<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR320756_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-03-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sluis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.gemeentesluis.nl/Nieuws_en_Activiteiten/Bekendmakingen/2013/December">Zeeuwsch-Vlaams Advertentieblad, 25 december 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 220 tot en met 220h Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2014
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>Gemeente Sluis</vet>
          </al>
          <al>
            <vet>De raad van de gemeente Sluis</vet>
            <vet>;</vet>
          </al>
          <al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2013;</al>
          <al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al>
          <al>gezien het advies van de commissie Samenleving/Middelen van 3 december 2013;</al>
          <al>
            <vet>besluit</vet>: </al>
          <al>vast te stellen de volgende verordening:</al>
          <al>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2014</al>
          <al>(Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014)</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Belastingplicht</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden voor binnen de gemeente
                        gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                              kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning
                              dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
                              persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen:
                              gebruikersbelasting;</al></li>
              <li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                              kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                              eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                              eigenarenbelasting. </al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                              gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door
                              degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de
                              gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te
                              verhalen op de gebruiker;</al></li>
              <li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                              gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter
                              beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter
                              beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te
                              verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. </al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                        bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                        kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij
                        blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit
                        of beperkt recht is.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Belastingobject</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                        hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op
                        grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld
                        voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van
                        die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn
                        aan woondoeleinden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Maatstaf van heffing</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                        onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het
                        kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van
                        hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                        heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                        toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                        tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Vrijstellingen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                        geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                        van:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                              daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van
                              glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of
                              teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                              gebruiken;</al></li>
              <li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
                              teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in
                              onderdeel a bedoelde grond;</al></li>
              <li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                              eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                              levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                              zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li>
              <li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van
                              de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de
                              voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit
                              Natuurschoonwet 1928 met uitzondering van de daarop voorkomende
                              gebouwde eigendommen;</al></li>
              <li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                              zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                              volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                              uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                              worden;</al></li>
              <li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail,
                              een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li>
              <li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                              organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                              rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die
                              dienen als woning;</al></li>
              <li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                              afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                              diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van
                              de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li>
              <li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                              zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                              toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan
                              te merken.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de
                        waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning
                        dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Belastingtarieven</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                           heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>
                    <vet>bij de
                                    gebruikersbelasting</vet>
                    <vet>0,</vet>
                    <vet>1386</vet>
                    <vet>%</vet>
                  </al></li>
                <li nr="b."><al>
                    <vet>bij de
                                 eigenarenbelasting</vet>
                  </al></li>
              </lijst></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning
                        dienen</vet>
            <vet>0,1085</vet>
            <vet>%</vet>
          </al>
          <al>
            <vet>2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning
                        dienen</vet>
            <vet>0,16</vet>
            <vet>99</vet>
            <vet>%</vet>
          </al>
          <al>2.Voor belastingbedragen tot <vet>€ 10,00</vet> vindt geen invordering plaats.
                     Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één
                     aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of
                     andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Wijze van heffing</titel>
          </kop>
          <al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Termijnen van betaling</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten
                        de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste
                        termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                        dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn twee
                        maanden later.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking van het eerst lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op
                        één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één
                        aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 50, doch minder is dan €
                        10.000 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische
                        incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald
                        in negen gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de
                        dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens
                        een maand later.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden
                        gestelde termijnen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel>
          </kop>
          <al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                     betrekking tot de heffing en de invordering van de
                     onroerende-zaakbelastingen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Overgangsrecht</titel>
          </kop>
          <al>De ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2013’ van 20 december 2012 wordt
                     ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid, genoemde datum van
                     ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                     belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2014.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2014.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen
                     2014’. </al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Oostburg, 19 december 2013</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>Mr. P.T.G. Claeijs mr. A.M.M. Jetten MSc</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>