<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR320800_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatregelen WWB, IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-01-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Apeldoorns Stadsblad, d.d. 18 december 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatregelen WWB, IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-10-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-12-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>114-2013</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatregelen WWB, IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete
                2013 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Apeldoorn;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college d.d. ………………………., nr. ………..;</al><al/><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, h en i, 8a en 18 van de
                        Wet werk en bijstand, artikelen 35, eerste lid, onderdeel b,c en d, en 20,
                        tweede lid van de IOAW, alsmede de artikelen 35, eerste lid, onderdeel b, c
                        en d en 20, tweede lid van de IOAZ;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de navolgende <vet>Verordening maatregelen WWB, IOAW, IOAZ
                            en verrekening bestuurlijke boete</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Apeldoorn;</al></li><li nr="b."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Apeldoorn;</al></li><li nr="c."><al>WWB: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="d."><al>IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="e."><al>IOAZ : de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="f."><al>Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen
                                            2004;</al></li><li nr="g."><al>uitkering: bijstand op grond van de WWB, alsmede een
                                            uitkering op grond van de IOAW en de IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als
                                            bedoeld in artikel 5 onderdeel c WWB of, voor zover
                                            sprake is van een IOAW of IOAZ uitkering, de grondslag
                                            van de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW
                                            respectievelijk artikel 5 IOAZ; </al></li><li nr="i."><al>benadelingsbedrag: de uitkering waarop eerder, langer of
                                            tot een hoger bedrag beroep is gedaan door een
                                            belanghebbende;</al></li><li nr="j."><al>maatregel: het tijdelijk verlagen van de uitkering;
                                        </al></li><li nr="k."><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel
                                            18a, vijfde lid van de WWB;</al></li><li nr="l."><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de
                                            artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van
                                            Burgerlijke Rechtsvordering. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De begripsbepalingen van de WWB, IOAW, IOAZ, Bbz, de Algemene
                                    wet bestuursrecht en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten
                                    zijn op deze verordening en de daarop berustende bepalingen van
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de WWB, IOAW, IOAZ, Bbz of
                                de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie voortvloeiende
                                verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder het zich jegens
                                het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                verordening een maatregel opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De oplegging van een maatregel houdt in de verlaging van de
                                uitkering met een bepaald percentage daarvan dan wel het korten van
                                een bepaald bedrag op de uitkering, in beide situaties gedurende een
                                bepaalde periode. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien, </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="b."><al>het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van
                                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid dan wel
                                        schending van één van de verplichtingen, genoemd in WWB of
                                        in de Bbz;</al></li><li nr="c."><al>de bijzondere bijstand bestemd is voor woonkosten en premie
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering en verleend wordt aan
                                        zelfstandigen, die bijstand voor het levensonderhoud
                                        krachtens het Bbz ontvangen, of hebben ontvangen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, het hiermede
                            corresponderende bedrag waarmee de uitkering wordt verlaagd uitgaande
                            van de uitkeringsnorm, het door toepassing van artikel 9, vijfde lid te
                            korten bedrag en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van
                            een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Dit kan
                                zowel schriftelijk door middel van een verklaring als mondeling.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a)"><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al></li><li nr="b)"><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; </al></li><li nr="c)"><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college werkzaamheden
                                        heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken, of </al></li><li nr="d)"><al>in bijzondere situaties geen enkele twijfel bestaat over het
                                        vaststellen van de ernst van de gedraging en/of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien elke
                                vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of de gedraging meer dan zes
                                maanden vóór constatering van die gedraging heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan
                                van de voor die maand geldende uitkeringsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de opgelegde maatregel niet of niet geheel kan worden
                                uitgevoerd omdat de uitkering wordt beëindigd, kan het nog niet
                                uitgevoerde deel van de maatregel alsnog ten uitvoer worden gelegd
                                indien de belanghebbende binnen een termijn van zes maanden opnieuw
                                uitkering ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor het
                                levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz
                                hebben ontvangen, kan de maatregel met terugwerkende kracht worden
                                betrokken bij de definitieve vaststelling van die uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                binnen drie maanden nadat het besluit is genomen heroverwogen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende
                                gedragingen, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                                maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is
                                gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van samenloop van gedragingen als twee of meer
                                gedragingen tegelijkertijd worden geconstateerd en de gedragingen
                                binnen een periode van 30 dagen plaats hebben gevonden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Maatregel in verband met plicht tot arbeidsinschakeling en behoud van
                            arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende die als schending van één van de
                            verplichtingen, bedoeld in artikelen 9, 9a, 10a, 41 en 44a WWB
                            respectievelijk artikelen 37 en 38 IOAW, alsmede artikel 37 en 38 IOAZ,
                            alsmede het niet behouden van arbeid, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten
                                    verlengen van de registratie. </al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om,
                                            in verband met de inschakeling in de arbeid, op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                            belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling:</al></li><li nr="c."><al>het in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak zoals
                                            bedoeld in artikel 44a van de WWB, indien van
                                            toepassing;</al></li><li nr="d."><al>het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar
                                            uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs te onderzoeken
                                            gedurende de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid
                                            van de WWB;</al></li><li nr="e."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste
                                            lid, onderdeel b, van de WWB, respectievelijk artikel
                                            37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en artikel 37,
                                            eerste lid, onderdeel e van de IOAZ, niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder zoals bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                            WWB respectievelijk 38, eerste lid, van de IOAW en
                                            artikel 38, eerste lid van de IOAZ.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
                                        </al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid; </al></li><li nr="c."><al>het niet meewerken aan een vastgesteld trajectplan.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Vijfde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            deeltijdarbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde deeltijdarbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld
                                op: </al><lijst><li nr="a."><al>5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                        van de eerste categorie; </al></li><li nr="b."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                        van de tweede categorie; </al></li><li nr="c."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                        van de derde categorie; </al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij
                                        gedragingen van de vierde categorie, behoudens bij uitkering
                                        op grond van de IOAW of IOAZ ,waarbij de duur een maand
                                        bedraagt; </al></li><li nr="e."><al>een éénmalig bedrag ter hoogte van de laatste twee maanden
                                        gederfde inkomsten dan wel het gemiddelde van de te
                                        verwachten inkomsten bij gedragingen van de vijfde
                                        categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onder a t/m
                                c en de duur van de maatregel als bedoeld onder d en e worden
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Rekening houdend met de bepaling van artikel 7, vierde lid, wordt de
                                duur van de maatregel als bedoeld in de tweede lid verdubbeld,
                                indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij de hoogte of de duur van de maatregel reeds
                                is verdubbeld opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                van dezelfde of hogere categorie. Bij een overtreding die binnen een
                                hogere categorie valt, wordt de zwaarste van de twee sancties
                                opgelegd waarbij de periode wordt verdubbeld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Maatregel in verband met andere gedragingen dan schending van de
                            inlichtingen- en arbeidsverplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18 lid 2
                                WWB, anders dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                                als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b van deze
                                verordening, wordt afgestemd op het benadelingsbedrag, met inbegrip
                                van het onverantwoord bestede vermogen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, derde lid, wordt de maatregel op de volgende
                                wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,- : 10% van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,- : 20%
                                        van de bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,- : 40%
                                        van de bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer : 100% van
                                        de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging binnen dezelfde
                                benadelingscategorie of een hogere benadelingscategorie. Bij een
                                overtreding die binnen een hogere categorie valt, wordt de hoogste
                                van de twee sancties verdubbeld opgelegd. Met een besluit waarmee
                                een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan
                                af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6,
                                tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Rekening houdend met de bepaling van artikel 7, vijfde lid, wordt de
                                duur van de maatregel als bedoeld in de derde lid nogmaals
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij de duur van de maatregel reeds
                                is verdubbeld, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                binnen dezelfde of hogere benadelingscategorie. Bij een overtreding
                                die binnen een hogere categorie valt, wordt de zwaarste van de twee
                                sancties opgelegd waarbij de periode wordt verdubbeld. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien geen benadelingsperiode of- bedrag kan worden vastgesteld,
                                bedraagt de maatregel 20% van de bijstandnorm gedurende een
                                maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a</nr><titel>Maatregel bij verlies van een passende en toereikende
                                voorliggende voorziening door toepassing van de boete</titel></kop><al>In afwijking van het voorgaande artikel wordt, indien belanghebbende
                            geen beroep meer kan doen op een passende en voorliggende voorziening,
                            omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het
                            kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingen-verplichting
                            een maatregel opgelegd van 100% gedurende de eerste drie maanden
                            gerekend vanaf de start van de verrekening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college, zijn ambtenaren, of medewerkers van andere organisaties die
                                belast zijn met de uitvoering van de WWB, IOAW of IOAZ, onder
                                omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van
                                deze wetten, wordt een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, derde lid, wordt de maatregel vastgesteld
                                op: </al><lijst><li nr="1."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij het
                                        uitoefenen van fysiek geweld tegen personen en/of materiële
                                        zaken;</al></li><li nr="2."><al>75% procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij
                                        bedreigingen geuit aan personen zoals bedoeld in het eerste
                                        lid; </al></li><li nr="3."><al>50% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij het
                                        uitoefenen van verbaal geweld, mondeling dan wel
                                        schriftelijk;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de opgelegde maatregel als bedoeld in het tweede lid
                                wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                opgelegd, opnieuw zeer ernstig misdraagt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het derde lid wordt nogmaals
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij de duur van de maatregel reeds
                                is verdubbeld, opnieuw zeer ernstig misdraagt. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verrekening bestuurlijke boete</titel></kop><al>Het college verrekent het openstaande boetebedrag gedurende de eerste
                            drie maanden na het moment van dagtekening van het besluit tot oplegging
                            van een recidiveboete zonder dat het bepaalde in artikel 4:93, vierde
                            lid van de Algemene wet bestuursrecht in acht wordt genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Verrekenen met in achtneming beslagvrije voet</titel></kop><al> Op verzoek van belanghebbende verrekent het college, in afwijking van
                            het voorgaande artikel, de recidiveboete met inachtneming van de
                            beslagvrije voet indien:</al><lijst><li nr="-"><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, als bedoeld in het
                                    voorgaande artikel, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin of andere onaanvaardbare
                                    consequenties heeft voor eventuele minderjarige
                                    belanghebbende(n);</al></li><li nr="-"><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Beleidskader en uitvoeringsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt ter nadere toelichting op deze verordening en in
                                aanmerking genomen het bepaalde in artikel 8a van de WWB, artikel
                                35, eerste lid, onderdeel c, van de IOAW en artikel 35, eerste lid,
                                onderdeel c, van de IOAZ een beleidskader vast, waarin prioriteiten
                                worden aangegeven in het te voeren beleid op het gebied van
                                handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit kader omvat in elk geval:</al><lijst><li nr="o"><al>De prioriteiten in de handhaving</al></li><li nr="o"><al>De acties in de handhaving</al></li><li nr="o"><al>De prioriteiten in de fraudebestrijding</al></li><li nr="o"><al>De acties in de fraudebestrijding</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt op basis van het beleidskader WWB jaarlijks een
                                uitvoeringsplan Handhaving vast en zendt dit plan ter kennisname aan
                                de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van dag nadat de
                            verordening is bekendgemaakt, onder intrekking van de
                            Maatregelenverordening Wet werk en bijstand, vastgesteld op 18 november
                            2004 en de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ, vastgesteld op 22
                            december 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatregelen WWB,
                            IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete.</al><al/><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 17 oktober 2013</ondertekening><ondertekening>Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 18 december 2013</ondertekening><ondertekening>Inwerking getreden d.d. 19 december 2013</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening maatregelen WWB, IOAW, IOAZ en verrekening
                        bestuurlijke boete</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Met de volledige inwerkingtreding van de WWB kwam het systeem van boeten en
                    maatregelen van de Algemene bijstandswet te vervallen. De WWB kende slechts één
                    soort sanctie: het verlagen van de uitkering. Met de intrekking van de Wet
                    investeren in jongeren en de wijziging van de WWB per 1 januari 2013 is het
                    tevens mogelijk om een uitkering in te trekken als een jongere ondubbelzinnig
                    laat merken niet mee te werken aan de verplichting opgenomen in een plan van
                    aanpak bedoeld in artikel 44a van de WWB. Dit is in feite ook een vorm van
                    sanctie.</al><al>Als gevolg van de invoering van de Wet bundeling van uitkeringen
                    inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG) is voor de IOAW en de IOAZ een
                    maatregelenverordening IOAW en IOAZ tot stand gekomen. Door invoering van de Wet
                    BUIG kregen gemeenten meer beleidsruimte. Er is er voor gekozen om met
                    betrekking tot de IOAW en de IOAZ zo veel mogelijk aan te sluiten bij het
                    afstemmingbeleid binnen de WWB.</al><al>Aanleiding voor deze verordening is de invoering Wet aanscherping handhaving en
                    sanctiebeleid SZW-wetgeving. Met de vaststelling van de Wet aanscherping
                    handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving is met ingang van 1 januari 2013 de
                    bestuurlijke boete opnieuw ingevoerd. Vanaf 1 januari 2013 kennen de WWB, IOAW
                    en IOAZ naast de verlaging ook weer de bestuurlijke boete als
                    handhavingsinstrument. Waren er tot voorkort twee verordeningen, met de
                    invoering van genoemde wet is er voor gekozen, om tot één maatregelenverordening
                    tot komen voor zowel de WWB, als voor de IOAW en IOAZ.</al><al>Een bestuurlijke boete wordt opgelegd als een belanghebbende de
                    inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB en artikel
                    13, eerste lid, van de IOAW en IOAZ schendt. Het opleggen van een maatregel is
                    in die situatie niet langer aan de orde. De bepalingen over het opleggen van een
                    maatregel bij schending van de inlichtingenplicht zijn dan ook uit deze
                    verordening geschrapt.</al><al>In deze verordeningen worden geregeld:</al><tussenkop>De Maatregel</tussenkop><al>De term ‘maatregel’</al><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate
                    waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip
                    ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt dat rechten en plichten
                    één kant van dezelfde medaille vormen. Zonder dat uitgangspunt los te laten, is
                    er voor gekozen om het verlagen van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende
                    nakomen van verplichtingen aan te duiden als het opleggen van een maatregel.
                    Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet
                    boeten en maatregelen gangbaar is, maar wordt ook het sanctionerende karakter
                    ervan benadrukt. Wat voortdurend voor ogen moet worden gehouden is dat het
                    opleggen van een maatregel géén punitieve sanctie is, waarbij het leedtoevoegend
                    karakter voorop staat, máár een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie
                    genoemd), gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de
                    bijstand met de mate waarin de uitkeringsgerechtigde de aan de uitkering
                    verbonden verplichtingen nakomt. </al><al>Het verlagen van de bijstand</al><al>In de verordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden opgelegd
                    over de uitkeringsnorm (voor bijstand is dit de op belanghebbende van toepassing
                    zijnde norm plus eventuele toeslagen). De uitzondering hierop vormt de
                    bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar. Deze groep ontvangt een
                    lage algemene bijstandsuitkering die kan worden aangevuld door middel van
                    aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud en valt dus
                    buiten het toeslag systeem. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm
                    wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de
                    21-jarigen en ouder.</al><al>Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het
                    uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen ook niet in
                    rede. Wel kan bij de beoordeling of iemand al dan niet in aanmerking komt voor
                    bijzondere bijstand het feit dat iemand zijn verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate is nagekomen een rol spelen. Dit geldt dan vooral voor de
                    plicht voldoende besef van verantwoordelijkheid tonen voor de voorziening in het
                    bestaan. </al><al>De maatregelenverordening biedt de basis voor het opleggen van een maatregel. De
                    verordening geeft aan in welke gevallen er een maatregel opgelegd kan
                    worden.</al><tussenkop>Regels voor misbruik</tussenkop><al>Artikel 8a van de WWB, artikel 35, eerste lid, onderdeel c van de IOAW/IOAZ
                    bepalen dat de gemeenteraad in het kader van het financiële beheer bij
                    verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van
                    een uitkering als mede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de WWB, IOAW,
                    IOAZ. Er kan hiervoor worden aangesloten bij de maatregelenverordening. In
                    artikel 15 van deze verordening is dit geregeld.</al><tussenkop>Het Bbz</tussenkop><al>Sinds juli 2011 is het boete en maatregelenregime van de Algemene wet
                    bestuursrecht niet langer van toepassing. Deze verordening is nu van toepassing
                    op de verlening van bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening
                    zelfstandigen 2004. Het gaat hier primair om de verlening van algemene bijstand
                    voor het levensonderhoud en de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor
                    hoge woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. </al><al>Ten aanzien van de in hoofdstuk 2 van de verordening opgenomen gedragingen en
                    maatregelen, met betrekking tot de verplichtingen, gericht op het verkrijgen van
                    arbeid, geldt voor zelfstandigen en hun partners het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>De in artikel 9 en 10 van de WWB opgenomen verplichtingen gelden alleen
                            voor de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van arbeid,
                            maar die ten minste zes maanden zijn bedrijf of zelfstandig beroep niet
                            kan uitoefenen (artikel 38, derde lid Bbz).</al></li><li nr="-"><al>De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de WWB kunnen aan de
                            partner van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover die partner
                            tevens rechthebbende is voor de WWB en niet zelf een zelfstandige in de
                            zin van het Bbz, of fulltime meewerkt in het bedrijf of zelfstandig
                            beroep van de zelfstandige.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de in hoofdstuk 3 van de verordening opgenomen gedragingen die
                    leiden tot een maatregel (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zeer
                    ernstige misdragingen) zijn ook voor het Bbz gedragingen die kunnen leiden tot
                    een maatregel van toepassing. Artikel 18, tweede lid van de WWB is onverkort van
                    toepassing op het Bbz. Uit artikel 38, eerste lid Bbz vloeit voort dat de
                    zelfstandige de door het college opgelegde verplichtingen, gericht op een
                    doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of
                    in onvoldoende mate, dan is het college bevoegd een maatregel op te leggen,
                    omdat de zelfstandige door deze verplichting niet of niet voldoen na te komen,
                    blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor
                    de bestaansvoorziening. Maar er zijn ook andere situaties denkbaar waarbij van
                    tekortschietend besef van de verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening
                    sprake kan zijn.</al><tussenkop>Verrekening van de bestuurlijke boete</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving heeft het college de plicht om een boete op te leggen indien
                    sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. De hoogte is daarbij
                    gelijk aan het bedrag dat teveel aan bijstand is ontvangen. Is er sprake van het
                    bij herhaling schenden van de inlichtingenverplichting (recidive) dan wordt de
                    boete verhoogd tot 150%. Naast deze verhoging krijgt het college de bevoegdheid
                    om in de eerste drie maanden na oplegging van de boete bijstand volledig te
                    verrekenen met de openstaande boetevordering. De WWB verplicht de gemeenteraad
                    regels te stellen met betrekking tot het gebruik van deze bevoegdheid. Voor de
                    IOAW/IOAZ is bij wet dwingend voorgeschreven dat voor maximaal 5 jaar de
                    beslagvrije voet buiten werking wordt gesteld.</al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen </tussenkop><al>De begrippen die in deze verordening worden gebruikt sluiten aan bij de in de
                    verordening genoemde wetten.</al><tussenkop>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</tussenkop><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling en bestaat onder meer uit: </al><lijst><li nr="o"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="o"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in
                                    specifieke </al></li><li nr="o"><al>verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en
                                    mogelijkheden van de belanghebbende. De Re-integratieverordening
                                    vormt de juridische basis voor opleggen van deze specifieke
                                    verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het
                                    toekenningsbesluit moeten worden neergelegd en voor een jongere
                                    in een plan van aanpak welke onderdeel uitmaakt van het
                                    toekenningsbesluit;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al> De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals:</al><lijst><li nr="o"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="o"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek. Artikel 18,
                                    tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending
                                    van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college
                                    zeer ernstig misdragen’. </al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De maatregelen worden in het algemeen vastgesteld in de vorm van een vaste
                    (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm gedurende een bepaalde periode. De
                    enige uitzondering hierop is artikel 9, vijfde lid van de verordening. </al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>In dit lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen
                    maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende
                    en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van
                    de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
                    Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging
                    betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="·"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="·"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="·"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6. Matiging van
                    de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de
                    volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is;</al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden;</al></li><li nr="·"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3 De berekeningsgrondslag</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief gemeentelijke verhoging of verlaging en inclusief vakantietoeslag.
                    Voor de IOAW en IOAZ wordt de maatregel opgelegd over de toepasselijke
                    grondslag.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Voor 18 tot 21-jarigen die een lage jongerennorm WWB ontvangen, wordt indien
                    noodzakelijk aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud
                    verleend. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou
                    dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarnaast kan
                    de bijzondere bijstand worden verlaagd als de bijstandsbehoeftigheid ontstaan is
                    door eigen verwijtbare gedrag. Tenslotte kan nog de bijzondere bijstand worden
                    verlaagd indien sprake is van een zelfstandige, voor de aangegeven kosten.</al><tussenkop>Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een maatregel </tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats
                    door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit
                    in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met het motiveringsbeginsel. </al><tussenkop>Artikel 5 Horen van belanghebbende </tussenkop><al>Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in een aantal gevallen het
                    horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. In
                    artikel 5 van de verordening wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                    maatregel wordt opgelegd in beginsel verplicht gesteld. In de volgende situaties
                    wordt volstaan met een verzoek aan belanghebbende een schriftelijke verklaring
                    (wel dan niet d.m.v. een voorgedrukt formulier) in te dienen:</al><lijst><li nr="·"><al>het niet dan wel niet tijdig indienen van het mutatieformulier;</al></li><li nr="·"><al>het niet dan wel niet tijdig indienen van het statusformulier;</al></li><li nr="·"><al>het niet dan wel niet tijdig indienen van documenten die nodig zijn voor
                            de bepaling van het recht of dan wel de voortzetting van bijstand, zoals
                            bankafschriften, salarisbewijzen, enz. </al></li></lijst><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a. en b. zijn in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de Awb.
                    Met de in onderdeel c. genoemde “derde” wordt bedoeld een van de
                    reïntegratiebedrijven aan wie het college bepaalde werkzaamheden ter
                    inschakeling van personen in de arbeid heeft uitbesteed. Tenslotte voor wat
                    onderdeel d. betreft, kan het zijn dat in zeer bijzondere situaties waarin voor
                    de dienst de ernst van de gedraging, maar vooral de mate van verwijtbaarheid
                    absoluut duidelijk is, van het horen kan worden afgezien. </al><tussenkop>Artikel 6 Afzien van het opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is reeds geregeld in artikel 18, tweede lid WWB en
                    artikel 20, derde lid van de IOAW/IOAZ. Rekening houdend met het feit dat het
                    moeilijk is aan te geven welke specifieke gedragingen in principe altijd
                    verwijtbaar worden geacht en welke gedragingen in beginsel nooit, wordt door
                    middel van individualiseringsoverwegingen, de verwijtbaarheid vastgesteld. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b.
                    geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan
                    zes maanden eerder hebben plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend,
                    geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten
                    bij de termijn die staat in artikel 14e van de toenmalige Algemene bijstandswet
                    in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de
                    informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst
                    van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig
                    zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd. </al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel dient in een beschikking te worden
                    vastgelegd. Ten eerste omdat belanghebbende van deze beschikking kennis moet
                    kunnen nemen en ten tweede omdat de toepassing van recidive mede gebaseerd moet
                    zijn op een eerder afgegeven beschikking.</al><tussenkop>Artikel 7 Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en) en</al></li><li nr="2."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering. Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt
                            verstrekt, is de meest gehanteerde methode. In dat geval behoeft niet te
                            worden overgegaan tot herziening en evenmin tot terugvordering van de
                            bijstand. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt
                            opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt
                            uitgegaan van de voor die maand geldende uitkering.</al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In de situatie dat de uitkering nog niet (volledig) is uitbetaald aan de
                    uitkeringsgerechtigde, kan een maatregel worden opgelegd, zonder dat een bedrag
                    moet worden teruggevorderd. Het tweede lid geeft de bevoegdheid aan het college
                    om in een dergelijk geval wél een maatregel met terugwerkende kracht op te
                    leggen.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Een maatregel die over een toekomstige uitkering wordt opgelegd, kan niet worden
                    toegepast in de situatie dat de bijstand wordt beëindigd. Om bij beëindiging een
                    maatregel toch te kunnen effectueren is het derde lid opgenomen. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                    maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde
                    die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college is
                    bevoegd na afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een
                    maatregel op te leggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig. Wordt
                    een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan moet het
                    college de maatregel aan een herbeoordeling onderwerpen. De herbeoordeling vindt
                    plaats voordat de termijn van drie maanden is verstreken. Het spreekt voor zich
                    dat de heroverweging moet uitmonden in een nieuw, voor bezwaar en beroep,
                    vatbaar besluit.</al><tussenkop>Artikel 8 Samenloop van gedragingen </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een belanghebbende die (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden.
                    In een dergelijke situatie wordt de hoogte en duur van de maatregel opgelegd die
                    correspondeert met de gedraging waartegen de zwaarste maatregel is gesteld. Een
                    optelling van maatregelen is niet mogelijk. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Of er sprake is van samenloop is afhankelijk van twee factoren:</al><lijst><li nr="·"><al>de gedragingen hebben plaats gevonden binnen een periode van dertig
                            dagen; en </al></li><li nr="·"><al>het college heeft de twee (of meerdere) verwijtbare gedragingen
                            tegelijkertijd geconstateerd.</al></li></lijst><al>Als het college binnen de periode van dertig dagen constateert dat er sprake is
                    van twee (of meer) verwijtbare gedragingen, maar de constatering hiervan niet
                    tegelijkertijd plaats vindt, is er geen sprake van samenloop maar van recidive.
                    Immers reeds na het constateren van de eerste overtreding dient een besluit te
                    worden genomen. Hetgeen hierna – binnen een periode van twaalf maanden – zich
                    voordoet valt onder recidive; in ieder geval niet onder samenloop. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Maatregel in verband met plicht tot arbeidsinschakeling en
                    behoud van arbeid</tussenkop><al>In dit opschrift komt tot uitdrukking dat de in artikel 9 e.v. beschreven
                    gedragingen niet uitsluitend gedragingen betreffen die een schending opleveren
                    van de in artikel 9, eerste lid van de WWB vastgelegd verplichtingen tot
                    arbeidsinschakeling, maar ook gedragingen die een schending vormen van
                    verplichtingen met betrekking tot arbeid, re-integratie en sociale activering,
                    die gebaseerd zijn op artikelen 9a, 10a, 41 en 44 a. Dit is ook verwoord in de
                    aanhef van artikel 9 van deze verordening. Het is ook noodzakelijk vanwege de
                    uitspraak van de CRvB van 10 januari 2012 (LJN: BV 1067), die bepaalde dat het
                    niet behouden van arbeid voorafgaand aan de bijstandsuitkering niet kan worden
                    aangemerkt als niet nakomen van de plicht tot arbeidinschakeling en de
                    verordening daarop aangepast diende te worden.</al><tussenkop>Artikel 9 Indeling in categorieën</tussenkop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vijf categorieën onderscheiden. Bij elke categorie is de ernst van de
                    gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                    naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
                    behouden van betaalde arbeid. De WWB volstaat met een algemene omschrijving van
                    de plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen
                    moet zoveel mogelijk worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele
                    uitkeringsgerechtigde. </al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als
                    werkzoekende te laten registreren bij het UWV WERKbedrijf en geregistreerd te
                    blijven.</al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, zoals de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                    bijvoorbeeld voldoende te solliciteren naar algemeen aanvaarde arbeid. Hieronder
                    valt ook het niet nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 10,
                    eerste lid 1, sub a en b, van de Re-integratieverordening. Verder gaat het om
                    niet verantwoorde beperkingen die de belanghebbende stelt ten aanzien van de
                    mogelijke kansen op arbeidsinschakeling. Negatieve gedragingen kunnen onder meer
                    tot uitdrukking komen in de wijze waarop belanghebbende zich op stelt bij een
                    verzoek om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven
                    plaats en tijd te verschijnen. </al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het
                    gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                    aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. Binnen deze categorie vallen bijvoorbeeld negatieve gedragingen bij
                    sollicitaties. </al><al>Verder vallen hieronder de door het college aangeboden voorzieningen die gericht
                    zijn op het mogelijk maken van deelname aan de arbeidsmarkt zoals bijv. de
                    verwijzing van de belanghebbende naar reïntegratie bedrijven, het verplicht
                    stellen van deelname aan (om)scholing waaronder het regelmatig verschijnen op
                    school, en alles wat betrekking heeft op de begeleiding van belanghebbende naar
                    werk, waaronder ook begrepen sociale activering. </al><al>In de situatie dat een jongere zich gemeld heeft voor een uitkering en tijdens
                    de wettelijke zoektijd van vier weken, ondubbelzinnig door zijn houdingen
                    gedrag, blijkt dat hij geen inspanningen heeft gepleegd en onwillig blijft om
                    aan het werk te gaan, zal het college de uitkering, op grond van artikel 13,
                    tweede lid onder d van de WWB weigeren. De jongere heeft dan ook geen recht op
                    ondersteuning. Als de jongere gedurende de zoektijd onvoldoende activiteiten
                    heeft ontplooid en hij wel recht heeft op een uitkering en ondersteuning wordt
                    een maatregel ingevolge deze categorie opgelegd.</al><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een uitkering met een plan
                    van aanpak en werkt hij vervolgens niet mee aan de uitvoering en de evaluatie
                    van dit plan van aanpak dan kan het college besluiten in plaats van en maatregel
                    op te leggen, de uitkering en de ondersteuning in te trekken. Het college zal
                    hiertoe niet snel overgaan maar eerst met een maatregel conform deze categorie
                    proberen het gedrag van de jongere te verbeteren.</al><al>Artikel 9a van de WWB geeft het college de bevoegdheid om alleenstaande ouders
                    met kinderen tot vijf jaar, op verzoek, te ontheffen van de arbeidsverplichting
                    als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de WWB. Ontheffing van de
                    re-integratieverplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de
                    WWB is niet mogelijk. Mocht uit houding en gedragingen van de ouder
                    ondubbelzinnig blijken dat hij zijn verplichtingen op grond van dit artikel niet
                    wil nakomen, dan trekt het college op grond van artikel 9a, vijfde lid, van de
                    WWB de ontheffing in. Naast deze intrekking schrijft artikel 9a, twaalfde lid,
                    van de WWB voor dat het college de bijstand verlaagd. </al><tussenkop>Vierde lid </tussenkop><al>Sub a. en b. De gedragingen die onder de vierde categorie vallen, betreffen
                    zowel het niet aanvaarden als het niet behouden van algemeen geaccepteerde
                    full-time arbeid. Het betreft hier derhalve uitsluitend situaties waarbij een
                    full-time baan in het geding is. Sub c. Het toerekenbaar in het geheel niet
                    meewerken aan het voor de belanghebbende opgestelde trajectplan wordt
                    gesanctioneerd met een maatregel van honderd procent van de bijstandsnorm
                    gedurende twee maanden. Hierbij wordt uitdrukking gegeven aan het belang dat
                    gehecht wordt aan het trajectplan waarin o.a. de verantwoordelijkheid van de
                    burger centraal staat. Bovendien wordt bij de opstelling van het desbetreffende
                    plan rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende
                    ten einde de weg naar betaalde arbeid te vergemakkelijken.</al><al>Voor belanghebbende met een IOAW- of IOAZ-uitkering wordt voor de hoogte van het
                    inkomen uit of in verband met arbeid dat belanghebbende zou hebben kunnen
                    verwerven uitgegaan van 100% van de grondslag, tenzij door belanghebbende kan
                    worden aangetoond dat het bruto maandinkomen lager ligt. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Deze categorie betreft situaties waarbij de belanghebbende deeltijd arbeid
                    verricht dan wel weigert deeltijd werk te aanvaarden. Het sanctioneren van
                    gedragingen in het kader van deeltijdarbeid met een maatregel van 100% zoals bij
                    full-time arbeid het geval is, brengt onevenredig zwaar nadeel met zich mee.
                    Aansluitend op de praktijk wordt derhalve bij verwijtbare gedragingen waarbij
                    een deeltijd arbeid in het geding is een andere methode toegepast ten einde de
                    bijstand naar evenredigheid te verlagen. Deze methode wordt ook gehanteerd
                    ingeval niet wordt meegewerkt aan de uitvoering van een vastgesteld
                    trajectplan.</al><al>Deze categorie kan alleen van toepassing zijn als het om een belanghebbende gaat
                    met een uitkering op grond van de WWB.</al><tussenkop>Artikel 10 De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vijf categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging of het begaan van een zwaardere
                    overtreding, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht
                    in een verdubbeling van de hoogte (a t/m c) of de duur (d en e) van de
                    maatregel. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                    verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel
                    wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang
                    van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee
                    de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>Op basis van bovenstaande bepaling kan – binnen een periode van twaalf maanden -
                    een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. Indien belanghebbende
                    na recidive binnen twaalf maanden wederom hetzelfde of zwaarder verwijtbaar
                    gedrag vertoont is er sprake van volharding en dient de duur van de reeds
                    verhoogde of in duur verlengde maatregel verdubbeld te worden. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Maatregel in verband met andere gedragingen dan schending van
                    de inlichtingen- en arbeidsverplichtingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 11 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandsaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over middelen en als gevolg daarvan
                    een bijstandsuitkering aanvraagt, het college bij de toekenning van de bijstand
                    hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel. </al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    bestaan:</al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van de middelen;</al></li><li nr="-"><al>geen of te laat aanvragen van een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen van de
                            alimentatievordering;</al></li><li nr="-"><al>geen beroep meer kunnen doen op een passende en toereikende voorliggende
                            voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke
                            boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingen
                            verplichting;</al></li><li nr="-"><al>een zelfstandige die verwijtbaar geen arbeidsongeschiktheidsverzekering
                            of een arbeidsongeschiktheidsverzekering met een te lage dekking of te
                            lange wachttijd heeft afgesloten en die bij ziekte/arbeidsongeschiktheid
                            een beroep doet op bijstand;</al></li><li nr="-"><al>bij de beëindigende ondernemer die een beroep op het Bbz doet en de
                            noodzakelijke beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf
                            is veroorzaakt door verwijtbaar gedrag van de zelfstandige (bijvoorbeeld
                            door slechte betalingsmoraliteit, of een onverantwoord hoog
                            uitgavenpatroon).</al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De hoogte van de maatregel wordt afgestemd op de hoogte van het
                    benadelingsbedrag.</al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging of het begaan van een zwaardere
                    overtreding, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht
                    in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met de eerste verwijtbare
                    gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een
                    maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                    geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf
                    maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd,
                    bekend is gemaakt. </al><tussenkop>Vierde lid </tussenkop><al>Op basis van bovenstaande bepaling kan – binnen een periode van twaalf maanden -
                    een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. Indien belanghebbende
                    na recidive binnen twaalf maanden wederom hetzelfde of zwaarder verwijtbaar
                    gedrag vertoont is er sprake van volharding en wordt nogmaals de duur van de
                    reeds in duur verlengde maatregel verdubbeld. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Als geen benadelingsbedrag- of periode kan worden vastgesteld - en dat komt bij
                    de bijstandsverlening aan zelfstandigen en de daarbij geldende specifieke
                    verplichtingen voor- dan geldt de maatregel van 20% van de bijstandsnorm voor
                    een maand.</al><tussenkop>Artikel 11a Maatregel bij verlies van een passende en toereikende
                    voorliggende voorziening door toepassing van een boete</tussenkop><al>Vanaf 1 januari 2013 geldt het aangescherpte sanctieregime voor alle sociale
                    zekerheidswetten. Er geldt een vergelijkbaar boeteregime (boete ter hoogte van
                    de te veel ontvangen uitkering en bij recidive 150% daarvan). Anders dan bij de
                    WWB, is voor alle andere sociale zekerheidswetten (ook de IOAW en IOAZ) bij wet
                    dwingend voorgeschreven dat het uitstaande boetebedrag bij recidive voor een
                    termijn van maximaal 5 jaar moet worden verrekend zonder rekening te houden met
                    de beslagvrije voet. Dit betekent dat belanghebbende zodra de verrekening wordt
                    geëffectueerd geen beschikking meer heeft over de uitkering en indien andere
                    middelen ontbreken een beroep kan doen op bijstand.</al><al>Het feit dat het recht op een passende en toereikende voorziening door toedoen
                    van belanghebbende verloren gaat, wordt aangemerkt als tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid en levert een maatregelwaardige gedraging op. Het artikel
                    is zo geschreven dat belanghebbende in een feitelijk met de recidiverende
                    bijstandsgerechtigde vergelijkbare situatie terecht komt. Als er geen beroep kan
                    worden gedaan op de voorliggende voorziening zoals bijvoorbeeld een IOAW of
                    WW-uitkering, omdat deze uitkering volledig wordt verrekend met een bestuurlijke
                    boete in het kader van het bij herhaling schenden van de
                    inlichtingenverplichting, wordt een maatregel van 100% gedurende de eerste drie
                    maanden opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 12 Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het betreft hier bepaalde agressieve handelingen c.q. gedragingen van
                    belanghebbenden tegenover het college en tegenover de ambtenaren en/of
                    medewerkers van instellingen/bedrijven die op grond van wettelijke bepalingen
                    respectievelijk contractuele basis zich bezig houden met bepaalde facetten van
                    de uitvoering. Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen
                    van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                    verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale maatschappelijk verkeer in alle
                    gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. De ernstige misdragingen moeten
                    hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                    de uitvoering van de WWB, IOAW, IOAZ, Bbz. Bij het vaststellen van de maatregel
                    in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, dient
                    gekeken te worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en
                    de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de maatregel wordt onderscheid gemaakt
                    tussen:</al><lijst><li nr="1."><al>fysiek geweld tegen personen en/of tegen materiële zaken;</al></li><li nr="2."><al>bedreigingen geuit tegen leden van het college en/of ambtenaren c.q.
                            functionarissen; </al></li><li nr="3."><al>verbaal geweld (zowel mondeling als schriftelijk). </al></li></lijst><al>Sub a. Bij fysiek geweld tegen personen of materiële zaken, ongeacht of er
                    sprake is van toegebracht letsel respectievelijk schade, wordt een maatregel
                    opgelegd van honderd procent gedurende een maand. Dit soort geweld wordt als de
                    zwaarste vorm van agressie beschouwd en derhalve het zwaarst (in relatie tot
                    andere vormen van geweld) gesanctioneerd. </al><al>Sub b. Bedreigingen gericht tegen het college en/of ambtenaren/functionarissen
                    bij de uitoefening van hun functie in het kader van de uitvoering worden met
                    vijf en zeventig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                    gesanctioneerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de geestelijke schade die
                    een bepaalde bedreiging kan toebrengen. </al><al>Sub c. Bij verbaal geweld - in al zijn vormen - wordt een maatregel opgelegd van
                    vijftig procent eveneens gedurende een maand.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>verbaal geweld (waarbij schriftelijk, maar ook mondeling);</al></li><li nr="2."><al>discriminerende opmerkingen;</al></li><li nr="3."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="4."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="5."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="6."><al>combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                    ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging of het begaan van een zwaardere
                    overtreding, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht
                    in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met de eerste verwijtbare
                    gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een
                    maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                    geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf
                    maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd,
                    bekend is gemaakt. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Op basis van bovenstaande bepaling kan – binnen een periode van twaalf maanden -
                    een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. Indien belanghebbende
                    na recidive binnen twaalf maanden wederom hetzelfde of zwaarder verwijtbaar
                    gedrag vertoont is er sprake van volharding en wordt nogmaals de duur van de
                    reeds in duur verlengde maatregel verdubbeld. </al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</tussenkop><tussenkop>Artikel 13 Verrekening bestuurlijke boete</tussenkop><al>Het college is verplicht de boete te verrekenen met de lopende uitkering. Bij
                    deze verrekening moet rekening worden gehouden met de beslagvrije voet. Is er
                    sprake van een boete wegens recidive, dan heeft het college de bevoegdheid om de
                    eerste drie maanden na oplegging van de boete (zowel de recidiveboete al een
                    wellicht openstaande bedrag in verband met een eerdere boete) de bijstand
                    volledig te verrekenen met de openstaande boetevordering. De gemeenteraad moet
                    in een verordening bepalen hoe met de bevoegdheid tot het tijdelijk buiten
                    werking stellen bij verrekening van de boete om moet worden gegaan. Dit geldt
                    alleen voor de WWB. </al><al>In eerste instantie had de wetgever voorzien in een plicht tot volledige
                    verrekening. Bij amendement is deze verplichting omgezet in een bevoegdheid,
                    zodat de gemeente de mogelijkheid heeft om waar volledige verrekening
                    onwenselijke effecten heeft, de verrekening aan te passen of de beslagvrije voet
                    volledig te respecteren.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen om in de lijn met de bedoeling van de
                    wetgever uit te gaan van volledige verrekening, met de mogelijkheid om in de in
                    artikel 14 genoemde situaties hiervan af te wijken.</al><tussenkop>Artikel 14 Verrekenen met in achtneming beslagvrije voet</tussenkop><al>In dit artikel zijn situatie benoemd waarin – op verzoek - het college ondanks
                    de in de WWB opgenomen bevoegdheid toch de beslagvrije voet bij verrekening in
                    acht te neemt. De belanghebbende moet daarbij aantonen dat in het gezin sprake
                    is van zeer dringende redenen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Handhavingsbeleid</tussenkop><tussenkop>Artikel 15 Beleidskader en uitvoeringsplan</tussenkop><al>Bij verordening moet de gemeenteraad vast te stellen welke uitgangspunten worden
                    gehanteerd voor het financiële beleid en beheer. Daarbij moet worden gewaarborgd
                    dat aan de eisen van de rechtmatigheid wordt voldaan. Een goed beheer brengt
                    bovendien met zich mee dat ook voortdurend aandacht bestaat voor de bestrijding
                    van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het ontmoet geen bezwaren deze bepaling in
                    te lijven bij deze verordening. Op deze wijze wordt immers ook voldaan aan de
                    verplichting de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik bij verordening
                    vast te leggen. </al><tussenkop>Artikel 16 en 17 De inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>