<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR321651_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Maatschappelijke Participatieregeling</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-02-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-01-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Maatschappelijke Participatieregeling</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Gemeente Achtkarspelen</al><al><vet>Verordening </vet><vet>M</vet><vet>aatschappelijke
                    </vet><vet>P</vet><vet>articipatie</vet><vet>regeling</vet></al><al><vet>Dienst Werk en Inkomen “De Wâlden</vet><vet>”</vet></al><al><vet>Januari
                        201</vet><vet>4</vet></al><al><vet>Gemeente Achtkarspelen</vet></al><al>de Raad van de gemeente Achtkarspelen;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 108 en artikel 149 van de Gemeentewet
                        en artikel 8, lid 1, sub g en artikel 35, lid 5 van de Wet Werk en
                        Bijstand,</al><al>overwegende dat het wenselijk is financiële belemmeringen voor deelname
                        aan maatschappelijke activiteiten op het gebied van sportieve,
                        sociaal-culturele en educatieve activiteiten te verminderen of zoveel
                        mogelijk op te heffen, met name voor kinderen die onderwijs of een
                        beroepsopleiding volgen;</al><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen: </al><al><vet>de </vet><vet>verordening </vet><vet>Maatschappelijke
                        Participatie</vet><vet>regeling</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de WWB</vet>: de Wet Werk en Bijstand;</al></li><li nr="b."><al><vet>de belanghebbende</vet>: degene wiens belang rechtstreeks
                                    bij een besluit is betrokken (Algemene Wet Bestuursrecht) en
                                    welke in deze verordening ook wordt aangeduid met “hij” en “hem”
                                    en welke in de categorie aanduiding in artikel 2 nader is
                                    omschreven;</al></li><li nr="c."><al><vet>de</vet><vet> maatschappelijke participatie</vet>: het zo
                                    mogelijk in groepsverband deelnemen aan activiteiten van
                                    sportieve, sociaal-culturele of educatieve aard zoals bedoeld in
                                    artikel 3 van deze verordening.</al></li><li nr="d."><al><vet>de tegemoetkoming</vet>: de bijdrage die op grond van
                                    artikel 108 en artikel 149 van de Gemeentewet verstrekt kan
                                    worden, bedoeld in hoofdstuk 2 van deze verordening;</al></li><li nr="e."><al><vet>de categoriale bijzondere bijstand</vet>: de bijstand die
                                    op grond van artikel 35, lid 5 verstrekt kan worden, bedoeld in
                                    hoofdstuk 3 van deze verordening;</al></li><li nr="f."><al><vet>Stichting Leergeld</vet>: de landelijke organisatie die met
                                    behulp van vrijwilligers binnen lokale vestigingen
                                    verstrekkingen in natura op het gebied van onderwijs, sport,
                                    cultuur en welzijn geeft ten behoeve van kinderen van 4 tot 18
                                    jaar uit gezinnen met een laag inkomen met het doel kinderen te
                                    kunnen laten meedoen;</al></li><li nr="g."><al><vet>het toetsinkomen</vet>: een inkomen als bedoeld in artikel
                                    31 en 32 van de WWB, alsmede een uitkering voor de kosten van
                                    levensonderhoud als bedoeld in artikel 7, lid 1, sub b van de
                                    WWB, dat over de voorgaande onafgebroken drie jaar voor de
                                    peildatum niet meer heeft bedragen dan 110% van de voor
                                    belanghebbende van toepassing zijnde norm, inclusief (eventuele)
                                    toeslag of verlaging als bedoeld in artikel 21 en paragraaf 3.3
                                    van de WWB.</al><al>Voor de beoordeling van het inkomen in het kader van artikel 32 is
                            onderdeel b van het eerste lid van dat artikel niet van toepassing; </al></li><li nr="h."><al><vet>het vermogen</vet>: het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            WWB;</al></li><li nr="i."><al><vet>de peildatum</vet>: de eerste van de maand
                            waarin de aanvraag in ingediend;</al></li><li nr="j."><al><vet>het college</vet>: het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Achtkarspelen;</al></li><li nr="k."><al><vet>de gemeenteraad</vet>: de gemeenteraad van de gemeente
                                    Achtkarspelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Voor belanghebbenden aan, of ten behoeve van wie een tegemoetkoming voor
                            deelname maatschappelijke participatie danwel categoriale bijzondere
                            bijstand kan worden verleend geldt een categorie-aanduiding. De
                            categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon jonger dan 4 jaar en ouder dan 18 jaar (tegemoetkoming maatschappelijke 
                            participatie op basis van artikel 108 en artikel 149 van de Gemeentewet);</al></li><li nr="b."><al>het ten laste komende kind dat onderwijs of een beroepsopleiding volgt
                            (categoriale bijstand op basis van artikel 35, lid 5 van de Wet Werk
                            en Bijstand).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatschappelijke participatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Maatschappelijk participatie is het zo mogelijk in groepsverband
                            deelnemen aan activiteiten van sportieve, sociaal-culturele of
                            educatieve aard met als doel sociale uitsluiting tegen te gaan voor
                            pers.</al><al>Onder kosten van maatschappelijke participatie worden in ieder geval
                            verstaan de in Nederland gemaakte of te maken kosten van:</al><lijst><li nr="a."><al>lidmaatschap van verenigingen op het gebied van sport, cultuur
                                    of ontspanning, alsmede bijkomende kosten die direct verband
                                    houden met dit lidmaatschap;</al></li><li nr="b."><al>lidmaatschap van een volkstuinvereniging, alsmede bijkomende
                                    kosten die direct verband houden met dit lidmaatschap;</al></li><li nr="c."><al>internetabonnement,
                            abonnement krant of kabel TV;</al></li><li nr="d."><al>lidmaatschap van een ouderenvereniging;</al></li><li nr="e."><al>bijdrage peuterspeelzaal;</al></li><li nr="f."><al>abonnement bibliotheek;</al></li><li nr="g."><al>muzieklessen en huur van een muziekinstrument;</al></li><li nr="h."><al>zwembadbezoek;</al></li><li nr="i."><al>museumbezoek;</al></li><li nr="j."><al>volgen van cursussen, niet zijnde beroepsgerichte
                                    cursussen;</al></li><li nr="k."><al>overige kosten welke naar het oordeel van het college bijdragen
                                    aan maatschappelijke participatie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij een eventueel verlenen van individuele bijzondere
                                            bijstand voor deze kosten houdt het college rekening met
                                            de ontvangen tegemoetkoming voor deze kosten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Personen jonger dan 4 jaar en ouder dan 18 jaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tegemoetkoming kosten maatschappelijke participatie</titel></kop><al>Het college verstrekt op aanvraag een tegemoetkoming aan een
                            belanghebbende van 18 jaar en ouder voor de kosten van maatschappelijke participatie die hij
                            ten behoeve van zichzelf en zijn ten laste komend kind jonger dan 4 jaar en zijn
                            inwonend meerderjarig kind dat 18 jaar of ouder is maakt of wil maken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het ten laste komende kind van 4 tot 18 jaar dat onderwijs of een
                            beroepsopleiding volgt</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Categoriale bijzondere bijstand</titel></kop><al>Het college heeft de verstrekkingen in het kader van de categoriale
                            bijstand (op basis van artikel 35, lid 5 WWB) ten behoeve van ten laste
                            komende kinderen van 4 tot 18 jaar die onderwijs of een beroepsopleiding
                            volgen, overgedragen aan Stichting Leergeld, die door middel van in
                            natura verstrekkingen activiteiten voor kinderen op het gebied van
                            onderwijs, sport, cultuur of welzijn mogelijk maakt. Toetsing aan de
                            toelatingscriteria gebeurt door Stichting Leergeld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Aanvraag en onderzoek, hoogte van de tegemoetkoming, betaling en terugvordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aanvraag en onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een tegemoetkoming Maatschappelijke Participatie
                                voor personen van 18 jaar en ouder wordt schriftelijk ingediend.
                                Indien belanghebbende telefonisch aanvraagt, wordt de aanvraag op
                                schrift gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag kan uiterlijk op 30 november van ieder jaar worden
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een ander inkomen heeft dan een
                                WWB-uitkering moeten door hem bewijsstukken van het inkomen en het
                                vermogen worden overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan de belanghebbende vragen aanvullende bewijsstukken
                                te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanvraag ten behoeve van het ten laste komende kind van 4 tot 18
                                jaar dat onderwijs of een beroepsopleiding volgt moet gebeuren via
                                de website www.leergeld.nl.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Hoogte van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming heeft betrekking op een kalenderjaar. De
                            tegemoetkoming bedraagt per kalenderjaar:</al><al>€ 92,00 (prijspeil 1-1-2014) ten behoeve van de belanghebbende en het
                            ten laste komende kind jonger dan 4 jaar en het inwonende meerderjarige kind die
                            18 jaar of ouder is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde bedragen worden jaarlijks op 1 januari
                            geïndexeerd met het cijfer van de consumentenprijsindex (CPI) over het
                            voorgaande kalenderjaar, afgerond naar boven op hele euro’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Betaling van de tegemoetkoming vindt plaats op een bankrekening ten
                                name van de belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Betaling van de tegemoetkoming vindt plaats zo snel mogelijk na de
                                toekenning van de tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende
                                niet in staat is tot een verantwoorde besteding van de
                                tegemoetkoming kan het college de tegemoetkoming geheel of
                                gedeeltelijk aan derden of in natura betalen. Het college kan de
                                tegemoetkoming ook op verzoek van de belanghebbenden geheel of
                                gedeeltelijk aan derden betalen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verantwoording en terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de belanghebbende na afloop van het kalenderjaar
                                vragen om de besteding van de ontvangen tegemoetkoming aan te tonen.
                                Hij dient hiertoe tot 1 april van het jaar volgend op het jaar
                                waarop de tegemoetkoming betrekking heeft betalingsbewijzen te
                                bewaren en deze op verzoek aan het college te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de belanghebbende de besteding van de ontvangen tegemoetkoming
                                naar het oordeel van het college niet of niet volledig aantoont kan
                                het college het niet verantwoorde deel van de tegemoetkoming
                                terugvorderen. Hierbij zijn de bepalingen van paragraaf 6.4 van de
                                Wet Werk en Bijstand van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Uitvoering en bevoegdheid college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze Verordening kan worden aangehaald als: Verordening Maatschappelijke
                            Participatieregeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2014.</al></li><li nr="2."><al>De Verordening Maatschappelijke Participatie, van kracht vanaf 1
                                    januari 2013, wordt gelijktijdig ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Achtkarspelen op </ondertekening><ondertekening>De Raden voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de Raadsgriffier, de Voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. R. van der Heide G. Gerbrandy</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening Maatschappelijke Participatieregeling</titel></kop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>Sinds januari 2012 bestaat een Maatschappelijke Participatieregeling als vervolg
                    op de oorspronkelijke Lauwerspas. De regeling stelt mensen van 18 jaar en ouder
                    met een minimuminkomen door middel van een jaarlijkse bijdrage in staat om mee
                    te kunnen doen aan activiteiten die liggen op het gebied van sport, cultuur,
                    sociale activiteiten en educatie. </al><al>Voor het vastleggen van het beleid hieromtrent is gekozen voor de wettelijke
                    basis uit de Gemeentewet, te weten artikel 108, die gemeenten de bevoegdheid
                    geeft om regels te stellen en artikel 149, waarin gemeenten de bevoegheid
                    krijgen om regels in verordeningen vast te stellen. </al><al>Vandaar dat de Maatschappelijke Participatieregeling in deze verordening is
                    opgenomen.</al><al>Daarnaast is op basis van de wettelijke verordeningsverplichting die geldt ten
                    aanzien van de categoriale bijzondere bijstandsverstrekking aan schoolgaande
                    kinderen (uit gezinnen met een laag inkomen) van 4 tot 18 jaar, teneinde de
                    maatschappelijke participatie van deze groep te stimuleren besloten om ook deze
                    mogelijkheden in deze verordening op te nemen. Aanvankelijk bestond de
                    categoriale bijzondere bijstandsvertrekking aan de laatstgenoemde groep
                    schoolgaande kinderen eveneens uit een financiële verstrekking (aan de
                    onderhoudsplichtige ouders), welke besteed kon worden aan de kosten van het
                    deelnemen aan een activiteit op het gebied van sport, cultuur, sociale
                    activiteiten en educatie. </al><al> Met de opkomst van Stichting Leergeld, dat op een duurzame manier wil
                    investeren in de participatie en ontwikkeling van kinderen, die zonder extra
                    steun aan de zijlijn van de samenleving terecht dreigen te komen, is bij de
                    gemeente het besef ontstaan dat voor een bredere aanpak van dit fenomeen en een
                    effectievere stimulering van de maatschappelijke participatie van kinderen uit
                    gezinnen met een laag inkomen beter hierbij aangesloten kan worden. Leergeld
                    heeft namelijk als missie het voorkomen van sociale uitsluiting van kinderen uit
                    gezinnen met minimale financiële middelen. Leergeld biedt kansen aan kinderen in
                    de leeftijd van 4 tot 18 jaar om te kunnen deelnemen aan binnen- en
                    buitenschoolse activiteiten. Hierdoor kunnen ook deze kinderen hun sociale
                    vaardigheden en kennis zo optimaal mogelijk ontwikkelen en later als volwassenen
                    volwaardig participeren in de samenleving. Door deze kinderen niet buiten te
                    sluiten, wordt bovendien voorkomen dat de maatschappij er later duur "leergeld"
                    voor gaat betalen. Het motto van Leergeld is: <vet>Alle kinderen mogen meedoen,
                        want nu meedoen is straks meetellen</vet>. Doordat Stichting Leergeld ook
                    andere financieringsbronnen weet aan te boren, zijn over het algemeen hogere
                    vergoedingen mogelijk, terwijl daarnaast sprake is van een meer gerichte aanpak.
                    Voorts geeft Stichting Leergeld geen geld maar doet het de verstrekkingen in
                    natura, waardoor het 100% zeker is dat de verstrekking bij het desbetreffende
                    kind terecht komt. </al><tussenkop>Toelichting per artikel</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><al>Ten aanzien van de begrippen die in de verordening worden gebruikt is
                    aansluiting gezocht bij wettelijke omschrijvingen. Voorts is aan aanvullende,
                    voor de uitvoering van de Wet Werk en Bijstand, belangrijke begrippen een eigen
                    omschrijving gegeven. </al><al>a.<vet>de WWB</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>b.<vet>de belanghebbende</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>c.<vet>de</vet><vet> maatschappelijke participatie</vet>:</al><al>In deze beschrijving is aangegeven wat wettelijk gezien onder dit begrip mag
                    vallen.</al><al>d.<vet>de tegemoetkoming</vet>ene. <vet>de categoriale bijzondere
                        bijstand</vet>:</al><al>Duidelijk is aangegeven dat er ten aanzien van de twee te onderscheiden
                    doelgroepen een verschil bestaat.</al><al>f.<vet>het toetsinkomen</vet>:</al><al>Voor deze omschrijving is gekozen om duidelijk aan te geven dat belanghebbenden
                    ook met een ander inkomen dan een WWB-uitkering in aanmerking kunnen komen. Wel
                    is ingebouwd dat dit inkomen in ieder geval enige tijd (3 jaar direct
                    voorafgaand aan de peildatum) beneden 110% van het toepasselijke normbedrag moet
                    hebben gelegen. De reden hiervoor is dat er wel gesproken moet kunnen worden van
                    burgers die als gevolg van een laag inkomen in hun maatschappelijke participatie
                    worden bedreigd. Van iemand die vorige maand werkloos is geworden en sedertdien
                    een laag inkomen heeft (en wellicht zelfs beschikt over enige reserves) kan niet
                    worden gezegd dat er al sprake is van het gevaar van sociale uitsluiting, etc.
                    Overigens geldt deze toets niet voor de verstrekkingen op het gebied van
                    onderwijs, sport, cultuur of welzijn die Stichting Leergeld ten behoeve van
                    kinderen van 4 tot 18 jaar verzorgt. Stichting Leergeld maakt eigen
                    afwegingen.</al><al>g.<vet>het vermogen</vet>:</al><al>Deze omschrijving is opgenomen om aan te geven dat het wenselijk is om, in
                    tegenstelling tot wat in het kader van de Lauwerspas gebruikelijk was, bij de
                    vaststelling van het recht op een tegemoetkoming ook het vermogen in ogenschouw
                    te nemen. Anders zou het kunnen dat een vermogend iemand, met toevallig een laag
                    inkomen, recht zou hebben op een tegemoetkoming. Overigens geldt deze toets niet
                    voor de verstrekkingen op het gebied van onderwijs, sport, cultuur of welzijn
                    die Stichting Leergeld ten behoeve van kinderen van 4 tot 18 jaar verzorgt.
                    Stichting Leergeld maakt eigen afwegingen.</al><al>h<vet>. </vet><vet>de peildatum</vet>:</al><al>Deze omschrijving moet worden gezien in relatie tot het gestelde bij het
                    toetsinkomen. </al><al>i.<vet>het college</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>j.<vet>de gemeenteraad</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>De categorie-indeling is gebaseerd op de doelgroepen die met deze verordening
                    moeten worden bediend. Nogmaals wordt hier het onderscheid gemaakt in enerzijds
                    burgers die op basis van het gemeentelijk minimabeleid een tegemoetkoming kunnen
                    krijgen en anderzijds ten laste komende kinderen die onderwijs of een
                    beroepsopleiding volgen en die op basis van de Wet Werk en Bijstand categoriale
                    bijstand kunnen krijgen. </al><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al>Maatschappelijke participatie betekent mee (kunnen) doen in de maatschappij.
                    Voorkomen moet worden dat burgers door financiële beperkingen in een sociaal
                    isolement geraken.</al><al>In dit artikel staan de kosten die in aanmerking komen voor een bijdrage. Kosten
                    kunnen uitsluitend worden vergoed voor activiteiten die in Nederland
                    plaatsvinden (in verband met het in de WWB opgenomen territorialiteitsbeginsel).
                    Er is gekozen voor een algemene beschrijving van de kosten. Op deze wijze wordt
                    de discussie of bepaalde kosten wel of niet uit de tegemoetkoming voldaan kunnen
                    worden zoveel mogelijk beperkt. De ontvangers van de tegemoetkoming hebben
                    hierdoor een zekere vrijheid in de besteding van de tegemoetkoming waarbij dit
                    tevens leidt tot lagere uitvoeringskosten voor de gemeente.</al><al>Nieuw voor de gemeente Achtkarspelen is de tegemoetkoming voor het lidmaatschap
                    voor een volkstuinvereniging. Opneming van deze mogelijkheid heeft niet alleen
                    een sociale reden, maar zou ook kunnen leiden tot het niet afhankelijk worden
                    van voorzieningen als voedselbanken, en dergelijke.</al><al>Het volgen van beroepsgerichte cursussen worden niet vergoed op basis van de
                    regeling maatschappelijke activiteiten. Als er een noodzaak is voor het volgen
                    van een beroepsgerichte cursus kan immers een beroep worden gedaan op het
                    Participatiebudget. Dit geldt zowel voor niet-uitkeringsgerechtigden als voor
                    bijstandscliënten. Daarom kan alleen een vergoeding worden verstrekt voor niet
                    beroepsgerichte cursussen, zoals hobby-cursussen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Categoriale bijzondere bijstand is geen vergoeding van daadwerkelijk te maken
                    kosten, maar een tegemoetkoming daarin. De werkelijke kosten kunnen hoger
                    liggen. Als voor de kosten waar deze verordening op ziet op individuele gronden
                    bijzondere bijstand wordt aangevraagd houdt het college bij het beoordelen van
                    het recht op bijstand en het vaststellen van de hoogte daarvan rekening met een
                    op basis van deze verordening ontvangen tegemoetkoming. Hiervan kan bijvoorbeeld
                    sprake zijn van noodzakelijk bezoek van een kind aan een peuterspeelzaal op
                    grond van medische of sociale redenen.</al><tussenkop>Artikel 4 </tussenkop><al>Uit deze omschrijving wordt nogmaals duidelijk wie rechthebbenden kunnen zijn
                    voor een tegemoetkoming in het kader van de maatschappelijke participatie. </al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de mogelijkheid van het verlenen van categoriale
                    bijzondere bijstand verlenen aan ouders van ten laste komende kinderen die
                    onderwijs of een beroepsopleiding volgen (art 35, lid 5 WWB) is overgedragen aan
                    Stichting Leergeld. </al><tussenkop>Artikel 6 </tussenkop><al>Een aanvraag moet uiterlijk op 30 november zijn ingediend. Als deze dag op een
                    zaterdag of zondag valt moet de aanvraag uiterlijk op de eerstvolgende werkdag
                    door het college zijn ontvangen (artikel 1, eerste lid Algemene
                    Termijnenwet).</al><al>Bij de aanvraag hoeft de belanghebbende, als hij geen WWB-uitkering van de
                    gemeente ontvangt, zich in principe alleen te identificeren en bewijsstukken van
                    zijn gezinsinkomen over te leggen. Hiermee wordt de administratieve last voor
                    zowel de burger als de gemeenten tot een minimum beperkt. In voorkomende
                    gevallen kan het college gemotiveerd om aanvullende bewijsstukken vragen.</al><tussenkop>Artikel 7 </tussenkop><al>In dit artikel ligt de hoogte van de verstrekking vast.</al><al>De hoogte van de tegemoetkoming wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd met
                    het cijfer van de consumentenprijsindex (CPI) over het voorgaande jaar zoals die
                    door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt bekendgemaakt.</al><tussenkop>Artikel 8 </tussenkop><al>De tegemoetkoming wordt ineens uitbetaald. </al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Uitgangspunt is dat de aanvrager de tegemoetkoming besteedt aan het doel
                    waarvoor hij deze ontvangen heeft, namelijk maatschappelijke participatie van
                    zichzelf en zijn gezinsleden. Het college gaat uit van vertrouwen, maar
                    controleert na afloop van het kalenderjaar steekproefsgewijs een aantal
                    verstrekkingen. De aanvrager zal daarom tot en met drie maanden na afloop van
                    het kalenderjaar op verzoek van het college bewijsstukken van de besteding van
                    de tegemoetkoming moeten kunnen overleggen. Het college bepaalt de omvang van
                    deze steekproef.</al><al>Wanneer de aanvrager de besteding niet of niet volledig aan kan tonen vordert
                    het college het niet verantwoorde deel van de tegemoetkoming terug. Als er
                    sprake is van categoriale bijzondere bijstand zijn de terugvorderingsbepalingen
                    van de Wet werk en bijstand van overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop>Artikel 10 </tussenkop><al>De uitvoering van deze verordening ligt bij het college. De verordening kent een
                    hardheidsclausule op grond waarvan het college van de bepalingen van deze
                    verordening kan afwijken als toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van
                    zwaarwegende aard. In gevallen waarin de verordening niet voorziet neemt het
                    college een besluit, waarbij zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij
                    vergelijkbare situaties met inachtneming van de individuele omstandigheden van
                    de ingezetene of het huishouden.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>