<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR322091_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Aa en Maas</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Aa en Maas</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waterschapsblad, 30-12-2013, nr. 366</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterwet, hoofdstuk 7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110">Waterschapswet, art.110</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=113">Waterschapswet, art. 113</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-12-31</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2013. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2014.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-53027</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-53028</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van het waterschap Aa en Maas;</al><al>op voordracht van het Dagelijks Bestuur van 22 oktober 2013;</al><al>gelet op de artikelen 110 en 113 van de Waterschapswet en hoofdstuk 7 van de
                        Waterwet;</al><al/><al> BESLUIT:</al><al>Vast te stellen de:</al><al>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2014</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Begripsbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan de
                                    aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen,
                                    alsmede de bijbehorende bodem en oevers, flora en fauna ten
                                    aanzien waarvan het waterschap ingevolge artikel 3.2 van de
                                    Waterwet is aangewezen als beheerder, met uitzondering van de
                                    gronden die ingevolge artikel 3.1 of 3.2 van de Waterwet zijn
                                    aangewezen als drogere oevergebieden;</al></li><li nr="b."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 7 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="c."><al>lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in
                                    beheer bij het waterschap;</al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="e."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                    afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde
                                    een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een openbaar
                                    vuilwaterriool;</al></li><li nr="f."><al>openbaar vuilwaterriool: een voorziening voor de inzameling en
                                    het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een
                                    gemeente of rechtspersoon die door een gemeente met het beheer
                                    is belast;</al></li><li nr="g."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van
                                    stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of
                                    gemeente, dan wel een rechtspersoon die door het bestuur van een
                                    waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast,
                                    met inbegrip van het bij dat werk behorende werk voor het
                                    transport van stedelijk afvalwater;</al></li><li nr="h."><al>stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel
                                    daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater,
                                    grondwater of ander afvalwater;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar belast met de heffing: </al><lijst><li nr="a."><al>de door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaar,
                                            bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, van de
                                            Waterschapswet,</al></li><li nr="b."><al>de door de dagelijkse besturen van twee of meer
                                            waterschappen aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel
                                            124, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet
                                            of</al></li><li nr="c."><al>de krachtens of bij gemeenschappelijke regeling
                                            aangewezen ambtenaar van een openbaar lichaam, bedoeld
                                            in artikel 124, vijfde lid, onderdeel a, van de
                                            Waterschapswet;</al></li></lijst></li><li nr="j."><al>watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1,
                                    tweede lid, van de Waterschaps­wet;</al></li><li nr="k."><al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van
                                    de Drinkwaterwet;</al></li><li nr="l."><al>ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, warm
                                    tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen
                                    hemelwater;</al></li><li nr="m."><al>drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                    eerste lid, van de Drinkwaterwet;</al></li><li nr="n."><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste
                                    lid, van de Drinkwaterwet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Bijlagen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel/></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><lijst><li nr="•"><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                    berekening;</al></li><li nr="•"><al> Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in
                                    artikel 122k, derde lid, van de
                                        Waterschapswet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Belastbaar feit en heffingsplicht</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam verontreinigingsheffing wordt een directe belasting
                                geheven ter zake van lo­zen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de heffing worden onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een
                                        bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die
                                        ruimte;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>ter zake van het lozen met behulp van een riolering of van
                                        een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of
                                        dat zuiveringtechnisch werk in beheer is;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a of b:
                                        degene die loost.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Voor de toepassing van het tweede lid onder a, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden
                                        aangemerkt als gebruik door het door de ambtenaar belast met
                                        de heffing aangewezen lid van dat huishouden;</al></li><li nr="b."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte
                                        in gebruik is gegeven, aan­gemerkt als gebruik door degene
                                        die het deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel
                                        in gebruik heeft gegeven is bevoegd de heffing als zodanig
                                        te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                                        gegeven;</al></li><li nr="c."><al>het ter beschikking stellen van een woonruimte of
                                        bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als
                                        gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft
                                        gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld
                                        is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan
                                        wie de ruimte ter beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt ten goede aan de
                                bekostiging van het be­heer van het watersysteem door het
                                waterschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3a</nr><titel/></kop><al>Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al> het lozen met behulp van een vuilwaterriool;</al></li><li nr="b."><al> het lozen vanuit een zuiveringstechnisch werk door het
                                    waterschap zelf;</al></li><li nr="c."><al> het lozen van stoffen afkomstig vanuit een zuiveringstechnisch
                                    werk anders dan door het waterschap zelf, mits de hoeveelheid
                                    stoffen niet is toegenen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als
                                bedoeld in artikel 16 is ver­schuldigd bij het begin van het
                                heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de
                                heffings­plicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                                eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                                verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                                verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de
                                heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de
                                heffingsplicht aanvangt op de eerste dag van een kalendermaand wordt
                                die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het
                                eerste lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat
                                aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor
                                dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van
                                de heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de
                                heffingsplicht eindigt op de eerste dag van een kalendermaand wordt
                                die ka­lendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de
                                dagtekening van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag
                                tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Heffingsjaar</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel/></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Aangifte</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met betrekking tot de verontreinigingsheffing geheven van gebruikers
                                van bedrijfsruimten wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte
                                gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin
                                        wordt verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld
                                        in artikel 6a, eerste lid, onderdeel b.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Op verzoek van degene die op de wijze bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel b, is uitgenodigd tot het doen van aangifte wordt door de
                                ambtenaar belast met de heffing een aangiftebiljet als bedoeld in
                                het eerste lid, onderdeel a, toegezonden of uitgereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het doen van aangifte geschiedt door:</al><lijst><li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het uitgereikte
                                        aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de
                                        programmatuur gevraagde gegevens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien het eerste lid, onderdeel b, toepassing vindt, worden de
                                eventueel gevraagde bescheiden afzonderlijk ingeleverd of al dan
                                niet overeenkomstig het eerste lid toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Degenen die betrokken zijn bij de aangifte, bedoeld in het eerste
                                lid, onderdeel b, dragen zorg voor de nodige voorzieningen van
                                technische en organisatorische aard tegen verlies of aantasting van
                                de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of
                                verstrekking daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De via de programmatuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
                                toe te zenden dan wel in te leveren gegevens zijn inhoudelijk gelijk
                                aan die welke toegezonden dan wel ingeleverd hadden moeten worden
                                indien voor de aangifte als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a
                                was gekozen. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Grondslag en heffingsmaatstaf</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de
                                hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een
                                kalenderjaar worden geloosd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van
                                de stoffen die in een ka­lenderjaar worden geloosd. De
                                vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                                stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                                zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                                stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                                verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking
                                tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van
                                54,8 kilogram zuurstof. nk; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen chroom,
                                koper, lood, nikkel, zink, arseen, kwik en cadmium, wordt bepaald op
                                basis van de geloosde gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in
                                Bijlage I van deze verorde­ning. Eén vervuilingseenheid
                                vertegenwoordigt een in het heffingsjaar geloosde
                                gewichtshoeveelheid van:</al><lijst><li nr="a."><al>1,00 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel en </al><al> zink; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De stoffen zilver, chloride, sulfaat en fosfor worden niet aan de
                                heffing onderworpen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Meting, bemonstering en analyse</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere
                                stoffen wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en
                                analyse verkregen gegevens. De meting, bemon­stering, analyse en
                                berekening geschieden met in achtneming van de in Bijlage I
                                opgenomen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse
                                geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde
                                in artikel 9.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt
                                        van de werkelijke hoeveel­heid afvalwater;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                        hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode
                                        vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt
                                        geloosd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met
                                een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor
                                aanvang van het heffingsjaar, ter kennis van de amb­tenaar belast
                                met de heffing. Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van
                                het heffingsjaar aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de
                                ingebruikname of de wijziging ter kennis van de ambtenaar belast met
                                de heffing gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing:</al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden
                                        in afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel
                                        A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt
                                        dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in
                                        het derde lid, onderdelen a en b;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en
                                        bemonstering kunnen geschie­den in afwijking van een of meer
                                        van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschrif­ten,
                                        indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij
                                        wordt voldaan aan het be­paalde in het derde lid, onderdelen
                                        a en b;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden
                                        afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                        analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige
                                        aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten
                                        van de analyse hierdoor niet wordt beïn­vloed;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b
                                        en c nadere voorschriften geven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                                het vijfde lid, onderde­len a, b en c, bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan
                                        wordt afgeweken; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                        c; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                        d;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt ge­geven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge
                                het vijfde lid geno­men beschikkingen, die betrekking hebben op
                                hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift
                                te verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                                verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                                geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende
                                beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                                lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Beperkte meting, bemonstering en analyse</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor
                                de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan
                                met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in
                                een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar
                                belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in
                                afwijking van het bepaalde in artikel 8, tweede lid. Het besluit op
                                aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
                                Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in
                                        het onderzoek dienen te worden be­trokken;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden,
                                        hetzij ieder etmaal van die tijdvak­ken, hetzij één of meer
                                        daartoe aangewezen etmalen daarvan;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen
                                        uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden
                                        over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het
                                        heffingsjaar;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gege­ven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                                verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                                geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende
                                beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van
                                onderdeel C van Bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in
                                die beschikking is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                                het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoedanigheidscorrectie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                                zuurstofverbruik bedoeld in artikel 7 in belangrijke mate is
                                beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen,
                                wordt op aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een
                                correctie toegepast.</al><al/><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld
                                in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                                beschikking bevat in elk geval:</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                                voorschriften welke zijn opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld
                                in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                                beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al> de wijze van berekening van de correctie;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al> de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop
                                        de correctie van toepassing is; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                        meting, bemonstering en analyse; </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Tabel afvalwatercoëfficiënten</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, kan het
                                aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik
                                in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onder­deel
                                daarvan worden vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze
                                verordening opge­nomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de
                                heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
                                vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                                kalender­jaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van
                                de hoeveelheid ingenomen wa­ter kan worden bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                                berekend volgens de for­mule A x B, waarbij </al><al> A = het aantal m<sup>3</sup> in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                                water;</al><al> B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in
                                Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de
                                vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per
                                m<sup>3</sup> ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel
                                van de bedrijfsruimte ingeno­men water is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                                worden vastgesteld aan de hand aan watermeterstanden die aan het
                                begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de
                                ambtenaar belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem
                                nader vast te stellen wijze.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per
                                m<sup>3</sup> als bedoeld in het twee­de lid wordt ingevolge artikel
                                7.3b, vijfde lid, van de Waterwet bepaald met toepassing van de
                                algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k, tweede
                                lid, van de Waterschapswet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                zuurstofverbruik in een kalen­derjaar voor een bedrijfsruimte of een
                                onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de hef­fingsplichtige
                                aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid, aanhef,
                                bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt
                                verkregen bij berekening op de voet van artikel 8, eerste lid,
                                beslist de amb­tenaar belast met de heffing bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking op aanvraag van heffings­plichtige dat het aantal
                                vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de
                                vervuilingswaarde van de stoffen die worden geloosd vanuit een
                                bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in
                                het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een
                                permanente opstand van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald
                                op basis van het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                                vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per
                                deel van een hectare vloeroppervlak een even­redig deel van drie
                                vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het
                                eerste lid bedoelde bedrijfs­ruimte of onderdeel van een
                                bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door de gebruiker
                                aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die
                                bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een
                                evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald
                                aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van
                                een bedrijfsruimte, bere­kend op basis van het tweede of derde lid,
                                van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie
                                vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid
                                op één vervuilingseenheid gesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Franchise en drempel</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                                heffingsjaar voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel,
                                en zink wordt een aftrek toegepast, met dien ver­stande dat het
                                aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden
                                gesteld. De af­trek wordt bepaald door het totaal aantal
                                vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stof­fen, als berekend
                                op grond van de artikelen 8 tot en met 11, te vermenigvuldigen met
                                0,0162.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                                heffingsjaar voor de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik wordt
                                een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal
                                vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De
                                aftrek wordt be­paald door het totaal aantal vervuilingseenheden van
                                de zuurstofbindende stoffen, als bere­kend op grond van de artikelen
                                8 tot en met 11, te vermenigvuldigen met 0,0027.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Meetverplichting</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                                stoffen van een bedrijfs­ruimte minder bedraagt dan 1.000
                                vervuilingseenheden wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel
                                8:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        chroom, koper, lood, nikkel, en zink op nihil gesteld,
                                        tenzij de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt
                                        dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze
                                        stoffen de in artikel 13, eerste lid bedoelde aftrek te
                                        boven gaat;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de
                                        ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het
                                        aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen
                                        de in artikel 13, tweede lid, bedoelde aftrek te boven
                                        gaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                                stoffen van een bedrijfs­ruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer
                                bedraagt, wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 8:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        chroom, koper, lood, nikkel, en zink op nihil gesteld,
                                        indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in
                                        artikel 13, eerste lid, bedoelde aftrek niet te boven
                                        gaat;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de
                                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseen­heden met betrekking tot deze stoffen de in
                                        artikel 13, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven
                                        gaat.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel/></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van
                            de aantallen vervui­lingseenheden als berekend overeenkomstig de
                            artikelen 8 tot en met 14, voor zover deze van toepassing zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                                zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden
                                geloosd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de
                                heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde
                                minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één
                                vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                                gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                                vervuilingseenheden en de hef­fingsplichtige aannemelijk maakt dat
                                de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt,
                                bestaat aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe
                                na afloop van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de
                                heffingsplicht, in de loop van het heffingsjaar een aanvraag
                                indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Vervuilingswaarde van woonruimten</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die vanuit een woonruimte worden geloosd, gesteld op
                                drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die
                                vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden geloosd,
                                be­draagt één vervuilingseenheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                                bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor
                                verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt
                                geëx­ploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden
                                tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van
                                een bedrijfsruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte
                                wordt gebruikt door één per­soon ontstaat in de loop van het
                                heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op één vervuilings­eenheid
                                vastgesteld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand
                                volgend op de ka­lendermaand waarin die situatie is ontstaan. Indien
                                de hiervoor bedoelde situatie ontstaat op de eerste dag van een
                                kalendermaand, wordt de vervuilingswaarde met ingang van die dag op
                                één vervuilingseenheid vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat na de
                                dagtekening van de aanslag, be­staat aanspraak op vermindering. De
                                heffingsplichtige kan daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar
                                belast met de heffing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Schatting</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel/></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in
                            een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting
                            vaststellen, indien door de heffingsplichtige:</al><lijst><li nr="a."><al> zonder de in artikel 9 genoemde toestemming niet is voldaan aan
                                    de in artikel 8, tweede lid, opgenomen verplichting; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al> niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden
                                    aan de in artikel 9 genoemde toestemming; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al> meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn
                                    geschied in overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen
                                    voorschriften; </al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al> niet is voldaan aan de in artikel 8, eerste lid, eerste volzin,
                                    opgenomen verplichting en bepa­ling van de vervuilingswaarde
                                    overeenkomstig artikel 11, eerste of vijfde lid, of de artikelen
                                    12, 16 en 17 niet mogelijk is, dan wel bepaling van de
                                    vervuilingswaarde op basis van artikel 11, vijfde lid, wel
                                    mogelijk is en door de heffingsplichtige gedurende het
                                    heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in artikel 11, vijfde
                                    lid, is inged</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Tarief</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel/></kop><al>Het tarief bedraagt € 45,96 per vervuilingseenheid. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Wijze van heffing en termijnen van betaling</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanslag(en), daaronder begrepen voorlopige aanslagen, moet(en)
                                worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt
                                op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                                dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee
                                maanden later. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bedrag inzake een bestuurlijke boete moet worden betaald in twee
                                gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de
                                maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een navorderingsaanslag is invorderbaar een maand na dagtekening van
                                het aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het tweede en derde lid moeten, indien een
                                machtiging voor automatische incasso is afgegeven en zolang de
                                verschuldigde bedragen via automatische incasso kunnen worden
                                afgeschreven, de aanslag(en) en de bestuurlijke boete(s) worden
                                betaald in tien gelijke maandelijkse termijnen waarvan de eerste
                                vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die van de
                                dagtekening van het aanslagbiljet en de volgende termijnen telkens
                                een maand later. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het vijfde lid is betaling via automatische incasso
                                alleen mogelijk voor zover het totaalbedrag van de op één
                                aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen en bestuurlijke boetes
                                meer is dan € 80,00 en minder is dan € 2.000,00. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                voorgaande leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Niet opleggen van aanslagen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanslag die een bedrag van € 5,00 niet te boven gaat, wordt niet
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt het totaal van de op één
                                aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt toch een aanslag opgelegd als er een
                                voorlopige aanslag aan vooraf is gegaan. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Nadere regels</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel/></kop><al>Het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant kan
                            nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de
                            invordering.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Inwerkingtreding en citeertitel</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De 'Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2013',
                                vastgesteld bij besluit van 16 november 2012, wordt ingetrokken met
                                ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van de
                                bekendmaking</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2014.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening
                                verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2014'.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur op 13 december 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De secretaris, de dijkgraaf,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Drs. P. Sennema .H.J. Verheijen</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de verordening verontreinigingsheffing</label></kop><al><vet>A ALGEMEEN</vet></al><al><cursief>Doelstelling en karakter verontreinigingsheffing</cursief></al><al>De verontreinigingsheffing vindt haar wettelijke basis in artikel 7.2, tweede
                    lid, van de Waterwet (Wet van 29 januari 2009, Stb. 107). Zij is daarmee de
                    opvolger van de verontreinigingsheffing zoals die tot en met 2009 werd geheven
                    op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van 13 november
                    1969, Stb. 536). Die verontreinigingsheffing “oude stijl” diende ter
                    financiering van alle activiteiten in het kader van het waterkwaliteitsbeheer.
                    Zowel de kosten voor het actieve beheer (transporten en zuiveren van afvalwater,
                    verbranden van zuiveringsslib en baggeren uit waterkwaliteitsoogpunt) als voor
                    het passieve beheer (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving,
                    waterkwaliteitsbeheersplannen) werden hiermee bekostigd. </al><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21
                    mei 2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen. Met ingang van 2009 worden
                    de kosten ter bestrijding van de zorg voor het zuiveren van afvalwater, waar ook
                    het transporteren van afvalwater en het verbranden van zuiveringsslib toe worden
                    gerekend, gedekt uit de opbrengst van de zuiveringsheffing. </al><al/><al>Het passieve waterkwaliteitsbeheer en het baggeren uit waterkwaliteitsoogpunt
                    horen sinds 2009 tot de zorg voor het watersysteem, waar ook de zorg voor de
                    waterkering en de waterbeheersing toe worden gerekend. De zorg voor het
                    watersysteem wordt bekostigd uit de opbrengst van de watersysteemheffing. Voor
                    directe lozingen op oppervlaktewater bleef de verontreinigingsheffing wel
                    bestaan. De opbrengst kwam ten goede aan de bekostiging van het beheer van het
                    watersysteem. Die praktijk vindt ook na 2009 toepassing, zij het dat de
                    wettelijke basis voor de belasting zoals gezegd met ingang van 2010 in de
                    Waterwet is geregeld. De essentialia van de belasting zijn niet veranderd en zij
                    vertonen grote overeenkomst met de zuiveringsheffing. Het kenmerkende verschil
                    tussen de beide belastingen is dat de zuiveringsheffing wordt geheven voor het
                    afvoeren van stoffen op de riolering of een zuiveringstechnisch werk, terwijl de
                    verontreinigingsheffing is verschuldigd voor het lozen van stoffen in een
                    oppervlaktewaterlichaam.</al><al/><al>Het vaststellen van de vervuilingswaarde van de afgevoerde of geloosde stoffen
                    gebeurt op dezelfde wijze als bij de zuiveringsheffing. In dat kader verklaart
                    de Waterwet zelfs een aantal bepalingen ter zake van de zuiveringsheffing in de
                    Waterschapswet van overeenkomstige toepassing voor de verontreinigingsheffing.
                    Daarom wordt in deze toelichting ook op een aantal plaatsen verwezen naar
                    bepalingen in de Waterschapswet in plaats van de Waterwet. </al><al>Bij de verontreinigingsheffing wordt de vervuilingswaarde voor woonruimten
                    alleen op forfaitaire wijze vastgesteld. De keuze om dit net zoals bij de
                    zuiveringsheffing als alternatief op basis van het drinkwatergebruik te doen,
                    heeft de wetgever bij de verontreinigingsheffing niet gegeven.</al><al/><al>Omdat er geen directe relatie is tussen het lozen van stoffen en de kosten van
                    het beheer van het watersysteem, heeft de verontreinigingsheffing het karakter
                    van een bestemmingsheffing behouden. </al><al/><al>Een aantal artikelen in deze verordening is letterlijk uit de wet overgenomen.
                    Hoewel die bepalingen vanwege het imperatieve karakter ook achterwege hadden
                    kunnen blijven, zijn ze toch in de verordening opgenomen. Een belastingplichtige
                    moet immers uit de belastingwet kunnen opmaken onder welke voorwaarden zijn
                    materiële belastingschuld ontstaat. Omdat de belastingverordening voor het
                    waterschap in feite de functie van belastingwet heeft, is er een aantal jaren
                    geleden al voor gekozen om van verordeningen steeds een “aangeklede” versie
                    maken.</al><al/><al><vet>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Considerans</vet></al><al/><al><cursief>Bevoegdheid Algemeen Bestuur</cursief></al><al>Uitsluitend het Algemeen Bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                    belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet.
                    Het Dagelijks Bestuur is belast met de voorbereiding van de belastingverordening
                    (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al/><al><cursief>Bevoegdheid instellen verontreinigingsheffing</cursief></al><al>De bevoegdheid voor waterschappen om een verontreinigingsheffing in te stellen,
                    ligt in artikel 7.2 van de Waterwet, juncto artikel 113 van de Waterschapswet.
                    In het laatstgenoemde artikel geeft de wetgever aan het waterschap de
                    bevoegdheid om krachtens een bijzondere wet belasting te heffen. De Waterwet is
                    een dergelijke bijzondere wet.</al><al/><al><vet><onderstreept>Begripsbepalingen</onderstreept></vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 1</onderstreept></al><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                    begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                    begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is zo veel mogelijk
                    aangesloten bij de begripsbepalingen in artikelen 1 en 7.1 van de Waterwet. Op 3
                    september 2009 is de Drinkwaterwet in het Staatsblad geplaatst. Op het moment
                    van inwerkingtreding van deze wet wordt de Waterleidingwet ingetrokken. In een
                    aantal begripsbepaling van artikel 122c van de Waterschapswet wordt naar de
                    Waterleidingwet verwezen. Die bepalingen moeten daarom worden gewijzigd en
                    afgestemd op de Drinkwaterwet. Het daartoe strekkende wetsvoorstel is op 7 juni
                    2010 aangeboden aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32
                    403). In de Waterwet is geregeld dat die bepalingen voor de zuiveringsheffing
                    ook van toepassing zijn op de verontreinigingsheffing. De van artikel 122c
                    Waterschapswet afgeleide begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in artikel 1
                    van de verordening verontreinigingsheffing zijn hierop aangepast.</al><al/><al>Door de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Staatsblad
                    2007, 208) is in artikel 122c Waterschapswet een begripsomschrijving opgenomen
                    voor ingenomen water. In die omschrijving wordt gesproken van opgevangen
                    regenwater, terwijl tot dan toe opgevangen hemelwater de gebruikelijke
                    terminologie was. Ook ontstond een verschil met onder andere de Waterwet, waar
                    wel gesproken wordt van hemelwater. Met het op 7 juni 2010 ingediende
                    wetsvoorstel, en in het verlengde daarvan deze wijziging van de verordening,
                    wordt dit verschil opgeheven. </al><al/><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>De Waterwet introduceert het begrip oppervlaktewaterlichaam. Dit is meer
                    omvattend dan het begrip oppervlaktewater zoals dat in de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren wordt genoemd en later in jurisprudentie nader inhoud heeft
                    gekregen. In artikel 7.2, tweede lid, van de Waterwet wordt ten aanzien van de
                    verontreinigingsheffing een tweetal zaken uitgezonderd, te weten als zodanig
                    aangewezen drogere oevergebieden en de exclusieve economische zone. Er is voor
                    gekozen om van die uitzonderingen alleen de drogere oevergebieden als
                    uitzondering op te nemen. De exclusieve economische zone is het water in de
                    Noordzee buiten de territoriale wateren boven het Nederlandse deel van het
                    continentaal plat en zal daarom in geen enkel geval binnen het beheersgebied van
                    een waterschap vallen. De uitzondering van de exclusieve economische zone heeft
                    dus alleen effect voor zover het de verontreinigingsheffing door het rijk
                    betreft.</al><al/><al>Nu het begrip oppervlaktewater is vervangen door oppervlaktewaterlichaam, doet
                    zich de vraag voor of en in hoeverre de in de loop der jaren ontstane
                    definiëring van het begrip oppervlaktewater ook van toepassing is op
                    oppervlaktewaterlichaam. </al><al>De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel (Kamerstuk 2006-2007, 30 818, nr.
                    3) geeft daarover uitsluitsel. Op pagina 88 staat: “Onder de begripsomschrijving
                    vallen aldus de watereenheden waarop de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake
                    het begrip oppervlaktewater uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren – dat
                    in die wet overigens niet is gedefinieerd – betrekking heeft”. Vervolgens wordt
                    ook aangegeven dat de definitie van oppervlaktewater uit de kaderrichtlijn water
                    niet geschikt is om in de Waterwet over te nemen.</al><al/><al>Zoals bekend mag worden verondersteld, is er destijds bij de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren bewust voor gekozen om, vanwege de grote verscheidenheid in
                    verschijningsvormen, het begrip oppervlaktewateren niet in de wet te
                    omschrijven. Nadere definiëring zou moeten plaatsvinden door middel van
                    jurisprudentie. In de Memorie van Toelichting is wel aangegeven welke eisen aan
                    oppervlaktewater zouden kunnen worden gesteld.</al><al>Zo zou het: </al><al>- geschikt moeten zijn om te dienen als grondstof voor drinkwater voor de mens
                    dat tegen een redelijke prijs is te distribueren;</al><al>- geschikt moeten zijn om te dienen als drinkwater voor vee;</al><al>- geschikt moeten zijn als sproei- en gietwater in de agrarische sector;</al><al>- geschikt moeten zijn voor recreatieve doeleinden;</al><al>- geschikt moeten zijn voor industriële toepassingen; of</al><al>- vormen van aquatisch leven kunnen bevatten.</al><al/><al>Uit de Memorie van Toelichting blijkt verder dat het begrip zich niet beperkt
                    tot openbare wateren.</al><al/><al>Zoals verwacht is in de jurisprudentie aan het begrip oppervlaktewater de nodige
                    invulling gegeven. De meest uitgebreide definitie gaf de Hoge Raad in zijn
                    arrest van 30 november 1982 (BNB 1983/89):</al><al><cursief>‘Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen een – anders
                        dan louter incidenteel aanwezige – aan het oppervlak en aan de open lucht
                        grenzende watermassa (met inbegrip van een bedding waarin zodanige
                        watermassa al dan niet bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg
                        van rechtmatig gebruik ten behoeve van een specifiek doel geen normaal
                        samenhangend geheel van levende organismen en een niet–levende omgeving
                        (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het een ter berging van afval gegraven
                        bekken betreft waarin slechts in een overgangsfase water aanwezig is en zich
                        nog geen normaal ecosysteem heeft ontwikkeld.’</cursief></al><al>Op 8 november 1978 (BNB 1979/15) oordeelde de Hoge Raad dat bij een
                    zuiveringsinstallatie behorende bezinkbedden niet als oppervlaktewater
                    aangemerkt kunnen worden.</al><al>Een sloot van 300 meter lang en 2,5 meter breed die ‘s winters is gevuld en ‘s
                    zomers in de regel althans gedeeltelijk enig water bevat, moet onder andere
                    vanwege het feit dat de sloot kan dienen voor landbouwdoeleinden, worden
                    aangemerkt als oppervlaktewater (Hoge Raad 12 november 1980, BNB 1981/43 en na
                    verwijzing Hof Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983/55, Belastingblad 1987, blz.
                    249).</al><al>Een sloot van waaruit geregeld – dat wil zeggen niet minder dan eenmaal per jaar
                    – gedurende enige tijd water wegvloeit naar een ander slotenstelsel kan als
                    oppervlaktewater worden aangemerkt (Hoge Raad 26 januari 1983, BNB 1983/89,
                    Belastingblad 1983, blz. 182 en Hoge Raad 22 juni 1983, BNB 1983/241,
                    Belastingblad 1983, blz. 465).</al><al>Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn (Hoge Raad 25 mei
                    1983, BNB 1983/247, Belastingblad 1983, blz. 462).</al><al>Een open beekvak dat deel uitmaakt van een (ondergrondse) verbinding tussen twee
                    oppervlaktewateren kan als oppervlaktewater worden aangemerkt, ook als de klep
                    in de duiker onder de naast die verbinding gelegen weg gedurende het
                    heffingsjaar was gesloten (Hoge Raad 27 maart 1985, BNB 1985/167, Belastingblad
                    1985, blz. 464).</al><al>Een greppel van vijftig meter lang en een meter breed, die aan weerszijden van
                    het lozingspunt slechts over een lengte van tien meter enig water bevat en niet
                    in verbinding staat met enig oppervlaktewater, kan niet als oppervlaktewater
                    worden aangemerkt (Hoge Raad 27 januari 1988, BNB 1988/123, Belastingblad 1988,
                    blz. 223).</al><al/><al/><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in
                    artikel 7. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in
                    de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die stoffen. </al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Lozen is het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij
                    het waterschap. Welke oppervlaktewaterlichamen dat zijn, valt op te maken uit de
                    gebiedsomschrijving zoals die is opgenomen in het reglement voor het waterschap. </al><al/><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke
                    bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt
                    geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                    woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                    ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om
                    een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en daardoor niet meer dan bijkomstig
                    afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de
                    woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het
                    met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid,
                    sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder meer
                    studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan niet worden
                    gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de
                    arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984,
                    blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari
                    1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz. 168).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                    woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al><al/><al><cursief>Onderdeel e</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve
                    formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven. Alles
                    wat geen woonruimte, een openbaar vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk
                    is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo wordt bijvoorbeeld ook een
                    stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Hof ‘s–Gravenhage 17 maart
                    1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al><al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter anders.
                    Hierbij ging het om een kavel los land –deels akkerbouw, deels weiland- dat niet
                    als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden namelijk geen opstallen op
                    en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik van machines die elders, in de
                    schuur achter zijn boerderij, werden gestald. Hierdoor was hij meer dan
                    bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor de bedrijfsexploitatie
                    wezenlijke, voorzieningen (Hof ’s-Gravenhage, 18 februari 1997, Belastingblad
                    1997, blz. 729). </al><al>Of daar ook sprake van was bij de zandopspuiting wordt uit de casus niet
                    duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er sprake was van het lozen van met
                    slib verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand (Hof Arnhem 22 augustus
                    1997, Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of sprake is van één of van
                    twee bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de Hoge Raad van
                    14 juni 1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een bij twee
                    verschillende personen in gebruik zijnde stortplaats als één bedrijfsruimte werd
                    aangemerkt. Daarbij speelde onder andere een rol het feit dat de stortplaats
                    maar één ingang heeft, om de gehele stortplaats een hek staat en er geen
                    deugdelijke afscheiding is tussen beide delen van de stortplaats.</al><al/><al/><al><cursief>Onderdeel f</cursief></al><al>Onder openbaar vuilwaterriool wordt verstaan het algemene gemeentelijk
                    rioolstelsel. Dat loopt door tot het zogenaamde overnamepunt waar het
                    zuiveringstechnisch werk van het waterschap begint. Dit begrip betekent een
                    verruiming ten opzichte van het begrip riolering in artikel 17 van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren. Nu wordt ook rekening gehouden met de
                    omstandigheid dat het beheer bij een rechtspersoon en niet bij de gemeente zelf
                    berust. </al><al/><al><cursief>Onderdeel g</cursief></al><al>De definitie van een zuiveringtechnisch werk komt in belangrijke mate overeen
                    met de omschrijving van artikel 15a van de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren. Het gebruik van de term stedelijk afvalwater betekent wel
                    een bekorting van de oude omschrijving. Ook is de term beheer vervangen door
                    exploitatie, omdat in het kader van de Waterwet het begrip beheer betrekking
                    heeft op watersystemen. Dit doet overigens niet af aan het vereiste in artikel
                    3.4 van de Waterwet dat het moet gaan om een installatie onder de zorg van een
                    waterschap of eventueel een gemeente. Naast afvalwaterzuiveringsinstallaties
                    vallen ook gemalen, persleidingen, vrijvervalleidingen, open en dichte
                    afvoergoten en pompstations ten behoeve van het afvalwater nog altijd onder de
                    definitie. </al><al/><al>Hiermee wordt aansluiting gezocht op de jurisprudentie van de Hoge Raad
                    dienaangaande. De gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen (zie
                    onderdeel f, waar het begrip openbaar vuilwaterriool is gedefinieerd).</al><al/><al><cursief>Onderdeel h</cursief></al><al>De definitie van stedelijk afvalwater is ontleend aan artikel 1.1, eerste lid,
                    van de Wet milieubeheer.</al><al/><al><cursief>Onderdeel i</cursief></al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                    aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In
                    artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door
                    waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur
                    toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap. Die aanwijzing
                    geschiedt bij een door het dagelijks bestuur te nemen aanwijzingsbesluit.
                    Ingeval op het gebied van belastingheffing wordt samengewerkt met een of meer
                    andere waterschappen of binnen een gemeenschappelijke regeling, dan zijn
                    eveneens de bepalingen in artikel 124 van de Waterschapswet van toepassing.</al><al>Behalve het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften
                    komt krachtens deze verordening aan deze functionaris ook de bevoegdheid tot het
                    afgeven van meetbeschikkingen toe (artikel 10 en verder).</al><al/><al><cursief>Onderdeel j</cursief></al><al>Hoewel de Waterschapswet dit begrip niet expliciet omschrijft, moet onder het
                    watersysteem worden verstaan de zorg voor de waterkering, de waterbeheersing en
                    het passieve waterkwaliteitsbeheer. Hoewel hiervoor in de vorm van de
                    watersysteemheffing een eigen financieringsmiddel in het leven is geroepen, is
                    voor directe lozingen op een oppervlaktewaterlichaam de verontreinigingsheffing
                    blijven bestaan. De opbrengst van die belasting komt ten goede aan de
                    bekostiging van het beheer van het watersysteem (artikel 7.2, vijfde lid, van de
                    Waterwet). </al><al/><al><cursief>Onderdeel k</cursief></al><al>Hoewel de Waterleidingwet een definitie van het begrip drinkwater geeft, moet
                    hier in het kader van deze verordening niet uitsluitend voor menselijke
                    consumptie geschikt water worden verstaan. Ook zaken als warm tapwater (vaak
                    afkomstig van stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs” water voor het wassen van
                    kleding vallen hier onder. Daarom wordt aangesloten bij het begrip leidingwater
                    zoals dat is omschreven in artikel 1, onderdeel b, van de Waterleidingwet.</al><al/><al><cursief>Onderdeel l</cursief></al><al>Een waterleidingbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de begripsomschrijving in
                    artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Waterleidingwet niet uitsluitend te
                    voorzien in het leveren van water. Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken
                    van een ruimer aanbod van producten, bijvoorbeeld elektrische energie, warmte of
                    aardgas. </al><al/><al><cursief>Onderdeel m</cursief></al><al>Een waterleidingbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de begripsomschrijving in
                    artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Waterleidingwet niet uitsluitend te
                    voorzien in het leveren van water. Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken
                    van een ruimer aanbod van producten, bijvoorbeeld elektrische energie, warmte of
                    aardgas. </al><al/><al><cursief>Onderdeel n</cursief></al><al>Met de inwerkingtreding van de Drinkwaterwet is het begrip warm tapwater
                    geïntroduceerd. Dit is water voor huishoudelijk gebruik dat door een leverancier
                    wordt opgewarmd alvorens het aan de consument wordt geleverd. Door de
                    Drinkwaterwet wordt warm tapwater nadrukkelijk uitgezonderd van het begrip
                    drinkwater. Het is echter wel water dat na gebruik wordt afgevoerd en valt
                    daarom binnen de ratio van ingenomen water.</al><al/><al><vet><onderstreept>Bijlagen</onderstreept></vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2</onderstreept></al><al/><al>De grondslag voor de verontreinigingsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid
                    en de hoedanigheid van de stoffen die worden geloosd. Als heffingsmaatstaf geldt
                    de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd,
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 7.5, eerste lid, van
                    de Waterwet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt
                    vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse
                    verkregen gegevens overeenkomstig bij belastingverordening te stellen regels.
                    Die regels zijn opgenomen in Bijlage I. Zie in dit verband ook de artikelen 8,
                    9, 10, 13 en 14 van de verordening.</al><al>Artikel 7.2, vijfde lid, van de Waterschapswet verklaart een aantal bepalingen
                    met betrekking tot de zuiveringsheffing in de Waterschapswet van overeenkomstige
                    toepassing voor de verontreinigingsheffing. Daardoor is er een aantal
                    uitzonderingen op deze hoofdregel van toepassing. Deze uitzonderingen, in casu
                    voor woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met
                    een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in
                    deze verordening opgenomen. Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met
                    betrekking tot het zuurstofverbruik van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan
                    onder voorwaarden de berekening van het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden
                    met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in
                    artikel 122k, derde lid, van Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in
                    Bijlage II. De wijze waarop deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in
                    artikel 11.</al><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al><al/><al>Voor woonruimten en glastuinbouwbedrijven gelden afzonderlijke forfaitaire
                    regelingen.</al><al/><al><vet><onderstreept>Belastbaar feit en heffinqsplicht</onderstreept></vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 3</onderstreept></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De verontreinigingsheffing is verschuldigd wanneer stoffen in een
                    oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Deze doelstelling is tot uitdrukking
                    gebracht in het eerste lid van artikel 3. De opbrengst komt, zoals blijkt uit
                    het vierde lid, ten goede aan de bekostiging van het beheer van het
                    watersysteem. De verontreinigingsheffing is dus primair een bestemmingsheffing
                    die overigens wel een regulerende nevenwerking kan hebben. </al><al/><al>Het belastbare feit is het lozen van stoffen, dat wil zeggen het direct brengen
                    van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij het waterschap.
                    De vraag of het geloosde water van slechtere kwaliteit is dan het
                    oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd, is niet van belang. Dit bleek uit
                    een arrest waarbij het ging om de lozing van opgepompt bronwater dat werd
                    gebruikt als koelwater (Hoge Raad 12 september 1990, BNB 1991/15, Belastingblad
                    1990, blz. 771). Dit ligt overigens anders als het gaat om ingenomen
                    oppervlaktewater dat wordt gebruikt als koelwater en dat vervolgens weer wordt
                    geloosd op oppervlaktewater. In dat geval wordt voor de berekening van de
                    vervuilingswaarde uitsluitend de toegevoegde vervuiling in aanmerking genomen
                    (zie Bijlage I bij de verordening). Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart
                    1996 (BNB 1996/205, Belastingblad 1996, blz. 335) blijkt overigens dat er geen
                    wettelijke verplichting bestaat voor een dergelijke begunstigende regeling (zie
                    ook Hoge Raad 18 maart 1998, nr. 33 186, Belastingblad 1998, blz. 386).</al><al/><al>Ook wordt de verontreinigingsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat
                    is noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige
                    heffing in hoofdstuk VI van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Heffingsplichtig zijn degenen die stoffen in een oppervlaktewaterlichaam lozen.
                    Dergelijke lozingen kunnen op verschillende wijzen plaatsvinden. Voor de
                    omschrijving van de belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met het
                    object van waaruit wordt geloosd.</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie de
                    gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat de
                    ambtenaar belast met de heffing of het Dagelijks Bestuur beleidsregels opstelt
                    op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan worden
                    aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn
                    voor de heffingsplichtigen. Ingeval van het ontbreken van dergelijke
                    beleidsregels kan de keuze van het waterschap voor één van de gebruikers als
                    willekeurig en onredelijk worden aangemerkt, wat tot vernietiging van de aanslag
                    kan leiden. Zie voor nadere informatie over dit onderwerp en mogelijkheden voor
                    de inhoud van de beleidsregels de brief van de Unie van Waterschappen aan de
                    leden–waterschappen van 23 maart 1995, nr. 951476 (Belastingblad 1995, blz.
                    326).</al><al/><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte, dan
                    is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat een
                    woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij één
                    van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                    verontreinigingsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke
                    overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft
                    heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van
                    de aanslag terugvorderen bij de verhuurder.</al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                    bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                    aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3,
                    derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad
                    23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari
                    1995, BNB 1995/92).</al><al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een
                    bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene
                    die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de
                    bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in opdracht van de
                    landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt te maken
                    voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188,
                    Belastingblad 1991, blz. 478).</al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                    gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                    opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant
                    belastingplichtig.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een riolering of vanuit een zuiveringstechnisch
                    werk, dan is de beheerder van die riolering of van dat zuiveringstechnisch werk
                    heffingsplichtig. Door het gebruik van het begrip riolering vallen alle soorten
                    lozingen, dus ook die via een niet openbare voorziening voor de inzameling en
                    het transport van afvalwater, onder het regime van de heffing.</al><al/><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Wanneer er sprake is van een lozing die niet kan worden gerangschikt onder één
                    van de in onderdeel a of onderdeel b genoemde situaties, dan is degene die
                    feitelijk loost aan de heffing onderworpen. Hierdoor zijn alle denkbare wijzen
                    van lozen anders dan vanuit een woonruimte, een bedrijfsruimte, een riolering of
                    een zuiveringstechnisch werk aan de heffing onderworpen. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al/><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                    gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de
                    aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond waarvan die
                    belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven
                    aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel
                    toe te rekenen verontreinigingsheffing verhalen op degene die het in gebruik
                    heeft. Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en
                    dergelijke.</al><al/><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                    perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld,
                    kan de heffingsplichtige de verontreinigingsheffing verhalen op degenen aan wie
                    hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt op grond van artikel 7.2,
                    vijfde lid, van de Waterwet ten goede aan de financiering van de kosten van het
                    watersysteem. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3a</onderstreept></al><al>De vrijstellingen zijn ontleend aan artikel 7.8 van de Waterwet. </al><al/><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>In de oorspronkelijke tekst van de Waterwet werden lozingen vanuit een openbaar
                    vuilwaterriool vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Hierbij werd,
                    blijkens de aan deze vrijstelling ten grondslag liggende motie (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2007-2008, 30 818, nr. 33) gedoeld op overstorten vanuit het
                    gemeentelijk rioleringsstelsel. Bij de behandeling van de Invoeringswet Waterwet
                    is het aantal vrijstellingen naar aanleiding van een amendement (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2008-2009, 31 858, nr. 16) uitgebreid en is het artikel opnieuw
                    geredigeerd. Daarbij is de toevoeging “openbaar” uit de tekst verdwenen zonder
                    dat daar in het amendement op wordt ingegaan. Wij gaan er daarom vanuit dat met
                    deze vrijstellingsbepaling nog altijd wordt gedoeld op overstorten vanuit het
                    gemeentelijk rioleringsstelsel.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Een lozing vanuit een zuiveringstechnisch werk door het waterschap zelf op een
                    “eigen” oppervlaktewaterlichaam is vrijgesteld van de heffing. </al><al/><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Het op een zuiveringsinstallatie van het waterschap gezuiverde afvalwater is
                    onder omstandigheden goed bruikbaar voor bedrijfsmatige toepassingen. Het is
                    daarom denkbaar dat (een deel van) het effluent niet wordt geloosd, maar door
                    een bedrijf wordt ingenomen. Indien dat bedrijf het gebruikte water weer loost
                    en daar zelf geen stoffen aan heeft toegevoegd, dan is die lozing door het
                    bedrijf vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Het is daarbij, anders dan
                    bij onderdeel b, geen voorwaarde dat het oppervlaktewaterlichaam bij hetzelfde
                    waterschap in beheer is. Achtergrond van deze vrijstelling is dat de regionale
                    zoetwatervoorziening daardoor niet wordt belast. </al><al/><al><vet><onderstreept>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenrediqheid</onderstreept></vet></al><al><onderstreept>Artikel 4 </onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij
                    woonruimten en kleine bedrijfsruim­ten de materiële belastingschuld door de
                    regeling in het eerste lid toch bij het begin van het hef­fingsjaar. Dit heeft
                    als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd
                    (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot
                    het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder
                    meer mogelijk om een definitieve aan­slag gedurende het heffingsjaar op te
                    leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na afloop van het
                    heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de
                    belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake
                    precariorechten (BNB 1995/12, Belasting­blad 1994, blz. 819), Hof Amsterdam 15
                    december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belasting­blad 1996, blz. 331) en Hof
                    Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake
                    zuive­ringsheffing. Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een
                    definitieve aanslag al in het hef­fingsjaar zelf op te leggen, de
                    heffingsverordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al><lijst><li nr="1."><al>een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het
                            begin van het hef­fingsjaar te ontstaan (artikel 4, eerste lid);</al></li><li nr="2."><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                            heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit
                            geregeld in artikel 4, derde en vierde lid en voor kleine
                            bedrijfsruimten voorziet artikel 16, tweede lid, daar in);</al></li><li nr="3."><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien
                            de heffingsmaat­staf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor
                            woonruimten is dit geregeld in artikel 17, der­de en vierde lid en voor
                            kleine bedrijfsruimten in artikel 16, tweede lid).</al></li></lijst><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een
                    waterschap in het </al><al>hef­fingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van de Algemene wet
                    inzake rijksbelas­tingen geeft hiertoe de bevoegdheid.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                    vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid
                    (artikel 17, eerste lid). De verontreinigingsheffing is echter een
                    tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet
                    ge­durende het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de
                    berekening van de hoogte van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, zesde lid,
                    van de Waterschapswet bepaalt dat wan­neer de heffingsplicht in de loop van het
                    jaar aanvangt, de heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een
                    evenredig gedeelte van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In de
                    verordening moet zijn aangegeven op welke wijze dat evenredig deel wordt
                    vastgesteld. In deze verordening is gekozen voor de maandnauwkeurige variant.
                    Uiteraard staat het waterschap vrij om voor een ander systeem, bijvoorbeeld
                    dagnauwkeurigheid, te kiezen. <cursief>Derde lid</cursief></al><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op
                    grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens voor een
                    evenredig deel verschuldigd. Ook hierbij kan voor een andere variant dan
                    maandnauwkeurig worden gekozen. </al><al>Er is tevens voorzien in de mogelijkheid om uit oogpunt van efficiency voor
                    geringe bedragen geen ontheffing te verlenen. Indien daar geen gebruik van wordt
                    gemaakt, kan de betreffende zinsnede worden weggelaten.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Wanneer na het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het jaar
                    eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid geweest om
                    daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van
                    de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan
                    maken op ontheffing. </al><al>Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden beslist bij voor
                    bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de heffings­plichtige in voorkomende
                    gevallen de volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit het
                    oogpunt van de rechtsbescherming van de heffingsplichtige met voldoende
                    waarborgen om­kleed. Het staat het waterschap ook vrij om, op grond van eigen
                    gegevens, uit eigener beweging een dergelijke ontheffing te verlenen zonder een
                    aanvraag van de heffingsplichtige af te wachten.</al><al/><al><vet><onderstreept>Heffingsjaar</onderstreept></vet></al><al><onderstreept>Artikel 5</onderstreept></al><al>In artikel 5 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het
                    kalenderjaar.</al><al/><al><vet><onderstreept>Aangifte</onderstreept></vet></al><al>In artikel 127 van de Waterschapswet is de procedure voor het uitnodigen tot het
                    doen van aangifte geregeld. In het eerste lid van dat artikel is geregeld dat de
                    uitnodiging wordt gedaan door het uitreiken van een aangiftebiljet en in het
                    tweede lid is geregeld dat het doen van aangifte geschiedt door het in leveren
                    of het toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde
                    bescheiden. Op grond van artikel 127, vijfde lid, van de Waterschapswet kan bij
                    de belastingverordening van de hiervoor beschreven procedure worden afgeweken. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 6</onderstreept></al><al>Artikel 6 regelt de uitnodiging tot het doen van aangifte. In onderdeel a is dat
                    het uitreiken van een aangiftebiljet en in onderdeel b wordt een afwijkende
                    methode mogelijk gemaakt.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6a</onderstreept></al><al>Dit artikel regelt de wijze waarop aangifte wordt gedaan. Bij het eerste lid
                    onderdeel a is dat de traditionele wijze van het inzenden van het uitgereikte
                    formulier met de vereiste bijlagen. Door middel van onderdeel b wordt de
                    mogelijkheid geopend om dat op elektronische wijze, de zogenaamde digitale
                    aangifte.</al><al/><al><vet><onderstreept>Grondslag en heffingsmaatstaf</onderstreept></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel 7</onderstreept></al><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                    in een ka­lenderjaar worden geloosd. In het tweede lid is gekozen voor één
                    uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die
                        <onderstreept>in een kalenderjaar</onderstreept> worden geloosd. Deze
                    heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de zuurstofbindende als de overige stoffen
                    en is gedefi­nieerd in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het lozen is
                    belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per heffingsjaar
                    vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. Voor de stoffen die worden genoemd in
                    het vierde lid, gelden verschillende gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. In
                    het vierde lid zijn alle andere stoffen opgenomen die in de heffing worden
                    betrokken. Het wa­terschap heeft de keuze om die stoffen niet in de heffing te
                    betrekken. Daartoe dient op grond van artikel 122f, derde lid, onderdeel a, van
                    de Waterschapswet een afzonderlijke bepaling in de belastingverordening te
                    worden opgenomen. Het vijfde lid van artikel 7 voorziet in een dergelijk
                    besluit.</al><al/><al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende
                    stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de
                    vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij zuurstofbindende
                    stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om die stoffen af te
                    breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het chemisch
                    zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde lozing van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar.</al><al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat één
                    persoon ge­middeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek
                    concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat moment
                    geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6 kilogram per jaar
                    beter in overeenstemming moest worden gebracht met de meest recente gegevens.
                    Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd naar 150 gram per
                    etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar.</al><al/><al>Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van de vervuilingswaarde om
                    de hoeveelheid van die stoffen die in een oppervlaktewaterlichaam worden
                    geloosd. Daarbij is één vervuilingseenheid een omschreven hoeveelheid van in het
                    heffingsjaar geloosde stoffen. Bij chroom, koper, lood, nikkel en zink is één
                    geloosde kilogram één vervuilingseenheid. Vanwege de grotere schadelijkheid is
                    bij arseen, cadmium en kwik een geloosde hoeveelheid van 100 gram al één
                    vervuilingseenheid. </al><al/><al><vet><cursief>Meting, bemonstering en analyse</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel 8</onderstreept></al><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de verontreinigingsheffing
                    de vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet
                    alleen ter zake van het lozen vanuit woonruimte of vanuit bedrijfsruimten, maar
                    ook ter zake van het lozen vanuit zuiveringtechnische werken of op an­dere
                    wijze.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                    aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                    analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                    geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><lijst><li nr="1."><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al></li><li nr="2."><al>analysevoorschriften;</al></li><li nr="3."><al>berekeningsvoorschriften.</al></li></lijst><al/><al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                    heffingsplichtige.</al><al>Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt
                    vastgesteld.</al><al>Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage oordeelde op 16
                    maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding tot de verschuldigde heffing
                    moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan is sprake wanneer de kosten
                    niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde heffing.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                    gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                    omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 9.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                    moeten vol­doen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn
                    een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                    voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                    omstandigheden worden afgeweken.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                    gebruiken apparatuur, vooraf medegedeeld aan de ambtenaar belast met de
                        heffing.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                    Bijlage I opge­nomen voorschriften. Dit mag hij:</al><lijst><li nr="1."><al>ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te
                            voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al></li><li nr="2."><al>op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                            ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde
                            lid;</al></li><li nr="3."><al>op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                            de nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt
                            beïnvloed.</al></li></lijst><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                    genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                    open. Een belangrijk aandachts­punt daarbij is wel dat wanneer de
                    heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt
                    van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die
                    beschikking wel moeten worden nageleefd. </al><al/><al>Dit om te voorkomen dat wanneer de heffingsplich­tige in het ongelijk is gesteld
                    en de beschikking onherroepelijk vaststaat, hij over onvoldoende gegevens
                    beschikt om de vereiste aangifte te kunnen doen. De ambtenaar belast met de
                    heffing zal in dat geval de aanslag immers geheel of gedeeltelijk op basis van
                    schatting vaststellen en de heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten
                    van die schatting onvoldoende of geen tegenbewijs leveren.</al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient
                    te bevatten.</al><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of
                    bedrijfsonder­deel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                    geschrift combineren.</al><al><cursief>Achtste lid</cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan een genomen beschikking ambtshalve
                    wijzigen of intrekken. Daarvoor is geen aanvraag van de heffingsplichtige nodig. </al><al/><al><vet><cursief>Beperkte meting, bemonstering en analyse</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel 9</onderstreept></al><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                    meten, bemon­steren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                    nauwkeurigheid van het eindresul­taat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                    frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de hef­fingsplichtige. De
                    heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie
                    kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar
                    belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale
                    rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden
                    nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                    en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat.</al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de
                    in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.</al><al>In dit kader zijn tevens van belang de model-meetbeschikking (brief van de Unie
                    van Water­schappen aan de leden-waterschappen van 28 oktober 1994, kenmerk
                    942196 AJBZ/EK, Belas­tingblad 1994, blz. 802) en de richtlijnen in het 'Rapport
                    bepaling meetfrequentie ter vaststelling van de vervuilingswaarde van
                    afvalwater' van de Commissie Integraal Waterbeheer van augustus 1998. </al><al/><al><vet><cursief>Hoedanigheidscorrectie</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel 10</onderstreept></al><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                    zuurstofver­bruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu
                    niet of nagenoeg niet afbreek­baar zijn. Op grond van jurisprudentie komt
                    "nagenoeg niet" overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het
                    gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale chemisch
                    zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV
                    gecorri­geerd. In de jurisprudentie staat "in belangrijke mate" voor ten minste
                    25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als T-correctie geduid.</al><al>Artikel 10 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap betreffende de
                    T-correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen (zie ook Bijlage I,
                    onderdeel C). </al><al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van
                    de T-correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                    beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescher­ming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed. Tevens is voorgeschreven
                    welke elementen de bedoelde beschikking dient te bevatten. In de vorm van
                    beleidsregels zijn de voorschriften nader uitgewerkt. </al><al/><al><vet><cursief>Tabel
                            afvalwaterco</cursief></vet><vet><cursief>ë</cursief></vet><vet><cursief>ffici</cursief></vet><vet><cursief>ë</cursief></vet><vet><cursief>nten</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel 11</onderstreept></al><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                    blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het
                    aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de
                    tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is ontleend aan artikel 122k, derde
                    lid, van de Waterschapswet. Zij is opgenomen in Bijlage II en kent vijftien
                    klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet
                            leidt tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al></li><li nr="2."><al>er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                            vervuilingswaarde van de geloosde stoffen. </al></li></lijst><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel geloosde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend
                    door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                    vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afval­watercoëfficiënt.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                    vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf
                    afrekent, niet gelijk is aan het kalen­derjaar. Ook kan er sprake zijn van een
                    andere tariefstructuur door het ontbreken van een watermeter. In dergelijke
                    gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het
                    kalender­jaar. </al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel.</al><al>Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2 van het Besluit
                    vervuilingswaarde</al><al>ingenomen water 2009 (Besluit van 12 december 2008, Stb. 609).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als de ambtenaar
                    belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in
                    een andere klasse moet worden ingedeeld.</al><al>De voorwaarden daarvoor staan in artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde
                    ingenomen water 2009. </al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van meer dan 1.000
                    vervuilingseenheden. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                    vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op
                    basis van meting, bemonstering en analyse.</al><al/><al><vet><cursief>Vervuilingwaarde van tuinbouwkassen</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel 12</onderstreept></al><al>Op basis van artikel 12 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                    opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                    betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                    permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                    glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen
                    geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                    ver­vuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de
                    relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee
                    is voor tuinbouwkassen een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet
                    opgenomen (artikel 122i, tweede lid, Waterschapswet). Indien de
                    vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 12 minder dan vijf
                    vervuilings­eenheden bedraagt, is de regeling voor kleine bedrijfsruimten van
                    artikel 16 van toepas­sing.</al><al/><al><vet><cursief>Franchise en drempel</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel 13</onderstreept></al><al>Artikel 13 bepaalt dat bij de berekening van de vervuilingswaarde ten aanzien
                    van de niet-zuurstofbindende stoffen een heffingsvrije grens (franchise) in acht
                    wordt genomen. De hoogte van deze aftrek is bepaald op de gemiddelde
                    vervuilingswaarde van huishoudelijk afval­water met betrekking tot genoemde
                    stoffen. De achterliggende gedachte hierbij is dat woon­ruimten uitsluitend
                    worden aangeslagen voor de lozing van zuurstofbindende stoffen en niet voor de
                    lozing van andere stoffen. Uit onderzoek blijkt echter dat ook in huishoudelijk
                    afvalwater een, zij het zeer geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit.
                    Deze blijven bij woonruimten echter onbelast. Om te voorkomen dat een
                    ongelijkheid ontstaat tussen woonruimten en bedrijfs­ruimten is in artikel 1 een
                    aftrek opgenomen gelijk aan de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk
                    afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen.</al><al/><al><vet><cursief>Meetverplichting</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel 14</onderstreept></al><al>Artikel 14 heeft als doel duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek dienen te
                    verrichten naar de samenstelling van de lozing van niet-zuurstofbindende
                    stoffen. In de artikelen 7 en 8 staat dat de vervuilingswaarde wordt vastgesteld
                    door middel van (al dan niet dagelijkse) meting, bemonstering en analyse. Dit
                    voorschrift geldt zowel voor de zuurstofbindende stoffen als voor de andere
                    stoffen.</al><al>Volgens artikel 14 kunnen meting, bemonstering en analyse ten aanzien van de
                    andere stoffen in beginsel achterwege blijven bij bedrijfsruimten waarvoor de
                    vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen minder dan
                    1.000 vervuilingseenheden bedraagt. Indien de ambte­naar belast met de heffing
                    echter aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van de andere stof­fen hoger
                    is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 13, dienen meting,
                    bemonstering en analyse plaats te vinden. Dit is geregeld in het eerste lid van
                    artikel 14.</al><al>Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de
                    zuurstofbindende stof­fen meer dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt, geldt het
                    omgekeerde. Ten aanzien van de andere stoffen dient in dat geval meting,
                    bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het be­drijf aannemelijk maakt
                    dat de vervuilingswaarde van die stoffen lager is dan de heffingsvrije grens als
                    bedoeld in artikel 13. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel 14. </al><al/><al> Ter verduidelijking van de artikelen 13 en 14 volgt hierna een voorbeeld.</al><al>Een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan zuurstofbindende stoffen van 900
                    vervuilings­eenheden. Ingevolge artikel 14 wordt het aantal vervuilingseenheden
                    van de overige stoffen in dit geval (minder dan 1.000 vervuilingseenheden) in
                    beginsel op nihil gesteld en behoeft het bedrijf voor die overige stoffen dus
                    niet te bemeten en te bemonsteren. De voor het bedrijf geldende franchise
                    bedraagt in elk geval 900 x 0,0162 = 14,58 vervuilingseenheden. Het waterschap
                    heeft echter aannemelijk gemaakt dat het bedrijf aan zware metalen meer loost
                    dan de berekende 14,58 vervuilingseenheden. Het bedrijf zal dus moeten gaan
                    meten en bemonsteren voor de overige stoffen (niet alleen lood maar in beginsel
                    ook de andere stoffen van dezelfde gewichtsgroep). </al><al>Stel dat daaruit blijkt dat een hoeveelheid van 25 kilogram lood wordt geloosd.
                    Dat komt overeen met een vervuilingswaarde van 25 vervuilings­eenheden. Voor de
                    berekening van de aanslag is daar als gevolg van artikel 13 een aftrek van14,58
                    vervuilingseenheden op van toepassing. De vervuilingswaarde aan zware metalen is
                    dan 25 - 14,58 = 10,52 vervuilingseenheden. In geval naast de aangegeven
                    hoeveelheid lood ook nog vier kilogram zink (vier vervuilingseen­heden) en 300
                    gram arseen (drie vervuilingseenheden) wordt geloosd, geldt het volgende. In dat
                    geval geldt een aftrek van 14,58 voor de stoffen lood en zink samen (per groep)
                    en een aftrek van 2,43 voor arseen (900 x 0,0027). De totale vervuilingswaarde
                    aan zware metalen is dan (29 - 14,58) + (3 -2,43) = 15,09
                    vervuilingseenheden.</al><al>Indien er gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om een drempelwaarde in te
                    stellen en die op 10 is gesteld, dan wordt in dit voorbeeld de aanslag berekend
                    over 900 + 15,09 = 915,09 vervuilingseenheden. Indien de drempelwaarde hoger
                    ligt, dan worden de zware metalen niet in de heffing betrokken.</al><al/><al><vet><cursief>Totale vervuilingswaarde van een
                    bedrijfsruimte</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel 15</onderstreept></al><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 8 t/m 14
                    berekende aantal vervuilings­eenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is on­der meer van belang indien
                    binnen één bedrijfsruimte:</al><lijst><li nr="1."><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;</al></li><li nr="2."><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al></li><li nr="3."><al>voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                            geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                            afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al></li><li nr="4."><al>naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet-zuurstofbindende stoffen
                            worden geloosd die in de heffing worden betrokken (na aftrek van de
                            heffingsvrije grens van niet-zuurstofbindende stoffen).</al></li></lijst><al>De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in decimalen
                    nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden opgeteld,
                    moet worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke totale
                    vervuilingswaarde kan niet worden afgerond vol­gens de gebruikelijke
                    afrondingsregels. Er dient te worden "gekapt". Zo wordt 7,94 uiteindelijk 7,9 op
                    het aanslagbiljet en 20,49 wordt 20,4.</al><al/><al><vet><cursief>Vervuilingswaarde voor kleine bedrijfsruimten</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel 16</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis in artikel 122i, eerste
                    lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                    het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de
                    vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op één
                    vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven
                    met een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel
                    gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                    vervuilingseenheden opgelegd. Dit is mogelijk op grond van de bepaling in
                    artikel 4, eerste lid. Na afloop van het heffingsjaar of, indien dit eerder is
                    bij beëindiging van de heffingsplicht, kan echter blijken dat de
                    vervuilingswaarde één of minder dan één vervuilingseenheid bedraagt.</al><al>Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor
                    ontheffing of vermin­dering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                    het aantal vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de
                    belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervui­lingseenheid gesteld. Het
                    betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de
                    Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                    omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar
                    belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al><al/><al><vet><cursief>Vervuilingswaarde van woonruimten</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel 17</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, Waterschapswet wordt de
                    vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden,
                    met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door één persoon wordt bewoond
                    één vervuilingseenheid bedraagt. Anders dan bij de zuiveringsheffing is het niet
                    mogelijk om bij woonruimten van deze regel af te wijken en de vervuilingswaarde
                    geheel of gedeeltelijk op de geleverde hoeveelheid drinkwater te baseren. De
                    betreffende bepalingen in de Waterschapswet zijn niet van toepassing verklaard
                    op de verontreinigingsheffing. <cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                    recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                    recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd (artikel
                    122h, vijfde lid, Waterschapswet). Samen met de andere voorzieningen op dat
                    terrein worden zij als één bedrijfsruim­te aangemerkt. De exploitant van het
                    terrein is dan de heffingsplichtige.</al><al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het voor
                    dat recreatiewonin­gen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij
                    particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar houden,
                    of de woning via de exploitant verhuren aan wisselende ge­bruikers gedurende de
                    weken dat zij er zelf niet zijn.</al><al/><al>In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37 361, geeft de Hoge Raad aan dat
                    dit onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor de heffingsplicht. Hoewel deze
                    procedure betrekking had op het gebruikersdeel van de
                    onroerende-zaakbelastingen, is zij ook van betekenis voor de
                    verontreinigingsheffing.</al><al>Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is hij de
                    heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing. Bij het
                    vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de woonruimte buiten
                    beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte echter ook via de exploitant aan
                    anderen verhuurd, dan is de heffingsplicht afhankelijk van de vraag op wie het
                    exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een vaste vergoeding ongeacht de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan wordt de woonruimte als onderdeel van de
                    bedrijfsruimte be­schouwd en is de exploitant van het recreatieterrein
                    heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eige­naar krijgt wel afhankelijk van
                    de werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het exploitatierisico bij hem en is
                    hij als heffingsplichtige het gewone woonruimteforfait verschuldigd.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot één.
                    Dit heeft gevol­gen voor de vervuilingswaarde. Het is, analoog aan artikel 4,
                    derde lid, de keuze van het water­schap hoe dit naar tijdsevenredigheid in de
                    aanslag tot uitdrukking komt.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het
                    heffingsjaar wordt op­gelegd, voorziet de verordening in een regeling waardoor
                    aanspraak op vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door middel van een
                    aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, Waterschapswet. Deze moet worden
                    ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft voorgedaan. De
                    vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden
                    verleend.</al><al/><al>Het is ook mogelijk om een peildatum te hanteren en voor het vaststellen van het
                    aantal vervuilingseenheden uit te gaan van het aantal bewoners bij aanvang van
                    de heffingsplicht. Met een afname van het aantal gebruikers van de woonruimte in
                    de loop van het heffingsjaar wordt geen rekening gehouden. Een verhoging van de
                    aanslag bij toename van het aantal gebruikers is evenmin mogelijk. In de
                    wetsgeschiedenis van de wijziging van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                    per 1 januari 1989 is expliciet aangegeven dat het hanteren van een dergelijke
                    peildatum is toegestaan (wetsontwerp 20 435, Memorie van antwoord, blz. 9). Het
                    derde en het vierde lid kunnen dan buiten de verordening blijven, terwijl in het
                    eerste lid moet worden opgenomen dat wordt uitgegaan naar de situatie bij het
                    begin van het heffingsjaar of, indien van toepassing, bij het ontstaan van de
                    heffingsplicht in de loop van het jaar. </al><al/><al><vet><cursief>Schatting</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel 18</onderstreept></al><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is geregeld dat onder bepaalde, in de
                    onderdelen a tot en met d nader omschreven, omstandigheden de vervuilings­waarde
                    kan worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien een
                    bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering en analyse
                    of indien het bedrijf dat doet op een wijze die niet in overstemming is met de
                    in de verordening of meetbeschikking opgeno­men voorschriften.</al><al/><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het lozen vanuit objec­ten
                    waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn opgenomen en waarvoor
                    de hoofdregel van artikel 8 (meting, bemonstering en analyse) niet kan worden
                    toegepast. Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden
                    kunnen zijn op grond waar­van schatting kan plaatsvinden. </al><al/><al><vet><onderstreept>Tarief</onderstreept></vet></al><al><onderstreept>Artikel 19</onderstreept></al><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al><al/><al><vet><onderstreept>Wijze van heffing en termijnen van
                            betaling</onderstreept></vet></al><al><onderstreept>Artikel 20</onderstreept></al><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. <cursief>Eerste
                        lid</cursief></al><al>Ingevolge het eerste lid vindt de heffing plaats bij wege van aanslag. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In afwijking van de wettelijke betalingstermijnen van artikel 9 van de
                    Invorderingswet zijn een belastingaanslag en een eventuele boete invorderbaar in
                    twee termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na dagtekening van het
                    aanslagbiljet en de tweede termijn vervalt twee maanden
                    later.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Volgens artikel 9 van de Invorderingswet zijn de termijnen voor de aanslag en de
                    boete in beginsel gelijk. Het derde lid regelt dat de termijnen voor de boete
                    gelijk zijn aan de betaaltermijnen van de aanslagen. </al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Voor navorderingsaanslagen geldt een betalingstermijn van een maand na de
                    dagtekening </al><al>(artikel 9, tweede lid 2, Invorderingswet). </al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Het vijfde lid voorziet in afwijkende betalingstermijnen indien de
                    heffingsplichtige een machtiging voor automatische incasso heeft afgegeven.
                    Zolang de verschuldigde bedragen door automatische betaling kunnen worden
                    afgeschreven, wordt het aantal betaaltermijnen uitgebreid tot tien. </al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Betaling via automatische incasso is niet mogelijk als het bedrag van de aanslag
                    lager is dan € 80,- of hoger is dan € 2.000,-. De achtergrond van het
                    minimumbedrag is dat de termijnbedragen anders te laag kunnen worden. Sommige
                    banken stellen dit ook als voorwaarde voor automatische incasso. Door een
                    maximumbedrag op te nemen kan een te hoge rentederving worden voorkomen. </al><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Het zevende lid sluit aan bij artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet
                    1990.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 21</onderstreept></al><al>Artikel 21 van de verordening is een weergave van hetgeen in artikel 115a van de
                    Water­schapswet is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt dat een
                    aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven
                    gaat, niet wordt opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de
                    bepaling voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk gerin­ge bedragen moeten
                    worden opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de
                    belasting in deze gevallen immers al snel kunnen overstijgen. Indien meerdere
                    aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het voorgaande voor het
                    totaal van de aanslag. Het belang van deze bepaling blijkt in situaties waarin
                    een belasting­plichtige voor meerdere belastingen een aanslag zou ontvangen.
                    Indien het waterschap de voor deze belastingplichtige bestemde aanslagen op één
                    biljet verenigt, wordt wellicht boven de eerder bedoelde doelmatigheidsdrempel
                    uitgekomen en kan dus wel een aanslag worden opgelegd.</al><al>Elk waterschap is vrij de hoogte van de doelmatigheidsdrempel voor zichzelf te
                    bepalen en in de hef­fingsverordening neer te leggen. Als een voorlopige aanslag
                    is opgelegd moet geheel los van de hoogte van de aanslag nog een definitieve
                    aanslag worden opgelegd. Deze aanslag bepaalt namelijk het uiteindelijk te
                    betalen bedrag en kan worden gezien als een eindafrekening. Deze aanslag kan
                    alleen al om deze reden niet achterwege blijven. </al><al/><al><vet><onderstreept>Nadere regels</onderstreept></vet></al><al><onderstreept>Artikel 22</onderstreept></al><al>Artikel 22 is in de verordening opgenomen om expliciet aan de belastingplichtige
                    kenbaar te maken dat ook het Dagelijks Bestuur regels kan stellen met betrekking
                    tot de heffing en de invordering van de verontreinigingsheffing</al><al/><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                    (Stb. 1997, 510 en 580) ko­men de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld aan de Minister van
                    Financiën vanaf 1 januari 1998 toe aan het Dagelijks Bestuur van het waterschap
                    (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor die datum
                    kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het Algemeen Bestuur van het
                    waterschap. Het betreft het stellen van nadere regels ten aanzien van de
                    volgende bevoegdhe­den:</al><al>- de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;</al><lijst><li nr="1."><al>de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al></li><li nr="2."><al>het berekenen van invorderingsrente.</al></li></lijst><al/><al>Daarenboven heeft het Dagelijks Bestuur op grond van artikel 4:81 van de
                    Algemene wet bestuursrecht ook de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen.
                    Artikel 10:22 geeft het Dagelijks Bestuur verder de bevoegdheid om per geval of
                    in het algemeen instructies te geven ter zake van de uitoefening van de
                    toegedeelde bevoegdheid. </al><al/><al><vet><onderstreept>Inwerkingtreding en citeertitel</onderstreept></vet></al><al><onderstreept>Artikel 23</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van
                    de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft echter gelden
                    voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die
                    feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op basis van de oude
                    verordening.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van
                    het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden
                    dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt daarom ook voor
                    belastingverordeningen. De bekendgemaakte besluiten treden conform artikel 74
                    van de Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van de
                    bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is
                    aangewezen.</al><al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van het
                    tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met de
                    heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is slechts
                    mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de heffing wordt
                    genoemd. Zie voor laatstgenoemd tijdstip de toelichting op het derde lid van
                    artikel 23.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen die
                    in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de
                    heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding,
                    maar dit is niet beslist noodzakelijk. In de toelichting op het tweede lid is
                    uiteengezet dat het niet nodig is dat het tijdstip van inwerkingtreding in de
                    verordening wordt vermeld, omdat bij gebreke daarvan die verordening automatisch
                    in werking treedt acht dagen na haar bekendmaking. </al><al>Het tijdstip van ingang van de heffing is wel essentieel, omdat daarmee
                    duidelijk wordt op welk moment de nieuwe financiële verplichtingen die aan de
                    burgers worden opgelegd, een aanvang nemen. </al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Als gevolg van het vierde lid van het onderhavige artikel 23 wordt de
                    verordening voorzien van een citeertitel.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Waterschap Aa en Maas/i235865.pdf">Bijlage I</extref></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel> Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 7.3b, vijfde lid, Waterwet,
                        juncto artikel 122k, derde lid, Waterschapswet)</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Waterschap Aa en Maas/i235866.pdf">Bijlage II</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>