<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>321083_8</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening (Apv) 2014 (6e wijziging/versie
                7)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-06-23</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Officiele bekendmakingen, d.d. 6 juni
                2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening (Apv) 2014 (6e wijziging/versie
                7)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 4, eerste en derde lid, van de
                Drank- en horecawet, de artikelen 147, 149, 149a, 151b, 151c, 154, en 156, eerste
                lid, van de Gemeentewet, artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                artikel 6 van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen, artikel 10:23, eerste
                lid van de Wet milieubeheer en titel Va van de Wet op de kansspelen; </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>algemeen</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-05-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-06-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 2:38, art. 2:57, art. 2:58, art. 2:59 en art.
                4:11</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>32-2016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Apeldoorn;</al><al></al><al>gelezen het raadsvoorstel d.d. , nummer 70-2015;</al><al></al><al>gelet op artikel 4, eerste en derde lid, van de Drank- en horecawet, de
                        artikelen 147, 149, 149a, 151b, 151c, 154, en 156, eerste lid, van de
                        Gemeentewet, artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                        artikel 6 van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen, artikel 10:23,
                        eerste lid van de Wet milieubeheer en titel Va van de Wet op de kansspelen;
                    </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><enig-artikel><al>Algemene plaatselijke verordening</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</onderstreept></al><al>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op
                                grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="2."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een
                                besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in
                                artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten
                                aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;</al></li><li nr="3."><al>bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening daaronder
                                wordt verstaan;</al></li><li nr="4."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="5."><al>gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet
                                daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="6."><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te
                                dienen;</al></li><li nr="7."><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere
                                wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="8."><al>openbare plaats: </al><lijst><li nr="a."><al>de weg als bedoeld onder 10; </al></li><li nr="b."><al>de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek
                                        toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen,
                                        speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en
                                        aanlegplaatsen voor vaartuigen; </al></li><li nr="c."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                        portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend
                                        tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en
                                        niet afsluitbaar zijn; </al></li><li nr="d."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                        afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en
                                        galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij
                                        niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk
                                        recht bevoegd is, zijn afgesloten;</al></li></lijst></li><li nr="9."><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens
                                een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="10."><al>weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan.</al></li></lijst><al>Artikel 1:2 Beslistermijn </al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag, tenzij in deze verordening een andere beslistermijn
                                is vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag of een vergunning als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid
                                juncto derde lid, aanhef en onder a, artikel 2:11 derde lid, aanhef
                                en onder a, artikel 2:12 of artikel 4:11.</al></li></lijst><al>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></li><li nr="2."><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste twaalf weken.</al></li></lijst><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</al><lijst><li nr="1."><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></li><li nr="2."><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></li></lijst><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</al><al>De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze
                        verordening anders is bepaald.</al><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</al><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                                verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                                beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                                binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van
                                een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst><al>Artikel 1:7 Termijnen</al><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                        vergunning of ontheffing anders is bepaald, de aard van de vergunning of
                        ontheffing zich daartegen verzet of bij of krachtens deze verordening anders
                        is bepaald.</al><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden (wijkt af van huidige Apv)</al><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                        bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst><al><onderstreept>Hoofdstuk 2 Openbare orde</onderstreept></al><al><cursief>Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden</cursief></al><al>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></li><li nr="2."><al>Degene die op een openbare plaats</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                        ontstaan of dreigen te ontstaan;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot
                                        toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of
                                        dreigen te ontstaan; of</al></li><li nr="c."><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;</al></li></lijst></li></lijst><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of
                        zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al><lijst><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen
                                die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de
                                openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn
                                afgezet.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op
                                betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al><cursief>Afdeling 2 Betoging</cursief></al><al>Artikel 2:2 Optochten</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:3: Kennisgeving betoging op openbare plaatsen</al><lijst><li nr="1."><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel
                                3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór
                                de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging
                                wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van artikel 1:1, onder 8, wordt onder openbare plaats
                                verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto
                                tweede lid, van de Wet openbare manifestaties. </al></li><li nr="3."><al>De kennisgeving bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip
                                        van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de
                                        plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;
                                        en</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om
                                        een regelmatig verloop te bevorderen. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. </al></li><li nr="5."><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een
                                vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen
                                erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan op de werkdag die aan
                                de dag van dat tijdstip voorafgaat voor 12.00 uur. </al></li><li nr="6."><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een
                                kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.</al></li></lijst><al>Artikel 2:4 Afwijking termijn (opgenomen in artikel 2:3)</al><al>[gereserveerd] </al><al>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (opgenomen in artikel 2:3)</al><al>[gereserveerd] </al><al><cursief>Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken</cursief></al><al>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                        afbeeldingen</al><al>[gereserveerd]</al><al><cursief>Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg</cursief></al><al>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:8 Dienstverlening</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:9 Straatartiest e.d. </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester ten behoeve
                                van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar,
                                filmoperateur of gids op openbare plaatsen op te treden.</al></li><li nr="2."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al><cursief>Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg</cursief></al><al>Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een
                                weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke
                                functie daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar
                                        of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet
                                        voor commerciële doeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor
                                        voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt,
                                en</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op
                                minder</al></li></lijst><al> dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg </al><al> bevindt; </al><lijst><li nr="-"><al>geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel
                                reikt;</al><lijst><li nr="c."><al>de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
                                        kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden
                                        of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht
                                        of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het
                                        beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de
                                        voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg
                                        daarvan gereinigd is;</al></li><li nr="d."><al>voertuigen;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                        geopenbaard;</al></li><li nr="f."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18 en
                                        benzinepompen;</al></li><li nr="g."><al>overdekte en afsluitbare winkelcentra en
                                        winkelpassages;</al></li><li nr="h."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="i."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2:28.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De vergunning bedoeld in het eerste lid wordt verleend</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, voor zover
                                        dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2,
                                        eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene
                                        bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen
                                waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
                                constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg,
                                gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen
                                voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning bedoeld
                                in het eerste lid worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                        gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                        doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering
                                        kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de
                                        weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                        verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                        welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                        voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende
                                        zaak.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het college kan ter behartiging van de in het vorige lid genoemde
                                belangen voor de gehele gemeente of delen daarvan nadere regels
                                stellen omtrent de plaatsing en het formaat van uitstallingen.</al></li><li nr="a."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement.</al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor
                                zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                                5 van de Wegenverkeerswet.</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor
                                bouwwerken.</al></li><li nr="d."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor
                                zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer.</al></li><li nr="8."><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van
                                de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                        veranderen van een weg </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg
                                aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te
                                graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te
                                veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
                                aanleg van een weg.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                        activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                        beheersverordening, exploitatieplan of
                                        voorbereidingsbesluit; of</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken
                                worden verricht.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de
                                waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                Telecommunicatieverordening Gemeente Apeldoorn.</al></li><li nr="5."><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van
                                de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd
                                gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                        uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                        weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd in
                                het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                        omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                                Waterschapskeur of het Gelders wegenreglement.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van
                                de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al><cursief>Afdeling 6 Veiligheid op de weg</cursief></al><al>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp </al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op
                        zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of
                        dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.</al><al><vet>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</vet></al><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk,
                        rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare
                        nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.</al><al>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: </al><lijst><li nr="a."><al>te roken gedurende een door het college aangewezen
                                        periode;</al></li><li nr="b."><al>voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                        voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                        liggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het
                                Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="3."><al>De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken
                                plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.</al></li></lijst><al>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen
                                aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat
                                gedeelte van de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op prikkeldraad, schrikdraad,
                                puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan
                                0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af
                                gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                                door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2</vet><vet>:19A</vet><vet> Wapenverbod </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan
                                gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen,
                                messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen
                                kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor wapens behorende tot de in de Wet Wapens
                                en munitie opgenomen categorieën I, II, III en IV en voorzover door
                                het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of
                                veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.</al></li></lijst><al>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of
                                aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van
                                het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht,
                                onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de
                                Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></li></lijst><al>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</al><al>[gereserveerd]</al><al><cursief></cursief><cursief>Afdeling 7 Evenementen</cursief></al><al>Artikel 2:24 Begripsbepaling </al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek
                                toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: </al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                        de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                        gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                        Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                        verordening. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder evenement wordt mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie; </al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                        2:3 van deze verordening, op de weg;</al></li><li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                        weg;</al></li><li nr="e."><al>een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein
                                        evenement).</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2:25 Evenement </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van de vergunning van de
                                burgemeester een evenement te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100
                                        personen;</al></li><li nr="b."><al>het evenement tussen 9.00 en 23.00 uur plaats vindt;</al></li><li nr="c."><al>geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na
                                        23.00 uur;</al></li><li nr="d."><al>het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad
                                        of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor
                                        het verkeer en de hulpdiensten;</al></li><li nr="e."><al>slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte
                                        van minder dan 10 m² per object;</al></li><li nr="f."><al>er een organisator is;</al></li><li nr=""><al></al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden
                                geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of
                                aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="5."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al></al><al>Artikel 2:26 Ordeverstoring</al><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al><al><vet><cursief>Afdeling 7A </cursief></vet><vet><cursief>V</cursief></vet><vet><cursief>oetbalwedstrijden</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:26A Voetbalwedstrijden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder organisator verstaan
                                degene die een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij ten minste één
                                betaald voetbalorganisatie betrokken is.</al></li><li nr="2."><al>Het is de organisator verboden een voetbalwedstrijd te houden zonder
                                vergunning van de burgemeester. </al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd
                                verbieden:</al></li><li nr="a."><al>uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare
                                orde en veiligheid;</al></li><li nr="b."><al>indien de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden
                                nageleefd.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, indien een
                                verbod, als bedoeld in het derde lid, is uitgevaardigd. </al></li><li nr="5."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al><vet><cursief>Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen</cursief></vet></al><al>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>alcoholvrije drank: de drank, die bij een temperatuur van 15
                                        ºC voor minder dan 0,5 volumeprocent uit alcohol
                                        bestaat;</al></li><li nr="b."><al>leidinggevende:</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft
                                aan een onderneming waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="·"><al>de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of
                                hun gevolmachtigden, voor wier rekening en risico het horecabedrijf
                                wordt uitgeoefend.</al><lijst><li nr="c."><al>lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een
                                        inrichting.</al></li><li nr="d."><al>openbare inrichting: </al></li></lijst></li><li nr="I."><al>een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar,
                                discotheek, buurthuis of clubhuis;</al></li></lijst><al>II. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                        bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt
                        verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
                        consumptie worden verstrekt of bereid;</al><lijst><li nr=""><al>e.terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting
                                liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden
                                en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen
                                voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten
                                ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of
                                zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken
                                kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen
                                worden bereid of verstrekt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:28 Exploitatie terras bij een openbare inrichting </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een of meer
                                bij een openbare inrichting behorende terrassen te exploiteren, voor
                                zover deze zich op een openbare plaats bevinden. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de
                                vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel
                                moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare
                                wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van een terras
                                bij de openbare inrichting.</al></li><li nr="3."><al>Bij de toepassing van de weigeringsgrond genoemd in het vorige lid
                                houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de
                                wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen,
                                de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu
                                ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de
                                exploitatie van een terras bij de openbare inrichting.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en het gestelde in het
                                tweede en derde lid kan de burgemeester de vergunning weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare
                                        plaats dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de
                                        openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                        daarvan;</al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                        doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;</al></li><li nr="c."><al>indien het gebruik van het terras in strijd is met het ter
                                        plaatse geldende bestemmingsplan.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan ter behartiging van de in de vorige leden
                                genoemde belangen voor de gehele gemeente of delen daarvan nadere
                                regels stellen omtrent het gebruik van terrassen.</al></li><li nr="6."><al>Dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het
                                Wegenreglement Gelderland.</al></li><li nr="7."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:28A Opheffing vergunningenplicht</vet></al><al>De burgemeester kan bepalen dat artikel 2:28 niet geldt voor terrassen bij
                        een of meer in het besluit aangeduide soorten openbare inrichtingen in de
                        gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de
                        gemeente.</al><al><vet>Artikel 2:28B Verwijdering terras</vet></al><al>Als naar het oordeel van de burgemeester in verband met de openbare orde en
                        veiligheid verwijdering van een terras noodzakelijk is, zorgt de exploitant
                        of de leidinggevende onmiddelijk of binnen de daartoe gestelde termijn voor
                        de verwijdering. </al><al><vet>Artikel 2:29 Sluitingstijd</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag
                                tussen 01.00. uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen
                                02.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd).</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na
                                sluitingstijd.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.</al></li><li nr="4."><al>Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing in die
                                situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                voorzien.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden
                                voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere
                                sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin
                                artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></li></lijst><al>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</al><al>Het is verboden in een openbare inrichting</al><lijst><li nr="a."><al>de orde te verstoren;</al></li><li nr="b."><al>zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de
                                inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens
                                artikel 2:30, het eerste lid. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig
                                voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze
                                overdraagt.</al></li></lijst><al>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan</al><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of
                        bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het
                        college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd
                        bestuursorgaan.</al><al><vet>Artikel 2.3</vet><vet>3</vet><vet>A</vet><vet></vet><vet>Het verstrekken van alcoholvrije drank</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester in een
                                openbare inrichting bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik
                                ter plaatse te verstrekken.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>indien wordt gehandeld krachtens een vergunning ingevolge de
                                        Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>voor legerplaatsen en lokaliteiten, aan het militair gezag
                                        onderworpen, gedurende de tijd dat deze uitsluitend voor
                                        militaire doeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="c."><al>voor vervoermiddelen die bestemd zijn voor het vervoer van
                                        personen, tijdens het gebruik als zodanig;</al></li><li nr="d."><al>voor personen die in het bezit zijn van een ontheffing ex
                                        artikel 35 van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:33B Nadere regels</vet></al><al>De burgemeester kan nadere regels stellen die strekken tot bescherming van
                        het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning voor het
                        alcoholvrije bedrijf is vereist.</al><al><vet>Artikel 2:33C Vergunning alcoholvrij bedrijf</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning geldt uitsluitend voor één of meer in de vergunning
                                vermelde lokaliteiten.</al></li><li nr="2."><al>Bij overlijden van de vergunninghouder kan de exploitatie van het
                                alcoholvrije bedrijf door of namens één van zijn rechtsopvolgers
                                worden voortgezet tot drie maanden na het overlijden of, indien
                                binnen die termijn terzake een nieuwe vergunning is aangevraagd, tot
                                het tijdstip waarop op deze aanvraag onherroepelijk is beslist.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 is de vergunning tevens
                                locatiegebonden.</al></li><li nr="4."><al>De vergunning wordt aangevraagd bij de burgemeester op een door hem
                                vastgesteld formulier.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:33D Eisen leidinggevende van het alcoholvrije bedrijf</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leidinggevende(n):</al><lijst><li nr="a."><al>heeft/hebben de leeftijd van 18 jaar bereikt;</al></li><li nr="b."><al>overleg(gen) een verklaring omtrent het gedrag die maximaal
                                        drie maanden voor de datum, waarop de vergunningaanvraag is
                                        ingediend, is afgegeven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De lokaliteit als bedoeld in artikel 2:33A, eerste lid, moet voldoen
                                aan de in artikel 2:33B gestelde nadere regels.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:33E Aanwezigheid leidinggevende</vet></al><al>Het is verboden een alcoholvrij bedrijf voor het publiek geopend te houden
                        zonder dat een op de vergunning vermelde leidinggevende aanwezig is.</al><al><vet>Artikel 2:33F Weigeringsgronden, intrekkingsgronden vergunning
                            alcoholvrij bedrijf</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester weigert de vergunning, indien niet voldaan wordt aan
                                de in artikel 2:33D gestelde eisen. </al></li><li nr="2."><al>De burgemeester trekt de vergunning in indien zich in de betrokken
                                inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het
                                van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de
                                openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de
                                vergunning intrekken indien is gehandeld in strijd met het bij of
                                krachtens artikel 2:33E bepaalde.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al><vet><cursief>Afdeling 8a- Bijzondere bepalingen over horecabedrijven zoals
                                bedoeld in de Drank- en Horecawet</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:34A Begripsbepaling</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>alcoholhoudende drank;</al></li><li nr="-"><al>horecabedrijf;</al></li><li nr="-"><al>horecalocaliteit;</al></li><li nr="-"><al>inrichting;</al></li><li nr="-"><al>paracommerciele rechtspersoon;</al></li><li nr="-"><al>sterke drank;</al></li><li nr="-"><al>slijtersbedrijf en</al></li><li nr="-"><al>zwak-alcoholhoudende drank</al></li></lijst><al>dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.</al><al><vet>Artikel 2:34B Regulering paracommerciële rechtspersonen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank
                                uitsluitend verstrekken vanaf twee uur voor de aanvang en tot twee
                                uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband
                                met de statutaire doelen van de rechtspersoon.</al></li><li nr="2."><al>Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende
                                drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten
                                die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de
                                activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken
                                zijn.</al></li></lijst><al><cursief>Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                            nachtverblijf</cursief></al><al>Artikel 2:35 Begripsbepaling</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten
                        ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de
                        mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt
                        verschaft</al><al>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</al><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie
                        of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie
                        dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.</al><al>Artikel 2:37 Nachtregister</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister </al><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                        verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting
                        volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum,
                        geboorteplaats,dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. </al><al><vet><cursief>Afdeling 9A Toezicht op grow-, smart- en headshops</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:38A Begripsbepalingen</vet></al><al></al><al>[ingetrokken]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38B Vergunning</vet></al><al></al><al>[ingetrokken]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38C Eisen exploitant en leidinggevende</vet></al><al></al><al>[ingetrokken]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38D Weigeringsgronden</vet></al><al></al><al>[ingetrokken]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38E Verplaatsing inrichting</vet></al><al></al><al>[ingetrokken]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38F Openingstijden</vet></al><al></al><al>[ingetrokken]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38G Sluiting</vet></al><al>[ingetrokken]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38H Aanwezigheid in een gesloten inrichting</vet></al><al>[ingetrokken]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38I Intrekking van de vergunning</vet></al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 2:38J Aanwezigheid leidinggevende</vet></al><al>[ingetrokken]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38K Vervallen vergunning</vet></al><al>[ingetrokken]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38L Het college als bevoegd orgaan</vet></al><al>[ingetrokken]</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden</cursief></al><al><vet>Artikel 2:39 Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>speelgelegenheid: een voor publiek toegankelijke gelegenheid, waar
                                bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de
                                mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij premies,
                                geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                                verloren;</al></li><li nr="2."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                                rechtspersonen, die een speelgelegenheid exploiteert of exploiteren
                                en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="3."><al>beheerder: de natuurlijke persoon die de onmiddellijke leiding
                                uitoefent in de speelgelegenheid.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:39A Exploitatie speelgelegenheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren of te
                                wijzigen. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                        eerste lid onder b, van de Wet op de kansspelen vergunning
                                        is verleend; </al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                        kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                        kansspelen te beoefenen of te spelen op speelautomaten als
                                        bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                        handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op
                                        de kansspelen te verrichten; </al></li><li nr="c."><al>speelcasino’s, waarvoor op grond van artikel 27h van de Wet
                                        op de kansspelen een vergunning is vereist.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:39B Aanvraag vergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor het indienen van een aanvraag om vergunning maakt de exploitant
                                gebruik van een door de burgemeester vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2."><al>Bij een aanvraag dienen de bescheiden te worden overgelegd zoals
                                beschreven in het formulier.</al></li><li nr="3."><al>Indien een exploitant een wijziging wenst van het soort spelen in de
                                speelgelegenheid deelt hij dit de burgemeester vooraf schriftelijk
                                mee.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:39C Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><al>De exploitant en de beheerder van een speelgelegenheid:</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele of bewind en zijn niet uit de ouderlijke
                                macht of voogdij ontzet; </al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; </al></li><li nr="c."><al>dienen een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 19 van
                                de Wet op de justitiële documentatie over te leggen die uiterlijk
                                drie maanden tevoren is afgegeven; </al></li><li nr="d."><al>hebben de leeftijd van 21 jaar bereikt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:39D Weigeringsgronden</vet></al><al><onderstreept>(lid 2 wijkt af van de huidige APV)</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester weigert de vergunning indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vestiging of exploitatie van de speelgelegenheid in
                                        strijd is met een ter plaatse geldend bestemmingsplan,
                                        stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; </al></li><li nr="b."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                        2:39C gestelde eisen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de
                                vergunning weigeren indien naar zijn oordeel:</al></li><li nr="a."><al>moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                van de speelgelegenheid op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                                beïnvloed door de aanwezigheid van de speelgelegenheid;</al></li><li nr="b."><al>een eerdere vergunning voor de exploitatie van de speelgelegenheid
                                is ingetrokken of de speelgelegenheid met toepassing van deze
                                verordening dan wel van artikel 13b van de Opiumwet is
                                gesloten;</al></li><li nr="c."><al>de in te dienen bescheiden als bedoeld in artikel 2:39B, tweede lid,
                                onvoldoende garanties geven dat het in de Wet op de kansspelen
                                bepaalde niet zal worden overtreden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:</vet><vet>3</vet><vet>9E</vet><vet> Verplichtingen exploitant en beheerder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant van een speelgelegenheid is verplicht als beheerder
                                van de inrichting op te laten treden degene die als zodanig in de
                                vergunning staat vermeld.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder dienen ervoor zorg te dragen dat de
                                vergunning in het bedrijf aanwezig is en op eerste vordering van een
                                ambtenaar belast met het toezicht op deze regelgeving of op eerste
                                vordering van een opsporingsambtenaar ter inzage af te geven.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:</vet><vet>3</vet><vet>9F</vet><vet> Sluitings</vet><vet>tijd</vet><vet> en tijdelijke sluiting</vet></al><al>Het in de artikelen 2:29, 2:30, 2:31 en 2:33 van deze verordening bepaalde
                        is onverminderd van toepassing op speelgelegenheden die niet tevens als
                        horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27 van deze verordening zijn aan te
                        merken.</al><al><vet>Artikel 2:</vet><vet>3</vet><vet>9G</vet><vet> Intrekkingsgronden</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester de vergunning,
                        als bedoeld in artikel 2:39A, eerste lid, intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>zich in de speelgelegenheid feiten hebben voorgedaan, die de vrees
                                wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou
                                opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="b."><al>het woon- en leefklimaat of de openbare orde en veiligheid wordt
                                verstoord of benadeeld door de aanwezigheid van de
                                speelgelegenheid;</al></li><li nr="c."><al>de exploitant het toezicht op de naleving van het in deze paragraaf
                                bepaalde belemmert.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:</vet><vet>3</vet><vet>9H</vet><vet> Beëindiging exploitatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie van
                                de speelgelegenheid, geeft de exploitant daarvan schriftelijk
                                mededeling aan de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning vervalt zodra de schriftelijke mededeling als bedoeld
                                in het eerste lid is ontvangen, tenzij daarbij is aangegeven dat de
                                exploitatie van de speelgelegenheid door een andere exploitant wordt
                                voortgezet en een aanvraag om vergunning voor die speelgelegenheid
                                binnen twee weken na ontvangstdatum van de in het eerste lid gedane
                                mededeling wordt ingediend.</al></li><li nr="3."><al>Behoudens het geval dat zwaarwegende feiten of omstandigheden zich
                                daartegen verzetten blijft de vergunning in dat geval van kracht,
                                totdat op de aanvraag een besluit is genomen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:</vet><vet>3</vet><vet>9I</vet><vet></vet><vet>Het college als b</vet><vet>evoegd orgaan</vet></al><al>Indien de speelgelegenheid niet in een voor publiek toegankelijk gebouw is
                        gevestigd, worden de in dit hoofdstuk aan de burgemeester toegekende
                        bevoegdheden uitgeoefend door het college.</al><al><vet>Artikel 2:40 Kansspelautomaten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al></li><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van
                                de Wet; </al></li><li nr="c."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                onder d, van de Wet; </al></li><li nr="d."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                onder e, van de Wet.</al></li><li nr="2."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn 2 kansspelautomaten toegestaan.
                            </al></li><li nr="3."><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                toegestaan.</al></li></lijst><al><vet></vet><vet><cursief>Afdeling 10A</cursief></vet><vet><cursief> Speelautomatenhallen</cursief></vet><cursief></cursief><vet><cursief></cursief></vet></al><al><vet>Artikel</vet><vet> 2:40A</vet><vet> Begrips</vet><vet>bepalingen</vet><vet><onderstreept></onderstreept></vet><vet><onderstreept></onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: Wet op de kansspelen; </al></li><li nr="b."><al>Speelautomatenbesluit: KB van 23 mei 200, Stb. 224,,
                                        houdende regels ter uitvoering van titel Va van de wet,
                                        zoals gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Stb.
                                        2001, 415;</al></li><li nr="c."><al>speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van
                                        een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking
                                        gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces,
                                        waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of
                                        onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder
                                        begrepen het recht om gratis verder te spelen; </al></li><li nr="d."><al>kansspelautomaat: een speelautomaat die geen
                                        behendigheidsautomaat is; </al></li><li nr="e."><al>Speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek
                                        gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten
                                        te beoefenen, als bedoeld in <onderstreept>artikel 30 c,
                                            eerste lid, onder b, van de wet</onderstreept> ; </al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die de
                                        speelautomatenhal exploiteert; </al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in
                                        een speelautomatenhal;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.1 wordt onder ‘weg’ mede
                                verstaan: kampeerplaatsen of aan de wegen of paden liggende en als
                                zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel </vet><vet>2:</vet><vet>40B</vet><vet></vet><vet>Verbodsbepaling </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan uitsluitend voor:</al><lijst><li nr="a."><al>maximaal drie speelautomatenhallen vergunning verlenen in
                                        het deel van de gemeente dat de schil van de binnenstad
                                        vormt, zoals aangegeven is op de bij deze paragraaf
                                        behorende kaart;</al></li><li nr="b."><al>maximaal twee speelautomatenhallen vergunning verlenen in
                                        het deel van de gemeente dat buiten de schil van de
                                        binnenstad is gesitueerd, zoals aangegeven is op de bij deze
                                        paragraaf behorende kaart.<vet></vet></al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan uitsluitend een vergunning<cursief></cursief>verlenen voor het aanwezig hebben van ten hoogste
                                vijfendertig speelautomaten. <vet></vet></al></li><li nr="4."><al><vet></vet>De vergunning heeft een geldigheidsduur van maximaal drie
                                jaar. </al></li><li nr="5."><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref> (positieve fictieve
                                beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.</al></li></lijst><al></al><al></al><al><vet>Artikel </vet><vet>2:40C</vet><vet></vet><vet>Aanvraag v</vet><vet>ergunning</vet></al><al>De exploitant dient de vergunning aan te vragen onder overlegging van:</al><al>a. een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de
                        oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke
                        plaats in de speelautomatenhal en in welk aantal kansspelautomaten worden
                        opgesteld.</al><al>b. een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te
                        beschikken;</al><al></al><al></al><al><vet>Artikel </vet><vet>2:40D</vet><vet> V</vet><vet>ergunning</vet><vet></vet></al><lijst><li nr="1."><al>In de vergunning wordt de naam van de beheerder vermeld.</al></li><li nr="2."><al>Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden.
                                Deze hebben in elk geval betrekking op:</al></li><li nr="a."><al>de openings- en sluitingstijden van de speelautomatenhal;</al></li><li nr="b."><al>het toezicht in de speelautomatenhal;</al></li><li nr="c."><al>het aantal en type speelautomaten dat mag worden opgesteld;</al></li><li nr="d."><al>de exploitatie van de speelautomatenhal.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>2:40E</vet><vet></vet><vet>Weigerings</vet><vet>- en intrekkings</vet><vet>gronde</vet><vet>n</vet><vet></vet></al><al>(dit artikel wijkt af van de huidige APV)</al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het maximaal aantal af te geven vergunningen voor
                                        speelautomatenhallen, als bedoeld in artikel 2:40B, tweede
                                        lid, is verleend; </al></li><li nr="b."><al>de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de
                                        weg voor het publiek toegankelijk is; </al></li><li nr="c."><al>de beheerder(s) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                        (hebben) bereikt; </al></li><li nr="d."><al>door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar oordeel
                                        van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de naaste
                                        omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt op
                                        ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; </al></li><li nr="e."><al>de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd
                                        oplevert met het geldende bestemmingsplan dan wel een
                                        stadsvernieuwingsplan of de Leefmilieuverordening in de zin
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergunning wordt ingetrokken indien zich in de betrokken
                                inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het
                                van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de
                                openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>2</vet><vet>:40</vet><vet>F</vet><vet></vet><vet>Wijziging in</vet><vet> exploitatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een exploitant komt te overlijden dient, indien voortzetting
                                wordt beoogd, binnen twaalf weken een nieuwe vergunning te worden
                                aangevraagd.</al></li><li nr="2."><al>In alle andere gevallen van wisseling van exploitant dient uiterlijk
                                binnen vier weken na overname van de speelautomatenhal een nieuwe
                                vergunning te worden aangevraagd. </al></li><li nr="3."><al>Zolang op een tijdig ingediende aanvraag niet is beslist, is
                                voortzetting van de exploitatie toegestaan, met inachtneming van de
                                voorschriften en beperkingen verbonden aan de van rechtswege
                                vervallen vergunning.</al></li></lijst><al></al><al><cursief>Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</cursief></al><al>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal (dit artikel wijkt af van de
                        huidige APV)</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een
                                bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten
                                woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die
                                woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk
                                lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al></li><li nr="3."><al>Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid
                                in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                is.</al></li></lijst><al>Artikel 2:42 Plakken en kladden</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te
                                bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: </al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                        aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                        wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding,
                                        letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen
                                        aanbrengen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld
                                wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen
                                van handelsreclame.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben
                                op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="7."><al>De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een
                                opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af
                                te geven.</al></li></lijst><al>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet,
                                aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te
                                vervoeren of bij zich te hebben. </al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of
                                gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></li></lijst><al>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Her is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                vervoeren of bij zich te hebben. </al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet
                                zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang
                                tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te
                                openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te
                                vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:44A Vervoer geprepareerde voorwerpen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te
                                vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is
                                uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te
                                vergemakkelijken.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde
                                voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                handelingen.</al></li></lijst><al>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats: </al><lijst><li nr="a."><al>te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                        overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                        voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair
                                        of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op te houden op een wijze dat aan andere gebruikers of
                                        aan bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen
                                        onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een ieder die aanwezig is bij een gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een
                                ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem
                                aangewezen richting te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                                door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of
                                artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</al><lijst><li nr="1."><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een
                                door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                        artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en</al></li><li nr="b."><al>een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a,
                                        waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de
                                        Drank en Horecawet.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                        houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                        drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw,
                                appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een
                                gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder
                                redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik
                                bestemde ruimte van dat gebouw.</al></li><li nr="3."><al>Een ieder die aanwezig is bij een gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een
                                ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de door
                                hem aangewezen richting te verwijderen.</al></li></lijst><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                        ruimten</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in voor het publiek toegankelijke
                                ruimten dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een
                                ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten
                                worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen
                                voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.</al></li><li nr="2."><al>Een ieder die aanwezig is bij een gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een
                                ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de door
                                hem aangewezen richting te verwijderen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:50A Gebiedsontzegging</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene
                                die, hetzij alleen, hetzij in groepsverband, de openbare orde
                                ernstig verstoort door het plegen van strafbare feiten, anderszins
                                personen lastig valt of schade toebrengt, of bij ernstige vrees
                                daarvoor, het bevel geven zich te verwijderen en zich verwijderd te
                                houden van of uit een door de burgemeester bij bevel gegeven plaats
                                of gebied gedurende de in het bevel genoemde tijd.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zich op de plaats of in het gebied te bevinden in
                                strijd met een krachtens het eerste lid gegeven bevel. </al></li><li nr="3."><al>De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde verbod indien
                                daartoe in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                betrokkene(n) aanleiding is.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester bepaalt de plaats of het gebied waarvoor een
                                gebiedsontzegging bij bevel opgelegd kan worden.</al></li></lijst><al>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</al><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                        plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de
                        gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                            e.d.</vet><vet></vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:53 Bespieden van personen</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:56 Alarminstallaties</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:57 Loslopende honden </al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                                verblijven of te laten lopen:</al></li><li nr="a."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere
                                door het college aangewezen plaats;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom op een openbare plaats indien de hond niet is
                                aangelijnd;</al></li><li nr="c."><al>buiten de bebouwde kom op door het college aangewezen plaatsen
                                indien de hond niet is aangelijnd; of</al><al></al><al>d. op een openbare plaats indien die hond niet is voorzien van een
                                halsband of een ander indentificatiemerk dat de eigenaar of houder
                                duidelijk doet kennen.</al><al></al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op door het
                                college aangewezen plaatsen.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid aanhef en onder a tot en met c zijn niet van
                                toepassing op de eigenaar of houder van een hond:</al></li><li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale
                                hulphond laat begeleiden; of</al></li><li nr="b."><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of
                                sociale hulphond.</al></li></lijst><al>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden </al><lijst><li nr="1."><al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is
                                verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond
                                onmiddellijk worden verwijderd.</al></li><li nr="2."><al>Onvermindered het bepaalde in het eerste lid is degene die zich met
                                een hond binnen de bebouwde kom op een openbare plaats begeeft
                                verplicht;</al><al>a. een zakje, schepje of een ander ten behoeve van het verwijderen
                                van uitwerpselen ontworpen hulpmiddel bij zich te hebben; en</al><al>b. dit hulpmiddel op eerste vordering te laten zien aan een
                                toezichthouder. </al></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing buiten de bebouwde
                                kom op door het college aangewezen plaatsen;</al></li><li nr="4."><al>Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de
                                eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door
                                een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden;</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                college aangewezen plaatsen. </al></li></lijst><al>Artikel 2:59 Gevaarlijke en blaffende honden </al><lijst><li nr="1."><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of
                                hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een
                                aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover
                                die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein
                                van een ander.</al></li><li nr="2."><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de
                                hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van
                                hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al></li><li nr="3."><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de
                                hond voorzien te houden van een muilkorf die:</al></li><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide
                                stoffen;</al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is
                                aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet
                                mogelijk is; en</al></li><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten
                                ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat
                                geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder d, dient
                                een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door
                                de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer
                                door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar
                                is.</al></li><li nr="5."><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat
                                dit dier niet door aanhoudend geblaf of gejank hinderlijk is voor de
                                omgeving of de nachtrust verstoort.</al></li></lijst><al>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van
                                overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen,
                                buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat
                                aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben, of</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                        hen gestelde regels, of</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                        aanwijzing is aangegeven.</al></li><li nr="d."><al>te voeren</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                verbod.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 2:61 Wilde dieren</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:62 Loslopend vee </al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:63 Duiven</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:64 Bijen</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:65 Bedelarij</al><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of
                        in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere
                        zaken.</al><al><cursief>Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van
                            goederen</cursief></al><al>Artikel 2:66 Begripsbepaling</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld
                        in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                        eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht .</al><al>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</al><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of
                        ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een
                        doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en
                        daarin onverwijld op te nemen: </al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat
                                mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
                                en</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.</al></li></lijst><al>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van
                        Strafrecht </al><al>De handelaar af een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
                            </al></li><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn
                                woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende
                                vestiging;</al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;</al></li><li nr="3."><al>als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;</al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf
                                afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;</al></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register
                                ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop
                                zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar
                                zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in
                                bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.</al></li></lijst><al>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen </al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</al><al>[gereserveerd] </al><al><cursief>Afdeling 13 Vuurwerk</cursief></al><al>Artikel 2:71 Begripsbepalingen</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder
                        wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels
                        met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                        (Vuurwerkbesluit).</al><al>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                        verkoopdagen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van
                                het college.</al></li><li nr="2."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing. </al></li></lijst><al>Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling </al><al>1. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als
                        dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
                        artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:73A Carbid schieten</vet></al><al>1. Het is verboden met carbid te schieten.</al><al>2. Het verbod geldt niet van 31 december 10.00 uur tot 1 januari 02.00 uur
                        buiten de bebouwde kom met uitzondering van stiltegebieden zoals die zijn
                        aangewezen op grond van de Provinciale Milieuverordening.</al><al>3. In het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast kan het
                        college nadere regels stellen die in acht dienen te worden genomen bij het
                        schieten van carbid.</al><al></al><al><cursief>Afdeling 14 Drugsoverlast</cursief></al><al>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</al><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                        openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld
                        in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet
                        tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij
                        behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al><al><vet>Artikel 2.7</vet><vet>4A </vet><vet>Openlijk drugsgebruik </vet></al><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of
                        in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de
                        artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel
                        voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van het gebruik
                        voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.</al><al><cursief></cursief><cursief>Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                            cameratoezicht op openbare plaatsen</cursief></al><al>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij
                        verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij
                        ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de
                        daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
                        erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.</al><al><vet>Artikel </vet><vet>2:77</vet><vet> Cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al>De burgemeester:</al><lijst><li nr="1."><al>is bevoegd om, indien dat in het belang van de handhaving van de
                                openbare orde noodzakelijk is, te besluiten tot plaatsing van vaste
                                camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een
                                openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare
                                manifestaties en andere bij deze verordening aan te wijzen plaatsen
                                die voor een ieder toegankelijk zijn; </al></li><li nr="2."><al>bepaalt de duur van de plaatsing en wijst de openbare plaats of
                                plaatsen aan, met inachtneming van hetgeen daaromtrent in deze
                                verordening is bepaald; </al></li><li nr="3."><al>kan nadere instructies vaststellen over de uitvoering van
                                cameratoezicht ten behoeve van de beheerder en de gebruikers.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>2:77A</vet><vet> Aangewezen gebieden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Cameratoezicht wordt alleen toegestaan in aangewezen gebieden, te
                                weten: </al><lijst><li nr="a."><al>het uitgaansgebied Hoofdstraat-Noord en Beekpark, een en
                                        ander als aangegeven op de bij deze verordening gevoegde
                                        overzichtskaart; </al></li><li nr="b."><al>de interwijktunnel onder het centraal station Apeldoorn en
                                        het zuidplein aan de Laan van de Mensenrechten, zoals
                                        aangegeven op de bij deze verordening gevoegde
                                        overzichtskaart. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In het gebied, als bedoeld in het eerste lid, onder a, mag er
                                cameratoezicht zijn: </al><lijst><li nr="a."><al>op zondag- tot en met woensdagavond van 23.00 tot 04.00 uur;
                                    </al></li><li nr="b."><al>op donderdag- tot en met zaterdagavond van 22.00 tot 05.00
                                        uur; </al></li><li nr="c."><al>tijdens grote evenementen () van 22.00 tot 07.00 uur. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In het gebied, als bedoeld in het eerste lid, onder b, mag er
                                cameratoezicht zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>dagelijks, de gehele dag;</al></li><li nr="b."><al>mits uitkijken van de camerabeelden wordt ondersteund met
                                        behulp van agressiedetectie.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>2:77B</vet><vet> Algemene bepalingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Worden camera’s, in gebruik bij cameratoezicht, ‘live’ uitgekeken,
                                dan geschiedt dit door politiefunctionarissen. </al></li><li nr="2."><al>Cameratoezicht geldt voor een maximale duur van vier jaar, aan het
                                eind waarvan een evaluatie plaatsvindt. Iedere twee jaar vindt een
                                tussenevaluatie plaats, op basis waarvan de gemeenteraad eventueel
                                kan bijsturen. </al></li><li nr="3."><al>In zowel de evaluatie als de tussenevaluaties wordt in ieder geval
                                een paragraaf opgenomen met betrekking tot privacy en
                                schijnveiligheid. </al></li><li nr="4."><al>Binnen de aangewezen gebieden, als bedoeld in artikel 2:77A, eerste
                                lid, kan de burgemeester binnen de in dit kader gestelde
                                randvoorwaarden het aantal camera’s, het soort camera’s en de
                                precieze plaatsing naar eigen inzicht bepalen. </al></li><li nr="5."><al>Voor de inzet van particuliere veiligheidszorg is vooraf toestemming
                                nodig van de gemeenteraad (). De gemeenteraad zal eventuele
                                toestemming laten afhangen van een beargumenteerd nut en noodzaak
                                van particuliere veiligheidszorg.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>2:77C</vet><vet> Nieuwe situaties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In het geval de burgemeester in gebieden die niet zijn aangewezen,
                                de noodzaak tot invoering van cameratoezicht ziet, vraagt hij
                                hierover per geval instemming aan de gemeenteraad door een voorstel
                                tot wijziging van artikel 2:77A voor te leggen. </al></li><li nr="2."><al>Alleen die gebieden komen voor cameratoezicht in aanmerking waar uit
                                een veiligheidsanalyse de noodzaak tot cameratoezicht is gebleken,
                                dan wel gebieden waar uit evaluatie van reeds toegepast
                                cameratoezicht de noodzaak tot voortzetting van dit middel is
                                gebleken (). </al></li><li nr="3."><al>Zowel voor de afbakening van de gebieden, als voor de tijden waarop
                                in die betreffende gebieden cameratoezicht wordt toegepast, geldt
                                dat uit analyse de noodzaak moet zijn aangetoond.</al></li></lijst><al><onderstreept>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen straatprostitutie </onderstreept></al><al><cursief>Afdeling 1 Begripsbepalingen</cursief></al><al>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder
                                tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                                rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert,
                                dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die
                                rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of
                                personen;</al></li><li nr="f."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                                feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een
                                seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="g."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van
                                deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college
                        of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                        behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de
                        burgemeester.</al><al>Artikel 3:3 Nadere regels</al><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13 kan
                        het college nadere regels vaststellen met betrekking tot de uitoefening van
                        de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.</al><al><cursief>Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie</cursief></al><al>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning worden in ieder
                                geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; </al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al></li><li nr="d."><al>de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door
                                        middel van een situatietekening met een schaal van tenminste
                                        1:1000; en</al></li><li nr="e."><al>bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot
                                        het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting of
                                        het escortbedrijf.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder </al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder: </al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                        ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van 21 jaar bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en
                                de beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                        Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met
                                        toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht
                                        ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot
                                        een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer
                                        door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare
                                        lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en
                                        Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een
                                        misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot
                                        voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van
                                        het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                        uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een
                                        onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een
                                        andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                        onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede
                                        wegens overtreding van: </al></li></lijst></li><li nr="-"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249,
                                252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426,
                                429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8
                                of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de
                                kansspelen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel
                                        74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of
                                        artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake
                                        rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro
                                        bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                        straf. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: </al></li><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van
                                beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                van de intrekking van deze vergunning.</al></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen
                                exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning is ingetrokken,
                                tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.</al></li></lijst><al>Artikel 3:6 Sluitingstijden </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben
                                en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 4.00
                                en 6.00 uur.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke seksinrichting
                                andere sluitingstijden vaststellen.</al></li><li nr="3."><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid,
                                gesloten dient te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op
                                situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer
                                gebaseerde voorschriften.</al></li></lijst><al>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</al><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel
                                3:13, tweede lid, of in geval van strijdigheid met de bepalingen in
                                dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: </al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                        tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk
                                        de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld
                                in het eerste lid bekend overeenkomstig artikel 3:42, tweede
                                lid.</al></li></lijst><al>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                                zonder dat de exploitant of beheerder bedoeld in artikel 3:4, tweede
                                lid, onder a of b, in de seksinrichting aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de
                                seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval
                                        de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de
                                        zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid),
                                        XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het
                                        Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet
                                        en in de Wet wapens en munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd
                                        met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                        Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 3:9 Straatprostitutie</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de diensten
                                van een prostituee, uit te nodigen dan wel aan te lokken. </al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van verbod bedoeld in het eerste lid kan
                                door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in
                                een bepaalde richting te verwijderen.</al></li></lijst><al>Artikel 3:10 Sekswinkels</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
                                openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: </al></li><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in
                                gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het
                                belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                regels.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden
                                of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het
                                openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7,
                                eerste lid, van de Grondwet. </al></li></lijst><al><cursief>Afdeling 3 Beslissingstermijn: weigeringsgronden</cursief></al><al>Artikel 3:12 Beslistermijn</al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist
                                het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning binnen
                                twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, tweede lid, kan het
                                bevoegd bestuursorgaan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken
                                verdagen.</al></li></lijst><al>Artikel 3:13 Weigeringsgronden </al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning wordt geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                        3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                        beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit,
                                        stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                        strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of in
                                        strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                        of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven
                                kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 de vergunning worden
                                geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                        leefklimaat;</al></li><li nr="c."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="d."><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="f."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</cursief></al><al>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig artikel
                                3:4 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de
                                seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></li></lijst><al>Artikel 3:15 Wijziging beheer</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een beheerder het beheer van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan
                                binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien
                                het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besluit de
                                verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te
                                wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder
                                a, is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment
                                dat de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></li></lijst><al><cursief>Afdeling 5 Overgangsbepaling</cursief></al><al>Artikel 3:16 Overgangsbepaling [gereserveerd]</al><al><onderstreept>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en
                            zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</onderstreept></al><al><cursief>Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting</cursief><cursief></cursief></al><al>Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Activiteitenbesluit Milieubeheer; </al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider,
                                beheerder of anderszins een inrichting drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of
                                een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is
                                aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidhinder: gevaar, schade of hinder, als gevolg van geluid, zoals
                                bedoeld in de ISO Recommendation R-1996. </al></li><li nr="g."><al>gevoelige gebouwern; woningen en gebouwen die op grond van artikel 1
                                van de Wet geluidshinder worden aangemerkt als andere
                                geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen
                                behorende bij de betreffende inrichting. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                                Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te
                                wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                                dagen of dagdelen.</al></li><li nr="2."><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148,
                                eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per
                                kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de
                                daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het
                                college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer door
                                hen aan te wijzen delen van de gemeente Apeldoorn.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin
                                van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs
                                niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve
                                festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</al></li></lijst><al>Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan maximaal 12 dagen per kalenderjaar vaststellen
                                waarop het een inrichting is toegestaan een incidentele festiviteit
                                te houden, waarbij de voorschriften 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                                Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting
                                op een door het college te bepalen termijn voor de aanvang van de
                                incidentele festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
                                Het college houdt hierbij rekening met het aantal aangewezen
                                collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4.2.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan maximaal 12 dagen per kalenderjaar vaststellen
                                waarop het een inrichting is toegestaan een incidentele festiviteit
                                te houdenwaarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van
                                toepassing is, mits de houder van de inrichting op een door het
                                college te bepalen termijn voor de aanvang van de incidentele
                                festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het college
                                houdt hierbij rekening met het aantal aangewezen collectieve
                                festiviteiten als bedoeld in artikel 4.2.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van de
                                kennisgeving.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier,
                                volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de
                                plaats op dat formulier vermeld.</al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan, wanneer het
                                college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele
                                festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond
                                toestaat.</al></li><li nr="6."><al><vet></vet>Festiviteiten als bedoeld in het eerste lid vinden inpandig
                                plaats.</al></li><li nr="7."><al><vet></vet>Tijdens festiviteiten als bedoeld in het eerste lid wordt het
                                ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                in de artikel 2.17,, 2.19. en 2.20 van het Besluit uiterlijk om
                                01.00 uur te zijn beëindigd.</al></li><li nr="8."><al><vet></vet>Tijdens festiviteiten als bedoeld in het eerste lid, blijven
                                ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten
                                van personen of goederen.</al></li><li nr="9."><al><vet></vet>Wanneer er binnen een straal van 50 meter van de inrichting
                                geen gevoelig gebouw is gelegen, zijn het zesde en achtste lid niet
                                van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 4.4 Verboden incidentele festiviteiten</al><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten,
                        feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het
                        organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn
                        oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of
                        openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. </al><al>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 4:5A Traditioneel schieten</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer of van het Besluit op zodanige wijze toestellen of
                                geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten
                                op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                openbare manifestaties, het Bouwbesluit 2012, het Vuurwerkbesluit of
                                de Provinciale milieuverordening Gelderland.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt eveneens niet als sprake is van
                                (onderhouds)werkzaamheden aan (spoor)wegen en andere
                                infrastructurele werken, die in het algemeen belang noodzakelijk
                                zijn, mits de opdrachtgever het college ten minste vier weken voor
                                aanvang van de werkzaamheden schriftelijk daarvan in kennis heeft
                                gesteld. Het schriftelijk in kennis stellen kan achterwege blijven
                                als sprake is van werkzaamheden met een spoedeisend karakter die
                                worden uitgevoerd om een onveilige (verkeers)situatie te
                                beëindigen.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 4:6A Mosquito</al><al>[gereserveerd]</al><al>[Artikel 4.1.5 huidige APV: (Geluid)hinder door bromfietsen is geschrapt]
                        (wijkt af van huidige APV)</al><al><cursief>Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</cursief></al><al>Artikel 4:7 Straatvegen</al><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van
                        de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te
                        parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij
                        aangeduide tijdsperiode.</al><al>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</al><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats ziin
                        natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al><al>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en
                        putten buiten gebouwen</al><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
                        mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de
                        veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de
                        gebouwen of voor anderen.</al><al><cursief>Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden</cursief></al><al><vet>Artikel </vet><vet>4:10 </vet><vet>Begrips</vet><vet>bepalingen</vet></al><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een beplanting
                                van bosplantsoen;</al></li><li nr="b."><al>hakhout: één of meer bomen of boomvormers die na te zijn geveld,
                                opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="c."><al>vellen: onder vellen wordt mede verstaan rooien, met inbegrip van
                                verplanten, kandelaberen en knotten, tenzij dit als regulier
                                onderhoud geschiedt, alsmede het verrichten van handelingen, zowel
                                boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of
                                ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;</al></li><li nr="d."><al>dunning: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ten
                                gunste van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden
                                beschouwd;</al></li><li nr="e."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge
                                artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al></li><li nr="f."><al>boomwaarde: de door het college vastgestelde wijze waarop de waarde
                                van de bomen wordt bepaald; de boomwaarde wordt bepaald
                                overeenkomstig de waardebepaling van de Nederlandse Vereniging van
                                Taxateurs Bomen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>4:11 </vet><vet>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag een
                                houtopstand te vellen of te doen vellen anders dan bij wijze van
                                dunning.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing op:</al></li><li nr="a."><al>wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs
                                landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of
                                wilgen, tenzij deze zijn geknot;</al></li><li nr="b."><al>vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als
                                kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde
                                terreinen;</al></li><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>een alleenstaande boom waarvan de stam op een hoogte van 1.30 meter
                                boven het maaiveld een omtrek heeft van 65 centimeter of minder,
                                tenzij zodanige boom is geplant ingevolge een herplantplicht als
                                bedoeld in artikel 4:11A, tweede lid, of artikel 4:11D;</al></li><li nr="f."><al>een alleenstaande wilg, - populier, - ceder, - douglas, - berk en -
                                fijnspar waarvan de stam op een hoogte van 1.30 meter boven het
                                maaiveld een omtrek heeft van 95 centimeter of minder, tenzij
                                zodanige boom is geplant ingevolge een herplantplicht als bedoeld in
                                artikel 4:11A, tweede lid, of artikel 4:11D van deze
                                verordening;</al></li><li nr="g."><al>houtopstand buiten de bebouwde kom die</al><al>1 een zelfstandige eenheid vormt en;</al><al>2 een grotere oppervlakte dan tien are beslaat of</al><al>3 ingeval van een rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal
                                rijen, meer dan twintig bomen omvat; </al></li><li nr="h."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of
                                krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag;</al></li><li nr="i."><al>het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere
                                onderhoud.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan bepaalde gebieden aanwijzen, waar het verbod niet
                                geldt.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van
                                de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>4:11A </vet><vet>Weigeringsgronden en vergunningsvoorschriften</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in art. 1:8 kan het bevoegd gezag de
                                vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het
                                belang van de handhaving van:</al></li><li nr="-"><al>natuur- en milieuwaarden;</al></li><li nr="-"><al>landschappelijke waarden;</al></li><li nr="-"><al>cultuurhistorische waarden;</al></li><li nr="-"><al>waarden van stads- en dorpsschoon;</al></li><li nr="-"><al>waarden voor recreatie en leefbaarheid.</al></li></lijst><al>Het bevoegd gezag kan hierbij als criterium de boomwaarde, bedoeld in
                        artikel 4:10 hanteren.</al><lijst><li nr="2."><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het
                                voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de
                                door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden
                                herplant.</al></li><li nr="3."><al>Wordt het voorschrift opgelegd, dan kan daarbij tevens worden
                                bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze
                                niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</al></li><li nr="4."><al>Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen voorts onder
                                meer behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de
                                houtopstand voorkomende flora en fauna.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>4:11B </vet><vet>Spoedeisend belang </vet><vet></vet></al><al>Het bevoegd gezag kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is
                        van grote gevaarzetting of spoedeisend belang.</al><al><vet>Artikel </vet><vet>4:11C </vet><vet>Openbaarmaking</vet></al><al>1.Een verleende vergunning voor het vellen van een houtopstand wordt in
                        ieder geval openbaar gemaakt door publicatie in een lokaal dag- of
                        weekblad;</al><al><vet>Artikel </vet><vet>4:11D </vet><vet>Herplant/instandhoudingsplicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een houtopstand, waarop het verbod tot velling van toepassing
                                is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op
                                andere wijze is teniet gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk
                                gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond of aan
                                degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen
                                bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig
                                de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen
                                termijn.</al></li><li nr="2."><al>Wordt de verplichting opgelegd, dan kan daarbij tevens worden
                                bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze
                                niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</al></li><li nr="3."><al>Indien een houtopstand, waarop het verbod tot velling van toepassing
                                is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd
                                gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de
                                houtopstand bevindt of aan degene die uit andere hoofde tot het
                                treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om
                                overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen
                                te stellen termijn maatregelen te treffen, waardoor die bedreiging
                                wordt weggenomen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4:11E Schadevergoeding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op een verzoek om schadevergoeding krachtens artikel 17, juncto
                                artikel 13, vierde lid, van de Boswet, beslist de gemeenteraad.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid wordt de
                                beslissing genomen binnen dertien weken na de dag waarop het verzoek
                                is ingekomen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>4:11F </vet><vet>Bijzondere bomen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt een lijst vast waarop bijzondere bomen staan
                                vermeld. Het college kan daarin ambtshalve en op verzoek van
                                belanghebbenden wijzigingen aanbrengen.</al></li><li nr="2."><al>Voor een op de lijst geplaatste boom wordt geen vergunning voor
                                velling afgegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van
                                de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke
                                situatie.</al></li><li nr="3."><al>De lijst van bijzondere bomen omvat in ieder geval een beschrijving,
                                de standplaats, het kadastrale perceelsnummer, de eigenaar of andere
                                zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van iedere
                                boom.</al></li><li nr="4."><al>Het college deelt haar besluit omtrent plaatsing op de lijst van
                                bijzondere bomen schriftelijk mede aan de eigenaar en andere
                                zakelijk gerechtigde en, voor zover van toepassing, aan degene die
                                om plaatsing heeft verzocht. Besluiten met betrekking tot de lijst
                                van bijzondere bomen worden in ieder geval openbaar gemaakt door
                                publicatie in een lokaal dag- of weekblad.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al><cursief>Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</cursief></al><al>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.</al><lijst><li nr=""><al></al><al>[gereserveerd]</al></li></lijst><al>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 4:16 Vergunningsplicht lichtreclame</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 5 Kamperen buiten kampeerterreinen</al><al>Artikel 4:17 t/m 4:19 </al><al>[gereserveerd]</al><al><cursief>Afdeling </cursief><cursief>6</cursief><cursief> Afvalstoffen</cursief></al><al><onderstreept>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</onderstreept></al><al>Artikel 4:20 Begripsbepalingen</al><al>In deze afdeling wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>andere inzamelaars: de krachtens artikel 4:21, tweede lid,
                                aangewezen inzamelaars en zij die ingevolge wettelijke bepalingen
                                over producentenverantwoordelijkheid zijn belast met het
                                afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke
                                afvalstoffen;</al></li><li nr="b."><al>gebruiker van een perceel: degene die in de gemeente feitelijk
                                gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel
                                10.21 en artikel 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot
                                het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt;</al></li></lijst><al>c.inzameldienst: de in artikel 4:21, eerste lid, aangewezen inzameldienst,
                        belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen;</al><al>d.inzamelen: de activiteiten gericht op het ophalen of innemen van
                        afvalstoffen die binnen de gemeente ter inzameling worden aangeboden en het
                        feitelijk ophalen en innemen daarvan;</al><al>e.inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of
                        bewaarmiddel, bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer,
                        kca-box of big bag, ten behoeve van één huishouden;</al><al>f.inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e)
                        bewaarmiddel of -plaats, bijvoorbeeld een verzamelcontainer, wijkcontainer
                        of brengdepot, ten behoeve van meerdere huishoudens;</al><al>g.straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en
                        gewicht, zoals proppen papier, sigarettenpeuken, kauwgum, plastic bekertjes
                        en -flesjes, blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, alle niet zijnde
                        klein chemisch afval en ontstaan buiten een perceel;</al><al>h.ter inzameling aanbieden: het achterlaten van afvalstoffen in
                        inzamelmiddelen of inzamel-voorzieningen en het op andere toegestane wijze
                        achterlaten en overdragen van afvalstoffen voor en aan de inzameldienst en
                        andere inzamelaars;</al><al>i.wet: Wet milieubeheer.</al><al><onderstreept>Paragraaf 2 Inzameling van huishoudelijke
                            afvalstoffen</onderstreept></al><al>Artikel 4:21 Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars</al><al>1.Op grond van artikel 10.24, eerste lid, sub a van de Wet milieubeheer is
                        Circulus-Berkel B.V. te Apeldoorn de aangewezen inzameldienst voor de
                        inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.</al><al>2.Naast de inzameldienst kan het college andere inzamelaars aanwijzen die
                        belast zijn met afzonderlijke inzameling van categorieën huishoudelijke
                        afvalstoffen. </al><al>3.Het college kan aan het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen
                        voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van de bescherming van
                        het milieu. </al><al>4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                        beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.</al><al>Artikel 4:22 Afzonderlijke inzameling</al><al>1.Door de inzameldienst of andere inzamelaars worden de volgende categorieën
                        huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld:</al><al>a.groente-, fruit- en tuinafval;</al><al>b.klein chemisch afval; </al><al>c.glas;</al><al>d.papier en karton;</al><al>e.kunststof verpakkingen;</al><al>f.textiel;</al><al>g.elektrische en elektronische apparatuur; </al><al>h.asbest en asbesthoudend materiaal;</al><al>i.grof huishoudelijk afval; </al><al>j.huishoudelijk restafval.</al><al>2.Het college kan een omschrijving vaststellen van de categorieën
                        huishoudelijke afvalstoffen. </al><al>Artikel 4:23 Inzamelmiddelen en -voorzieningen</al><al>1.De inzameling kan plaatsvinden door middel van inzamelmiddelen en
                        inzamelvoorzieningen.</al><al>2.Het college kan bepalen door middel van welk al dan niet van gemeentewege
                        verstrekt inzamelmiddel of met gebruikmaking van welke inzamelvoorziening de
                        inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen
                        plaatsvindt. </al><al>3.Het college kan regels stellen omtrent de inzamelmiddelen en
                        -voorzieningen en omtrent de verstrekking of beschikbaarstelling ervan.</al><al>4.In afwijking van artikel 10.21 van de wet (inzameling bij elk perceel) kan
                        op grond van artikel 10.26, eerste lid 1, sub a van de wet inzameling nabij
                        elk perceel c.q. percelen plaatsvinden in het belang van een doelmatige
                        inzameling van huishoudelijke afvalstoffen en mits de maximale afstand van
                        de perceelsgrens tot de plaats van inzameling niet meer bedraagt dan 75
                        meter.</al><al>5.Het college kan nadere regels stellen omtrent het bepaalde in het vierde
                        lid. Daarbij kan worden bepaald dat in uitzonderlijke situaties de afstand
                        van 75 meter mag worden verruimd tot maximaal 125 meter.</al><al>Artikel 4:24 Frequentie van inzameling</al><al>1.Huishoudelijk restafval en groente-, fruit- en tuinafval worden ten minste
                        eenmaal per week bij elk perceel ingezameld.</al><al>2.Het college kan besluiten deze inzamelingen in regelmatige afwisseling te
                        doen plaatsvinden.</al><al>3.Het college kan de frequentie van inzameling vaststellen van de overige
                        categorieën huishoudelijke afvalstoffen.</al><al>4.Het college kan vanwege voortschrijdend inzicht of nieuwe ontwikkelingen
                        besluiten om bij wijze van proef af te wijken van het tweede en derde
                        lid.</al><al>5.Het college stelt de dagen en tijden vast waarop categorieën
                        huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld alsmede afwijkingen daarvan in
                        verband met feestdagen en dergelijke. </al><al>Artikel 4:25 Inzamelverbod behoudens aanwijzing</al><al>1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor de inzameldienst en andere inzamelaars. </al><al><onderstreept>Paragraaf 3 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                            afvalstoffen</onderstreept></al><al>Artikel 4:26 Aanbiedverbod</al><al>1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden
                        aan een ander dan de inzameldienst en andere inzamelaars. </al><al>2.Behoudens het bepaalde in artikel 4:33, tweede lid is het verboden andere
                        categorieën afvalstoffen dan huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden aan
                        de inzameldienst. </al><al>Artikel 4:27 Aanbiedverbod anderen dan gebruikers van percelen</al><al>1.Het is anderen dan de gebruiker van een perceel verboden om huishoudelijke
                        afvalstoffen ter inzameling aan te bieden. </al><al>2.Het is aan personen die geen woon- of verblijfplaats in de gemeente
                        Apeldoorn hebben, verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te
                        bieden of achter te laten. </al><al>3.Het is anderen dan hen aan wie een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is
                        toegewezen, verboden hun afvalstoffen ter inzameling aan te bieden door
                        middel van dit inzamelmiddel of deze inzamelvoorziening.</al><al>Artikel 4:28 Afzonderlijk aanbieden</al><al>1.Het is verboden om de categorieën huishoudelijke afvalstoffen zoals
                        genoemd in artikel 4:22, eerste lid, anders dan afzonderlijk ter inzameling
                        aan te bieden.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor categorieën van personen die zijn aangewezen in
                        door het college te stellen regels.</al><al>Artikel 4:29 Ter inzameling aanbieden</al><al>1.Behoudens het gebruik van inzamelvoorzieningen zoals een wijkcontainer of
                        een brengdepot is het de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens
                        artikel 4:23, tweede lid een inzamelmiddel of een inzamelvoorziening is
                        aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan
                        met gebruikmaking van het betreffende inzamelmiddel of de betreffende
                        inzamelvoorziening.</al><al>2.Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen met
                        gebruikmaking van een inzamelmiddel of inzamelvoorziening aan te bieden, dan
                        de categorie waarvoor dit inzamelmiddel of deze inzamelvoorziening is
                        bestemd. </al><al>3.Het college kan regels stellen omtrent het gebruik van inzamelmiddelen en
                        -voorzieningen.</al><al>4.Het college kan regels stellen omtrent de plaats waar en de wijze waarop
                        huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. </al><al>5.Het college kan categorieën huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen die
                        zonder inzamelmiddel ter inzameling kunnen worden aangeboden.</al><al>6.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op een andere plaats en wijze
                        ter inzameling aan te bieden dan bij of krachtens dit artikel is
                        bepaald.</al><al>Artikel 4:30 Dagen en tijden</al><al>Het is verboden categorieën huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en
                        tijden ter inzameling aan te bieden dan bij of krachtens artikel 4:24,
                        vijfde lid is bepaald. </al><al>Artikel 4:31 Bijzondere gevallen</al><al>In afwijking van hetgeen bij of krachtens deze paragraaf is bepaald kan het
                        college regels stellen omtrent het in bijzondere gevallen ter inzameling
                        aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen.</al><al><onderstreept>Paragraaf 4 Bedrijfsafvalstoffen</onderstreept></al><al>Artikel 4:32 Inzameling door de inzameldienst</al><al>Het college kan categorieën bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die door de
                        inzameldienst worden ingezameld. </al><al>Artikel 4:33 Ter inzameling aanbieden aan de inzameldienst</al><al>1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de
                        inzameldienst.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor de krachtens artikel 4:32 aangewezen
                        bedrijfsafvalstoffen, voor zover degene die gebruik maakt van de
                        inzameldienst voldoet aan de daarmee ontstane belastingplicht op grond van
                        de Verordening afvalstoffenheffing gemeente Apeldoorn of anderszins aan de
                        betalingsverplichting voldoet.</al><al>3.Het college kan regels stellen omtrent de dagen en tijden, plaatsen waar
                        en wijzen waarop de krachtens artikel 4:32 aangewezen bedrijfsafvalstoffen
                        aan de inzameldienst ter inzameling kunnen worden aangeboden. </al><al>4.Het is verboden de krachtens artikel 4:32 aangewezen bedrijfsafvalstoffen
                        ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels. </al><al>Artikel 4:34 Ter inzameling aanbieden aan een ander</al><al>1.Het college kan regels stellen omtrent het ter inzameling aanbieden van
                        bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst en andere
                        inzamelaars. </al><al>2.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in
                        strijd met deze regels. </al><al>3.Het college kan regels stellen omtrent het bewaren van
                        bedrijfsafvalstoffen in afwachting van periodieke inzameling.</al><al><onderstreept>Paragraaf 5 Diffuse milieuverontreiniging</onderstreept></al><al>Artikel 4:35 Zwerfafval en afvaldumping</al><al>1.Het is verboden buiten een daarvoor door het college aangewezen plaats en
                        buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een afvalstof, stof
                        of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te
                        laten of anderszins te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot
                        nadelige gevolgen voor het milieu.</al><al>2.Het verbod is niet van toepassing op het overeenkomstig deze afdeling ter
                        inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen
                        en op het thuis composteren van groente-, fruit- en tuinafval.</al><al>3.Het verbod geldt niet voor zover de Wet bodembescherming of het Besluit
                        Bodemkwaliteit voorziet in de beoogde bescherming van het milieu.</al><al>4.Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie
                        de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid geacht te
                        hebben gehandeld in strijd met dit artikel.</al><al>Artikel 4:36 Straatafval</al><al>1.Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten zonder
                        gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of
                        voorgeschreven bakken, manden en dergelijke.</al><al>2.Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in
                        de voorgeschreven bakken, manden en dergelijke.</al><al>Artikel 4:37 Ter inzameling gereed staande afvalstoffen</al><al>1.Voor anderen dan de inzameldienst, andere inzamelaars, toezichthouders als
                        bedoeld in artikel 6:2 en opsporingsambtenaren is het verboden
                        huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen alsmede de daartoe gebruikte
                        inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen die ter inzameling gereed staan, te
                        doorzoeken of mee te nemen. </al><al>2.Het is verboden tegen afvalstoffen, inzamelmiddelen en
                        inzamelvoorzieningen die ter inzameling gereed staan, te stoten, te
                        schoppen, deze omver te werpen of anderszins te behandelen waardoor er
                        zwerfafval ontstaat.</al><al>Artikel 4:38 Afvalbakken inrichtingen voor eet- en drinkwaren</al><al>De houder of beheerder van een inrichting waar eet- of drinkwaren worden
                        verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht:</al><al>a.een afvalbak of soortgelijk inzamelmiddel in of nabij de inrichting op een
                        duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan
                        achterlaten;</al><al>b.zorg te dragen dat dit inzamelmiddel van een zodanige constructie is dat
                        het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat dit inzamelmiddel steeds
                        tijdig wordt geleegd;</al><al>c.zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de
                        inrichting en overigens terstond op eerste aanzegging van een toezichthouder
                        als bedoeld in artikel 6:2, in de nabijheid van de inrichting achtergebleven
                        afval, voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, wordt
                        opgeruimd.</al><al>Artikel 4:39 Reclamebiljetten en ander promotiemateriaal</al><al>Degene die in de openbare ruimte reclamebiljetten of ander promotiemateriaal
                        onder het publiek verspreidt, is verplicht deze biljetten of dit materiaal
                        of de verpakking daarvan terstond op te ruimen of te laten opruimen, indien
                        deze/dit in de omgeving van de plaats van verspreiding op de weg of een
                        andere voor het publiek toegankelijke plaats worden/ wordt weggeworpen.</al><al>Artikel 4:40 Vervoeren, laden, lossen, andere werkzaamheden</al><al>1.Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te vervoeren,
                        te laden, te lossen of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt
                        verontreinigd of nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan.</al><al>2.Indien bij de in het eerste lid bedoelde activiteiten de weg is
                        verontreinigd of nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan, is degene
                        die de activiteiten verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht de weg te
                        reinigen of te laten reinigen respectievelijk de nadelige gevolgen voor het
                        milieu ongedaan te maken:</al><al>a.direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de verontreiniging
                        gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van de weg
                        oplevert;</al><al>b.direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de verontreiniging geen
                        gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van de weg
                        oplevert;</al><al>c.elke dag direct na beëindiging van de werkzaamheden indien de
                        werkzaamheden langer dan een dag duren;</al><al>d.zo spoedig mogelijk na het ontstaan van de nadelige gevolgen voor het
                        milieu.</al><al><onderstreept>Paragraaf 6 Opslag afval en afgifte autowrakken</onderstreept></al><al>Artikel 4:41 Opslagverbod afvalstoffen</al><al>1.Het is verboden afvalstoffen en daarmee uit oogpunt van visuele hinder en
                        andere nadelige- gevolgen voor het milieu gelijk te stellen stoffen of
                        voorwerpen, op een voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en
                        buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op te slaan of
                        opgeslagen te hebben.</al><al>2.Het verbod is ook van toepassing op niet voor het publiek zichtbare
                        plaatsen indien de volksgezondheid in het geding is.</al><al>3.Het verbod is niet van toepassing op een door het college aangewezen
                        plaats. Daarbij kunnen regels worden gesteld ter bescherming van het milieu. </al><al>Artikel 4:42 Afgifte autowrakken</al><al>Het is de eigenaar of kentekenhouder verboden zich te ontdoen van een
                        autowrak, dat afkomstig is van een huishouden, anders dan overeenkomstig
                        artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken.</al><al>[Artikel 4.6.1 huidige APV Bescherming groenvoorzieningen is geschrapt]
                        (wijkt af van huidige APV)</al><al>[Artikel 4.7.1 huidige APV Aanwijzing toezichthoudende instantie is
                        geschrapt] (wijkt af van huidige APV)</al><al><vet>Afdeling 7 Afvoer hemelwater</vet></al><al>Artikel 4:43 Begripsbepaling </al><al> In deze afdeling wordt verstaan onder beheerder van het openbaar riool: het
                        college.</al><al></al><al>Artikel 4:44 Plicht tot afkoppelen </al><lijst><li nr="1."><al>De beheerder van het openbaar riool kan een gebied aanwijzen
                                waarbinnen het verboden is een hemelwaterafvoerleiding aan te
                                sluiten of aangesloten te houden op het openbaar vuilwaterriool.
                            </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om een
                                afvoerleiding voor hemelwater, die op het tijdstip van
                                inwerkingtreding van de gebiedsaanwijzing op het openbaar
                                vuilwaterriool is aangesloten, gedurende een termijn van 12 maanden
                                na die inwerkingtreding aangesloten te houden op het openbaar
                                vuilwaterriool.</al></li><li nr="3."><al>Bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing houdt de beheerder van
                                het openbaar riool rekening met het gemeentelijk
                                rioleringsplan.</al></li><li nr="4."><al>De gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de dag waarop
                                zij bekend is gemaakt.</al></li><li nr="5."><al>De beheerder van het openbaar riool kan ontheffing verlenen van de
                                verplichting tot afkoppelen die voortvloeit uit de
                                gebiedsaanwijzing, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf
                                of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het
                                hemelwater kan worden gevergd.</al><al>6. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3:4 van
                                de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></li></lijst><al></al><al></al><al><onderstreept>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                            gemeente</onderstreept></al><al><cursief>Afdeling 1 Parkeerexcessen</cursief></al><al>Artikel 5:1 Begripsbepalingen </al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van
                                kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). </al></li></lijst><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. </al><lijst><li nr="1."><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                        lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                        personen tegen betaling.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: </al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                        worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen,
                                        en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor
                                        deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid
                                        bedoelde persoon.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte
                                van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te
                                verhuren of te verhandelen, verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                        toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met
                                        een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze
                                        voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al> Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing</al></li></lijst><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</al><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te
                        verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan 72 uur
                        achtereen op de weg te parkeren.</al><al>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat
                                van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                verkeert op de weg te parkeren. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                                door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst><al>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. </al><al>Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen,
                        aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie
                        dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden
                        wordt gebezigd langer dan 72 uren achtereen binnen de bebouwde kom op de weg
                        te plaatsen of te hebben.</al><al>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van
                                handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om
                                daarmee handelsreclame te maken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter te parkeren op een weg gelegen in de bebouwde kom.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>autobussen;</al></li><li nr="b."><al>campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor
                                        zover deze voertuigen niet langer dan 72 uur achtereen op de
                                        weg worden geplaatst of gehouden.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Dit verbod geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van
                                        08.00 uur tot 19.00 uur;</al></li><li nr="b."><al>op de door het college aangewezen weggedeelten met een
                                        maximum van 72 uur achtereen;</al></li><li nr="c."><al>in de bebouwde kom van de tot de gemeente Apeldoorn
                                        behorende dorpen, met uitzondering van Beekbergen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen </al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of
                                plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                groenstrook of het daarin te doen of laten staan.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of
                                        vanwege de overheid; en</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                        terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk
                                aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast,
                                of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen
                                plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor
                                bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al></li><li nr="2."><al>Indien de daarvoor bestemde ruimten en plaatsen zijn voorzien van
                                rekken, dient de fiets of bromfiets in een rek te worden geplaatst.
                            </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 5:5 is het is verboden
                                fietsen en bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van
                                onderhoud en tevens in een verwaarloosde toestand verkeren, op een
                                openbare plaats te laten staan.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen
                                fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde
                                periode onafgebroken te laten staan.</al></li></lijst><al><cursief>Afdeling 2 Collecteren</cursief></al><al>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen (lid 4 wijkt van huidige
                        APV)</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                intekenlijst aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het
                                bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen
                                wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of
                                ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling, die</al><lijst><li nr="a."><al>in besloten kring wordt gehouden, of</al></li><li nr="b."><al>wordt gehouden door een instelling met een CBF-keurmerk,
                                        of</al></li><li nr="c."><al>wordt gehouden door een vereniging met haar statutaire zetel
                                        in de gemeente Apeldoorn en de inzameling slechts in één van
                                        de stadsdelen of dorpen wordt gehouden.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al><cursief>Afdeling 3 Venten</cursief></al><al>Artikel 5:14 Begripsbepaling</al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening
                                van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht
                                gelegen plaats of aan huis.</al></li><li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen in het kader van de
                                        exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                        Winkeltijdenwet; </al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                        dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten
                                        als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                        Gemeentewet of artikel 5:22;</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                        dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als
                                        bedoeld in artikel 5:17.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 5:15 Ventverbod </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                komt. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te
                                venten: </al><lijst><li nr="a."><al>op Nieuwjaarsdag, eerste Paasdag, eerste Pinksterdag en
                                        eerste Kerstdag;</al></li><li nr="b."><al>op zon- en feestdagen van 00.00 tot 12:00 en van 18:00 tot
                                        24:00, voor zover er niet tevens sprake is van een feestdag
                                        genoemd onder a. </al></li><li nr="c."><al>van maandag tot en met zaterdag tussen 22.00 uur en 9.00
                                        uur.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het tweede lid, aanhef en onder a en b, is niet van
                                toepassing op het te koop aanbieden en verkopen van voor directe
                                consumptie geschikte etenswaren en alcoholvrije dranken voor zover
                                dit plaatsvindt tussen 9.00 en 22.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Het college is bevoegd wegen aan te wijzen waarop uit het oogpunt
                                van de in het eerste lid genoemde belangen niet gevent mag
                                worden.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet</al></li><li nr="6."><al>Het verbod bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het
                                venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en
                                gevoelens worden geopenbaard. </al></li></lijst><al>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting </al><al>[gereserveerd]</al><al></al><al><cursief>Afdeling 4 Standplaatsen</cursief></al><al>Artikel 5:17 Begripsbepaling </al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                        wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een
                                        kraam, een wagen of een tafel; </al></li><li nr="b."><al>anderszins goederen uitstallen of uitgestald te hebben om
                                        deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken
                                        aan publiek.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in
                                        artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                        Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                        2:24.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in
                                te nemen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                voorbereidingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden
                                geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband
                                        met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                        welstand;</al></li><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                        gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te
                                        verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor
                                        een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk
                                        verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar
                                        komt. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</al><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop
                        zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.</al><al>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</al><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op
                                situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet
                                beheer rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement.</al></li><li nr="2."><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van
                                toepassing op bouwwerken.</al></li></lijst><al>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</al><al>[gereserveerd]</al><al><cursief>Afdeling 5 Snuffelmarkten</cursief></al><al>Artikel 5:22 Begripsbepaling (dit artikel wijkt af van de huidige APV)</al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een
                                voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands
                                en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden
                                aangeboden vanaf een standplaats.</al></li><li nr="2."><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste
                                        lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                snuffelmarkt te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg
                                geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de
                                Winkeltijdenwet.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                voorbereidingsbesluit.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing. </al></li></lijst><al><vet></vet><vet><cursief>Afdeling 6 Openbaar water</cursief></vet></al><al>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</al><lijst><li nr="1."><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden
                                een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar
                                water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn
                                omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar
                                oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het
                                doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt
                                voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water
                                te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding
                                aan het college.</al></li><li nr="3."><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van
                                de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                voorwerp.</al></li><li nr="4."><al>Van de melding wordt openbaar kennis gegeven.</al></li><li nr="5."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet,
                                het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of het
                                bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.</al></li></lijst><al>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                stellen buiten door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                water.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                                een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op de krachtens het
                                eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: </al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                        volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien
                                        van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de
                                Provinciale landschapsverordening.</al></li></lijst><al>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25 bepaalde
                                kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen
                                geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een
                                ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid,
                                veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege
                                het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen,
                                veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde is niet van toepassing op
                                situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de
                                Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement,
                                de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening.</al></li></lijst><al>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</al><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te
                        stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid bepaalde.</al><al>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te
                                brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare
                                wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen,
                                oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen,
                                gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen,die bij de
                                gemeente in beheer zijn.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                                door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet of de
                                Provinciale vaarwegenverordening.</al></li></lijst><al>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</al><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij
                        het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor
                        dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al><al>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                daarin te begeven of te bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig,
                                liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</al></li></lijst><al><cursief>Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                            natuurgebieden</cursief></al><al>Artikel 5:31A Begripsbepalingen</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a.motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van
                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al><al>b.bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder
                        e, van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al>Artikel 5:32 Crossterreinen (wijkt af van de huidige APV)</al><al>[gereserveerd]</al><al></al><al>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden,
                                parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen
                                te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets
                                of een fiets of een paard.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen
                                voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: </al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                        hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                        lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de
                                        bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                        exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                        bedoeld;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                        wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                        percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het
                                        eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging
                                        van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al>op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid
                                        bedoelde gebieden of terreinen;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                        'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien van
                                        motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                        aangewezen als 'toestel'.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al><cursief>Afdeling 8 Verbod vuur te stoken</cursief><cursief></cursief></al><al>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                        anderszins vuur te stoken</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                                inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur
                                aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                omgeving, is het verbod niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                        dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                        afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></li></lijst></li><li nr="3."><lijst><li nr="."><al>Het verbod is eveneens niet van toepassing in de periode van
                                        31 december 10.00 uur tot 1 januari 2.00 uur op het stoken
                                        van een vuur in een oliedrum (brandvat) met een maximale
                                        inhoud van 200 liter, mits wordt voldaan aan de door het
                                        college vast te stellen voorwaarden voor inhoud,
                                        brandplaats, omgeving en afstanden. </al></li></lijst><al></al></li><li nr="4."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden
                                geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></li><li nr="6."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                                door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van
                                Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></li><li nr="7."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing</al></li></lijst><al><cursief>Afdeling 9 </cursief><cursief>Verstrooiing van a</cursief><cursief>s</cursief></al><al>[gereserveerd]</al><al><vet></vet><vet><cursief>Afdeling</cursief></vet><vet><cursief></cursief></vet><vet><cursief>10 </cursief></vet><vet><cursief>S</cursief></vet><vet><cursief>traatnaamborden, huisnummer e.d. </cursief></vet></al><al><vet>A</vet><vet>rtikel</vet><vet> 5:38</vet><vet> Begrips</vet><vet>bepalingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>adres: door het college aan een verblijfsobject, een standplaats of
                                een ligplaats toegekende benaming, bestaande uit een combinatie van
                                de naam van een openbare ruimte, een nummeraanduiding en de naam van
                                een woonplaats. </al></li><li nr="b."><al>afgebakend terrein: een terrein met een kunstmatige of natuurlijke
                                afbakening, waarop zich geen verblijfsobjecten bevinden en dat
                                betreedbaar en afsluitbaar is. </al></li><li nr="c."><al>convenant: het tussen de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
                                Ordening en Milieubeheer, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en
                                de Koninklijke TPG Post BV gesloten Kader Convenant en Nader
                                Convenant inzake postcodes. </al></li><li nr="d."><al>nummeraanduiding: door het college als zodanig toegekende aanduiding
                                van een verblijfsobject, een standplaats, een ligplaats en een
                                afgebakend terrein dat bestaat uit een of meer Arabische cijfers, al
                                dan niet met toevoeging van een letter- en/of cijfercombinatie.
                            </al></li><li nr="e."><al>openbare ruimte: door het college als zodanig aangewezen en van een
                                naam voorziene buitenruimte die binnen één woonplaats is gelegen.
                            </al></li><li nr="f."><al>pand: kleinste bij de totstandkoming functioneel en
                                bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam
                                met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. </al></li><li nr="g."><al>rechthebbende: een ieder die krachtens eigendom of een beperkt
                                zakelijk recht of een persoonlijk recht zodanig beschikking heeft
                                over een onroerende zaak dat hij naar burgerlijk recht bevoegd is om
                                in die zaak te handelen zoals in deze afdeling is voorgeschreven,
                                alsmede de beheerder. </al></li><li nr="h."><al>standplaats: door het college als zodanig aangewezen terrein of een
                                gedeelte daarvan dat is bestemd voor het permanent plaatsen van een
                                niet direct en duurzaam met de aarde verbonden en voor woon-,
                                bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte ruimte. </al></li><li nr="i."><al>uitvoeringsvoorschriften: nadere bepalingen inzake naamgeving en
                                nummering (adressen). </al></li><li nr="j."><al>verblijfsobject: de kleinste binnen één of meerdere panden gelegen
                                en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte
                                eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare
                                toegang vanaf de weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, die
                                onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in
                                functioneel opzicht zelfstandig is. </al></li><li nr="k."><al>wijk- en buurtindeling: een indeling van de gemeente in wijken en
                                buurten conform de eisen die het CBS aan deze indeling verbindt.
                            </al></li><li nr="l."><al>woonplaats: door het college als zodanig aangewezen en van een naam
                                voorzien gedeelte van het grondgebied van de gemeente. </al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>5:39</vet><vet> Woonplaats</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt de grens en de naam van de woonplaats(en) vast en
                                kan desgewenst de woonplaats(en), al dan niet op basis van
                                bouwblokken, in wijken en buurten verdelen en aanduiden met namen,
                                zo nodig met letters en nummers. </al></li><li nr="2."><al>Het college kent per woonplaats namen toe aan delen van de openbare
                                ruimte en zonodig aan gemeentelijke gebouwen en bouwwerken. </al></li><li nr="3."><al>Onder vaststellen, verdelen, aanduiden en toekennen, zoals bedoeld
                                in het eerste en tweede lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en
                                intrekken daarvan.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>5:40</vet><vet> Ligplaats en standplaats</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt de ligplaatsen en standplaatsen vast. </al></li><li nr="2."><al>Het college kent binnen het grondgebied van de gemeente nummers toe
                                aan verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen. </al></li><li nr="3."><al>Het college bepaalt de afbakening van panden, verblijfsobjecten,
                                standplaatsen en ligplaatsen. </al></li><li nr="4."><al>De toekenning of afbakening, zoals bedoeld in het tweede en derde
                                lid, kan ook op voor personen toegankelijke objecten, zijnde niet
                                verblijfsobjecten of op afgebakende terreinen worden toegepast,
                                indien dat naar oordeel van het college noodzakelijk is.</al></li><li nr="5."><al>Onder vaststellen, toekennen en bepalen zoals bedoeld in het eerste
                                tot en met vierde lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en
                                intrekken daarvan.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>5:41</vet><vet> Aanbrengen van namen en nummers</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De door het college toegekende namen als vervat in artikel 5:39
                                worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in
                                voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. </al></li><li nr="2."><al>Aan objecten, zoals aangegeven in artikel 5:40 waarvoor een nummer
                                is vastgesteld moet dat nummer op een doeltreffende wijze zijn
                                aangebracht. </al></li><li nr="3."><al>Het is een ieder die daartoe niet bevoegd is, verboden namen aan de
                                openbare ruimte en woonplaatsen, wijken en buurten toe te kennen
                                door deze op zichtbare wijze aan te brengen. </al></li><li nr="4."><al>Het is een ieder die daartoe niet bevoegd is, verboden aan een pand
                                of verblijfsobject, standplaats of ligplaats of afgebakend terrein
                                nummers toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te
                                brengen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel</vet><vet> 5:42</vet><vet> Gedoogplicht naamborden</vet><vet></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of
                                buurtaanduiding, borden met namen van de openbare ruimte,
                                naamverwijsborden, nummerborden, nummerverzamelborden en andere
                                (verwijs)aanduidingen aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal,
                                schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht,
                                is de rechthebbende verplicht toe te laten dat de hier bedoelde
                                borden vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van
                                het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of
                                verwijderd. </al></li><li nr="2."><al>Indien het college het noodzakelijk acht om een naambord, waarop de
                                vervallen naam is doorgehaald, tijdelijk naast het naambord met de
                                nieuwe naam te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten als
                                daaraan door het college een termijn van niet langer dan een jaar is
                                verbonden. </al></li><li nr="3."><al>De rechthebbende zorgt er voor dat de in het eerste en tweede lid
                                bedoelde borden vanaf de weg duidelijk leesbaar blijven.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>5:43 </vet><vet>Verplichting tot aanbrengen van nummerborden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tenzij het college anders heeft besloten, zorgt de rechthebbende van
                                een object er voor dat de nummers, zoals bedoeld in artikel 5:40
                                tweede lid, worden aangebracht op een wijze zoals krachtens artikel
                                5:44 is bepaald. </al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende draagt er zorg voor dat de in het eerste lid
                                genoemde nummers binnen vier weken na kennisgeving van het besluit
                                van het college zijn aangebracht. </al></li><li nr="3."><al>Indien verblijfsobjecten, ligplaatsen, standplaatsen of een
                                afgebakend terrein nog niet zijn voltooid, wordt het nummer binnen
                                vier weken na voltooiing aangebracht. </al></li><li nr="4."><al>Indien het college heeft besloten om een nummerbord, waarop het
                                vervallen nummer is doorgehaald, naast het nummerbord met het nieuwe
                                nummer te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten of daar
                                uitvoering aan geven als daaraan door het college een termijn van
                                niet langer dan een jaar is verbonden. </al></li><li nr="5."><al>Het college kan de in het tweede en derde lid genoemde termijn
                                verlengen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>5:44 </vet><vet>Uitvoeringsvoorschriften</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 11 Kamerverhuurpanden</onderstreept></vet></al><al></al><al><vet>Artikel 5.45 Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>eigenaar: degene die bevoegd is tot het in gebruik geven van
                                woonruimte of een gebouw. Onder ‘eigenaar in de zin van het
                                Burgerlijk Wetboek’ wordt in deze verordening en de daarop
                                berustende bepalingen mede verstaan: de erfpachter, vruchtgebruiker,
                                gerechtigde tot een appartementsrecht als bedoeld in
                                    <onderstreept>artikel 106 van Boek 5 van het Burgerlijk
                                    Wetboek</onderstreept>, of degene aan wie door een rechtspersoon
                                het gebruiksrecht van een woonruimte is verleend;</al></li><li nr="b."><al>huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een
                                gemeenschappelijke huishouding voeren;</al></li><li nr="c."><al>woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet samen met een of meer
                                andere ruimten bestemd of geschikt is voor bewoning door een
                                huishouden;</al></li><li nr="d."><al>zelfstandige woonruimte: woonruimte die een eigen toegang heeft en
                                die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit
                                afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die
                                woonruimte;</al></li><li nr="e."><al>kamerverhuurpand: gebouw of een deel van een gebouw met of geschikt
                                te maken voor drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip
                                logiesgebouw of logiesverblijf als bedoeld in het Bouwbesluit, welke
                                kamers als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door
                                niet in het verband van een huishouden levende personen. Begeleid
                                wonen wordt niet beschouwd als kamerverhuurpand;</al></li><li nr="f."><al>onzelfstandige woonruimte: een verblijfsruimte die door de aard van
                                de inrichting en gebruik het privé-domein is van een bewoner die
                                daarbij is aangewezen op het gebruik van gemeenschappelijke
                                voorzieningen. Begeleid wonen valt niet onder deze definitie;</al></li><li nr="g."><al>gemeenschappelijke voorzieningen: ruimten, opstelplaatsen,
                                aansluitingen, installaties, apparatuur en dergelijke die gebruikt
                                kunnen worden door de bewoners van drie of meer onzelfstandige
                                woonruimtes; </al></li><li nr="h."><al>omzetting: het omzetten van een zelfstandige woonruimte in een
                                onzelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="i."><al>bewoning: met bestemming tot bewoning wordt bedoeld dat men daar
                                permanent woont en daar zijn hoofdverblijf heeft, zoals bedoeld in
                                de Wet basisregistratie personen;</al></li><li nr="j."><al>omzettingsvergunning: de vergunning vereist voor het omzetten van
                                een zelfstandige woonruimte in een onzelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="k."><al>buurtindeling: de indeling volgens de CBS wijk- en buurtindeling van
                                de gemeente Apeldoorn;</al></li><li nr="l."><al>gebruiksoppervlaktemaat: de maat van de gebruiksoppervlakte als
                                bedoeld in NEN 2580; </al></li><li nr="m."><al>bijzonder woningcomplex: samengesteld geheel van tenminste drie
                                zelfstandige of onzelfstandige woonruimtes;</al></li><li nr="n."><al>buurt: deel van een wijk volgens de wijk- en buurtindeling van de
                                gemeente Apeldoorn, laatstelijk vastgesteld door de gemeenteraad
                                d.d. 29 november 2001.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5.46 Werkingsgebied</vet></al><al>Het bepaalde in deze afdeling is van toepassing op alle woonruimte in
                        bestaande en nieuwe gebouwen in de gemeente Apeldoorn met uitzondering van
                        die gebieden binnen de gemeente Apeldoorn waar een bestemmingsplan geldt met
                        een specifieke regeling voor kamerverhuurpanden.</al><al></al><al><vet>Artikel 5.47 Vergunningvereiste</vet></al><al>Het is verboden om een zelfstandige woonruimte, gelegen in het in artikel
                        5.46 genoemde werkingsgebied, zonder vergunning van het college om te zetten
                        in drie of meer onzelfstandige woonruimtes dan wel zelfstandige woonruimte
                        als kamerverhuurpand te exploiteren of te doen exploiteren.</al><al></al><al><vet>Artikel 5.48 Aanvragen voor een omzettingsvergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag voor een omzettingsvergunning wordt door de eigenaar in
                                drievoud ingediend bij het college op een door het college
                                vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2."><al>Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens en
                                bescheiden overgelegd: </al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>bewijs van eigendom van de woonruimte en, voor zover van toepassing,
                                bewijs dat de aanvrager gerechtigd is tot de gevraagde
                                omzetting;</al></li><li nr="b."><al>een plattegrond van de bestaande situatie voorzien van
                                gebruiksoppervlaktematen;</al></li><li nr="c."><al>een plattegrond van de gewijzigde situatie voorzien van
                                gebruiksoppervlaktematen waarbij is aangegeven welke ruimten als
                                afzonderlijke woonruimte zullen worden gebruikt.</al></li><li nr=""><al></al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het college is bevoegd om in het belang van het nemen van een
                                beslissing op de aanvraag voor een omzettingsvergunning aanvullende
                                gegevens en bescheiden te vragen.</al></li><li nr="4."><al>Aan de aanvrager wordt binnen een week na de datum van ontvangst van
                                de aanvraag een ontvangstbevestiging gestuurd waarin de datum van
                                ontvangst is vermeld.</al></li><li nr="5."><al>Van de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde
                                bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen,
                                kan slechts gebruik worden gemaakt, indien de aanvrager binnen vier
                                weken na de ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld
                                de aanvraag aan te vullen. De door het college ingevolge dat artikel
                                te stellen termijn bedraagt vier weken.</al></li><li nr="6."><al>De beschikking wordt genomen binnen twaalf weken na de dag waarop de
                                aanvraag is ontvangen. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) is niet van toepassing. </al></li><li nr="7."><al>Het college verleent de gevraagde omzettingsvergunning voor een in
                                de beschikking aan te geven maximale termijn die niet langer kan
                                zijn dan vijf jaar en na verloop van een periode van vijf jaar met
                                inachtneming van artikel 5.49 van deze verordening op aanvraag
                                telkens met een nieuwe periode van maximaal vijf jaar kan worden
                                verlengd.</al></li><li nr="8."><al>Bij het verlopen van de in het vorige lid genoemde periode vervalt
                                de omzettingsvergunning van rechtswege. </al></li><li nr="9."><al> In de omzettingsvergunning vermeldt het college de volgende
                                informatie: </al><lijst><li nr="a."><al>het adres van de woonruimte waarop de vergunning betrekking
                                        heeft;</al></li><li nr="b."><al>de eigenaar van de woonruimte waarop de vergunning
                                        betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft; </al></li></lijst><al>het aantal onzelfstandige woonruimten dat gecreëerd mag worden</al><al></al></li><li nr="10."><al>Aan een omzettingsvergunning worden in ieder geval de volgende
                                voorschriften verbonden:</al><lijst><li nr="a."><al>onverminderd het bepaalde in de Woningwet mogen er geen
                                        ingrijpende verbouwingen worden uitgevoerd die de
                                        geschiktheid om als woonruimte te kunnen dienen aantasten;
                                    </al></li><li nr="b."><al>de vergunninghouder stelt het college in kennis van de
                                        feitelijke beëindiging van het gebruik waarvoor de
                                        omzettingsvergunning is verleend.</al></li></lijst></li><li nr="11."><al>Een omzettingsvergunning is gebonden aan de woonruimte waarvoor die
                                vergunning is verleend en kan op verzoek van de eigenaar of een
                                rechtverkrijgende worden overgeschreven op naam van een ander dan
                                degene op wiens naam de vergunning is gesteld.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5.49 Gronden tot weigering van een omzettingsvergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 1:8 weigert het college een vergunning,
                                indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat
                                verlening van de omzettingsvergunning leidt tot een ontoelaatbare
                                inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in het gebouw en in de
                                omgeving van het gebouw. Hiervan is in ieder geval sprake
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 5% van de tot bewoning bestemde gebouwen in de
                                        buurten ‘Binnenstad’ en ‘De Haven’ en tenminste 1% van de
                                        tot bewoning bestemde gebouwen in de overige buurten volgens
                                        de CBS wijk- en buurtindeling van de gemeente Apeldoorn
                                        wordt gebruikt voor huisvesting als bedoeld in artikel 5.47,
                                        of</al></li><li nr="b."><al>de aanvraag betrekking heeft op een pand dat, rondom dat
                                        pand gemeten vanaf de dichtstbijzijnde gevelwanden, is
                                        gelegen op minder dan vijftig meter van een geregistreerd
                                        kamerverhuurpand, rondom gemeten van gevel tot gevel, dan
                                        wel van een pand waarvoor een aanvraag tot registratie of
                                        omzettingsvergunning is ingediend. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het afstandscriterium zoals genoemd in het eerste lid, onder b, van
                                dit artikel wordt niet toegepast in de buurten ‘Binnenstad’ en ‘De
                                Haven’.</al></li><li nr="3."><al>Het college weigert een vergunning tevens, indien het beoogde
                                gebruik in strijd is met het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid,
                                onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5.50 Bijzonder woningcomplex</vet></al><al>Het college kan in afwijking van artikel 5.49 een omzettingsvergunning
                        verlenen: </al><al>a. wanneer de aanvraag een bijzonder woningcomplex betreft, en </al><al>b. de aanvraag alle ruimten van het bijzondere woningcomplex betreft. </al><al></al><al><vet>Artikel 5.51 Intrekken van de omzettingsvergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 1:6 kan het college de omzettingsvergunning
                                intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                        vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of
                                        redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig
                                        waren;</al></li><li nr="b."><al>de aan de vergunning verbonden voorwaarden en voorschriften
                                        niet worden nagekomen;</al></li><li nr="c."><al>de vergunninghouder één jaar na het onherroepelijk worden
                                        van de vergunning daarvan nog geen gebruik heeft gemaakt of
                                        de woonruimte waarvoor de vergunning is verleend langer dan
                                        één jaar niet meer in gebruik is;</al></li><li nr="d."><al>vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat
                                        handhaving van de vergunning zou leiden tot een verstoring
                                        van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, dan wel een
                                        verstoring van een geordend woon- en leefmilieu van het
                                        gebouw waarop de vergunning betrekking heeft;</al></li><li nr="e."><al>het aantal onzelfstandige woonruimten afwijkt van het in de
                                        aanvraag vermelde aantal.</al></li></lijst><al></al></li><li nr="2."><al>Het college gaat niet tot intrekking van de vergunning over, voordat
                                degene tegen wie het besluit tot intrekking wordt genomen bij
                                aangetekende brief in kennis is gesteld dat het voornemens is, dat
                                het de vergunning zal intrekken, indien voor een nader te bepalen
                                datum niet zodanige maatregelen of voorzieningen zijn getroffen, dat
                                alsnog aan de desbetreffende bepalingen van deze verordening wordt
                                voldaan en hij/zij in de gelegenheid is gesteld zich door of namens
                                het college te doen horen.</al></li></lijst><al></al><al></al><al><vet>Artikel 5.52 Hardheidsclausule</vet></al><al>Het college is bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening
                        naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de
                        aanvrager af te wijken van de verordening.</al><al></al><al><vet>Artikel 5.53 Voortzetting gebruik als kamerverhuurpand </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer in een gebied door inwerkingtreding van een bestemmingsplan
                                een specifieke regeling voor kamerverhuurpanden vervalt, mag het
                                gebruik als kamerverhuurpand worden voortgezet indien:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>dit gebruik aantoonbaar bestond op het moment van inwerkingtreding
                                van dit bestemmingsplan;</al></li><li nr="b."><al>dit gebruik in overeenstemming was met het bestemmingsplan, waarin
                                een specifieke regeling voor kamerverhuurpanden was opgenomen
                                en</al></li><li nr="c."><al>binnen drie maanden na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan een
                                vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 5.47 van deze
                                verordening.</al><al></al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Aan de eigenaar van een kamerverhuurpand als bedoeld in het eerste
                                lid wordt geacht een tijdelijke vergunning te zijn verleend vanaf
                                het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan totdat op de
                                aanvraag is beslist.</al></li><li nr="3."><al>Op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid is het bepaalde in
                                artikel 5.49 eerste lid, onder a en b, niet van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in artikel 5.49, eerste lid, onder a en b, is evenmin
                                van toepassing op een aanvraag om verlenging van een
                                omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 5.48, zevende lid, voor
                                zover de aanvraag betrekking heeft op </al><lijst><li nr="a."><al>een kamerverhuurpand als bedoeld in het eerste
                                        lid.<onderstreept></onderstreept></al></li><li nr="b."><al>een kamerverhuurpand dat op 1 januari 2008 aantoonbaar als
                                        zodanig in gebruik was en waarvoor uiterlijk op 21 augustus
                                        2009 een omzettingsvergunning is verleend conform artikel
                                        4.1, eerste lid van de op 1 juli 2015 vervallen Verordening
                                        voor kamerverhuurpanden.</al></li></lijst></li></lijst><al></al><al></al><al><onderstreept>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en
                            slotbepalingen</onderstreept></al><al>Artikel 6:1 Strafbepaling</al><lijst><li nr="1."><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de
                                op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en
                                beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
                                maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden
                                gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van artikel 5:41,
                                tweede en derde lid, artikel 5:42 en artikel 5:43, eerste tot en met
                                vierde lid, gestraft met een geldboete van de eerste categorie.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid is een gedraging in strijd met de
                                volgende artikelen een strafbaar feit in de zin van artikel 1a,
                                onder 3º van de Wet op de economische delicten:2:10, eerste jo.
                                derde lid, aanhef en onder a, 2:11, eerste jo. tweede lid, aanhef en
                                onder a, 2:12, ,4:11,4:25, 4:26, 4:27, 4:28, 4:29, 4:30, 4:33, 4:34,
                                4:35, 4:36, 4:37, 4:38, 4:39, 4:40, 4:41, 4:42.</al></li></lijst><al>Artikel 6:2 Toezichthouders</al><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast: </al><lijst><li nr="1."><al>de ambtenaren die krachtens de Wet milieubeheer belast zijn
                                        met het toezicht op de naleving van voorschriften gegeven
                                        krachtens die wet;</al></li><li nr="2."><al>de ambtenaren die krachtens de Woningwet belast zijn met het
                                        toezicht op de naleving van de bij of krachtens die wet
                                        gegeven voorschriften;</al></li><li nr="3."><al>de ambtenaren die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 zijn
                                        aangewezen;</al></li><li nr="4."><al>de ambtenaren die krachtens de Wetboek van Strafvordering
                                        zijn aangewezen;</al></li><li nr="5."><al>de ambtenaren die krachtens de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht belast zijn met het toezicht op de naleving
                                        van voorschriften gegevens krachtens die wet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen
                                met dit toezicht belasten. </al></li></lijst><al>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</al><lijst><li nr="1."><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing
                                van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                                voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                                veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                                personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder
                                toestemming van de bewoner.</al></li><li nr="2."><al>Zij die belast zijn met de zorg voor de nakoming van een voorschrift
                                van een door de burgemeester op grond van artikel 176 van de
                                Gemeentewet vastgesteld algemeen verbindend voorschrift, zijn
                                bevoegd tot binnentreden in een woning zonder toestemming van de
                                bewoner. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 6:4 Intrekking oude verordening</vet></al><al>De Algemene plaatselijke verordening 2006, vastgesteld op 5 oktober 2006 en
                        laatstelijk gewijzigd op 10 januari 2013 wordt ingetrokken.</al><al></al><al><vet>Artikel 6:5 Overgangsbepalingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                                die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                                verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten
                                kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. </al></li><li nr="2."><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                op grond van artikel 5.2.4 van de verordening bedoeld in artikel 6:4
                                een aanvraag om een vergunning is ingediend voor een snuffelmarkt
                                als bedoeld in artikel 5:24 van deze verordening en voor het
                                tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die
                                aanvraag is beslist, wordt daarop beslist met toepassing van de
                                verordening bedoeld in artikel 6:4</al></li><li nr="3."><al>Op een bezwaar- of beroepschrift over een vergunning als bedoeld in
                                het tweede lid, dat voor of na de inwerkingtreding van deze
                                verordening is binnengekomen, wordt beslist met toepassing van de
                                verordening bedoeld in artikel 6:4.</al></li><li nr="4."><al>Besluiten genomen krachtens de per 1 juli 2015 vervallen Verordening
                                voor kamerverhuurpanden, die golden op het moment van
                                inwerkingtreding van afdeling 11 van hoofdstuk 5 van deze
                                verordening, gelden als besluiten genomen krachtens deze
                                verordening.</al></li></lijst><al></al><al>Artikel 6:6 Inwerkingtreding</al><al>Deze verordening treedt in werking op een door burgemeester en wethouders te
                        bepalen tijdstip. Zij kunnen een ander tijdstip vaststellen voor de
                        inwerkingtreding van Afdeling 8a van Hoofdstuk 2.</al><al></al><al>Artikel 6:7 Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                        2014.</al></enig-artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>