<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR320673_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregel Aanvullend toetsingsinstrument, een risico-inventarisatie en -evaluatie voor gezondheid bij veehouderij</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-12-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">D'n Uitkijk, 20-12-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregel Aanvullend toetsingsinstrument, een risico-inventarisatie en -evaluatie voor gezondheid bij veehouderij</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet publieke gezondheid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-12-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B&amp;W 13-496</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>milieu</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregel Aanvullend toetsingsinstrument, een risico-inventarisatie en -evaluatie voor gezondheid bij veehouderij</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Deze beleidsregel wordt gehanteerd voor aanvragen om omgevingsvergunning,
                        activiteit milieu die op of na 23 december 2013 zijn ingediend.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Aanleiding</label></kop><structuurtekst><al>Bij de behandeling in de gemeenteraad van 28 februari 2012 van de
                            Integrale visie plattelandsontwikkeling is een raadsbrede motie
                            aangenomen met als onderwerp algehele gezondheid van mensen in relatie
                            tot intensieve veehouderij. </al><al>De raad is van oordeel dat de gezondheid van mensen centraal moet staan
                            in de gemeente Reusel-De Mierden en dat een goed woon- en leefklimaat
                            voor burgers van groot belang is. De raad spreekt uit dat de gezondheid
                            van mensen een bepalend toetsingscriterium moet zijn bij besluitvorming
                            inzake intensieve veehouderijbedrijven. In de toekomst alleen
                            ontwikkelingen in de intensieve veehouderij te willen toelaten die door
                            geur en fijnstof geen onacceptabele effecten hebben op de gezondheid en
                            op een goed woon- en leefklimaat. Tot slot een reductie van emissies
                            vanuit de intensieve veehouderij te willen nastreven. </al><al>De raad draagt het college op om:</al><lijst><li nr="1."><al>een plan van aanpak aan te bieden voor de ontwikkeling van een
                                    beoordelingskader voor gezondheid in relatie tot intensieve
                                    veehouderij;</al></li><li nr="2."><al>te bezien of dit, samen met de GGD, in regionaal verband
                                    kan;</al></li><li nr="3."><al>met een stappenplan voor een integrale lokale aanpak te komen
                                    gericht op de voorkoming en beperking van emissies en
                                    geuroverlast en ondermeer te onderzoeken en concreet aan te
                                    geven:</al><lijst><li nr="-"><al>welk (aanpassing van) beleid en regelgeving
                                            (verordeningen en beleidsregel) daaraan kan
                                            bijdragen</al></li><li nr="-"><al>en welke uitvoerings- en handhavingsaspecten daaraan
                                            kunnen bijdragen (bijv. bestelling van normen,
                                            verdergaande technieken, verduurzaming, verder
                                            uitvoering geven aan de afwaartse beweging)</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Doel</label></kop><structuurtekst><al>De beleidsregel is opgesteld om het aanvullend toetsingsinstrument, een
                            risico-inventarisatie en –evaluatie voor gezondheid bij veehouderij als
                            extra beoordelingskader bij vergunningverlening en ruimtelijke
                            planontwikkeling in te zetten.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Wettelijke basis </label></kop><structuurtekst><al>De Wet publieke gezondheid biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om
                            het thema gezondheid bij een aanvraag om omgevingsvergunning mee te
                            wegen. De Raad van State heeft dit middels uitspraken bevestigd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Bevoegdheid</label></kop><structuurtekst><al>De bevoegdheid ter uitvoering van de beleidsregel ligt bij het college
                            van burgemeester en wethouders. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Inhoud</label></kop><structuurtekst><al>Het toetsingsinstrument biedt het college de mogelijkheid om
                            gezondheidsaspecten mee te wegen bij vergunningverlening. Het
                            toetsingsinstrument bestaat uit een checklist met verschillende
                            gezondheidkundige criteria waarop vergunningaanvragen worden getoetst.
                            Het gaat hierbij om de indicatoren geur, fijnstof en endotoxinen,
                            zoönosen, landschappelijke inpassing en transport. Per indicator is de
                            relatie tussen gezondheid en veehouderij beschreven. In de
                            oorzaak-effectketen is beschreven hoe de activiteiten rondom de
                            veehouderij via uitstoot en verspreiding kunnen leiden tot blootstelling
                            en gezondheidseffecten. Het volledige toetsingsinstrument is als bijlage
                            bij deze beleidsregel bijgevoegd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Inwerkingtreding</label></kop><structuurtekst><al>De beleidsregel, Aanvullend toetsingsinstrument, een
                            risico-inventarisatie en -evaluatie voor gezondheid bij veehouderij
                            treedt in werking op 23 december 2013.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de vergadering van 19 november 2013.</ondertekening><ondertekening>Burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,</ondertekening><ondertekening>De secretaris de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>M.J. Doeven H.A.J. Tuerlings</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><titel>Aanvullend toetsingsinstrument, een risico-inventarisatie en -evaluatie
                        voor gezondheid bij veehouderij </titel></kop><al><vet>Colofon</vet></al><al>Dit rapport is opgesteld in het kader van het Academische Werkplaats milieu en
                    gezondheid. Het project is een samenwerking tussen Bureau Gezondheid, Milieu
                    &amp; Veiligheid GGD’en Brabant/Zeeland en de gemeenten Oirschot, gemeente
                    Reusel-De Mierden, gemeente Gemert-Bakel. </al><al/><al><vet>Opgesteld door:</vet></al><al>Drs. R. Nijdam, adviseur milieu en gezondheid, Bureau Gezondheid, Milieu &amp;
                    Veiligheid GGD’en Brabant/Zeeland</al><al/><al><vet>In samenwerking met:</vet></al><al>Drs. L. Geelen, adviseur milieu en gezondheid, Bureau Gezondheid, Milieu &amp;
                    Veiligheid GGD’en Brabant/Zeeland, </al><al>De heer T. van de Ven, beleidsmedewerker gemeente Oirschot</al><al>De heer J. van der Heijden, medewerker vergunningen gemeente Reusel-De
                    Mierden</al><al>De heer R. van Kroonenburg, beleidsmedewerker milieu gemeente Reusel-De
                    Mierden</al><al>De heer E. Uriot, beleidsmedewerker gemeente Gemert-Bakel</al><al/><al><vet>Trefwoorden:</vet> risico-inventarisatie en –evaluatie,
                    toetsingsinstrument, gezondheid, hinder, veehouderij, omwonenden,</al><al/><al/><al><cursief>© 2013 Bureau GMV, Tilburg. Auteursrecht voorbehouden. Bronvermelding
                        verplicht. </cursief></al><al><cursief>Bureau GMV, Postbus 3024, 5003 DA Tilburg; telefoonnummer
                        0900-3686868.</cursief></al><al/><al><vet>Samenvatting </vet></al><al/><al>Zoals beschreven in het rapport “Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen” van de
                    Gezondheids-raad, wordt de invloed van intensieve veehouderijbedrijven op de
                    gezondheid van omwonenden onvoldoende beschermd door de huidige milieuwetgeving.
                    Bij gemeenten is daarom behoefte aan een toetsingsinstrumentwaarmee ze
                    gezondheidsaspecten kunnen afwegen bij besluitvormingover individuele
                    veehouderijbedrijven. </al><al>Het Bureau Gezondheid, Milieu &amp; Veiligheid GGD’en Brabant/Zeeland heeft
                    samen met de gemeenten Oirschot, Reusel-De Mierden en Gemert-Bakel een
                    instrument ontwikkeld dat in deze behoefte voorziet. Het project is uitgevoerd
                    binnen de Academische werkplaats Milieu &amp; Gezondheid.</al><al/><al>De betrokken gemeenten willen dit toetsingsinstrument toepassen in het
                    gemeentelijk beleid om gezondheid af te wegen in de besluitvorming rondom
                    veehouderijen. </al><al>Dit toetsingsinstrumentis gevraagd door gemeenten in Brabant, maar de aanpak is
                    breed toepasbaar voor plattelandsgemeenten in Nederland. De behoefte aan een
                    dergelijk instrument wordt onderschreven door de landelijke GGD-werkgroep
                    intensieve veehouderij en heeft ook meerwaarde voor andere GGD’en.Dit rapport is
                    tevens als input gebruikt bij de ontwikkeling van de Brabantse
                    Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) die in de Verordening ruimte 2014 wordt
                    verankerd.</al><al/><al>Dit rapport beschrijft het toetsingsinstrument en de stappen die zijn gezet om
                    hiertoe te komen. Diverse wettelijke bepalingen zoals Wet Publieke Gezondheid of
                    de Wet Milieubeheer schrijven de afweging van de risico’sop de volksgezondheid
                    voor maar geven geen richtlijn over hoe dit uitgevoerd kan worden. Alhoewel
                    onderzoeken wel relaties leggen met gezondheidseffecten zijn deze doorgaans
                    moeilijkte kwantificeren. De vraag die dan rijst is welk risico nog acceptabel
                    is wanneer je een risico niet kán kwantificeren? Het toetsingsinstrument gaat
                    niet uit van bestaande milieuruimte en milieurechten. In dit project is de
                    insteek gekozen om als overheid en ondernemer te laten zien welke inspanningen
                    gedaan worden om het gezondheidsrisico redelijkerwijs te beperken op basis van
                    huidige (wetenschappelijke) kennis en inzichten.</al><al/><al>Het eindresultaat is een maatschappelijk gedragen en wetenschappelijk onderbouwd
                    toetsingsinstrument bestaande uit een checklist met verschillende
                    gezondheidkundige criteria waarop bedrijfsuitbreidingen van
                    veehouderijenbeoordeeld kunnen worden. Het instrument bestaat uit checklisten
                    waarin de indicatoren geur, fijn stof, zoönosen, landschappelijke inpassing en
                    transport zijn uitgewerkt met de oorzaak-effectketen. Per indicator is
                    vervolgens de relatie tussen gezondheid en veehouderij beschreven. In de
                    oorzaak-effectketen wordt uitgelegd hoe de activiteiten rondom veehouderij via
                    uitstoot en verspreiding kunnen leiden tot blootstelling en gezondheidseffecten.
                    In tabellen zijn per indicator maatregelen beschreven.</al><al>Bij het nemen van maatregelen ter beheersing van eventuele risico’s is het
                    uitgangspunt dat daar waar sprake is van een hogere concentratie dan het
                    achtergrondniveau er beïnvloeding plaats vindt in de lokale leefomgeving. Er
                    wordt onderscheid gemaakt in kwantitatieve en kwalitatieve maatregelen. De
                    kwantitatieve maatregelen zijn referentiewaarden die als toets op te nemen zijn
                    in gemeentelijk beleid.</al><al>Om in de ontwikkeling van het toetsingsinstrument ook rekening te kunnen houden
                    met maatschappelijk draagvlak zijn drie verschillende workshops gehouden. De
                    eerste workshop richtte zich daarbij op de aanpak en het draagvlak voor een
                    toetsingsinstrument. De andere twee workshops richten zich meer op de
                    geselecteerde indicatoren en de maatregelen. De verzamelde informatie uit deze
                    workshops zijn bij de verdere ontwikkeling van het toetsingsinstrument gebruikt
                    en verwerkt.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Aanleiding, doel en werkwijze </vet></al><al/><al>Via milieuwetgeving wordt de uitstoot van fijn stof en geur door veehouderijen
                    gereguleerd. De invloed van veehouderijbedrijven op de gezondheid van omwonenden
                    blijkt echter onvoldoende beschermd door de huidige milieuwetgeving. Ook worden
                    effecten op gezondheiddoor gemeenten binnen de bestaande mogelijkheden in de
                    wetgeving zoals gezondheidseffecten van geurbelasting in de wet geurhinder en
                    veehouderij, nog onvoldoende afgewogen. Het fijn stof in landelijk gebied
                    verschilt met stedelijk fijn stof wat betreft herkomst, samenstelling en de
                    grootteverdeling van de deeltjescocktail. Landbouwstof bestaat grotendeels uit
                    biologische componenten zoals endotoxinen en micro-organismen (Gezondheidsraad,
                    2012; Van der Ree, 2010). Naast directe uitstoot van fijn stof uit stallen wordt
                    ook secundair fijn stof gevormd.Deze stofdeeltjes worden in de atmosfeer gevormd
                    uit de gassen zwaveldioxide, stikstofoxidenen ammoniak.Het is onduidelijk of de
                    norm voor PM<inf>10</inf> voldoende beschermt tegen de risico’s
                    vanmicrobieelstof afkomstig van de landbouw. Door de andere samenstelling en
                    grootteverdeling bestaan andere gezondheidsklachten, zoalsverminderde
                    longfunctie en verergering van luchtwegklachten (Gezondheidsraad, 2012).</al><al>Daarnaast blijkt uit de praktijk dat de huidige wetgeving voor geur beperkingen
                    oplegt aan individuele bedrijven, maar dat cumulatie van geur afkomstig van
                    meerdere bronnen bij vergunningverlening niet voldoende meegenomen wordt. In de
                    praktijk wordt een vergunning niet vaak geweigerd in reeds overbelaste situaties
                    omdat die toch voldoen aan de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij.
                    Ook andere gezondheidsrisico’s zoals de verspreiding van infectieziekten worden
                    nietmeegenomen bij vergunningverlening.</al><al/><al>De Gezondheidsraad is in september 2011 gevraagd om een beoordelingskader op te
                    stellen over risico’s van de intensieve veehouderij voor de gezondheid van
                    omwonenden. In de adviesvraag werd ook een vraag gesteld over de mogelijkheid om
                    afstanden tot gevoelige bestemmingen op te nemen. Eind november 2012 is dit
                    advies gepubliceerd. Conclusie was dat op basis van de huidige wetenschappelijke
                    inzichten er geen kwantitatief beoordelingskader opgesteld kan worden. Hierbij
                    zijn fijn stof, endotoxinen, micro-organismen, uitbraken van zoönosen,
                    geurhinder en risicoperceptie behandeld. Aansluitend is geconcludeerd dat er wel
                    risico beperkende maatregelenzoals het maximaal terugdringen van emissies van
                    stoffen uit stallen en emissie gerelateerde minimum afstanden én een instrument
                    voor een beleidsmatige beoordeling beschikbaar zijn. Deze aanbevelingen zijn
                    voor zover mogelijk verwerkt in de opzet voor het toetsingsinstrument. </al><al/><al><vet>1.2 Vragen van gemeenten</vet></al><al/><al>Bij gemeenten is behoefte aan een kader om gezondheid beter af te wegenbij de
                    besluitvorming overveehouderij, zoals bij de invulling van het begrip duurzame
                    veehouderij, bij planvorming voor inrichting van het buitengebied en
                    ontwikkelingsplannen van individuele veehouderijen.</al><al>Daartoe heeft de gemeente Oirschot een eigen gemeentelijke visie opgesteld over
                    de gewenste ontwikkeling van veehouderij in de gemeente. In vijf beleidsthema’s
                    is beschreven hoe de intensieve veehouderijbedrijven zich kunnen ontwikkelen.
                    Een van de thema’s is de gezondheid van mens en dier die centraal staat in de
                    besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen. De gezondheid van mensen is
                    hierbij voor de gemeente een bepalend criterium. Een duidelijk kader voor deze
                    besluitvorming ontbreekt echter. De gemeente Oirschot heeft de GGD gevraagd om
                    een passend toetsingsinstrument te ontwikkelen en hanteert tot die tijd een
                    interim- toetsingsinstrument gebaseerd op fijn stof- en geuremissies.</al><al>Ook in de gemeente Reusel-De Mierden is het thema gezondheid en de intensieve
                    veehouderijzeer actueel. In januari 2012 is de Nota plattelandsontwikkeling
                    aangenomen. Bij de behandeling van de nota in de raad is een motie aangenomen om
                    zo mogelijk in regionaal verband een toetsingsinstrumentvoor gezondheid in
                    relatie tot de intensieve veehouderij te ontwikkelen. Met als doel te komen tot
                    een integrale aanpak bij het voorkomen en beperken van emissies en geuroverlast.
                    Daarbij heeft deze gemeente tijdelijke maatregelen genomen om ongewenste
                    ontwikkelingen in de veehouderij tegen te gaan totdat het
                    toetsingsinstrumentbeschikbaar is. In deze gemeente gaat ook de geurverordening
                    aangepast worden om zo te komen tot een emissie stand-still en vervolgens tot
                    reductie van de geurbelasting in Reusel-De Mierden. </al><al>De gemeente Gemert-Bakel zet in op een duurzame en gezonde veehouderij. Dit
                    heeft de gemeente vastgelegd in de visie en het uitvoeringsprogramma
                    plattelandsontwikkeling. Nu het steeds duidelijker wordt dat houden van veel
                    dieren in combinatie met veel mensen steeds meer vragen over mogelijke risico’s
                    met zich meebrengt, probeert Gemert-Bakel te werken aan een weegbare en
                    toetsbare borging van humane (en veterinaire) gezondheid. De samenwerking met
                    gemeenten met vergelijkbare vraagstukken over ontwikkelingen in de veehouderij
                    in combinatie met de kennis en expertise van de GGD beschouwt de gemeente als
                    een eerste belangrijke en fundamentele stap naar een veilig en gezond
                    Noord-Brabant.</al><al/><al>Het Bureau Gezondheid, Milieu &amp; Veiligheid GGD’en Brabant/Zeeland heeft
                    samen met de gemeenten Oirschot, Reusel-De Mierden en Gemert-Bakel een
                    projectvoorstel ingediend bij de Academische werkplaats Milieu &amp; Gezondheid
                    om een instrument te kunnen ontwikkelen dat in deze behoefte zou kunnen
                    voorzien. </al><al/><al>Deze gemeenten verwachten ook met het resultaat van dit project handvatten te
                    hebben om de disbalans die is ontstaan tussen het maatschappelijk draagvlak voor
                    ontwikkeling van intensieve veehouderijen en de negatieve perceptie van burgers
                    beter te kunnen benoemen en te sturen.</al><al/><al><vet>1.3 Doelstelling</vet></al><al/><al>1. Het ontwikkelen van een wetenschappelijk onderbouwd lokaal
                    toetsingsinstrumentom gezondheid mee te kunnen nemen bij de beoordeling van
                    uitbreidingen van veehouderijbedrijven, aanvullend op de wettelijke toets aan
                    milieuvergunningen.</al><al>2. Het in de praktijk testen van het ontwikkelde lokale toetsingsinstrument op
                    vergunningaanvragen. De betrokken gemeenten dragen hiervoor casussen aan. Doel
                    van deze praktijktests is o.a. om te kijken of de gekozen maatregelen voldoende
                    maatschappelijk draagvlak hebben.</al><al/><al>Het eindresultaat is een maatschappelijk gedragen en wetenschappelijk onderbouwd
                    toetsingsinstrument bestaande uit een checklist met verschillende
                    gezondheidkundige criteria waarop bedrijfsuitbreidingen van
                    veehouderijenbeoordeeld kunnen worden. </al><al>Alhoewel onderzoeken wel relaties leggen met gezondheidseffecten zijn deze
                    doorgaans moeilijk te kwantificeren. De vraag die dan rijst is welk risico nog
                    acceptabel is wanneer je een risico niet kán kwantificeren?</al><al>In dit project is de insteek gekozen om als overheid en ondernemer te laten zien
                    welke inspanningen gedaan worden om gezondheidsrisico’s redelijkerwijs en vanuit
                    voorzorg te beperken op basis van huidige (wetenschappelijke) kennis en
                    inzichten. In overbelaste situaties is meestal sprake van verleende
                    “milieurechten of - gebruiksruimte”. Omdat bestaande milieurechten en de
                    milieugebruiksruimte het optreden van gezondheidseffecten niet voorkomt is er
                    voor gekozen de milieurechten en milieugebruiksruimte niet als uitgangspunt te
                    hanteren bij de opgenomen maatregelen.</al><al/><al>De praktijktests bestonden uit workshops waarin aan de hand van twee
                    vergunningaanvragen de maatregelen in het toetsingsinstrument zijn doorlopen.
                    Gemeenten gaan bij de verdere implementatie het instrument verder in de praktijk
                    testen en toepassen. </al><al/><al>De betrokken gemeenten gebruiken de checklist om bij vergunningaanvragen van
                    veehouderijbedrijven de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van
                    omwonenden aanvullend op de huidige toets aan milieu- of omgevingswetgeving, te
                    toetsen of te beoordelen. Ook andere GGD’en kunnen de checklist gaan gebruiken
                    om gemeenten in andere regio’s te adviseren.</al><al>De rapportage beschrijft de mogelijke gezondheidsrisico’s en maatregelenter
                    reducering van deze risico’s en de resultaten van de praktijktests
                    (workshops).</al><al/><al><vet>1.4 Werkwijze </vet></al><al/><al>Er zijn gesprekken gevoerd met debetrokken gemeenten over op te nemen criteria
                    hoe te komen tot een toetsingsinstrumenten een globale opzet voor een
                    toetsingsinstrument. Daarna zijn gesprekken gevoerd met externe deskundigen over
                    op te nemen criteria ter beoordeling van ontwikkelingen in
                    veehouderijbedrijvenen mogelijkheden van het toetsingsinstrument. Het betreft
                    deskundigen uit de disciplines van beleid, onderzoek en praktijk, zoals milieu,
                    publieke gezondheidszorg, infectieziektebestrijding, veterinaire gezondheidszorg
                    en de agrarische sector (zie bijlage1). </al><al/><al>Na deze verkennende gesprekken is literatuuronderzoek (Fast, 2013) gedaan. Deze
                    literatuurstudie is beschreven in de rapportage “Beoordelingskader gezondheid en
                    milieu, thema veehouderij”. Hierin is een uitgebreidere beschrijving gegeven van
                    gezondheidseffecten, de mate van blootstelling, de waardering van de risico’s,
                    de (wenselijkheid van) te nemen maatregelen en informatie over kosten en baten
                    van maatregelen. Voor een samenvatting, zie bijlage 2.</al><al>Om in de ontwikkeling van het toetsingsinstrument ook rekening te kunnen houden
                    met het maatschappelijk debat en draagvlak voor een toetsingsinstrumentzijn drie
                    workshops gehouden.Er is in deze workshopsgesproken met extern deskundigen en
                    burgers.Daarbij ishet concept toetsingsinstrument besproken aan de hand van
                    praktijkcasussen, aangeleverd door betrokken gemeenten. Op basis van deze
                    workshops is het toetsingsinstrument zo nodig aangevuld.</al><al/><al><vet>Leeswijzer</vet></al><al>Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding voor het project, de behoefte van betrokken
                    gemeenten en de aanpak om te komen tot een toetsingsinstrument. Hoofdstuk 2
                    beschrijft de gezondheidsindicatoren van de veehouderij aan de hand van de
                    oorzaak-effectketen. De geselecteerde indicatoren met maatregelen staan in
                    hoofdstuk 3 uitgewerkt in tabellen. Hoofdstuk 4 gaat in op de inpassing in het
                    gemeentelijk beleid. De uitkomsten van de workshops staan beschreven in
                    Hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 geeft conclusies en aanbevelingen over de mogelijkheden
                    van toetsing en afweging en de toepassingsmogelijkheden.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 De oorzaak-effect keten</vet></al><al/><al>Dit hoofdstuk beschrijftde geselecteerde gezondheidsindicatoren in het
                    toetsingsinstrument.Per indicator wordt vervolgens de relatie tussen gezondheid
                    en veehouderij beschreven. In de oorzaak-effectketen zoals in figuur 2
                    beschreven, wordt uitgelegd hoe de activiteiten rondom veehouderij via uitstoot
                    en verspreiding kunnen leiden tot blootstelling en gezondheidseffecten in de
                    directe omgeving van veehouderij.</al><al>De literatuurstudie die voor de ontwikkeling van het toetsingsinstrument is
                    gedaan, is beschreven in de rapportage “Beoordelingskader gezondheid en milieu,
                    thema veehouderij” (Fast, 2013). Hierin is een uitgebreidere beschrijving
                    gegeven van gezondheidseffecten, de mate van blootstelling, de waardering van de
                    risico’s, de (wenselijkheid van)te nemen maatregelen en informatie over kosten
                    en baten van maatregelen. Voor een samenvatting, zie bijlage 2.</al><al/><al><vet>2.1 Selectie van indicatoren</vet></al><al/><al>Geur, fijn stof, endotoxinen en micro-organismenzijn de belangrijkste
                    indicatoren voor het bepalen van blootstelling van omwonenden door de intensieve
                    veehouderij. Afhankelijk van de hoogte van de blootstelling leiden deze
                    indicatoren mogelijk tot het gezondheidseffecten. Bij het nemen van maatregelen
                    ter beheersing van eventuele risico’s op gezondheidseffecten is het uitgangspunt
                    dat daar waar sprake is van een hogere concentratie dan het lokale
                    achtergrondniveau er reeds beïnvloeding plaats vindt. Bovendien leidt een extra
                    toename bij hoge achtergrondniveaus tot hogere gezondheidsrisico’s dan een
                    toename bij lage achtergrondniveaus. </al><al/><al>De volgende indicatoren zijn geselecteerd om via de oorzaak-effectketen
                    uitgewerkt te worden:</al><lijst><li nr="1."><al>Geur;</al></li><li nr="2."><al>Fijn stof;</al></li><li nr="3."><al>Ziekten die overdraagbaar zijn van dieren op mensen: zoönosen, inclusief
                            antibioticaresistente bacteriën.</al></li></lijst><al>Endotoxinen worden niet apart als indicator uitgewerkt in verband met het
                    ontbreken van beschikbaar onderzoek en kennis over de gezondheidseffecten van
                    endotoxinen voor omwonenden. Aangenomen mag worden dat de maatregelen die
                    genomen worden voor beheersing van emissies en blootstelling aan fijn stof en
                    geur ook een positieve uitwerking hebben op de beheersing van endotoxinen
                    afkomstig uit stallen (GR, 2012). Over micro-organismen in het algemeen is
                    weinig informatie beschikbaar. In dit rapport wordt specifiek ingegaan op de
                    zoönosen en antibioticaresistente bacteriën.</al><al/><al>Verder zijn enkele specifieke activiteiten uitgewerkt die indirect invloed
                    hebben op gezondheid: </al><lijst><li nr="1."><al>Landschappelijke inpassing (esthetiek, samenwerking, “affect
                            heuristiek”);</al></li><li nr="2."><al>Transport ( zowel geluid als ook risico op ongevallen).</al></li></lijst><al/><al><vet>2.2 Relatie gezondheid en veehouder</vet>ij </al><al/><al>Er is weinig onderzoek beschikbaar naar de relatie tussen veehouderijbedrijven
                    en de invloed op de gezondheid van omwonenden. De Gezondheidsraad concludeert
                    dat er slechts drie, kwalitatief goede, (inter)nationale onderzoeken zijn die
                    ingaan op de impact die veehouderijbedrijven hebben op de gezondheid van
                    omwonenden. Veelal is onderzoek gedaan naar de gezondheid van werknemers en
                    familieleden op de boerderij.</al><al>Uit de beschikbare onderzoeken blijkt dat fijn stof en biologische agentia een
                    belangrijke rol spelen bij het optreden van gezondheidseffecten in de omgeving.
                    Het gaat daarbij met name om het ontstaan of verergeren van luchtwegklachten.
                    Daarnaast zijn geur en geluid belangrijke aspecten bij de hinderbeleving van
                    omwonenden. Dit zorgt voor verminderde kwaliteit van leven en indirect op het
                    ontstaan van gezondheidsklachten, waaronder misselijkheid en hoofdpijn. Bij
                    sommige veehouderijen in overbelaste situaties leidt dit tot serieuze overlast
                    voor omwonenden. </al><al/><al><vet>Geur</vet></al><al>Geur kan verschillende gezondheidseffecten oproepen bij de mens: (ernstige)
                    hinder, verstoring van gedrag en activiteiten en stressgerelateerde somatische
                    gezondheidsklachten (bijvoorbeeld hoofdpijn). Het meest voorkomende en
                    beschreven (gezondheids)effect van geur is (ernstige) hinder. De beoordeling van
                    geur is subjectief en individueel bepaald. Hoe hinderlijk mensen een geur vinden
                    hangt ondermeer af van de aangenaamheid, de duur, frequentie en intensiteit van
                    de geur. Ook de gewenning, het tijdstip en de vermijdbaarheid van de
                    blootstelling spelen hierbij een belangrijke rol. Uiteraard beïnvloeden ook
                    persoonsgebonden eigenschappen de ervaren hinder. Of de hinder ook tot andere
                    gezondheidsklachten leidt, is persoonsgebonden en afhankelijk van de
                    persoonlijke ‘stressverwerking’ ofwel ‘coping’. </al><al/><al>In onderstaande model wordt geschetst hoe geur kan leiden tot
                    gezondheidseffecten zoals hinder, verstoring en andere (stressgerelateerde)
                    gezondheidseffecten.</al><al><plaatje><illustratie id="i00dd84f8-fc3e-46a2-86d7-9f8580948a94" naam="i235103i00dd84f8-fc3e-46a2-86d7-9f8580948a94.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="7.47cm"/></plaatje></al><table><tgroup cols="1"><tbody><row><entry><al>Figuur 1<cursief>Model voor de relatie tussen geurbelasting
                                            en gezondheidseffecten (Smeets &amp; Fast,
                                            2006)</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Zoönosen</vet></al><al>Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Per
                    diersoort kunnen verschillende ziekten voorkomen die zich via de lucht
                    verspreiden naar mensen, via direct contact tussen dier en mens of via voedsel.
                    Voor omwonenden zijn vooral de via de lucht overdraagbare aandoeningen van
                    belang. De belangrijkste zijn Q-koorts en influenza (vogelgriep, varkensgriep).
                    De aanwezige veehouderijbedrijven zorgen voor een (mogelijke) verhoogde
                    blootstelling aan via de lucht overdraagbare zoönosenverwekkers en
                    antibioticaresistente bacteriën die leiden tot een verhoogd risico op
                    infectieziekten of onbehandelbare infecties. Het is nog niet goed inzichtelijk
                    vanaf welke concentraties of binnen welke afstand tot aan veehouderijen het
                    risico verhoogd is.Alleen bij een uitbraak met Q-koorts is er, op basis van
                    wetenschappelijk onderzoek, een verhoogd risico op besmetting en ziekte bij
                    omwonenden, in relatie tot afstand van woonhuis en melkgeitenbedrijven tot een
                    afstand van 5 kilometer (Maassen, 2012).</al><al>Verder zijn er aanwijzingen dat bij enkele zoönoseverwekkerszoals Coxiella
                    burnetti (veroorzaker Q-koorts), Campylobacter (veroorzaker darminfecties) en
                    veegerelateerde MRSA, de bedrijfsgrootte een risicofactor is voor de werknemers
                    binnen het bedrijf zelf om besmet te raken. Of deze bedrijfsgrootte ook een
                    risico is voor besmetting bij omwonenden is onbekend, behalve bij Q-koorts.</al><al>Bij zoönosen wordt voor de risicoschatting onderscheid gemaakt in normale
                    bedrijfsvoering en uitbraak van zoönosen.</al><al/><al><vet>Fijn stofen endotoxinen</vet></al><al>Veehouderijen leveren een belangrijke bijdrage aan verhoging van fijn
                    stofbelasting zowel regionaal als lokaal. In de nabijheid van
                    veehouderijbedrijven zijn verhoogde concentraties endotoxinen gemeten die tot
                    effecten op de luchtwegen kunnen leiden(Heederik, 2011). Of dergelijke
                    blootstelling ook leidt tot specifieke effecten op de gezondheid van omwonenden
                    is zeer beperkt onderzocht. Deze studies wijzen met name op het meer voorkomen
                    van zelfgerapporteerde klachten van luchtwegen, verminderd welbevinden, acute
                    klachten van ogen, neus en bovenste luchtwegen gerelateerd aan aanwezigheid van
                    veehouderijbedrijven of hogere blootstelling aan fijn stof of endotoxinen. </al><al/><al><vet>Afstanden</vet></al><al>Het RIVM (Maassen, 2012) concludeert dat door toenemende afstand verdunning van
                    agentia in het milieu plaats vindt waardoor blootstellinglager wordt. Het
                    hanteren van een bepaalde afstand tussen veehouderijbedrijf en woningen heeft
                    daardoor een gunstig effect op de blootstelling van omwonenden aan geur, fijn
                    stof, endotoxinen en zoönotische agentia. Welke afstand gehanteerd zou moeten
                    worden, hangt onder andere af van bedrijfsomvang, staltype, diersoort,
                    technische maatregelen en lokale omgevingsfactoren. In het najaar van 2011 heeft
                    de landelijke GGD-werkgroep intensieve veehouderij en gezondheid geconcludeerd
                    dat het hanteren van een minimumafstand tussen een veehouderij en woonbebouwing
                    wenselijk is, zolang er geen andere normen zijn om risico op gezondheidseffecten
                    te toetsen. De GGD hanteert een advieswaarde van 250 meter tussen intensieve
                    veehouderij en burgerwoningen (Nijdam, 2011).Daarnaast adviseert de GGD om bij
                    een afstand van 250 - 1000 m. tussen een intensieve veehouderij en een
                    burgerwoning / woonwijk de GGD om een advies op maat te vragen.De
                    Gezondheidsraad adviseert maatregelen te nemen, zoals het belang van het
                    maximaal terugdringen van emissies van stoffen uit stallen, emissiegerelateerde
                    minimum afstanden en het belang om beleidsmatig hierover lokaal besluiten te
                    nemen.</al><al/><al><vet>Landschappelijke inpassing</vet></al><al>Landschappelijke inpassing heeft een directe relatie met
                        g<cursief>ezondheid.</cursief> Bomen en struiken hebben een positief effect
                    op gezondheid door de invloed op geluid. Een groen uitzicht vermindert de hinder
                    die lawaai kan opleveren hoewel het feitelijk geluidniveau niet word verlaagd
                    door beplanting(informatieblad Groen en Geluid GGD werkgroep groen en
                    gezondheid, 2012). Daarnaast is de hoeveelheid groen in de woonomgeving van
                    mensen positief geassocieerd met de ervaren gezondheid van bewoners, zowel in
                    stedelijke en plattelandse woonomgeving. De positieve bijdrage van groen wordt
                    veroorzaakt door het optreden van verkoeling en vermindering van hitte-stress
                    (stedelijk). Ook kan de aanwezigheid van lokaal groen de concentraties
                    luchtverontreinigende stoffen in de lucht verlagen, doordat de verontreinigingen
                    op de vegetatie worden gedeponeerd of geabsorbeerd. Een negatief effect wordt
                    veroorzaakt door pollen en schimmelsporen afkomstig van bomen. Deze stoffen
                    kunnen de gezondheid van allergische en/of astmatische personen negatief
                    beïnvloeden. </al><al>Er is nog veel discussie over de effectiviteit van de inzet van groen op de
                    lokale luchtkwaliteit. In stedelijk gebied leidt de inzet van groen tot extra
                    belasting aan fijn stof en andere verkeersuitstoot omdat het groen de
                    doorstroming beperkt en lokaal blijft hangen. De depositie van vervuilende
                    stoffen op het aanwezige groen kan dit effect niet opvangen ( “street-canyoning”
                    effect). Gebiedsgerichte toepassing van groen wordt positiever beoordeeld maar
                    er is weinig onderzoek naar het kwantitatieve effect van verlaging van fijn
                    stofconcentraties.</al><al/><al>Wanneer een bestemming in het buitengebied wordt gewijzigd, kan een gemeente
                    eisen dat het plan in het landschap wordt ingepast. De gemeente vraagt in een
                    dergelijk geval naar een landschappelijk inpassingsplan (LIP). De criteria
                    hiervoor kunnen gemeenten vastleggen in een LandschapsOntwikkelingsPlan (LOP).
                    In een LOP is in grote lijnen reeds geschetst hoe het streefbeeld eruit dient te
                    zien. Deze eisen zijn vaak gericht op het visuele inpassing. Daarnaast kunnen
                    ook andere waarden worden versterkt of gecreëerd zoals bijdrage aan de eigenheid
                    van het lokale landschap door het gebruik van inheemse boom- en struiksoorten,
                    de bijdrage aan biodiversiteit en de afvang van uitstoot van bedrijven door
                    gebruik van groen. Er wordt daarmee bijgedragen aan een goed woon-, leef- en
                    werkklimaat. Actieve inzet op het thema landschappelijke inpassing leidt tot
                    samenwerking en positieve contacten tussen inwoners en de gemeente is de
                    ervaring van gemeenten. Wel zijn de normen voor landschappelijke inpassing en
                    vormgeving voor bouwplantoetsers moeilijk te interpreteren omdat het vaak
                    relatieve normen betreft en geen absolute. Daarnaast stelt men eisen aan
                    communicatievaardigheden om bouwers te enthousiasmeren en eigenheid en
                    creativiteitte ontwikkelen die tot uitdrukking komen in een ontwerp.</al><al/><al><vet>2.3 Beschikbare normen en advieswaarden</vet></al><al/><al>Er zijn verschillende mogelijkheden om mens en milieu te beschermen tegen
                    ongewenste blootstelling aan milieufactoren en infectieziekten. Normstelling is
                    gericht op het hanteren van maximaal toelaatbare belastingniveau’s die mens en
                    milieu moeten beschermen tegen ongewenste effecten. Normstelling vindt plaats
                    door het afleiden van advieswaarden, grens- en streefwaarden. Op dit moment zijn
                    er geen normen of grenswaarden beschikbaar voor micro-organismen, fijn stof
                    specifiek afkomstig van veehouderijen en het voorkomen van zoönosen. Alleen voor
                    endotoxinen geeft de Gezondheidsraad een aanbeveling om de gezondheidkundige
                    advieswaarde voor werknemers van 90 EU/m3 met een onzekerheidsfactor van 3 te
                    verlagen naar 30 EU/m3 als gezondheidkundige advieswaarde voor de algemene
                    bevolking (Gezondheidsraad, 2012). Over de geurnormen concludeert de
                    Gezondheidsraad dat de industriële geurnormen aanzienlijk lager liggen dan de
                    normen zoals die gelden in de Wet geurhinder en veehouderij. De aanbeveling is
                    dat de wetgeving voor geur afkomstig van veehouderijwetenschappelijk beter
                    onderbouwd dient te worden. Daarvoor is meer onderzoek nodig.</al><al/><al>Dit laatste blijkt ook uit de praktijkervaringen van de betrokken gemeenten. Met
                    de huidige geurwetgeving kunnen overbelaste situaties ontstaan of in stand
                    blijven. Het lokale geurbeleid van een gemeente biedt wel een kader voor
                    cumulatieve geurbelasting op gevoelige bestemmingen maar levert in reeds
                    overbelaste situaties vaak geen oplossing. De wetgever geeft veehouderijen in
                    een overbelaste situatie de mogelijkheid op verder uit te breiden (50%
                    regeling).</al><al/><al><vet> 2.4 De oorzaak-effectket</vet>en </al><al/><al>In onderstaande figuur is de oorzaak-effectketen schematisch weergegeven.</al><al/><al><plaatje><illustratie id="ideeb8ecd-fe4f-4f01-b4ea-5b518f0c9101" naam="i235104ideeb8ecd-fe4f-4f01-b4ea-5b518f0c9101.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="11.60cm"/></plaatje></al><al>Figuur 2 <cursief>Oorzaak-effectketen</cursief></al><al/><al>Als bekend is om welke activiteit het gaat, welke stoffen uitgestoten worden,
                    hoe deze stoffen zich verspreiden naar de lokale omgeving en de concentraties in
                    de verschillende milieucompartimenten bekend zijn, kan ook de inname door de
                    mens worden ingeschat. Het effect van deze inname wordt dan getoetst aan de hand
                    van beschikbare dosis-effectrelaties. Zo kan het effect op gezondheid worden
                    bepaald.</al><al>Uit de beschikbare onderzoeken en advisering blijkt dat er gezondheidsklachten
                    zijn, blijkt het belang van emissiereductie en dat afstand leidt tot verdunning
                    en verlaging van blootstelling. Door per indicator de stappen uit de
                    oorzaak-effectketen in beeld te hebben, kunnen eventuele maatregelen ontwikkeld
                    worden, en ingezet worden in verschillende fasen van deze oorzaak-effect keten.
                    Deze maatregelen kunnen ingrijpen in de oorzaak, in de verspreiding of de
                    blootstelling. Doel is om te voorkomen dat omwonenden extra worden blootgesteld
                    en daardoor extra risico’s lopen. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Checklist voor toetsing van gezondheids-risico’s van
                        veehouderijen </vet></al><al/><al/><al>In dit hoofdstuk is voor de geselecteerde indicatoren per indicator in een tabel
                        <cursief>(niet opgenomen ivm opmaak) </cursief>de oorzaak-effectketen in
                    beeld gebracht inclusief de te nemen maatregelen gericht op emissiereductie in
                    de lokale leefomgeving.</al><al/><al><vet>Maatregelen gebaseerd op een risico-inventarisatie en -evaluatie</vet></al><al>Zoals in het vorige hoofdstuk beschreven richt het toetsingsinstrument zich op
                    de indicatoren geur, fijn stof en zoönosen, inclusief antibioticaresistente
                    bacteriën. Verder zijn landschappelijke inpassing en transport verder uitgewerkt
                    in maatregelen.</al><al>Het soort maatregelen onderscheidt zich in kwantitatieve afkappunten die als
                    toets op te nemen zijn in gemeentelijk beleid en in meer kwalitatieve
                    maatregelen. Voor geur zijn kwantitatieve referentiewaarden beschikbaar en in
                    beperkte mate ook voor fijn stof, hoewel daar de bewijslast beperkt is m.b.t.
                    samenstelling van agrarisch fijn stof. Voor endotoxinen is een kwantitatieve
                    advieswaarde beschikbaar. Daar beschikt de gemeente of ondernemer echter nog
                    niet over een toegankelijke bepalingsmethode. </al><al>Daar waar kwantitatieve toetsingscriteria ontbrekenop het niveau van
                    gezondheidsrisico, blootstelling of emissie,richten maatregelen zich op een
                    kwalitatieve benadering zoals bij zoönosen. Dit betekent dat de maatregelen die
                    het risico beperkenbij voorkeur gericht zijn op het niveau van de activiteit
                    zelf (het bedrijf en de bedrijfsvoering), de emissie, de verspreiding en dan pas
                    blootstelling.De insteek is om op bedrijfsniveau een risico-inventarisatie en
                    –evaluatie te maken waarin je gericht maatregelen kunt nemen om
                    gezondheidsrisico’s beheersbaar te houden. In de hieronder beschreven tabellen
                    is per indicator de oorzaak-effectketen kort samengevat met daaronder de
                    maatregelen per fase van deze keten.</al><al><cursief>(Niet mogelijk tabellen op te nemen ivm opmaak)</cursief></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Inpassing van het toetsingsinstrument in het gemeentelijk
                        beleid: aanpak bij gemeenten</vet></al><al/><al>Diverse wettelijke bepalingen schrijven de afweging van de effecten voor de
                    gezondheid in relatie tot de veehouderij voor maar geven geen richtlijn over
                        <vet>hoe</vet> dit uitgevoerd kan worden. Er zijn tot op heden weinig
                    toetsingsinstrumenten of richtlijnen beschikbaar die het bevoegd gezag bij de
                    besluitvorming over vergunningen kunnen betrekken.In dit hoofdstuk wordt een
                    toelichting gegeven op deze wettelijke verplichtingen. De maatregelen in dit
                    toetsingsinstrument zijn hierbij een handvat bij uitvoering van deze wettelijke
                    taak, en zijn eventueel als beleidsregel vast te leggen.</al><al>Vanuit zowel de commissie voor de mer als ook vanuit de juridische ondersteuning
                    bij de Brabantse Zorgvuldigheidscore is aangegeven dat het toetsingsinstrument
                    concrete handvatten biedt en in te zetten is. Het blijft onzeker
                        of<cursief>alle</cursief> maatregelen juridisch geborgd zijn.</al><al/><al><vet>Wettelijke regelingen veehouderij</vet></al><al>Sinds 1 januari 2013 vallen veel veehouderijen in hun geheel onder het
                    Activiteitenbesluit. Zij hebben geen vergunning nodig. Eisen uit de Wet
                    geurhinder en veehouderij zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Het niet
                    voldoen aan de voorschriften leidt er niet meer toe dat het bedrijf
                    vergunningplichtig wordt. De veehouder is in dit geval in overtreding met het
                    Activiteitenbesluit en het bevoegd gezag moet hierop handhaven. Voor een aantal
                    activiteiten uit het Activiteitenbesluit (meldingsplichtige inrichtingen) hebben
                    bedrijven sinds 1 januari 2011 toestemming van het bevoegd gezag nodig voordat
                    ze hiermee kunnenstarten. Deze "toestemming vooraf" wordt in de
                    Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets genoemd (OBM): een OBM voor
                    milieueffectrapportage (m.e.r.) of een OBM voor fijn stof.De noodzaak van een
                    OBM volgt uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO) artikel 2.1, lid
                    1, onder i. Daarin staat de koppeling tussen de Omgevingsvergunning beperkte
                    milieutoets (OBM) en m.e.r. Daarbij is in artikel 2.2a van het Besluit
                    Omgevingsrecht (Bor) geregeld wanneer een OBM nodig is bij veehouderijen. Het
                    grote verschil met een reguliere omgevingsvergunning is dat er aan een OBM geen
                    voorschriften worden verbonden, dit volgt uit artikel 5.13a Bor. Om toch een
                    afweging te kunnen maken, kunnen wel eisen worden gesteld aan de in te dienen
                    stukken.Voor de afweging van volksgezondheid kan hiervoor het
                    toetsingsinstrument gehanteerd worden, al dan niet beschreven in een MER. De
                    gemeente heeft hierin eigen beleidsvrijheid.</al><al/><al>Bepaalde veehouderijen hebben nog steeds een omgevingsvergunning milieu nodig.
                    In dat geval zijn de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en
                    veehouderij van toepassing. </al><al>Bij grote varkens- en pluimveehouderijen kan sprake zijn van een
                    IPPC-installatie. </al><al>Alle veehouderijen moeten daarnaast voldoen aan de eisen van het Besluit
                    Huisvesting. Dit besluit bepaalt dat dierenverblijven moeten voldoen aan de
                    maximale emissiewaarden. Uiterlijk 1 januari 2014 moeten alle bedrijven voldoen
                    aan de voorwaarden uit dit Besluit Huisvesting. </al><al/><al><vet>Wettelijke regelingen gezondheid</vet></al><al>Het bevoegd gezag is wettelijk verplicht om de effecten van (ruimtelijke)
                    ontwikkelingen op de volksgezondheid in de besluitvorming mee te wegen. Deze
                    verplichting is onder andere opgenomen in de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Wet publieke gezondheid, artikel 2 lid 1 en lid 2 onder c: Het college
                            van burgemeester en wethouders bevordert de totstandkoming en de
                            continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg. Ter
                            uitvoering van deze taak draagt het college van burgemeester en
                            wethouders in ieder geval zorg voor het bewaken van gezondheidsaspecten
                            in bestuurlijke beslissingen.Tevens kunnen maatregelen geformuleerd
                            worden ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen.</al></li><li nr="2."><al>Wet milieubeheer, artikel 1.1 lid 2 onder a: In deze wet en de daarop
                            berustende bepalingen worden onder gevolgen voor het milieu in ieder
                            geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het
                            belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van
                            water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke
                            en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat,
                            alsmede van de relaties daartussen. (zie ook ABRvS 201104121/1/A4,
                            201011284/1/A4).</al></li><li nr="3."><al>Wet Ruimtelijke Ordening waarin is bepaald dat een ontwikkeling moet
                            voldoen aan het begrip ‘goede Ruimtelijke Ordening (RO)’.</al></li></lijst><al/><al>In aanvulling hierop is de verplichting om de effecten voor de
                    volksgezondheidals milieugevolg van een activiteit te betrekken in de
                    besluitvorming tevens te vinden in het Besluit milieueffectrapportage. Ook de
                    Verordening ruimte van de provincie Noord Brabant stelt dat uitbreiding slechts
                    mogelijk is op duurzame locaties. Daarbij is benoemd dat van een duurzame
                    locatie alleen sprake is als de beoogde ontwikkeling vanuit milieuoogpunt, in
                    het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijn stof én gezondheid voor mensen,
                    aanvaardbaar is.</al><al/><al>Het staat het bevoegd gezag in principe vrij op welke wijze deze verplichting
                    ingevuld wordt. Voor sommige criteria zoals ammoniak en fijn stof zijn
                    (duidelijke) richtlijnen en/of handelingsmethoden beschikbaar. </al><al>Voor de gezondheid van mensen is dit echter niet of veel minder het geval (zie
                    paragraaf 2.3). Duidelijk is wel dat het bevoegd gezag de gevolgen van
                    ontwikkelingen (van de veehouderij) voor de gezondheid van mensen in de
                    besluitvorming <vet>moet</vet> betrekken. </al><al/><al>Meer achtergrondinformatie over het Activiteitenbesluit, Omgevingsvergunning
                    beperkte milieutoets (OBM) m.e.r., Omgevingsvergunning beperkte milieutoets
                    (OBM) Fijn stof en de MER-richtlijnstaat beschreven in hoofdstuk IV “Noodzaak,
                    mogelijkheden en effectiviteit van interventiemaatregelen” van het
                    Beoordelingskader Gezondheid en Milieu, intensieve veehouderij (Fast, 2013) en
                    op de website van Infomil (www.Infomil.nl).</al><al/><al><vet> Hoofdstuk 5 Maatschappelijk draagvlak voor een
                    toetsingsinstrument</vet></al><al/><al>De veehouderij en nieuwe ontwikkelingen in de veehouderij worden in het
                    maatschappelijk debat in verband gebracht met stank(hinder), verminderd
                    dierenwelzijn, landschapsvervuiling, infectieziekten, voedselveiligheid,
                    duurzaamheid, mineralenkringloop en luchtwegklachten.Omwonenden hebben echter
                    weinig invloed op deze ontwikkeling. Er bestaat wel de wettelijke mogelijkheid
                    om inspraakreacties te geven op vergunningaanvragen van bedrijven en bij
                    procedures rondom bestemmingsplannen van LOG’s en buitengebieden. Echter in de
                    milieuwetgeving zitten behalve voor de geur van individuele bedrijven, weinig of
                    alleen impliciete handvatten om bedreigende aspecten zoals de cumulatie van
                    geur, de biologische samenstelling van fijn stof of de infectieziektendruk te
                    toetsen. </al><al>In veel Brabantse gemeenten wordt het maatschappelijk debat zoals hierboven
                    benoemd gevoerd. De mogelijke risico’s van veehouderijen voor de volksgezondheid
                    staan dan ook hoog op de (politieke) agenda’s. De intentie om gezondheid een
                    volwaardige plek te geven in de besluitvorming is alom aanwezig bij de Brabantse
                    gemeenten. Door onzekerheid en onwetendheid (hiaten in kennis) wordt deze
                    intentie vaak niet ingevuld. Er wordt gezocht naar geschikte kennis,
                    vaardigheden, (beleids)instrumenten e.d. die hieraan invulling kunnen
                    geven.</al><al>Om in de ontwikkeling van het toetsingsinstrument ook rekening te kunnen houden
                    met dit maatschappelijk draagvlak zijn drie verschillende workshops gehouden. De
                    eerste workshop richtte zich daarbij op de aanpak en het draagvlak voor een
                    toetsingsinstrument. De andere twee workshops richten zich meer op de
                    geselecteerde indicatoren en de maatregelen. De verzamelde informatie uit deze
                    workshops zijn bij de verdere ontwikkeling van het toetsingsinstrument gebruikt
                    en verwerkt.</al><al>In onderstaande beschrijving van beide workshops zijn conclusies opgenomen die
                    kunnen helpen bij de implementatie van het toetsingsinstrument in gemeentelijke
                    beleid. </al><al/><al>Als eerste is op het najaarscongres van het Brabants kennisnetwerk Zoönosen met
                    het thema “ One-Health” de workshop “Naar een gezonde en duurzame veehouderij;
                    geef je mening in ‘Over de streep”gegeven.Tijdens deze workshop zijn twee
                    instrumenten toegelicht waarbij gezondheidscriteria worden ingezet om een
                    bedrijfsuitbreiding of bedrijfsverplaatsing te toetsen. De twee instrumenten
                    waren de ondernemerscan van de HAS Kennistransfer en Bedrijfsopleidingen en het
                    aanvullend toetsingsinstrument gezondheid bij veehouderijbedrijven. Vervolgens
                    is gediscussieerd aan de hand van stellingen over beide instrumenten. De
                    stellingen gingen over draagvlak, verantwoordelijkheid, dialoog en
                    inzetbaarheid. Deelnemers aan de workshop waren ondernemers,
                    gemeente-ambtenaren, GGD-medewerkers en burgers.</al><al>Belangrijkste conclusies van de deelnemers waren:</al><lijst><li nr="1."><al>Het is belangrijk om een onafhankelijk en wetenschappelijk kader voor
                            gezondheid te ontwikkelen. Gemeenten kunnen dat kader dan zelf in
                            gemeentelijk beleid in passen en uitvoeren. </al></li><li nr="2."><al>Het moet geen politiek instrument zijn, gemeenten moeten niet allemaal
                            zelf een apart eigen gezondheidskader ontwikkelen .</al></li><li nr="3."><al>Het moet algemeen gedragen worden door verschillende partijen, rol van
                            gemeente is bij het toetsingsinstrument uitvoerder en handhaver. Bij de
                            ondernemerscan of dialoog is de rol van de gemeente faciliterend.</al></li><li nr="4."><al>Er was twijfel bij de deelnemers of een extra toetsingsinstrument leidt
                            tot verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Sommigen vonden
                            dat de ondernemers zelf verantwoordelijk zijn voor deze
                            omgevingskwaliteit. Anderen vonden juist dat het toetsingsinstrument
                            niet ver genoeg gaat en onvoldoende handvaten biedt.</al></li><li nr="5."><al>Het is belangrijk dat er een dialoog tussen ondernemers en omwonenden
                            gevoerd wordt. In gesprek gaan met elkaar over het bedrijf en de
                            ontwikkelingen leidt tot meer vertrouwen in elkaar. Het leidt echter
                            niet tot een snellere vergunningverlening.</al></li><li nr="6."><al>De ondernemers vinden het lastig om te bepalen wie hun omwonenden
                            allemaal zijn, wie betrek je in de dialoog. </al></li><li nr="7."><al>Het is van belang om ook deskundigen bij je overleg en inzet van
                            instrumenten te betrekken om ook verbeterpunten en handvatten aan te
                            dragen.</al></li></lijst><al>Daarnaast zijn in twee workshops, één keer samen met de projectroep en één keer
                    met de diverse experts, de opzet van het toetsingsinstrument, de indicatoren en
                    de voorgestelde maatregelen besproken. Met de projectgroep is dit gedaan aan de
                    hand van een vergunningaanvraag. Met de expertsin een discussiebijeenkomst
                    waarin de burger, overheid en wetenschap met elkaar gesproken hebben. </al><al>Enkele algemene discussiepunten betroffen de verwachtingen of het
                    toetsingsinstrument ingezet kan worden als toetsinstrument of meer als
                    afwegingsinstrument en de inzet van de dialoog daarbij. </al><lijst><li nr="1."><al>De inzet van de dialoog is belangrijk bij de afstemming tussen de boer
                            en omwonenden. Het kan echter niet als maatregel ingezet worden bij de
                            vergunningverlening. Dit zou een te grote druk leggen op de loyaliteit
                            en de relaties onderling. Bovendien vergt het veel expertise van de
                            burger. De gemeente blijft de verantwoordelijke instantie die besluit
                            neemt waarin het verloop van de dialoog en het draagvlak voor een
                            ontwikkeling wel wordt meegewogen. Hiertoe is een gespreksverslag een
                            bruikbaar instrument</al></li><li nr="2."><al>Een aantal voorgestelde maatregelen, zoalshet van te voren aankondigen
                            van activiteiten die geuroverlast geven of BBT ook voor bestaande
                            (niet-emissiearme) gebouwen voorschrijven zijn niet als
                            toetsingscriterium te hanteren maar zal meer in het afwegingsproces
                            moeten plaats vinden. </al></li><li nr="3."><al>Sommige maatregelen worden bij de vergunningaanvraag voorgeschreven maar
                            kunnen pas uitgevoerd of gecontroleerd worden op het moment dat het
                            bedrijf in werking is.</al></li><li nr="4."><al>De besluitvorming richt zich op de vraag of het risico acceptabel klein
                            genoeg is en niet op de vraag of het gerechtvaardigd is dat buren met
                            risico/overlast geconfronteerd wordt.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 Conclusies en aanbevelingen</vet></al><al/><al>Het toetsingsinstrument is een instrument waarmee de gemeente gezondheid kan
                    afwegen in de besluitvorming over ontwikkelingen in de veehouderij. Het
                    toetsingsinstrument is uitgewerkt als een risico-inventarisatie en -evaluatie
                    met handvatten voor het nemen van maatregelen. Bij de toepassing maakt de
                    gemeente —afhankelijk van de lokale omstandigheden en het aantal blootgestelde
                    omwonenden— een afweging of de ontwikkeling wel of niet passend is in het gebied
                    en binnen de beschikbare milieuruimte. </al><al/><al>De maatregelen richten zich op het streven naar emissiereductie zodat
                    ontwikkeling van een veehouderij geen extra toename in aantal blootgestelden of
                    gehinderden geeft. Dit stimuleert om de best beschikbare technieken in te zetten
                    om emissies terug te dringenin plaats van opvulling van normen.</al><al/><al>De maatregelen onderscheiden zich in kwantitatieve referentiewaarden die als
                    toets op te nemen zijn in gemeentelijk beleid en in meer kwalitatieve
                    maatregelen ter afweging. </al><lijst><li nr="1."><al>Voor geur zijn kwantitatieve waarden beschikbaar en in beperkte mate ook
                            voor fijn stof. </al></li><li nr="2."><al>Van fijn stof is endotoxinen één van de relevante bestanddelen. Voor
                            endotoxinen is een kwantitatieve advieswaarde beschikbaar. De gemeente
                            of ondernemer beschikt echter nog niet over een toegankelijke
                            bepalingsmethode. </al></li><li nr="3."><al>In het toetsingsinstrument is veel aandacht voor maatregelen binnen het
                            bedrijf gericht op huisvestingssystemen met als doel beheersing van
                            introductie en verspreiding van micro-organismen en beperking van
                            uitstoot van schadelijke stoffen.</al></li><li nr="4."><al>Bij zoönosen, landschappelijke inpassing en transport zijn meer
                            kwalitatieve maatregelen opgenomen. Dit betekent dat de maatregelen die
                            het risico beperken bij voorkeur gericht zijn op het niveau van de
                            activiteit zelf (het bedrijf en de bedrijfsvoering), de emissie, de
                            verspreiding en dan pas blootstelling.</al></li><li nr="5."><al>Bij transport is verkeersveiligheid en de bijdrage van transport aan
                            verspreiding van zoönosen belangrijk. De maatregelen richten zich
                            daarbij op de route en het tijdstip van vrachtverkeer in relatie tot
                            gevoelige bestemmingen.</al></li><li nr="6."><al>Maatregelen voor landschappelijke inpassing zijn gericht op het visuele
                            inpassing, bijdrage aan de eigenheid van het lokale landschap door het
                            gebruik van inheemse boom- en struiksoorten, de bijdrage aan
                            biodiversiteit en de afvang van uitstoot van bedrijven door gebruik van
                            groen. Er wordt daarmee bijgedragen aan een goed woon-, leef- en
                            werkklimaat.</al></li></lijst><al/><al>Juist wanneer geen kwantitatieve grenswaarden vast te stellen zijn, wordt
                    gekozen voor een benadering van risico-inventarisatie en –evaluatie. Hierbij is
                    niet duidelijk of alle maatregelen samen voldoende zijn noch welke van de
                    afzonderlijke maatregelen noodzakelijk is om risico’s tot een acceptabel niveau
                    te beperken.</al><al/><al>Het bevoegd gezag is wettelijk verplicht om de effecten van (ruimtelijke)
                    ontwikkelingen op de volksgezondheid in de besluitvorming mee te wegen. Deze
                    verplichting is onder andere opgenomen in de Wet publieke gezondheid, de Wet
                    milieubeheer en de Wet Ruimtelijke Ordening waarin is bepaald dat een
                    ontwikkeling moet voldoen aan het begrip ‘goede Ruimtelijke Ordening’.</al><al/><al>Tijdens de workshops is door alle deelnemers benadrukt dat er tot op heden geen
                    tot weinig ervaring is met de uitvoer van de wettelijke verplichting om
                    gezondheid mee te wegen in de besluitvorming. Het is voor hen belangrijk om een
                    goede juridische borging vast te leggen. Het toetsingsinstrument is hierbij een
                    hulpmiddel, waarin de wettelijke verplichting van de gemeente is vertaald, en
                    wat dient als instrument bij het maken van (gezondheidkundige) afwegingen voor
                    uitbreidingen van veehouderijen. </al><al/><al>De inzet van de dialoog is belangrijk bij de afstemming tussen de boer en
                    omwonenden. Het kan echter niet als maatregel ingezet worden bij de
                    vergunningverlening. Dit zou een te grote druk leggen op de loyaliteit en de
                    relaties onderling. Bovendien vergt het veel expertise van de burger. De
                    gemeente blijft de verantwoordelijke instantie die het besluit neemt waarin het
                    verloop van de dialoog en het draagvlak voor een ontwikkeling wel wordt
                    meegewogen. Hiertoe is een gespreksverslag een bruikbaar instrument.</al><al/><al><vet>Implementatie</vet></al><al>Bij de implementatie van het toetsingsinstrument richten de aanbevelingen zich
                    op drie sporen:</al><lijst><li nr="1."><al>Gemeentelijk</al></li><li nr="2."><al>Provinciaal (relatie met de Brabantse Zorgvuldige
                            Veehouderij-score)</al></li><li nr="3."><al>Landelijk (relatie met dosis-respons onderzoekin het landelijk onderzoek
                            VGO; aangepaste geurmodellering Voucher AW-MMK.; WUR-programma risico en
                            ruimte).</al></li></lijst><al/><al><cursief>Gemeentelijke implementatie</cursief></al><al>Bureau GMV raadt aan om bij alle vergunningverlening of wijziging van
                    bestemmingsplannen voor veehouderijen het voorgenoemde toetsingsinstrument te
                    hanteren en dit vast te leggen in gemeentelijk beleid, bijvoorbeeld met een
                    beleidsregel (zie hoofdstuk 4).</al><al/><al>In onderstaande figuur 3 zijn de beschikbare instrumenten voor inpassing in het
                    gemeentelijke beleid weergegeven.</al><al/><al><plaatje><illustratie id="ib5816a41-bd91-4c66-a13d-9c95a85ea0ac" naam="i235106ib5816a41-bd91-4c66-a13d-9c95a85ea0ac.png" type="foto" breedte="15.2cm" hoogte="8.67cm"/></plaatje></al><al>Figuur 3<cursief>Beschikbare instrumenten in de verschillende fasen in
                        gemeentelijke beleid om gezondheid in bestuurlijke besluitvorming mee te
                        wegen.</cursief></al><al/><al><cursief>Provinciale implementatie:</cursief></al><al>Voor alle veehouderijen in Brabant is het uitgangspunt van de Provincie
                    Noord-Brabant dat ontwikkelruimte verdiend moet worden. Alleen ontwikkelingen
                    die bijdragen aan de transitie naar een Zorgvuldige Veehouderij worden
                    toegestaan. Hiervoor ontwikkelt de provincie Noord-Brabant een Brabantse
                    Zorgvuldigheidscore veehouderij (BZV). Naast deze BZV zijn er andere voorwaarden
                    zoals omvang van het bouwblok, lokale inpassing en een goede dialoog met de
                    buurt en de gemeenten, die meewegen in de besluitvorming over een zorgvuldig
                    ontwikkeling van een veehouderij.</al><al>De BZV kent drie hoofdthema’s: volksgezondheid, dierenwelzijn en –gezondheid en
                    fysieke leefomgeving. Voor deze thema’s wordt een puntensysteem ontwikkeld.
                    Naarmate een bedrijf zorgvuldiger werkt scoort het meer punten. Wil een bedrijf
                    uitbreiden, dan moet het gehele bedrijf voldoende punten scoren. </al><al>De kennis en ervaring die is opgedaan bij de ontwikkeling van het aanvullend
                    toetsingsinstrument gezondheid bij veehouderij wordt actief ingebracht in het
                    proces om te komen tot een BZV. Hierbij worden de mogelijkheden om dit
                    toetsingsinstrument te implementeren in de BZV momenteel verkend.</al><al/><al><cursief>Landelijke ontwikkelingen</cursief></al><al>Om de hiaten in de kennis over dosis-effectrelaties op te vullen zijn
                    verschillende initiatieven gestart en lopen er diverse onderzoeken. Het verdient
                    aanbeveling om deze ontwikkelingen te volgen en het ontwikkelde
                    toetsingsinstrument periodiek te beoordelen of aanpassingen naar aanleiding van
                    nieuwe onderzoeksresultaten nodig zijn.</al><al/><al>Het RIVM gaat in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
                    Sport en Economische Zaken een aanvullend onderzoek naar de kwantitatieve</al><al>gezondheidseffecten van veehouderijen uitvoeren, het zogenoemde
                    ‘Veehouderij</al><al>en Gezondheid Omwonenden’ (VGO) onderzoek. Dit onderzoek beoogt, in navolging
                    van IVG-I, de potentiele gezondheidsrisico’s voor omwonenden van veehouderijen
                    gedetailleerd in kaart te brengen. Hebben omwonenden van veehouderijen verhoogde
                    gezondheidsrisico’s in termen van blootstelling aan fijn stof en
                    micro-organismen, exacerbaties bij astma en COPD, pneumonie en veehouderij
                    geassocieerde aandoeningen en zoönosen? Het onderzoek wordtuitgevoerd door een
                    consortium van onderzoeksinstellingen bestaande uit hetRIVM, Wageningen
                    Universiteit, IRAS en NIVEL. </al><al/><al>Vanuit de Academische werkplaats milieu en gezondheid loopt een onderzoek naar
                    aangepaste geurmodellering. Dit onderzoek richt zich op het nauwkeuriger bepalen
                    van de relatie tussen geurbelasting en hinder bij omwonenden. Het doel is om de
                    relatie te kwantificeren tussen gemodelleerde geurbelasting van veehouderij
                    enerzijds, en geurwaarneming, waardering van geur en geurhinder anderzijds. De
                    relatie tussen ruimtelijke en temporele variatie in geurbelasting (dosis) en
                    geurwaardering en -hinder (respons) zal onderzocht worden.</al><al/><al>Bij de Wageningen Universiteit loopt onderzoek naar de integrale
                    risicomodellering van veehouderijbedrijven in hun omgeving. Hiervoor wordt een
                    raamwerk ontwikkelt wat toegepast kan worden bij beoordeling van regionale en
                    lokale ontwikkelingen. </al><al/><al><plaatje><illustratie id="i50aeb236-c5e8-409d-9573-a42438babfbe" naam="i235108i50aeb236-c5e8-409d-9573-a42438babfbe.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="7.88cm"/></plaatje></al><al>Figuur 4: uitgangspunt voor de ontwikkeling van een risicoprofiel (E. Gies,
                    WUR).</al><al/><al><vet>Literatuur </vet></al><al/><al>Een uitgebreide literatuurlijst over de relatie gezondheid en veehouderij staat
                    in het rapport Beoordelingskader Gezondheid en Milieu*.</al><al/><al>* Fast T, Nijdam R. Beoordelingskader Gezondheid en Milieu, intensieve
                    veehouderij. Juni 2013.</al><al/><al>Gezondheidsraad. Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen. Den Haag:
                    Gezondheidsraad, 2012; publicatienr. 2012/27.</al><al/><al>Heederik DJJ, IJzermans CJ.(Redactie) Mogelijke effecten van
                    intensieve-veehouderij op de gezondheidvan omwonenden: onderzoek naar potentiële
                    blootstelling engezondheidsproblemen.</al><al>IRAS Universiteit Utrecht, NIVEL, RIVM, 7 juni 2011.</al><al/><al>Maassen CBM, van Duijkeren E, van Duynhoven YTHP, Dusseldorp A, Geenen P, de
                    Koeijer AA, Koopmans MPG, Loos F, Jacobs-Reitsma WF, de Jonge R, van de Giessen
                    AW. Infectierisico's van de veehouderij voor omwonenden. RIVM Rapport 609400004,
                    2012.</al><al/><al>Nijdam R, Van Dam S. Informatieblad intensieve veehouderij en gezondheid, update
                    2011. GGD NL werkgroep intensieve veehouderij, oktober 2011.</al><al/><al>Smeets M,Fast T.Dosis effect relatie geur, effecten van geur. Op den Kamp-advies
                    document IP-DER-06-40, 2006.</al><al/><al>Van Dam ASG, Jacobs P, Van Lier A, Van Oudheusden D, Nijdam R. Advisering over
                    veehouderij en gezondheid aan gemeenten. Infectieziektenbulletin, Nummer 5 |
                    Jaargang 24 | 2013.</al><al/><al>Van der Ree, J.; Morgenstern, P.P.; Dusseldorp, A.: Fijn stof van antropogene
                    bronnen. Een literatuurstudie naar samenstelling en verspreiding.RIVM Rapport
                    609300016/2010. </al><al/><al><vet>Bijlage 1 Geraadpleegde de</vet>skundigen </al><al/><al>Onderstaande deskundigen hebben een bijdrage geleverd gedurende de looptijd van
                    het project met een gesprek in de verkenning van mogelijkheden voor toetsing,
                    een bijdrage aan een workshop of het lezen van een conceptrapportage. Ik wil
                    iedereen heel erg bedanken voor de geleverde bijdrage.</al><al/><al>De heer R. Scholtens, provincie Noord-Brabant</al><al>Mevrouw E. Vos, provincie Noord-Brabant</al><al>De heer H. Litjens, ZLTO</al><al>Mevrouw H. Prinsen, ZLTO</al><al>De heer E. Gies, Alterra Wageningen-UR</al><al>Mevrouw M. Bokma, Wageningen UR Livestock Research</al><al>De heer G. Elbertsen, commissie voor de mer</al><al>De heer J. Vonk, varkensdierenarts</al><al>Mevrouw M. van Santvoort, Provinciale Raad Gezondheid</al><al>Mevrouw J. van Eert, burger</al><al>Mevrouw M. Jacobs, vereniging leefmilieu</al><al>De heer H. Jans, arts, medisch milieukundige</al><al>Mevrouw E. Franssen, manager Bureau Gezondheid, Milieu &amp; Veiligheid GGD
                    Brabant/Zeeland</al><al/><al><vet>Bijlage 2 Het instrument “Beoordelingskader Gezondheid en Milieu,
                        intensieve veehouderijen”</vet></al><al/><al>Naast het ontwikkelde toetsingsinstrument bestaat ook het instrument
                    “Beoordelingskader Gezondheid en Milieu (RIVM-rapportnr. …………………….) Voor het
                    thema veehouderij is dit in een landelijke workshop ingevuld door GGD NL in
                    samenwerking met DLG. In deze bijlage is het samenvattend overzicht bijgevoegd
                    uit het rapport “Beoordelingskader Gezondheid en Milieu intensieve veehouderij”
                    (Fast, 2013).Hierin zijn de gezondheidsaspecten beschreven van
                    veehouderijbedrijven. Voor een uitgebreidere beschrijving van de
                    gezondheidseffecten, de ernst van de gezondheidseffecten, de waardering, de
                    maatregelen en kosten en baten verwijs ik naar het rapport zelf. </al><al/><al>I Omvang van de gezondheidseffecten </al><al/><table><tgroup cols="1"><tbody><row><entry><al><vet>I-1 Welke gezondheidseffecten?</vet></al></entry></row><row><entry><al><onderstreept>Q-koorts</onderstreept>:</al><al>- schapen en geiten belangrijkste besmettingsbron voor de
                                        mens</al><al><cursief>Acuut</cursief></al><al>- merendeel (60%) van geinfecteerden wordt niet ziek</al><al>- griepachtig ziektebeeld en/of longontsteking, begint vaak
                                        met zware hoofdpijn, hoge koorts</al><al>- meestal genezing na 1 á 2 weken; 20% van infecties leidt
                                        tot ziekenhuisopname</al><al>- infectie kan complicaties geven in zwangerschap</al><al>- overlijden &lt;1%</al><al><cursief>Chronisch</cursief></al><al>- bij 1- 3 % van patienten met acute Q-koortsinfectie; ook
                                        na een asymptomische infectie</al><al>- benauwdheid, koorts, transpireren, vermoeidheid,
                                        vermageren, ontsteking aan hart en/of bloedvaten</al><al>- overlijden; patienten waren al zeer ernstig ziek voordat
                                        zij Q-koorts kregen</al><al>Post-Q-koorts-vermoeidheid syndroom: 25% van de patienten
                                        hebben langer dan 1 jaar abnormale vermoeidheid, zweten,
                                        hoofdpijn, spier- en gewrichtspijn, kortademig,
                                        concentratie- en slaapproblemen</al><al/><al><onderstreept>Vogelgriep</onderstreept>:</al><al>- verschillende subtypes virussen; laagpathogeen virus
                                        pluimvee kan door mutaties hoogpathogeen worden</al><al>- milde tot heel ernstige infecties</al><al>- mild: lichte griepklachten en/of een lichte oogontsteking;
                                        klachten meestal weg na 2 – 7 dagen (uitgezonderd
                                        hoest)</al><al>- ernstig: hoge koorts en longontsteking, uitval functie
                                        organen; sterfte (bij recente uitbraken hoogpathogeen virus
                                        in buitenland helft van de geïnfecteerden)</al><al>- infecties vooral een beroepsrisico m.n. bij bestrijders
                                        bij een uitbraak</al><al>- nauwelijks overdracht van mens op mens; de kans hierop kan
                                        door mutaties groter worden</al><al>- vermenging vogelgriepvirus met humaan of varkensvirussen:
                                        mogelijk wel overdracht, maar kans is klein</al><al/><al/><al><onderstreept>Varkensgriep</onderstreept>:</al><al>- verschillende subtypes van het virus; laagpathogeen virus
                                        varkens kan door mutaties hoogpathogeen worden</al><al>- tot nu toe laagpathogeen virus: in het algemeen geen
                                        ernstige klachten</al><al>- infecties alleen bij mensen met intensief contact</al><al>- nog geen overdracht van mens tot mens; kleine kans dat
                                        door mutaties overdracht mogelijk wordt</al><al/><al><onderstreept>Veespecifieke MRSA</onderstreept>:</al><al>- bacterie die niet gevoelig is voor meticilline en meeste
                                        andere antibiotica </al><al>- MRSA-dragerschap: meestal geen symptomen</al><al>- bij verminderde weerstand/pas geopereerde patiënten
                                        infecties mogelijk (zweren, abcessen)</al><al>- zeldzame gevallen: bloedvergiftiging, botinfectie,
                                        longontsteking</al><al>- dragerschap onder veehouders zeer hoog, tot wel 70%; onder
                                        familieleden veel lager</al><al>- beperkte overdracht van mens tot mens </al><al/><al><onderstreept>ESBL</onderstreept>:</al><al>- bacterie die enzym produceert: antibiotica onwerkzaam;
                                        beperkt arsenaal antibiotica te gebruiken</al><al>- gewone darmbacteriën (o.a. E-coli, Klebsiella); in darm
                                        van gezonde personen onschadelijk</al><al>- soms ernstige urineweg- of bloedbaaninfecties bij heel
                                        jonge en oude mensen met gestoord immuunsysteem </al><al>- m.n. in ziekenhuizen en verpleeghuizen een probleem</al><al>- transmissieroute, dragerschap veehouders en omwonenden
                                        onbekend; onderzoek loopt</al><al/><al><onderstreept>Geur</onderstreept>:</al><al>- gezondheidseffecten: hinder, verstoring gedrag en
                                        activiteiten en stress-gerelateerde somatische
                                        gezondheidseffecten</al><al>- primaire evaluatie: onaangenaam/bedreigend -&gt;
                                        hinder</al><al>- secundaire evaluatie: coping onvoldoende -&gt; stress</al><al>- stress-gerelateerde gezondheidsklachten: hoofdpijn?,
                                        benauwdheid?, misselijkheid?</al><al>- verstoring gedrag/activiteiten: ramen sluiten, niet graag
                                        buiten, niet op bezoek, minder diep ademen, klachten
                                        indienen</al><al/><al><onderstreept>Fijn stof</onderstreept>:</al><al>- grovere fracties, verhouding
                                        PM<inf>2,5</inf>/PM<inf>10</inf> ca. 30% i.p.v. 65%; bij
                                        hogere ammoniakconcentraties kan de concentratie
                                        PM<inf>2,5</inf> hoger zijn</al><al>- biologische agentia</al><al>- meer luchtwegklachten en –ontstekingen</al><al><onderstreept>Endotoxinen</onderstreept>:</al><al>- bestanddelen celwand bacteriën, onderdeel fijn stof</al><al>- bij hogere blootstelling: ontsteking luchtwegen</al><al>- acuut: droge hoest, kortademigheid, koorts</al><al>- chronische bronchitis, vermindering longfunctie</al><al>- Gezondheidsraad heeft tentatief een advieswaarde afgeleid
                                        van 30 EU/m<sup>3</sup></al><al/><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>- m.n. effecten op luchtwegen</al><al>- minder vaak astma bij omwonenden; omwonenden
                                        nertsenbedrijven wel vaker astma</al><al>- als astma/COPD: meer complicaties /infecties bovenste
                                        luchtwegen</al><al>- meer longontsteking m.n. nabij pluimveebedrijven</al><al>- kinderen in nabijheid van veehouderijen meer eczeem </al></entry></row><row><entry><al><vet>I-2 Hoeveel mensen worden blootgesteld?</vet></al></entry></row><row><entry><al>Algemeen: als er geen uitbraak is, zijn de risico’s op
                                        blootstelling aan micro-organismen beperkt</al><al>Q-koorts: rond besmette geiten en schapenbedrijven; 5
                                        km.</al><al>Vogelgriep: pluimveebedrijven; risico op hoogpathogeen virus
                                        laag als dichtheid lager is dan 3 pluimveebedrijven per
                                        km<sup>2</sup>, onderlinge afstand minstens 1 á 2 km is.
                                        Voor varkens- en pluimveebedrijven kan een hogere dichtheid
                                        en kleinere minimum afstand aangehouden worden.</al><al>Varkensgriep: geen</al><al>Veespecifieke MRSA: bacterie in hogere concentraties binnen
                                        1 km rond veehouderijen</al><al>ESBL: bacteriën aangetroffen in voor voedsel geproduceerde
                                        dieren, vooral bij vleeskuikens, en in rauw vlees en
                                        vleeswaren (kip, kalkoen, varkens- en kalfsvlees).
                                        Transmissieroute naar mens onbekend; voornamelijk via
                                        voedsel? Onduidelijk of omwonenden worden blootgesteld.</al><al>Geur: geurbelasting bij woningen vaststellen</al><al>Fijn stof: vooral rond pluimveebedrijven; concentraties bij
                                        woningen vaststellen</al><al>Endotoxinen: op 250 m. op achtergrondniveau; op 30 m.
                                        maximaal &lt;50 EU/m<sup>3</sup> (beperkt aantal
                                        metingen)</al></entry></row><row><entry><al><vet>I-3 Hoeveel mensen worden ziek? Situatie maart
                                            2013</vet></al></entry></row><row><entry><al>Q-koorts: als er geen besmetting is, iskans op
                                        gezondheidseffecten gering</al><al>Vogel- en varkensgriep: geen</al><al>MRSA: geen, alleen dragerschap.</al><al>ESBL: omwonenden: geen</al><al>Geur: aantal (ernstig) gehinderden te schatten op basis van
                                        de geurbelasting</al><al>Fijn stof en endotoxinen: onbekend (kwantitatieve
                                        dosis-respons relatie ontbreekt nog)</al><al>Algemeen: nog niet bekend</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="1"><tbody><row><entry><al><vet>I-4 Verandert blootstelling of risico’s mogelijk in de
                                            toekomst?</vet></al></entry></row><row><entry><al>Algemeen: door schaalvergroting kan het risico toe- en
                                        afnemen</al><al>Q-koorts: door het vaccineren van geiten en schapen neemt
                                        het risico sterk af.</al><al>MRSA en ESBL: door een afname van antibiotica gebruik neemt
                                        het risico af</al><al>Fijn stof: het aantal overschrijdingen van de grenswaarde
                                        van fijn stof neemt af door maatregelen in het kader van het
                                        NSL. </al><al>Stedelijk fijn stof verschilt teveel van dat uit de landbouw
                                        om als basis te kunnen dienen voor een risicoschatting. Het
                                        is nog onduidelijk of en in hoeverre schattingen van
                                        gezondheidseffecten bijgesteld moeten worden.</al></entry></row><row><entry><al><vet>I-5 Gezondheidsrisico boven maximaal toelaatbaar
                                            risico?</vet></al></entry></row><row><entry><al>Q-koorts: in 2010 en 2011 lag het sterfterisico onder het
                                        Maximaal Toelaatbaar Risico</al><al>Geur: doelstelling dat er geen ernstige hinder is</al><al>Endotoxinen: tentatief afgeleide gezondheidskundige
                                        advieswaarde is 30 EU/m<sup>3</sup>. Beperkt aantal
                                        metingen: bij woningen geen verhoogde concentraties.</al></entry></row><row><entry><al><vet>I-6 Hoe zeker is het verband? </vet></al></entry></row><row><entry><al>Q-koorts: onbekend hoe groot het risico is om ziek te
                                        worden</al><al>Vogelgriep: hoe groot is het risico op hoogpathogeen
                                        virus?</al><al>Geur: geurbelasting-hinder relatie gebaseerd op
                                        varkensbedrijven, relatie varieert lokaal, relatie
                                        verstoring activiteiten/gedrag niet bekend en wordt niet
                                        meegenomen</al><al>Fijn stof: andere samenstelling dan ‘verbrandingsstof’</al><al>Endotoxinen: effecten bij lage concentraties?</al></entry></row><row><entry><al><vet>I-7 Hoe groot is de bijdrage aan het aantal
                                            ziektegevallen?</vet></al></entry></row><row><entry><al>MRSA: 40% van de 2700 MRSA-isolaten die naar het RIVM zijn
                                        gestuurd waren veegerelateerd (2008)</al><al>ESBL: driekwart van urineweginfecties en een derde van
                                        bloedbaaninfecties door ESBL-bacteriën veroorzaakt</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>II Ernst van de gezondheidseffecten </al><al/><table><tgroup cols="1"><tbody><row><entry><al><vet>II-1 Welke aandoeningen of klachten noemen
                                            omwonenden?</vet></al></entry></row><row><entry><al>- Stankoverlast</al><al>- Angst voor risico’s op Q-koorts, infecties met MRSA en
                                        ESBL en andere infectieziekten</al><al>- Bezorgdheid over stoffen en micro-organismen die verspreid
                                        worden door luchtwassers</al></entry></row><row><entry><al><vet>II-2 Risicogroepen?</vet></al></entry></row><row><entry><al>Q-koorts: mensen met verminderde weerstand, patienten met
                                        ernstige hartafwijkingen of afweerstoornissen en zwangere
                                        vrouwen</al><al>MRSA: mensen met verminderde weerstand die intensief met
                                        varkens werken en patienten in het ziekenhuis</al><al>ESBL: patienten in ziekenhuizen en ouderen in
                                        verpleeghuizen</al><al>Geur: algemene bevolking</al><al>Fijn stof en endotoxinen: ouderen, personen met al bestaande
                                        luchtweg- of hartaandoeningen en kinderen</al></entry></row><row><entry><al><vet>II-3 Wanneer en hoe vaak zijn er
                                            gezondheidseffecten?</vet></al></entry></row><row><entry><al>Q-koorts: incidenteel, maar klachten kunnen erg lang (meer
                                        dan een jaar) aanhouden</al><al>MRSA en ESBL: incidenteel in perioden met sterk verminderde
                                        weerstand in het ziekenhuis of verpleeghuis.</al><al>Geur: dagelijks</al><al>Fijn stof en endotoxinen: acute effecten dagelijks,
                                        chronische effecten incidenteel</al></entry></row><row><entry><al><vet>II-4 Behandelingsmogelijkheden?</vet></al></entry></row><row><entry><al>Q-koorts: antibiotica</al><al>Vogelgriep: virusremmers (waardoor ziekte minder ernstig
                                        verloopt)</al><al>ESBL: beperkt aantal antibiotica</al><al>Geur: communicatie over de geursituatie</al><al>Fijn stof en endotoxinen: medicijnen, antibiotica</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al>III Waardering van effecten </al><al/><table><tgroup cols="1"><tbody><row><entry><al><vet>III-1 Bedreiging van gevoel voor veiligheid?</vet></al></entry></row><row><entry><al>- de toename van infectieziekten bij dieren die ook op de
                                        mens overdraagbaar zijn</al><al>- de toename van resistente bacteriën</al><al>- de uitstoot van (microbiologisch) stof</al><al>- uitbraak van nieuwe varianten hoogpathogene virussen</al></entry></row><row><entry><al><vet>III-2 Vrijwilligheid en beheersbaarheid?</vet></al></entry></row><row><entry><al>Omwonenden hebben weinign invloed op de ontwikkelingen.
                                        Wetgeving biedt weinig handvaten om cumulatie van geur,
                                        (microbiologische) samenstelling van stof en en infectiedruk
                                        te toetsen.</al></entry></row><row><entry><al><vet>III-3 Andere redenen waarom het als onacceptabel kan
                                            worden beschouwd?</vet></al></entry></row><row><entry><al>- schaalvergroting geeft zorgen over dierenwelzijn,
                                        dierziekten, landschap, gezondheidsrisico’s; maar ook
                                        noodzakelijk voor duurzaam bedrijf en emissiearme
                                        technieken</al><al>- grote veehouderijen zijn niet grondgebonden en kunnen
                                        beter elders gehuisvest worden</al><al>- toename verkeersdruk</al><al>- inpassing landschap</al><al>- cumulatie (geur, fijn stof, endotoxinen,
                                        infectieziektendruk)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al>IV Mogelijke maatregelen en effectiviteit </al><al/><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry><al><vet>IV-1 Normen en voorschriften</vet></al></entry></row><row><entry><al>Algemeen: IPPC-Richtlijn</al><al> MER-richtlijn</al><al> Omgevingsvergunning: Wet geurhinder en veehouderij</al><al> Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM), OBM-fijn
                                        stof, OBM-m.e.r.</al><al> Activiteitenbesluit</al><al>Q-koorts: meldingsplicht, vaccinatieplicht voor alle
                                        melkgeiten en –schapen en geiten en schapen op bedrijven met
                                        publieksfunctie</al><al>Vogel- en varkensgriep: aangifteplichtig en
                                        bestrijdingsplichtig</al><al>MRSA: MRSA-richtlijn voor ziekenhuizen</al><al>Fijn stof: Wet Luchtkwaliteit en Besluit en Regeling “Niet
                                        in betekende mate bijdragen (NIBM)”, Regeling Beoordeling
                                        Luchtkwaliteit en grenswaarden voor PM<inf>10</inf> en
                                        PM<inf>2,5</inf></al><al>Geur: Wet Geurhinder en veehouderij (WGV) met toegestane
                                        geurbelasting en bandbreedte voor (niet)concentratiegebieden
                                        en binnen/buiten-bebouwde kom. 50%-regeling. Mogelijk
                                        gemeentelijke geurverordening.</al></entry></row><row><entry><al><vet>IV-2 Maatregelen</vet></al></entry><entry><al><vet>IV-3 Effectiviteit</vet></al></entry></row><row><entry><al><vet>Zoönosen algemeen</vet></al><al>Binnenhuisvesting van de dieren Professionele expertise/
                                        dierenarts bij stalontwerpGesloten bedrijfsvoering: minder
                                        insleepMicrobiologische eisen aan dieren en voerToepassing
                                        dier-specifieke hygiëne en/of IKB-voorschriften Minimaal
                                        gebruik antibioticaGoed opgeleid, vakbekwaam
                                        personeelVroegtijdig herkenningssysteem dierziekten en
                                        infectieziekten werknemersGeen activiteiten gericht op
                                        fysieke interactie met de bevolking binnen de LOG’sGeen mest
                                        uit rijden op het landKleinere bedrijfsgrootte of
                                        compartimenteringDichtheid pluimveebedrijven &lt;2,9 per
                                        km<sup>2</sup>. Afstand tussen pluimveebedrijven minimaal 1
                                        km. Kleinere minimumafstand tussen pluimvee- en
                                        varkenshouderijen.</al></entry><entry><al>Zoönosen</al><al>3. minder nieuwe dieren afkomstig van andere bedrijven</al><al>11. Groter bedrijf:</al><al>Meer risico:</al><al>- bij open bedrijfsvoering meer dieren van verschillende
                                        bedrijven gemengd: kans op introductie micro-organismen
                                        hoger</al><al>- kans dat gebruik antibiotica toeneemt</al><al>- groter risico op verspreiding binnen bedrijf door meer
                                        indirect contact (1 personeelslid verantwoordelijk voor
                                        grotere groep dieren) </al><al>- gevoelige populatie is groter: virussen kunnen langer
                                        circuleren, kans op mutaties groter</al><al>- bij uitbraak is bestrijding omvangrijker</al><al>- bij uitbraak is risico op verspreiding naar buiten via
                                        besmette mest of voedsel groter</al><al>Minder risico:</al><al>- gesloten keten mogelijk: minder nieuwe dieren, minder kans
                                        op micro-organismen</al><al>- compartimentering mogelijk</al><al>- vaste contracten met 1 voerleverancier mogelijk,
                                        kwaliteitseisen aan voer te stellen</al><al>- gemakkelijker te investeren in nieuwe technologieën</al><al>- minder transportbewegingen en in- en uitsleep
                                        mogelijk</al><al/><al/><al/><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry><al><cursief>Q-koorts</cursief></al><al>Vaccinatie Apart lammerenDik pak stro in de stal; tijdens
                                        lammerperiode minstens 1x/dag vers stro ter voorkoming van
                                        stofKleine stallen regelmatig mest en strooisel verwijderen.
                                        Grote potstallen niet uitmesten tijdens en tot maand na
                                        lammerperiode. Potstal vochtig maken voor het uitmesten.Geen
                                        mest uitrijden of mest eerst 90 dagen afgedekt opslaan
                                        alvorens de mest uit te rijden. Als mest uitgereden wordt
                                        dit doen bij rustig of regenachtig weer</al></entry><entry><al>Q-koorts</al><al>13. Heel effectief</al><al>17. Door compostering worden de Q-koortsbacteriën
                                        gedood</al></entry></row><row><entry><al>Geur</al><al>Vermindering aantal dierenAangepaste
                                        stalinrichtingLuchtwassersEen actief handhavingsbeleid
                                        luchtwassers, elektronisch monitoringsystemen.“Good
                                        housekeeping” Verhoging en verticale uitstroomopening;
                                        hogere uitstroomsnelheidCommunicatie over geursituatie en
                                        maatregelenKlachtenanalyse</al></entry><entry><al>Geur</al><al>1. Effectief (halvering zorgt in principe voor halvering
                                        geuremissie)</al><al>3. Regeling geurhinder en veehouderij:</al><al> Chemische wasser 30 – 40%</al><al> Biologische wasser 45%</al><al> Gecombineerde wasser 70 - 80%</al><al>- veel storingen; niet altijd ingeschakeld</al><al>- goed gebruik en toezicht zijn belangrijk</al><al>- elektronisch monitoringssysteem sinds 1/1/2013 verplicht
                                        voor nieuwe luchtwassers; voor bestaande over 3 jaar.</al><al>- Praktijk: rendementen variëren sterk, liggen gemiddeld
                                        onder in regeling opgenomen rendementen</al><al>4. Handhavingsonderzoek: 74% luchtwassers voldoet niet aan
                                        voorschriften; elektronisch monitoringssysteem zal effectief
                                        zijn</al><al>6. Verhoging met factor 2: geurconcentratie op gegeven
                                        afstand 2x zo laag</al><al>7. Geurhinder is naast de geurbelasting o.a. afhankelijk van
                                        een negatieve attitude, de verwachting dat de geur zal
                                        toenemen en bezorgdheid of angst. Open en actieve
                                        communicatie over de geursituatie, volksgezondheidsaspecten
                                        en maatregelen kan geurhinder doen afnemen. </al><al>8. Door klachtenanalyse wordt duidelijk wat mensen als
                                        hinderlijk ervaren en zijn gerichter maatregelen
                                        mogelijk.</al><al/></entry></row><row><entry><al>Fijn stof en endotoxinen</al><al>Vermindering aantal dierenAangepaste
                                        stalinrichtingAanpassing van voer (bijv. meer
                                        vloeibaar)Mest: eerder verversen, indroging voorkomen,
                                        sproeien met waterGeen mest uitrijden op het landGesloten en
                                        hygiënische bedrijfsvoeringLuchtwassersVentilatie-uitlaat
                                        verhogen (en verticaal uitstromen)Een actief
                                        handhavingsbeleid luchtwassers, elektronische
                                        monitoringsystemen.</al></entry><entry><al>Fijn stof en endotoxinen</al><al>Effectief (halvering zorgt in principe voor een halvering
                                        van emissie)</al><al>2. - Aangepast strooisel: 19% PM<inf>2,5</inf> vleeskuikens,
                                        geen reductie bij leghennen, geen reductie
                                        PM<inf>10</inf></al><al>- Aanpassing lichtschema’s: 10% PM<inf>10</inf> leghennen,
                                        geen effect bij vleeskuikens</al><al>- biofilter: 80%</al><al>- oliefilm drukleidingen: 54%</al><al>- waterwassysteem: 33%</al><al>- droogfilterwand: 40%</al><al>- Ionisatiefilter: 57%</al><al>- Ionisatiesysteem negatieve coronadraden: 49%</al><al>- warmtewisselaar: 13 – 31%</al><al>3. Mogelijk 10 – 20% reductie bij varkens</al><al>4. olie of water vernevelen: 30 – 90% reductie bij varkens
                                        en pluimvee</al><al>5. Alleen bij gedroogde pluimveemest of andere vaste mest
                                        effectief</al><al>6. schonere stallen: 20 – 40% reductie (varkens)</al><al>7. Luchtwassers:</al><al>Chemische wasser 35%</al><al>Biologische wasser 60 - 75% (korte-lange verblijftijd)</al><al>Gecombineerde wasser 80% (alleen beschikbaar voor
                                        varkens)</al><al> Waterwasser: 30%</al><al>- stabiliteit proces slecht; veel verstopping</al><al>- praktijk: sterk variërende rendement</al><al>- controle en handhaving onvoldoende om werking te
                                        waarborgen; elektronisch monitoringssysteem vanaf 1/1/2013
                                        verplicht voor nieuwe, over 3 jaar voor bestaande
                                        luchtwassers</al><al>8. Effectief</al><al>9. Actief handhavingsbeleid, elektronisch
                                        monitoringssysteem</al><al>Handhavingsonderzoek: bijna driekwart luchtwassers voldoet
                                        niet aan voorschriften; elektronisch monitoringssysteem zal
                                        effectief zijn</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Vergroten van de afstand tot woonkernenBegrenzing (maximaal
                                        x ha) van een LOG vaststellenBegrenzing van de uitbreiding
                                        van veehouderijen in de extensiveringsgebieden Begrenzing
                                        (maximaal x ha) van een bouwblok in een verwevingsgebied
                                        Maximale grootte van de inrichting vaststellenVerbod op
                                        nieuwbouwGezondheid meenemen in vroeg stadium
                                        vergunningverlening, handhaving, bestemmingsplannen en
                                        structuurvisie.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>IV-4 Stakeholders en bepleite maatregelen</vet></al></entry></row><row><entry><al>GGD Nederland</al><al/></entry><entry><al>Bij nieuwboouw en planontwikkeling:</al><al>- minimale afstand van 250 m tot gevoelige bestemmingen, bij
                                        innovatieve planvorming meer specifieke
                                        risicobeoordeling</al><al>- bij 250 – 1000 m aanvullende gezondheidskundige
                                        beoordeling; bedrijfsspecifieke kenmerken meenemen</al></entry></row><row><entry><al>Gezondheidsraad</al></entry><entry><al>Er is niet bekend tot welke afstand mensen onder reguliere
                                        omstandigheden verhoogde gezondheidsrisico’s
                                        lopen.Emissiegerelateerde minimumafstanden hanteren, die
                                        niet aleen op geurbelasting gebaseerd zijnBeleidsmatige
                                        afstanden vast te stellen via lokaal maatwerk door
                                        toepassing van het Beoordelingskader Gezondheid en
                                        MilieuEmissie van deeltsjes en geur terugdringenBlijvende
                                        aandacht nodig voor nieuwe vormen van bedrijfsvoering en
                                        bedrijfshygiene </al></entry></row><row><entry><al><vet>IV-5 Maatschappelijk en politieke druk?</vet></al></entry></row><row><entry><al>Grote maatschappelijke en politieke druk. Vooral de LOG’s en
                                        megabedrijven veroorzaken veel onrust. Ook verstoring van
                                        het landschap en het dierenwelzijn speelt een rol.</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al/><al>V Kosten en baten </al><al/><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry><al><vet>V-1 Kosten van ziekte bij ongewijzigd beleid</vet></al></entry></row><row><entry><al>Geschatte zorgkosten voor Q-koortspatienten van 2007 – 2010
                                        bedragen € 18,4 – 26,5 miljoen</al></entry></row><row><entry><al><vet>V-2 Hoeveel heeft men over voor maatregelen?</vet></al></entry></row><row><entry><al>Voor verplaatsing van een varkenshouderij heeft de gemeente
                                        Oirschot en de provincie Noord-Brabant ruim 3 miljoen euro
                                        bijgedragen.</al></entry></row><row><entry><al><vet>V-3 Kosten maatregelen en wie is er voor
                                            verantwoordelijk?</vet></al></entry></row><row><entry><al>Luchtwassers</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Investering (€)</al></entry><entry><al>Exploitatie (€/jaar)</al></entry></row><row><entry><al>Biologische luchtwasser (70%)</al><al> Per dierplaats</al><al> 4000 vleesvarkens </al></entry><entry><al/><al>37</al><al>148.000</al></entry><entry><al/><al>15</al><al>60.000</al></entry></row><row><entry><al>Chemische luchtwasser (70%)</al><al> Per dierplaats</al><al> 4000 vleesvarkens</al></entry><entry><al/><al>30</al><al>120.000</al></entry><entry><al/><al>11</al><al>44.000</al></entry></row><row><entry><al>Chemische luchtwasser (90%)</al><al> Per dierplaats</al><al> 4000 vleesvarkens</al></entry><entry><al/><al>32</al><al>128.000</al></entry><entry><al/><al>14</al><al>56.000</al></entry></row><row><entry><al>Combiwasser (85%)</al><al> Per dierplaats</al><al> 4000 vleesvarkens</al></entry><entry><al/><al>43</al><al>172.000</al></entry><entry><al/><al>15</al><al>60.000</al></entry></row><row><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Elektronisch monitoringssysteem</al></entry></row><row><entry><al>Luchtwassers</al></entry><entry><al>Meerkosten (€)</al></entry><entry><al>Opmerkingen</al></entry></row><row><entry><al>Nieuwe luchtwassers</al></entry><entry><al>3.500</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Bestaande luchtwassers</al></entry><entry><al>3.500 - 7.000</al></entry><entry><al>Geschat, sterk afhankelijk van de installatie en de ouderdom
                                        er van</al></entry></row><row><entry><al>Verplaatsing: ca. 1,6 – 2 miljoen euro. In Oirschot ca. 2,6
                                        miljoen euro</al></entry></row><row><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Kosten reductie fijn stof</al></entry></row><row><entry><al>Maatregel</al></entry><entry><al>Reductie</al></entry><entry><al>Kosten (€/kg PM<inf>10</inf> reductie)</al></entry></row><row><entry><al>2% olie in voer</al></entry><entry><al>30%</al></entry><entry><al>380</al></entry></row><row><entry><al>Biowasser</al></entry><entry><al>90%</al></entry><entry><al>90</al></entry></row><row><entry><al>Chemische wasser</al></entry><entry><al>90%</al></entry><entry><al>45</al></entry></row><row><entry><al>Medium stoffilter</al></entry><entry><al>95%</al></entry><entry><al>45</al></entry></row><row><entry><al>Olie sproeien</al></entry><entry><al>90%</al></entry><entry><al>10</al></entry></row><row><entry><al>Water sproeien</al></entry><entry><al>50%</al></entry><entry><al>12</al></entry></row><row><entry><al>Nieuwe systemen/management</al></entry><entry><al>50%</al></entry><entry><al>0</al></entry></row><row><entry><al><vet>V-4 Hoe verhoudt zich dat tot andere vormen van
                                            gezondheidswinst?</vet></al></entry></row><row><entry><al>Niet bekend</al></entry></row><row><entry><al><vet>V-5 Gewenste en ongewenste gevolgen op andere
                                            beleidsterreinen</vet></al></entry></row><row><entry><al><onderstreept>Ongewenste gevolgen</onderstreept></al><al>- binnenhuisvesting en gesloten bedrijf: dierenwelzijn?</al><al>- minder antibiotica: meer dierziekten?</al><al>- geen mest uitrijden: probleem om mest kwijt te raken?</al><al>- luchtwassers:</al><al> - energieverbruik</al><al> - zwavelzuur (chemische luchtwassers)</al><al> - geluid</al><al>- landschap </al><al>- verkeer (geluid, fijn stof)</al><al><onderstreept>Gewenste gevolgen</onderstreept></al><al>- innovatie</al><al>- mogelijk energieopwekking</al><al>- meer mogelijkheden recreatie en woningbouw</al><al>- mogelijke verplaatsing van bedrijf uit dichter bevolkte
                                        omgeving naar dunner bevolkte omgeving: minder mensen,
                                        minder hoog blootgesteld</al><al>- mogelijke verplaatsing van bedrijf uit natuurgebied</al><al>- minder ammoniakdepositie</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>