<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR321322_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Ommen 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ommen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ommen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 02-11-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Ommen 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-10-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-11-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 273a, 4:10 t/m 4:12c</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2003266, 1945715</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Ommen 2014
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Ommen;</al>
          <al/>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17 december
                        2013;</al>
          <al/>
          <al>gelet op het bepaalde in de gemeentewet;</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Besluit:</vet>
          </al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>De Algemene Plaatselijke Verordening Ommen 2010 in te trekken.</al></li>
            <li nr="b."><al>De op 19 december 2013 vastgestelde Afdeling 8a van de Algemene
                                Plaatselijke Verordening in te trekken.</al></li>
            <li nr="c."><al>De Algemene Plaatselijke Verordening Ommen 2014 vast te stellen</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Ommen d.d. 6 februari 2014.</al>
          <al/>
          <al>De raad voornoemd,</al>
          <al/>
          <al>De griffier, De voorzitter,</al>
          <al>J.A.R. Tenkink M.J. Ahne</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1:1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld
                                    op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li>
              <li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
                                    een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld
                                    in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of
                                    ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;</al></li>
              <li nr="-"><al>bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening gemeente
                                    Ommen 2013 daaronder wordt verstaan: elke constructie van enige
                                    omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de
                                    plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond
                                    verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de
                                    grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li>
              <li nr="-"><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li>
              <li nr="-"><al>gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                                    Woningwet daaronder wordt verstaan;</al></li>
              <li nr="-"><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen;</al></li>
              <li nr="-"><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn;</al></li>
              <li nr="-"><al>openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li>
              <li nr="-"><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li>
              <li nr="-"><al>weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                    Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1:2</nr>
              <titel>Beslistermijn</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid,
                                of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel 4:11.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1:3</nr>
              <titel>Indiening aanvraag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1:4</nr>
              <titel>Voorschriften en beperkingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1:5</nr>
              <titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel>
            </kop>
            <al>De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze
                            verordening anders is bepaald.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1:6</nr>
              <titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel>
            </kop>
            <al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li>
              <li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li>
              <li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li>
              <li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn; </al></li>
              <li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1:7</nr>
              <titel>Termijnen</titel>
            </kop>
            <al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1:8</nr>
              <titel>Weigeringsgronden</titel>
            </kop>
            <al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li>
              <li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li>
              <li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li>
              <li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Openbare orde</titel>
          </kop>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:1</nr>
                <titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                        samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                        gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></li>
                <li nr="2."><al>Degene die op een openbare plaats </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                                ontstaan of dreigen te ontstaan;</al></li>
                    <li nr="b."><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft
                                                tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden
                                                ontstaan of dreigen te ontstaan; of</al></li>
                    <li nr="c."><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                                samenscholing;</al></li>
                  </lijst><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg
                                        te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                        verwijderen.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op
                                        openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd
                                        bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of
                                        ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.</al></li>
                <li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></li>
                <li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing
                                        op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></li>
                <li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Betoging</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:2</nr>
                <titel>Optochten</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:3</nr>
                <titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare
                                    manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en
                                    ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden,
                                    schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De kennisgeving bevat: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li>
                  <li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li>
                  <li nr="e."><al>voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en</al></li>
                  <li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaat vóór 12.00 uur.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een
                                    kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:4</nr>
                <titel>Afwijking termijn</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen; opgenomen in artikel 2:3</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:5</nr>
                <titel>Te verstrekken gegevens</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen; opgenomen in artikel 2:3</al>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:6</nr>
                <titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis
                                    verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven
                                    stukken en afbeeldingen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:7</nr>
                <titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:8</nr>
                <titel>Dienstverlening</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:9</nr>
                <titel>Straatartiest e.d.</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                    door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen
                                    openbare plaatsen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:10</nr>
                <titel>Voorwerpen op of aan de weg</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken
                                    dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de
                                            weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan
                                            belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen
                                            voor het beheer of onderhoud van de weg; of</al></li>
                  <li nr="b."><al>het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van
                                            welstand.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder
                                    geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1 m
                                    wordt gelaten op voetpaden en rijbaan voor fietsers en van 3 m
                                    op de rijbaan voor gemotoriseerd verkeer.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon-
                                    en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen,
                                    uitstallingen en reclameborden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het
                                    verbod in het eerste lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li>
                  <li nr="b."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:19; en</al></li>
                  <li nr="c."><al>overige gevallen waarin krachtens een wettelijke
                                            regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is
                                            verleend.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken,
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale
                                    wegenverordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:11</nr>
                <titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De vergunning wordt verleend: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit; of</al></li>
                  <li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                    opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke
                                    taken worden verricht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin
                                    wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de
                                    Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening gemeente Ommen 2001.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:12</nr>
                <titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering
                                    te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg
                                            of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar
                                            de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan
                                            het college, onder indiening van een situatieschets van
                                            de gewenste uitweg en een foto van de bestaande
                                            situatie; of</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>het college het maken of veranderen van de uitweg heeft
                                            verboden.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg
                                    indien: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt
                                            gebracht;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare
                                            parkeerplaats;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze
                                            wordt aangetast; of</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door
                                            een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze
                                            tweede uitweg ten koste gaat van een openbare
                                            parkeerplaats of het openbaar groen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De uitweg kan worden aangelegd indien niet binnen vier weken na
                                    ontvangst van de melding hebben beslist dat de gewenste uitweg
                                    wordt verboden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken,
                                    de Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Veiligheid op de weg</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:13</nr>
                <titel>Veroorzaken van gladheid</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:14</nr>
                <titel>Winkelwagentjes</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is
                                    verplicht deze </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander
                                            herkenningsteken, en</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de
                                            omgeving van dat bedrijf.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een
                                    openbare plaats achter te laten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:15</nr>
                <titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:16</nr>
                <titel>Openen straatkolken e.d.</titel>
              </kop>
              <al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:17</nr>
                <titel>Kelderingangen e.d.</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:18</nr>
                <titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>te roken gedurende een door het college aangewezen
                                            periode of in de periode dat binnen de veiligheidsregio
                                            code oranje of rood geldt voor brandgevaar;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>voor zover het de open lucht betreft, brandende of
                                            smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of
                                            te laten liggen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
                                    onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken
                                    plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:19</nr>
                <titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:20</nr>
                <titel>Vallende voorwerpen</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:21</nr>
                <titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
                                    Belemmeringenwet Privaatrecht.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:22</nr>
                <titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:23</nr>
                <titel>Veiligheid op het ijs</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                            beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                            verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in
                                            gevaar te brengen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                            veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten
                                            te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige
                                            andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te
                                            belemmeren.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Evenementen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:24</nr>
                <titel>Begripsbepaling</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze
                                            verordening;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                            verordening.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Onder evenement wordt mede verstaan: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>een braderie;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                            artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                            weg;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="e."><al>een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein
                                            evenement).</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:25</nr>
                <titel>Evenement</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de
                                    burgemeester een evenement te organiseren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 50
                                            personen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>het evenement tussen 08.00 uur en 23.00 uur plaats
                                            vindt;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08.00 uur of
                                            na 23.00 uur;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan,
                                            (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een
                                            belemmering vormt voor het verkeer en de
                                            hulpdiensten;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="e."><al>slechts kleine objecten worden geplaatst met een
                                            oppervlakte van minder dan 10 m2 per object;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="f."><al>er een organisator is; en</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="g."><al>de organisator tenminste 7 werkdagen voorafgaand aan het
                                            evenement daarvan melding heeft gedaan aan de
                                            burgemeester.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De burgemeester kan binnen 4 werkdagen na ontvangst van de
                                    melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er
                                    aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt
                                    door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:26</nr>
                <titel>Ordeverstoring</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:27</nr>
                <titel>Begripsbepalingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>a.</lidnr>
                <al>openbare inrichting: </al>
                <lijst>
                  <li nr="i."><al>een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                            snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;</al></li>
                  <li nr="ii."><al>elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten
                                            ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                            bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken
                                            worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
                                            consumptie worden verstrekt of bereid;</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>b.</lidnr>
                <al>terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting
                                    liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden
                                    geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden
                                    geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden
                                    bereid of verstrekt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de
                                    besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan
                                    waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                    vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor
                                    directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:28</nr>
                <titel>Exploitatie openbare inrichting</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van
                                    de openbare inrichting in strijd is met een geldend
                                    bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester
                                    de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien
                                    naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of
                                    leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare
                                    orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich
                                    bevindt in </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                            Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
                                            openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de
                                            winkelactiviteit;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>een zorginstelling;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>een museum; of</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>een bedrijfskantine of – restaurant.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling
                                    van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare
                                    inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van
                                    de Drank- en Horecawet, indien </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>zich in de zes maanden voorafgaand aan de
                                            inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten
                                            gepaard gaande met geweld, overlast op straat of
                                            drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de
                                            inrichting, dan wel</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er
                                            zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in
                                            artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident
                                    heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                    toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de
                                    vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:29</nr>
                <titel>Sluitingstijd</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Openbare inrichtingen zijn gesloten in de nachten van zondag op
                                    maandag tot en met donderdag op vrijdag tussen 01.00 en 06.00
                                    uur en in de nachten van vrijdag op zaterdag en zaterdag op
                                    zondag van 02.00 tot 06.00 uur.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend
                                    te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten
                                    verblijven:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>na sluitingstijd, met uitzondering van de nachten van
                                            vrijdag op zaterdag en zaterdag op zondag waar het is
                                            toegestaan bezoekers tot 04.00 uur c.q. zijnde 2 uur na
                                            sluitingstijd, te laten verblijven</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>op terrassen langer dan 1 uur voor sluitingstijd.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                    sluitingstijd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde
                                    lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de
                                    winkel.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                    voorzien.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:30</nr>
                <titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere
                                    omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk
                                    andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting
                                    bevelen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                    artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:31</nr>
                <titel>Verboden gedragingen</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden in een openbare inrichting:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de orde te verstoren;</al></li>
                <li nr="b."><al>zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat
                                        de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een
                                        besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;</al></li>
                <li nr="c."><al>op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen
                                        die geen gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn
                                        op het terras.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:32</nr>
                <titel>Handel binnen openbare inrichtingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting
                                    enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze
                                    overdraagt.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:33</nr>
                <titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel>
              </kop>
              <al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28
                                tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.</al>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>8A.</nr>
              <titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                                Drank- en Horecawet</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:34a</nr>
                <titel>Begripsbepaling</titel>
              </kop>
              <al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>alcoholhoudende drank,</al></li>
                <li nr="b."><al>horecabedrijf,</al></li>
                <li nr="c."><al>horecalokaliteit,</al></li>
                <li nr="d."><al>inrichting,</al></li>
                <li nr="e."><al>paracommerciële rechtspersoon,</al></li>
                <li nr="f."><al>sterke drank,</al></li>
                <li nr="g."><al>slijtersbedrijf en</al></li>
                <li nr="h."><al>zwak alcoholhoudende drank,</al></li>
              </lijst>
              <al>dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:34b</nr>
                <titel>Regulering paracommerciële rechtspersonen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een paracommerciële rechtspersoon kan zwak-alcoholhoudende drank
                                    uitsluitend verstrekken met inachtneming van het volgende:</al>
                <al> de drank wordt verstrekt op:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>maandag tot en met vrijdag vanaf 17.00 tot 00.00
                                            uur;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>zaterdag en zondag vanaf 15.00 tot 00.00 uur.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een paracommerciële rechtspersoon, zijnde een buurt-en/of
                                    dorpshuis, kan zwak-alcoholhoudende drank uitsluitend
                                    verstrekken tijdens en één uur na de georganiseerde activiteiten
                                    die uitsluitend verband houden met de statutaire doelstellingen
                                    van de instelling tot maximaal 01.00 uur.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Een paracommerciële rechtspersoon die zich richt op vakanties
                                    voor personen met beperkingen kan zwak-alcoholhoudende drank
                                    uitsluitend verstrekken op:</al>
                <lijst>
                  <li nr="-"><al>maandag tot en met zondag van 11.00 uur tot 00.00
                                            uur.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Een paracommerciële rechtspersoon die zich richt op het
                                    organiseren van activiteiten van sportieve aard kan
                                    zwak-alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>maandag tot en met vrijdag vanaf 20.00 uur tot 23.00
                                            uur;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>zaterdag en zondag vanaf 12.00 uur tot 22.00 uur.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het is paracommerciële rechtspersonen niet toegestaan om
                                    bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht
                                    zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de
                                    activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn
                                    te houden.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:34c</nr>
                <titel>Beperkingen voor horeca- en slijtersbedrijven</titel>
              </kop>
              <al>Gereserveerd.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:34d</nr>
                <titel>Koppeling toegang aan leeftijden</titel>
              </kop>
              <al>Gereserveerd.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:34e</nr>
                <titel>Beperkingen voor andere detailhandel dan
                                    slijtersbedrijven</titel>
              </kop>
              <al>Gereserveerd.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:34f</nr>
                <titel>Verbod happy hours</titel>
              </kop>
              <al>Gereserveerd.</al>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:35</nr>
                <titel>Begripsbepaling</titel>
              </kop>
              <al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:36</nr>
                <titel>Kennisgeving exploitatie</titel>
              </kop>
              <al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:37</nr>
                <titel>Nachtregister</titel>
              </kop>
              <al>De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is
                                verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek
                                van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de
                                burgemeester vastgestelde model. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:38</nr>
                <titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel>
              </kop>
              <al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de
                                dag van vertrek te verstrekken.</al>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:39</nr>
                <titel>Speelgelegenheden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor
                                    het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in
                                    een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                    geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                    inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                            eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen
                                            vergunning is verleend;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of
                                            de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                            verlenen; en</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om
                                            het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet
                                            op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
                                            speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op
                                            de kansspelen , of de handeling als in artikel 1, onder
                                            a, van de Wet op de kansspelen te verrichten .</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De burgemeester weigert de vergunning: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                            woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                            speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare
                                            wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van
                                            de speelgelegenheid; of</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd
                                            is met een geldend bestemmingsplan.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:40</nr>
                <titel>Kansspelautomaten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c. van de Wet;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de Wet;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e, van de Wet.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee
                                    kansspelautomaten toegestaan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                    toegestaan.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:41</nr>
                <titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier
                                    aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden
                                    noodzakelijk is.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:42</nr>
                <titel>Plakken en kladden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li>
                  <li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien
                                    gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het
                                    aanbrengen van handelsreclame.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan
                                    een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter
                                    inzage af te geven.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:43</nr>
                <titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet,
                                    aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:44</nr>
                <titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:44a</nr>
                <titel>Vervoer geprepareerde voorwerpen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te
                                    vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk
                                    toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te
                                    vergemakkelijken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid
                                    bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                    handelingen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:45</nr>
                <titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder
                                    ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de
                                    gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen,
                                    plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin
                                    gelegen wegen of paden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:46</nr>
                <titel>Rijden over bermen e.d.</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                    rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant
                                    van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs
                                    wordt vereist.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                                    provinciale wegenverordening.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:47</nr>
                <titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden op een openbare plaats: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                            overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                            voertuig, hekheining of andere afsluiting,
                                            verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li>
                  <li nr="b."><al>zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers
                                            of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen
                                            woningen onnodig overlast of hinder berokkent.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:48</nr>
                <titel>Verboden drankgebruik</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van de
                                    bebouwde kom van de gemeente Ommen of een van de kernen,
                                    alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen,
                                    blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te
                                    hebben.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verbod is niet van toepassing op: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld
                                            in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en</al></li>
                  <li nr="b."><al>een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank en Horecawet. </al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:49</nr>
                <titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een
                                    flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke
                                    meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk
                                    is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor
                                    gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:50</nr>
                <titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken
                                voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze
                                ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen,
                                wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en
                                rijwielstallingen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:51</nr>
                <titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of</al></li>
                <li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:52</nr>
                <titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de
                                burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te
                                bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen
                                terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod
                                kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:53</nr>
                <titel>Bespieden van personen</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:54</nr>
                <titel>Bewakingsapparatuur</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:55</nr>
                <titel>Nodeloos alarmeren</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:56</nr>
                <titel>Alarminstallaties</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:57</nr>
                <titel>Loslopende honden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                            plaats;</al></li>
                  <li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is
                                            aangelijnd; of</al></li>
                  <li nr="c."><al>op de weg indien die hond niet is voorzien van een
                                            halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar
                                            of houder duidelijk doet kennen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet
                                    van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                            sociale hulphond laat begeleiden; of</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond of sociale hulphond.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:58</nr>
                <titel>Verontreiniging door honden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is
                                    verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond
                                    onmiddellijk worden verwijderd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder
                                    van een hond </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                            sociale hulphond laat begeleiden; of</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond of sociale hulphond.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen plaatsen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:59</nr>
                <titel>Gevaarlijke honden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of
                                            van beide stoffen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de
                                            hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van
                                            de mens niet mogelijk is; en</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                            afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van
                                            de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
                                            aanwezig zijn.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:60</nr>
                <titel>Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                    plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>aanwezig te hebben;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde
                                            regels;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven; of </al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>te voeren.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen,
                                    ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het
                                    eerste lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:61</nr>
                <titel>Wilde dieren</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:62</nr>
                <titel>Loslopend vee</titel>
              </kop>
              <al>De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens
                                (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet
                                van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
                                verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden
                                dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:63</nr>
                <titel>Duiven</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:64</nr>
                <titel>Bijen</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:65</nr>
                <titel>Bedelarij</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:66</nr>
                <titel>Begripsbepaling</titel>
              </kop>
              <al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:67</nr>
                <titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te
                                    nemen: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                            goed;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li>
                  <li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor
                                            dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het
                                            goed;</al></li>
                  <li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed; en</al></li>
                  <li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:68</nr>
                <titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                                    Strafrecht</titel>
              </kop>
              <al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                                vermelding van zijn woonadres en het adres van de
                                                bij zijn onderneming behorende vestiging;</al></li>
                    <li nr="b."><al>van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde
                                                adressen;</al></li>
                    <li nr="c."><al>dat hij het beroep van handelaar niet langer
                                                uitoefent;</al></li>
                    <li nr="d."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs
                                                van een misdrijf afkomstig is of voor de
                                                rechthebbende verloren is gegaan;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven;</al></li>
                <li nr="3."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li>
                <li nr="4."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:69</nr>
                <titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:70</nr>
                <titel>Handel in horecabedrijven</titel>
              </kop>
              <al>Verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder
                                artikel 2:32</al>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Vuurwerk</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:71</nr>
                <titel>Begripsbepaling</titel>
              </kop>
              <al>In dit artikel wordt verstaan onder consumentenvuurwerk hetgeen
                                staat omschreven in artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit, met
                                uitzondering van fop- en schertsvuurwerk.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:72</nr>
                <titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:73</nr>
                <titel>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan
                                    veroorzaken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:73a</nr>
                <titel>Carbid</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen
                                    calciumacetylide (carbid) en water, of gasmengsels met
                                    vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te
                                    verbranden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>gebruik wordt gemaakt van vaten met een inhoud van
                                            maximaal 50 liter; en</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>de vaten zijn afgesloten met zacht materiaal; en</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>het vrije schootsveld minimaal 75 meter is en hierin
                                            geen openbare wegen of paden liggen; en</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>het gebruik plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur
                                            en 1 januari 02.00 uur; en</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="f."><al>wordt geschoten in een richting die is afgewend van de
                                            woonbebouwing; en</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="g."><al>de betreffende locatie is gelegen op een afstand van
                                            tenminste:</al><lijst>
                      <li nr="i."><al>75 meter van woonbebouwing; en</al></li>
                      <li nr="ii."><al>300 meter van inrichtingen voor intramurale
                                                  zorg;</al></li>
                      <li nr="iii."><al>300 meter van inrichtingen waar dieren worden
                                                  gehouden. Tenzij het op explosieve wijze
                                                  verbranden als bedoeld in het eerste lid
                                                  plaatsheeft door of met toestemming van de houder
                                                  van de inrichting, in welk geval een kortere
                                                  afstand is toegestaan.</al></li>
                    </lijst></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid geldt, in afwijking van het
                                    gestelde in het tweede lid, sub a, eveneens niet bij gebruik van
                                    vaten met een grotere inhoud dan 50 liter, mits dit ten minste
                                    voor 1 december van het desbetreffende jaar schriftelijk is
                                    gemeld aan de burgemeester, onder overlegging van bescheiden
                                    waaruit blijkt met welk(e) vat/vaten wordt/worden geschoten en
                                    mits wordt voldaan aan voorschriften, indien de burgemeester
                                    die, naar aanleiding van de melding, aan dit gebruik heeft
                                    verbonden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke
                                    stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van
                                    strafrecht.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Drugsoverlast</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:74</nr>
                <titel>Drugshandel op straat</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                                openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet , of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:75</nr>
                <titel>Bestuurlijke ophouding</titel>
              </kop>
              <al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de
                                Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door
                                hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen
                                plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1, 2.10, 2.46,
                                2.47, 2.48, 2.49, 2.73 of 5 afdeling 1 van de Algemene plaatselijke
                                verordening Ommen 2014 groepsgewijs niet naleven.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:76</nr>
                <titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel>
              </kop>
              <al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de
                                Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid
                                van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan,
                                een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek
                                openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:77</nr>
                <titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor
                                    een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van
                                    de door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen die voor het
                                    publiek toegankelijk zijn</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel>
          </kop>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:1</nr>
                <titel>Begripsbepalingen</titel>
              </kop>
              <al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li>
                <li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li>
                <li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li>
                <li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li>
                <li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li>
                <li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li>
                <li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li>
                <li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van: </al><lijst>
                    <li nr="i."><al>de exploitant;</al></li>
                    <li nr="ii."><al>de beheerder;</al></li>
                    <li nr="iii."><al>de prostituee;</al></li>
                    <li nr="iv."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is;</al></li>
                    <li nr="v."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2 van deze verordening;</al></li>
                    <li nr="vi."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:2</nr>
                <titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel>
              </kop>
              <al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:3</nr>
                <titel>Nadere regels</titel>
              </kop>
              <al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel
                                3:13, tweede lid kan het college nadere regels stellen met
                                betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit
                                hoofdstuk.</al>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:4</nr>
                <titel>Seksinrichtingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan
                                    een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te
                                    wijzigen. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De vergunning kan worden verleend voor maximaal één
                                    seksinrichting of escortbedrijf in de gemeente. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De vergunning bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend worden
                                    verleend voor de gebieden waarop van toepassing is het
                                    bestemmingsplan Buitengebied en de daarop van toepassing zijnde
                                    wijzigingen/uitwerking en partiële herzieningen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant van de
                                            seksinrichting of het escortbedrijf</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder van de
                                            seksinrichting of het escortbedrijf</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting
                                            door middel van een situatietekening met een schaal van
                                            tenminste 1: 1000</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="e."><al>bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de
                                            Kamer van Koophandel</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="f."><al>bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is
                                            tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de
                                            seksinrichting.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:5</nr>
                <titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De exploitant en de beheerder: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li>
                  <li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
                                            en</al></li>
                  <li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant
                                    en de beheerder niet: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie
                                            openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius,
                                            Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere
                                            rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                            recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                            artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                            Strafvordering is toegelaten;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van: </al><lijst>
                      <li nr="i."><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                                  Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de
                                                  Wet arbeid vreemdelingen;</al></li>
                      <li nr="ii."><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b,
                                                  242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot
                                                  en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en
                                                  453 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li>
                      <li nr="iii."><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede
                                                  artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163
                                                  van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li>
                      <li nr="iv."><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en
                                                  30b van de Wet op de Kansspelen;</al></li>
                      <li nr="v."><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                                  weerkorpsen;</al></li>
                      <li nr="vi."><al>de artikelen 54 en55 van de Wet wapens en
                                                  munitie.</al></li>
                    </lijst></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan 375 euro bedraagt;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                            straf.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem ter zake geen verwijt treft.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:6</nr>
                <titel>Sluitingstijden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>op maandag voor 07.00 uur;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>op dinsdag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00
                                            uur;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>op zaterdag na 02.00 uur;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>op zondag.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke
                                    seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer
                                    gebaseerde voorschriften.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:7</nr>
                <titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in
                                    artikel 3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid met de
                                    bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                            tweede lid, geldende sluitingstijden vaststellen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit
                                    bedoeld in het eerste lid bekend op de voet van artikel 3:42,
                                    tweede lid.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:8</nr>
                <titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat exploitant of de beheerder bedoeld in artikel
                                    3:4, tweede lid onder a of b in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                            geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven
                                            tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke
                                            vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                                            (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                            munitie; </al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:9</nr>
                <titel>Straatprostitutie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de
                                    diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel aan te
                                    lokken: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen
                                            of gebieden;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                            tijden.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het eerste
                                    lid, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in
                                    artikel 3:13, tweede lid, kan door politieambtenaren aan
                                    personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en gedurende
                                    de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven
                                    zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de
                                    belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, personen aan wie
                                    ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde
                                    lid, verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in
                                    een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen
                                    of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid onder
                                    b.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:10</nr>
                <titel>Sekswinkels</titel>
              </kop>
              <al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:11</nr>
                <titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende
                                            heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen,
                                            aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving in gevaar brengt; </al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels. </al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Beslistermijn: weigeringsgronden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:12</nr>
                <titel>Beslistermijn</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid,
                                    beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de
                                    dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:13</nr>
                <titel>Weigeringsgronden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3:5 gestelde eisen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of
                                            het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan,
                                            voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening; </al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
                                            of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                            of de Vreemdelingenwet bepaalde;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>Het maximaal af te geven aantal vergunningen voor
                                            seksinrichtingen of escortbedrijven is verleend;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="e."><al>De vergunning is aangevraagd voor een
                                            raamprostitutiebedrijf.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven
                                    kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de
                                    aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid,
                                    achterwege gelaten, in het belang van: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon-
                                            en leefklimaat;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="e."><al>de gezondheid of zedelijkheid; of</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="f."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:14</nr>
                <titel>Beëindiging exploitatie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig
                                    artikel 3:4 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:15</nr>
                <titel>Wijziging beheer</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan
                                    binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in
                                    het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste
                                    lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het
                                    moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het
                                    tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is
                                    besloten.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Overgangsbepaling</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:16</nr>
                <titel>Overgangsbepaling</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
          </afdeling>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel>
          </kop>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Geluidhinder en verlichting</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:1</nr>
                <titel>Begripsbepalingen</titel>
              </kop>
              <al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer ;</al></li>
                <li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit ;</al></li>
                <li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li>
                <li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li>
                <li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li>
                <li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li>
                <li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li>
                <li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:2</nr>
                <titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor
                                    door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                    festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                    dagdelen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer van de volgende delen:</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt niet meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel
                                    van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief
                                    onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege
                                    muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                                    beschouwing gelaten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8.</lidnr>
                <al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                    4:5 van deze verordening - uiterlijk om 02.00 uur te worden
                                    beëindigd. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:3</nr>
                <titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
                                    toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste
                                    twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                    daarvan in kennis heeft gesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    4.113, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting bedraagt niet meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel
                                    van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief
                                    onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege
                                    muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                                    beschouwen gelaten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8.</lidnr>
                <al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                    4:5 van deze verordening - uiterlijk om 02.00 uur
                                    beëindigd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>9.</lidnr>
                <al>De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het
                                    bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de
                                    buitenruimte.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>10.</lidnr>
                <al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:4</nr>
                <titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel>
              </kop>
              <al>[Vervallen]</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:5</nr>
                <titel>Onversterkte muziek</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld
                                    in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het
                                    Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van
                                    toepassing, met dien verstande dat: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of
                                            aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de
                                            gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming
                                            geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen
                                            uitvoeren van geluidsmetingen;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden
                                            bij gevoelige terreinen op de grens van het
                                            terrein;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor
                                            zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige
                                            ruimten en verblijfsruimten;</al></li>
                  <li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in
                                            de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.
                                        </al></li>
                  <li nr="e."><al>Tabel</al><al/></li>
                </lijst>
                <table>
                  <tgroup cols="4">
                    <colspec colname="colA"/>
                    <colspec colname="colB"/>
                    <colspec colname="colC"/>
                    <colspec colname="colD"/>
                    <tbody>
                      <row>
                        <entry>
                          <al/>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>7.00-19.00 uur</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>19.00-23.00 uur</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>23.00-7.00 uur</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row>
                        <entry>
                          <al>LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>50 dB(A)</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>45 dB(A)</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>40 dB(A)</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row>
                        <entry>
                          <al>LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>35 dB(A)</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>30 dB(A)</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>25 dB(A)</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row>
                        <entry>
                          <al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>70 dB(A)</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>65 dB(A)</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>60 dB(A)</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row>
                        <entry>
                          <al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>55 dB(A)</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>50 dB(A)</al>
                        </entry>
                        <entry>
                          <al>45 dB(A)</al>
                        </entry>
                      </row>
                    </tbody>
                  </tgroup>
                </table>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Voor de duur van 6 uur in de week is onversterkte muziek,
                                    vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten,
                                    harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende
                                    de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde
                                    geluidsniveaus in het eerste lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte
                                    elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte
                                    muziek en is het Besluit van toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en
                                    incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 en artikel
                                    4:3.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:5a</nr>
                <titel>Traditioneel schieten</titel>
              </kop>
              <al>Gereserveerd</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:6</nr>
                <titel>Overige geluidhinder</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen
                                    of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder wordt veroorzaakt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                    openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                                    milieuverordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:6a</nr>
                <titel>Mosquito</titel>
              </kop>
              <al>Gereserveerd</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:7</nr>
                <titel>Straatvegen</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:8</nr>
                <titel>Natuurlijke behoefte doen</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:9</nr>
                <titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel>
              </kop>
              <al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Het bewaren van houtopstanden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:10</nr>
                <titel>Begripsbepalingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meerdere
                                            bomen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld,
                                            opnieuw op de stronk uitlopen</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats
                                            verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen,
                                            gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek
                                            noodzakelijk onderhoud;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>Dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan
                                            van veelal gelijksoortige houtopstand, waarin
                                            individuele bomen niet onderhouden worden en waarbij
                                            bomen onderling concurreren om leefruimte;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="e."><al>Bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente,
                                            vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid van de
                                            Boswet.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:11</nr>
                <titel>Verbod tot het vellen of doen vellen van een houtopstand
                                    zonder omgevingsvergunning</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag
                                    de houtopstanden te vellen of te doen vellen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                            landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit
                                            populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>vruchtbomen, bestemd voor vruchtproductie en
                                            windschermen om boomgaarden;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te
                                            dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in
                                            bijzonder bestemde terreinen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="e."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                            geveld;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="f."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                            Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving op last
                                            van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde
                                            in art. 4.15;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="g."><al>Het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van
                                            regulier onderhoud;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="h."><al>Het periodiek knotten of kandelaberen als
                                            cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte
                                            boomsoorten;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="i."><al>houtopstand die wordt geveld als gevolg van de
                                            uitvoering van een (bouw)werk overeenkomstig een
                                            vastgesteld bestemmingsplan, een vastgesteld wijzigings-
                                            of uitwerkingsplan of een planologische toestemming als
                                            bedoeld in artikel 2.12 van de Wabo, waarbij bij de
                                            vorenstaande ruimtelijke besluiten is aangegeven welke
                                            houtopstanden dit betreft;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="j."><al>houtopstand, indien voor het vellen daarvan een
                                            omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1
                                            onder b, van de Wabo is vereist;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="k."><al>houtopstand met een stamomtrek van maximaal 95 cm
                                            (gemeten op 1,30 m hoogte van het maaiveld) voor zover
                                            deze houtopstand niet valt onder de onderdelen a tot en
                                            met j van dit lid;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="l."><al>Houtopstand, voor zover deze niet valt onder de
                                            onderdelen a tot en met k van dit lid, die dood is.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                    wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                    tijdig beslissen) van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:12</nr>
                <titel>Aanvraag vergunning</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met
                                    toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door
                                    degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd
                                    is over de houtopstand te beschikken.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:12a</nr>
                <titel>Weigeringsgronden</titel>
              </kop>
              <al>De omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand kan
                                worden geweigerd op grond van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>natuurwaarde van de houtopstand;</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="c."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="d."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                        dorpsschoon;</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="e."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="f."><al>De waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand,</al></li>
              </lijst>
              <al>welke waarden worden beoordeeld overeenkomstig het door de raad
                                vastgestelde Bomenbeleidsplan 2012.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:12b</nr>
                <titel>Bijzondere vergunningvoorschriften</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan
                                    behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen
                                    moet worden herplant.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan
                                    kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:12c</nr>
                <titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld
                                    in deze afdeling van toepassing is, zonder omgevingsvergunning
                                    van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet
                                    is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van
                                    de grond waarop de houtopstand zich bevond dan wel aan degene
                                    die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd
                                    is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de
                                    door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen
                                    termijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Wordt een verplichting las bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van
                                    toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan
                                    het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de betrokken
                                    grond, of aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van
                                    voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen voorzieningen
                                    te treffen, waardoor de bedreiging wordt weggenomen. Het bevoegd
                                    gezag kan daarbij aanwijzingen geven en /of een termijn
                                    stellen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste,
                                    tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger,
                                    is verplicht daaraan te voldoen.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:13</nr>
                <titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin
                                    van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de
                                    volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel; of</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of
                                    krachtens de Provinciale Verordening.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:14</nr>
                <titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:15</nr>
                <titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                    maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging
                                    of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of
                                    ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                    milieubeheer .</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:16</nr>
                <titel>Vergunningplicht lichtreclame</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:17</nr>
                <titel>Begripsbepaling</titel>
              </kop>
              <al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:18</nr>
                <titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan,
                                    beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit
                                    is bestemd of mede bestemd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap; of</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:19</nr>
                <titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming
                                    van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid, onder a en
                                    b.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel>
          </kop>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Parkeerexcessen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:1</nr>
                <titel>Begripsbepalingen</titel>
              </kop>
              <al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                        van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen;</al></li>
                <li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990).</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:2</nr>
                <titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde
                                            lid bedoelde persoon.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 25 meter met als middelpunt een van
                                            deze voertuigen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:3</nr>
                <titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:4</nr>
                <titel>Defecte voertuigen</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:5</nr>
                <titel>Voertuigwrakken</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet milieubeheer .</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:6</nr>
                <titel>Kampeermiddelen e.a.</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen
                                            of te hebben op een door het college aangewezen weg,
                                            waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog
                                            op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of
                                            schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                            gemeente;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren,
                                            waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                            uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid, aanhef en onder a.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de
                                    Provinciale landschapsverordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:7</nr>
                <titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:8</nr>
                <titel>Parkeren van grote voertuigen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren binnen de bebouwde kom van de gemeente
                                    Ommen of op een door het college aangewezen plaats, waar dit
                                    naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                                    de gemeente.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                                    campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover
                                    deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                    de weg worden geplaatst of gehouden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:9</nr>
                <titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:10</nr>
                <titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:11</nr>
                <titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of
                                    plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                    groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Dit verbod is niet van toepassing: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>op de weg;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid; en</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:12</nr>
                <titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan openbare (brom-)fietsstallingsgebieden aanwijzen
                                    waar het, in het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                    gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter
                                    voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is
                                    een fiets of bromfiets langer dan een door het college te
                                    bepalen periode onafgebroken te laten staan.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Collecteren</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:13</nr>
                <titel>Inzameling van geld of goederen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Venten</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:14</nr>
                <titel>Begripsbepaling</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in
                                    de open lucht gelegen plaats of aan huis.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Onder venten wordt niet verstaan: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen in het kader van de
                                            exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van
                                            de Winkeltijdenwet;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op
                                            jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel
                                            5:22;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op een
                                            standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:15</nr>
                <titel>Ventverbod</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te
                                    venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 22.00 en 09.00
                                    uur.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:16</nr>
                <titel>Vrijheid van meningsuiting</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van
                                    toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken
                                    waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet .</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten
                                    van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de
                                    Grondwet verboden: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen;
                                            of</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>op door het college aangewezen dagen en uren.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede
                                    lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Standplaatsen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:17</nr>
                <titel>Begripsbepaling</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                    diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam,
                                    een wagen of een tafel.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Onder standplaats wordt niet verstaan: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld
                                            in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                            Gemeentewet;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                            2:24.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:18</nr>
                <titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs
                                            te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            voor een standplaats voor het verkopen van goederen een
                                            redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse
                                            in gevaar komt.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:19</nr>
                <titel>Toestemming rechthebbende</titel>
              </kop>
              <al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:20</nr>
                <titel>Afbakeningsbepalingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing
                                    op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                    wegenreglement.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet
                                    van toepassing op bouwwerken.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:21</nr>
                <titel>Aanhoudingsplicht</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen</al>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Snuffelmarkten</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:22</nr>
                <titel>Begripsbepaling</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:23</nr>
                <titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet .</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Openbaar water</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:24</nr>
                <titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan Het college.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid geldt is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht,
                                    de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                    Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:25</nr>
                <titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                            orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het
                                            aanzien van de gemeente;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                            vaartuigen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, een verordening
                                    provinciale vaarweg(en), de Omgevingsverordening
                                    Overijssel.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:26</nr>
                <titel>Aanwijzingen ligplaats</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, een verordening
                                    provinciale vaarweg(en), de Omgevingsverordening
                                    Overijssel.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:27</nr>
                <titel>Verbod innemen ligplaats</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:28</nr>
                <titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken,
                                    wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing,
                                    bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen,
                                    aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente
                                    in beheer zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, een verordening
                                    provinciale vaarweg(en) of de Omgevingsverordening
                                    Overijssel.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:29</nr>
                <titel>Reddingsmiddelen</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:30</nr>
                <titel>Veiligheid op het water</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, een
                                    verordening provinciale vaarweg(en) of Omgevingsverordening
                                    Overijssel.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:31</nr>
                <titel>Overlast aan vaartuigen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:31a</nr>
                <titel>Begripsbepalingen</titel>
              </kop>
              <al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
                                        1, onder z, van het Reglement verkeersregels en
                                        verkeerstekens 1990;</al></li>
                <li nr="b."><al>bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:32</nr>
                <titel>Crossterreinen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden;</al></li>
                  <li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                            het publiek.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit
                                    geluidproductie sportmotoren.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:33</nr>
                <titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>het voorkomen van overlast;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>de veiligheid van het publiek.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het verbod in het eerst lid is niet van toepassing op
                                    motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                            door de bevoegde minister aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                            bedoeld;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                            wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                            percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het
                                            eerste lid bedoeld;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van
                                    toepassing: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid
                                            bedoelde gebieden of terreinen;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                            'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien
                                            van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                            zijn aangewezen als 'toestel'.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Verbod vuur te stoken</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:34</nr>
                <titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                    omgeving, is het verbod niet van toepassing op: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </afdeling>
          <afdeling>
            <kop>
              <label>Afdeling</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Verstrooiing van as</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:35</nr>
                <titel>Begripsbepaling</titel>
              </kop>
              <al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:36</nr>
                <titel>Verboden plaatsen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Incidentele asverstrooiing is verboden op: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
                                        </al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op
                                    andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing
                                    plaatsvindt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:37</nr>
                <titel>Hinder of overlast</titel>
              </kop>
              <al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al>
            </artikel>
          </afdeling>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6:1</nr>
              <titel>Strafbepaling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde
                                en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en
                                beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
                                maanden of geldboete van de tweede categorie: artikel 2:1, 2:6, 2:9,
                                2:10, 2:12, 2:15, 2:16, 2:19, 2:20, 2:21, 2:23, 2:25, 2:26, 2:28,
                                2:29, 2:31, 2:32, 2:34 b t/m f, 2:39, 2:40, 2:41, 2:42, 2:42, 2:44,
                                2:48, 2:59, 2:73a, 2:74, 3:4, 3:5, 3:6, 3:7, 3:8, 3:9, 3:10, 3:11,
                                4:5, 4:9, 4:15, 5:2, 5:13, 5:15, 5:18, 5:19, 5:23, 5:24, 5:25, 5:26,
                                5:27, 5:28, 5:29, 5:30, 5:31, 5:32, 5:33, 5:34, 5:36, 5:37.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde
                                en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en
                                beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste
                                categorie: artikel 2:13, 2:14, 2:45, 2:46, 2:47, 2:49, 2:50, 2:51,
                                2:57, 2:58, 2:60, 2:61, 2:63, 2:64, 3:14, 3:15, 4:8, 5:4, 5:5, 5:6,
                                5:7, 5:8, 5:9, 5:10, 5:11, 5:12.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6:2</nr>
              <titel>Toezichthouders</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                                verordening bepaalde zijn belast: de persoon die is / de personen
                                die zijn benoemd in de functie van gemeentelijk
                                opsporingsambtenaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen
                                met dit toezicht belasten.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6:3</nr>
              <titel>Binnentreden woningen</titel>
            </kop>
            <al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6:4</nr>
              <titel>Intrekking oude verordening</titel>
            </kop>
            <al>De Algemene plaatselijke verordening Algemene Plaatselijke
                            Verordeninggemeente Ommen 2010 wordt ingetrokken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6:5</nr>
              <titel>Overgangsbepaling</titel>
            </kop>
            <al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent,
                            gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6:6</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand
                            volgende op die van de bekendmaking.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6:7</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            gemeente Ommen 2014.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting APV </titel>
        </kop>
        <tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</tussenkop>
        <al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Deze kunnen afwijken
                    van de definities opgenomen in artikel 1:1.</al>
        <tussenkop>Artikel 1:2 Beslistermijn</tussenkop>
        <al>Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgewerkt.
                    Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden
                    ingewonnen, vergen soms meer tijd. Verdaging van de beslistermijn biedt dan
                    uitkomst. Binnen die beslistermijn dient dan een besluit te worden genomen
                    (artikel 4:13 Algemene wet bestuursrecht of artikel 3.9 Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht). Blijft een besluit uit dan kan tegen het uitblijven van een
                    besluit bezwaar worden ingediend. Het bepaalde in dit artikel geldt niet voor de
                    beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4. Hiervoor is
                    in artikel 3:12 een afzonderlijke beslistermijn vastgelegd.</al>
        <tussenkop>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</tussenkop>
        <al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Met het oog op de vergunningen die niet
                    binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid
                    geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht
                    weken.</al>
        <al>Vanzelfsprekend kan ook een langere of kortere termijn worden vastgelegd. Als
                    een aanvraag echt veel te vroeg wordt gedaan en dan nog niet kan worden
                    beoordeeld, volstaat een gemotiveerde mededeling daarvan aan de aanvrager.</al>
        <tussenkop>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</tussenkop>
        <al>Dit artikel geeft de mogelijkheid van het verbinden van voorschriften en
                    beperkingen. Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen
                    te verbinden, kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden
                    aangebracht. Ofschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt
                    wordt gehuldigd dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in
                    beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die
                    vergunning/ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan,
                    verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke
                    twijfel aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in de
                    regeling, ter uitvoering waarvan vergunning of ontheffing wordt verleend.
                    Daarbij dient tevens - ten overvloede - te worden aangegeven dat die
                    voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in
                    verband waarmee het vereiste van vergunning/ontheffing is gesteld. Niet-nakoming
                    van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden zijn, kan grond
                    opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor toepassing van
                    andere administratieve sancties. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Europese Dienstenrichtlijn</cursief>Artikel 10 van de
                    Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd dienen te zijn op
                    criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op
                    willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir,
                    gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die
                    reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf
                    openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en
                    beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen.
                    Immers krachtens het eerste lid mogen deze slechts strekken tot bescherming van
                    het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is
                    vereist. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid
                    wordt verstaan: de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1:8. Op
                    grond van artikel 6:1 wordt het overtreden van aan een vergunning/ontheffing
                    verbonden voorschriften met straf bedreigd.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</tussenkop>
        <al>In artikel 1:5 is gekozen voor de persoonsgebondenheid van de vergunning of
                    ontheffing. Hiervan kan worden afgeweken door toevoeging van de zinsnede "tenzij
                    bij of krachtens deze verordening anders is bepaald." en expliciete vermelding
                    van het zakelijk karakter in de desbetreffende APV-bepaling of de vergunning of
                    ontheffing.</al>
        <al>Indien de vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                    rechtverkrijgende geldt, verdient het aanbeveling het voorschrift op te nemen
                    dat de houder ervan in geval van rechtsovergang verplicht is hiervan binnen twee
                    weken schriftelijk mededeling te doen aan het bevoegde orgaan, met vermelding
                    van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.
                    Aldus blijft het bevoegde orgaan op de hoogte van de feitelijke houder van de
                    vergunning of ontheffing.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                    ontheffing</tussenkop>
        <al>In dit artikel worden de gronden genoemd waarop een vergunning/ontheffing kan
                    worden ingetrokken respectievelijk waarop de daaraan verbonden voorschriften
                    kunnen worden gewijzigd. De in het eerste lid genoemde intrekkings- en
                    wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter ("kan"). Het hangt van de
                    omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet
                    iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de
                    administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. Met name het
                    rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid
                    tot wijziging en intrekking. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 1:7 Termijnen </tussenkop>
        <al>Dit artikel bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde
                    tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn dat
                    stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de
                    vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                    voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare
                    vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een
                    beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                    belang.</al>
        <al>Over punt b.: Uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in
                    beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen
                    logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt
                    grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe
                    aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare
                    vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en
                    onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen worden
                    georganiseerd.</al>
        <al>Over punt c: Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten
                    zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan
                    doorstaan.</al>
        <al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling. </al>
        <al>Zie voor de betekenis van 'een dwingende reden van algemeen belang' bij de
                    toelichting onder artikel 1:8. </al>
        <al>Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden
                    gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor
                    onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij
                    gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook
                    daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij
                    geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen
                    belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak
                    daarvoor ontbreekt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</tussenkop>
        <al>Vergunningstelsels zijn in de model-APV als volgt geformuleerd: een
                    verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning.
                    Vergunningstelsels kenden tot 2007 vervolgens een artikellid of –leden met
                    weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven wat
                    suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden
                    golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van deregulering en
                    vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden
                    gekeken. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid is ervoor gekozen
                    om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke
                    vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er
                    voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8
                    genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.</al>
        <al>Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de model-APV
                    zijn deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de
                    volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de
                    evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een
                    seksinrichting, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt.
                    Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn uitgezonderd,
                    zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt.</al>
        <al>Artikel 9 van de Richtlijn stelt eisen waaraan vergunningstelsels moeten
                    voldoen: 1. zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de
                    vergunning aanvraagt en 2. de behoefte aan een vergunningstelsel is
                    gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang en 3. het
                    nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt.
                    Met andere woorden: zij moeten voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid (2) en
                    evenredigheid (3).</al>
        <al>De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen
                    dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een
                    vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het
                    verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan
                    doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt.
                    Daarom is in deze verordening geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en
                    dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden.</al>
        <al>Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor
                    in de richtlijn. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdstuk 2. Openbare orde</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</tussenkop>
        <al>In het eerste lid zijn gedragingen aangegeven die door hun dreigende karakter
                    aanleiding kunnen zijn voor verstoring van de openbare orde. Aan de
                    politieambtenaar mag slechts een begrensde 'bevoegdheid' (tot het geven van
                    aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor
                    regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden
                    ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden
                    toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde
                    voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het
                    strafbare feit. </al>
        <al>De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van het bewezene. Indien de
                    rechter van oordeel is dat de politieambtenaar in zijn waardering van de
                    gedraging heeft misgetast, laat hij de desbetreffende strafbepaling buiten
                    toepassing. Het gaat hier om reeds bestaande politiebevoegdheden. Deze
                    bevoegdheid kan gestoeld worden op de artikelen 2 en 12 Politiewet. Artikel 2
                    draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde op,
                    waaronder blijkens artikel 12 de handhaving der openbare orde begrepen is. Deze
                    bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een
                    aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element vormt. </al>
        <al>De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en
                    186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De
                    sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling gegeven
                    politiebevel vindt plaats op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond
                    van artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk
                    bevel levert het strafbare feit.</al>
        <al>Er is een ontheffingsmogelijkheid om zicht te mogen begeven op afgezet terrein,
                    bijvoorbeeld voor eigenaren van op die terreinen staande huizen of gebouwen.
                    Samenscholingen die het karakter hebben van een betoging zijn in het vijfde lid
                    van de werking van dit artikel uitgezonderd.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 2. Betoging</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:2 Optochten (Vervallen)</tussenkop>
        <al>In 2006 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen
                    onder de evenementenbepaling (artikelen 2:25 en 2:26).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</tussenkop>
        <al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM). De onder lid 2 a tot en met f genoemde onderdelen van de
                    kennisgeving zijn essentieel voor de beoordeling door de burgemeester. Deze
                    bepaling behoeft geen nadere toelichting.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:4 Afwijking termijn</tussenkop>
        <al>Opgenomen in artikel 2:3, vijfde lid</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</tussenkop>
        <al>Opgenomen in artikel 2:3, tweede lid</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                    of afbeeldingen </tussenkop>
        <al>Gekozen is voor een opzet, waarbij de verspreiding is toegestaan behalve op of
                    aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Tevens biedt het
                    tweede lid de mogelijkheid om het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot
                    nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de
                    bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen.
                    Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig
                    gebruik maken dat er 'geen gebruik van enige betekenis' overblijft.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 4. Vertoning e.d. op de weg</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</tussenkop>
        <al>In 2006 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen
                    onder de evenementenbepaling (artikelen 2:25 en 2:26). Indien een evenement
                    wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van artikel 2:25, dan
                    hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel 2:7. Zie verder de
                    toelichting bij die artikelen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:8 Dienstverlening</tussenkop>
        <al>Het dienstverleningsartikel is geschrapt vanwege het streven naar vermindering
                    van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven
                    (deregulering).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:9 Ontheffing van het verbod optreden als
                    straatartiest</tussenkop>
        <al>Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is als straatartiest op te treden
                    zal doorgaans op initiatief van het college zelf gebeuren, en niet op aanvraag.
                    Mocht er wel een aanvraag aan de orde zijn, dan bestaan er geen duidelijke
                    bezwaren tegen een lex silencio positivo. Een ontheffing van het verbod zal
                    vaker op aanvraag gebeuren, maar ook een ambtshalve ontheffing zal voorkomen,
                    bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is
                    geen reden om van een lex silencio af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt op
                    het gehele artikel van toepassing verklaard.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg </tussenkop>
        <al>Voor de toepassing van dit artikel moet onder andere gedacht worden aan het
                    plaatsen of hebben van containers, meubilair ten behoeve van terrassen
                    (bloembakken) en dergelijke. Ook het plaatsen van inboedels op de weg in het
                    kader van ontruiming van woningen valt hier onder. In het kader van de
                    deregulering en de vermindering van administratieve lasten is bekeken of de
                    vergunningplicht in dit artikel kan vervallen. Dat is een discussie met vele
                    kanten, en voor diverse oplossingen valt iets te zeggen. Wij kiezen ervoor om
                    een breed gestelde algemene regel op te nemen in plaats van een
                    vergunningsstelsel. Hiermee wordt gekozen voor het bieden van meer ruimte aan
                    burger en bedrijfsleven.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</tussenkop>
        <al>Het motief dat aan deze bepaling ten grondslag ligt is de behoefte om aan de
                    genoemde activiteiten voorschriften te verbinden in het belang van de
                    bruikbaarheid en veiligheid van de weg. De vergunningplicht geldt voor wegen die
                    feitelijk voor het openbare verkeer openstaan, dus in beginsel ook als
                    dergelijke wegen zogenaamde 'eigen wegen' zijn.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</tussenkop>
        <al>Uit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat de
                    eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de
                    jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld
                    in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de
                    instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Ten einde de bruikbaarheid van
                    de weg te waarborgen is het toegestaan een melding te eisen en via voorschriften
                    de wijze waarop wordt uitgeweegd te regelen. Daarmee komt de bepaling niet in
                    strijd met de Wegenwet. Deze wet houdt o.a. een regeling in ter zake van de
                    onderhoudsplicht van wegen en ziet niet toe op de bescherming van de
                    bruikbaarheid ervan. Een weigeringsgrond die in het belang van de
                    verkeersveiligheid is gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet.
                    Hetzelfde geldt ten aanzien van de weigeringsgrond die in het belang van de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt gesteld en de
                    weigeringsgrond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 6. Veiligheid op de weg</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</tussenkop>
        <al>Artikel 2:13 bevat de mogelijkheid tot het stellen van een verbod om tijdens
                    vriezend weer een gevaarlijke situatie te laten ontstaan. Als voorbeeld valt te
                    noemen het wassen van de auto op de openbare weg bij vriezend weer, waardoor
                    plaatselijk een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan. Omdat deze
                    verbodsbepaling in de praktijk als niet handhaafbaar wordt beschouwd is het
                    artikel komen te vervallen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</tussenkop>
        <al>Dit artikel tracht het 'zwerfkarrenprobleem' enigszins te verkleinen door de
                    winkelbedrijven te verplichten de door de consument gebruikte en achtergelaten
                    winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een
                    herkenningsteken aan te brengen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp</tussenkop>
        <al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kunnen burgemeester en wethouders in het
                    uiterste geval overgaan om de bomen of beplanting, met toepassing van
                    bestuursdwang, te verwijderen of te snoeien.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</tussenkop>
        <al>Het komt regelmatig voor, dat bijvoorbeeld deksels van rioolputten worden
                    verwijderd. Dit artikel biedt een basis voor optreden tegen dergelijke
                    daden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.</tussenkop>
        <al>Dit artikel is komen te vervallen omdat het niks toevoegt aan artikel 427, onder
                    1 en 3 , Wetboek van Strafrecht de eigenaar wordt verplicht tot het treffen van
                    de nodige voorzorgmaatregelen met betrekking tot kelderingangen en toegangen tot
                    onderaardse ruimten ten behoeve van de veiligheid van voorbijgangers.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</tussenkop>
        <al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                    eigendommen tegen te gaan. Het verbod geldt in elk geval in de periode dat door
                    de veiligheidsregio waar Ommen onderdeel van uitmaakt code oranje of rood is
                    afgekondigd. Aanvullend kan het college een periode bepalen waarin een
                    rookverbod van kracht is. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de
                    gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen,
                    niet meer mogelijk is. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</tussenkop>
        <al>De noodzaak tot dit artikel vervalt door de huidige opbouw van artikel
                    2:10.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</tussenkop>
        <al>De noodzaak tot dit artikel vervalt door de huidige opbouw van artikel
                    2:10.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</tussenkop>
        <al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt.</al>
        <al>Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige
                    artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer
                    de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of
                    de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</tussenkop>
        <al>Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen
                    een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften
                    opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij
                    kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten
                    gebouwen.</al>
        <al>Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan
                    bevat artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze
                    bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met
                    bestuursdwang recht te kunnen zetten. Wel moeten de voorschriften, bijvoorbeeld
                    de hoogte van toe te laten gebouwen, i.c. twee meter, uit bestemmingsplan en APV
                    op elkaar afgestemd zijn.</al>
        <al>Vanwege het gevaarsaspect is bepaald dat de Lex Silencio Positivo niet van
                    toepassing is op de ontheffing bedoeld in het tweede lid.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 7. Evenementen</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:24 Begripsbepaling </tussenkop>
        <al>In artikel 2:24 is gekozen voor de zogenaamde negatieve benaderingsmethode ten
                    aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen
                    geldend criterium ('namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak') wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de
                    werking van de bepalingen valt. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:25 Evenement</tussenkop>
        <al>Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk,
                    controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare
                    orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d.
                    Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de
                    gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het
                    evenement toegesneden voorwaarden.</al>
        <al>In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding. Het is
                    dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen. Het
                    blijft verboden om zonder melding zo’n evenement te houden, zodat de gemeente
                    kan optreden als zonder deze melding de barbecue en/of straatfeest wordt
                    georganiseerd. Locaties waar barbecues/straatfeesten kunnen worden gehouden,
                    zijn: parken, plantsoenen, pleintjes, grasveldjes, sportveldjes, e.d. Voor het
                    houden van een straatfeest of barbecue is impliciet lawaai toegestaan. Muziek
                    omvat zowel onversterkte als versterkte muziek omdat beide vormen van geluid
                    onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor buurtbewoners. Er is voor gekozen
                    dat het tussen 23.00 uur en 07.00 uur stil moet zijn. Uiteraard kan de gemeente
                    afwijkende tijdstippen kiezen.</al>
        <al>Bij toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn is het een vereiste om de
                    meldingplichtige een ontvangstbevestiging te sturen. Daarin wordt vermeld dat
                    het evenement mag plaats vinden, indien de burgemeester niet binnen een bepaalde
                    termijn reageert.</al>
        <al>Kleinere evenementen zijn vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op
                    grotere evenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien
                    de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook
                    vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid,
                    aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een
                    inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende
                    dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare
                    veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf
                    4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:26 Ordeverstoring</tussenkop>
        <al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:27 Begripsbepaling</tussenkop>
        <al>In plaats van de term "horecabedrijf" wordt nu de term "openbare inrichting"
                    gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk
                    met "horecabedrijf" alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan
                    om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de
                    zogenaamde "natte horeca". De bepalingen in de APV betreffen juist ook de
                    bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde "droge
                    horeca": tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting</tussenkop>
        <al>Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door
                    de burgemeester verleend. In het kader van deregulering en vermindering van
                    administratieve lasten is in 2009 bekeken of het
                    horeca-exploitatievergunningstelsel in de model-APV gehandhaafd of geschrapt
                    moet worden. Ommen heeft ervoor gekozen de horeca-exploitatievergunning te
                    behouden omdat zij van mening is dat deze vergunning noodzakelijk is voor het
                    handhaven van de openbare orde, maar alleen voor inrichtingen die niet tevens
                    vergunningplichtig zijn op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet, dit
                    in verband met de Bibob-toets, en wel vergunningplichtig zijn op grond van
                    artikel 3 van de Drank- en Horecawet en die voor ernstige overlast hebben
                    gezorgd. Bedrijven die géén ernstige overlast veroorzaken krijgen een
                    vrijstelling van de horeca-exploitatievergunningplicht.</al>
        <al>De Europese Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet
                    discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is. De richtlijn is van toepassing
                    op horeca. Het drijven van een horecaonderneming is immers het verrichten van
                    een dienst aan de klant. Voor wat betreft de noodzakelijkheid moet een gemeente
                    afwegen of er dwingende redenen van algemeen belang zijn die een
                    vergunningstelsel rechtvaardigen. </al>
        <al>De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich
                    verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in
                    welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate
                    de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen
                    aantasten. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:29 Sluitingstijden</tussenkop>
        <al>Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149
                    Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor horecabedrijven
                    vaststellen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van
                    overlast, het beschermen van het woon en leefklimaat e.d. </al>
        <al>De gemeente Ommen heeft in overleg met de gemeente Dalfsen afspraken gemaakt om
                    te komen tot enige afstemming wat de sluitingstijden van horecabedrijven
                    betreft. Een en ander heeft geleid tot de volgende algemene lijn, dat voor het
                    weekend, met name de nacht van vrijdag op zaterdag en zaterdag op zondag, een
                    sluitingstijd van 02.00 uur zou gaan gelden, met een ‘uitloopuur’ tot 04.00 uur.
                    Dit betekent, dat de bedrijven na 02.00 uur geen nieuwe bezoekers meer mogen
                    toelaten en dat de bedrijven om 04.00 uur leeg dienen te zijn. Achterliggende
                    gedachte van het uitloopuur is, dat niet in een keer alle bezoekers van
                    horecabedrijven op straat komen, zodat de daarmee gepaard gaande overlast
                    afneemt. Voor horecabedrijven waar geen alcoholhoudende dranken mogen worden
                    verstrekt (bijvoorbeeld shoarmazaken) geldt eveneens een sluitingstijd van 04.00
                    uur, met dien verstande dat deze tot 04.00 uur bezoekers mogen toelaten. Deze
                    uitzonderingspositie voor alcoholvrije bedrijven is ingegeven door het feit, dat
                    deze bedrijven veelal veel inkomsten halen uit, zo niet in hoge mate afhankelijk
                    zijn van de bezoekers van cafés, die na hun bezoek aan die bedrijven nog even
                    iets willen eten. Als de sluitingstijden van dergelijke horecabedrijven gelijk
                    zouden zijn aan die van de cafés, dan zouden deze bedrijven, zo luidt de
                    redenering, veel inkomsten missen. In afwijking van de in het eerste en tweede
                    lid genoemde sluitingstijden, kan de burgemeester andere sluitingstijden
                    vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf. Dat kan zowel neerkomen op een
                    verruiming van de openingstijden, als op een beperking. Het tweede lid ad b.
                    regelt dat de terrassen een uur eerder dan de sluitingstijd dicht moeten. Dit
                    komt omdat de terrassen relatief meer overlast veroorzaken. Ook is het op de
                    terrassen moeilijker te controleren of er geen nieuwe bezoekers meer bij komen.
                    De bedoeling is dan ook om het publiek een uur voor sluitingstijd binnen te
                    hebben.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</tussenkop>
        <al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn
                    gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft
                    een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook
                    tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt
                    de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden
                    of tot tijdelijke sluiting.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</tussenkop>
        <al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat
                    zich in zijn algemeenheid lid a en b tot bezoekers richt. Lid c richt zich tot
                    de exploitant.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</tussenkop>
        <al>Dit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés
                    regelmatig gestolen goed wordt verhandeld. Artikel 2:32 sluit aan op het in
                    artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de
                    kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.</al>
        <al>Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de
                    handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149
                    Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154
                    Gemeentewet.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan</tussenkop>
        <al>Het begrip "openbare inrichting" als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op
                    inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de
                    Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde
                    bestuursorgaan. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:34a Begripsbepaling</tussenkop>
        <al>De begripsbepalingen uit de DHW werken door in de op de DHW gebaseerde
                    regelgeving. Ter verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen,
                    waaruit tevens blijkt dat deze begripsomschrijvingen enkel voor afdeling 8A
                    gelden. Het gaat om de volgende begripsomschrijvingen.</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>
              <cursief>alcoholhoudende drank</cursief>: de drank die bij een
                            temperatuur van twintig graden Celsius voor meer dan een half
                            volumeprocent uit alcohol bestaat.</al></li>
          <li nr="b."><al>
              <cursief>horecabedrijf</cursief>: de activiteit in ieder geval bestaande
                            uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van
                            alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. In afdeling 8 van de
                            model-APV (toezicht op openbare inrichtingen) wordt de term
                            horecabedrijf niet gebruikt, maar de term openbare inrichting. Uit de
                            definitie in artikel 2:27 van de model-APV blijkt dat onder openbare
                            inrichtingen niet alleen horecabedrijven als bedoeld in de DHW vallen,
                            maar ook bedrijven waar alleen alcoholvrije drank wordt geschonken, of
                            rookwaar voor gebruik ter plaatse wordt versterkt (coffeeshops), of
                            zwak-alcoholhoudende drank om mee te nemen wordt verkocht (snackbars en
                            dergelijke). Op de horecabedrijven in de zin van de DHW is dus zowel
                            afdeling 8 als afdeling 8A van de model-APV van toepassing.</al></li>
          <li nr="c."><al>
              <cursief>horecalokaliteit</cursief>: een van een afsluitbare toegang
                            voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het
                            horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het
                            verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.</al></li>
          <li nr="d."><al>
              <cursief>inrichting</cursief>: de lokaliteiten waarin het
                            slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij
                            behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn
                            voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse,
                            welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere
                            besloten ruimte.</al></li>
          <li nr="e."><al>
              <cursief>paracommerciële rechtspersoon</cursief>: een rechtspersoon niet
                            zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte
                            aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve,
                            sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of
                            godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een
                            horecabedrijf.</al></li>
          <li nr="f."><al>
              <cursief>sterke drank</cursief>: de drank, die bij een temperatuur van
                            twintig graden Celsius voor vijftien of meer volumenprocenten uit
                            alcohol bestaat, met uitzondering van wijn.</al></li>
          <li nr="g."><al>
              <cursief>slijtersbedrijf</cursief>: de activiteit bestaande uit het
                            bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van
                            sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard
                            gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren
                            verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik
                            elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij
                            algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen.</al></li>
          <li nr="h."><al>
              <cursief>zwak-alcoholhoudende drank</cursief>: alcoholhoudende drank,
                            met uitzondering van sterke drank.</al><al/></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen</tussenkop>
        <al>Artikel 4 van de DHW verplicht gemeenten ter voorkoming van oneerlijke
                    mededinging regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te
                    houden hebben wanneer zij alcoholhoudende drank verstrekken. Op grond van
                    artikel 4, eerste lid en derde lid, onder a, van de DHW moet geregeld worden
                    gedurende welke tijden in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank mag
                    worden verstrekt. Met andere woorden, de schenktijden voor alcoholhoudende
                    dranken moeten geregeld worden. Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid,
                    onder b en c, van de DHW moeten regels gesteld worden met betrekking tot door
                    paracommerciële rechtspersonen in de inrichting te houden bijeenkomsten van
                    persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of
                    niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon
                    betrokken zijn. Uiteraard alleen voor zover er tijdens deze bijeenkomsten
                    alcoholhoudende drank wordt verstrekt door de paracommerciële
                    rechtspersoon.</al>
        <tussenkop>Lid 3</tussenkop>
        <al>Het gaat hierbij om paracommerciële instellingen die vakanties verzorgen voor
                    mensen die hulpbehoevend zijn en daardoor extra zorg nodig hebben. Hierbij kan
                    onder andere gedacht worden aan mensen met een lichamelijke beperking/handicap
                    of ouderen die dementerend zijn.</al>
        <tussenkop>Lid 5</tussenkop>
        <al>Het gaat hier om bijeenkomsten waarbij alcohol geschonken wordt. Bijeenkomsten
                    waarbij geen alcohol wordt geschonken vallen niet onder deze bepaling.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:34c Beperkingen voor horeca- en slijtersbedrijven</tussenkop>
        <al>Gereserveerd</al>
        <al>Van de verordenende bevoegdheden uit het artikel 25a DHW wordt voorgesteld om
                    hier geen gebruik van te maken in de gemeente Ommen. Het betreft het
                    verbieden/beperken van de verkoop van alcoholhoudende drank (naar aard, delen,
                    tijdsruimte) in horecabedrijven tijdens bepaalde feestelijkheden en evenementen.
                    Het opnemen van dit artikel is afhankelijk van de plaatselijke situatie. Het
                    artikel heeft een “stedelijk karakter”. Er zijn in Ommen geen specifiek gebied-
                    of evenementgebonden alcoholgerelateerde problemen. Dit artikel is gereserveerd
                    voor het geval er in de toekomst wel behoefte aan is.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden</tussenkop>
        <al>Gereserveerd</al>
        <al>Deze bepaling is gebaseerd op artikel 25b van de DHW. Op grond van dat artikel
                    kan bij verordening de toegang van jongeren tot horecalokaliteiten en terrassen
                    gereguleerd worden. Overeenkomstig artikel 25b, eerste lid, van de DHW is het
                    aan gemeenten om te bepalen waar de leeftijdsgrens wordt gelegd, deze mag echter
                    niet hoger zijn dan 21 jaar.</al>
        <al>Op dit moment bestaat er geen noodzaak om dit artikel in de verordening op te
                    nemen. Dit artikel is om die reden gereserveerd voor het geval er in de toekomst
                    wel behoefte aan is.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan
                    slijtersbedrijven</tussenkop>
        <al>Gereserveerd</al>
        <al>Van de verordenende bevoegdheden uit het artikel 25c DHW wordt voorgesteld om
                    hier geen gebruik van te maken in de gemeente Ommen. Het betreft het
                    verbieden/beperken van de verkoop van alcoholhoudende drank (naar aard, delen,
                    tijdsruimte) in slijterijen, bedrijven en winkels zoals supermarkten en
                    snackbars tijdens bepaalde feestelijkheden en evenementen. Het opnemen van dit
                    artikel is afhankelijk van de plaatselijke situatie. Het artikel heeft een
                    “stedelijk karakter”. Er zijn in Ommen geen specifiek gebied- of
                    evenementgebonden alcoholgerelateerde problemen. Dit artikel is gereserveerd
                    voor het geval er in de toekomst wel behoefte aan is.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:34f Verbod happy hours</tussenkop>
        <al>Gereserveerd</al>
        <al>Op dit moment is er geen sprake van happy hours in de horeca. Het landelijke
                    standpunt van de Koninklijke Horeca Nederland is geen happy hours toestaan in de
                    horeca. Het streven is om geen onnodige regels te stellen. Mocht in de toekomst
                    blijken dat happy hours wel worden toegepast in de horeca dan kan dit artikel
                    alsnog worden ingevoegd.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                    nachtverblijf</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:35 Begripsbepaling</tussenkop>
        <al>Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek
                    van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan
                    personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van
                    een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van
                    kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</tussenkop>
        <al>Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                    overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en
                    kampeerinrichtingen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:37 Nachtregister</tussenkop>
        <al>De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de
                    inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</tussenkop>
        <al>Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te
                    verstrekken. Een dergelijke aanvulling van het Wetboek van strafrecht bij
                    plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht: HR 10 april
                    1979, NJ 1979, 442.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</tussenkop>
        <al>De vergunningplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2:39 vormt een aanvulling op de Wet op de kansspelen, met als oogmerk
                    het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Oogmerk van de
                    wet is het beteugelen van de speelzucht, het beschermen van jongeren en
                    sociaal-kwetsbare personen, en het tegengaan van illegaal aanbod en daarmee
                    verbonden criminaliteit zoals fraude. Speelautomatenhallen vallen niet onder de
                    bepaling. </al>
        <al>Vast beleid binnen de gemeente Ommen is dat geen mogelijkheid wordt geboden voor
                    het vestigen van een speelautomatenhal. Dat bestaande beleid is nu vastgelegd in
                    de verordening.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:40: Kansspelautomaten </tussenkop>
        <al>Gemeenten zijn op grond van de Wet op de kansspelen verplicht in een verordening
                    het maximaal aantal speelautomaten per inrichting vast te leggen, met dien
                    verstande dat er in laagdrempelige inrichtingen geen kansspelautomaten mogen
                    worden toegestaan en in hoogdrempelige inrichtingen twee kansspelautomaten
                    moeten worden toegestaan. Vastgelegd is, dat per inrichting maximaal twee
                    automaten zijn toegestaan.</al>
        <al>In het eerste lid staan enkele begripsomschrijvingen. Tenzij hieronder
                    aangegeven behoeven deze geen nadere toelichting.</al>
        <al>
          <vet>Samengestelde inrichtingen</vet>Het CBB heeft in enkele uitspraken
                    begin 2002 opnieuw een lijn uitgezet over wanneer er sprake is van hoog- of
                    laagdrempelige inrichtingen en van samengestelde inrichtingen. Uit deze
                    uitspraken van het CBB is een stappenplan af te leiden, dat dient te worden
                    doorlopen bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een
                    hoogdrempelige inrichting. </al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>Bij één afgesloten ruimte.</al></li>
          <li nr="1."><al>is er een vergunning volgens de Drank- en Horecawet?</al></li>
          <li nr="2."><al>staat het café- en restaurantbezoek op zichzelf?</al></li>
          <li nr="3."><al>zijn de activiteiten in belangrijke mate gericht op personen ouder dan
                            18?</al></li>
        </lijst>
        <al>Is aan alle vereisten voldaan dan is er sprake van een hoogdrempelige
                    inrichting, waarin twee kansspelautomaten zijn toegestaan. Is aan een van de
                    eisen niet voldaan, dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting. </al>
        <lijst>
          <li nr="b."><al>Bij meerdere ruimten in een gebouw.</al></li>
          <li nr="1."><al>is er sprake van een afzonderlijke horecalokaliteit in het gebouw, dan
                            wel van meerdere lokaliteiten waarin het horecabedrijf wordt
                            uitgeoefend, die tezamen een besloten ruimte vormen binnen het
                            gebouw?</al></li>
          <li nr="2."><al>wordt voor de afzonderlijke horecalokaliteit, dan wel voor het geheel
                            van de lokaliteiten die tezamen de horeca-inrichting vormen, voldaan aan
                            de stappen onder A?</al></li>
        </lijst>
        <al>Is aan alle eisen voldaan, dan is er sprake van een hoogdrempelige inrichting. </al>
        <lijst>
          <li nr="c."><al>Bij een horecalokaliteit in de zin van artikel 1 lid 1 van de Drank- en
                            Horecawet binnen een laagdrempelige horeca-inrichting.</al></li>
          <li nr="1."><al>worden de stappen genoemd onder A bevestigend beantwoord?</al></li>
          <li nr="2."><al>zo nee: er is geen sprake van een hoogdrempelige inrichting.</al></li>
          <li nr="3."><al>zo ja: zijn de overige ruimten van de laagdrempelige inrichting mogelijk
                            door het publiek te bereiken via deze horecalokaliteit? (artikel 30c lid
                            4 Wet op de Kansspelen).</al></li>
          <li nr="4."><al>zo ja: er is géén sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van
                            de Wet op de Kansspelen, kansspelautomaten zijn niet toegestaan</al></li>
          <li nr="5."><al>zo nee: er is sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de
                            Wet op de Kansspelen.</al><al/></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</tussenkop>
        <al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Het is aan
                    te raden om voor de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de
                    verzegeling reeds verbroken een strafbepaling overeenkomstig het eerste lid van
                    artikel 2:41 op te nemen, waarin een sanctie wordt gesteld op overtreding van
                    het verbod.</al>
        <al>Het tweede lid is gewijzigd naar aanleiding van de wetswijziging artikel 13b
                    Opiumwet. Deze maakt het nu mogelijk om ook tegen de handel in drugs vanuit
                    woningen of niet voor het publiek toegankelijke lokalen, plus bijbehorende erven
                    op te treden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:42 Plakken en kladden</tussenkop>
        <al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term 'bekladden' ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al>
        <al>In het tweede lid gaat het om het aanbrengen van aanplakbiljetten op een
                    onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van
                    gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en
                    met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</al>
        <al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt
                    op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod
                    krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit
                    middel van bekendmaking meebrengt, voor zover door dat gebruik een anders recht
                    wordt geschonden. De eis dat 'plakken' slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid. Ingevolge het bepaalde in het vierde lid geldt het plakverbod niet
                    voor het aanbrengen van meningsuitingen op door burgemeester en wethouders
                    aangewezen aanplakborden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</tussenkop>
        <al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid van de bepaling dient aldus te
                    worden verstaan dat de omstandigheid dat de in het eerste lid genoemde stoffen
                    en voorwerpen niet waren bestemd of gebezigd voor handelingen, welke ingevolge
                    de voorgaande bepaling zijn verboden, een rechtvaardigheidsgrond oplevert.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</tussenkop>
        <al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen</tussenkop>
        <al>Dit artikel beoogt winkeldiefstal te bemoeilijken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</tussenkop>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</tussenkop>
        <al>Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van
                    wegen. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Het verbod
                    heeft slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden.
                    Die beperking is opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten.
                    Verder wordt hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt
                    betreden.</al>
        <al>Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in
                    niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende
                    groenstroken, wordt geregeld in artikel 5:11 (aantasting groenvoorzieningen door
                    voertuigen).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</tussenkop>
        <al>Op basis van artikel 2:47 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast
                    worden opgetreden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</tussenkop>
        <al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald gebied alcoholhoudende
                    drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij
                    zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken
                    van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond
                    van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats
                    waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</tussenkop>
        <al>Op basis van artikel 2:49 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast
                    worden opgetreden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                    ruimten</tussenkop>
        <al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord
                    'ruimte' gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip
                    'weg'.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</tussenkop>
        <al>In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast. Het neerzetten van
                    fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de eigenaren van de voertuigen
                    worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen
                    veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:51 geeft de
                    mogelijkheid hiertegen op te treden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                    e.d.</tussenkop>
        <al>In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen worden besmeurd,
                    nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein
                    worden kenbaar gemaakt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:53 Bespieden van personen</tussenkop>
        <al>Het artikel is komen te vervallen omdat de huidige wetgeving voldoende
                    mogelijkheden biedt het bespieden van personen als ongewenste verstoring van de
                    privacy te verbieden. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:56 Alarminstallaties</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:57 Loslopende honden</tussenkop>
        <al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden in twee situaties: op de weg,
                    zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. In het
                    bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: de bescherming van de
                    verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht,
                    het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden, het voorkomen van
                    hinder voor voetgangers, het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van
                    speelweiden, zandbakken, e.d.), het voorkomen van schade en dierenleed, die
                    worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name
                    schapen en kippen naar het leven staan.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</tussenkop>
        <al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid,
                    vandaar deze verbodsbepaling. De strafbaarheid wordt opgeheven indien de
                    uitwerpselen direct worden verwijderd. Al zal de handhaving (betrapping op
                    heterdaad) moeilijkheden opleveren, men mag hopen dat er op den duur preventieve
                    invloed van deze bepaling uit zal gaan ter inperking van het onfatsoen van
                    hondenbezitters.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</tussenkop>
        <al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid,
                    vandaar deze verbodsbepaling. De strafbaarheid wordt opgeheven indien de
                    uitwerpselen direct worden verwijderd. Al zal de handhaving (betrapping op
                    heterdaad) moeilijkheden opleveren, men mag hopen dat er op den duur preventieve
                    invloed van deze bepaling uit zal gaan ter inperking van het onfatsoen van
                    hondenbezitters.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                    dieren</tussenkop>
        <al>Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare
                    gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor
                    de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te
                    wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade
                    voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het college bij een aanwijzing
                    die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij
                    nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie
                    van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:61 Wilde dieren </tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:62 Loslopend vee</tussenkop>
        <al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Om zoveel mogelijk te voorkomen,
                    dat er verkeersongelukken plaatsvinden doordat een paard, een koe of een ander
                    dier uit het weiland is gebroken, is dit verbod op zijn plaats.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:63 Duiven</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:64 Bijen</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:65 Bedelarij</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van
                    goederen</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:66 Begripsbepaling handelaar</tussenkop>
        <al>Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste
                    lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van
                    dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                    Strafrecht, KB 06-01-1992). Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren:
                    opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud,
                    zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen,
                    bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en
                    apparatuur voor automatische registratie. Onder “handelaren in gebruikte en
                    ongeregelde goederen” worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan.
                    Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Art 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister</tussenkop>
        <al>In het artikel is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij
                    te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen
                    als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling
                    toegevoegd. De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de
                    handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen
                    hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting
                    wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort
                    goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn. In
                    artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze van
                    aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een
                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en
                    daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde
                    verkoopregister.</al>
        <al>Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is
                    aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het
                    inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het
                    inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het
                    opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven. Net als het
                    inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register
                    is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens
                    naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van
                    latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is
                    geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten
                    vertonen en moet chronologisch zijn.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                    Strafrecht</tussenkop>
        <al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor
                    heling beogen te voorkomen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</tussenkop>
        <al>Vervallen want is onderdeel artikel 2:68.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</tussenkop>
        <al>Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven en is
                    genummerd artikel 2:32.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 13 Vuurwerk</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:71 Begripsbepaling</tussenkop>
        <al>Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te
                    voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de
                    Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</al>
        <al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al>
        <tussenkop>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling</tussenkop>
        <al>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk
                    tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                            particulier (artikel 2.3.2 lid 1);</al></li>
          <li nr="-"><al>dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat
                            als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag
                            geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen
                            dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2);</al></li>
          <li nr="-"><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3);</al></li>
          <li nr="-"><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4);</al></li>
          <li nr="-"><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel
                            2.3.5);</al></li>
          <li nr="-"><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6).</al><al/></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                    verkoopdagen</tussenkop>
        <al>Op basis van artikel 2:72 van de APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk
                    tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Ter bevordering van
                    de deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de model-APV zijn in
                    mei 2007 twee artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1:7 bepaalt dat de
                    vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene
                    weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd. Zie voor
                    meer informatie de toelichting bij de betreffende artikelen. </al>
        <al>Gezien de veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans
                    met zich meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche is er van afgezien
                    om hier een lex silencio positivo in te voeren.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling</tussenkop>
        <al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Dit artikel geeft het college de
                    bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk
                    altijd verboden is.</al>
        <al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:73a Carbid</tussenkop>
        <al>In dit artikel is, in lid 1, een algemeen verbod voor carbidschieten opgenomen.
                    In lid 2 is een aantal voorwaarden vermeld, waaronder de verbodsbepaling niet
                    geldt. Wordt aan één van deze voorwaarden niet voldaan, dan geldt automatisch de
                    verbodsbepaling (waarvan dan ook geen ontheffing of dergelijke mogelijk is). De
                    voorwaarden onder a t/m c zijn gericht op de veiligheid van deelnemers en
                    omstanders. Voorwaarde d beoogt te voorkomen dat op andere dagen van het jaar
                    dan 31 december met carbid wordt geschoten.</al>
        <al>Omdat in het verleden geen maximale inhoudsmaat werd genoemd, is het gebruik
                    geworden dat op een aantal locaties vaten worden gebruikt met een grotere inhoud
                    dan 50 liter. Omdat we dit niet willen verbieden is in lid 3 een meldingsplicht
                    opgenomen. De melding moet worden ingediend voor 1 december van dat jaar. De
                    burgemeester kan aan het gebruik voorschriften verbinden, zoals bijvoorbeeld in
                    acht te nemen afstanden tot publiek, de schietrichting en het aanbrengen van
                    linten/afscheidingen. Het artikel is zodanig geredigeerd dat, indien niet wordt
                    voldaan aan de door de burgemeester gestelde voorschriften, het verbod om te
                    schieten met grotere vaten dan 50 liter, blijft gelden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 14 Drugsoverlast</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</tussenkop>
        <al>Op grond van dit artikel kan worden opgetreden tegen straathandel in drugs. Om
                    niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage ‘onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet’ opgenomen. Deze bepaling heeft een ander motief dan de
                    Opiumwet, namelijk de voorkoming van aantasting van de openbare orde.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                    cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</tussenkop>
        <al>Artikel 2:75 is gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a van de
                    Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij
                    grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te
                    houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats
                    van ophouding is hieronder begrepen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop>
        <al>Op grond van deze bepaling kan de burgemeester overeenkomstig artikel 151b van
                    de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met
                    inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Het fouilleren van
                    personen binnen een veiligheidsrisicogebied is hieronder begrepen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop>
        <al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen
                    de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten
                    hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de
                    bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen
                    omkleed.</al>
        <al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat. Het
                    kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand binnengaan of
                    verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken als
                    belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n
                    pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n
                    pand zijn.</al>
        <al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te
                    gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen
                    camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en
                    effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot
                    bovendien hun veiligheid.</al>
        <al>In artikel 151c lid 4 Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s
                    kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de
                    mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden
                    dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet
                    niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake
                    is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar
                    plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met
                    camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden
                    geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s
                    altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden
                    gesteld van de precieze opnametijden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
                    e.d.</tussenkop>
        <al/>
        <al>Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van
                    prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde
                    omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die
                    niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De
                    enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is dus via de APV.
                    Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet, maar - voor het betrekking heeft op prostitutie - tevens op artikel
                    151a Gemeentewet. Gemeenten kunnen sinds 1 oktober 2000, zijnde de datum waarop
                    het algemeen bordeelverbod is opgeheven, op grond van het nieuwe artikel 151a
                    van de Gemeentewet, bij verordening voorschriften stellen met betrekking tot het
                    bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen
                    met een derde tegen betaling. Een en ander is in hoofdstuk 3 geregeld. Het
                    gemeentelijk prostitutiebeleid is (mede) gebaseerd op de beleidsnotitie
                    ‘Opheffing bordeelverbod’ van mei 2000.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 1 Begripsbepalingen</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:1 Begripsomschrijving</tussenkop>
        <al>Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie in
                    artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                    taalkundige redenen zijn de termen “derde” en “betaling” uit de definitie in het
                    Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk “ander”
                    en “vergoeding”. Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze
                    verordening. Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in
                    deze definitie bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving
                    sluit aan bij het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken
                    gehanteerde definities. “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen
                    waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin
                    deze diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden
                    aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie
                    (alsof het bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer. In de
                    definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat dan
                    het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of een
                    voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich
                    niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of
                    gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking
                    voor het publiek toegankelijk is. Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen
                    zijn in deze omschrijving uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de
                    vraag of dit type inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te
                    voorkomen. Dit zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons,
                    seksbioscopen, seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze
                    begrippen behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf
                    worden niet alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin
                    prostitutie plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan
                    prostituees voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient
                    te worden verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter de
                    prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een
                    seksbioscoop is een inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van
                    erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele
                    apparatuur. Dit is in afwijking van een seksautomatenhal, waarin dergelijke
                    vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van
                    automaten en van een sekstheater, waarin deze vertoningen anders dan door middel
                    van audiovisuele apparatuur of automaten - met andere woorden “live” - worden
                    gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als het
                    sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van
                    erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café bijvoorbeeld, waarin
                    incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient derhalve niet als
                    “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter worden beschouwd
                    als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”),
                    waarvoor volgens artikel 2:25 vergunning van de burgemeester vereist is. Een
                    escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een
                    website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de
                    vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van
                    advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van
                    een combinatie van een seksinrichting en een escortservice. De omschrijving van
                    het begrip “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet. Ook in deze
                    begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van goederen in
                    casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die aanduiding
                    zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden aangemerkt.
                    Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van
                    toepassing. Een sekswinkel is geen “seksinrichting” als hierboven omschreven; de
                    exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3:4,
                    eerste lid. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</tussenkop>
        <al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van
                    raadsbesluiten (waaronder verordeningen) tenzij bij of krachtens de wet de
                    burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier voor: artikel 174
                    belast de burgemeester namelijk met 'het toezicht op de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven en met de uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking
                    hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht.</al>
        <al>In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt
                    als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het
                    publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden.
                    Als het echter niet gaat om seksinrichtingen in ‘gebouwen’, maar in andere
                    ruimten, dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd. Ook is het
                    college bevoegd als het gaat om escortbedrijven.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:3 Nadere regels</tussenkop>
        <al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. Artikel 3:3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid
                    als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn
                    de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij
                    van overeenkomstige toepassing.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                    dergelijke</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</tussenkop>
        <al>Uit het eerste lid vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht
                    voort. Het wijzigen van de seksinrichting valt eveneens onder de
                    vergunningplicht. Met het wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard
                    dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verandering van bouwkundige
                    aard, het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie en de naam van een of
                    meerdere exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt
                    met de feitelijke situatie.</al>
        <al>Het is mogelijk om, indien de lokale omstandigheden het wenselijk maken, voor
                    seksinrichtingen geografische gebieden aan te wijzen of uit te sluiten. Dit
                    beleid is in Ommen gewenst vanwege het belang van de openbare orde en van de
                    woon- en leefomgeving. De mogelijkheid om – met vergunning – een seksinrichting
                    te exploiteren, bestaat in verband daarmee uitsluitend in het gebied buiten de
                    bebouwde kom van Ommen of buiten de woonconcentraties van de kernen. Er is
                    bewust voor gekozen om deze inrichtingen te weren uit woonwijken of andere
                    gebieden die vanuit een oogpunt van woon- een leefomgeving ‘gevoelig’ zijn. Ook
                    is, om de exploitatie van seksinrichtingen te reguleren vanuit het belang van
                    openbare orde of van de woon- en leefomgeving, ervoor worden gekozen het aantal
                    vergunningen dat kan worden verleend aan een maximum van één te binden. Beoogd
                    wordt met het maximumbeleid een waardevolle bijdrage te leveren aan de
                    bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving in gebieden die
                    zijn uitgesloten voor het exploiteren van seksinrichtingen. In verband daarmee
                    wordt de vestiging van raamprostitutiebedrijven in het geheel niet
                    toegestaan.</al>
        <al>
          <vet>Lex silencio positivo</vet>Deze vergunning beschermt wezenlijke
                    belangen, met name de openbare orde en volksgezondheid. Het is hoogst
                    onwenselijk als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een
                    inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex
                    silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van
                    algemeen belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3.
                    Awb wordt niet van toepassing verklaard.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</tussenkop>
        <al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    'decriminaliseren' van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                    besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                    seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij
                    betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</al>
        <al>Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld
                    in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële
                    documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                    beheerder zijn vermeld in een aanvraag . (artikel 13 van het Besluit justitiële
                    gegevens).</al>
        <al>In artikel 3:5 wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden
                    nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en
                    het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. In
                    aanvulling zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het Wetboek
                    van Strafrecht (ter bescherming van de prostituee) en overtredingen van de
                    Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen (waarvan de relevantie is
                    gelegen in de bestrijding van mensenhandel) opgenomen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:6 Sluitingstijden</tussenkop>
        <al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van
                    de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare (waaronder
                    seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare orde of de woon-
                    en leefomgeving, ter voorkoming of beperking van overlast en dergelijke. Deze
                    bevoegdheid houdt evenzeer in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden
                    vastgesteld voor de zondag. De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling
                    maakt onderscheid tussen werkdagen en het weekeinde. De bepaling in het tweede
                    lid is opgenomen om de sluitingstijden gelijk te trekken aan die voor openbare
                    inrichtingen in Ommen, opgenomen in Artikel 2:29. Op maandag tot en met zaterdag
                    mogen op grond van het eerste lid na 02.00 uur geen bezoekers meer in de
                    inrichting worden toegelaten. Op grond van het tweede lid mogen bezoekers, die
                    voor 02.00 uur zijn binnengekomen, tot 04.00 uur in de inrichting verblijven.
                    Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde
                    lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met
                    toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                    gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het
                    derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of
                    beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering
                    verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat aan het opnemen van het derde
                    lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de bescherming van de aan de
                    eigendom verbonden rechten; het derde lid van artikel 3:6 strekt tot handhaving
                    van een publiekrechtelijke regeling.</al>
        <al>Een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:1 kan vergunningplichtig zijn op
                    grond van de Wet milieubeheer of vallen onder het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer (Stb. 1998, 322). Aan een krachtens de Wet
                    milieubeheer te verlenen vergunning kunnen eveneens voorschriften worden
                    verbonden ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De
                    sluitingsbepalingen van de APV gelden daarom niet voor zover de op de Wet
                    milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. De Wet milieubeheer
                    beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of beperking van gevaar,
                    schade of hinder die voortvloeit uit het in werking zijn van krachtens de Wet
                    milieubeheer aangewezen inrichtingen. De raad is niet bevoegd die regeling bij
                    verordening aan te vullen indien daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te
                    beschermen, en kan dus niet via de APV - aanvullend - gevaar, schade of hinder
                    tegengaan die wordt veroorzaakt door een krachtens de Wet milieubeheer
                    vergunningplichtige inrichting.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:7 Tijdelijk afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                    sluiting</tussenkop>
        <al>Ten opzichte van artikel 3:6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                    voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het 'reguliere' sluitingstijdenregime
                    is) biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te
                    wijken. Het bevoegd bestuursorgaan kan daartoe overgaan indien het dat
                    noodzakelijk acht in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving,
                    de voorkoming of beperking van overlast en dergelijke. De bevoegdheid tot het
                    tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als bedoeld in het eerste lid,
                    onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de gemeente gevestigde
                    seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de bevoegdheid genoemd in
                    artikel 3:7, tweede lid, die individueel gericht is. Tijdelijke sluiting (als
                    bedoeld in het eerste lid, onder b) kan daarentegen slechts van afzonderlijke
                    inrichtingen worden bevolen. Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting
                    te verblijven gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3:7,
                    derde lid), is in het tweede lid bepaald dat een krachtens het eerste lid
                    genomen besluit, behalve aan de betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt
                    bekendgemaakt. Dat kan op de door 3:42 Awb voorgeschreven wijze geschieden. Het
                    zichtbaar aanplakken van de geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient
                    aanbeveling.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</tussenkop>
        <al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet
                    slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod
                    opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in
                    verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede
                    lid (in ieder geval: het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie,
                    prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling,
                    geweldsdelicten en dergelijke). In de jurisprudentie is al eerder uitgemaakt,
                    dat de exploitant - uiteraard binnen redelijke grenzen - verantwoordelijk is
                    voor de gang van zaken. Dat wordt door deze toezichtverplichting, die ook geldt
                    voor de beheerder(s), nog eens onderstreept.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:9 Straatprostitutie</tussenkop>
        <al>In dit artikel wordt - conform hetgeen is vastgelegd in de eerder genoemde
                    beleidsnotitie, die in het jaar 2000 door het districts-/driehoeksoverleg van
                    het politiedistrict Midden is vastgesteld - zogenaamde straat- en
                    raamprostitutie, welke vormen tot nu toe niet voorkomen binnen de gemeente,
                    absoluut verboden. Uit het feit, dat deze vormen van prostitutie niet voorkwamen
                    is, in de beleidsnotitie, de gevolgtrekking gemaakt, dat er in Ommen geen markt
                    voor deze vormen van prostitutie is. Voorts is opgemerkt, dat toelating van deze
                    vormen ook niet gewenst zijn, omdat deze vorm (gelet op het open karakter
                    daarvan), meer dan de andere, meer verborgen vormen, inbreuk maakt op de rust en
                    orde binnen de gemeenten en eveneens een grotere aantasting opleveren van het
                    woon- en leefklimaat.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:10 Sekswinkels</tussenkop>
        <al>Zoals vermeld bij artikel 3:1, onder e, is ervoor gekozen sekswinkels niet onder
                    het 'seksinrichting'-begrip (en daarmee de vergunningplicht) te brengen. Ter
                    bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving is het echter
                    ongewenst sekswinkels toe te staan. Om die reden is een bepaling opgenomen dat
                    het vestigen van sekswinkels in de gemeente verboden is.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</tussenkop>
        <al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voor zover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 3 Beslistermijn: weigeringsgronden</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:12 Beslistermijn</tussenkop>
        <al>Deze beslistermijn wijkt af van de 'normale' Awb-termijn van acht weken. Reden
                    vormt de overweging, dat de voorbereiding op een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een prostitutiebedrijf complex van aard kan zijn.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</tussenkop>
        <al>Het eerste lid bevat de verplichte weigeringsgronden. Als deze gronden van
                    toepassing zijn moet de vergunning altijd worden geweigerd. Het tweede lid bevat
                    belangen, op grond waarvan de vergunning kan worden geweigerd. De hier genoemde
                    belangen vormen tezamen de 'huishouding', tot het regelen en besturen waarvan
                    gemeenten bevoegd zijn. De hier genoemde belangen moeten enerzijds worden
                    beschouwd als de grondslag voor (en begrenzing van) het gemeentelijk beleid en
                    anderzijds als handvatten om de (exploitatie van) prostitutie te reguleren en
                    beheersen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</tussenkop>
        <al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:15 Wijziging beheer</tussenkop>
        <al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te
                    kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in
                    het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun
                    werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week
                    na die feitelijke beëindiging moet kennis geven.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 5 Overgangsbepaling</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3:16 Overgangsbepaling</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:1 t/m 4:3 Collectieve en incidentele festiviteiten</tussenkop>
        <al>Deze artikelen vormen een uitwerking van het bepaalde in de voorschriften 2.21
                    en 4.113 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Daarin
                    is bepaald dat een aantal in het Besluit opgenomen geluidsvoorschriften, voor
                    zover de naleving hiervan redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van
                    toepassing zijn op dagen of delen van dagen in verband met de viering van:
                    festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen
                    (collectieve festiviteiten, artikel 4:2) en andere festiviteiten die plaats
                    vinden binnen de inrichting (incidentele festiviteiten, artikel 4:3), waarbij
                    het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of
                    delen van dagen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar. In
                    voorschrift 4.113 wordt hetzelfde bepaald ten aanzien van een voorschrift met
                    betrekking tot verlichting. Het aantal dagdelen voor collectieve festiviteiten
                    kan door de gemeente zelf worden vastgesteld. In dit geval is dit aantal bepaald
                    op maximaal twaalf per kalenderjaar. Gedacht kan hierbij worden aan bijvoorbeeld
                    muziekavonden die door de horeca worden georganiseerd, aan carnaval,
                    Koninginnedag, kermissen en bepaalde andere collectieve festiviteiten. Bepaald
                    is, dat burgemeester en wethouders in de aanwijzing kunnen bepalen dat de
                    aanwijzing slechts geldt in een of meerdere gedeelten van de gemeente. Logisch
                    is dan daarbij te bepalen, dat het maximale aantal van twaalf dagen ook geldt
                    per deel van de gemeente (bijvoorbeeld: er is een feestweek in één bepaalde
                    plaats binnen de gemeente; deze feestweek kan aangemerkt worden als een
                    collectieve festiviteit - een festiviteit die niet specifiek met één of een
                    klein aantal inrichtingen is verbonden - alleen voor die plaats; het is dan niet
                    logisch de betreffende dagen voor de hele gemeente aan te wijzen, maar slechts
                    voor die plaats; voor een andere plaats kunnen dan weer andere dagen worden
                    aangewezen). Bij incidentele activiteiten moet worden gedacht aan incidentele
                    festiviteiten, specifiek in een of een of een klein aantal inrichtingen (waarbij
                    bijvoorbeeld een band optreedt). Op grond van het bepaalde in het Besluit
                    horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer kunnen maximaal twaalf
                    dagdelen per kalenderjaar aanwijzen, waarop de betreffende voorschriften voor
                    een inrichting, bij incidentele festiviteiten, niet gelden. In deze bepaling is
                    het aantal dag(del)en voor dit doel maximaal 12, hetgeen in de praktijk (naast
                    de voor collectieve festiviteiten aangewezen dagen) ruimschoots voldoende blijkt
                    te zijn. Indien van een incidentele activiteit geen kennisgeving wordt gedaan,
                    zijn de gewone eisen van het Besluit van toepassing. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten</tussenkop>
        <al>Dit artikel is vervallen. De burgemeester heeft op grond van artikel 174
                    Gemeentewet de (autonome) bevoegdheid een incidentele festiviteit te verbieden
                    (openbare orde, woon- en leefmilieu). </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</tussenkop>
        <al>Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het Besluit
                    algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Het artikel is alleen gericht op
                    onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er
                    sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het
                    Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus.
                    Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f juncto vijfde lid, van
                    het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek
                    regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening. De geluidwaarden
                    kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. </al>
        <al>Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te
                    geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2
                    een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van
                    de geluidsniveaus. In artikel 2 wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier
                    worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van
                    oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</al>
        <al>De genoemde geluidsniveaus in het eerste lid onder tabel e zijn niet van
                    toepassing op; a. het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van
                    godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in
                    verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; b. het geluid
                    van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en
                    strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire
                    inrichtingen; c. het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door
                    militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een
                    maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:5a Traditioneel schieten</tussenkop>
        <al>Gereserveerd</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</tussenkop>
        <al>Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder met behulp van
                    toestellen of geluidsapparaten, waarin andere regelingen niet voorzien. Onder
                    andere valt te denken aan een niet permanente activiteit in een niet besloten
                    ruimte, zoals een kermis of een braderie, het door middel van luidsprekers op
                    voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen, het
                    gebruik van bouwmachines, en dergelijke. Van geval tot geval zal moeten worden
                    nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van
                    geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:6a Mosquito</tussenkop>
        <al>Artikel is gereserveerd. Mosquito os een apparaatjes dat een hinderlijke hoge
                    pieptoon veroorzaakt die alleen voor jongeren tot de leeftijd van ongeveer 25
                    jaar hoorbaar is. Vanwege de omstreden status van de mosquito verdient het
                    voorkeur om ingeval van toepassing een apart artikel in de APV op te nemen
                    waarbij de gemeente zich ontheffing geeft van het artikel 4:6 “overige
                    geluidhinder”.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:7 Straatvegen</tussenkop>
        <al>Dit artikel beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een
                    milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de
                    reinigingsdienst.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen toelichting. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                    en putten buiten gebouwen</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:10 Begripsbepalingen</tussenkop>
        <al>De begripsbepalingen spreken voor zich.</al>
        <al/>
        <tussenkop>4:11 Kapverbod</tussenkop>
        <al>De oude regeling uit het Bomenbeleidsplan 2012, waarbij er onderscheid is
                    gemaakt tussen een kapmelding en een kapvergunning en welke was bedoeld als een
                    deregulering bleek in de praktijk vaak de tegenovergestelde uitwerking te
                    hebben. Bomen waarvoor in eerste instantie een kapmelding is gedaan, bleken bij
                    nader beschouwing o.b.v. de criteria in het bomenbeleidsplan toch onder de
                    vergunningplicht te vallen, hetgeen resulteerde in een langere procedure en
                    extra administratieve kosten. In de praktijk blijkt een eenduidig criterium als
                    de stamomtrek genoemd in lid k voor iedereen goed hanteerbaar. Het risico van
                    een dubbele procedure (eerst kapmelding, en later alsnog een kapvergunning)
                    wordt hiermee voorkomen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:12 Aanvraag vergunning</tussenkop>
        <al>Aanvraag alleen door de of namens de eigenaar spreekt voor zich en kan hier
                    mogelijk worden weggelaten. Geschrapt is het voorheen 2<sup>e</sup> lid, dat
                    ontvangst van een melding tot voorgenomen velling i.h.k.v. de Boswet eveneens
                    als vergunningaanvraag wordt beschouwd. Reden hiervoor si dat deze verordening
                    niet van toepassing is op houtopstanden die op grond van de Boswet onder de
                    bevoegdheid vallen van het ministerie of per 1-1-2017 de provincie. Kan mogelijk
                    vervallen bomen welke onder bevoegdheid van de provincie vallen.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 4:12a Weigeringsgronden</cursief>
        </al>
        <al>Ten aanzien van de beoordeling blijft het door de raad vastgesteld
                    Bomenbeleidsplan met inbegrip van de daarbij behorende lijst van
                    beschermwaardige bomen en beplantingsstructuren van toepassing. Hierin is
                    vastgestelde hoe de criteria worden beoordeeld en gewogen. De bedoelde lijst is
                    dynamisch, d.w.z. er kunnen zonder afzonderlijk besluit van college of raad
                    bomen aan worden toegevoegd of afgehaald op grond van een (her-)beoordeling op
                    basis van de vastgestelde criteria.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 4:12b Bijzondere vergunningvoorschriften</cursief>
        </al>
        <al>Dit betreft de mogelijkheid van het verbinden van een herplantplicht als
                    voorwaarde aan de vergunning.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 4:12c Herplant-/instandhoudingsplicht</cursief>
        </al>
        <al>Dit betreft de mogelijkheid om na een geconstateerde overtreding van het
                    kapverbod een herplantplicht op te leggen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                    enz.</tussenkop>
        <al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten. Algemeen verbod
                    waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen</tussenkop>
        <al>Vervallen </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</tussenkop>
        <al>Volgens deze bepaling is het slechts verboden om reclame te maken op een wijze
                    dat daardoor gevaar ontstaat. Omdat de overlast van lichtreclames (zowel op de
                    gevel als in de etalage) groot kan zijn, is ook verlichte handelsreclame
                    genoemd. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:17 Begripsbepaling</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buit kampeerterrein</tussenkop>
        <al>Op 1 januari 2008 is de Wet Openlucht Recreatie vervallen. Na het vervallen van
                    deze wet is een kampeerbeleid opgesteld waarin de mogelijkheden worden vermeld
                    voor het kamperen buiten kampeerterreinen. De bepalingen vanuit het
                    kampeerbeleid worden betrokken in deze verordening door deze, vorige en volgende
                    bepaling.</al>
        <al>Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en milieu. Het zou hoogst
                    onwenselijk zijn als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan die toestaat
                    dat in een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt
                    om die reden niet van toepassing verklaard.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen </tussenkop>
        <al>Het college heeft in deze bepaling de bevoegdheid plaatsen aan te wijzen waar
                    gekampeerd mag worden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdstuk 5 Ander onderwerpen betreffende de huishouding van de
                    gemeente</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 1 Parkeerexcessen</tussenkop>
        <al>Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 kunnen verkeersbesluiten,
                    behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid van het verkeer,
                    ook genomen worden ter bescherming van de zogenaamde milieubelangen. Hierbij
                    moet gedacht worden aan maatregelen ter voorkoming of beperking van overlast,
                    hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of de functie van objecten
                    of gebieden ten gevolge van het verkeer. In artikel 2a van de Wegenverkeerswet
                    1994 is bepaald, dat (o.a.) gemeenten hun bevoegdheid behouden om bij
                    verordening (Wegsleepverordening gemeente Ommen 2004) regels vast te stellen ten
                    aanzien van het onderwerp waarin de Wegenverkeerswet 1994 voorziet, voor zover
                    die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde
                    regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.
                    Hierbij werd met name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen. Artikel 2a
                    geeft derhalve aan dat gemeenten bevoegd zijn om parkeerexcessenbepalingen vast
                    te stellen. Onder parkeerexcessen kan globaal worden verstaan: ieder excessief
                    parkeren op de weg, dus: - het parkeren op de weg is buitensporig met het oog op
                    de verdeling van de beschikbare parkeerruimte (aard van het voertuig, beoogde
                    doel van het parkeren of het aantal te parkeren voertuigen is excessief); - het
                    parkeren is onaanvaardbaar te achten om andere motieven, zoals het tegengaan van
                    aantasting van de openbare orde of veiligheid en de bescherming van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente (oneigenlijke aanvulling).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:1 Begripsbepaling</tussenkop>
        <al>Wat het begrip 'voertuigen' betreft is de definitie van dit begrip in artikel 1,
                    onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) 1990 tot
                    uitgangspunt genomen. Van dit begrip is in deze begripsomschrijving een aantal
                    categorieën uitgezonderd, omdat sommige bepalingen anders een te ruime strekking
                    zouden krijgen. Voertuigen in de zin van genoemd artikel zijn: fietsen,
                    bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor
                    kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. is een
                    uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking
                    krijgen. Fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen dus ook onder de
                    definitie van voertuigen. Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en
                    worden daarom als voertuig beschouwd.</al>
        <al>De omschrijving van het begrip 'parkeren' is ontleend aan artikel 1, onder ac,
                    van het RVV 1990, maar er is een ruimere werking beoogd dan in het RVV 1990. De
                    gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van
                    voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde
                    verbodsbepalingen blijven, namelijk het laten stilstaan voor onmiddellijk in- en
                    uitstappen van personen of laden en lossen van goederen. Anders dan het RVV 1990
                    richten de bepalingen van deze afdeling zich ook tot niet-bestuurders die
                    anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig, zodat de zinsnede 'het laten
                    stilstaan' een iets ruimere strekking heeft dan in de verkeerswetgeving
                    gebruikelijk is. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</tussenkop>
        <al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden. Het derde lid, onder a
                    beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van
                    garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als
                    stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Doordat het
                    verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van
                    (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor
                    persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn
                    gezinsleden mogelijk. (Zie het eerste lid, onder b).</al>
        <al>Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het
                    zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen
                    buiten de weg. De gemeente hanteert een straal van 25 meter.</al>
        <al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</tussenkop>
        <al>In dit artikel is gekozen is voor een constructie waarin het college de
                    bevoegdheid heeft gebieden aan te wijzen waar het in het eerste lid gestelde
                    verbod van kracht is. Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is van
                    overlast kan het verbod activeren. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</tussenkop>
        <al>Het excessieve is gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte
                    niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan
                    het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</tussenkop>
        <al>Een achtergelaten voertuigwrak geeft in de eerste plaats aanstoot, doordat het
                    een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar
                    in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of
                    hebben van een wrak is dus primair om die reden excessief. Daarnaast kan echter
                    ook het verkeersmotief (waarbij het excessieve is gelegen in het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het
                    voertuigwrak op de weg zet) een rol spelen bij het uitvaardigen van dit
                    verbod.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.</tussenkop>
        <al>Het excessieve is gelegen in het buitensporig gebruik van parkeerruimte dat
                    hiermee gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van het uiterlijk aanzien
                    van de gemeente.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</tussenkop>
        <al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meerdere voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de
                    weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame
                    in de zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de
                    naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte)
                    aanduiding van de goederen of diensten die dat pleegt aan te bieden. Deze
                    voertuigen worden immers niet primair gebruikt "met het kennelijke doel om
                    daarmee handelsreclame te maken", maar vooral als vervoermiddel. Het excessieve
                    is primair gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. In de tweede
                    plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van
                    ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</tussenkop>
        <al>Dit artikel bevat regels waarmee parkeren van grote voertuigen, voor zover dit
                    excessief is, kan worden tegengegaan. Op grond van het eerste lid bestaat de
                    mogelijkheid om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het
                    doen of laten staan van bepaalde voertuigen binnen de bebouwde kom tegen te
                    gaan. </al>
        <al>Het doen of laten staan van grote voertuigen kan op bepaalde plaatsen, zoals op
                    dorpspleinen, vóór monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke
                    plekjes in open landschappen, een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of
                    landschapsschoon betekenen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog
                    heeft. Het tweede lid beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van
                    grote voertuigen op de weg, omdat het gepaard gaat met een excessief gebruik van
                    de weg. De werking van dit in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge lid 3
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden, omdat dit de
                    belangen van met name handel en industrie te zeer zou schaden. In het vijfde lid
                    kan het college wegen aanwijzen waarvoor de in het eerste en tweede lid gestelde
                    verboden (tijdelijk) niet gelden. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</tussenkop>
        <al>Dit artikel bevat eveneens regels, waarmee parkeren van grote voertuigen, voor
                    zover dit excessief is, kan worden tegengegaan. Deze bepaling beoogt optreden
                    mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van vrachtwagens bij gebouwen,
                    waarvan bewoners of dagelijkse gebruikers van dat parkeren last kunnen
                    ondervinden (doordat de voertuigen het uitzicht belemmeren of bijvoorbeeld de
                    lichtinval belemmeren of stankoverlast en geluidhinder -bij starten en
                    warmdraaien - veroorzaken). De in het tweede lid opgenomen uitzondering ziet
                    bijvoorbeeld op (het parkeren van) hoogwerkers, meetwagens, en dergelijke. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                    stoffen</tussenkop>
        <al>Deze bepaling ziet op hinder en overlast die voor bewoners of gebruikers van
                    nabijgelegen gebouwen of terreinen kunnen ontstaan door het parkeren van
                    voertuigen met stankverspreidende stoffen. Het verbod geldt niet alleen voor 'de
                    weg', maar dus ook voor plaatsen buiten de weg.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</tussenkop>
        <al>Het is een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het rijden met en het
                    parkeren van voertuigen. Middels dit artikel wordt beoogd beschadiging van
                    groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te
                    verfraaien, te voorkomen. Het rijden/laten staan van genoemde voertuigen in/op
                    groenstroken en parken is derhalve verboden. Uiteraard is zulks niet verboden op
                    de weg, zoals in de wegenverkeerswetgeving bedoeld (zie het tweede lid, onder
                    a). </al>
        <al>Indien ook daar het rijden/staan verboden moeten worden, dient op grond van de
                    Wegenverkeerswet 1994 regulerend opgetreden te worden. Meestal zal een
                    groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel deel uit van de
                    "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Voor de berm gelden de
                    voorschriften bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 en dus niet onderhavige
                    APV-bepaling. Bewust is gekozen voor de bestanddelen "doen of laten staan" in
                    plaats van "parkeren", omdat ook het tot stilstand brengen van een auto
                    (bijvoorbeeld voor het laten in- en uitstappen) in een plantsoen beschadiging
                    van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt. Opgemerkt
                    mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige gevallen ook
                    zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht met
                    zich mee brengen. Bij de in lid 2, onder b. bedoelde voertuigen kan worden
                    gedacht aan voertuigen, in gebruik bij de politie of de brandweer, alsook bij de
                    gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld
                    onder c.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</tussenkop>
        <al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.
                    Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van
                    gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra
                    en dergelijke, terwijl daar in aanzet voldoende stallingmogelijkheden ter plekke
                    aanwezig zijn.</al>
        <al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in dit
                    artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar
                    het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de daarvoor bestemde ruimten
                    of plaatsen dan wel deze daar gedurende een langere aaneengesloten periode van 4
                    weken of meer te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in
                    overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming van schade
                    aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het
                    voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud
                    van (brom)fietsen een weg moeten banen.</al>
        <al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang.</al>
        <al>Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren wordt aan het publiek bekend
                    gemaakt, bijvoorbeeld door mededeling op de gemeentepagina van de plaatselijke
                    krant dat onjuist geplaatste of gedurende een te lange aaneengesloten periode
                    gestalde (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het raadzaam daarbij
                    aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald en hoe
                    hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 2 Collecteren</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</tussenkop>
        <al>Toezicht op inzamelingsacties door middel van een vergunningenstelsel is een
                    gemeentelijke taak. Het houden van een openbare inzameling wordt gebonden aan
                    een vergunning. Een inzameling wordt als openbaar aangemerkt als deze aan de
                    openbare weg of van daaraf zichtbaar dan wel op een andere voor het publiek
                    toegankelijke plek plaatsvindt. In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw
                    2000) dient bij de aanvraag om een vergunning voor (onder meer) collecteren een
                    verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden (verificatieplicht) voordat tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een dergelijke
                    beschikking een document te overleggen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.
                    Het komt veelvuldig voor, dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige
                    aanbieding van gedrukte stukken (zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier
                    e.d.), waarbij dan een beroep wordt gedaan op de charitatieve bestemming van de
                    opbrengst daarvan. Het verspreiden van gedrukte stukken valt onder artikel 7 van
                    de Grondwet en kan op zichzelf niet worden verbonden aan een vergunning. In het
                    tweede lid zijn daarom beide handelingen – het collecteren en het daarbij
                    aanbieden van gedrukte stukken - bewust van elkaar gescheiden. Collecteren kan
                    namelijk wel worden verbonden aan een vergunning. Uitsluitend het inzamelen,
                    niet het daarbij verspreiden van gedrukte stukken, is van een vergunning
                    afhankelijk. Behalve collectes vallen ook kledinginzamelingsacties en
                    verkoopacties voor een liefdadig of ideëel doel onder de reikwijdte van dit
                    artikel. De uitdrukking "in besloten kring" doelt op gevallen waarin tussen de
                    inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde
                    kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de
                    achtergrond vormt van de actie. Het begrip veronderstelt een nauwere band dan
                    alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal tevens moeten aangeven dat er
                    ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid met elkaar is. Dit zal niet het
                    geval zijn, indien de band tussen inzamelaar en "cliënt" uitsluitend wordt
                    gevonden in het gemeenschappelijk lidmaatschap van een grote organisatie als
                    bijvoorbeeld een kerkgenootschap, maar wel indien de actie bijvoorbeeld wordt
                    gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 3 Venten</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:14 Begripsbepaling</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:15 Ventverbod</tussenkop>
        <al>Gekozen is voor een algemene regel, waarbij het verboden is te venten als de
                    openbare orde wordt verstoord, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het
                    milieu in gevaar komen. De terminologie sluit aan bij de Europese
                    dienstenrichtlijn. Hieronder vallen de aloude motieven van overlast (in de
                    meeste gevallen) en verkeersveiligheid. </al>
        <al>Venten levert in de meeste gevallen geen overlast en dergelijke op. Een
                    vergunningenstelsel is daarom niet noodzakelijk en proportioneel. Overlast kan
                    ook achteraf worden aangepakt. Het risico van achteraf controleren is niet veel
                    groter dan van het vooraf vaststellen van de voorwaarden. Volgens de
                    Dienstenrichtlijn is een vergunning alleen proportioneel als een controle
                    achteraf onvoldoende is. Noodzakelijk zijn volgens de Dienstenrichtlijn die
                    beperkingen die nodig zijn vanwege een dwingende regel van algemeen belang (de
                    "rule of reason"). </al>
        <al>Deze omvat tenminste de volgende gronden: de openbare orde, openbare veiligheid
                    en volksgezondheid, waaronder onder meer - voor zover hier van belang - vallen:
                    handhaving van de maatschappelijke orde, bescherming van afnemers van diensten,
                    bescherming van kwetsbare volwassenen, consumentenbescherming, voorkoming van
                    fraude, voorkoming van oneerlijke concurrentie en verkeersveiligheid.</al>
        <al>In de praktijk is het noodzakelijk beleidsregels te formuleren in welke gevallen
                    sprake is van gevaar voor de in het artikel genoemde motieven (openbare orde,
                    openbare veiligheid en de volksgezondheid). Dergelijke beleidsregels moeten
                    bekend gemaakt worden. Ook beleidsregels moeten voldoen aan de "rule of reason"
                    van de Dienstenrichtlijn. Immers volgens artikel 4, van de Richtlijn vallen
                    onder de definitie van eisen die gesteld kunnen worden: elke verplichting,
                    verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de wettelijke een
                    bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Het tweede lid is bedoeld om te
                    voorkomen dat burgers op zondag of in de avonduren worden lastig gevallen door
                    venters.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting</tussenkop>
        <al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. Een afzonderlijk
                    probleem is het beoordelen of er in een concrete situatie sprake is van de
                    uitoefening van “een zelfstandig middel van bekendmaking” in de zin van artikel
                    7 van de Grondwet of dat er sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk,
                    waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van
                    handelsreclame wordt niet tot de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7,
                    vierde lid van de Grondwet.</al>
        <al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de
                    praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een
                    groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met prentbriefkaarten.
                    De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in het kader van een
                    commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte stukken
                    betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen
                    worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de
                    opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te
                    komen aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op
                    grond van overtreding van een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt
                    vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk.</al>
        <al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de
                    inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                    resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod. Wel kan de
                    verkoop van drukwerk in het belang van de openbare orde en veiligheid naar tijd
                    en plaats worden ingeperkt.</al>
        <al>
          <vet>Daklozenkrant</vet>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch
                    collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet
                    verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van
                    artikel 2:6. Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een
                    supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient
                    aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen
                    vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De
                    verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de
                    koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers
                    zijn.</al>
        <al>Er is voor gekozen hier wel een lex silencio positivo op te nemen. De vrijheid
                    van meningsuiting is een zaak van belang, en het zou niet wenselijk zijn als de
                    overheid hier door niet te beslissen de zaak in het onzekere zou laten. De
                    gemeenteraad kan hier een andere afweging maken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 4 Standplaatsen</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:17 Begripsbepaling</tussenkop>
        <al>Artikel 5:17 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen.
                    Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf
                    een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van
                    het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit
                    gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de
                    openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de
                    standplaatshouder niet.</al>
        <al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het
                    innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis
                    van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. Degene die
                    op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats wil innemen zal zich
                    moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze zijn in de
                    marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is niet nodig,
                    omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen worden ingenomen
                    in de open lucht.</al>
        <al>Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning
                    krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25
                    van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een
                    standplaats niet van toepassing zijn.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</tussenkop>
        <al>Wij achten een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig
                    ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de
                    openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden
                    aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast
                    door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:6). Een vergunning
                    wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7). Indien de
                    gemeente de vergunning met het oog op de verdeling van standplaatsen aan een
                    termijn wil verbinden, dan is het zaak te motiveren waarom dit noodzakelijk is
                    in het belang van onder meer de openbare orde, overlast en de verkeersveiligheid
                    en milieu. </al>
        <al>Voor het aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen vergunning worden
                    geëist. Het wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een
                    vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden
                    aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte
                    stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt
                    ingenomen. Dus het gaat hier om een standplaatsvergunning.</al>
        <al>De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn
                    gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende
                    bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren.
                    Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening,
                    zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat
                    bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een
                    standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het
                    bestemmingsplan voortvloeien. Als het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse
                    niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt
                    verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het
                    bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringsgrond opgenomen. De weigeringsgrond kan ook gehanteerd worden indien
                    een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het
                    straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen
                    verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van
                    monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college
                    bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. </al>
        <al>Het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau kan, indien het
                    voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar
                    komt, als weigeringsgrond worden gehanteerd. Wil een gemeente op basis hiervan
                    een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de
                    boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in
                    gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al>
        <al>Het kan in het belang van de openbare orde zijn om het aantal te verlenen
                    vergunningen aan een maximum te binden. Bij het vaststellen van een maximum
                    aantal vergunningen, eventueel uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche,
                    moet rekening gehouden worden met het aantal reeds afgegeven vergunningen.</al>
        <al>Iedere aanvraag tot het innemen van een standplaats moet afzonderlijk beoordeeld
                    worden. Aan de hand van de in de APV vastgestelde weigeringsgronden en het aan
                    de hand hiervan geformuleerde beleid moet een afweging plaatsvinden of de
                    aangevraagde standplaatsvergunning verstrekt kan worden.</al>
        <al>Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10
                    van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op
                    criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                    zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                    belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Zie ook artikel 1:4 en de toelichting bij dit artikel.</al>
        <al>De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden
                    van winkels en het leveren van goederen aan particulieren. De bepalingen uit de
                    Winkeltijdenwet gelden ook voor de verkoop van goederen vanaf een standplaats.
                    Dit is dus op zon- en feestdagen in beginsel niet toegestaan, maar het college
                    van burgemeester en wethouders kunnen ontheffing of vrijstelling verlenen voor
                    zon- en feestdagen. </al>
        <al>Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet
                    (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere dan van
                    tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de
                    Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede
                    hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met
                    betrekking tot de hygiëne en degelijkheid van producten. Met betrekking tot het
                    toezicht op de naleving van de bepalingen van de Warenwet is een afzonderlijk
                    regime van toepassing. De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden
                    naast de voorschriften die door het college gesteld kunnen worden op basis van
                    een standplaatsvergunning.</al>
        <al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen
                    die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen
                    gelden ook voor een standplaatshouder, voor zover zijn verkoopplek als
                    “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de regelgeving die geldt voor
                    bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan
                    bepaalde voorwaarden moeten voldoen. </al>
        <al>Voor het innemen van een standplaats op de openbare weg is een vergunning
                    vereist. In veel gevallen zal de gemeente de eigenaar of rechthebbende van de
                    openbare weg zijn. Op grond hiervan kan de gemeente van degene die op de
                    openbare weg met vergunning een standplaats inneemt een vergoeding bedingen voor
                    het gebruik van het deel van de openbare weg. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</tussenkop>
        <al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                    standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt.
                    Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die
                    zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 5 Snuffelmarkten </tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:22 Begripsbepaling</tussenkop>
        <al>De laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten
                    organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar
                    “ongeregelde” zaken verkocht. Bij “ongeregelde” zaken kan met name worden
                    gedacht aan incourante goederen, dat wil zeggen goederen, die in de regel niet
                    meer langs normale handelskanalen het publiek bereiken, zoals bij voorbeeld
                    beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn, restanten en zaken van
                    een te liquideren onderneming.</al>
        <al>Van de snuffelmarkt te onderscheiden zijn: - de weekmarkt in de zin van artikel
                    160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet - De jaarmarkt in de zin
                    van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet - Evenement:
                    de zogenaamde snuffelmarkten worden gehouden in een gebouw of plaats. Indien het
                    betreft braderieën, vrijmarkten op Koninginnedag of vlooienmarkten in de
                    openbare ruimte, is deze paragraaf niet van toepassing, maar is er sprake van
                    een evenement, dat al dan niet vergunningplichtig is op grond van artikel
                    2:25.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</tussenkop>
        <al>De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt kunnen een
                    uitstralende werking hebben buiten het gebouw. Het houden van een snuffelmarkt
                    is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te worden aangetast en overlast
                    (milieu in de zin van de Dienstenrichtlijn) te verwachten is. In het belang van
                    deze motieven is de vergunningplicht gehandhaafd. De gemeente kan het aantal
                    snuffelmarkten beperken.</al>
        <al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op zowel het vergunningstelsel
                    als het meldingsstelsel voor een snuffelmarkt. Het artikel richt zich immers tot
                    de organisator en deze is een dienstverlener in de zin van de richtlijn. Voorts
                    komt het voor dat er diensten worden aangeboden op de standplaatsen,
                    bijvoorbeeld schoenpoetsers, nagelverzorging, kappers e.d.</al>
        <al>De weigeringsgronden voor een snuffelmarktvergunning zijn de generieke zoals
                    genoemd in artikel 1:8. Als het organiseren van een snuffelmarkt niet in
                    overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, wordt deze weigeringsgrond
                    ingeroepen voor die gevallen waarin de snuffelmarkt frequent plaats vindt. Wordt
                    de snuffelmarkt incidenteel georganiseerd, dan wordt het organiseren ervan niet
                    verboden op deze grond. Strijd met het bestemmingsplan kan bijvoorbeeld
                    voorkomen als een gebouw een agrarische of industriebestemming heeft.</al>
        <al>De Winkeltijdenwet is op het houden van een vrije markt van toepassing als de
                    markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit is afhankelijk van de aard van de op
                    de markt ontplooide activiteiten, of er geregelde of ongeregelde goederen worden
                    verkocht en de frequentie waarmee de markt gehouden wordt.</al>
        <al>Nu aan de verlening of weigering van de vergunning een relatief eenvoudige
                    afweging ten grondslag ligt en de gevolgen van een snuffelmarkt doorgaans
                    beperkt zullen zijn, zijn er geen dwingende redenen van algemeen belang aanwezig
                    om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt op het
                    artikel van toepassing verklaard.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 6 Openbaar water</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</tussenkop>
        <al>Dit artikel is bedoeld om de openbare wateren, waarop niet de in het vierde lid
                    bedoelde regelgeving van toepassing is, te vrijwaren van activiteiten die het
                    gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. Dit wordt
                    gereguleerd middels een meldingsplicht.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</tussenkop>
        <al>Om niet in strijd te komen met artikel 88 van de Huisvestingswet (dat bepaalt
                    dat de gemeenteraad geen regels mag stellen die leiden tot een algeheel verbod
                    van het in gebruik nemen of geven van een woonschip of een ligplaats) mag een
                    aanwijzingsbesluit krachtens lid 1 niet de gehele gemeente omvatten. Er moet in
                    iedere gemeente met openbaar water een mogelijkheid zijn om met een woonschip
                    binnen de gemeente een ligplaats in te nemen. Via de algemeen werkende
                    voorschriften, gegeven krachtens lid 2, onder a, is het mogelijk om bijvoorbeeld
                    aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben, eisen te
                    stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de
                    drinkwatervoorziening et cetera.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:26 Aanwijzing ligplaats</tussenkop>
        <al>Naast de algemene voorschriften die krachtens artikel 5:25, tweede lid, kunnen
                    worden uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan
                    een individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt
                    daarvoor de grondslag. Het gaat niet om voorschriften, te verbinden aan een
                    vergunning, maar om zelfstandige aanwijzingen. Het ligt voor de hand deze
                    aanwijzingen in de vorm van een schriftelijke beschikking te gieten. Tegen een
                    dergelijke aanwijzing is bezwaar en beroep mogelijk op grond van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</tussenkop>
        <al>Dit artikel maakt optreden mogelijk, wanneer in strijd wordt gehandeld met de
                    krachtens artikel 5:25, lid 2, gestelde regels en een krachtens artikel 5:26
                    gegeven aanwijzing.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</tussenkop>
        <al>Deze bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn
                    bij de gemeente.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:29 Reddingswerken</tussenkop>
        <al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</tussenkop>
        <al>De beide in het tweede lid genoemde regelingen bepalen aan welke verkeersregels
                    de schippers van vaartuigen zich hebben te houden. Deze regelingen zijn dus
                    uitsluitend gericht op de gebruikers van vaartuigen en niet op de overige
                    gebruikers van het openbaar water. Artikel 5:30 betekent een eigenlijke
                    aanvulling op deze regelingen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                    natuurgebieden </tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:3a Begripsbepalingen</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:32 Crossterreinen</tussenkop>
        <al>Op het houden van wedstrijden met auto's, motoren en dergelijke op "de weg" is
                    de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing. Dit artikel 5:32 heeft betrekking op
                    dergelijke activiteiten buiten de weg. Als er sprake is van speciaal daarvoor
                    ingerichte terreinen, dan vallen die doorgaans onder de Wet milieubeheer,
                    waarvoor een vergunning op basis van die wet vereist is (zie categorie 19.1,
                    onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer: inrichtingen
                    of terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het
                    gebruiken van: bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of
                    vaartuigen in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor
                    recreatieve doeleinden). Is de Wet milieubeheer van toepassing, dan is artikel
                    5:32 niet van toepassing. Artikel 5:32 is van belang voor die terreinen die niet
                    behoren tot de terreinen die genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het
                    Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Het in lid 4 genoemde Besluit
                    geluidsproductie sportmotoren geldt specifiek voor sportmotoren (vaststelling
                    maximum geluiddrukniveau en een verbod om sportmotoren te gebruiken buiten
                    daarvoor speciaal aangewezen terreinen). Artikel 5:32 is bedoeld om op te kunnen
                    treden tegen niet-sportmotoren en idem bromfietsen (met kenteken).</al>
        <al/>
        <tussenkop>5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</tussenkop>
        <al>Vele gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van
                    motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder,
                    schade aan de flora, verstoring van wild e.d. Verder worden natuurgebieden,
                    parken e.d. steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Op
                    grond van het eerste lid van deze bepaling geldt een algeheel verbod om zich met
                    motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te bevinden. Het
                    college kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar dit verbod niet
                    geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze terreinen. In het
                    derde lid zijn uitzonderingen op dit verbod opgenomen, bijvoorbeeld voor
                    motorvoertuigen van hulpverleningsdiensten. Het verbod geldt niet voor wegen als
                    bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, ook al liggen die in die natuurgebieden.
                    Voor wegen dient een en ander via een verkeersbesluit te worden geregeld.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 8 Verbod vuur te stoken</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                    anderszins vuur te stoken</tussenkop>
        <al>Vuren in de open lucht raken de veiligheid van personen en goederen. Voorts
                    levert dit verbrandingsstoffen op die de gezondheid van de mens kunnen
                    beïnvloeden en een bedreiging vormen voor flora en fauna. De meeste vuren worden
                    gevoed met afvalstoffen. Deze stoffen dienen op grond van de milieuwetgeving
                    afgevoerd en opgeruimd te worden. Voor het verbranden daarvan in de open lucht
                    is derhalve geen ruimte. De vuren die onder deze bepaling vallen zullen in de
                    regel kleine vuren zijn op het eigen erf. Gelet op de bebouwings- en
                    bevolkingsdichtheid en de aanwezige natuurwaarden zal er meestal sprake zijn van
                    verstoring van het woon- en leefklimaat, van overlast voor mens en dier en van
                    aantasting van flora en fauna door rook, roet, stof, walm en stank. Een
                    uitzondering is opgenomen voor vuur voor verlichting (fakkels e.d.), en voor
                    vuur om te koken (m.n. voor barbecues). Aan de ontheffing kunnen bijvoorbeeld
                    voorschriften worden verbonden betreffende het te stoken materiaal, de afstand
                    tot het mogelijk toeschouwende publiek, de aanwezigheid van eerste hulp
                    materialen en deskundigen, de aanwezigheid van blusmaterialen, het verwijderen
                    en het afvoeren van as en andere verbrandingsresten, en dergelijke. In het
                    vijfde lid is de afstemming met andere regelingen vastgelegd.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afdeling 9 Verstrooiing van as</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:35 Begripsbepaling</tussenkop>
        <al>Volgens de Wet op de lijkbezorging kunnen verstrooiingen door of op last van de
                    houder van een crematorium of de houder van een plaats van bijzetting alleen
                    plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd. Ook blijft de
                    mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</tussenkop>
        <al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol
                    op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen
                    voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke
                    overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden
                    en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet
                    waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen
                    als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen
                    wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.</al>
        <al>Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent
                    voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een
                    begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke
                    begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een
                    en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit
                    van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de
                    begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin
                    verstorend kunnen werken.</al>
        <al>De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van
                    terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om
                    incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. Onder “volgende
                    plaatsen” kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd, plaatsen invullen waarvan zij
                    zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder begrepen
                    het openbare water of delen daarvan.</al>
        <al>Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                    evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien.
                    Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die
                    gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te
                    onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</al>
        <al>Dit soort ontheffingen zijn zeldzaam en er zijn doorgaans emoties van
                    nabestaanden in het geding. Het is daarom mogelijk en wenselijk dat er snel en
                    tijdig wordt beslist. Om die reden is ervoor gekozen hier wel een lex silencio
                    positivo op te nemen. De gemeenteraad kan hier een andere afweging maken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5:37 Hinder of overlast</tussenkop>
        <al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten. Ook tot enige tijd na de verstrooiing
                    kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor aangegeven wijze, hinder opleveren voor
                    omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit
                    kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze
                    eerder in de bodem wordt opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het
                    verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties
                    denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het publiek. Overigens is uit de
                    toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging van 26 maart 1998 af
                    te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder
                    oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft de
                    wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met
                    incidentele verstrooiing.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 6:1 Strafbepaling</tussenkop>
        <al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 380 en
                    van de tweede categorie € 3800. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter
                    die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens
                    van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op
                    grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de
                    verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 3 (artikel
                    23, tweede lid, WvSr). De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten
                    op overtreding van verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede
                    categorie. De gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening
                    onderscheid te maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de
                    eerste dan wel van de tweede categorie op staat. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 6:2 Toezichthouders</tussenkop>
        <al>In hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat bij of krachtens
                    wettelijk voorschrift personen aangewezen kunnen worden die belast zijn met het
                    toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften. Vastgelegd is, over welke
                    bevoegdheden aangewezen toezichthouders beschikken (bijvoorbeeld plaatsen
                    betreden, met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner,
                    inlichtingen vorderen en inzage in zakelijke gegevens). De aanwijzing van
                    toezichthouders kan derhalve in de APV zelf plaatsvinden. In het eerste lid
                    gebeurt dit voor de als gemeentelijk opsporingsambtenaar benoemde
                    functionaris(sen). Aanwijzing van deze functionaris(sen) in de APV zelf is
                    noodzakelijk, omdat deze functionaris(sen) tevens opsporingsbevoegdheid
                    heeft/hebben. Op basis van artikel 142, lid 1, sub c, van het Wetboek van
                    Strafrecht hebben namelijk opsporingsbevoegdheid personen die bij (dus: in de
                    verordening zelf) zijn belast met het toezicht op de naleving van die
                    verordening, een en ander voor zover het die feiten betreft en die personen zijn
                    beëdigd (namelijk: als buitengewoon opsporingsambtenaar, door de
                    procureur-generaal). Daarnaast kunnen, op basis van het tweede lid,
                    toezichthouders (die dus niet tevens opsporingsbevoegdheid hebben) door het
                    college van burgemeester en wethouders dan wel de burgemeester worden
                    aangewezen. Deze bevoegdheid vloeit voort uit de artikelen 160 en 174 van de
                    Gemeentewet, waarin het college respectievelijk de burgemeester zijn belast met
                    de uitvoering van gemeentelijke verordeningen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</tussenkop>
        <al>Artikel 149a Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij autonome
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij de
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6.3 is gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. </al>
        <al>Voor een aantal bepalingen in de APV wordt de bevoegdheid om een woning zonder
                    toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan de bijzondere
                    wet, waarop deze bepalingen zijn gebaseerd. Het betreft artikel 2:3 inzake
                    betogingen, dat steunt op artikel 4 van de Wet openbare manifestaties (in
                    artikel 8 van die wet wordt de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen en
                    andere plaatsen geregeld), de APV artikelen 2:67 tot en met 2:68 en de op de
                    artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht gebaseerde gemeentelijke
                    helingsvoorschriften (artikel 552 van dat wetboek bepaalt dat de in artikel 141
                    bedoelde opsporingsambtenaren - dus niet buitengewone opsporingsambtenaren –
                    toegang hebben tot elke plaats waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij
                    door een van de daar genoemde ondernemers worden gebruikt; dit geldt zowel voor
                    toezicht als opsporing). In de Algemene wet op het binnentreden zijn
                    vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een woning wil betreden in acht
                    moet nemen. Zo dienen zij bijvoorbeeld te beschikken over een schriftelijke
                    machtiging. In artikel 3 van de wet wordt aangegeven wie een dergelijke
                    machtiging kunnen afgeven: de procureur-generaal bij het gerechtshof en de
                    (hulp)officier van justitie hebben een algemene bevoegdheid hiertoe. Hiernaast
                    kan ook de burgemeester bevoegd zijn machtigingen te verlenen. Dit is het geval
                    indien het binnentreden in de woning in een ander doel is gelegen dan in het
                    kader van de strafvordering (bijvoorbeeld bij woningontruimingen). In artikel
                    5:27 van de Algemene wet bestuursrecht is voor het binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang een andere
                    regeling opgenomen. De bevoegdheid tot het afgeven van de machtiging is daar -
                    met uitsluiting van de in de Algemene wet op het binnentreden genoemde
                    functionarissen - bij hetzelfde bestuursorgaan gelegd dat de bestuursdwang
                    toepast. Het betreden van andere gebouwen (dan woningen) en terreinen in het
                    kader van toezicht is geregeld in artikel 5:15 van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 6:4 Intrekking oude verordening</tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding en tegelijkertijd de intrekking van
                    andere verordeningen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</tussenkop>
        <al>De noodzaak van sanering van oude (op de in te trekken verordeningen, zie
                    artikel 6.4, tweede lid, gebaseerde) vergunningen, voorschriften en beperkingen,
                    nadere regels en aanwijzingsbesluiten wordt niet over de hele linie op korte
                    termijn aanwezig geacht. Daarom is ervoor gekozen deze hun gelding te laten
                    behouden. In gevallen, waar de noodzaak wel aanwezig is (bijvoorbeeld: er zijn,
                    op hetzelfde artikel van de APV gebaseerde, verschillende nadere regels
                    vastgesteld in de oude gemeenten) is het uiteraard wel zaak spoedig tot
                    harmonisering te komen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 6:6 Inwerkingtreding</tussenkop>
        <al>Dit Artikel behoeft geen nadere toelichting.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 6:7 Citeertitel</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>