<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR32060_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">gemeenteblad d.d. 25-2-2015 nr. 2015, 16611</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemminsgverordening IOAW en IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004044&amp;artikel=35&amp;g=2010-07-01">artikel 35 IOAW</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004163&amp;artikel=35&amp;g=2010-07-01">artikel 35 IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging artikel 13</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015, 16611</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>werk en inkomen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geconsolideerde versie</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Sittatrd-Geleen, </al><al>gezien het voorstel van het college van 25 mei 2010, gemeenteblad 2010,
                        nummer 55:</al><al>gelet op artikel 35, eerste lid, onderdeel b van de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35,
                        eerste lid, onderdeel b van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>besluit vast te stelen de volgende: Afstemingsverordening IOAW en IOAZ.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel> Artikel 1: Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al><al>b. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>c. IOAW/IOAZ: IOAW alsmede de IOAZ, voor zover zij op belanghebbende van
                            toepassing zijn;</al><al>d. Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;</al><al>e. Uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid IOAW/IOAZ; </al><al>f.. Grondslag: de voor de werkloze werknemer dan wel gewezen
                            zelfstandige toepasselijke grondslag bedoeld in artikel 5, derde ,vierde
                            en vijfde lid van de IOAW, onderscheidenlijk artikel 5, vijfde lid
                            IOAZ;</al><al>g. Maatregel: het verlagen van de grondslag alsmede het blijvend
                            (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering;</al><al>h. Inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;</al><al>i, het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                            gemeente Sittard-Geleen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2: Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>1. Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de
                            verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid IOAW/IOAZ
                            of de op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden
                            verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, wordt overeenkomstig deze
                            verordening een maatregel opgelegd</al><al>2. Indien bij de belanghebbende sprake is van een niet onder het eerste
                            lid omschreven verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 20 IOAW/IOAZ
                            ,waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen,
                            wordt eveneens overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. </al><al>3. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            waarin belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                            omstandigheden waarin hij verkeert. Van een maatregel wordt afgezien,
                            indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3: De berekeningsgrondslag   </titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de grondslag zoals die voor
                            belanghebbende geldt in de periode waarop de verlaging betrekking heeft.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Het besluit</titel></kop><al>In het besluit tot toepassen van een maatregel worden , voor zover van
                            toepassing, vermeld: de reden, de duur en het verlagingspercentage.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijn die voor beoordeling van een maatregel in aanmerking
                                wordt genomen</titel></kop><al>1. Een besluit tot het toepassen van een maatregel wordt niet genomen na
                            verloop van één jaar nadat die gedraging heeft plaatsgevonden, tenzij de
                            gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg
                            van die gedraging ten onrechte uitkering is verleend</al><al>2. Een besluit tot verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht
                            die heeft geleid tot ten onrechte verleende uitkering wordt niet genomen
                            na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                            plaatsgevonden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan de
                            arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6. Indeling in categorieën     </titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al>Eerste categorie:</al><al>het zich niet dan wel niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                            het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet dan wel
                            niet tijdig laten verlengen van de registratie.</al><al>Tweede categorie:</al><al>a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen</al><al>b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al><al>c.het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen
                            tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                            onderdeel f, van de IOAW/IOAZ </al><al>Derde categorie: </al><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren</al><al>Vierde categorie:</al><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college
                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder
                            begrepen sociale activering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. De hoogte en duur van de maatregel </titel></kop><al>1. Onverminderd artikel 2, derde lid, wordt de maatregel vastgesteld
                            op:</al><al>a. vijf procent van de grondslag gedurende één maand bij gedragingen van
                            de eerste categorie;</al><al>b. tien procent van de grondslag gedurende één maand bij gedragingen van
                            de tweede categorie;</al><al>c. twintig procent van de grondslag gedurende één maand bij gedragingen
                            van de derde categorie.</al><al>d. honderd procent van de grondslag gedurende één maand bij gedragingen
                            van de vierde categorie.</al><al>2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                            verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na een
                            als verwijtbaar aangemerkte gedraging, opnieuw schuldig maakt aan een
                            als verwijtbaar aangemerkte gedraging van dezelfde of hogere
                            categorie</al><al>3. Bij samenloop van gedragingen bedoeld in het eerste lid die niet tot
                            een zelfde feitencomplex behoren worden de percentages en duur opgeteld, </al><al>4. De maatregel ingevolge dit artikel wordt toegepast met ingang van de
                            eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit
                            aan belanghebbende wordt bekendgemaakt. Indien de verlaging op deze
                            wijze niet of niet volledig kan worden geëffectueerd wordt de verlaging
                            toegepast met ingang van de eerste dag van de gedraging of van de
                            periode waarop de gedraging betrekking heeft.</al><al>5. In afwijking van het vierde lid wordt de maatregel toegepast vanaf de
                            ingangsdatum van de uitkering indien de gedraging wordt geconstateerd
                            bij de beoordeling van een aanvraag. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3: Verwijtbare gedragingen inzake het behouden van arbeid of het aanvaarden van aangeboden arbeid</titel></kop><artikel><kop><titel> Artikel 8. Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid </titel></kop><al>1. Onverminderd artikel 2, derde lid, legt het college blijvend een
                            maatregel op indien de belanghebbende een inkomen uit of in verband met
                            arbeid zou hebben kunnen verwerven en:</al><al>a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                            grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                            Wetboek; dan wel</al><al>b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                            belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren
                            waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou
                            kunnen worden gevergd.</al><al>2. De hoogte van de maatregel is gelijk aan het inkomen dat
                            belanghebbende zou hebben kunnen verwerven.</al></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 9. Niet aanvaarden van aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid </titel></kop><al>1. Onverminderd artikel 2, derde lid, legt het college
                            blijvendeen maatregel op indien de belanghebbende weigert hem
                            aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.</al><al>2. De hoogte van de maatregel is gelijk aan het inkomen dat
                            belanghebbende zou hebben kunnen verwerven.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4: (artikelen 10 tot en met 12 zijn vervallen, uitgezonderd voor de situaties waarin het overgangsrecht ex art. XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving van toepassing is)</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5: overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13.  Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW/IOAZ, wordt een
                            verlaging opgelegd van 50 procent van de grondslag gedurende één
                            maand.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6: slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel> De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel </titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening IOAW en
                            IOAZ </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad der gemeente Sittard-Geleen in zijn
                            vergadering van 7 juli 2010.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, drs. G.J.M. Cox</ondertekening><ondertekening>De griffier, drs. J. Vis</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Dit is een geconsolideerde vanaf 1 januari 2015 geldende versie waarin
                            de raadsbesluiten d.d. 23-5-2013, 12-11-2014 en 29-1-2015 tot wijziging
                            van de verordening zijn verwerkt.</al><al/><al>Bij raadsbesluit van 29-1-2015 is artikel 13 vervangen met ingang van 1
                            januari 2015. </al><al>Toelichting op dit raadsbesluit:</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden
                            van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting. Deze
                            verplichting staat dus op zichzelf. Voor 1 januari 2015 was dit een
                            onzelfstandige verplichting. In eerste instantie was dit alleen geregeld
                            in de Participatiewet maar middels de Verzamelwet VWS 2015 is dit nu ook
                            geregeld voor de IOAW en IOAZ. Hierop is voor de omschrijving van dit
                            artikel aansluiting gezocht bij de omschrijving in de
                            afstemmingsverordening Participatiewet.</al><al/><al>Bij raadsbesluit van 12-11-2014 zijn de artikelen 6 en 13
                            gewijzigd.</al><al>Toelichting op dit raadsbesluit:</al><al>De invoering van de Participatiewet per 1 januari 2015 heeft slechts
                            beperkte gevolgen voor de Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ. </al><al>De nieuwe geharmoniseerde arbeidsverplichtingen met bijbehorende
                            wettelijke verlagingen voor de situaties waarin hieraan niet wordt
                            voldaan zijn immers enkel van toepassing zijn op personen die aanspraak
                            hebben of maken op bijstand ingevolge de Participatiewet. Voor de
                            uitvoering van de IOAW en IOAZ blijft de gemeentelijke
                            verantwoordelijkheid volledig intact. </al><al>Het is echter wenselijk om de in de Afstemmingsverordening
                            Participatiewet opgenomen bepaling over de mate en duur van verlaging
                            bij het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                            opgedragen tegenprestatie naar vermogen ook toe te passen voor
                            uitkeringsgerechtigden in de IOAW en IOAZ. Met artikel I van dit
                            wijzigingsbesluit wordt hierin voorzien. </al><al>Artikel II van het wijzigingsbesluit stelt regels over de mate en duur
                            van de verlaging als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt
                            tegenover het college of zijn ambtenaren en sluit aan bij de hierover
                            vastgestelde verlaging in de Afstemmingsverordening Participatiewet. </al><al>De zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                            omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van
                            IOAW of IOAZ. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel
                            los van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting dan is
                            binnen de IOAW en IOAZ in tegenstelling tot de wettelijke bepalingen in
                            de Participatiewet over bijstandsgerechtigden tegen deze gedraging geen
                            sanctie mogelijk. </al><al/><al>Bij raadsbesluit d.d. 23 mei 2013 zijn de artikelen 1, 2 en 10 tot en
                            met 12 per 1 januari 2013 gewijzigd. </al><al>Toelichting in raadsbesluit:</al><al>Op grond van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                            SZW-wetgeving is per 1 januari 2013 in een aantal situaties in verband
                            met de invoering van de boete niet langer een maatregel van toepassing.
                            De betreffende passages zijn in de verordening aangepast. </al><al/><al>Toelichting behorend bij raadsbesluit ot vaststelling van verordening
                            d.d. 7 juli 2010</al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Als gevolg van de vanaf 1 januari 2010 gefaseerd in werking tredende Wet
                            Bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG)
                            krijgen gemeenten zowel in beleidsmatig als in financieel opzicht een
                            grotere verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW en IOAZ. </al><al>De IOAW en IOAZ kenden tot 1 januari 2010 een financieringsystematiek
                            waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25% op het
                            gemeentelijke budget drukte. Per 1 januari 2010 is voor de uitvoering
                            van deze regelingen een systeem van volledige budgetfinanciering
                            ingevoerd. De gemeenten krijgen nu één budget voor de bekostiging van
                            uitkeringen op grond van de WWB, de IOAW, de IOAZ, het Bbz 2004 en de
                            WWIK.</al><al>Door de Wet BUIG ( een verzamelwet) wordt het aantal landelijke regels
                            verder sterk teruggedrongen. Dit wordt gecombineerd met een grotere
                            beleidsruimte voor de gemeente, . Per 1 juli 2010 moet de raad op grond
                            van de gewijzigde artikelen 35 van IOAW en IOAZ bij verordening regels
                            stellen over weigering en verlaging van uitkering als reactie op
                            verwijtbare gedragingen van een belanghebbende. Dit beleid was voorheen
                            landelijk vastgesteld in twee bij algemene maatregel van bestuur
                            vastgestelde besluiten (het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz en het
                            Boetbesluit sociale zekerheidswetten).</al><al>De opdracht tot het vaststellen van gemeentelijke regels over het
                            afstemmen van IOAW/IOAZ-uitkeringen is vergelijkbaar met een al
                            bestaande in de WWB en WIJ opgenomen verplichting. In onze gemeente zijn
                            daarvoor de Afstemmingsverordening WWB (vastgesteld op 14-6-2004 met
                            wijzigingen op 28–4-2005 , 17-12-2008 en 16-12-2009) en de
                            Afstemmingsverordening WIJ (vastgesteld op 16-12-2009) van toepassing.
                            In beide verordeningen zijn de verwijtbare gedragingen gecategoriseerd
                            met bijbehorende percentages en duur van verlagingen. De verlagingen
                            wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht zijn in beide
                            verordeningen gebaseerd op de hoogte van daardoor ten onrechte ontvangen
                            bedragen. In het Maatregelenbesluit en het Boetebesluit waren deze
                            factoren eveneens relevant voor de hoogte van verlaging of boete. In
                            deze verordening zijn deze uitgangspunten voortgezet. Het
                            afstemmingsbeleid IOAW/Z sluit op deze wijze goed aan bij het regime van
                            de WWB en de WIJ. Daarbij zij opgemerkt dat in de IOAW/IOAZ verwijtbare
                            werkloosheid een centrale rol speelt en deze wetten niet de
                            vangnetfunctie van de WWB hebben. Daarom kan in de situaties die zijn
                            omschreven in artikel 20 IOAW/IOAZ het (gedeeltelijk) blijvend weigeren
                            van uitkering van toepassing zijn. </al><al>Hoewel de gemeenteraad in de Afstemmmingsverordening IOAW/IOAZ de regels
                            stelt over het verlagen en weigeren van IOAW/Z- uitkering, is een aan
                            belanghebbende op te leggen maatregel een vorm van maatwerk, waarmee het
                            college is belast</al><al>Evenals dat binnen de kaders van de WWB en de WIJ het geval is, dient de
                            maatregel afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate van
                            verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende. </al><al/><al><cursief>Artikelsgewijze toelichting</cursief></al><al><onderstreept>Artikel
                                1</onderstreept></al><al> Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                            omschrijvingen verdient extra aandacht.</al><al>O<cursief>nder c. IOAW/IOAZ</cursief></al><al>Deze definitie verwijst gelijktijdig naar beide wetten, omdat een groot
                            deel van de bepalingen in beide wetten identiek is in nummering en
                            inhoud. Dit voorkomt dat steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet
                            verwezen moet worden.</al><al><cursief>Onder f. grondslag </cursief></al><al>De systematiek van berekening van betalingen in het kader van de IOAW/Z
                            wijkt af van die voor WWB/WIJ-uitkeringen. In de WWB en WIJ zijn er
                            netto normen waarop netto-inkomsten in mindering worden gebracht. Deze
                            uitkeringen worden verhoogd met na afloop van het kalenderjaar door de
                            gemeente definitief te berekenen en aan de belastingdienst af te dragen
                            heffingen. In de Afstemmingsverordeningen WWB en WIJ is de norm de basis
                            voor de verlaging </al><al>De IOAW en IOAZ kennen daarentegen bruto-uitkeringen, gebaseerd op bruto
                            grondslagen waarop bruto-inkomen wordt gekort. Met toepassing van de
                            groene maandtabel wordt loonheffing ingehouden. De grondslag is de basis
                            voor de op te leggen verlaging in het kader van de IOAW/IOAZ. Deze
                            benadering is overgenomen uit het Maatregelenbesluit.</al><al><cursief>Onder g. maatregel</cursief></al><al>Zowel het verlagen van de grondslag als het blijvend (gedeeltelijk)
                            weigeren van de uitkering worden binnen deze verordening als maatregel
                            aangemerkt. </al><al><cursief>Onder h. inkomen</cursief></al><al>Onder inkomen wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW en
                            IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde
                            inkomensbegrip.</al><al><onderstreept>Artikel 2</onderstreept></al><al>Het opleggen van een maatregel is slechts geoorloofd als hiervoor in de
                            IOAW/IOAZ een wettelijke basis bestaat. De situaties waarin het opleggen
                            van een maatregel aan de orde kan zijn worden in het eerste en tweede
                            lid samengevat. </al><al>In het derde lid is de hoofdregel neergelegd dat het college een op te
                            leggen maatregel afstemt op de individuele omstandigheden en de mate van
                            verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij
                            elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele
                            omstandigheden van de belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur
                            van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Een afwijking van
                            de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging
                            betekenen en kan zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als
                            de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende
                            afzonderlijk.</al><al><onderstreept>Artikel 3. </onderstreept></al><al>Hierin is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                            over de grondslag tijdens de periode waarin deze van toepassing is.</al><al><onderstreept>Artikel 4. </onderstreept></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door middel van een besluit.
                            In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                            worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit het
                            motiveringsbeginsel. </al><al><onderstreept>Artikel 5</onderstreept></al><al>Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een
                            besluit tot het opleggen van een maatregel spoedig nadat de verwijtbare
                            gedraging is betoond, wordt genomen. Om deze reden wordt geregeld dat
                            hiertoe niet wordt besloten na verloop van één jaar. Voor gedragingen
                            die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan
                            ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verleend, geldt
                            echter een afwijkende termijn van vijf jaren.</al><al><onderstreept>Artikel 6. </onderstreept></al><al>De gedragingen die verband houden met onvoldoende of ontbrekende
                            medewerking </al><al>aan het vergroten van duurzame arbeidsinschakeling, worden
                            overeenkomstig de Afstemmingsverordening WWB in vier categorieën
                            onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidend
                            criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                            concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van betaalde arbeid.
                            Voor het opleggen van maatregelen na verwijtbare gedragingen inzake het
                            behouden van arbeid of het aanvaarden van aangeboden arbeid gelden de
                            specifieke bepalingen in artikel 8 en 9.</al><al><onderstreept>Artikel 7</onderstreept></al><al>De gedragingen die in artikel 6 zijn gecategoriseerd worden in artikel 7
                            gekoppeld aan gestandaardiseerde verlagingen. Indien er binnen één jaar
                            na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van herhaald verwijtbaar
                            gedrag wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking
                            gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Dit betekent
                            dat ieder verwijtbaar gedrag via een besluit kenbaar zal moeten worden
                            gemaakt, ook indien de gedraging op grond van andere redenen dan het
                            ontbreken van verwijtbaarheid niet heeft geleid tot een
                            verlagingsbesluit. Op basis van deze bepaling kan een recidiveverlaging
                            slechts één keer worden toegepast. Indien de belanghebbende na een
                            tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag
                            vertoont, zal de hoogte en de duur van de verlaging individueel moeten
                            worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van
                            de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                            omstandigheden van de betrokkene.</al><al>De IOAW/IOAZ laat het toe om een verlaging van de uitkering op twee
                            manieren te effectueren, namelijk met terugwerkende kracht of door
                            middel van verlaging van de grondslag in de eerstvolgende maand(en). Om
                            te voorkomen dat een groot aantal herzienings- en
                            terugvorderingsbesluiten genomen zouden moeten worden, is bepaald dat in
                            beginsel een verlaging wordt toegepast met ingang van de eerste dag van
                            de maand volgend op de beschikkingsdatum c.q. de ingangsdatum van de
                            uitkering In de uitzonderlijke situaties waarin dit niet mogelijk is (
                            b.v. in verband met beëindiging van de uitkering) vindt de verlaging
                            plaats met terugwerkende kracht, hetgeen dan wel toteen herzienings- en
                            terugvorderingsbesluit zal moeten leiden.</al><al><onderstreept>Artikel 8 en 9</onderstreept></al><al>In deze artikelen zijn de bepalingen in artikel 20 IOAW / IOAZ om bij
                            verwijtbare werkloosheid de uitkering blijvend of tijdelijk geheel of
                            gedeeltelijk te weigeren, uitgewerkt. Vanwege het specifieke
                            uitkeringsregime van IOAW en IOAZ is in de aangegeven situaties een
                            maatregel in de vorm van blijvend (gedeeltelijk) weigeren van de
                            uitkering van toepassing. Verwijtbare werkloosheid wordt de
                            belanghebbende hier dus zwaar aangerekend. </al><al>Bij een volledige weigering van de uitkering, staat het de
                            belanghebbende vrij om op (aanvullende) bijstand aan te vragen. Via de
                            middelentoets in de WWB zal dan moeten worden beoordeeld of de
                            belanghebbende recht heeft op WWB en in hoeverre het maatregelwaardige
                            gedrag binnen de WWB tot een verlaging moet leiden.</al><al>Bij het niet aanvaarden van aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid
                            gaat het om het weigeren van een aangeboden dienstverband. Het kan
                            hierbij om allerlei soorten arbeid gaan, gesubsidieerd of regulier,
                            fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde duur. Essentieel is
                            dat de belanghebbende door de werkweigering afziet van een concrete kans
                            om geheel of gedeeltelijk uit de uitkering te komen.</al><al>Het door eigen toedoen niet verkrijgen van aangeboden algemeen</al><al> geaccepteerde arbeid moet overigens niet worden verward met het niet
                            naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            bedoeld in artikel 6. </al><al>Daar gaat het om schending van de actieve sollicitatieplicht. In artikel
                            9 is sprake van eenconcreet aangeboden dienstverband bij een aanwijsbare
                            werkgever. </al><al><onderstreept>Artikel 10.</onderstreept></al><al>De verlaging wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het
                            benadelingsbedrag dat als gevolg van de schending van die verplichting
                            ten onrechte of te veel is betaald. Bij de vaststelling van de
                            maximumverlaging is rekening gehouden met de maximale geldboete, zoals
                            die door de strafrechter wordt opgelegd. Deze maximale verlaging zal
                            waarschijnlijk niet vaak voorkomen. Op grond van de “Aanwijzing Sociale
                            Zekerheidsfraude” dient er in principe bij fraude vanaf € 10.000,-
                            aangifte gedaan te worden bij het Openbaar Ministerie (OM) en dient er
                            een proces-verbaal opgemaakt te worden. Als het OM een zaak niet
                            accepteert wordt de gemeente geïnformeerd en zal er alsnog een besluit
                            tot verlaging genomen moeten worden.</al><al>Indien er een strafvervolging is ingesteld, wordt een besluit tot
                            verlaging niet genomen zolang het OM de gedraging onderzoek. Is de
                            strafvordering in het stadium gekomen dat het onderzoek ter
                            terechtzitting een aanvang heeft genomen of er een schikking heeft
                            plaatsgevonden op grond van art. 74 Sr, dan blijft een verlagingsbesluit
                            definitief achterwege. Het ‘una via’ beginsel kan zich immers verzetten
                            tegen een samenloop van een aanpassing van de uitkering door een
                            bestuursorgaan wegens inlichtingenfraude en een strafrechtelijke
                            afdoening. De Centrale Raad van Beroep heeft dit in het (recente)
                            verleden geregeld tot uitdrukking gebracht. Omwille van de flexibiliteit
                            in regelgeving wordt het college bevoegd verklaard om de in het tweede
                            lid van dit artikel aangegeven bedragen aan te passen</al><al><onderstreept>Artikel 11. </onderstreept></al><al>Het besluit tot verlaging laat onverlet dat er een besluit moet worden
                            genomen over het terugvorderen van de door inlichtingenverzuim ten
                            onrechte verleende uitkering. Deze afstemmingsverordening is er niet
                            voor bedoeld om hierop nader in te gaan, omdat het college op grond van
                            de Wet BUIG bevoegd is om daarover beleidsregels vast te stellen.
                            Artikel 11 geeft daarentegen de wijze van tenuitvoerlegging van de als
                            gevolg van schending van de informatieplicht opgelegde verlaging weer,
                            waarbij als uitgangspunt geldt dat de op grond van artikel 10 berekende
                            verlaging optimaal moet worden geëffectueerd. Indien het besluit wordt
                            genomen op een tijdstip waarin de belanghebbende geen verdere aanspraak
                            op uitkering heeft dient zo mogelijk de verlaging te worden toegepast
                            gedurende de periode waarop de inlichtingenfraude betrekking heeft. Deze
                            methodiek heeft echter alleen maar effect voor situaties, waarin er toch
                            nog een gedeeltelijk recht op inkomensvoorziening zou hebben bestaan als
                            de betreffende informatie destijds bekend zou zijn geweest. In de
                            situaties waarin de verlaging niet volledig kan worden geëffectueerd kan
                            tot (verdere) effectuering worden overgegaan als belanghebbende alsnog
                            een beroep doet op uitkering binnen een termijn van 5 jaar na het
                            desbetreffend besluit.</al><al>In het vierde lid gaat het in tegenstelling tot artikel 5, lid 2 van
                            deze verordening om de effectuering van een besluit tot verlaging.
                            Artikel 5 heeft daarentegen betrekking op het tijdstip van het in
                            artikel 10 bedoelde besluit, dat – in overeenstemming met
                            deboetesystematiek - genomen moet worden binnen 5 jaar na de
                            gedraging.</al><al><onderstreept>Artikel 12. </onderstreept></al><al>Dit artikel geeft weer welke instrumenten moeten worden toegepast in de
                            situaties waarin geconstateerd wordt dat de belanghebbende de
                            informatieplicht heeft geschonden, doch deze tekortkoming niet heeft
                            geleid tot een benadelingsbedrag. Een voorbeeld hiervan is de situatie
                            waarin de belanghebbende de voor de verlening van uitkering van belang
                            zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt en
                            het recht op uitkering wordt opgeschort (artikel 17 IOAW/IOAZ). Het
                            college geeft de cliënt vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn
                            verzuim kan herstellen (de hersteltermijn).Wordt de gevraagde informatie
                            niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente verstrekt, dan wordt de
                            uitkering ingetrokken. Worden de gevraagde gegevens wel binnen de
                            hersteltermijn verstrekt, dan wordt de uitkering voortgezet, maar wordt
                            een waarschuwing gegeven of – bij een herhaalde tekortkoming - een
                            verlaging toegepast. </al><al>Het verstrekken van onvolledige informatie naar aanleiding van een
                            aanvraag leidt tot het niet in behandeling nemen of afwijzen van de
                            aanvraag. Een verlaging van toe te kennen uitkering is dan ook niet aan
                            de orde. Een waarschuwing is evenmin opportuun, tenzij blijkt van een
                            kennelijke bedoeling of opzet tot fraude.</al><al><onderstreept>Artikel 13. </onderstreept></al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.</al><al>Bij het vaststellen van de verlaging in de situatie dat de
                            belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                            worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                            volgende vormen vanagressief gedrag in een oplopende reeks worden
                            onderscheiden:</al><al>- verbaal geweld;</al><al>- intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al><al>- zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al><al>- mensgericht fysiek geweld.</al><al>In dit verband is het tevens relevant een onderscheid te maken tussen
                            instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is
                            sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een
                            bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                            uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                            onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                            frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de matevan
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                            frustratiegeweld.</al><al>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. In dit artikel wordt de marge van de verlaging
                            aangegeven en krijgt het college de bevoegdheid om nadere regels te
                            stellen. Dit kan in de vorm van het vaststellen vangecategoriseerde
                            gedragingen en standaardverlagingen en deze op te nemen in een
                            allesomvattend agressieprotocol.</al><al><onderstreept>Artikel 14 en 15</onderstreept></al><al>Deze artikelen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>