<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR321411_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wmo Verstrekkingen Gemeente Rijnwaarden 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Rijnwaarden</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-02-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP, 24.01.2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wmo Verstrekkingen Gemeente Rijnwaarden 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013.5953</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wmo Verstrekkingen Gemeente Rijnwaarden 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen.</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Verordening</vet><vet>Wmo
                                Verstrekkingen</vet><vet>Gemeente
                                </vet><vet>R</vet><vet>ijnwaarden</vet><vet>2013</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo);</al></li><li nr="b."><al>Compensatieplicht: De plicht van het College aan personen
                                        met een beperking, een chronisch psychisch of een
                                        psychosociaal probleem voorzieningen te bieden ter
                                        compensatie van hun beperkingen op het gebied van
                                        zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde
                                        hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te
                                        verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen
                                        per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis
                                        daarvan sociale verbanden aan te gaan. Daarbij legt artikel
                                        4 van de wet het College de plicht op om een resultaat te
                                        bereiken dat als compensatie mag gelden en dat in het
                                        individuele geval maatwerk is;</al></li><li nr="c."><al>Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het
                                        uitvoeren van activiteiten;</al></li><li nr="d."><al>Persoon met beperkingen: een persoon die op basis van
                                        beperkingen problemen ondervindt bij het uitvoeren van
                                        activiteiten bij het voeren van het huishouden, bij het
                                        normale gebruik van de woning; bij het zich verplaatsen in
                                        en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op
                                        basis daarvan aangaan van sociale verbanden;</al></li><li nr="e."><al>Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als
                                        bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b. van de wet.;</al></li><li nr="f."><al>Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk
                                        of financiële vermogen om deel te nemen aan het normale
                                        maatschappelijke verkeer;</al></li><li nr="g."><al>Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                        maatschappelijke verkeer, te weten: het voeren van een
                                        huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in
                                        en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen
                                        dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale
                                        en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere
                                        mensen en het aangaan en onderhouden van sociale
                                            verbanden<vet>;</vet></al></li><li nr="h."><al>Algemene voorziening: een voorziening die:</al><lijst><li nr="-"><al>regulier in de handel verkrijgbaar is;</al></li><li nr="-"><al>niet uitsluitend bedoeld is voor mensen met een
                                                beperking;</al></li><li nr="-"><al>wordt geleverd op basis van directe
                                                beschikbaarheid;</al></li><li nr="-"><al>niet aanzienlijk duurder is dan vergelijkbare
                                                producten met hetzelfde doel;</al></li><li nr="-"><al>een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt
                                                voor de beperkingen die een persoon ondervindt in
                                                zijn maatschappelijke participatie. De algemene
                                                voorziening wordt niet door de gemeente beheerd of
                                                verstrekt en is eveneens toegankelijk voor personen
                                                zonder beperkingen in hun maatschappelijke
                                                participatie.</al></li></lijst></li><li nr="i."><al>Individuele voorziening: een voorziening die individueel
                                        wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen
                                        adequate oplossing biedt;</al></li><li nr="j."><al>Collectieve voorziening: een voorziening die individueel
                                        wordt toegekend maar die door meerdere mensen gelijktijdig
                                        dan wel achtereenvolgend te gebruiken is.</al></li><li nr="k."><al>Eigen bijdrage in de kosten: een door het college van
                                        burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage, die bij
                                        de verstrekking van een voorziening in natura of een
                                        persoonsgebonden budget betaald moet worden en waarop de
                                        regels van het Besluit Wmo Individuele Verstrekkingen
                                        gemeente Rijnwaarden van toepassing zijn;</al></li><li nr="l."><al>Voorziening in natura: een voorziening die in de vorm van
                                        dienstverlening of een goed, te leen of in eigendom wordt
                                        verstrekt;</al></li><li nr="m."><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de cliënt
                                        een of meer aan hem te verlenen individuele voorzieningen
                                        kan verwerven en waarop de regels in deze verordening en het
                                        Besluit Wmo Individuele Verstrekkingen van toepassing
                                        zijn;</al></li><li nr="n."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten
                                        van een individuele voorziening welke wordt afgestemd op het
                                        inkomen van de cliënt en waarop geen eigen bijdrage wordt
                                        geïnd;</al></li><li nr="o."><al>Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen
                                        tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een
                                        persoon als de cliënt behorend; Het gaat daarbij om
                                        voorzieningen:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                                hetzelfde doel.</al><lijst><li nr="p."><al>Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te
                                        verlenen voorziening, voor zover dit deel van de kosten
                                        uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te
                                        beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="q."><al>Leefeenheid: alle personen die blijkens het GBA met elkaar
                                        op hetzelfde adres wonen en blijk geven van het dragen van
                                        zorg voor elkaar;</al></li><li nr="r."><al>Budgethouder: een persoonaan wie ingevolge deze verordening
                                        een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het
                                        college verantwoording over de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget verschuldigd is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet en
                                de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van
                                        (zelfstandig) wonen en leven, het verplaatsen in en om de
                                        woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij
                                        het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale
                                        verbanden aangaan op te heffen of te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        compenserende voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de cliënt
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon voor wie wordt aangevraagd niet woonachtig
                                        is in de gemeente Rijnwaarden;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de persoon gebruik kan maken van een algemene of
                                        voorliggende voorziening en daarmee de ervaren belemmeringen
                                        in het zelfstandig wonen en maatschappelijke participatie
                                        kunnen worden opgelost.</al></li><li nr="d."><al>voor zover een woonvoorziening betrekking heeft op een hoger
                                        niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li><li nr="e."><al>voor zover de vraag voor het treffen van individuele
                                        voorzieningen van toepassing is op hotels/pensions,
                                        trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
                                        vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur,
                                        kostganger en specifiek op woongebouwen gericht op
                                        gehandicapten en ouderen;</al></li><li nr="f."><al>voor zover er aan de zijde van de vrager geen sprake is van
                                        aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor
                                        compensatie wordt gevraagd;</al></li><li nr="g."><al>voor zover de vraag betrekking heeft op kosten die de
                                        persoon voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt en het niet meer te achterhalen is of een
                                        voorziening noodzakelijk, adequaat en passend is om de
                                        ervaren belemmeringen in de oude situatie op te heffen of te
                                        verminderen;</al></li><li nr="h."><al>indien er al eerder een voorziening is getroffen, waarover
                                        de persoon kan beschikken en die op het moment van de
                                        hernieuwde vraag nog steeds als goedkoopst compenserende
                                        voorziening wordt aangemerkt. In geval van verwijtbare
                                        teloorgang van de voorziening kan het college besluiten geen
                                        nieuwe voorziening te verstrekken</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de gevraagde
                                voorziening op grond van het bepaalde in artikel 2 lid 2 onder g te
                                weigeren, wanneer zij uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven tot
                                het maken van de kosten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Voorzieningen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verstrekkingvormen van voorzieningen.</titel></kop><al>De door het college te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een voorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    voorziening;</al></li><li nr="c.."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Primaat van de algemene voorziening.</titel></kop><al>1.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g en onderdeel
                            4, 5 en 6 van de</al><al>Wet kan voor de in artikel 8 onder a. vermelde voorziening in aanmerking
                            worden gebracht indien aantoonbare beperkingen aanwezig zijn op het
                            gebied van het (zelfstandig) wonen en leven of bij het verplaatsen
                            binnen of buiten de woning of het lokaal verplaatsen dan wel bij het
                            kunnen aangaan van en onderhouden van sociale contacten.. </al><al>2.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de Wmo kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 8 onder
                            b, c en d in aanmerking worden gebracht wanneer de in het eerste lid
                            genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een snelle en adequate
                            oplossing leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Algemeen gebruikelijke voorzieningen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>normaal in de handel verkrijgbaar is; en</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>naar geldende maatschappelijke normen past binnen het normale
                                bestedingspatroon van de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in artikel 4 komt een persoon als
                                bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de
                                Wmo niet in aanmerking voor een voorziening als tot de leefeenheid
                                waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren
                                die in staat zijn de beperkingen op te heffen of te
                                verminderen.</al><al> .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Soorten Voorzieningen.</titel></kop><al>Deze voorzieningen zijn op te delen in twee soorten, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen in de vorm van een eenmalige of terugkerende
                                    dienstverlening;</al></li><li nr="2."><al>Voorzieningen in de vorm van een eenmalig te leveren goed.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Terugbetaling.</titel></kop><al>De cliënt, die krachtens deze verordening een voorziening in eigendom
                            heeft ontvangen, moet de restwaarde na verkoop terug betalen aan de
                            gemeente. Ten behoeve van het bepalen van de restwaarde wordt bij
                            verstrekking de waarde van de voorziening aangegeven op het moment van
                            de verstrekking en het aantal termijnen dat resteert voordat de
                            voorziening geheel is afgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Keuzevrijheid.</titel></kop><al>Een voorziening kan verstrekt worden in natura, in de vorm van een
                            financiële tegemoetkoming of als een persoonsgebonden budget. Het
                            college stelt regels vast omtrent het bieden van keuzevrijheid voor de
                            verstrekkingvorm in het Besluit Wmo gemeente Rijnwaarden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Voorziening in natura.</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is een
                            gebruiksovereenkomst tussen de gemeente en de cliënt van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Financiële tegemoetkoming.</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals deze zijn vastgelegd in het Besluit Wmo
                            Individuele Verstrekkingen gemeente Rijnwaarden in de beschikking
                            opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonsgebonden budget.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de
                                    wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt voor
                                            individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is afgeleid
                                            van de tegenwaarde van de in de betreffende situatie
                                            goedkoopst compenserende te verstrekken voorziening in
                                            natura;</al></li><li nr="c."><al>het persoonsgebonden budget wordt, indien nodig,
                                            aangevuld met een financiële tegemoetkoming voor
                                            aanvullende of instandhoudingskosten, zoals vastgesteld
                                            in het Besluit Wmo Verstrekkingen van de gemeente
                                            Rijnwaarden;</al></li><li nr="d."><al>het college stelt nadere regels op voor de wijze van
                                            vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden
                                            budget in het Besluit Wmo Verstrekkingen van de gemeente
                                            Rijnwaarden;</al></li><li nr="e."><al>op het persoonsgebonden budget is de Overeenkomst
                                            persoonsgebonden budget van de gemeente Rijnwaarden van
                                            toepassing.</al></li><li nr="f."><al>een persoonsgebonden budget wordt niet verstrekt voor
                                            woningaanpassingen voor aard- en nagelvaste
                                            voorzieningen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget,
                                    het ermee te bereiken resultaat, de omvang en de looptijd ervan
                                    worden bij beschikking vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt
                                    waarin staat aan welke eisen de met het persoonsgebonden budget
                                    te verwerven voorziening dient te voldoen.</al></li><li nr="4."><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden
                                    budget ter beschikking gesteld door overmaking op de rekening
                                    van de cliënt.</al></li><li nr="5."><al>Na aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden
                                    budget verstrekt is, dan wel na afloop van de periode waarop het
                                    persoonsgebonden budget van toepassing is, wordt aan het college
                                    door de budgethouder, voor zover van toepassing, verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een betalingsbewijs van de aangeschafte
                                            voorziening;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht van de salarisadministratie;</al></li></lijst></li></lijst><al>conform de voorschriften zoals deze in het Besluit Wmo Verstrekkingen
                            gemeente Rijnwaarden zijn opgenomen.</al><al>. Indien daartoe op basis van de verantwoording aanleiding ontstaat, zal
                            het college overgaan tot het geheel of gedeeltelijk terugvorderen of
                            verrekenen van het persoonsgebonden budget. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Eigen bijdragen.</titel></kop><al>Bij het verstrekken van voorzieningen (met uitzondering van
                            rolstoelvoorzieningen) legt het college een te betalen eigen bijdrage
                            op. Het college legt in het Besluit financiële tegemoetkoming Wmo
                            Verstrekkingen van de gemeente Rijnwaarden de omvang van deze eigen
                            bijdrage vast en voor welke voorziening(en) dit geldt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Gebruik aanmeldingsformulier.</titel></kop><al>Een cliënt maakt gebruik van een door het college hiervoor vastgesteld
                            meldingsformulier om de ondervonden belemmeringen bij de gemeente te
                            melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Gebruik aanvraagformulier.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als uit het onderzoek na aanleiding van deze melding blijkt dat er
                                een door de gemeente te verstrekken voorziening op grond van de Wmo
                                noodzakelijk is, dan dient het ondertekende gespreksverslag als
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er sprake is van een verkorte procedure waarbij de consulent
                                van de gemeente de noodzaak voor het treffen van een voorziening
                                meteen kan vaststellen, wordt volstaan met het innemen van een
                                aanvraagformulier. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voorzover dit van belang kan zijn voor de
                                beoordeling van de aanspraak op een voorziening, degene die een
                                aanvraag indient:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        bevragen;</al></li><li nr="b."><al>te vragen om zich te identificeren en het overleggen door
                                        middel van het overleggen van een geldig
                                        identiteitsbewijs;</al></li><li nr="c."><al>uit te nodigen op een door het college te bepalen plaats en
                                        tijdstip en zich aldaar door een of meer daartoe aangewezen
                                        deskundigen te laten bevragen en/of te onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt een door hen daartoe aangewezen deskundige en/of
                                adviesinstantie om advies als:</al><lijst><li nr="a."><al>het gaat om een aanvraag een persoon betreffend die nog niet
                                        eerder een aanvraag in het kader van deze verordening heeft
                                        ingediend en het een voorziening betreft waarvan de kosten
                                        naar verwachting het bedrag als genoemd in het Besluit Wmo
                                        Individuele Verstrekkingen van de gemeente Rijnwaarden te
                                        boven zullen gaan;</al></li><li nr="b."><al>het vermoeden bestaat dat de aanvraag om medische redenen
                                        wordt afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beschikking vermeldt op welke wijze in dat individuele geval
                                wordt bijgedragen aan het behouden en bevorderen van de
                                zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van
                                mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een
                                psychosociaal probleem.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Samenhangende afstemming.</titel></kop><al>Het college legt in het Besluit Wmo Individuele Verstrekkingen van de
                            gemeente Rijnwaarden regels vast omtrent de wijze waarop de verkrijging
                            van voorzieningen samenhangend wordt afgestemd op de situatie van de
                            cliënt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Motiveringsplicht.</titel></kop><al>In de beschikking staat vermeld welke oplossing(en), waaronder
                            gemeentelijke voorzieningen, beschikbaar is (zijn) om de hulpvraag van
                            de cliënt te compenseren. Deze oplossing(en) draagt (dragen) bij aan het
                            behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale
                            maatschappelijke participatie van de cliënt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Wijzigingen in de situatie.</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het ontstaan van of het continueren van een
                            aanspraak op compensatie door de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekking van een beschikking.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze
                                verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                        deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                        gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                        bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                                tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet
                                is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Terugvordering.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan een
                                reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden
                                budget worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Hardheidsclausule.</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt of
                            woningeigenaar afwijken van de bepalingen bij of krachtens deze
                            verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Indexering.</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit Wmo
                            Individuele Verstrekkingen gemeente Rijnwaarden geldende bedragen
                            verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens
                            het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Inwerkingtreding.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 31 december
                                2013</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Rijnwaarden wordt met ingang van 31 december 2013. ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor besluiten die zijn genomen voorafgaand aan de datum van
                                inwerkingtreding van deze verordening, blijft de verordening van
                                toepassing zoals die op de dag van het genomen besluit gold.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Citeertitel.</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wmo Verstrekkingen
                            van de gemeente Rijnwaarden .</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Rijnwaarden, op 17 december 2013</al></slotformulering><ondertekening>
          De voorzitter, De griffier,
        </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening Wmo Verstrekkingen</titel></kop><tussenkop><vet>Gemeente Rijnwaarden 2013</vet></tussenkop><tussenkop/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting.</tussenkop><tussenkop/><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Ad a. Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning (Wmo) opgenomen citeertitel van de wet.</al><al>Ad b. Het compensatiebeginsel is inmiddels vervangen door een compensatieplicht
                    voor gemeenten. is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65) aan het
                    wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving van dit
                    begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een begripsomschrijving van
                    het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt. Daarom staat de
                    begripsomschrijving van de compensatieplicht in de verordening. </al><al>Ad c. De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International
                    Classification of Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel genoemde
                    amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen.”</al><al>Ad d. De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is
                    afgeleid van de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende
                    terreinen waarvoor op grond van de wet de gemeente een compensatieplicht heeft. </al><al>Ad. e. De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de
                    wet). </al><al>Ad f. Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds genoemde
                    amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                    toegevoegd.</al><al>Ad g. Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend
                    aan de toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het
                    compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.</al><al>Ad h. Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die vrij verkrijgbaar zijn en
                    niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met beperkingen, maar die het leven
                    vereenvoudigen: een verhoogde toiletpot, een fiets met hulpmotor, wandbeugels,
                    tafeltie-dek-je.. De gemeente toetst in voorkomende gevallen of de algemene
                    voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de persoon van de aanvrager, gelet
                    op zijn leeftijd en zijn inkomenspositie. </al><al>Ad i. Individuele voorziening: Een individuele voorziening is bedoeld en
                    inzetbaar voor één persoon.</al><al>Ad j. Collectieve voorziening is een voorziening die door meerdere personen
                    gelijktijdig of volgtijdelijk kan worden gebruikt. Het gaat daarbij bijvoorbeeld
                    om een scootmobielpool of de Regiotaxi. Let wel: een indicatie voor het
                    gebruikmaken van de collectieve voorziening wordt op grond van een individuele
                    beoordeling toegekend middels een beschikking. </al><al>Ad k. De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage in de kosten van een
                    voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze kan op het
                    inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van artikel 15 lid 3 van
                    de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels kunnen worden gesteld.
                    Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door middel van het vaststellen van het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning (citeertitel en publicatiedatum AMvB
                    vermelden). In dit Besluit wordt bepaald wat de ruimte is die gemeentebesturen
                    hebben voor het vaststellen van eigen bijdragen, als ze daartoe willen
                    overgaan.</al><al>Ad l. Voorzieningen in natura zijn voorzieningen die niet in de vorm van een
                    persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming worden verstrekt.
                    Daarbij kan worden gedacht aan verstrekking in bruikleen, in eigendom of in de
                    vorm van dienstverlening.</al><al>Ad m. Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de cliënt onder door het
                    college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar
                    zijn keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende
                    voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in
                    het Besluit Wmo Individuele Verstrekkingen gemeente Rijnwaarden.</al><al>Ad n. Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een
                    bepaalde voorziening mee te verwerven. Het is niet persé kostendekkend, maar een
                    tegemoetkoming in de kosten. </al><al>Ad o. Evenals onder de Wvg het geval was, is het ook onder de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid
                    voorzieningen verstrekt, waarover de cliënt, gezien zijn individuele situatie,
                    ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen
                    worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als
                    algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende
                    maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen
                    gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden
                    aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed
                    worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is
                    de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. </al><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder, onder q. </al><al>Ad p. Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen
                    gebruikelijk”; deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn
                    de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van
                    de ondervonden beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd
                    in artikel 1, lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als
                    de cliënt vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale
                    probleem heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens
                    situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de
                    kosten die voor een persoon als de cliënt niet algemeen gebruikelijk zijn, is de
                    wet gericht.</al><al>Ad q. Voor het bepalen van een "individuele" voorziening is het van belang te
                    bepalen wie met elkaar een leefeenheid vormen omdat verwacht wordt dat men
                    binnen de leefeenheid ook voor elkaar zorgt (gebruikelijke zorg en/of
                    huisgenoten).</al><al>Ad r. De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het
                    begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de
                    beschikking krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook
                    verantwoording af dient te leggen. De budgethouder kan ook een van de ouders of
                    een andere wettelijke vertegenwoordiger zijn voor zover daartoe in geval van
                    bewindvoering of curatele rechtsgeldige documentatie aan ten grondslag ligt. </al><al/><tussenkop>Artikel 2 Voorwaarden en weigeringsgronden.</tussenkop><al>Artikel 2 lid 1.</al><al>Ad a. Deze definitie is ontleend aan wat de wet hierover zegt. Deze resultaten
                    zijn door de Vereniging van Nederlandse gemeenten verder gespecificeerd in de
                    volgende 8 te bereiken resultaten :</al><lijst><li nr="a."><al>een schoon en leefbaar huis</al></li><li nr="b."><al>wonen in een geschikte woning</al></li><li nr="c."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften</al></li><li nr="d."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding</al></li><li nr="e."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren</al></li><li nr="f."><al>zich verplaatsen in en om de woning</al></li><li nr="g."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen
                            aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten.</al></li></lijst><al>Op deze 8 terreinen heeft het college een resultaatverplichting: door de te
                    nemen algemene of individuele maatregelen moet het gestelde resultaat bereikt
                    kunnen worden. </al><al>Ad b. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt
                    dienen een passende oplossing te zijn in de situatie van de persoon. De gemeente
                    mag daarbij kiezen voor de goedkoopst compenserende voorziening. Eigenschappen
                    die kostenverhogend werken zonder dat zij daarmee iets toevoegen aan de
                    passendheid, zullen in principe niet voor een financiële tegemoetkoming in
                    aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een
                    voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt.
                    Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar
                    product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het
                    kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij
                    een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten.
                    Het is uiteraard wel mogelijk een voorziening te verstrekken die duurder is dan
                    de goedkoopst adequate voorziening, mits de cliënt bereid is het prijsverschil
                    uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst compenserend geeft het
                    college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. </al><al>Ad c. Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden
                    gecompenseerd. Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de
                    beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de wet.</al><al>Artikel 2 lid 2.</al><al>Ad a. het begrip algemeen gebruikelijk is onder artikel 1 onder o al toegelicht. </al><al>Ad b. In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wvg, geen specifieke
                    bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in
                    de gemeente woonachtige personen, hoewel artikel 11 van de wet spreekt over
                    ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen
                    binnenkomen bij gemeenten waar de cliënt niet woonachtig is.</al><al>Ad c. Het uitgangspunt van de wetgever is dat de gemeente beperkingen
                    compenseert die niet door betrokkene zelf, met behulp van zijn sociale omgeving
                    of door gebruik te maken van algemene (tafeltje-dek-je) of voorliggende
                    voorzieningen (Regeling hulpmiddelen) zijn op te lossen. Als dit mogelijk
                    blijkt, maar betrokkene wenst daar geen gebruik van te maken is dat reden de
                    gevraagde voorziening te weigeren. </al><al>Ad d. Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het
                    Bouwbesluit 2003. Voorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt,
                    zijn in beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen
                    hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages
                    bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen in die gevallen dat
                    bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het
                    college hierop een uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten
                    moeten in een concrete situatie afspraken gemaakt worden. Ook bij huishoudelijke
                    voorziening speelt deze bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer
                    hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe
                    woning woont, geeft deze bepaling een duidelijke grens aan.</al><al>Ad e. Een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget of een financiële
                    tegemoetkoming voor het treffen van “individuele” voorzieningen wordt alleen
                    verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het
                    kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Een
                    uitzondering hierop zijn aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen; deze
                    komen weinig voor en worden apart geregeld in het verstrekkingenbeleid. Verder
                    worden geen woonvoorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van
                    woongebouwen voor ouderen of gehandicapten of voorzieningen die in dergelijke
                    gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder
                    noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. </al><al>Ad f. In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij
                    na het optreden van een beperking voorzieningen aan. In die situatie is er geen
                    sprake van meerkosten ten opzichte van de situatie die voorafging aan het
                    optreden van beperkingen. Let wel: als er door het optreden van de beperkingen
                    eveneens een wijziging optreedt in de situatie (bijvoorbeeld
                    inkomensachteruitgang) dan kan het zijn dat het college alsnog een voorziening
                    toekent op grond van de gewijzigde omstandigheden. </al><al>Ad g. en h.</al><al>In artikel 2 lid 2, onder g. en h. geeft de verordening een tweetal gronden voor
                    weigering aan. Onder g. wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een
                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht
                    is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens
                    het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te
                    verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd.
                    Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over de aanvraag voor een
                    woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de
                    werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de aanvraag
                    betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen
                    over de te treffen voorziening.</al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst
                    compenserende voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren
                    mee laten wegen die buiten de woonruimte van de cliënt gelegen zijn, zoals een
                    beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse
                    woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.</al><al>Indien het nog te achterhalen valt of de aanschaffing van de voorziening
                    noodzakelijk en passend is om een aantoonbare beperking op het gebied van het
                    wonen of het zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te
                    verminderen kan het college besluiten een positieve beschikking af te
                    geven.</al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een financiële
                    tegemoetkoming in de verhuis- en (her)inrichtingskosten heeft gegeven, komt een
                    aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de gemeente
                    een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de cliënt
                    tot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarden wordt voorkomen dat de gemeente
                    achteraf, nadat de cliënt reeds is verhuisd, met een claim voor een financiële
                    tegemoetkoming in de verhuis- en (her)inrichtingskosten geconfronteerd
                    wordt.</al><al>Onder h. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden
                    als het gaat om een financiële tegemoetkoming of verstrekking die reeds eerder
                    heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren
                    is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus
                    niet indien de cliënt geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    cliënt hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><al>Artikel 2 lid 3.</al><al>In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de cliënt snel moet beslissen
                    omdat de woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze
                    of andere urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook
                    voldoende. Maar in alle gevallen dient de cliënt voorafgaand aan de verhuizing
                    schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier
                    uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin
                    men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een
                    verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake
                    de te betrekken woning.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2.</vet><vet> Voorzieningen</vet>.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Vormen van voorzieningen.</tussenkop><al>In de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan te bieden er
                    compensatie van beperkingen op het gebied van het (zelfstandig) wonen en leven,
                    of bij het verplaatsen binnen of buiten de woning, of het lokaal verplaatsen en
                    het kunnen aangaan en onderhouden van sociale contacten. Deze voorzieningen
                    kunnen in natura worden verstrekt, in de vorm van een persoonsgebonden budget of
                    een financiële tegemoetkoming. De wetgever heeft beoogd om de burger daarmee
                    keuzevrijheid te geven voor de wijze waarop hij de voorziening wil verkrijgen.
                    Het kan immers zo zijn dat de voorkeur niet uitgaat naar een van de
                    voorzieningen in het kernassortiment en de persoon zelf bij een andere
                    leverancier de voorziening wil aanschaffen. Woningaanpassingen worden nooit in
                    natura geleverd, maar in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor de
                    meerkosten die inherent zijn aan de voorziening. Het eigen aandeel bestaat dan
                    voor de woningeigenaar uit die kosten die niet voortkomen uit de noodzakelijke
                    aanpassing. </al><al/><tussenkop>Artikel 4 Primaat van de algemene voorziening</tussenkop><al>Als de beperkingen kunnen worden opgelost, verminderd of gestabiliseerd door
                    gebruik te maken van een algemene dienst of service dan ontbreekt de noodzaak
                    voor het compenseren door de gemeente. Er is dan sprake van een voorliggende
                    voorziening. Praktisch betekent dit dat iemand zelf in staat is om zijn
                    participatieproblemen op te lossen. </al><al/><tussenkop>Artikel 5. Algemeen gebruikelijke voorzieningen.</tussenkop><al>Lid 1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt wanneer, gelet op de
                    omstandigheden van de aanvrager met beperkingen, aannemelijk is dat deze
                    daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben
                    gehad.Bij een algemeen gebruikelijke voorziening kan bijvoorbeeld gedacht worden
                    aan een elektrische fiets of aan een douchebeugel die bij elke bouwmarkt voor
                    een relatief laag bedrag verkrijgbaar is. </al><al>Lid 2. </al><al>De zorg die huisgenoten die onderdeel uitmaken van een leefeenheid voor elkaar
                    dragen behoort tot de gebruikelijke zorg. Bij uitval van een van de huisgenoten
                    wordt van andere huisgenoten verwacht dat zij de taken van de huisgenoot die
                    deze taken niet meer kan verrichten overnemen. In die situatie wordt geen
                    voorziening voor hulp bij het huishouden toegekend. Een uitzondering hierop kan
                    worden gemaakt als de leden van het huishouden zelf beperkt zijn of een groot
                    deel van de week niet in de woning aanwezig zijn en het niet-uitstelbare taken
                    betreft zoals bijvoorbeeld het verzorgen van de broodmaaltijd of het verschonen
                    van beddengoed in geval van incontinentie.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Soorten voorzieningen.</tussenkop><al>Voor een repeterende dienstverlening zoals de hulp bij het huishouden kan een
                    eigen bijdrage worden opgelegd voor de duur van de dienstverlening. Voor een
                    eenmalig te verstrekken goed, kan een eigen bijdrage worden opgelegd die
                    gerelateerd is aan de kostprijs van de voorziening, de gehanteerde
                    afschrijvingstermijn voor het goed en het inkomen van de persoon die deze
                    voorziening ontvangt. De cumulatie van eigen bijdragen mag niet hoger zijn dan
                    de kostprijs van de voorziening. </al><al/><tussenkop>Artikel 7. Terugbetaling.</tussenkop><al>Dit artikel heeft als doel om de economische restwaarde van een in eigendom
                    verstrekte of via een persoonsgebonden budget terug te kunnen vorderen, wanneer
                    het goed voor het aflopen van de afschrijftermijn wordt verkocht. De hoogte van
                    de terugbetaling wordt vastgesteld aan de hand van de restwaarde op datum
                    verkoop. Let op deze waarde is niet gekoppeld aan het feitelijke bedrag dat de
                    persoon hiervoor heeft ontvangen. </al><al/><tussenkop>Artikel 8. Keuzevrijheid</tussenkop><al>De persoon die in aanmerking komt voor een voorziening heeft de keuze uit een
                    verstrekking in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Deze
                    keuzevrijheid geldt niet ten aanzien van woningaanpassingen. Hiervoor kent de
                    gemeente alleen de financiële tegemoetkoming, die wordt uitbetaald aan de
                    eigenaar van de woning. Bij wijze van uitzondering, op verzoek van de
                    woningeigenaar kan de tegemoetkoming rechtstreeks worden overgemaakt aan de
                    aannemer die de aanpassing heeft uitgevoerd. </al><al> De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    voorzieningen de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en een
                    naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan om
                    niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget. Het college
                    kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van bezwaren
                    van overwegende aard, die aanleiding zijn om geen persoonsgebonden budget te
                    verstrekken.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Voorziening in natura</tussenkop><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de cliënt. Het college gaat de verplichting aan met de leverancier
                    van de voorziening en verstrekt deze zelf in bruikleen aan de persoon met
                    beperkingen. De gemeente legt over dit gebruik voorwaarden vast in een
                    bruikleenovereenkomst met de gebruiker van de voorzieningen. De
                    leveringsvoorwaarden die gelden tussen leverancier en gemeente worden geregeld
                    tijdens de uitwerking van de contractvoorwaarden. </al><al/><tussenkop>Artikel 10. Financiële tegemoetkoming.</tussenkop><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling,
                    die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit artikel 7 van deze
                    verordening, biedt daartoe de mogelijkheid. </al><al/><tussenkop>Artikel 11. Persoonsgebonden budget.</tussenkop><al>Lid a. Een persoonsgebonden budget kan alleen worden toegekend voor een
                    individuele voorziening die door de gemeente op grond van artikel 1 lid g. onder
                    6 van de wet wordt verstrekt. </al><al>Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld
                    aan de tegenwaarde van de in de te verstrekken goedkoopst compenserende
                    voorziening. Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het
                    persoonsgebonden budget kan worden gebaseerd. De wijze van vaststelling van de
                    hoogte van het persoonsgebonden budget is vastgelegd in het financieel besluit
                    van de gemeente Rijnwaarden. </al><al>Voorts kan onder c. een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                    instandhoudingkosten (onderhoud en reparatie) van de voorziening. Maar het kan
                    ook gaan om een aanvulling voor servicekosten en verzekering bij een vergoeding
                    voor een arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2 van de Wet op de
                    loonbelasting 1964 voor dienstverlening aan huis. In het Financieel Besluit
                    Verstrekkingen Wmo gemeente Rijnwaarden wordt nader uitgewerkt hoe de diverse
                    componenten van het persoonsgebonden budget worden vastgesteld. </al><al>De bevoegdheid tot het vaststellen van de rekenregels wordt in dit lid
                    gemandateerd aan het college. Voor zover daar nog nadere uitvoeringsregels voor
                    nodig zijn, worden deze vastgelegd in de beleidsregels Wmo gemeente Rijnwaarden. </al><al>Om misverstanden en onduidelijkheden wordt er een overeenkomst getekend tussen
                    de gemeente en de budgethouder waarin de voorwaarden helder zijn omschreven. </al><al>In lid f. wordt bepaald dat er geen persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor
                    aard- en nagelvaste aanpassingen aan de woning. Dit heeft ermee te maken dat dit
                    dermate specifieke activiteiten zijn, waarbij er niet op voorhand ingeschat kan
                    worden welke kosten daarmee gemoeid zijn. Daarnaast worden deze kosten pas
                    uitbetaald nadat de woningaanpassing naar tevredenheid en conform specificatie
                    is afgerond. </al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), het resultaat dat ermee bereikt
                    moet worden, maar het kan ook gaan over de periode waarover het budget wordt
                    toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke beschikkingen uiterst zorgvuldig
                    worden geformuleerd.</al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin de eisen die aan de voorziening worden gesteld zijn
                    opgenomen. Het kan daarbij gaan om technische en veiligheidseisen, die
                    gerelateerd zijn aan het beoogde gebruiksdoel. Het program van eisen is dus een
                    belangrijk document; als niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat
                    gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget. </al><al>Lid 4 van artikel 6 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het
                    persoonsgebonden budget. In de beschikking wordt opgenomen op welke wijze de
                    betaling plaats zal vinden: Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen
                    door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling
                    in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij de huishouding of in situaties waarin er
                    twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de
                    gemeente worden beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge
                    terugvorderingbedragen.</al><al>In lid 5 is het college zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige
                    besteding van gelden op grond van de wet en heeft ook zelf de bevoegdheid om
                    vast te stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun
                    persoonsgebonden budget besteden conform de toekenningvoorwaarden. Het is dus
                    aan de raad en het college om in de verordening en beleidsregels te bepalen hoe
                    die controle plaatsvindt en daarbij de afweging te maken tussen volledige
                    controle en steekproefsgewijze controle.</al><al>Afhankelijk van de vraag waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld en de
                    wijze waarop de noodzakelijke voorziening is verkregen, worden bewijsstukken
                    opgevraagd bij de budgethouder. De onder a. bedoelde factuur is nodig in
                    situaties waarin voorzieningen zijn aangeschaft bij een leverancier,
                    bijvoorbeeld een rolstoel of een scootmobiel. Onder b. is een betalingsbewijs
                    genoemd, dat kan van belang zijn in situaties waarin er geen nota is,
                    bijvoorbeeld bij een tweede-hands-aankoop bij een particulier of uitbetaling aan
                    een dienstverlener, bijvoorbeeld iemand die huishoudelijke voorziening heeft
                    verleend. </al><al>Onder c. is genoemd een salarisadministratie; die kan noodzakelijk zijn in
                    situaties waarin men iemand in dienst heeft genomen voor het verrichten van
                    huishoudelijke voorziening.</al><al/><tussenkop>Artikel 12. Eigen bijdragen. </tussenkop><al>De raad geeft aan dat hij gebruik wenst te maken van de bevoegdheid om bij de
                    toekenning van voorzieningen de betaling van eigen bijdragen op te leggen.
                    Artikel 15 van de wet biedt deze mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19
                    van de wet geeft hiervoor de financiële kaders aan waarbinnen de raad c.q.
                    college de eigen bijdrages mag vaststellen. De raad geeft aan het college de
                    bevoegdheid om hierover nadere regels op te stellen in het Besluit Wmo
                    Individuele Verstrekkingen gemeente Rijnwaarden.</al><al/><tussenkop><vet> Hoofdstuk 3. Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                        besluiten</vet></tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 13 Gebruik aanmeldingsformulier.</tussenkop><al>Omdat in eerste instantie vaak eerst onderzocht moet worden of het probleem in
                    de eigen omgeving, middels eigen krachten of algemene voorziening kan worden
                    opgelost is het melden van een probleem voldoende. Het afgeven van een
                    beschikking is in dergelijke gevallen dan ook overbodig.</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Gebruik aanvraagformulier.</tussenkop><al>In dit artikel wordt geregeld dat er alleen een apart aanvraagformulier wordt
                    ingevuld en ingediend door de aanvrager als er sprake is van een verkorte
                    procedure. In alle overige gevallen wordt het door de aanvrager en consulent
                    waarmee het gesprek is gevoerd ondertekende gespreksverslag, waaruit blijkt dat
                    een voorziening van de gemeente noodzakelijk wordt geacht, aangemerkt als
                    aanvraagformulier.</al><al/><tussenkop>Artikel 15 Inlichtingen, onderzoek, advies.</tussenkop><al>Lid 1 onder a., b. en c. van dit artikel in de Verordening bepaalt dat het
                    college bevoegd is de cliënt op te roepen in persoon te verschijnen, te
                    identificeren en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en
                    tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe
                    aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet
                    zijn van de aanvraag.</al><al>De genoemde identificatieplicht geldt ook voor het aanvragen van een
                    voorziening. De cliënt dient een kopie van een geldig identiteitsbewijs te
                    overleggen. Een geldig identiteitsbewijs betreft een paspoort, identiteitskaart
                    of vreemdelingendocument. Een rijbewijs is voor het aanvragen van voorzieningen
                    geen geldig identiteitsbewijs omdat de nationaliteit en verblijfstatus niet is
                    aangegeven op dit document.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.</al><al>In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de Wvg is in de wet niet geregeld
                    dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de
                    uitvoering van de wet echter onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer
                    adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de
                    verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer
                    adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een
                    eenduidige vermelding onmogelijk maakt. </al><al>Lid 2 sub a: Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer lid het een eerste
                    aanvraag door de betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of
                    het wellicht om een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit
                    proces reeds eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op
                    het moment van de aanvraag nodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het
                    begin duidelijk geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de
                    betrokken aanvrager. Het spreekt voor zich dat bij overgang van AWBZ naar deze
                    wet voor diegenen die al een voorziening hadden niet gesproken wordt van eerste
                    aanvraag. Van eerste aanvraag wordt gesproken als een aanvrager in zijn geheel
                    niet bekend is bij deze wet.</al><al>Lid 2 sub b: Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder c., kan
                    uiteraard alleen maar op basis van een medisch advies. Met name wanneer de aard
                    van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies onontbeerlijk; soms kan een
                    op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom van verdere aanvragen,
                    zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij verstrekking van
                    voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de cliënt en onnodige kosten
                    voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het bijzonder bij een aantal
                    zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare aandoeningen (m)moa’s.</al><al> Lid 2 sub c: Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst
                    wordt geacht. Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te
                    voeren valt. Door deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies
                    te vragen. Het is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies
                    gevraagd wordt, met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een
                    rol zou kunnen spelen. </al><al>Lid 3 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling
                    is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement
                    65, waarin staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de
                    International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                    classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                    behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al><al>Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt
                    vereenvoudigt het gebruik van de ICF-classificatie afstemming met deze wet.</al><al>De opdracht van artikel 26 lid 1 van de wet naar de verordening is vertaalt in
                    lid 3 en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke wijze het
                    besluit bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de
                    normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een
                    chronische psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.</al><al/><tussenkop>Artikel 16 Samenhangende afstemming. </tussenkop><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                    verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van voorzieningen samenhangend
                    afgestemd wordt op de situatie van de cliënt. Deze bepaling is bedoeld om, naast
                    de toepassing van algemene bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud
                    van de voorzieningen zelf, vanuit cliëntperspectief, in samenhang te
                    bezien.</al><al/><tussenkop>Artikel 17 Motiveringsplicht.</tussenkop><al>In de Wmo is vastgelegd dat de gemeente een dubbele motiveringsplicht heeft.
                    Hiermee wordt bedoeld dat enerzijds een grondslag voor het besluit in wet- en
                    regelgeving wordt gevonden en anderzijds de beschikking aangeeft op welke wijze
                    de persoon door het al dan niet treffen van voorzieningen in staat is om
                    zelfstandig en zelfredzaam te participeren. </al><al>In die situaties dat na een aanmelding blijkt dat er geen voorziening getroffen
                    behoeft te worden omdat de problemen op een andere wijze kunnen worden opgelost,
                    wordt er geen beschikking afgegeven maar wordt volstaan met een brief, waarin de
                    conclusies en de oplossingsrichtingen uit het gesprek worden samengevat. Mocht
                    de persoon staan op het indienen van een aanvraag voor een 'individuele'
                    voorziening, dan wordt deze ingenomen. Daarop volgt dan naar alle
                    waarschijnlijkheid wel een negatieve beschikking. De beschikkingen staan open
                    voor bezwaar en beroep. Bij een brief is er geen mogelijkheid voor het indienen
                    van een bezwaar.</al><al/><tussenkop>Artikel 18 Wijzigingen in de situatie.</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in
                    al die gevallen dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekte of te
                    verstrekken voorzieningen.</al><al/><tussenkop>Artikel 19 Intrekking van een beschikking.</tussenkop><al>In de toekenningbeschikking zijn voorwaarden opgenomen die gekoppeld zijn aan de
                    aanspraak op de voorziening. Wordt aan deze voorwaarden niet voldaan, dan heeft
                    het college de bevoegdheid om de beschikking in te trekken. Dit is zeer zeker
                    het geval als er onvolledige of onjuiste informatie is verstrekt, die als deze
                    wel bekend zou zijn geweest ten tijde van de aanvraag zou hebben geleid tot het
                    niet toekennen van de voorziening.</al><al/><tussenkop>Artikel 20 Terugvordering</tussenkop><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat
                    aanleiding is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er
                    anders geen juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er,
                    naar later blijkt, ten onrechte is uitbetaald, geleverd (voorziening in natura)
                    is of mee is omgegaan, kan het college de voorziening geheel of gedeeltelijk
                    terugvorderen. Het besluit tot herziening van het recht op de voorziening en de
                    daaraan gekoppelde terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals
                    bijvoorbeeld in de Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is
                    wel sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde
                    betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke
                    basis biedt. Aan de gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in
                    gevallen waarin de vordering hoger is dan € 5.000,- en dus een procedure met
                    procureurstelling bij de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een
                    eenvoudige dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder
                    verplichte procureurstelling.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval
                    gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de cliënt sprake is van
                    verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt,
                    bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in
                    natura aan de orde zijn wanneer de cliënt in gebreke blijft zijn eigen bijdrage
                    binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam vooraf
                    een inschatting te maken van de kosten en te verwachten baten, gezien de
                    mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen
                    gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar
                    mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een
                    deurwaarder.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming binnen zes maanden na de
                    uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor
                    deze is verleend, kan deze betaling ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij
                    om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de financiële tegemoetkoming aan de
                    aanschaf van de voorziening voorafgaat. Bij woningaanpassingen zal dit in de
                    regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de
                    woningaanpassing is uitgevoerd. Artikel 20 is dus niet van toepassing op
                    woningaanpassingen.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen.</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 21 Hardheidsclausule.</tussenkop><al>Artikel 21 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    cliënt kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van de
                    in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen. Dit
                    afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken
                    persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar,
                    bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van
                    belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat
                    bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste
                    woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te
                    worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere
                    periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met
                    nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de
                    hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk
                    aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken.</al><al/><tussenkop>Artikel 22 Indexering.</tussenkop><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde Besluit Wmo Individuele Verstrekkingen van de gemeente
                    Rijnwaarden en Besluit financiële tegemoetkoming Wmo Individuele Verstrekkingen
                    van de gemeente Rijnwaarden, te indexeren. Indexering voor de meeste van de op
                    deze verordening gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het
                    CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur
                    bepaalt in artikel 4.4, lid 1 dat ook de bedragen van de eigen bijdragen
                    jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie worden
                    gewijzigd bij ministeriële regeling. Het ligt voor de hand wijzigingen in
                    bedragen in deze verordening tegelijkertijd hiermee door te voeren.</al><al/><tussenkop>Artikelen 23 en 24 Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>In artikel 23 zijn opgenomen de datum van inwerkingtreding, de daarmee
                    samenhangende intrekking van een eventuele voorafgaande verordening, alsmede een
                    bepaling waarin, indien van toepassing, overgangsregels kunnen worden
                    opgenomen.</al><al>Artikel 24 bevat de citeertitel, waaronder de verordening kan worden aangehaald.
                    Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>