<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR320579_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Veehouderijen en Natura 2000 Provincie Limburg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Limburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Limburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2013, 87</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Veehouderijen en Natura 2000 Provincie Limburg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Natuurbeschermingswet 1998, artikelen 19c, 19d, 19kd, 19 ke en 19kf</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-10-04</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-10-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>agrarische sector, bodem, natuur en landschap</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Veehouderijen en Natura 2000 Provincie Limburg</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Verordening veehouderijen en Natura 2000 Provincie Limburg</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a. "><al>ammoniakemissie: emissie van ammoniak, uitgedrukt in kg NH3 per jaar;</al></li><li nr="b. "><al>dierenverblijf, dierplaats: hetgeen daarmee bedoeld is in de Wet ammoniak en veehouderij.</al></li><li nr="c."><al> Inrichting: inrichting in de zin van artikel 1.1. eerste lid, van de Wet milieubeheer, bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren;</al></li><li nr="d."><al> N-depositieniveau: neerslag van stikstofverbindingen uit de atmosfeer op een habitat of leefgebied van een soort;</al></li><li nr="e."><al> nieuwe stal: na 23 juli 2010</al></li><li nr="i)"><al> nieuw opgericht dierenverblijf, dan wel zodanig gewijzigd bestaand dierenverblijf dat het aantal dierplaatsen toe is genomen of het huisvestingssysteem als bedoeld in de RAV-lijst is gewijzigd, en waarbij voor die oprichting of wijziging een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist; of</al></li><li nr="ii) "><al>gewijzigd bestaand dierenverblijf waarbij sprake is van het aanleggen, aankoppelen of installeren van een of meer van de in de bijlage 2 opgenomen systemen voor zover het aankoppelen of installeren van deze systemen betrekking heeft op de reductie van ammoniakemissie.</al></li><li nr="f. "><al>RAV-lijst: lijst van huisvestingssystemen met bijbehorende jaaremissies van ammoniak per diersoort opgenomen in de bijlage bedoeld in artikel 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Eisen stalsystemen</titel></kop><al> </al><lijst><li nr="1."><al> De drijver van een inrichting draagt er zorg voor dat een nieuwe stal geen grotere ammoniakemissie per dierplaats heeft dan de maximaal toegestane emissie als opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening.</al></li><li nr="2."><al> Onverminderd het eerste lid, draagt de drijver van de inrichting er zorg voor, dat uiterlijk per 1 januari 2030 de inrichting als geheel geen grotere ammoniakemissie per dierplaats heeft dan de maximaal toegestane emissie als opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening.</al></li><li nr="3."><al> Gedeputeerde Staten kunnen de bijlagen bij deze verordening wijzigen als naar hun oordeel technische ontwikkelingen, nieuwe wetenschappelijke inzichten of, het N-depositieniveau daartoe aanleiding geven.</al></li><li nr="4."><al> Voorafgaand aan wijziging van de bijlagen kunnen Gedeputeerde Staten advies inwinnen bij één of meerdere onafhankelijke deskundigen.</al></li><li nr="5."><al> Een advies als bedoeld in het vierde lid is niet bindend</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Hardheidsclausule</titel></kop><al>
Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze
verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken
belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Overgangsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij nieuwe stallen voor de diercategorie varkens of kippen, waarvoor uiterlijk 23 juli 2010 een aanvraag voor een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, een bouwvergunning krachtens de Woningwet of een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 in behandeling genomen danwel verleend is, of een melding krachtens het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan, geldt artikel 2 eerste lid, niet. Artikel 2, tweede lid, blijft onverkort van kracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij nieuwe stallen, met uitzondering van stallen voor de diercategorie varkens en kippen, waarvoor uiterlijk op de dag na de dag van bekendmaking in het Provinciaal Blad een vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in behandeling genomen danwel verleend is, of een melding krachtens het activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan,geldt artikel 2 eerste lid, niet. Artikel 2, tweede lid, blijft onverkort van kracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Bekendmaking en inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de dag van bekendmaking in het
Provinciaal Blad en werkt terug tot en met 23 juli 2010.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening veehouderijen en Natura 2000 provincie Limburg.
 </al><al>Voor de bijlagen kunt u klikken op onderstaande link</al><al><extref doc="http://www.limburg.nl/dsresource?objectid=28160&amp;type=org" struct="INTERNET">BIJLAGEN</extref></al><al> </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Maastricht, 4 oktober 2013
Provinciale Staten voornoemd
drs. Th.J.F.M. Bovens, de voorzitter,
drs. J.J. Braam, de griffier,
Uitgegeven, 10 oktober 2013
De griffier,
drs. J.J. Braam</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Algemene toelichting
Met de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet is in de Natuurbeschermingswet 1998 een
verplichting voor de provincie opgenomen om ten aanzien van alle activiteiten die stikstofdepositie
veroorzaken en mogelijk negatieve effecten sorteren op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura
2000 gebieden, passende maatregelen te treffen.
Op dit moment is de stikstofdepositie in Limburg hoog. Dit staat het behalen van de
instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000 gebieden in de weg. Het nemen van passende
maatregelen is derhalve onvermijdelijk.
Bij de huidige stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden in Limburg kan niet worden gegarandeerd dat
op lange termijn de instandhoudingsdoelstellingen niet verslechteren in omvang of kwaliteit. De
depositieafname die nodig is om achteruitgang van de instandhoudingsdoelstellingen te voorkomen kan
vanwege de omvang niet via individuele projecten worden bereikt maar zal bereikt moeten worden door
een generieke emissiedaling. Om dit te bereiken wordt in deze verordening de verplichting voor
veehouderijen opgenomen om bij het bouwen van een nieuwe stal dan wel het renoveren van een
bestaande stal gebruik te maken van vergaande emissiereducerende technieken.
Tevens wordt in een landelijk traject gewerkt aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deze
verordening en de daarmee te behalen resultaten worden meegenomen in dit PAS-traject voor het
onderdeel provinciale maatregelen.
Inhoud Verordening
Met de Verordening veehouderijen en Natura 2000 provincie Limburg wordt aan veehouderijen
voorgeschreven dat vergaande ammoniakemissiereducerende staltechnieken worden gebruikt in nieuwe
en te renoveren stallen.
Saldering:
Op 29 september 2009 is het convenant stikstof gesloten tussen de provincies Noord-Brabant en
Limburg, het ministerie van EL&amp;I, de landbouworganisaties ZLTO en LLTB, de Brabantse Milieu
Federatie en de terreinbeherende organisaties. Naast afspraken over technische maatregelen bij stallen
zijn daar ook afspraken vastgelegd over het opzetten van een depositiebank. Hierdoor zou de winst die
wordt bereikt door het treffen van technische maatregelen bij stallen enerzijds ten gunste komen van de
natuur en anderzijds worden ingezet voor het mogelijk maken van ontwikkelingen in de veehouderij.
Gezien de ontwikkelingen die landelijk plaatsvinden in het PAS–traject en de bestaande jurisprudentie,
wordt echter afgezien van het opzetten van een Limburgse depositiebank. In het kader van de PAS wordt
ontwikkelruimte gecreëerd. Hoe deze ontwikkelruimte wordt uitgegeven en door wie wordt momenteel op
nationaal niveau uitgewerkt.
Het opzetten van een depositiebank naast het uitgeven van ontwikkelruimte in het kader van de PAS zal
leiden tot een onduidelijke situatie waarbij dubbeltellingen niet uit te sluiten zijn. Het opzetten van een
depositiebank wordt op dit moment dan ook onwenselijk geacht. Tot het moment dat de PAS is
vastgesteld is salderen tussen bedrijven zonder tussenkomst van een depositiebank op basis van de
huidige jurisprudentie mogelijk.
Wettelijk kader
De voorliggende verordening is gebaseerd op artikel 19ke van de Natuurbeschermingswet 1998. Dit
artikel draagt aan het bevoegd gezag op om er zorg voor te dragen dat passende maatregelen worden
genomen om verslechtering van de kwaliteit van de habitats te voorkomen en opent in dat kader de
mogelijkheid om bij provinciale verordening regels te stellen.
10
Voorbereiding en afstemming
De verordening is tot stand gekomen na verschillende overleggen met deprovincie Noord-Brabant, het
ministerie van EL&amp;I, vertegenwoordigers van natuur- en milieuorganisaties en de landbouworganisatie.
De eisen die gesteld worden aan de stallen zijn gelijk aan de eisen die in de Verordening stikstof en
Natura 2000 Noord-Brabant zijn opgenomen. Er zal geregeld overleg plaatsvinden met de provincie
Noord-Brabant over de eisen die in bijlage 1 van de verordening zijn opgenomen.
Een ieder is in de gelegenheid gesteld een zienswijze over het ontwerp van deze verordening in te
dienen.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1, onderdeel e: Definitie van nieuwe stal
Onderdeel e sub i
Het uitgangspunt van de verordening is dat de systematiek aansluit op het investeringsritme van de
veehouderijen. Vaak in combinatie met een uitbreiding, investeert een veehouder in nieuwe stallen of in
belangrijke renovaties van bestaande stallen. Op die momenten kan de investering worden benut voor
emissiereducerende systemen die voldoen aan de bijlage bij deze verordening. Deze bijlage met
emissie(reductie)eisen wordt periodiek aangescherpt aan de stand der techniek. De combinatie van het
investeren en aanscherpen van de emissiereductie-eisen leidt stapsgewijs naar de reductiedoelstellingen
waaraan alle stallen op 1 januari 2030 moeten voldoen.
De definitie van nieuwe stal dient dan ook aan te sluiten op de grote investeringsmomenten van een
veehouderij. Dit zijn de momenten waarop de bedrijfsontwikkeling leidt tot de bouw van nieuwe stallen
en/of het renoveren van bestaande stallen waarbij geïnvesteerd kan worden in het toepassen van
emissiereducerende systemen. Daarbij is een duidelijk koppeling gemaakt met de omgevingsvergunning
(Wabo) voor het onderdeel bouwen. Wanneer voor de nieuwbouw of renovatie van stallen een
omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen nodig is, dan moet deze betreffende nieuwe stal
voldoen aan bijlage 1 bij deze verordening.
Wanneer er een renovatie van een bestaande stal plaatsvindt waar een omgevingsvergunning (Wabo)
voor het onderdeel bouwen nodig is (bijv. bij het vervangen van de kap na schade), en waarbij door de
wijziging er geen wijziging in de Rav-code plaatsvindt, dan valt deze renovatie niet onder definitie van
nieuwe stal.
onderdeel e sub ii
Dit onderdeel bevat bepaalde emissiearme systemen binnen en buiten de stal, het veranderen van putten
en roostervloeren, het installeren van ventilatie- en klimaatsystemen, luchtwassers of biofilters. Deze
systemen, die zijn opgenomen in bijlage 2 van de verordening, vragen een dermate investering dat,
gezien de eis om in 2030 te voldoen aan de technische eisen uit bijlage 2 en het doel van de verordening
van een algemeen dalende trend in ammoniakdepositie, deze ook zonder bouwvergunning moeten
voldoen aan de emissie(reductie)eisen uit de verordening. Ook het aanleggen, aankoppelen of installeren
van zo’n systeem aan een bestaande stal leidt met deze verordening tot het beoordelen van deze stal als
nieuwe stal.
11
In het Provinciaal Blad 2010/40 is aangekondigd dat de technische eisen uit de verordening met
terugwerkende kracht vanaf 23 juli 2010 gaan gelden voor bedrijven met varkens en kippen. In de
aankondiging is een "nieuwe stal" gedefinieerd als een na 22 juli 2010 nieuw opgericht dan wel geheel of
gedeeltelijk gerenoveerd dierenverblijf waarvoor een bouwvergunning krachtens de Woningwet
noodzakelijk is. Door wijziging in de regelgeving na de aankondiging is niet in alle gevallen een
bouwvergunning/omgevingsvergunning noodzakelijk voor de in bijlage 2 genoemde emissiearme
technieken. Voor bedrijven die in de periode tussen 23 juli 2010 en het vaststellen van de verordening
hebben geïnvesteerd in de genoemde technieken zonder dat is voldaan aan de technische vereisten uit
bijlage 1 zal in voorkomende gevallen per individueel geval door middel van een zorgvuldige
belangenafweging worden beoordeeld of toepassing kan worden gegeven aan de in artikel 3 van de
verordening opgenomen hardheidsclausule.
Artikel 2: Eisen stalsystemen
Eerste lid
Dit artikel waarborgt, dat de beoogde afname van de achtergronddepositie, voor zover deze veroorzaakt
wordt door stalemissies, op de gewenste manier afneemt. Op de ondernemer rust de verplichting om er
zorg voor te dragen, dat iedere nieuwe, c.q. op wezenlijke onderdelen gewijzigde stal zal moeten voldoen
aan de emissie(reductie)eisen uit deze regeling, die verder gaan dan de huidige eisen uit het Besluit
ammoniakemissie huisvesting veehouderij (de ‘ AMvB Huisvesting). De intentie is dat voor intensieve
veehouderijbedrijven de emissie per dierplaats met 85% daalt ten opzichte van traditionele stalsystemen.
Voor extensiever sectoren (rundvee) betreft dit 40% met weidegang en 70% bij permanent opstallen.
Omdat niet voor alle sectoren systemen voorhanden zijn met dergelijk reductiepercentages, zijn in de
bijlage de nu redelijkerwijs haalbare emissiewaarden opgenomen.
Tweede lid
Waar het eerste lid alleen emissiereductie voorschrijft voor alle nieuwbouw en herbouw, verplicht het
tweede lid tot het vóór 2030 aanpassen of buiten gebruik stellen van alle bestaande stallen, voor zover
het bedrijf dan (gemiddeld) nog niet voldoet aan de opgenomen emissiereductiedoelstelling. Omgerekend
over alle bedrijven betekent dit, bij de in bijlage opgenomen normen, uiteindelijk ongeveer een halvering
van de bijdrage van de stallen in de achtergronddepositie ten opzichte van de situatie in 2008/20104.
Derde, vierde en vijfde lid
De stalnormen opgenomen in de bijlage zullen regelmatig door Gedeputeerde Staten aangepast worden
aan de technische ontwikkelingen op basis van de landelijke lijst met emissiefactoren behorende bij de
Regeling Ammoniak en Veehouderij. Daarnaast zijn situaties denkbaar dat technieken nog niet
opgenomen zijn op deze lijst, maar wel perspectiefrijk zijn. Ook in deze gevallen kan Gedeputeerde
Staten de bijlage aanpassen.
Voor het aanpassen van de bijlage kunnen Gedeputeerde Staten advies inwinnen bij onafhankelijke
deskundigen. Ook indien niet duidelijk is hoe in een concreet geval een bepaalde technische voorziening
zich verhoudt tot de reductietaakstelling uit het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten advies inwinnen
bij onafhankelijke deskundigen. De provincies Noord-Brabant en Overijssel hebben voor het beoordelen
van stalsystemen en het geven van advies inzake het aanpassen van de stalnormen een commissie van
deskundigen benoemd.
4. Precieze depositiedaling zal berekend worden met Aerius, het nieuwe N-model dat in het kader van de PAS ontwikkeld wordt.
Per beheerplanperiode zal dit eventueel worden bijgesteld.
12
Integraal duurzame stallen
Zoals ondermeer blijkt uit de ambitienota “Limburgse land- en tuinbouw loont” streeft de provincie naar
een integraal duurzame veehouderij. Het streven naar een lage ammoniakemissie is daar een onderdeel
van. Bekend is dat verhoging van dierwelzijn (uitloop, meer ruimte per dier) vaak gepaard gaat met een
verhoging van de ammoniakemissie per dier. De uitdaging voor duurzame stallen zit er dan ook in om
hier een integrale aanpak voor te ontwikkelen. Indien de ontwikkelingen van integraal duurzame stallen
daar aanleiding toegeeft dan kan Gedeputeerde Staten hiervoor een differentiatie opnemen in bijlage 1.
De commissie van deskundigen die in Noord-Brabant en Overijssel functioneert kan hierin een
adviserende rol vervullen.
Artikel 3: Hardheidsclausule
Er zijn bijzondere situaties denkbaar, waarin duidelijk is, dat niet aan de verordening voldaan kan worden
en het ook niet redelijk is dit te vereisen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan vee dat vanwege
cultuurhistorisch-educatief/museaal oogpunt gehouden wordt of een veebedrijf dat zijn vee inzet voor het
beheer van het Natura 2000 gebied. Tevens kan het voor de ontwikkeling van integraal duurzame stallen
noodzakelijk zijn dat er proefstallen worden gebouwd waarbij nog niet voldaan kan worden aan de eisen
uit bijlage 1. Het is in dergelijke gevallen aan Gedeputeerde Staten om op basis van een integrale
afweging te besluiten of de hardheidsclausule moet worden toegepast.
Artikel 4: Overgangsregeling
Voor bedrijven die in de maanden vóór de inwerkingtreding van de verordening gewerkt hebben aan de
realisatie van een nieuwe stal en hiervoor een aanvraag in behandeling hebben of hadden is een
overgangsregeling van toepassing. De bijlage bij de aankondiging in het Provinciaal Blad 2010/40 heeft
alleen betrekking voor stallen met varkens of kippen. Deze nieuwe stallen waarvoor een vergunning is
aangevraagd of verleend voor 23 juli 2010 hoeven niet aan de staleisen te voldoen. Voor nieuwe stallen
waar het geen varkens of kippen betreft geldt dat, indien de vergunningaanvraag is ingediend of de
vergunning is verleend voor de datum inwerkingtreding van de verordening dat niet aan de staleisen uit
de bijlage voldaan hoeft te worden.
Artikel 5: Bekendmaking en inwerkingtreding
Zoals aangekondigd in het Provinciaal Blad 2010/40 is gekozen om de technische eisen uit de
verordening met terugwerkende kracht vanaf 23 juli 2010 te laten gelden voor varkens en kippen. Deze
aankondiging is gedaan om te voorkomen dat bedrijven gaan anticiperen op de aankomende eisen en
een stal zouden aanvragen zonder aanvullende technische voorzieningen. Hierdoor zouden
ontwikkelingen plaatsvinden die op termijn het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in de weg
kunnen staan. Bedrijven met bedrijfssituaties betreffende varkens of kippen die op het moment van
bekend worden van de inhoud van de verordening (23 juli 2010) nog geen vergunning krachtens de Wet
milieubeheer, de Natuurbeschermingswet 1998 of een bouwvergunning krachtens de Woningwet hadden
of hadden aangevraagd en evenmin een melding in het kader van het Besluit landbouw milieubeheer
hadden gedaan, dienen aan de technische eisen van de regeling te voldoen.
13
Voor de overige veehouderijen (niet zijnde varkens en kippen) geldt dat de regeling in werking treedt de
dag nadat deze verordening gepubliceerd is in het provinciaal blad.
 </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>