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                    aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een
                    standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde
                    plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een
                    aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats innemen
                    vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR 26-03-1974, NJ
                    1974, 239. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</al><al><cursief>Direct dialogue in relatie tot venten</cursief></al><al>In het algemene gedeelte van de etoelichting bij artikel 5:13 (inzamelen geld of
                    goederen) is hierover een passge opgenomen onder de kop “direct dialogue”.</al><al/><al><vet>Artikel 5:15 Ventverbod</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het is verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen. De terminologie
                    sluit aan bij de Europese Dienstenrichtlijn. Hieronder vallen de aloude motieven
                    van overlast (in de meeste gevallen) en verkeersveiligheid. Zie voor nadere
                    uitleg de toelichting onder artikel 1:8. Tot het afschaffen van het
                    vergunningstelsel is besloten, omdat in de meeste gemeenten venten geen overlast
                    e.d. oplevert. De praktijk van vergunningverlening is dat men de vergunning
                    vrijwel altijd verleent onder dezelfde voorwaarden. Er is dan geen goede reden
                    waarom een vergunningstelsel nog noodzakelijk en proportioneel is. Overlast kan
                    ook achteraf worden aangepakt. Wij achten het risico van achteraf controleren
                    niet veel groter dan van het vooraf vaststellen van de voorwaarden die vaak
                    dezelfde zijn. Volgens de Dienstenrichtlijn is een vergunning alleen
                    proportioneel als een controle achteraf onvoldoende is.</al><al>De uitgangspunten van de Dienstenrichtlijn op grond van het EG-verdrag gelden
                    overigens in het geval van venten ook voor het verkopen van goederen. Volgens
                    het Hof van Justitie kunnen beperkingen gesteld worden aan de vrijheid van
                    venten indien sprake is van een dwingende reden van algemeen belang. Op grond
                    van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn mogen er eisen worden gesteld aan
                    dienstverleners die tijdelijk in Nederland hun diensten aanbieden het belang van
                    de openbare orde, openbare veiligheid. Zie voor de argumentatie waarom gekozen
                    is voor deze regeling de toelichting bij artikel 1:8.</al><al>In de praktijk is het noodzakelijk beleidsregels te formuleren in welke gevallen
                    sprake is van gevaar voor de in het artikel genoemde motieven. Dergelijke
                    beleidsregels moeten bekend gemaakt worden. Ook beleidsregels moeten voldoen aan
                    criteria van de Dienstenrichtlijn. Immers volgens artikel 4, van de Richtlijn
                    vallen onder de definitie van eisen die gesteld kunnen worden: elke
                    verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de
                    wettelijke een bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in de late
                    avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.</al><al><cursief>Verhouding met het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet</cursief></al><al>In artikel 12 van het Vrijstellingenbesluit Wtw is bepaald dat het verbod om op
                    zon- en feestdagen zaken aan particulieren te verkopen niet geldt voor het te
                    koop aanbieden en verkopen van voor directe consumptie geschikte eetwaren en
                    alcoholvrije dranken. Daar valt venten dus ook onder. Op grond van het tweede
                    lid van art 12 Vrijstellingenbesluit kan de raad bij verordening bepalen dat de
                    vrijstelling uit het eerste lid niet geldt voor de betrokken gemeente of een of
                    meer delen daarvan.</al><al>Venten met eet- en drinkwaren en frisdrank op zon- en feestdagen is dus
                    toegestaan o.g.v. art 12 Vrijstellingenbesluit, tenzij de raad (een deel van) de
                    gemeente uitzondert. In onze model-Winkeltijdenverordening is daarvoor een
                    bepaling opgenomen.</al><al>Daarnaast kan de raad het venten met alle goederen (inclusief eet- en
                    drinkwaren) op zon- en feestdagen verbieden of beperken tot bepaalde uren op
                    grond van artikel 5:15 van de model-APV.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het derde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving. Artikel 5 van de
                    Wegenverkeerswet luidt: Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat
                    gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer
                    op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</al><al/><al><vet>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel
                    van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er
                    in een concrete situatie sprake is van de uitoefening van “een zelfstandig
                    middel van bekendmaking” in de zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er
                    sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of
                    gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot
                    de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de
                    Grondwet.</al><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de
                    praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een
                    groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met prentbriefkaarten.
                    De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in het kader van een
                    commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte stukken
                    betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen
                    worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de
                    opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te
                    komen aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op
                    grond van overtreding van een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt
                    vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk.</al><al>In een geval van verkoop van posters met reproducties van aquarellen en
                    afbeeldingen van foto’s al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat deze
                    voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting van kunst
                    bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke gedrukte stukken
                    gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens openbaren als bedoeld in art.
                    7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de
                    inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                    resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod.</al><al>Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het
                    verlenen van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wel
                    toelaatbaar. De beperking van de verkoop van drukwerk waarop een mededeling
                    staat is, gelet op artikel 7 van de Grondwet, niet mogelijk voor zover het
                    betreft de inhoud van het drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers
                    “iedere openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of een
                    gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit” (Kb 5 juni
                    1986, Stb. 339). Wel kan de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare
                    orde en veiligheid naar tijd en plaats worden ingeperkt.</al><al><cursief>Daklozenkrant</cursief></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop
                    plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de
                    eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te
                    overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigt. Immers
                    niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit
                    zijn van een identiteitsbewijs van de koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen
                    dat ze officiële straatkantverkopers zijn.</al><al><cursief>Vierde lid Lex silencio positivo</cursief></al><al>Er is voor gekozen hier wel een lex silencio positivo op te nemen. De vrijheid
                    van meningsuiting is een zaak van belang, en het zou niet wenselijk zijn als de
                    overheid hier door niet te beslissen de zaak in het onzekere zou laten.</al><al>De gemeenteraad kan hier een andere afweging maken.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Strafrechtelijk verleden staat in de weg aan het verlenen van ventvergunning.
                    Geen uitzondering op het beleid gezien de aard van de gepleegde feiten en de
                    veelvuldige veroordelingen. ARRS 26-07-1993, AB 1994, 2 m.nt. LJJR. Zie ook Vz.
                    ARRS 20-10-89, JG 90.0181 .</al><al>Relatie Colportagewet en ventverbod uit de APV. Colportagewet niet uitputtend
                    bedoeld. HR 20-10-1992, JG 93.0258 , NJ 1993, 155, Gst.1993, 6972, 5 m.nt.
                    EB.</al><al>Verkoopactiviteiten vanuit rijdende winkel is vergunningplichtig op grond van de
                    APV. De regeling in de APV is niet in strijd met de Vestigingswet Bedrijven 1954
                    (inmiddels ingetrokken). Aan toetsing van de APV-bepaling aan artikel 30 van het
                    EG-verdrag komt de afdeling niet toe. ABRS 27-11-1998, Gst.1999, 7090, 4 m.nt.
                    HH.</al><al>Het aanbieden van goederen in een rijdende winkelwagen kan aan regels worden
                    gebonden ten behoeve van de handhaving van de openbare orde. Er is sprake van
                    venten. ARRS 15-06-1984, Gst. 1984, 6789, 4 m.nt. J.C. Schroot.</al><al>Van venten is sprake als de venter zijn waren voortdurend vanaf een andere
                    plaats aanbiedt, tenzij hij zijn clientèle aan het bedienen is. Er geldt een
                    verbod tot het aanbieden vanaf een vaste plaats. Het tijdelijk stilstaan in
                    afwachting van klanten is in strijd met de verleende ventvergunning. HR
                    26-03-1974, NJ 1974, 239.</al><al>Venten met gedrukte of geschreven stukken wordt aangemerkt als een zelfstandig
                    middel van verspreiding. HR 17-03-1953, NJ 1953, 389, Wachttorenarrest en HR
                    20-06-1950, NJ 1950, 619.</al><al>Terechte weigering van ventvergunning. Het reguleren van de ambulante handel is
                    een zaak die tot de gemeentelijke huishouding behoort. Pres. Rb. Assen
                    31-10-1996, JG 97.0078</al><al>Wanneer ondanks verleende ventvergunning feitelijk vanaf een standplaats wordt
                    gehandeld, dient een aanschrijving te worden gebaseerd op artikel 5.2.3 en niet
                    (mede) op artikel 5.2.2. Gelet op het bepaalde in artikel 5.2.2 lid 2 onder d
                    (oud) en artikel 5.2.3 (oud) sluiten venten en het innemen van een standplaats
                    elkaar uit, zodat deze artikelen niet naast elkaar aan de aanschrijving ten
                    grondslag kunnen worden gelegd. ABRS 23-03-1998, AB 1998,- 277.</al><al>Venten met posters valt onder de vrijheid van meningsuiting. Posters zijn een
                    bepaalde uiting van kunst of ludiek van aard. Er kan daarom niet gezegd worden
                    dat de posters geen gedachten of gevoelens openbaren. HR 21-03-2000, NJ 2000,
                    482.</al><al/><al><vet>AFDELING 4. STANDPLAATSEN</vet></al><al><vet>Artikel 5:17 Begripsbepaling</vet></al><al>Artikel 5:17 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen.
                    Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf
                    een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van
                    het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit
                    gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de
                    openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de
                    standplaatshouder niet.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het
                    innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis
                    van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. Degene die
                    op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats wil innemen zal zich
                    moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze zijn in veel
                    gemeenten in een marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt
                    is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen
                    worden ingenomen in de open lucht.</al><al>Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning
                    krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25
                    van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een
                    standplaats niet van toepassing zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Wij achten een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig
                    ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de
                    openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden
                    aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast
                    door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:6).</al><al><cursief>Vergunning voor onbepaalde tijd</cursief></al><al>Een vergunning wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7).
                    Indien de gemeente de vergunning met het oog op de verdeling van standplaatsen
                    aan een termijn wil verbinden, dan is het zaak te motiveren waarom dit
                    noodzakelijk is in het belang van onder meer de openbare orde, overlast en de
                    verkeersveiligheid en milieu. Zie voor nadere toelichting bij de artikelen
                    1:7.</al><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>In het derde lid van artikel 5.2.3 (oud) werd een uitzondering gemaakt op het
                    verbod op de straathandel voor zover het betreft het uitstallen van stukken
                    waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard (artikel 7 Grondwet). Voor het
                    aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen vergunning worden geëist.
                    Het wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een
                    vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden
                    aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte
                    stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt
                    ingenomen. Dus het gaat hier om een standplaatsvergunning.</al><al><cursief>Tweede lid Bestemmingsplan</cursief></al><al>De bepalingen in de model-APV met betrekking tot het innemen van een standplaats
                    zijn gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de
                    regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding
                    behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke
                    ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit
                    betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het
                    innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit
                    het bestemmingsplan voortvloeien.</al><al>Als het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk
                    uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen
                    gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het
                    bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens
                    jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen
                    zelfstandige planologische regeling bevat.</al><al><cursief>Derde lid, onder a Redelijke eisen van welstand</cursief></al><al>De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden
                    ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt.
                    Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden
                    tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of
                    stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de
                    inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig
                    om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen.</al><al><cursief>Derde lid onder b Redelijk verzorgingsniveau</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De
                    gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede)
                    diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet
                    toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter
                    nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van
                    goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing.</al><al><cursief>Maximumstelsel</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in
                    het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen
                    aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden
                    beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare orde in gevaar
                    wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van
                    zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is.</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn
                    in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van
                    artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op
                    objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet
                    zijn.</al><al>Het aantal vergunningen moet vastgesteld worden voordat tot uitvoering van het
                    beleid wordt overgegaan. De locaties waar een standplaats mag worden ingenomen
                    moeten zo zorgvuldig mogelijk worden geselecteerd. Het totaal aantal aangewezen
                    standplaatsen tezamen levert het maximum aantal af te geven
                    standplaatsvergunningen op. Het laten opmaken van een politierapport met
                    betrekking tot de mogelijkheden tot het innemen van een standplaats op de
                    verschillende locaties kan een verdere onderbouwing leveren van het vastgestelde
                    maximum aantal standplaatsvergunningen. In dit politierapport kan worden
                    aangegeven welke gevolgen het innemen van standplaatsen zal hebben voor de
                    verkeersveiligheid en de handhaving van de openbare orde.</al><al>Het innemen van een standplaats kan verder worden geordend door tijdstippen aan
                    te wijzen wanneer een standplaats mag worden ingenomen. Een verdeling naar dagen
                    van de week en eventueel naar dagdelen kan een nadere invulling geven aan het
                    maximum aantal standplaatsvergunningen. Een dergelijk beleid kan zowel voor de
                    gehele gemeente als voor nader aan te geven gedeelten van de gemeente van kracht
                    zijn.</al><al>Een verdere verfijning van het maximum aantal standplaatsvergunningen kan worden
                    bereikt door een onderverdeling naar een aantal branches in te stellen. Per
                    branche kan dan een maximum aantal af te geven vergunningen worden bepaald.
                    Opgemerkt moet worden, dat een dergelijk maximum aantal vergunningen slechts
                    door de rechter wordt toegelaten indien het aantal aanvragen per branche het
                    totaal aantal af te geven vergunningen overtreft.</al><al>Indien voor een branche niet het maximum aantal vergunningen wordt afgegeven,
                    acht de rechter geen noodzaak tot handhaving van dit stelsel aanwezig.</al><al>Bij het vaststellen van een maximum aantal vergunningen, eventueel uitgesplitst
                    naar plaats, tijdstip of branche, moet rekening gehouden worden met het aantal
                    reeds afgegeven vergunningen.</al><al>Indien het totaal aantal aanvragen om een standplaatsvergunning het totaal
                    aantal af te geven vergunningen overtreft kan het college een wachtlijst
                    opstellen. De aanvragen worden dan geregistreerd in volgorde van binnenkomst.
                    Indien een standplaatshouder te kennen geeft zijn standplaats niet meer in te
                    zullen nemen, kan deze vergunning aan de eerste op de wachtlijst toegekend
                    worden.</al><al>Ten slotte moet opgemerkt worden dat iedere aanvraag tot het innemen van een
                    standplaats afzonderlijk beoordeeld moet worden. Aan de hand van de in de
                    model-APV vastgestelde weigeringsgronden en het aan de hand hiervan
                    geformuleerde beleid moet een afweging plaatsvinden of de aangevraagde
                    standplaatsvergunning verstrekt kan worden.</al><al>Men houde ook de eis van de Dienstenrichtlijn voor ogen dat een wachtlijst noch
                    direct noch indirect discriminatoir mag zijn.</al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college
                    beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het
                    afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het vaststellen van een
                    dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen bekendgemaakte criteria worden
                    aangegeven, die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden gehanteerd,
                    is blijkens de jurisprudentie toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat te
                    voeren beleid niet mag leiden tot een beslissing omtrent een aangevraagde
                    vergunning die niet kan worden herleid tot één van de in artikel 1:8 genoemde
                    weigeringsgronden. Rb Utrecht 23-12-1998, KG 1999, 78. Ook beleidsregels zijn
                    volgens artikel 4, van de Dienstenrichtlijn onderworpen aan dwingende reden van
                    algemeen belang: de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en
                    het milieu.</al><al>Bij het hanteren van deze weigeringsgronden kan een verdeling gerealiseerd
                    worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven vergunningen zodanig
                    over de week verspreid worden, dat een concentratie van de in te nemen
                    standplaatsen wordt tegengegaan. De weigeringsgronden kunnen ook gebruikt worden
                    wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat. Een aantal
                    standplaatsen op één plek doet ook de kans op feitelijke marktvorming ontstaan.
                    Ook is het mogelijk om specifieke standplaatsen op bepaalde locaties te weren.
                    Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bakkramen die in verband met stankoverlast
                    of brandgevaarlijkheid niet in de directe nabijheid van gebouwen gewenst
                    zijn.</al><al><cursief>Inhoud standplaatsenbeleid</cursief></al><al>De motieven waarop een beleid met betrekking tot het innemen van standplaatsen
                    berust, mogen niet strijdig zijn met de bevoegdheidsgrondslag om ordenend op te
                    treden. Het beleid dat door het college wordt vastgesteld ter uitvoering van de
                    APV-bepalingen mag niet de wettelijke grondslag (art. 149 Gemeentewet) van deze
                    APV-bepalingen overschrijden.</al><al>De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kan vastleggen
                    betreffen:</al><al>de vaststelling van het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen;</al><al>de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per branche.
                    de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden ingenomen;</al><al>de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden ingenomen.</al><al>De vaststelling van het aantal af te geven vergunningen wordt bepaald aan de
                    hand van een feitelijke invulling van de verschillende in artikel 1:8 genoemde
                    weigeringsgronden. Nadat aan de hand van ieder motief afzonderlijk is bepaald op
                    welke plaats in de gemeente een standplaats kan worden ingenomen, valt aan de
                    hand van het totaalbeeld dat hieruit resulteert, aan te geven wat het maximum
                    aantal af te geven standplaatsvergunningen is. Aan de hand van ieder motief
                    afzonderlijk is een aantal plaatsen aan te duiden waar een standplaats ingenomen
                    kan worden.</al><al>Nadat een overzicht van het aantal mogelijk in te nemen standplaatsen en het
                    maximumaantal standplaatsvergunningen is vastgesteld, kan het college een beleid
                    vaststellen ten aanzien van de handhaving en het toezicht en de wijze waarop
                    gehandeld wordt als het maximum aantal vergunningen reeds is afgegeven. Het
                    betreft hier dan een wachtlijstensysteem dat van toepassing is wanneer het
                    aantal aanvragen het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen
                    overschrijdt.</al><al><cursief>Vergunningsvoorschriften</cursief></al><al>Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10
                    van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op
                    criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                    zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                    belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Zie ook artikel 1:4 en de toelichting bij dit artikel.</al><al>Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen:</al><al>het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode geen
                    standplaats is ingenomen;</al><al>de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet men wel
                    het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen goederen voor de
                    consument. Anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen zijn;</al><al>-de grootte van de standplaats;</al><al>-de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden;</al><al>-het uiterlijk aanzien van de standplaats;</al><al>-tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats;</al><al>-eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid;</al><al>-opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie.</al><al><cursief>Overige regelgeving</cursief></al><al>Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van de
                    model-APV van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan
                    de straathandel</al><al><cursief>Wet op de Ruimtelijke ordening</cursief></al><al>Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege
                    strijd met een geldend bestemmingsplan. Wanneer wel een vergunning, zoals
                    vereist krachtens de model-APV, wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die in
                    het geldende bestemmingsplan worden gesteld, van kracht.</al><al>Het college kan een aanvraag voor het innemen van een standplaats mede opvatten
                    als een verzoek om vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het
                    bestemmingsplan. In een dergelijk geval wordt een aanvraag gebruikt voor twee
                    afzonderlijke procedures. Het is dan niet nodig twee afzonderlijke aanvragen in
                    te dienen.</al><al><cursief>Winkeltijdenwet</cursief></al><al>De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden
                    van winkels en het leveren van goederen aan particulieren. De bepalingen uit de
                    Winkeltijdenwet gelden ook voor de verkoop van goederen vanaf een standplaats..
                    Dit is dus op zon- en feestdagen in beginsel niet toegestaan, maar het
                    Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet maakt daarop in artikel 12, eerste lid een
                    uitzondering voor de verkoop van eet- en drinkwaren die direct voor consumptie
                    geschikt zijn en alcoholvrije dranken. In het tweede lid is bepaald dat de raad
                    (een deel van) de daarvan kan uitzonderen. Onze model-Winkeltijdenverordening
                    heeft daarvoor een bepaling.</al><al><cursief>Warenwet</cursief></al><al>Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet
                    (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere dan van
                    tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de
                    Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede
                    hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met
                    betrekking tot de hygiëne en degelijkheid van producten. Met betrekking tot het
                    toezicht op de naleving van de bepalingen van de Warenwet is een afzonderlijk
                    regime van toepassing.</al><al>De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden naast de voorschriften
                    die door het college gesteld kunnen worden op basis van een
                    standplaatsvergunning.</al><al><cursief>Wet milieubeheer</cursief></al><al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen
                    die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen
                    gelden ook voor een standplaatshouder, voor zover zijn verkoopplek als
                    “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de regelgeving die geldt voor
                    bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan
                    bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Ook van belang is de
                    model-Afvalstoffenverordening.</al><al><cursief>Gebruik van de openbare weg</cursief></al><al>Voor het innemen van een standplaats op de openbare weg is een vergunning
                    vereist. In veel gevallen zal de gemeente de eigenaar of rechthebbende van de
                    openbare weg zijn. Op grond hiervan kan de gemeente van degene die op de
                    openbare weg met vergunning een standplaats inneemt een vergoeding bedingen voor
                    het gebruik van het deel van de openbare weg. De grondslag voor het bedingen van
                    een dergelijke vergoeding kan gegeven worden in een retributieverordening of in
                    een huurovereenkomst.</al><al>In een retributieverordening kan afhankelijk van het formaat en de locatie van
                    de standplaats een bepaald bedrag worden vastgesteld.</al><al>Voor wat betreft de huurovereenkomst kan worden opgemerkt dat een beleid kan
                    worden vastgesteld met betrekking tot de plaats en de grootte van de
                    standplaats. Per in te nemen locatie kan een vaste prijs worden berekend. De
                    huurprijs en andere voorwaarden die in een huurovereenkomst worden bedongen
                    mogen geen belemmering vormen voor het innemen van een standplaats. Uit
                    jurisprudentie is gebleken dat het bedingen van een hoge huurprijs voor het
                    gebruik van de openbare weg niet zover kan gaan dat een feitelijke belemmering
                    ontstaat voor het innemen van een standplaats waarvoor een vergunning is
                    verleend, zie Vz. ARRS 12-04-1991, JG 91.0369 .</al><al>Met betrekking tot de keuze tussen het vaststellen van een retributieverordening
                    en het aangaan van een huurovereenkomst moet opgemerkt worden dat een dergelijke
                    keuze consequent gehanteerd dient te worden. (Zie hierover de algemene
                    leerstukken met betrekking tot de tweewegenleer).</al><al/><al><vet>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</vet></al><al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                    standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt.
                    Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die
                    zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al><al/><al><vet>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>AFDELING 5. SNUFFELMARKTEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:22 Begripsbepaling</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten
                    organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar
                    “ongeregelde” zaken verkocht. Bij “ongeregelde” zaken kan met name worden
                    gedacht aan incourante goederen, dat wil zeggen goederen, die in de regel niet
                    meer langs normale handelskanalen het publiek bereiken, zoals bij voorbeeld
                    beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn, restanten en zaken van
                    een te liquideren onderneming.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Van de snuffelmarkt te onderscheiden zijn:</al><al>-de weekmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                    Gemeentewet</al><al>-Het begrip “markt” is niet nader omschreven in de Gemeentewet. In de regel
                    worden op een weekmarkt “geregelde” waren verkocht, dat wil zeggen: geen
                    tweedehands goederen. Indien de te verwachten concentratie van een aantal
                    standplaatsen zo hoog is, dat het uiterlijk de karakteristieken van een markt
                    krijgt, mag niet meer worden volstaan met het verlenen van
                    standplaatsvergunningen, maar dient het college een besluit te nemen over het
                    instellen van een markt. De weekmarkt wordt in de meeste gemeenten gereguleerd
                    door een marktverordening. De VNG heeft een model marktverordening
                    uitgebracht.</al><al>De jaarmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                    Gemeentewet</al><al>Ook het begrip “jaarmarkt” wordt niet nader gedefinieerd in de Gemeentewet. Bij
                    een jaarmarkt moet gedacht worden aan een jaarlijks terugkerende traditie. Zo
                    wordt in sommige gemeenten al sinds jaar en dag een veemarkt op een vast
                    tijdstip, bijvoorbeeld op tweede paasdag, gehouden. Het college dient voor dit
                    type markt een instellingsbesluit te nemen. Verder zal de raad voor een
                    dergelijke markt ook een aparte regeling moeten vaststellen, die eventueel
                    geïntegreerd kan worden in de APV of in de marktverordening.</al><al>-Evenement: de zogenaamde snuffelmarkten worden gehouden in een gebouw of
                    plaats. Indien het betreft braderieën, vrijmarkten op Koninginnedag of
                    vlooienmarkten in de openbare ruimte, is deze paragraaf niet van toepassing,
                    maar is er sprake van een evenement, dat al dan niet vergunningplichtig is op
                    grond van artikel 2:25.</al><al/><al><vet>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</vet></al><al>De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt kunnen een
                    uitstralende werking hebben buiten het gebouw. Het houden van een snuffelmarkt
                    is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te worden aangetast en overlast
                    (milieu in de zin van de Dienstenrichtlijn) te verwachten is. In het belang van
                    deze motieven is de vergunningplicht gehandhaafd. In deze toelichting is als
                    alternatief een stelsel gegeven met een meldingsplicht. Als een snuffelmarkt
                    incidenteel in een gemeente gehouden wordt, kan met een meldingsplicht worden
                    volstaan. Gaat het echter om grote snuffelmarkten die regelmatig gehouden worden
                    met gevaar voor aantasting van de openbare orde en overlast, dan doet de
                    gemeente er verstandig aan om een vergunningstelsel te hebben. Er is dan voldaan
                    aan het noodzaak- en proportionaliteitsvereiste.</al><al>Op grond van dezelfde motieven kan het aantal snuffelmarkten worden
                    beperkt.</al><al><cursief>De Europese Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De richtlijn is van toepassing op zowel het vergunningstelsel als het
                    meldingsstelsel voor een snuffelmarkt. Het artikel richt zich immers tot de
                    organisator en deze is een dienstverlener in de zin van de richtlijn. Voorts
                    komt het voor dat er diensten worden aangeboden op de standplaatsen,
                    bijvoorbeeld schoenpoetsers, nagelverzorging, kappers e.d.</al><al><cursief>Weigeringsgronden</cursief></al><al>De weigeringsgronden voor een snuffelmarktvergunning zijn de generieke zoals
                    genoemd in artikel 1:8. Zie ook de toelichting bij artikel 1:8.</al><al><cursief>Bestemmingsplan</cursief></al><al>Als het organiseren van een snuffelmarkt niet in overeenstemming is met het
                    geldende bestemmingsplan, wordt deze weigeringsgrond ingeroepen voor die
                    gevallen waarin de snuffelmarkt frequent plaats vindt. Wordt de snuffelmarkt
                    incidenteel georganiseerd, dan wordt het organiseren ervan niet verboden op deze
                    grond. Strijd met het bestemmingsplan kan bijvoorbeeld voorkomen als een gebouw
                    een agrarische of industriebestemming heeft.</al><al><cursief>Winkeltijdenwet</cursief></al><al>De Winkeltijdenwet is op het houden van een vrije markt van toepassing als de
                    markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit is afhankelijk van de aard van de op
                    de markt ontplooide activiteiten, of er geregelde of ongeregelde goederen worden
                    verkocht en de frequentie waarmee de markt gehouden wordt.</al><al><cursief>Meldingsstelsel</cursief></al><al>Indien de gemeente met een meldingsstelsel wil volstaan, dan kan het
                    alternatieve artikel 5:23 worden overgenomen. Het voordeel van een
                    meldingssysteem is vermindering van administratieve lasten voor burgers en
                    ondernemingen, en het verminderen van bestuurlijke lasten voor de gemeente. Het
                    nadeel is dat de gemeente geen voorwaarden kan stellen aan de organisator,
                    bijvoorbeeld met betrekking tot het beperken van overlast voor de buurt.</al><al>De alternatieve regeling luidt als volgt:</al><al/><al><vet>Artikel 5:23</vet></al><al>1.Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren:</al><al>a.vanwege strijd met het bestemmingsplan;</al><al>b.indien de burgemeester het organiseren van de snuffelmarkt verboden heeft in
                    het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of
                    het milieu;</al><al>c.indien degene die voornemens is een snuffelmarkt te organiseren daarvan niet
                    tevoren melding heeft gedaan.</al><al>2.De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid, onder c binnen …
                    weken voorafgaand aan de snuffelmarkt met vermelding van:</al><al>a.naam en adres van de organisator;</al><al>b.adres van het gebouw waar de snuffelmarkt gehouden wordt;</al><al>c.de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt gehouden;</al><al>d.de frequentie van het houden van de snuffelmarkt;</al><al>e.het soort van goederen en diensten dat wordt aangeboden en verhandeld;</al><al>f.het aantal standplaatsen; en</al><al>g.het te verwachten aantal bezoekers.</al><al>3.De snuffelmarkt kan worden gehouden indien de burgemeester niet binnen … weken
                    na ontvangst van de melding heeft beslist dat het organiseren van de
                    snuffelmarkt wordt verboden in het belang van de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. De burgemeester geeft daarvan
                    binnen … weken na ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van
                    redenen bericht.</al><al>4.Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en
                    voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.</al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Nu aan de verlening of weigering van de vergunning een relatief eenvoudige
                    afweging ten grondslag ligt en de gevolgen van een snuffelmarkt doorgaans
                    beperkt zullen zijn, zijn er geen dwingende redenen van algemeen belang aanwezig
                    om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt op het
                    artikel van toepassing verklaard.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Snuffelmarktbepaling is niet van toepassing op een Oranje Vrijmarkt. Vrijmarkt
                    is categorie sui generis. Pres.Rb. Alkmaar, 12-04-1995, Gst. 1995, 7018, 3 m.nt.
                    EB. Zie ook de uitspraak over de Zwarte Markt te Beverwijk Vz. ARRS 30-03-1983,
                    Gst. 1983, 6763, 8 m</al><al/><al><vet>AFDELING 6 OPENBAAR WATER</vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden
                    opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen
                    de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is
                    verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a.</al><al>De centrale wetgever heeft voor het gebruik van het openbaar vaarwater diverse
                    regelingen vastgesteld. Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen
                    die uitsluitend van toepassing zijn op de bij het rijk in beheer zijnde
                    vaarwateren en regelingen die voor het gebruik van alle openbare vaarwateren
                    gelden.</al><al><cursief>Wet beheer rijkswaterstaatswerken</cursief></al><al>Onder de eerste categorie valt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Deze wet
                    heeft de Wet van 28 februari 1891, Stb. 69, tot vaststelling van bepalingen
                    betreffende ’s rijks waterstaatswerken vervangen. Voor de provinciale en
                    gemeentelijke overheden en de waterschappen resteert, voor zover daaraan
                    hetzelfde motief als aan de Wet beheer rijkswaterstaatswerken ten grondslag
                    ligt, slechts voor de overblijvende vaarwateren regelgevende bevoegdheid. Deze
                    bevoegdheid wordt eveneens gerelateerd aan het onder beheer hebben van die
                    vaarwateren.</al><al>Op provinciaal niveau heeft dit geresulteerd in de diverse
                    waterstaatsverordeningen die gelet op artikel 2 van de Waterstaatswet 1900 ook
                    betrekking kunnen hebben op waterstaatswerken die in beginsel niet onder hun
                    beheer vallen, maar daar wel onder gebracht kunnen worden.</al><al>Deze provinciale waterstaatsverordeningen bevatten veelal bepalingen inzake het
                    beheer, het onderhoud en de instandhouding van de desbetreffende vaarwateren.
                    Een aantal heeft ook betrekking op de verplichtingen voor de scheepvaart.</al><al>Ook de gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet
                    regels stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare
                    vaarwater.</al><al>De Waterschapswet biedt ten slotte aan de waterschappen de mogelijkheid
                    verordeningen te maken welke onder andere betrekking kunnen hebben op de
                    doorvaart en het innemen van ligplaats in bij haar in beheer zijnde openbare
                    wateren. Bij deze regelingen van de lagere overheden moet steeds bedacht worden
                    dat deze niet in strijd mogen komen met hogere regelingen. In grote lijnen
                    betekent dit dat de overheden slechts een regelgevende bevoegdheid toekomt ten
                    aanzien van bij hen in beheer zijnde openbare vaarwateren. Hierbij dient echter
                    nog een kanttekening geplaatst te worden.</al><al><cursief>Binnenschepenwet en Scheepvaartverkeerswet</cursief></al><al>De centrale overheid heeft namelijk ook regelingen vastgesteld die voor het
                    gebruik van alle openbare vaarwateren gelden. De belangrijkste zijn de
                    Binnenschepenwet en de Scheepvaartverkeerswet.</al><al>Met de Scheepvaartverkeerswet (SVW) is de Binnenaanvaringswet ingetrokken.
                    Artikel 43 SVW bepaalt dat krachtens de Binnenaanvaringswet gestelde regels
                    worden geacht te zijn gesteld krachtens de Scheepvaartverkeerswet. De
                    verkeersreglementering is te vinden in het Binnenvaartpolitiereglement
                    (BPR).</al><al>Artikel 42 SVW bevat de bevoegdheid van besturen van provincies, gemeenten,
                    waterschappen en havenschappen tot het stellen van regels ten aanzien van
                    onderwerpen waarin de SVW voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn
                    met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.</al><al><cursief>Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer</cursief></al><al>In het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer (BABS) is het
                    college bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen ten behoeve van de
                    scheepvaart op de onder hun beheer staande vaarwegen. Voorheen vond deze
                    bevoegdheid zijn grondslag in hoofdstuk 5 van het BPR. Het BPR geeft regels en
                    verkeerstekens t.a.v. snelle motorboten in het algemeen en waterscooters in het
                    bijzonder. De APV mag niet op basis van hetzelfde motief als de bovenstaande
                    regelgeving aanvullingen geven. De artikelen 5.3.2. en 5.3.3. van de model-APV
                    kennen dan ook een ander motief.</al><al><cursief>Specifieke regelgeving voor de grote rivieren</cursief></al><al>Gemeenten waardoor een grote rivier stroomt dienen bedacht te zijn op
                    internationale verdragen en overige specifieke regelgeving voor die rivieren. Zo
                    gelden voor de Maas en de Schelde de verdragen inzake de bescherming van de Maas
                    respectievelijk de Schelde. Op de Rijn is onder andere van toepassing de
                    Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 en het Rijnvaartpolitiereglement
                    1995.</al><al>Deze gemeenten doen er verstandig aan deze regelgeving expliciet op te nemen in
                    artikel 5.:24, vierde lid, artikel 5:25, derde lid, artikel 5:26, derde lid en
                    artikel 5:30, tweede lid.</al><al/><al><vet>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</vet></al><al>Artikel 5:24 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de
                    overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                    enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water
                    heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het
                    Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het
                    Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit
                    reglement).</al><al><cursief>Deregulering</cursief></al><al>Dit artikel is in een aantal opzichten vergelijkbaar met artikel 2:10 van de
                    model APV, het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg. Ook bij dit artikel is
                    een vergunning vervangen door een algemene regel. Daarmee legt de overheid
                    nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste
                    instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar
                    of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en
                    onderhoud. Omdat er hierbij, eerder dan in artikel 2:10, waar het veelal gaat om
                    tijdelijke en verplaatsbare objecten, gaat om permanent bedoelde zaken, is aan
                    dit artikel anders dan bij artikel 2:10 een meldingsplicht verbonden. Op die
                    manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of
                    bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden
                    voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle
                    financiële gevolgen van dien.</al><al>In een waterrijke gemeente, waar een dergelijke vergunning gebruikelijk is, en
                    aan de vergunning omwille van het onderhoud van de vaarwegen een zekere
                    uniformering noodzakelijk, kan het een gerechtvaardigde keuze zijn om een
                    vergunningplicht te handhaven. Ook voor de vergunninghouder schept dat een
                    duidelijke situatie: De aanvrager hoeft niet zelfstandig een afweging te maken,
                    maar ontvangt een vergunning voorzien van een set voorschriften, en weet dan
                    waar hij of zij aan toe is.</al><al>In dat geval is er geen aanleiding om het bestaande artikel 5:24 te wijzigen, of
                    kan het alsnog worden opgenomen:</al><al/><al><vet>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</vet></al><al>1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder
                    vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of
                    boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop
                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard.</al><al>3.Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of
                    gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                    deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar
                    opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en
                    veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer
                    en onderhoud van het openbaar water.</al><al>4.De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door
                    het Wetboek van Strafwet, de Scheepvaartverkeerswet, het
                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wrt beheer rijkswaterstaatswerken, de
                    provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                    Telecommunicatieverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</vet></al><al><cursief>Algemeen verbod is niet toegestaan</cursief></al><al>Artikel 31, tweede lid, van de Wet op Woonwagens en Woonschepen bepaalde dat de
                    gemeenteraad bevoegd is regels te stellen onder andere betreffende de plaats die
                    woonschepen mogen innemen bij verblijf binnen de gemeente. Uit jurisprudentie
                    bleek dat in beginsel in iedere gemeente met openbaar water mogelijk moet zijn
                    om met een woonschip ligplaats in te nemen. Op 1 maart 1999 is de Wet op
                    Woonwagens en Woonschepen ingetrokken. De jurisprudentie is echter opgenomen in
                    de Huisvestingswet. Artikel 88 bepaalt namelijk dat de gemeenteraad geen regels
                    stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van
                    een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met
                    bovengenoemde wet. Een verbod met een ontheffingen- of vergunningenstelsel is
                    wel toegestaan.</al><al><cursief>Mogelijk vergunningenstelsel</cursief></al><al>Indien men ook op de aangewezen gedeelten van het openbaar water het innemen,
                    hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats mogelijk wil maken kan hiervoor
                    het vergunningsvereiste gesteld worden.</al><al>Het eerste lid zou dan als volgt kunnen luiden:</al><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college met een vaartuig een
                    ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig
                    beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                    water.</al><al>Het tweede lid, onder a, van artikel 5:25 biedt het college de mogelijkheid om
                    nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een
                    ligplaats (delegatie van regelgeving door de raad op grond van artikel 156
                    Gemeentewet). Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om
                    bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben,
                    eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de
                    drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het
                    drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de
                    mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</al><al>Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief van de
                    aansluitplicht voor riolering, drinkwater, elektriciteit e.d. in het Bouwbesluit
                    2012. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken met een woonfunctie over een
                    deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken en in beginsel aangesloten
                    moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet. Schepen zijn doorgaans geen
                    bouwwerken in de zin van de Woningwet en vallen daarom niet onder de werking van
                    het Bouwbesluit.</al><al>Ook kunnen krachtens dit lid “welstandseisen” aan woonschepen worden
                    gesteld.</al><al>Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:26 heeft het college ook de
                    mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te
                    brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor
                    uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal
                    gelimiteerd worden.</al><al>In het geval de gemeente eigenaar is van een openbaar water, is het ook mogelijk
                    dat de gemeente in het kader van de exploitatie van die ligplaatsen huur- of
                    verhuurovereenkomsten afsluit. Zo wees het college van Eindhoven vijf
                    ligplaatsen aan voor woonschepen onder de bepaling dat de exploitatie van die
                    ligplaatsen zal geschieden door middel van overeenkomsten van huur en verhuur.
                    De rechtbank sauveerde dit beleid en bepaalde dat “de gemeente Eindhoven als
                    eigenaresse van het Eindhovens kanaal niet het recht kan worden ontzegd
                    privaatrechtelijk op te treden tegen haar niet welgevallig gebruik van haar
                    eigendom, behoudens voor zover dat een gebruik is dat overeenstemt met of
                    voortvloeit uit de publieke bestemming van bedoeld kanaal als vaarweg”. Het
                    innemen van een ligplaats door een woonboot werd niet aangemerkt als een zodanig
                    gebruik, Rb Den Bosch 3-12-1984, KG 1985, 17.</al><al><cursief>Pleziervaartuigen</cursief></al><al>Uit artikel 5:26 volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats met een
                    “pleziervaartuig” slechts toegestaan is op die plaatsen die niet door het
                    college krachtens het eerste lid zijn aangewezen. Ook hier kan het aantal
                    vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de niet-aangewezen gedeelten van
                    openbaar water gelimiteerd worden.</al><al><cursief>Woonschepenverordening</cursief></al><al>Ten einde het aantal en de plaatsen die men inneemt aan regels te kunnen binden,
                    is het noodzakelijk dat daarvoor in een gemeentelijke verordening (de APV of een
                    specifieke woonschepenverordening) een basis gecreëerd wordt. De APV is een
                    geschikt middel om een algemene regeling in op te nemen. Een aparte
                    woonschepenverordening ligt meer voor de hand naarmate het aantal woonschepen
                    binnen de gemeente groter is. Gemeenten die een dergelijke, specifieke
                    woonschepenverordening willen gebruiken, dienen in de artikel 5:26 en 5:27 aan
                    te geven deze artikelen niet gelden voor de schepen waarop de
                    woonschepenverordening van toepassing is.</al><al>Uitgangspunt van artikel 5:26 is dat het in beginsel is toegestaan met een
                    vaartuig, dus ook een woonschip, een ligplaats in te nemen, te hebben of
                    beschikbaar te stellen binnen de gemeente.</al><al><cursief>Provinciale Landschapsverordening, Wet milieubeheer</cursief></al><al>Maakt het college van zijn bevoegdheid krachtens het eerste lid geen gebruik om
                    gedeelten van openbaar water aan te wijzen waar het verboden is aan te leggen
                    dan kunnen aan de locatie voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                    een ligplaats uitsluitend nog beperkingen opgelegd worden krachtens een
                    eventuele Provinciale landschaps- of woonschepenverordening dan wel krachtens de
                    Wet milieubeheer wanneer bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van een ligplaats
                    zodanig gebeurt dat er sprake is van een milieuvergunning-plichtige
                    inrichting.</al><al>Heeft het college daarentegen wel gedeelten van openbaar water aangewezen dan
                    mag slechts ligplaats ingenomen of beschikbaar gesteld worden op de
                    niet-aangewezen gedeelten en kunnen er daarnaast eventueel nog andere beperkende
                    factoren worden gesteld vanuit de Provinciale landschaps- of
                    woonschepenverordening of de Wet milieubeheer.</al><al>Daar waar een Provinciale verordening van kracht is, kan het motief
                    landschapsbescherming niet meer door het college ten grondslag gelegd worden aan
                    de aanwijzing van ligplaatsen als bedoeld in het eerste lid of het stellen van
                    nadere regels (dat wil zeggen algemene voorschriften) als bedoeld in het tweede
                    lid.</al><al>In het derde lid is de werking van deze bepaling ook uitgezonderd voor die
                    gevallen waarin de Wet milieubeheer van toepassing is. Veel jachthavens zullen
                    namelijk aangemerkt kunnen worden als milieuvergunningplichtige
                    inrichtingen.</al><al><cursief>Huisvestingswet</cursief></al><al>Om niet in strijd te komen met artikel 88 van de Huisvestingswet mag een
                    aanwijzingsbesluit krachtens het eerste lid niet de gehele gemeente omvatten. Er
                    moet een mogelijkheid zijn om met een woonschip binnen de gemeente een ligplaats
                    in te nemen.</al><al>Binnenvaartpolitiereglement en Specifieke regelgeving voor de grote
                    rivieren</al><al>Zie hiervoor hetgeen is opgemerkt in de algemene toelichting bij deze
                    afdeling.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De wetgever gaat uit van een in beginsel bestaand recht om met een woonschip te
                    verblijven in de gemeente waar men tijdelijk wenst te wonen, met deze beperking
                    dat de gemeenten voor de plaats van verblijf binnen hun grondgebied
                    voorschriften mochten vaststellen. Lagere wetgevers hebben de vrijheid
                    bepalingen vast te stellen welke de vrijheid tot het kiezen van een plaats van
                    verblijf inperken, doch deze bepalingen mogen niet zover gaan dat zij het
                    hierboven bedoelde recht van woonschipbewoners om in een bepaalde gemeente
                    verblijfplaats te kiezen geheel ondermijnen en aldus generlei ruimte laten voor
                    de toepassing van de wet. HR 2-4-1971, NJ 1971, 271.</al><al>Een algemeen verbod met ontheffingsmogelijkheid om ligplaats in te nemen met een
                    woonschip, is aanvaardbaar omdat het stelselmatig weigeren van een ontheffing in
                    strijd is met de wet. ABRS 18-11-1997, JG 98.0033 m.nt. W. Vos.</al><al>Overtreding van verbod in APV om ligplaats met vaartuig in te nemen op door B en
                    W aangewezen gedeelte van openbaar water. APV-bepaling betreft huishouding van
                    gemeente. Aanvullende verordenende bevoegdheid van gemeentebesturen ten opzichte
                    van scheepvaartwetgeving. HR 28-6-1994, Gst. 1994 6996, 3 m.nt. EB.</al><al>De regeling in de APV met betrekking tot het innemen van een ligplaats met een
                    vaartuig heeft een ruimere strekking dan de Provinciale Landschapsverordening,
                    namelijk ook onder andere de orde en veiligheid op het water. ARRS, 7-7-1981, OB
                    1982, III.2.2.7, nr. 43852, APV Aalsmeer en Rechtbank Utrecht, 3 april 1997, AWB
                    97/670 VV, APV Loenen.</al><al>Een Gemeentelijke woonschepenregeling is toelaatbaar omdat hieraan andere
                    motieven ten grondslag liggen dan aan de provinciale landschapsverordening.
                    Gemeentelijke regeling geldt als sturingsinstrument ter regulering van
                    hoeveelheid woonschepen, hun afmetingen en hun onderlinge situering, terwijl de
                    provinciale verordening uitdrukkelijk ziet op de bescherming van natuur en
                    landschap. Pres. Rb. Utrecht 3-4-1997, JG 98.0009 m.nt. W. Vos; KG 1997,
                    276.</al><al>Bestuursdwangaanschrijving tot verwijdering van woonschip van zonder vergunning
                    ingenomen ligplaats in haven. Verbod in APV geldt slechts voor door het college
                    aangewezen gedeelten van openbaar (vaar)water. Toevoeging van vergunningstelsel
                    aan verbodsbepaling betreft wijziging van algemeen verbindend voorschrift. ABRS
                    6-6-1994, Gst (1995) 7001, 4 m.nt. HH.</al><al>Bestuursdwangaanschrijving tegen en weigering vergunning voor hotelboot die
                    enige tijd is gedoogd. APV-bepaling niet in strijd met
                    Binnenvaartpolitiereglement. Toetsing ex nunc. ARRS 20-8-1992, JG 93.0004.</al><al>Sanering ligplaats voor woonschepen, die niet werden benoemd in het ter genomen
                    besluit. Overgangssituatie. ABRS 31-10-1994, JG 95.0199.</al><al>Bestuursdwangaanschrijving tegen het ligplaats innemen met een woonschip op een
                    niet aangewezen gedeelte van een openbaar water. Legalisatie is niet mogelijk en
                    beroep op gelijkheidsbeginsel gaat niet op. ABRS 7-12-2000, JG 01.0039 m.nt. W.
                    Vos.</al><al>De afwijzing van een verzoek om maatregelen te treffen teneinde een onbezette
                    ligplaats met een woonschip te kunnen innemen moet worden aangemerkt als een
                    weigering om feitelijke handelingen te verrichten. Deze weigering is niet op
                    enig rechtsgevolg gericht en het bezwaar hiertegen is terecht niet ontvankelijk
                    verklaard. Het college heeft daarnaast in redelijkheid kunnen besluiten een
                    verzoek om aanwijzing van een andere ligplaats af te wijzen. Aan het college
                    komt ter zake van aanwijzingen van ligplaatsen krachtens artikel 5.3.2 APV een
                    ruime mate van beleidsvrijheid toe. ABRS 9-3-2001, Gst. (2001) 7143, 2 m.nt.
                    HH.</al><al>Mededeling dat ligplaatsen van woonschepen niet (meer) gebonden zijn aan
                    objecten, maar aan personen, is een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de
                    zin van artikel 1 :3 Awb. ABRS 1-8-2001, JB (2001) 248.</al><al>Een algeheel verbod om met een woonschip in een gemeente te verblijven is in
                    strijd met artikel 88 van de Huisvestingswet. Er kan zich echter in een bepaalde
                    gemeente de situatie voordoen dat er geen plaatsen in openbaar water geschikt
                    zijn om te worden bestemd of aangewezen om door een woonschip te worden
                    ingenomen. Met artikel 88 van de Huisvestingswet is dan ook niet beoogd om
                    iedere gemeente de verplichting op te leggen nieuwe ligplaatsen te creëren,
                    teneinde aan tenminste één woonschip plaatst te kunnen bieden op haar
                    grondgebied. ABRS 7-11-2001 nr. 200100971/1.</al><al>Het betreft de afbakeningsbepaling van artikel 5.3.2, derde lid, van de APV.
                    Appellant betoogde dat het verbod van het eerste lid van dat artikel (om met een
                    vaartuig ligplaats in te nemen op openbaar water) niet geldt, omdat het in het
                    derde lid genoemde Binnenvaartpolitiereglement (BPR) van toepassing is. De
                    Afdeling zegt daarover: “met name uit de woorden “voor zover” blijkt dat het
                    antwoord op de vraag of het in het eerste lid vervatte verbod geldt, afhankelijk
                    is van de reikwijdte van het BPR.” En verderop: “Aan artikel 5.3.2 van de APV,
                    dat is geplaatst in hoofdstuk 5, met het opschrift “andere onderwerpen
                    huishouding gemeente” liggen (ook) andere motieven ten grondslag zoals hiervoor
                    weergegeven. De omstandigheid dat in het voorliggende geval de belangen ter
                    bescherming waarvan het BPR is vastgesteld zich niet verzetten tegen het afmeren
                    van een vaartuig op de door appellant verlangde locatie laat de uit artikel van
                    de APV blijkende wenselijkheid tot ordening van het innemen van ligplaats uit
                    een oogpunt van openbare orde, volksgezondheid etc. onverlet. Het in het eerste
                    lid van artikel 5.3.2. van de APV vervatte verbod behoudt dan ook in het
                    voorliggende geval in zoverre betekenis.” De Afdeling erkent hier dus de
                    aanvullende werking van de APV, ook als hogere regelgeving van toepassing is.
                    ABRS 28-04-2004, LJN AO8510, De Gemeentestem 2004, 7210, 109 m.nt. J.M.H.F.
                    Teunissen.</al><al>De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het enkele feit dat een
                    milieuvergunning is verleend niet betekent dat artikel 5.3.2, derde lid, van de
                    APV van toepassing is. Niet is gebleken dat in het kader van de verleende
                    milieuvergunning het door de APV gediende belang van ordening van het innemen
                    van ligplaatsen met vaartuigen uit een oogpunt van openbare orde is meegewogen
                    of dat belang als gevolg van de verleende milieuvergunning rechtens geen
                    relevantie meer zou hebben. De milieuvergunning kent geen bepalingen omtrent het
                    innemen van ligplaatsen. De desbetreffende bepaling van de APV voorziet niet in
                    een door de Wet milieubeheer geregeld onderwerp. De Afdeling deelt dan ook de
                    conclusie van de rechtbank dat de verlening van de milieuvergunning niet afdoet
                    aan het in de APV vervatte verbod met een vaartuig ligplaats in te nemen. ABRS
                    17 november 2004, 200308597/1, LJN AR5815, JB 2005/17.</al><al/><al><vet>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</vet></al><al>Naast de algemene regels die krachtens artikel 5:26, tweede lid, kunnen worden
                    uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een
                    individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt
                    daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen in de vorm van
                    een schriftelijke beschikking te gieten. Voor de toelichting op de in het derde
                    lid genoemde hogere regelingen en de relatie met een vastgestelde
                    woonschepenverordening wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5:26 van de
                    model-APV.</al><al/><al><vet>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</vet></al><al>Provinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling
                    voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn.</al><al>De model-APV-bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer
                    zijn bij de gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan
                    degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</al><al>In 2007 is het woord “vaarten”, dat in dit artikel werd gebruikt, maar nergens
                    anders in de model-APV, vervangen door het woord “openbaar water”, zoals ook in
                    andere artikelen in de model-APV (ledenbrief Lbr.07/125).</al><al/><al><vet>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</vet></al><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</vet></al><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers
                    van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de
                    gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar
                    water.</al><al>Artikel 5:30 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op deze twee reglementen
                    door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te
                    verbieden.</al><al>Voor de toelichting op de in het tweede lid genoemde hogere regelingen wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 5:25.</al><al/><al><vet>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>AFDELING 7. CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN
                        NATUURGEBIEDEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:32 Crossterreinen</vet></al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s,
                    motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                    verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol
                    in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><al>Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke regelingen zo al van toepassing
                    kunnen zijn.</al><al>1.Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en APV</al><al>Alvorens in te gaan op de vraag welke regelingen van toepassing kunnen zijn op
                    het crossen op daarvoor - al dan niet legaal - ingerichte terreinen, willen wij
                    eerst enige kanttekeningen plaatsen bij een verkeersrechtelijk aspect in verband
                    met de leeftijd van de crossers.</al><al>Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW 1994 jo. artikel 5 van het
                    Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts worden bestuurd door personen
                    die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het verkeersrechtelijk regime is
                    echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op
                    een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het
                    openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag
                    wanneer sprake is van een zodanige weg wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 1:1 van de model-APV.</al><al>Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in
                    de WVW 1994, plaats vindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de
                    WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden
                    is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
                    Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de
                    deelnemers aan de wedstrijd..</al><al>Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen dan op de weg in de
                    zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5:32 van toepassing zijn. Artikel 5:32 ziet
                    op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het Reglement
                    verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd
                    op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het
                    wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of
                    iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld.</al><al>Indien artikel 5:32 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel
                    2:25. niet meer aan de orde. Zie verder de toelichting op artikel 2:25.</al><al>Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de
                    bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van de
                    model-APV van toepassing (art. 2:24 e.v.). De burgemeester kan in het belang van
                    de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven
                    omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden.
                    Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die
                    geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d.</al><al>2.Wet milieubeheer en APV</al><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de
                    weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte
                    terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken,
                    plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst
                    bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige
                    terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:32 en
                    5:33 van deze model-APV.</al><al><cursief>Wet milieubeheer</cursief></al><al>De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de
                    werking van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer (“ Activiteitenbesluit”).</al><al>In bepaalde gevallen moet een motor(sport)terrein worden aangemerkt als een
                    inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. In het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen opgesomd waarvoor
                    krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning vereist is. De
                    regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van het
                    besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of terreinen,
                    geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van:
                    bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in
                    wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve
                    doeleinden.</al><al>In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving
                    “gelegenheid bieden” is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein, dat in
                    enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk te maken, onder
                    dit besluit valt.</al><al>Vervolgens vermeldt de nota van toelichting dat enige accommodatie evenwel nodig
                    zal zijn voordat kan worden vastgesteld of sprake is van een dergelijke
                    inrichting, bijvoorbeeld in de vorm van een begrenzing. Indien elke, al dan niet
                    beoogde, begrenzing van de plaats waar de genoemde activiteiten zich afspelen
                    ontbreekt, zal bezwaarlijk van een inrichting kunnen worden gesproken
                    (bijvoorbeeld wanneer een aantal liefhebbers van modelvaartuigen regelmatig met
                    elkaar hun bootjes laat varen op een grote plas of waterweg).</al><al>Op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer is het college bevoegd om op
                    een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19
                    te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd
                    of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van
                    wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen,
                    en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de
                    vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten
                    (categorie 19.2).</al><al>Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de motieven van de Wet
                    milieubeheer, zijnde de gevolgen voor het milieu of de bescherming van het
                    milieu.</al><al><cursief>APV</cursief></al><al>De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in
                    categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor
                    motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of
                    zeer incidenteel worden gebruikt.</al><al>In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de
                    werkingssfeer ten opzichte van de Wet milieubeheer in ieder geval moeten zijn
                    afgebakend.</al><al>Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming
                    van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare
                    orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of
                    de deelnemers.</al><al>In de in het tweede lid genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein
                    slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden
                    van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van
                    KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen c.q.
                    aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en - eventueel - dat de
                    crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging
                    er - ter voorkoming van ongelukken - zorg voor draagt dat toezicht door
                    volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.</al><al>3.Zondagswet</al><al>Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op zondag
                    zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan
                    200 m van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het tweede lid van dit
                    artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod voor de tijd na 13.00 uur
                    ontheffing te verlenen.</al><al>De training voorafgaand aan de motorcrosswedstrijd kan als deze voor publiek
                    toegankelijk is, reeds aangemerkt worden als een openbare vermakelijkheid als
                    bedoeld in artikel 4 van de Zondagswet.</al><al>4.Privaatrechtelijk optreden</al><al>Verschillende gemeenten zijn er toe overgegaan een terrein waarvan zij eigenaar
                    zijn aan te wijzen als terrein waarop de motorcrossport beoefend kan worden.
                    Veelal geschiedt dit om de overlast die wordt ondervonden als gevolg van het
                    crossen in natuur- en bosgebieden te beperken.</al><al>Indien van gemeentewege een terrein ter beschikking wordt gesteld voor het
                    crossen, rijst de vraag naar de eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid
                    van de gemeente voor ongevallen en andere schade. Daarbij gaan wij ervan uit dat
                    het crossterrein niet een weg is in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Is
                    daarvan wèl sprake, dan is het - behoudens ontheffing; zie de artikelen 10 en
                    148 WVW 1994 - eenvoudigweg verboden aldaar te “crossen”.</al><al>Civielrechtelijk brengt het feit dat een terrein met goedvinden van de gemeente
                    als crossterrein wordt gebruikt, voor haar de verplichting mee ervoor te zorgen
                    dat geen gevaarlijke situaties te creëren zijn. Het ligt op de weg van de
                    gemeente om het terrein aan te passen aan het doel waartoe het dient.</al><al>In het kader van de regels die het college kan stellen op basis van het tweede
                    lid van artikel 5:32 kunnen bijvoorbeeld leeftijdsgrenzen worden gesteld aan de
                    gebruikers van het terrein of eisen als aangegeven in artikel 110 van de WVW
                    1994 jo artikel 5 van het Reglement rijbewijzen. Uitsluiting van
                    aansprakelijkheid voor schade (ongevallen e.d.) kan de gemeente zoveel mogelijk
                    beperken; bijvoorbeeld door een bord te plaatsen bij de ingang van het terrein
                    waarop zijn aangegeven de voorwaarden waaronder van het terrein gebruik mag
                    worden gemaakt (onder andere de waarschuwing, dat gebruikers van het terrein dit
                    voor eigen risico gebruiken en de mededeling, dat de gemeente aansprakelijkheid
                    afwijst voor ongevallen en andere schade als gevolg van crossen). Het plaatsen
                    van een dergelijk bord wil overigens niet zeggen dat de gemeente gevrijwaard is
                    van aansprakelijkheid.</al><al>Er is overigens nog een privaatrechtelijke mogelijkheid waardoor de gemeente aan
                    haar zorgverplichting kan voldoen, namelijk door het sluiten van een gebruiks-
                    of huurovereenkomst met de plaatselijke vereniging. De gemeente moet zich dan
                    wel realiseren dat het desbetreffende terrein dan ook alleen ter beschikking
                    wordt gesteld ten behoeve van het crossen door leden van die vereniging.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Wanneer in het kader van een evenement als bedoeld in de artikel 2.2.1 (oud) en
                    2.2.2 (oud) van de model-APV, op een crossterrein, zoals in deze bepaling
                    bedoeld, motor(sport)activiteiten worden gehouden zijn er meerdere bevoegde
                    organen in het spel. Goed onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het
                    evenement, waarvoor de burgemeester het bevoegd gezag is om een vergunning te
                    verlenen en anderzijds de motor(sport)activiteiten, waarvoor het college het
                    bevoegd gezag is. ARRS 3-6-1994, JG 95.0055 m.nt. A.B. Engberts, AB 1994, 602
                    m.nt. RMvM, Gst. 1995, 7006, 4 m.nt. EB.</al><al>Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur. In casu
                    geen schending van de zondagsrust, omdat het motorcrossterrein 4 km buiten de
                    bebouwde kom ligt. Pres. Rb. Utrecht 6-6-1995, JG 95.0316 m.nt. A.B. Engberts,
                    KG 1995, 292.</al><al/><al><vet>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><al>Vele gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van
                    motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder,
                    schade aan de flora, verstoring van wild e.d.</al><al>Verder worden natuurgebieden, parken e.d. steeds vaker door ruiters en
                    fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en
                    fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden
                    verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent
                    vaak ook schade aan flora en fauna.</al><al>Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in
                    natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zgn. “wilde
                    crossen” (op wegen en paden en “off the road”) en het crossen op daartoe
                    speciaal gebruikte motorterreinen.</al><al>Op het crossen op motorterreinen is artikel 5:33 van de model-APV van
                    toepassing.</al><al>De redactie van artikel 5:33 is aangepast overeenkomstig het systeem van artikel
                    5:32. Op grond van het eerste lid van artikel 5:33 geldt een algeheel verbod om
                    zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te
                    bevinden. Het college kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar
                    dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze
                    terreinen.</al><al><cursief>Maatregelen</cursief></al><al>Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het “wildcrossen” of
                    overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat het in feite om een meer algemeen
                    vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter bescherming van het
                    milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer, ruiter- of
                    fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren?</al><al>Een mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is
                    het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de
                    wegenverkeerswetgeving.</al><al>Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november 1991 de wegbeheerder
                    bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 WVW 1994).</al><al>Volgens de WVW 1994 kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden
                    overgegaan indien deze maatregelen de veiligheid op de weg verzekeren,
                    weggebruikers en passagiers beschermen, strekken tot het in stand houden van de
                    weg en de bruikbaarheid van de weg waarborgen, de vrijheid van het verkeer
                    waarborgen, strekken tot voorkoming of beperking van door het verkeer
                    veroorzaakte overlast, hinder of schade, strekken tot het voorkomen of beperken
                    van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie
                    van objecten of gebieden en tenslotte een doelmatig of zuinig energieverbruik
                    bevorderen (artikel 2, eerste tot en met derde lid, WVW 1994). De WVW 1994 geeft
                    derhalve ook mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van
                    milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat van de weg gebruik
                    maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de WVW 1994 door middel
                    van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een regeling ten aanzien
                    van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994.</al><al>Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een
                    natuurgebied kan een regeling worden opgenomen in de APV.</al><al>Hierbij moet in het oog worden gehouden dat met betrekking tot het onderhavige
                    onderwerp ook een provinciale regeling kan gelden. Indien er reeds een
                    provinciale regeling bestaat inzake de beperking van gemotoriseerd verkeer in
                    natuurgebieden, welke regeling - deels - strekt ter bescherming van dezelfde
                    belangen, zal - althans indien een gemeente geheel of gedeeltelijk gelegen is in
                    een “natuurgebied” als bedoeld in de provinciale verordening - de werkingssfeer
                    van het gemeentelijk voorschrift ten opzichte van de provinciale verordening
                    moeten worden afgebakend.</al><al>Maatregelen op basis van de Wegenwet/feitelijke sluiting en sluiting krachtens
                    artikel 461 Wetboek van Strafrecht</al><al>-Ook langs feitelijke en privaatrechtelijke weg zou men kunnen komen tot het
                    weren van gemotoriseerd verkeer uit bepaalde natuurgebieden.</al><al>In de eerste plaats valt te denken aan het plaatsen van palen, klap- of
                    draaihekjes bij de toegangen tot de in zo’n gebied gelegen wegen. De eigenaar
                    van een weg zal men het recht tot het nemen van zodanige maatregelen niet kunnen
                    ontzeggen.</al><al>Hoe zit dit echter als deze weg is aan te merken als een openbare weg in de zin
                    der Wegenwet? Hiervoor zijn wij ingegaan op de beperkingen in het gebruik van
                    een openbare weg als gevolg van het beperkt openbaar rechtskarakter van die weg.
                    Openbare wegen in natuurgebieden zullen veelal - op grond van de gesteldheid van
                    de weg of op grond van het gebruik dat van de weg pleegt te worden gemaakt - een
                    zodanig beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ook ten aanzien van deze
                    openbare wegen zal de eigenaar deze beperking feitelijk mogen realiseren door
                    het plaatsen van klap- en draaihekjes, palen e.d. bij de toegangen tot die wegen
                    en wel zodanig dat alleen voetgangers en fietsen vrij kunnen passeren. Aan deze
                    handelwijze kleeft een aantal bezwaren.</al><al>Deze handelwijze is in de eerste plaats niet toepasbaar ten aanzien van openbare
                    wegen die niet een beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ingevolge het
                    bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wegenwet dienen de rechthebbende en
                    de onderhoudsplichtige dan alle verkeer over de openbare weg te dulden. Wij
                    tekenen hierbij nog aan dat het gedeeltelijk - bij voorbeeld alleen voor
                    gemotoriseerd verkeer - onttrekken van wegen aan het openbaar verkeer niet
                    mogelijk is (Kb 26 september 1955, AB 1956, blz. 357, m.nt. M. Troostwijk).</al><al>Ook is het volgens de Kroon niet mogelijk een weg aan het openbaar verkeer te
                    onttrekken om hem vervolgens weer onmiddellijk open te stellen voor bij
                    voorbeeld voetgangers en fietsers (Kb 11 mei 1982, AB 1982, 378, m.nt. J.R.
                    Stellinga). Een dergelijke maatregel kan wel door middel van een verkeersbesluit
                    worden genomen, zoals hiervoor is beschreven.</al><al>Ook mag verwacht worden dat het onttrekken van een aantal in het buitengebied
                    gelegen wegen aan het openbaar verkeer op bezwaren zal stuiten van met name
                    landbouwers.</al><al>Verder merken wij ten aanzien van het afsluiten van wegen door middel van hekjes
                    en slagbomen nog op, dat de bereikbaarheid van bos- en natuurgebieden voor de
                    brandweer en in verband met onderhoudswerkzaamheden zal verslechteren. Bovendien
                    zullen slagbomen gemakkelijk geopend kunnen worden. Ten slotte is het plaatsen
                    van hekjes, slagbomen en dergelijke een kostbare aangelegenheid.</al><al>-Men zou - in de tweede plaats - kunnen denken aan het plaatsen bij de toegangen
                    tot de wegen in een bepaald natuurgebied van borden waarop de toegang voor
                    motorvoertuigen en bromfietsen voor onbevoegden krachtens artikel 461 van het
                    Wetboek van Strafrecht wordt verboden: “Verboden toegang voor....; art. 461
                    Wetboek van Strafrecht”.</al><al>Deze methode kan echter niet worden toegepast, indien het gaat om openbare wegen
                    in de zin van de Wegenwet. Zie HR 21 juni 1966, NJ 1966, 416, m.nt. W.F. Prins,
                    OB 1967, XIV.3, nr. 26667, AB 1967, blz. 186, NG 1966, blz. 432, Verkeersrecht
                    1966, blz. 227, m.nt. R.J. Polak (Bromfietsverbod Sneek), en HR 23 december
                    1980, NJ 1981, 171, m.nt. Th.W. van der Veen, AB 1981, 237, NG 1981, blz. S63,
                    m.nt., Verkeersrecht 1981, blz. 58, m.nt. J.J. Bredius (rijverbod
                    Schiermonnikoog).</al><al>-Sommige gemeentebesturen hebben de volgende aanpak tot wering van gemotoriseerd
                    verkeer uit natuurgebieden overwogen:</al><al>a.onttrekking van de openbare wegen (“openbaar” in de zin van de Wegenwet) aan
                    het openbaar verkeer volgens de daartoe in de artikelen 9 e.v. van de Wegenwet
                    voorgeschreven procedure; en aansluitend daaraan:</al><al>b.geslotenverklaring op privaatrechtelijke basis van de wegen in dat gebied voor
                    (recreatief) gemotoriseerd verkeer, namelijk door het plaatsen van borden
                    “Verboden toegang voor...., art. 461 Wetboek van Strafrecht”.</al><al>Aan deze aanpak wordt om twee redenen de voorkeur gegeven:</al><al>-De Wegenwet zou zich er tegen verzetten dat wegen die voor al het verkeer
                    openbaar zijn, ter behartiging van andere belangen dan verkeersbelangen bij
                    verordening voor het gemotoriseerd verkeer gesloten zouden worden. Of deze
                    opvatting juist is, is de vraag.</al><al>-Artikel 461 WvSr. is niet op openbare wegen van toepassing.</al><al>Ook de hier bedoelde aanpak stuit overigens op bezwaren, met name in die
                    gevallen dat de wegen niet in eigendom zijn bij de overheid. De overheid is dan
                    immers van de particuliere eigenaren afhankelijk, met name waar het de
                    geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer betreft. Bovendien is de
                    toegankelijkheid van dergelijke wegen voor het publiek niet meer verzekerd,
                    indien deze wegen eenmaal aan het openbaar verkeer zijn onttrokken. De
                    particuliere eigenaar zou zijn weg immers ook voor alle publiek, dus ook voor
                    voetgangers en fietsers, kunnen afsluiten. De overheid bezit dan geen
                    machtsmiddelen daartegen op te treden. Deze machtsmiddelen bezit zij wél ten
                    aanzien van wegen die - zij het ook beperkt - voor het openbaar verkeer
                    toegankelijk zijn in de zin van de Wegenwet.</al><al>Zie de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van 25 maart 1982, NG 1983 blz. S
                    145,, AB 1983, 64, m.nt. Van der Veen (Helmond) en van 5 november 1982, Gst.
                    1983, 6745, 10, m.nt. J.M. Kan (Wittem). Blijkens deze uitspraken kan (en moet!)
                    de gemeentelijke overheid de onderhouds- en de duldingsplicht van de eigenaar
                    van een openbare weg met toepassing van bestuursdwang afdwingen, indien deze
                    plicht wordt verzaakt.</al><al>Men kan - zoals hierboven reeds bleek - aan genoemde consequenties niet ontkomen
                    door een weg slechts beperkt aan het openbaar verkeer te onttrekken, in die zin
                    dat hij alleen openbaar zal zijn voor bepaalde categorieën verkeersdeelnemers.
                    Bovendien, ook al zou een weg een beperkt openbaar rechtskarakter hebben, dan
                    nog zou artikel 461 WvSr. waarschijnlijk niet toepasselijk kunnen zijn.</al><al>Hiervoor werd er reeds op gewezen dat de hele onttrekkingsprocedure tijdrovend
                    is en dat de onttrekking op bezwaren zal stuiten van met name landbouwers. Zou
                    men de hier bedoelde methode toepassen, dan zou het in ieder geval noodzakelijk
                    zijn voor de onttrekking aan het openbaar verkeer met de particuliere eigenaren
                    duidelijke afspraken te maken en deze schriftelijk vast te leggen. Wij vermelden
                    hier nog, dat de onttrekking van een openbare weg aan het openbaar verkeer
                    onvoorwaardelijk moet geschieden en zonder tijdsbepaling (circulaire van de
                    minister van verkeer en waterstaat aan de colleges van gedeputeerde staten, BS
                    1933, nrs. 203 en 245, WGB 1933, blz. 225).</al><al><cursief>Verordening stiltegebieden</cursief></al><al>Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer een
                    verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of
                    beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Deze
                    verordening wordt de provinciale milieuverordening (PMV) genoemd en vervangt de
                    oude verordeningen op grond van artikel 122 van de Wet geluidhinder.</al><al>Volgens de model-PMV is het onder meer verboden een aantal toestellen te
                    gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een
                    motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor
                    bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten.</al><al>Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 24 van
                    de WVW 1994 zijn niet toegestaan.</al><al>Beperking gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden in relatie tot artikel 1 van
                    de Grondwet</al><al>De vraag rijst of het ontzeggen van de toegang tot een bepaald natuurgebied voor
                    motorrijders en bromfietsers zich verdraagt met het antidiscriminatieverbod van
                    artikel 1 van de Grondwet. Deze vraag werd aan de orde gesteld in een zitting
                    van de kantonrechter te Harderwijk op 19 september 1985. De geverbaliseerde
                    voerde aan dat het verbod “... discriminerend is ten aanzien van motorrijders,
                    bromfietsers en hun duopassagiers. Terreinwagens, motoren met zijspan, auto’s en
                    vrachtwagens mogen van de onverharde wegen wel gebruik maken. De officier van
                    justitie bestreed deze opvatting. Hij stelde dat het gemeentebestuur een keuze
                    heeft gemaakt tussen de belangen van voetgangers en flora en fauna en de
                    belangen van motorrijders en bromfietsers die zittend op hun voertuig van de
                    natuur willen genieten.”</al><al>De officier meende dat de belangen van flora en fauna en de belangen van
                    voetgangers die hinder ondervinden van motorrijders, prevaleren boven de
                    belangen van motorrijders. De kantonrechter schaarde zich achter de officier van
                    justitie. Hij meende dat er geen sprake was van discriminatie van motorrijders
                    en bromfietsers omdat hun bewegingsvrijheid niet verder dan noodzakelijk voor
                    het doel dat het college voor ogen staat wordt beperkt.</al><al>De Rechtbank in hoger beroep en de Hoge Raad in cassatie hebben inmiddels de
                    uitslag van de kantonrechter onderschreven (HR 19 mei 1987, AB 1988, nr. 216,
                    APV Nunspeet).</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Wanneer wordt overgegaan tot het aanwijzen van een natuurgebied, waarbinnen
                    gemotoriseerd verkeer verboden is, zoals in deze bepaling bedoeld, is het
                    verstandig te bezien in hoeverre een overgangsregeling noodzakelijk is voor
                    personen die - al dan niet bedrijfsmatig - met een motorvoertuig gebruik maken
                    van dit natuurgebied. Vanwege het ontbreken van een overgangsregeling trof de
                    Voorzitter van de ARRS een voorlopige voorziening, waarbij aan belanghebbende
                    alsnog een tijdelijke ontheffing werd verleend. Vz. ARRS 30-8-1990, AB 1991, 432
                    m.nt. PCEvW, Gst. 1991, 6929, 7 m.nt. JT.</al><al><cursief>Wijziging 2007</cursief></al><al><cursief>Lid 6 Lex silencio positivo</cursief></al><al>Gezien de belangen die hier wordt geschermd: de rust en recreatie in
                    natuurgebieden, lijkt het niet bijzonder wenselijk om hier een ontheffing van
                    rechtswege in het leven te roepen en is daarvan afgezien.</al><al/><al><vet>AFDELING 8. VERBOD VUUR TE STOKEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                        anderzins vuur te stoken</vet></al><al>In deze toelichting wordt allereerst uitgebreid ingegaan op de wetgeving voor
                    het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen, geregeld in artikel 10.2,
                    eerste lid en artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer.</al><al>Artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer beperkt zich alleen tot de
                    bescherming van het milieuhygiënische belang. Indien het college de openbare
                    orde- en veiligheidsaspecten wil reguleren is het verlenen van een (tweede)
                    ontheffing op grond van de model-APV noodzakelijk.</al><al>Het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen als geregeld in artikel
                    10.2, eerste lid en 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer</al><al>In de circulaire van 27 maart 2002 aan de provincies en gemeenten van het
                    voormalig ministerie van VROM (Stcrt. 2002, 65) is aandacht besteed aan het
                    storten en verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen.</al><al><cursief>Voor welke afvalstoffen kan er een ontheffing op grond van artikel
                        10.63, tweede lid, Wet milieubeheer worden gegeven en wat is de reikwijdte
                        van de wet?</cursief></al><al>Uit de kamerbehandeling blijkt dat de ontheffing kan worden verleend voor de
                    volgende zaken:</al><al>-vreugdevuren, zoals paas- en oudejaarsvuren.</al><al>-instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen, in het kader van klein
                    landschapsbeheer.</al><al>De minister gaf tegenover de Kamer voorts aan dat fruitsnoeihout en
                    aardappelloof onder de ontheffing zouden kunnen vallen. Hij sprak in zijn
                    algemeenheid over hout dat men van bomen of struiken afhaalt om het natuurlijke
                    proces om welke reden dan ook te bevorderen. Ook riet zou ons inziens hieronder
                    kunnen vallen. Voor welke gevallen er nog meer een ontheffing kan worden
                    gegeven, is sterk afhankelijk van de lokaal specifieke situatie, bijvoorbeeld
                    indien er sprake is van een heidegebied of specifieke beplanting. Op grond van
                    artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer is het in ieder geval verboden
                    ontheffing te verlenen voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen. Verder
                    is het meeverbranden van allerlei afvalstoffen (banden, verf, afgewerkte olie)
                    verboden.</al><al>Artikel 10.2 Wet milieubeheer ziet alleen toe op het verbranden van afvalstoffen
                    buiten inrichtingen. Dit betekent dat, indien er sprake is van een inrichting in
                    de zin van de Wet milieubeheer, het verbrandingsverbod hierop niet van
                    toepassing is. Hiervoor geldt namelijk een ander wettelijk regiem. De
                    verbranding van afvalstoffen binnen een inrichting dient enerzijds te worden
                    geregeld in de milieuvergunning of wordt anderzijds geregeld in een van de
                    zogenaamde artikel 8.40-Besluiten, waarin algemene milieuregels zijn opgenomen
                    voor homogene bedrijfscategorieën.</al><al>Tevens dient rekening gehouden te worden met de gemeentelijke zorgplicht voor de
                    inzameling van huishoudelijk GFT-afval (groente-, fruit- en tuinafval) op grond
                    van artikel 10.21 Wet milieubeheer. GFT-afval, afkomstig van huishoudens, dient
                    in de eerste plaats door de burger te worden aangeboden aan de aangewezen
                    inzameldienst. Het buitengebied wordt door gemeenten soms vrijgesteld van de
                    inzamelplicht in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen. In deze
                    gevallen kan een ontheffing voor het verbranden van tuinafval worden
                    gerechtvaardigd. Voor wat betreft stedelijke of bebouwde komgebieden, is het
                    verlenen van een ontheffing minder gerechtvaardigd. Immers, de gemeente draagt
                    zorg voor inzameling van huishoudelijk tuinafval en ook grof tuinafval, een
                    ontheffing voor het verbranden van snoeihout, lijkt daarmee niet wenselijk.</al><al>Benadrukt dient te worden dat het aan het bevoegde gezag is om zelf invulling te
                    geven aan het ontheffingenbeleid. Dit geldt zeker ook voor een absoluut
                    verbrandingsverbod. Ook al geeft de Wet milieubeheer de mogelijkheid om een
                    ontheffing te verlenen, dit betekent niet dat een gemeente ook verplicht is dit
                    te doen. Gemeenten kunnen dus – óók onder het regiem van de Wet milieubeheer -
                    een absoluut stookverbod blijven hanteren. Het verdient aanbeveling om een
                    absoluut stookverbod in een beleidsnota of milieubeleidsplan vast te
                    leggen.</al><al>Het verdient sterk de aanbeveling om het ontheffingenbeleid schriftelijk vast te
                    leggen in bijvoorbeeld beleidsregels. Op deze manier beschikt het bevoegde gezag
                    over een duidelijk afwegingskader, op grond waarvan de beslissing om een
                    ontheffing te verlenen kan worden gebaseerd.</al><al><cursief>Welke voorschriften kunnen worden verbonden aan een ontheffing op grond
                        van artikel 10.63, tweede lid Wet milieubeheer?</cursief></al><al>Aan een ontheffing kunnen de volgende voorschriften worden verbonden. Gedacht
                    kan worden aan het voorschrift dat:</al><al>-het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de omgeving;</al><al>-de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse
                    aanwezig dient te zijn en zorg dient te dragen voor een goed brandend vuur,
                    zodat zo min mogelijk rookontwikkeling plaatsvindt;</al><al>-de verbranding niet mag plaatsvinden in de periode tussen zonsondergang en
                    zonsopgang;</al><al>-verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde afstand
                    tot bouwwerken;</al><al>-van de voorgenomen verbranding het hoofd van de afdeling milieuzaken van de
                    dienst ... of zijn plaatsvervanger of de alarmcentrale van de regionale
                    brandweer, ten minste één uur voor de verbranding telefonisch moet worden
                    geïnformeerd (telefoon ...).</al><al>In de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer kunnen ook voorschriften
                    worden opgenomen over bodembeschermende voorzieningen en maatregelen. Veel
                    gemeenten eisen een bodembeschermende voorziening, bijvoorbeeld een betonplaat
                    of zandbed. De grondslag van een dergelijk voorschrift is in dit geval artikel
                    10.63, tweede lid, Wet milieubeheer. Het verdient de aanbeveling om in de
                    ontheffing ook een verwijzing naar de zorgplicht van artikel 13 Wet
                    bodembescherming op te nemen.</al><al><cursief>Hoe kan het beste worden omgegaan met gevallen van bestrijding van
                        bepaalde ziektes?</cursief></al><al>In enkele gevallen, bijvoorbeeld bij de bestrijding van bepaalde ziektes is het
                    noodzakelijk op korte termijn passende maatregelen, zoals het verbranden van de
                    zieke bomen, te nemen. De procedure van ontheffingverlening duurt in deze
                    gevallen te lang om telkens een ontheffing te verlenen. Daarom zou voor deze
                    gevallen de ontheffing bij voorbaat verleend kunnen worden, waarbij in de
                    ontheffing nauwkeurig wordt aangegeven in welke gevallen en onder welke
                    omstandigheden van de ontheffing gebruik mag worden gemaakt. Een aantal
                    gemeenten eist bijvoorbeeld een verklaring van de Plantenziektekundige Dienst te
                    Wageningen. Als voorschrift kan worden opgenomen dat in geval van verbranding
                    van met ziekte aangetast hout, besmet en niet-besmet snoeihout zoveel mogelijk
                    moet worden gescheiden.</al><al><cursief>Kan een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer voor onbepaalde tijd worden verleend?</cursief></al><al>Nee, volgens het ministerie van I&amp;M hangt de beantwoording van deze vraag
                    samen met het karakter van de ontheffing. Het gaat om een ontheffing van een
                    wettelijk verbod of een uitzondering op de regel. Het verlenen van een
                    ontheffing voor onbepaalde tijd verhoudt zich hiermee per definitie niet. Het
                    zou daarmee een soort vergunningstelsel worden. Een ontheffing zal derhalve
                    altijd voor een bepaalde tijd verleend moeten worden. De precieze omvang voor
                    een bepaalde tijd is onder andere afhankelijk van de invulling van het in
                    artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer opgenomen criterium. Na verloop van
                    tijd kunnen er bijvoorbeeld mogelijkheden komen om de betreffende afvalstoffen
                    op een hoogwaardiger wijze te verwerken in plaats van te verbranden. Tevens is
                    de looptijd van de ontheffing afhankelijk van de formulering van de ontheffing
                    zelf. Naarmate bijvoorbeeld de tijdsperiode waarin verbrand mag worden exacter
                    in de ontheffing staat geformuleerd (bijvoorbeeld twee keer veertien dagen in de
                    nader omschreven periode, bijvoorbeeld het snoeiseizoen met melding aan de
                    gemeente) is het volgens I&amp;M denkbaar dat een ontheffing voor maximaal drie
                    jaar wordt verleend. Als de periode niet exact staat omschreven, stuit een
                    dergelijke looptijd van een ontheffing op bezwaren. Er zijn dus verschillende
                    mogelijkheden voor de duur van een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede
                    lid, Wet milieubeheer. Variërend van bijvoorbeeld een ontheffing per keer tot
                    een jaarlijkse ontheffing tot een ontheffing voor een periode van drie jaar.
                    Gemeenten hebben dus de beleidsvrijheid om zelf de duur van een ontheffing te
                    bepalen.</al><al><cursief>De aanvullende werking van artikel 5:34 Model-APV</cursief></al><al>Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen
                    altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de
                    bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het
                    college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische
                    argumenten.</al><al>Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet
                    milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de
                    openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften
                    verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het
                    belang van het milieu. Artikel 5:34 vult daarom voor wat betreft deze aspecten
                    de Wet milieubeheer aan.</al><al>Voor artikel 5:34 model-APV betekent dit concreet het volgende. Artikel 5:34,
                    tweede lid, model-APV biedt de mogelijkheid om - naast de ontheffing op grond
                    van de Wet milieubeheer - een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van
                    openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten
                    grondslag aan de APV dan aan de Wet milieubeheer. Tevens wordt het college de
                    mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het
                    belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De
                    weigeringsgronden worden genoemd in vierde lid.</al><al><cursief>Kan de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer en de ontheffing op grond van artikel 5:34, tweede lid,
                        model-APV worden gecombineerd tot één te verlenen ontheffing?</cursief></al><al>Er is een aantal redenen om dit niet te doen. In de eerste plaats zijn de
                    gronden waarop het besluit wordt genomen, gebaseerd op twee verschillende
                    wettelijke regelingen. Het gaat dus om twee verschillende afwegingskaders.
                    Indien beide afwegingskaders in één ontheffing wordt verwerkt, is de vraag in
                    hoeverre een dergelijk besluit juridisch stand houdt. Bovendien wordt, indien
                    bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen het ene besluit, het bezwaar daarmee
                    impliciet eveneens gericht tegen het andere besluit. Tenslotte is ook de
                    strafbaarstelling verschillend. Overtreding van de ontheffing op grond van
                    artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer wordt strafbaar gesteld in de Wet op
                    de economische delicten (Wed), terwijl overtreding van artikel 5:34 strafbaar
                    wordt gesteld op grond van artikel 154 Gemeentewet.</al><al>Het verschil in wettelijke grondslag (Wet milieubeheer versus Gemeentewet), het
                    verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil in
                    strafbaarstelling (Wet op de economische delicten versus Gemeentewet) pleit
                    ervoor om een systeem van twee separate ontheffingen te hanteren. Dit neemt niet
                    weg dat gemeenten de aanvraag voor beide ontheffingen kunnen coördineren. Het
                    blijven echter wel twee afzonderlijke besluiten.</al><al><cursief>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer wordt geweigerd, wat betekent dit voor de ontheffing op grond
                        van artikel 5:34 model-APV?</cursief></al><al>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer
                    wordt geweigerd, is er geen ruimte meer voor een ontheffing op grond van artikel
                    5:34 model-APV. Dit volgt uit het systeem van de wet. Een ontheffing op grond
                    van artikel 5:34 model-APV kan in dit geval namelijk nooit worden verleend
                    wegens strijd met de Wet milieubeheer. De aanvraag voor een ontheffing op grond
                    van artikel 5:34 model-APV hoeft daarom niet in behandeling te worden genomen.
                    De grondslag hiervoor is artikel 4:5 Awb.</al><al><cursief>Uitzonderingen artikel 5:34 model-APV</cursief></al><al>In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het
                    eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt
                    verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen
                    afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor
                    koken, bakken en braden niet onder het nieuwe regiem van de Wet milieubeheer. Er
                    is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen.
                    Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de
                    omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast
                    of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De aanhef van het tweede
                    lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden.</al><al>De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Lid 1 regelt
                    namelijk het aanleggen, stoken of hebben van vuur, maar in de genoemde
                    uitzonderingsgevallen is geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De
                    gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit
                    eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of
                    hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die
                    niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het
                    verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen).</al><al>Normaal gesproken is de afbakening tussen de Wet milieubeheer en de model-APV
                    helder, indien er sprake is van een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer. Daar waar de Wet milieubeheer of hierop gebaseerde regels of
                    voorschriften in een onderwerp voorzien, is geen ruimte voor de model-APV.</al><al/><al><vet>AFDELING 9. VERSTROOIING VAN AS</vet></al><al>Bij de algehele herziening van de model-APV in 2002 is deze afdeling hernummerd
                    van 5.8 in 5.6 (nieuw). Reden hiervoor was de al eerdere vervallenverklaring van
                    afdeling 5.6 (oud) over Straatnaamborden, huisnummer e.d. Bij ledenbrief van 25
                    maart 1995, lbr. nr. 95/35, heeft de VNG een modelverordening straatnaamgeving
                    en huisnummering uitgebracht. De oude afdeling 5.7 ging over Gevonden voorwerpen
                    en is vervallen door de inwerkingtreding van het Nieuw Burgerlijk Wetboek
                    (artikel 5:5 B.W en volgende) in 1992.</al><al/><al><vet>Artikel 5:35 Begripsbepaling</vet></al><al>Volgens de Wet op de lijkbezorging kunnen verstrooiingen door of op last van de
                    houder van een crematorium of de houder van een plaats van bijzetting alleen
                    plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd. Ook blijft de
                    mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt. Zie verder voor een
                    uitgebreide toelichting Ledenbrief 97/232 omtrent het verstrooien van
                    crematieas.</al><al/><al><vet>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</vet></al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol
                    op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen
                    voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke
                    overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden
                    en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet
                    waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen
                    als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen
                    wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.</al><al>Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent
                    voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een
                    begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke
                    begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een
                    en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit
                    van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de
                    begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin
                    verstorend kunnen werken.</al><al>De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van
                    terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om
                    incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. Onder “volgende
                    plaatsen” kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd, plaatsen invullen waarvan zij
                    zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder begrepen
                    het openbare water of delen daarvan.</al><al>Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                    evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien.
                    Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die
                    gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te
                    onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</al><al>Als variant voor het opgenomen artikel in de model-APV kan gekozen worden voor
                    een bepaling waarbij juist wordt aangegeven waar het verstrooien van as is
                    toegestaan. Vanzelfsprekend vraagt de invulling van dit alternatief op een
                    zelfde zorgvuldige benadering als het hierboven genoemde artikel.</al><al/><al><vet>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</vet></al><al>1.Incidentele asverstrooiing is verboden op andere plaatsen dan op:</al><al>...</al><al>...</al><al>...</al><al>2.Het college kan een besluit nemen waarin de plaatsen genoemd in het eerste lid
                    voor een bepaalde termijn worden onttrokken aan de mogelijkheid voor
                    asverstrooiing.</al><al>3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op
                    grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod voor het
                    verstrooien op andere plaatsen dan op de plaatsen genoemd</al><al><cursief>Vierde lid Lex silencio positivo</cursief></al><al>Dit soort ontheffingen zijn zeldzaam en er zijn doorgaans emoties van
                    nabestaanden in het geding. Het is daarom mogelijk en wenselijk dat er snel en
                    tijdig wordt beslist. Om die reden is ervoor gekozen hier wel een lex silencio
                    positivo op te nemen. De gemeenteraad kan hier een andere afweging maken.</al><al/><al><vet>Artikel 5:37 Hinder of overlast</vet></al><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten.</al><al>Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep
                    mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert
                    vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op.</al><al>Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor
                    aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het
                    verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over
                    een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt
                    opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw
                    of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder
                    oplevert voor het publiek.</al><al>Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging
                    van 26 maart 1998 af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de
                    handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van
                    asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek
                    geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al>Gelet op het belang van effectieve handhaving van de APV-voorschriften en de
                    vraag van gemeenten naar meer informatie op dit punt (zoals bleek uit de enquête
                    van SGBO in 2001), is hier een algemene introductie opgenomen over bestuurlijk
                    toezicht, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving.</al><al><cursief>Handhaving algemeen</cursief></al><al>Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving door anderen van
                    rechtsregels te bevorderen. De belangrijkste redenen voor een goede handhaving
                    zijn in het kort de volgende.</al><al>Door een goede handhaving zal de overheid uiteindelijk in steeds grotere mate
                    het door haar beoogde doel bereiken. Door handhaving kan de achteruitgang van de
                    kwaliteit van de samenleving worden tegengegaan. De rechtszekerheid en de
                    gelijke behandeling van burgers dienen te worden gewaarborgd. Dit kan door een
                    goed handhavingsbeleid te voeren. De relatie van rechtszekerheid en
                    rechtsgelijkheid met handhaving wordt verder uitgediept. De geloofwaardigheid,
                    betrouwbaarheid en integriteit van bestuurders zullen het ambtelijk en
                    maatschappelijk draagvlak vergroten.</al><al>Handhaving kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn. Hoofdstuk 5
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een opsomming van de aan het
                    bestuursorgaan toekomende dwangmiddelen en de regels die bij de toepassing van
                    de dwangmiddelen in acht genomen moeten worden. Hierna worden deze dwangmiddelen
                    en regels toegelicht. Ook is er een korte introductie tot de strafrechtelijke
                    handhaving opgenomen.</al><al><cursief>Strafrechtelijke handhaving</cursief></al><al>Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze
                    genormeerd. In artikel 1:6 van de Awb is bepaald dat de Awb niet van toepassing
                    is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten noch op de
                    tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het handelen van
                    strafrechtelijke organen wordt genormeerd door de regels van het Wetboek van
                    Strafrecht en door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende materiële
                    normen zijn verwoord en waarin soms ook van de algemene strafvordering
                    afwijkende strafprocessuele bevoegdheden zijn opgenomen, en het Wetboek van
                    Strafvordering, dat algemene regels van strafprocesrecht bevat, bevoegdheden in
                    het leven roept en de grenzen van de bevoegdheden bepaalt.</al><al>Op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak te
                    zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van
                    hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van deze algemene politietaak, alsmede
                    op grond van de last die in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van
                    Strafvordering aan de aldaar genoemde ambtenaren wordt gegeven om strafbare
                    feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren onderzoek doen. Een opsomming
                    van de daarbij te hanteren methoden ontbreekt. Algemene opsporingsmethoden zijn
                    niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Er zijn wel bijzondere
                    opsporingsbevoegdheden geregeld. Dit zijn observatie, infiltratie, de
                    pseudo-koop of pseudo-dienstverlening, het stelselmatig inwinnen van informatie,
                    het onderzoek doen in een besloten plaats zonder toestemming van de
                    rechthebbende, het opnemen van vertrouwelijke communicatie, het onderzoek van
                    telecommunicatie en het stelselmatig volgen of waarnemen.</al><al>Opsporingsambtenaren kunnen, naast dat zij bevoegd zijn opsporingshandelingen te
                    verrichten, ook bevoegd zijn tot het uitoefenen van controlebevoegdheden die in
                    bijzondere wetten worden toegekend. Op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet
                    bijvoorbeeld kan een ambtenaar de bestuurder van een voertuig vorderen zijn
                    voertuig te doen stilhouden, terwijl het vijfde lid van het artikel bepaalt dat
                    de bestuurder op eerste vordering van de opsporingsambtenaar verplicht is
                    medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Als een bevoegde ambtenaar van
                    deze bevoegdheid gebruikmaakt en de ademtest wijst een te hoog alcoholpromillage
                    uit, dan is er een verdenking ontstaan en gaat controle over in opsporing.</al><al>In het bestuursrecht worden de sancties opgelegd door een bestuursorgaan. De
                    rechter speelt in het bestuursrecht pas een rol indien een belanghebbende, na
                    bezwaar of administratief beroep, beroep instelt bij de rechter. De rechter
                    speelt in het strafrecht een centrale rol. Sancties in het strafrecht worden
                    opgelegd door de rechter.</al><al><cursief>Bestuursdwang, dwangsom en gedogen</cursief></al><al>De Gemeentewet kent in artikel 125 aan het gemeentebestuur een algemene
                    bevoegdheid toe tot het opleggen van een last onder bestuursdwang.</al><al>In artikel 5:21 van de Awb is de last onder bestuursdwang als volgt
                    gedefinieerd: de herstelsanctie, inhoudende:</al><al>a.een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en</al><al>b.de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten
                    uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.</al><al>Het feitelijk handelen omvat onder meer: het doen wegnemen, ontruimen, beletten,
                    in de vorige toestand herstellen of het treffen van maatregelen om verdere
                    nadelige gevolgen van een overtreding te voorkomen.</al><al>Het opleggen van een last onder bestuursdwang is dus zuiver gericht op het
                    feitelijk in overeenstemming brengen met de bestuursrechtelijke voorschriften
                    van een onwettige situatie. Dit heeft dus een herstellende werking en heet
                    daarom “reparatoire sanctie” of in termen van de Awb: een herstelsanctie (art
                    5:2, eerste lid onder b).</al><al>Onder overtreding van een voorschrift wordt verstaan: een gedraging die in
                    strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (art 5:1,
                    eerste lid Awb). Daaronder valt dus ook het niet nakomen van voorschriften die
                    aan een vergunning zijn verbonden, zoals bijvoorbeeld geluidsvoorschriften bij
                    een milieuvergunning.</al><al>In artikel 5:32 van de Awb is aangegeven dat een bestuursorgaan dat bevoegd is
                    om een last onder bestuursdwang op te leggen, ook bevoegd is om een dwangsom op
                    te leggen. Het opleggen van een dwangsom is een middel om de overtreder door het
                    opleggen van een last om te betalen, te bewegen de overtreding te beëindigen.
                    Bijna vanzelfsprekend hoort hier de vraag bij welk instrument het geschiktst is
                    om aan de geconstateerde overtreding een einde te maken. Deze vraag zal steeds
                    beantwoord moeten worden aan de hand van feiten, de omstandigheden en de
                    belangen die aan de orde zijn. De wet laat zich hier niet over uit. Wel is in
                    artikel 5:6 van de Awb bepaald dat het bestuursorgaan geen herstelsanctie oplegt
                    zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van
                    kracht is.</al><al>Met andere woorden: een combinatie van bestuursdwang met last dwangsom is niet
                    mogelijk.</al><al>De eerste stap in een handhavingscyclus zal zijn dat een overtreding plaatsvindt
                    dan wel gaat plaatsvinden. Dat betekent dat er een onderzoek moet worden gedaan.
                    Met behulp van de toezichtsbevoegdheden wordt de situatie onderzocht. Hiervan
                    zal de ambtenaar een rapport van bevindingen moeten opmaken. Het is belangrijk
                    dat een dergelijk rapport van foto’s of ander bewijsmateriaal wordt voorzien.
                    Bij de voorbereiding van een besluit moet immers worden voldaan aan het
                    zorgvuldigheidsbeginsel.</al><al>Het kan een keuze zijn van het bestuursorgaan om niet over te gaan tot
                    handhaven. De met de wet strijdige situatie wordt dan gedoogd. Is een
                    bestuursorgaan op de hoogte van de overtreding, maar wordt er geen actie nomen,
                    dan is er sprake van passief gedogen. Het toepassen van bestuursdwang is een
                    bevoegdheid, geen absolute verplichting. Een gemeente heeft dus de mogelijkheid
                    om het belang van de handhaving door middel van bestuursdwang af te wegen tegen
                    andere belangen, zoals de mogelijkheid om een andere bestuursrechtelijke sanctie
                    in te zetten of over te gaan tot het gedogen. Deze vrijheid is echter
                    betrekkelijk. Uit jurisprudentie blijkt dat er een beginselplicht tot handhaving
                    bestaat. Bijvoorbeeld: ABRS 22 maart 2001, BR2001/778, Dwangsom Camping
                    Nunspeet. Enkel in geval van bijzondere omstandigheden kan van handhavend
                    optreden worden afgezien. Het is goed dit te beseffen. Indien er namelijk een
                    veelheid aan regelgeving binnen een gemeente bestaat, en de gemeente wordt op
                    handhaving van die regels aangesproken, is zij in beginsel dus verplicht hier
                    gevolg aan te geven. De handhaafbaarheid speelt dus een grote rol bij het
                    opstellen van regels. Een duidelijk handhavingsbeleid is hierbij eveneens
                    onontbeerlijk. Zeker als er een handhavingsachterstand moet worden ingelopen, is
                    het van groot belang om in het handhavingsbeleid vast te leggen hoe de
                    prioriteiten zijn bepaald.</al><al><cursief>Bestuursrechtelijk instrumentarium gemeenten</cursief></al><al>Gemeenten hebben in het kader van toezicht en handhaving een aantal
                    bestuursrechtelijke instrumenten ter beschikking. Voor de bestuursrechtelijke
                    instrumenten waarover gemeenten beschikken geldt een scheiding in sancties die
                    erop zijn gericht de ontstane situatie in de gewenste situatie te herstellen
                    (herstelsancties) en sancties die primair zijn bedoeld om bestraffend op te
                    treden (punitieve sancties).</al><al>Bij de herstelsancties gaat het om de last onder bestuursdwang [is voor
                    gemeenten geregeld in artikel 125 Gemeentewet juncto artikel 5.21 Awb] en de
                    last onder dwangsom [artikel 5:31d Awb]. Deze sancties kunnen alleen worden
                    ingezet in situaties waarin herstel daadwerkelijk mogelijk is, zoals het
                    terugbrengen van een bouwwerk in de oorspronkelijke staat. Het intrekken van een
                    begunstigend besluit (vergunning, ontheffing, subsidie) is een voorbeeld van een
                    herstelsanctie die vaak gevoeld wordt als een punitieve sanctie. De meeste
                    normen uit de APV die verloederingsfeiten en onveiligheidsgevoelens van burgers
                    moeten tegengaan lenen zich niet voor handhaving via dwangsom of bestuursdwang.
                    Of het herstel is feitelijk niet mogelijk (denk aan geluidsoverlast), óf het
                    herstel zélf, dan wel de controle daarop, leveren problemen op (denk aan een
                    last onder dwangsom tot het niet meer voortijdig plaatsen van vuilniszakken op
                    straat, die wekelijks gecontroleerd zou moeten worden).</al><al>Op 14 januari 2009 zijn de Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte
                    (BBOOR) en het bijbehorende Besluit (AMvB) in werking getreden. De BBOOR is
                    neergelegd in de artikelen 154b en verder van de Gemeentewet. De wet geeft
                    gemeenten een zelfstandige bevoegdheid om op te treden tegen veel voorkomende en
                    overlastveroorzakende, lichte overtredingen van de APV en de
                    Afvalstoffenverordening (Asv). Het is een punitieve sanctie.</al><al>Het betreft een zelfstandige bevoegdheid waarbij de raad bij verordening kan
                    bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van
                    voorschriften uit de APV die strafbaar zijn gesteld en die niet bij AMvB zijn
                    uitgezonderd. Ook overtreding van voorschriften uit de Afvalstoffenverordening
                    die strafbaar zijn gesteld en die zijn genoemd in de AMVB kunnen bestuurlijk
                    worden beboet. Heeft een gemeente de bestuurlijke boete ingevoerd dan kan zij te
                    allen tijde besluiten de bestuurlijke boete weer af te schaffen. Een besluit van
                    de raad tot intrekking van het besluit tot invoering van de bestuurlijke boete
                    treedt echter niet eerder in werking dan na twaalf maanden na de bekendmaking
                    van het intrekkingsbesluit.</al><al>De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt uitgeoefend of
                    door het college, of door de burgemeester, namelijk indien de toepassing van dit
                    middel dient tot handhaving van regels die de burgemeester uitvoert.</al><al>Tegen de boeteoplegging kan conform de rechtsgang van de Awb bezwaar worden
                    gemaakt en beroep worden ingesteld. De boete dient door een bestuurlijk
                    toezichthouder in dienst van de gemeente te worden opgelegd, die tevens
                    buitengewoon opsporingsambtenaar is. Mandateren van deze bevoegdheid aan
                    particuliere toezichthouders is niet toegestaan. Veel overtredingen in het
                    publieke domein worden gepleegd door daders van wie de identiteit niet bekend
                    is. Om een voorziening te treffen voor deze zogenaamde “anonieme
                    daderproblematiek” wordt gekozen voor aansluiting bij het wetsvoorstel Wet op de
                    uitgebreide identificatieplicht: toezichthouders in het publiek domein krijgen
                    de bevoegdheid de identificatie van de betrokkene te vorderen. De eis dat de
                    toezichthouder tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, complementeert het
                    geheel aan bevoegdheden om de bestuurlijke boete te effectueren. Mocht niet
                    voldaan worden aan het verzoek van de toezichthouder om inzage te verlenen in
                    het identiteitsbewijs, dan kan de toezichthouder optreden als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar en hiervan een proces-verbaal opmaken.</al><al>De opbrengsten van de boeten komen toe aan de gemeenten. Gemeenten zijn zelf
                    verantwoordelijk voor de incasso en de registratie van opgelegde boeten (daarbij
                    kunnen ze eventueel externen, zoals het Centraal Justitieel Incassobureau,
                    inschakelen).</al><al>In gemeenten waar gekozen wordt voor invoering van de bestuurlijke boete krijgt
                    het gemeentebestuur voor wat betreft de aanpak van de kleine ergernissen het
                    primaat bij de handhaving in de publieke ruimte en neemt de rol van de politie
                    hierbij af. Daarbij zal de lijn zijn dat waar gekozen is voor bestuurlijke
                    beboeting, de politie niet meer stelselmatig aandacht besteedt aan kleine
                    ergernissen en het bestuur een 24-uurs beschikbaarheid van de bestuurlijke
                    toezichthouders waarborgt. De politie blijft wel bevoegd om, waar nodig,
                    strafrechtelijk op te treden tegen de overtreding van de APV-normen.</al><al><cursief>Strafrechtelijk instrumentarium gemeenten</cursief></al><al>Op 7 juli 2006 is de wet OM-afdoening van kracht geworden. Hiertoe zijn de
                    Wetboeken van Strafvordering en Strafrecht gewijzigd. Vanaf 2009 hebben
                    gemeenten gefaseerd de mogelijkheid gekregen OM strafbeschikkingen uit te
                    vaardigen.</al><al>Het gaat hierbij om zogeheten bestuurlijke strafbeschikkingen waarmee aan
                    personen die overtredingen begaan een geldboete kan worden opgelegd. De te
                    bestraffen overtredingen staan vermeld in de OM- beleidsregels voor de
                    (bestuurlijke)strafbeschikking overlast en zien op lichte (aan de APV en
                    afvalstoffenverordening gerelateerde) overlastfeiten Zij komen in feite overeen
                    met de te beboete feiten op grond van de wet bestuurlijke boete overlast.</al><al>Het ministerie van Justitie kent in overleg met het Openbaar Ministerie deze
                    strafbeschikkingsbevoegdheid toe. Artikel 257b van het WvSv is op dit moment de
                    grondslag voor de gemeentelijke bevoegdheid om (middels een boa) een
                    bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen. Van de bevoegdheid kan gebruik
                    worden gemaakt onder toezicht van en volgens richtlijnen vastgesteld door het
                    College van procureurs-generaal (OM).</al><al>Indien is gekozen voor het instrument van de bestuurlijke strafbeschikking biedt
                    artikel 576a Sv een grondslag om geldbedragen die uit de tenuitvoerlegging van
                    bestuurlijke strafbeschikkingen zijn verkregen deels ten goede te laten komen
                    aan het handhavende bestuursorgaan. De opbrengst van de strafbeschikking gaat
                    naar het Rijk, maar gemeenten ontvangen een vergoeding per uitgeschreven
                    proces-verbaal voor overlast. Op dit moment bedraagt deze vergoeding 40
                    euro.</al><al>Omdat op de strafbeschikking het strafrecht van toepassing is kan een
                    belanghebbende hiertegen geen bezwaar en beroepsprocedure bij de bstuursrechter
                    voeren. Men zal in verzet kunnen gaan bij het OM en uiteindelijk in bij hoger of
                    cassatie kunnengaan.</al><al/><al><vet>Artikel 6:1 Strafbepaling</vet></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 380 en
                    van de tweede categorie € 3800. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter
                    die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens
                    van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op
                    grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de
                    verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 3 (artikel
                    23, tweede lid, WvSr).</al><al>De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van
                    verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie. De
                    gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid te
                    maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de eerste dan wel van
                    de tweede categorie op staat. Uiteraard kan in de APV ook worden gekozen voor
                    een enkele strafmaat. De gemeente verliest dan echter de mogelijkheid om
                    scheiding aan te brengen tussen lichte en zwaardere overtredingen. Het is niet
                    mogelijk om van de indeling in boetecategorieën af te wijken, bijvoorbeeld door
                    een maximumboete van euro 1000,00 te stellen.</al><al><cursief>Strafbaarheid rechtspersonen</cursief></al><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                    rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag
                    van de naasthogere categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie
                    geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr).
                    Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter
                    de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen € 7
                    600).</al><al><cursief>Uitgangspunten bij een keuze tussen de tweede en de eerste
                        geldboetecategorie</cursief></al><al>Het is niet goed mogelijk om algemene criteria te geven voor de vraag of een
                    overtreding van een gemeentelijke verordening bedreigd moet worden met een boete
                    van de eerste (lichte overtredingen) dan wel de tweede categorie. De opvatting
                    van de gemeenteraad over de ernst van bepaalde overtredingen is hiervoor
                    maatgevend. Wel kunnen enkele algemene uitgangspunten worden genoemd:</al><al>a.De hoogte van een op te leggen boete zal in overeenstemming moeten zijn met de
                    aard van de overtreding. Gezien de aard van de bepalingen van de APV kan als
                    algemene lijn worden gehanteerd dat op overtredingen een straf van de tweede
                    categorie wordt gesteld. Op de overtredingen die de gemeenteraad minder ernstig
                    acht, kan een boete van de eerste categorie worden gesteld. Overigens dient er
                    bij de vaststelling van de strafhoogte rekening te worden gehouden met het feit
                    dat ook de lichtere delicten soms onder zodanige omstandigheden kunnen worden
                    gepleegd, dat zij een zwaardere bestraffing verdienen. Het komt nog wel eens
                    voor dat de rechter er behoefte aan heeft, voor bijvoorbeeld bepaalde
                    baldadigheidsdelicten - waarop in het algemeen een zware straf niet past - met
                    het oog op de algemene preventie, een zwaardere straf op te leggen. Desondanks
                    blijft het gewenst om na te gaan welke overtredingen in de eigen gemeentelijke
                    verordeningen in aanmerking komen voor onderbrenging in de eerste
                    categorie.</al><al>b.Op milieuovertredingen, met name overtredingen die ook door rechtspersonen
                    kunnen worden gepleegd, wordt veelal een boete van tweede categorie
                    gesteld.</al><al>c.Indien aanvullend wordt opgetreden ten opzichte van provinciale verordeningen,
                    kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat de gemeenteraad kiest voor een
                    geldboete van de eerste categorie indien de provinciale regelgever daar ook voor
                    heeft gekozen. Een voorbeeld. In een provinciale landschapsverordening is het
                    verboden om zonder vergunning buiten de bebouwde kom op of aan onroerend goed
                    commerciële reclames aan te brengen of te hebben. In een APV is, uit hoofde van
                    hetzelfde motief, eenzelfde verbod opgenomen voor het gebied binnen de bebouwde
                    kom. Zou nu overtreding van het provinciale voorschrift worden bedreigd met een
                    geldboete volgens de eerste categorie, terwijl op overtreding van het
                    gemeentelijk voorschrift een geldboete is gesteld volgens de tweede categorie,
                    dan zouden voor identieke gedragingen verschillende maximumstraffen gelden (€
                    380 buiten de bebouwde kom; € 3800 binnen de bebouwde kom). Overigens staat het
                    de gemeenteraad vrij om in dit soort gevallen toch te kiezen voor de tweede
                    categorie.</al><al>d.Indien de gemeenteraad aanvullend optreedt ten opzichte van een rijksregeling,
                    kan net als bij de provincie als uitgangspunt worden genomen dat het Rijk wordt
                    gevolgd bij de keuze van de boetecategorie. Zo zijn in elke APV wel bepalingen
                    opgenomen die een aanvulling zijn op overtredingen waar Boek III WvSr een boete
                    van eerste categorie op stelt. Het betreft veelal artikelen die beogen overlast
                    en baldadigheid tegen te gaan. De volgende model-APV-bepalingen kunnen worden
                    aangemerkt als een dergelijke aanvulling.</al><al>1.De artikelen 2;47 tot en met 2:50, voorschriften die baldadigheid en overlast
                    beogen tegen te gaan. Dit zijn aanvullingen op de artikelen 424 WvSr
                    (baldadigheid op of aan de weg) en 426 bis WvSr (belemmering van een ander in
                    zijn vrijheid van beweging op de weg, zich opdringen aan een ander, hinderlijk
                    volgen).</al><al>2.Artikel 4.1.7 (nu 4:6) is een aanvulling op artikel 431 WvSr (rumoer of
                    burengerucht waardoor de nachtrust kan worden verstoord).</al><al>Zo is ook in verschillende APV’s (zie artikel 5:32) als aanvulling op artikel
                    10, eerste lid,Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) een regeling opgenomen voor het
                    houden van wedstrijden met motorrijtuigen op andere plaatsen dan de weg en voor
                    wedstrijden anders dan met voertuigen op of aan de weg. Ingevolge artikel 10 WVW
                    1994, eerste lid, is het behoudens ontheffing op grond van artikel 148 WVW 1994
                    - verboden om op de weg een wedstrijd te houden. Overtreding van dit verbod
                    wordt bedreigd met een geldboete van de eerste categorie.</al><al><cursief>Medebewindvoorschriften</cursief></al><al>In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de
                    verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de
                    strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is
                    veelal in deze wetten opgenomen. De opsomming in het eerste en tweede lid van
                    dit artikel bevatten dan ook geen in deze verordening opgenomen voorschriften,
                    op overtreding waarvan straf is bedreigd in de bijzondere wet. Dat betreft</al><al>•artikel 2:6; overtreding van deze voorschriften is strafbaar gesteld in artikel
                    437 en 437ter van het WvSr (boete van de tweede respectievelijk derde categorie)
                    en</al><al>•de voorschriften uit afdeling 8a van de model-APV. Zie daarvoor het algemene
                    gedeelte van de toelichting bij die afdeling.</al><al><cursief>Hechtenis?</cursief></al><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling hechtenis
                    wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog meer
                    terug te dringen “ten gunste” van de geldboete. Toch is in het eerste lid van
                    dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan
                    worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzondering)gevallen (bijvoorbeeld in het
                    geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging
                    van een vrijheidsstraf.</al><al>Op overtreding van de in het tweede lid van dit artikel genoemde - in de eerste
                    geldboetecategorie ingedeelde - bepalingen, is echter geen hechtenis gesteld,
                    omdat het hier lichte overtredingen betreft.</al><al><cursief>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                        vergunningsvoorschriften</cursief></al><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan
                    levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens
                    artikel 1:4 van de model-APV gegeven beperkingen en voorschriften bij een
                    vergunning of een ontheffing. Formeel levert dit laatste een overtreding van
                    artikel 1:4, tweede lid, op. Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan
                    wie krachtens de APV een vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de
                    daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 2:11) en
                    voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11) vallen bij inwerkingtreding van
                    de Wabo onder de Wabo. Zie resp. artikel 2.2, eerste lid onder d en onder g van
                    de Wabo. Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (artikel 2:10) kan
                    neerkomen op het opslaan van roerende zaken als bedoeld in artikel 2.2 onder j
                    en k van de Wabo, bijvoorbeeld als het gaat om de opslag van puin of
                    bouwmaterialen in containers. Een ontheffing daarvoor valt dan onder de Wabo en
                    wordt aangemerkt als een omgevingsvergunning. Artikel 2.3 van de Wabo verbiedt
                    het handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning op grond
                    van artikel 2:10, 2:11 of 4:11 model-APV. Via artikel 5.4 van de Invoeringswet
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de Wet economische delicten van
                    toepassing op handelen zonder of in strijd met deze drie vergunningen. De
                    strafbepalingen van de APV zijn er dus niet op van toepassing.</al><al>Let op: artikel 6:1 van de model-APV zelf verandert als gevolg van de Wabo niet,
                    want daarin staan geen artikelen genoemd die onder de strafbepalingen vallen; de
                    gemeenteraden moeten dat zelf invullen. In de opsomming van artikelen in lid 1
                    en lid 2 moeten de gemeenteraden er wel op letten dat de artikelen 2:11 en 4:11
                    worden geschrapt en bij artikel 2:10 het vierde lid wordt uitgezonderd.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Aanvullingen op de artikelen 424 (baldadigheid op of aan de weg) en art. 426
                    WvSr (belemmering van een ander in zijn vrijheid van beweging op de weg, zich
                    opdringen aan een ander, hinderlijk volgen) door gemeentelijke voorschriften
                    (artikel 2.4.7 tot en met 2.4.10) zijn toelaatbaar (HR 26 februari 1957, NJ
                    1957, 253 (APV Eindhoven).</al><al>Het staat de gemeentelijke wetgever vrij aanvullende regelen te geven tot het
                    tegengaan van hinderlijke geluiden. Artikel 4.1.7 APV is een toegestane
                    aanvulling op artikel 431 WvSr (rumoer of burengerucht waardoor de nachtrust kan
                    worden verstoord) (HR 26 oktober 1954, NJ 1954, 779 (APV Amsterdam).</al><al/><al><vet>Artikel 6:2 Toezichthouders</vet></al><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen overeenkomstig aanbeveling
                    60 van de “100 Ideeen voor de gemeentelijke regelgever” (VNG, 2011) . De basis
                    voor deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk
                    zijn algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit
                    hoofdstuk geeft regels voor het toezicht. Aangezien buitengewone
                    opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen
                    is een nadere regeling in de APV niet (meer) nodig. De aanwijzing als
                    toezichthouder in de APV is de grondslag voor het hebben van
                    opsporingsbevoegdheid. Zie verder de toelichting onder het kopje
                    Opsporingsambtenaren.</al><al><cursief>Aanwijzen toezichthouders</cursief></al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De aanwijzing van
                    toezichthouders kan derhalve in de APV plaatsvinden. Een deel van de
                    toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen (dit is noodzakelijk indien een
                    toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen. Zie de
                    toelichting hierna onder opsporingsambtenaren). Hiernaast kunnen toezichthouders
                    door het college dan wel de burgemeester worden aangewezen.</al><al>Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als toezichthouders voor zover zij
                    bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. Artikel 2 van
                    de Politiewet, dat een algemene omschrijving van de politietaak bevat, kan niet
                    worden beschouwd als een wettelijk voorschrift in de zin van het artikel.</al><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren.</al><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren (artikel
                    5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                    verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. Het in artikel 5:12,
                    derde lid, van de Awb genoemde model van het legitimatiebewijs is vastgesteld
                    bij de Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131).
                    Deze regeling bevat geen echt model, maar een opsomming van alle elementen die
                    in ieder geval op het legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld
                    van een legitimatiebewijs.</al><al><cursief>Het evenredigheidsbeginsel</cursief></al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een toezichthouder
                    mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de
                    vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet
                    te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                    toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden
                    of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend
                    hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een
                    toezichthouder moet toezien.</al><al><cursief>Bevoegdheden toezichthouder</cursief></al><al>In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders
                    toegekend. In artikel 5:14 is de mogelijkheid opgenomen om aan een
                    toezichthouder minder bevoegdheden toe te kennen. Zo is op voorhand vaak al
                    duidelijk welke bevoegdheden voor het uitoefenen van toezicht niet relevant zijn
                    of per definitie onevenredig.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    “Plaats” is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    (bedrijfs)terreinen, maar ook (bedrijfs)gebouwen. Dat de Awb een uitzondering
                    maakt voor het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner vloeit
                    voort uit het in artikel 12 van de Grondwet vastgelegde “huisrecht”. Op grond
                    hiervan is voor het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner
                    steeds een grondslag in een bijzondere wet vereist. Voor de handhaving van
                    gemeentelijke verordeningen is de basis voor het binnentreden zonder toestemming
                    van de bewoner gelegd in artikel 149a van de Gemeentewet. Op grond van dit
                    artikel kan aan toezichthouders deze bevoegdheid worden toegekend, indien het
                    gaat om het toezicht op de naleving van bij verordening gegeven voorschriften
                    die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming
                    van het leven of de gezondheid van personen. In artikel 6.3 van de model-APV
                    wordt deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend. In de Algemene wet op het
                    binnentreden (Awbi) zijn de vormvoorschriften gegeven die bij het binnentreden
                    van een woning in acht genomen moeten worden. In de toelichting op artikel 6.3
                    van de model-APV zal nader op de Awbi worden ingegaan.</al><al>De bevoegdheid tot het betreden van plaatsen houdt niet tevens in de bevoegdheid
                    tot het doorzoeken van die plaatsen. De Awb geeft toezichthouders dus niet de
                    bevoegdheid om willekeurig kasten, laden en andere bergplaatsen te openen. In
                    gevallen waarin die bevoegdheid niettemin noodzakelijk is, dient deze te worden
                    verschaft door de bijzondere wetgever.</al><al>Artikel 5:16 Awb geeft de toezichthouder de bevoegdheid om inlichtingen te
                    vorderen. Op grond van artikel 5:20 Awb is een ieder ook verplicht deze
                    inlichtingen te verstrekken, behoudens een aantal uitzonderingen dat terug te
                    voeren is op het beroepsgeheim.</al><al>In de artikelen 5:17 tot en met 5:19 Awb worden aan toezichthouders de
                    bevoegdheden verleend om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden
                    en om zaken en vervoermiddelen te onderzoeken.</al><al><cursief>Bijzondere wetten</cursief></al><al>Bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het maken van
                    verordeningen, kunnen op het punt van de aanwijzing van toezichthoudende
                    ambtenaren een eigen regeling bevatten. Die aanwijzing heeft doorgaans tot
                    gevolg dat de aangewezen ambtenaar bepaalde (toezicht)bevoegdheden krijgt.</al><al>Zo heeft de aanwijzing als bedoeld in artikel 18.4, derde lid, van de Wet
                    milieubeheer (Wm) tot gevolg dat de aangewezen ambtenaar de bevoegdheid van
                    artikel 18.5 van de Wm het binnentreden in een woning zonder toestemming van de
                    bewoner met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen verkrijgt.</al><al>Ook in artikel 100 van de Woningwet is aan toezichthouders de bevoegdheid
                    toegekend om een woning binnen te treden zonder toestemming van de
                    bewoners.</al><al>In artikel 42 van de Drank- en Horecawet krijgen de toezichthouders die belast
                    zijn met het toezicht op het bepaalde bij en krachtens die wet (het gaat hier om
                    hoofdstuk 8a van de model-APV) eveneens de bevoegdheid om een woning binnen te
                    treden zonder toestemming van de bewoners, als daar alcoholhoudende drank wordt
                    verstrekt aan particulieren of als zij vermoeden dat dat daar gebeurt.</al><al>In bijzondere wetten kan van de bepalingen van de Awb worden afgeweken.</al><al><cursief>Toezicht en opsporing</cursief></al><al>De meeste bepalingen van de model-APV bevatten ge- en verboden. Op de naleving
                    hiervan dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden.
                    Dit kan op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk - door onder andere het
                    opleggen van een last onder bestuursdwang of onder dwangsom - en
                    strafrechtelijk. Voor beide vormen van handhaving dienen personen te worden
                    aangewezen met toezichthoudende respectievelijk opsporingsbevoegdheden. Alleen
                    voor de aanwijzing van de toezichthouders is een bepaling opgenomen in de model
                    APV. De opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 van
                    het Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen
                    beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig
                    vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel.
                    Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de
                    voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken
                    dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit ook niet
                    automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van
                    bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken van de vergunning of het
                    toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer passende
                    reactie.</al><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden
                    kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden
                    die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de
                    opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht
                    overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                    die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden
                    genomen.</al><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de volgende.</al><al>Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot burgers en
                    bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking. Opsporing dient
                    gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening.</al><al>Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd door de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opsporing wordt geregeld in het WvSv.</al><al><cursief>Opsporingsambtenaren</cursief></al><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    regiopolitie. Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid).</al><al>Op basis van artikel 142, lid 1, onder c, WvSv hebben de volgende - voor de APV
                    relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><al>-personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde
                    strafbare feiten worden belast en</al><al>-personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving van
                    die verordening, een en ander voor het die feiten betreft en die personen zijn
                    beëdigd.</al><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en woningtoezicht.
                    De grondslag van de opsporingsbevoegdheid ligt in de Woningwet.</al><al>De tweede groep betreft de toezichthouders die in de gemeentelijke verordeningen
                    als zodanig worden aangewezen. De aanwijzing dient in de APV te geschieden
                    aangezien artikel 142, eerste lid, sub c, WvSv geen delegatie van de
                    aanwijzingsbevoegdheid toestaat. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld milieu en
                    parkeerwachters, belast met het toezicht op de desbetreffende autonome
                    bepalingen in de APV.</al><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv
                    ontlenen, is een nadere regeling in de APV niet mogelijk. De aanwijzing als
                    toezichthouders in de APV is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                    opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder
                    zijn. De personen die op grond van dit artikel worden aangewezen, dienen op
                    grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan de volgende
                    voorwaarden te voldoen:</al><al>1.zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid;</al><al>2.zij dienen te zijn beëdigd door het College van Procureurs Generaal (volgens
                    art. 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar).</al><al>De akte van beëdiging bevat een aantal gegevens met betrekking tot de
                    buitengewoon opsporingsambtenaar, waaronder in ieder geval de feiten tot de
                    opsporing waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. De akte wordt op naam van de
                    desbetreffende ambtenaar gesteld en na de beëdiging aan hem uitgereikt. De akte
                    wordt voor vijf jaar afgegeven. Hierna kan hij worden verlengd, mits de
                    ambtenaar nog voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid.</al><al><cursief>Gemeentelijke verordeningen en opsporing</cursief></al><al>Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de Gemeentewet, met
                    inachtneming van de Awbi, de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen
                    worden verleend (zie verder de toelichting bij artikel 6.3). Hun overige
                    opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het WvSv. De gemeenteraad heeft
                    hiernaast niet de bevoegdheid om andere opsporingsbevoegdheden te creëren.
                    Ingevolge artikel 1 WvSv mag bij gemeentelijke verordening geen regeling worden
                    gegeven omtrent de opsporing of het bewijs van de in die verordening strafbaar
                    gestelde feiten.</al><al>Ook in een aantal bijzondere wetten worden opsporingsambtenaren aangewezen. Dit
                    is met name van belang voor de medebewindvoorschriften die in deze verordening
                    zijn opgenomen. Een speciale regeling geldt voor de op de artikelen 437 en
                    437ter van het WvSr gebaseerde en in afdeling 2.5 opgenomen bepalingen ter
                    bestrijding van heling van goederen opgenomen voorschriften. De in de artikelen
                    551 en 552 van het WvSv geregelde opsporings- en toezichtbevoegdheden komen
                    reeds toe aan de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 WvSv.
                    Gezien de bijzondere materie is het in het algemeen niet zinvol om ook nog eens
                    buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen.</al><al><cursief>Toezichthoudende ambtenaren belasten met opsporing?</cursief></al><al>Gezien het voorgaande zijn toezichthoudende ambtenaren vanuit hun aanstelling in
                    hun functie niet automatisch belast met opsporing. Dit zal in veel gevallen ook
                    niet nodig zijn. Veelal kan volstaan worden met toezichthoudende bevoegdheden.
                    De aanwijzing hoeft dan niet direct in de verordening te geschieden (art.6:2,
                    eerste lid), maar kan aan het college worden gedelegeerd (tweede lid). Indien
                    namelijk de handhaving van bepaalde wettelijke voorschriften voornamelijk
                    bestuursrechtelijk geschiedt (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te
                    beschikken over opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men
                    strafrechtelijk wil gaan handhaven. In die situatie is het vaak ook niet
                    noodzakelijk om alle toezichthouders opsporingsbevoegdheden te geven. Veelal kan
                    worden volstaan met één of enkele opsporingsambtenaren. Ook kan soms de hulp
                    ingeroepen worden van een algemeen opsporingsambtenaar (ambtenaar van
                    politie).</al><al/><al><vet>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</vet></al><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de model-APV bepaalde
                    plaatsen kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan
                    toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van woningen
                    zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis
                    van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde “huisrecht” regelt. Het
                    betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel
                    waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de
                    bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel, zij het
                    wat beperktere, vormvoorschriften van de Awbi (zie de toelichting , Algemene wet
                    op het binnentreden (Awbi), a. vormvoorschriften). In de toelichting bij artikel
                    6.1a is reeds ingegaan op de bevoegdheid om alle plaatsen te betreden met
                    uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoners.</al><al>De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent drie
                    elementen:</al><al>1.de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn
                    verleend;</al><al>2.de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens de wet
                    te worden aangewezen;</al><al>3.er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen.</al><al>Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van
                    de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. In
                    vele wetten zijn dan ook binnentredingsbevoegdheden opgenomen, zoals in artikel
                    100 van de Woningwet. Deze bevoegdheden zijn vooral toegekend aan ambtenaren of
                    personen die belast zijn met een opsporings- of toezichthoudende taak in het
                    kader van de wetshandhaving. Voorts bestaan bevoegdheden tot binnentreden voor
                    de uitvoering van rechterlijke taken en bevelen, de uitoefening van
                    bestuursdwang, de handhaving van de openbare orde, ter bescherming van de
                    volksgezondheid en ter uitvoering van noodwetgeving.</al><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6:3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.</al><al>Voor enkele bepalingen in de model-APV wordt de bevoegdheid om een woning zonder
                    toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere
                    wet. Het betreft artikel 2:67 en 2:68, de op artikel 437 en 437ter van het WvSr
                    gebaseerde gemeentelijke helingvoorschriften. Artikel 552 van het WvSv bepaalt
                    dat de in artikel 141 bedoelde opsporingsambtenaren (dus niet de buitengewone
                    opsporingsambtenaren) toegang tot elke plaats hebben waarvan redelijkerwijs
                    vermoed kan worden dat zij door een van de daar genoemde ondernemers worden
                    gebruikt; dit geldt zowel voor toezicht als opsporing.</al><al><cursief>Algemene wet op het binnentreden (Awbi)</cursief></al><al>a.Vormvoorschriften</al><al>In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een woning
                    wil betreden in acht moet nemen. Hij dient:</al><al>-zich te legitimeren (artikel 1 Awbi);</al><al>-mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1 Awbi);</al><al>-te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2 Awbi);</al><al>-verslag te maken van het binnentreden (artikel 10 Awbi).</al><al>De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere binnentreding, dus
                    ook indien dit gebeurt met toestemming van de bewoner.</al><al>De artikelen 2 tot en met 11 van de Awbi gelden alleen als zonder toestemming
                    van de bewoner wordt binnengetreden. Degene die binnentreedt, dient te
                    beschikken over een machtiging. In deze machtiging is aangegeven in welke woning
                    binnengetreden kan worden. De Awbi gaat daarbij in beginsel uit van een
                    machtiging voor een woning. Zo nodig kunnen in de machtiging echter maximaal
                    drie andere afzonderlijk te noemen woningen worden opgenomen. De minister van
                    Justitie heeft een model voor de machtiging vastgesteld (opgenomen in de
                    circulaire van het Ministerie van Justitie, 15 augustus 1994, 452425/294).</al><al>In artikel 3 van de Awbi wordt aangegeven wie een machtiging tot binnentreden
                    kunnen afgeven: de procureur-generaal bij het gerechtshof, de officier van
                    justitie en de hulpofficier van justitie hebben een algemene bevoegdheid hiertoe
                    gekregen. Hiernaast kan ook de burgemeester bevoegd zijn machtigingen te
                    verlenen. Dit is het geval indien het binnentreden in de woning in een ander
                    doel is gelegen dan in het kader van strafvordering (bijvoorbeeld bij
                    woningontruimingen).</al><al>In artikel 5:27 van de Awb is voor het binnentreden zonder toestemming van de
                    bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang een andere regeling opgenomen. De
                    bevoegdheid tot het afgeven van de machtiging is daar met uitsluiting van de in
                    de Awbi genoemde functionarissen bij hetzelfde bestuursorgaan gelegd dat de
                    bestuursdwang toepast. Dit betekent dat een college dat bestuursdwang wil
                    uitoefenen, ook de eventueel benodigde machtiging moet afgeven.</al><al>Van het binnentreden dient na afloop een verslag opgemaakt te worden (artikel 10
                    Awbi). Een voorbeeldverslag is opgenomen in de circulaire van het ministerie van
                    Justitie van 15 augustus 1994, 452425/294.</al><al>b.Bevoegdheden</al><al>In de Awbi wordt aan de binnentreder een aantal algemene bevoegdheden toegekend.
                    Degene die bevoegd is een woning zonder toestemming van de bewoner binnen te
                    treden, kan zich daarbij door anderen doen vergezellen (artikel 8, tweede lid,
                    Awbi). Dit is slechts toegestaan voor dit voor het doel waartoe wordt
                    binnengetreden vereist is en de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. Deze
                    personen hoeven zelf niet te beschikken over een machtiging. Het aantal en de
                    hoedanigheid van de vergezellende personen moeten in het verslag worden vermeld;
                    de namen van deze personen hoeven niet vermeld te worden.</al><al>Dat anderen de binnentreder kunnen vergezellen kan noodzakelijk zijn in het
                    belang van de veiligheid van de binnentreder, maar ook indien de nodige
                    werkzaamheden door mensen met een bepaalde vakbekwaamheid moeten worden
                    uitgevoerd.</al><al>Artikel 9 van de Awbi bepaalt dat de binnentredende ambtenaar zich de toegang
                    kan verschaffen indien hij de woning of een deel daarvan afgesloten vindt. Dit
                    geldt ook indien de bewoner wel thuis is, maar zijn medewerking niet wil
                    verlenen. Hierbij kan degene die wil binnentreden zo nodig de hulp van de sterke
                    arm inroepen.</al><al>c.Het begrip “woning”</al><al>Het huisrecht strekt tot bescherming van het ongestoorde gebruik van de woning.
                    Het begrip woning omvat de ruimten die tot exclusief verblijf voor een persoon
                    of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende
                    personen ingericht en bestemd zijn. Door het huisrecht wordt dus niet de
                    eigendom of de huur van een woning beschermd.</al><al>Of een ruimte een woning is, wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke
                    kenmerken zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar
                    ook door de daaraan werkelijk gegeven bestemming. Woning is derhalve een ruim
                    begrip, ook een woonboot, stacaravan, tent en keet. kunnen hieronder worden
                    verstaan. Zelfs een hotelkamer kan onder het begrip woning vallen. Een bepaalde
                    ruimte kan ook uit meer woningen bestaan. De verschillende kamers in een
                    woongroep gelden bijvoorbeeld als aparte woningen. Dit geldt ook voor een binnen
                    een woning gelegen kamer van een kamerbewoner.</al><al>d.Spoedeisende situaties</al><al>Artikel 2, derde lid van de Awbi voorziet in de bevoegdheid om in uitzonderlijke
                    omstandigheden zonder machtiging en zonder toestemming de woning binnen te
                    treden. Dit is bijvoorbeeld het geval in situaties waarbij ernstig en
                    onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen dreigt, zoals
                    bij de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in een woning of de
                    aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van zijn wapen gebruik
                    zou kunnen maken. De politieambtenaar die geen machtiging op zak heeft en die
                    terstond moet optreden, is dan voor het binnentreden niet op toestemming van de
                    bewoner aangewezen en is bevoegd om zonder toestemming binnen te treden. Men kan
                    ook denken aan gevallen waarin de belangen van de bewoner ernstig worden
                    aangetast. Hierbij kan worden gedacht aan ontdekking op heterdaad van een
                    inbraak in de woning. Indien de opsporingsambtenaar de bewoner, bijvoorbeeld als
                    gevolg van diens afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen,
                    is hij bevoegd om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te
                    treden. Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond
                    op te treden en is binnentreden zonder toestemming ÂÅ½n zonder machtiging
                    gerechtvaardigd.</al><al>Op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, blijft ook
                    bij spoedeisende gevallen de Awbi zo veel mogelijk van toepassing. Het
                    spoedeisende karakter van de situatie is derhalve voornamelijk van invloed op
                    het hebben van een machtiging. Dat betekent dat deze bevoegdheid slechts kan
                    worden uitgeoefend door personen die bij of krachtens de wet bevoegd zijn
                    verklaard zonder toestemming van de bewoner binnen te treden. Van het
                    binnentreden zal een verslag moeten worden gemaakt.</al><al>e.Mandaat is niet geoorloofd</al><al>De bevoegdheid machtigingen om binnen te treden af te geven, kan niet worden
                    gemandateerd. De machtiging voor het binnentreden in een woning zonder
                    toestemming vormt de basis voor het plegen van een inbreuk op de grondwettelijke
                    vrijheden van de bewoner. Op grond van artikel 10:3, eerste lid, van de Awb is
                    mandaatverlening geoorloofd, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald
                    of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Gezien de zwaarte van deze
                    inbreuk is hier sprake van een bevoegdheid waarvan de aard zich tegen
                    mandaatverlening verzet (zie de parlementaire behandeling van de Awbi).</al><al>f.De strafrechtelijke sanctie</al><al>Een ambtenaar die zonder dat hij de bevoegdheid daartoe heeft of zonder dat hij
                    de vormvoorschriften in acht neemt, een woning, lokaal of erf betreedt, dient
                    zich op vordering van de rechthebbende direct te verwijderen. Het niet opvolgen
                    van deze vordering levert het ambtsmisdrijf van artikel 370 WvS. op.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De tijdelijke afwezigheid van de bewoner, bijvoorbeeld wegens vakantie of opname
                    in een ziekenhuis, leidt er niet toe dat de ruimte het karakter van woning
                    verliest (HR 4 januari 1972, NJ 1972, 121).</al><al>Met een woning verbonden ruimten die in het geheel niet voor bewoning zijn
                    bestemd en die van buitenaf via een eigen ingang kunnen worden betreden -
                    bijvoorbeeld een praktijkruimte of een winkel - vallen niet de bescherming van
                    het huisrecht. de bescherming van de woning vallen voorts niet de trappen en
                    portalen die tot een woning en andere lokaliteiten toegang geven (HR 16 december
                    1907, W 8633), dus ook - zo mag worden aangenomen - niet de gemeenschappelijke
                    trappen en portalen in een flatgebouw.</al><al/><al><vet>Artikel 6:4 Intrekking oude verordening</vet></al><al>In artikel 6.4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt
                    ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe verordening in
                    werking treedt, is de datum waarop de oude verordening vervalt.</al><al/><al><vet>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</vet></al><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                    inwerkingtreding van deze verordening.</al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad (verbod van reformatio in peius).</al><al/><al><vet>Artikel 6:6 Inwerkingtreding</vet></al><al>Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de
                    Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in werking
                    treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is
                    aangewezen.</al><al>Het is ook geoorloofd in de verordening te bepalen dat de dag van
                    inwerkingtreding door het college van burgemeester en wethouders zal worden
                    vastgesteld. Het alternatief luidt in dat geval:</al><al>“Deze verordening treedt in werking op een door het college nader te bepalen
                    tijdstip.”</al><al>In het model is gekozen voor een datum van in werking treden die afhangt van de
                    datum van bekendmaking. Het is uiteraard ook goed mogelijk om een met name
                    genoemde datum te kiezen, bijvoorbeeld de 1e van een bepaalde maand.</al><al>De APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is
                    gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle
                    overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
                    inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Van belang is dat de gemeente gehouden is
                    dit besluit mee te delen aan het parket van het arrondissement waarin de
                    gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet.</al><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard niet
                    mogelijk aan de bepalingen van een strafverordening terugwerkende kracht te
                    verlenen.</al><al/><al><vet>Artikel 6:7 Citeertitel</vet></al><al>Deze bepaling is geformuleerd overeenkomstig aanbeveling 75 van de “100 Ideeen
                    voor de gemeentelijke regelgever” (VNG, 2011). Desgewenst kan de gemeentenaam
                    nog worden toegevoegd.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>JG 09.0016 JG 09.0040 JG 09.0042 </al><al>JG 09.0046</al><al>JG 09.0069</al><al>JG 10.0008</al><al>JG 10.0009</al><al>JG 10.0017 </al><al>JG 11.0001</al><al>JG 11.0017</al><al>JG 11.0046</al><al>JG 11.0047</al><al>JG 11.0061</al><al>JG 11.0075</al><al>JG 12.0030</al><al>JG 12.0031</al><al>JG 12.0039</al><al>JG 12.0069</al><al>JG 12.0070</al><al/><al>[1] Het lid oogt gecompliceerd, maar geeft een sluitende bepaling die aansluit
                    op het eerste lid. Een concreet voorbeeld: stel dat op grond van het eerste lid
                    bijvoorbeeld op zaterdagavond alcohol mag worden geschonken tot 00.00 uur, en
                    dat in het tweede lid tweemaal “twee uur” is ingevuld. Als er dan op die
                    zaterdagavond een competitie aan de gang is die tot 23.00 uur duurt, dan mag er
                    nog doorgeschonken worden tot 2 uur na beëindiging van de competitie: tot 01.00
                    uur dus. De competitie eindigt in dit voorbeeld immers binnen de “twee uur vóór
                    het verlopen van de schenktijden”.</al><al/><al>Als in hetzelfde voorbeeld de competitie om 0.30 uur is afgelopen, dan valt dat
                    binnen de “twee uur na afloop van de schenktijden”, en mag er ook doorgeschonken
                    worden tot 2 uur na afloop van de competitie: in dit voorbeeld tot 02.30 uur. De
                    in te vullen tijdstippen kunnen uiteraard ook onderling verschillen.
                        <onderstreept>Terug naar de verwijzing naar voetnoot [1] inde
                        tekst</onderstreept></al><al/><al>[2] Uit ABRS 29-10-2003, LJN: AM5479 blijkt dat onder verenigings- of
                    wedstrijdactiviteiten geen bestuursvergaderingen zijn te rekenen. Trainingen en
                    toernooien vallen hier uiteraard wel onder. De raad kan ervoor kiezen in dit
                    artikellid de verenigingsactiviteiten niet te vermelden. Dan blijft de
                    verruiming van de schenktijden beperkt tot wedstrijden, al dan niet in
                    competitieverband, en geldt de verruiming niet voor bijvoorbeeld
                    spelletjesavonden en feesten voor de eigen leden.<onderstreept>Terug naar de
                        verwijzing naar voetnoot [2] in de tekst</onderstreept></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>