<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR320356_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Omgevingsbeleidsplan, onderdeel Vergunningen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.reuseldemierden.nl/bestuur-regelgeving/bekendmakingen_41589/item/omgevingsbeleidsplan-onderdeel-vergunningen-en-uitvoeringsprogramma_24891.html">Gemeenteblad 2014-001, 31-01-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Omgevingsbeleidsplan, onderdeel Vergunningen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wet milieubeheer, Woningwet, Bouwbesluit 2012, Drank- en Horecawet, APV 2014 e.a.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-02-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-03-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B&amp;W 13-478</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>volkshuisvesting en woningbouw</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Uitvoeringsprogramma Omgevingsbeleidsplan</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Beleidsregel inzake intrekken verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen wordt per gelijke datum ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Omgevingsbeleidsplan, onderdeel Vergunningen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><nr>1 </nr><titel>Visie en doelstelling</titel></kop><paragraaf><kop><label>1.1 Visie </label></kop><structuurtekst><al>De gemeente zet zich in voor een optimaal woon-, werk- en
                                leefklimaat op basis van landelijk, provinciaal en gemeentelijk
                                vastgestelde regels. Vergunningverlening, toezicht en handhaving
                                maakt onderdeel uit van het totale dienstverleningsconcept van de
                                gemeente. De werkzaamheden op deze gebieden hebben een grote en
                                directe relatie met onze klanten. De klanten kunnen zijn: aanvragers
                                van vergunningen, uitvoerende partijen, overtreders van regels en
                                andere belanghebbenden. De missie voor vergunningverlening, toezicht
                                en handhaving wordt als volgt omschreven:</al><al><vet><cursief>‘</cursief></vet></al><al><vet><cursief>De
                                    </cursief></vet><vet><cursief>dienst</cursief></vet><vet><cursief>verlening
                                        staat bij ons voorop.’</cursief></vet></al><al/><al>Deze missie zal centraal blijven staan in onze manier van denken en
                                werken. Het gaat er daarbij om dat we constant aandacht hebben voor
                                onze dienstverlening en kijken hoe we deze kunnen verbeteren. Het is
                                zonder meer noodzakelijk dat we dicht bij onze inwoners blijven
                                staan en niet vanuit een “glazen huis” opereren. De afstand met de
                                klant mag niet groter worden maar we moeten het gemakkelijker maken. </al><al>De nadruk ligt op een goede samenwerking met zowel interne als
                                externe partners. Daar past de uitspraak bij “Samen Werken aan
                                Samenwerken”. Het lijkt vreemd over te komen, dat de genoemde missie
                                en uitspraak ook betrekking hebben op het aspect van de handhaving.
                                De achterliggende gedachte is dat een goede dienstverlening ook
                                inhoudt dat we duidelijk zijn en ook neen durven te verkopen als
                                iets niet kan. Voor wat betreft het samenwerken gaat het erom dat in
                                het voortraject alles is gedaan om te voorkomen dat we achteraf tot
                                handhaving over moeten gaan.</al><al>Als we denken vanuit dienstverlening en klantgerichtheid komt een
                                aantal uitgangspunten terug. Dat zijn de volgende:</al><al>• Hartelijkheid: in de zin van vriendelijkheid en oprechte interesse
                                tonen maar ook de bereidheid de ander van dienst te zijn.</al><al>• Menselijk: dienstverlening is mensenwerk en daar hoort
                                inlevingsvermogen bij maar ook excuses maken voor gemaakte fouten en
                                handelen met de regels in het achterhoofd. </al><al>• Stimulerend: dingen mogelijk maken en met mensen meedenken met als
                                gevolg meer service met minder regels, het motto van “De overheid
                                geeft antwoord”.</al><al>• Helderheid: op de gemeente moet je kunnen bouwen en vertrouwen,
                                wij zijn duidelijk over wat we wel en niet kunnen betekenen voor
                                onze burgers en bedrijven. We geven begrijpelijke informatie, zijn
                                bereikbaar en toegankelijk, doen geen loze beloften en houden ons
                                aan de gemaakte afspraken.</al><al>Deze uitgangspunten maken onderdeel uit van onze manier van werken.
                            </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.2 Samenwerking VTH Kempengemeenten </label></kop><structuurtekst><al>In het najaar van 2012 hebben de Kempengemeenten besloten nader
                                onderzoek te doen naar de mogelijkheid van bundeling van alle taken
                                op het gebied van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (de
                                zgn. VTH-taken). De gemeenten Eersel en Reusel-De Mierden werken op
                                dit gebied al intensief samen. Ook de gemeente Oirschot heeft te
                                kennen gegeven te willen aansluiten. De gemeenten Bergeijk en Bladel
                                hebben aangegeven de VTH- taken in eigen beheer te gaan of blijven
                                uitvoeren en indien nodig uit te besteden. De definitieve
                                besluitvorming over de samenwerking zal naar verwachting in januari
                                2014 plaatsvinden. Daarna wordt het bedrijfsplan opgesteld zodat de
                                nieuwe organisatie in het tweede kwartaal van 2014 kan starten.</al><al>Dit Omgevingbeleidsplan, onderdeel Vergunningen is gericht op de
                                uitvoering en maakt keuzes hoe de gemeente diverse onderdelen in de
                                aanvragen om vergunningen en meldingen beoordeeld. Bij het opstellen
                                van dit beleid is ook rekening gehouden met de ontwikkelingen op het
                                gebied van vergunningverlening en handhaving binnen de gemeente,
                                maar vooral ook daarbuiten zoals de samenwerking met de
                                ‘Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant’.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.3 Uitgangspunten </label></kop><structuurtekst><al>Het geformuleerde beleid is allereerst gebaseerd op de visie. Deze
                                visie krijgt vervolgens meer diepgang in uitgangspunten. De volgende
                                uitgangspunten vormen de denkwijze voor de bepaling van de niveaus
                                van toetsen, toezicht houden en handhaven.</al><lijst><li nr="1."><al>De primaire <vet>verantwoordelijk</vet><vet>heid</vet> voor
                                        de kwaliteit van bouwen, gebruiken en slopen ligt bij de
                                        burgers, bedrijven en instanties dan wel de partijen die
                                        namens hen optreden.</al></li><li nr="2."><al>De gemeente ziet toe of de verantwoordelijkheid voldoende
                                        wordt genomen en onderneemt acties op basis van geschat
                                            <vet>risico</vet><vet>,</vet><vet> wettelijke
                                            voorschriften</vet> en <vet>bestuurlijke
                                            prioriteit</vet><vet>.</vet> De bemoeienis van de
                                        gemeente beperkt zich tot een minimum afgesproken
                                        niveau.</al></li><li nr="3."><al>Altijd moet <vet>voldoende aannemelijk</vet> zijn dat aan de
                                        geldende regelgeving wordt voldaan.</al></li><li nr="4."><al>De gemeente zorgt ervoor dat zij zelf <vet>voldoende
                                            kennis</vet> op de diverse disciplines bezit zodat de
                                        gemeente zich er altijd van kan vergewissen of rapporten en
                                        adviezen van derden voldoen aan de regelgeving. Dit vergt
                                        een basis kennisniveau.</al></li><li nr="5."><al>De gemeente heeft een <vet>vangnetfunctie</vet> voor de
                                        naleving van de wet- en regelgeving op het gebied van de
                                        fysieke omgeving.</al></li><li nr="6."><al>De gemeente zorgt voor een <vet>professionele
                                            organisatie</vet> waarin werkprocessen zijn vastgelegd
                                        en handelt hiernaar. De <vet>dienstverlening</vet> is
                                        zodanig ingericht dat de klant aan de voorkant weet wat en
                                        wanneer hij van de gemeente kan verwachten en wat van hem
                                        wordt verwacht.</al></li></lijst><al/><al>Ad 1. Verantwoordelijkheid</al><al>Door ontwikkelingen in wet- en regelgeving, jurisprudentie en
                                evaluaties na calamiteiten, wordt steeds meer een scheiding
                                duidelijk tussen de bestuurlijke en privaatrechtelijke
                                verantwoordelijkheid. De bestuurlijke verantwoordelijkheid richt
                                zich meer op het beperken van risico’s en houden van toezicht
                                hierop. Enerzijds door toetsing van vergunningen en anderzijds het
                                toezien op de naleving van algemene regels en voorschriften uit
                                vergunningen. Bedrijven en burgers hebben een grote
                                verantwoordelijkheid hierin en worden bij verwijtbare overtredingen
                                ook privaatrechtelijk aangesproken voor de gevolgen na bijvoorbeeld
                                overtredingen en calamiteiten.</al><al/><al>Ad 2. Risico, wettelijke voorschriften en bestuurlijke
                                prioriteit</al><al>Een uitwerking van de wettelijke uitvoeringstaken van gemeenten, is
                                het bestuurlijk vastleggen van de wijze waarop taken worden
                                uitgevoerd. Dit omgevingbeleidsplan gaat hier in hoofdstuk 2 op in,
                                terwijl in het uitvoeringsprogramma toetsniveaus zijn vastgelegd
                                waarin de bestuurlijke prioriteit een duidelijke plaats heeft
                                gekregen.</al><al/><al>Ad 3. Voldoende aannemelijk</al><al>Het is voor gemeenten niet mogelijk alle wettelijke aspecten
                                integraal te toetsen. Als dit wel zou moeten, zou in elke gemeente
                                de personeelsformatie sterk moeten toenemen. Bij de taakoefening
                                geldt het uitgangspunt dat altijd voldoende aannemelijk moet zijn
                                dat aan de geldende regelgeving wordt voldaan. Het is niet de
                                bedoeling om het werk van adviseurs over te doen, maar uitsluitend
                                te toetsen. Afhankelijk van risicoanalyses is een keuze gemaakt in
                                het niveau van taakuitoefening.</al><al/><al>Ad 4. Voldoende kennis</al><al>De uitvoering van de taken moet, ook al worden niet alle aspecten
                                integraal getoetst, op een adequaat niveau gebeuren. Wat het
                                adequate niveau is, is vastgelegd in landelijke kwaliteitscriteria.
                                Deze criteria zijn enkele maanden geleden aangescherpt. De gemeenten
                                hebben in juni 2013 aangegeven in hoeverre zij hieraan voldoen. De
                                aanscherping van de kwaliteitscriteria heeft vooral betrekking op
                                het kennisniveau en de ervaring in het werk. De Kempengemeenten
                                hebben ieder apart en als totaal gezamenlijk een zelfevaluatie van
                                de landelijke kwaliteitscriteria uit laten voeren. Dit onderzoek is
                                uitgevoerd door adviesbureau MasterMeester. Uit dit onderzoek is
                                naar voren gekomen dat geen enkele gemeente volledig aan de
                                kwaliteitscriteria voldoet. In een verbeterplan zijn de knelpunten
                                aangegeven en is aangegeven hoe aan de kwaliteitscriteria zal worden
                                voldaan. De meeste taken kunnen samen met de Kempengemeenten worden
                                gedaan en een aantal taken worden uitbesteed aan een marktpartij of
                                de ‘Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant’</al><al/><al>Ad 5. Vangnetfunctie</al><al>De vangnetfunctie heeft vooral een publiekrechtelijk en geen
                                privaatrechtelijk karakter, tenzij de gemeente zelf eigenaar is. Ook
                                speelt hierbij de eigen verantwoordelijkheid een rol. Als de eigen
                                verantwoordelijkheid van een burger of bedrijf onvoldoende of niet
                                wordt genomen, zal de gemeente zorg dragen voor het naleven van de
                                voorschriften, vaak met gevolg het voeren van
                                handhavingsprocedures.</al><al/><al>Ad 6. Professionele organisatie en dienstverlening</al><al>Vooraf weten welke dienst wanneer wordt geleverd maakt het meer en
                                meer noodzakelijk te zorgen voor een professionele organisatie. Door
                                werkprocessen voor veelvoorkomende diensten vast te leggen wordt de
                                dienstverlening transparanter, maar ook voor de medewerkers van de
                                gemeente inzichtelijk wat van hen wordt verwacht. Alleen als
                                medewerkers zo (kunnen) functioneren, kan ook van de klant
                                professionaliteit worden gevraagd. De dienstverlening is te
                                onderscheiden in diverse niveaus: van informatieverstrekking via de
                                website en de gemeentebalie tot vakinhoudelijke discussie en
                                kennisuitwisseling aan het omgevingsloket, met vooroverleg en
                                vergunningen. Hierdoor kan informatie en advies worden gegeven over
                                mogelijke vergunningen en toestemmingen. Vooral bij
                                informatieverstrekking en vooroverleg is ruimte voor discussie. Na
                                ontvangst van aanvragen om vergunning, wordt de behandeling formeel
                                uitgevoerd, volgens de wettelijke procedures met inachtneming van de
                                visie van de gemeente.</al><al>Onderdeel van de professionele organisatie is de continue wens tot
                                verbetering van de (werk)processen. De teams vergunningen, toezicht
                                en handhaving zullen voorstellen doen voor verdere innovatie van de
                                processen, deregulering, slimmer en efficiënter werken, etc. Dit om
                                de kwaliteit van de dienstverlening continue te verbeteren.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.4 Ontwikkelingen uitvoering taken van en voor andere instanties </label></kop><structuurtekst><al>Vanaf juni 2013 zijn een aantal taken op het gebied van
                                vergunningverlening, toezicht en handhaving verplicht overgedragen
                                aan de ‘Omgevingsdienst Zuidoost Brabant’, het ‘Basistakenpakket’.
                                Dit zijn grotendeels grotere complexe taken. Gemeenten blijven
                                echter wel het bevoegd gezag en dus ook verantwoordelijk. Zij kunnen
                                aangeven op welke wijze de taken moeten worden uitgevoerd. Dit
                                omgevingbeleidsplan, met het bijbehorende uitvoeringsprogramma, moet
                                daarom ook door de omgevingsdienst worden uitgevoerd.</al><al>Hetzelfde geldt voor adviseurs die in opdracht van de gemeente taken
                                uitvoeren, zoals bijvoorbeeld de beoordeling van akoestische
                                rapportages en constructieberekeningen. De adviseurs moeten handelen
                                naar de criteria zoals vastgelegd in dit omgevingbeleidsplan, tenzij
                                nadrukkelijk anders afgesproken.</al><al>In enkele wettelijk voorgeschreven gevallen, dan wel door in een
                                dienstverleningsovereenkomst vastgelegde afspraken, adviseert de
                                gemeente ook aan andere overheidsinstanties. Dit is vooral aan de
                                orde bij aanvragen omgevingsvergunning waarbij een Minister of
                                Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag
                                is. De dienstverlening en de niveaus van uitvoering van de taken
                                door de gemeente aan een andere instantie, vindt op dezelfde wijze
                                plaats als dat de gemeente het bevoegd gezag zou zijn, tenzij
                                nadrukkelijk anders afgesproken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.5 Kwaliteitscriteria</label></kop><structuurtekst><al>Voor een goede uitvoering van vergunningverlening, toezicht en
                                handhaving (VTH) zijn kwaliteitscriteria ontwikkeld. We willen
                                zoveel mogelijk alle taken zelf blijven doen. Dit mag zolang we
                                voldoen aan de landelijk vastgestelde kwaliteitscriteria 2.1. Deze
                                criteria hebben betrekking op het proces, de inhoud en de kritieke
                                massa. De criteria worden wettelijk vastgelegd en de provincie ziet
                                erop toe dat de gemeenten aan de criteria voldoen (coördinerende
                                rol). In 2011 hebben de Kempengemeenten een zelfevaluatie
                                uitgevoerd. Daaruit is naar voren gekomen, dat de individuele
                                gemeenten voor bijna alle taken niet aan de gestelde criteria
                                voldoen. Gebleken is dat de samenwerking met de 4 Kempengemeenten
                                veel meer perspectief biedt en -op enkele zeer specialistische taken
                                na- grotendeels voldaan kan worden aan de gestelde criteria. </al><al>Het zal overigens duidelijk zijn dat het hele proces van
                                vergunningverlening, toezicht en handhaving veel meer taken met zich
                                meebrengt dan de taken die moeten voldoen aan de kwaliteitscriteria.
                                Denk hierbij aan dienstverlening, waaronder informatieverstrekking,
                                het bijhouden van landelijke registraties, zoals de BAG, het CBS,
                                Web BVB, etc.</al><al>Zoals eerder vermeld, zijn de kwaliteitscriteria op een aantal
                                punten aangescherpt. Uit de evaluatie blijkt, dat de individuele
                                gemeenten -vanwege de aanscherping van de criteria- in nog mindere
                                mate dan in 2011 kunnen voldoen aan de gestelde criteria. Als we
                                gaan samenwerken met 4 gemeenten kunnen we ook niet aan alle
                                criteria voldoen. Het gaat dan om een aantal generieke
                                deskundigheden en vooral de specialistische deskundigheden op het
                                gebied van bouwen, milieu en ruimtelijke ordening.</al><al>Na de opstelling van het verbeterplan krijgen we één jaar de tijd
                                (de periode oktober 2013- oktober 2014) om ervoor te zorgen dat de
                                verbeteringen worden doorgevoerd. Aan het einde van het
                                verbetertraject zal in de periode november 2014- december 2014
                                nogmaals de zelfevaluatietool worden ingevuld om te laten zien dat
                                de organisatie aan de kwaliteitscriteria voldoet.</al><al>Samengevat kan worden geconcludeerd, dat geen enkele gemeente
                                voldoet aan de kwaliteitscriteria, en dat de samenwerking er
                                weliswaar voor zorgt dat we op een aantal gebieden voldoen maar,
                                zoals aangegeven, op een aantal terreinen niet. </al><al>Dit beleid, samen met het uitvoeringsprogramma, zorgt er voor dat we
                                voldoen aan een aantal procescriteria voor vergunningverlening uit
                                de Kwaliteitscriteria 2.1. Dit beleid bevat onder meer het
                                strategisch en operationeel beleidskader. De samenwerking VTH
                                Kempengemeenten gaat processen, werkinstructies, auditing en
                                ‘planning en control’ organiseren zodat ook aan de resterende
                                kwaliteitscriteria wordt voldaan.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.6 Ontwikkelingen wetgeving </label></kop><structuurtekst><al>De ontwikkeling van wet- en regelgeving is een continu proces. Dit
                                omgevingbeleidsplan is afgestemd op de laatste stand van zaken in
                                deze ontwikkelingen. Enkele ontwikkelingen zijn op dit moment wel
                                bekend, maar nog onvoldoende concreet zodat daar nog geen rekening
                                mee is gehouden in dit omgevingbeleidsplan, zoals de totstandkoming
                                van de Omgevingswet.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.7 Systematiek </label></kop><structuurtekst><tussenkop> 1.7.1 Analyse en bestuurlijke prioriteit </tussenkop><al>Voor het opstellen van dit omgevingbeleidsplan zijn diverse
                                    taken van de gemeente op het gebied van vergunningverlening
                                    geanalyseerd. Deze analyse heeft geleid tot een uitwerking in
                                    niveaus voor verschillende activiteiten, zoals bouwen, slopen,
                                    monumenten, milieu, brandveilig gebruik, kappen maar ook
                                    evenementen en drank- en horeca.</al><al>De basisafweging is als volgt omschreven: Hoe intensief wordt
                                    het onderdeel op de diverse activiteiten getoetst, toezicht
                                    gehouden en gehandhaafd? De keuzes worden gemaakt afhankelijk
                                    van de risicoanalyse en de bestuurlijke prioriteit. Daarbij
                                    heeft afstemming plaatsgevonden tussen de verschillende
                                    disciplines van vergunningverlening, toezicht en
                                    handhaving.</al><al>De uitwerking van de systematiek is voor vergunningverlening
                                    opgenomen in hoofdstuk 2. De gemeente beschikt ook over een
                                    handhavingsbeleid. Dit beleid is al eerder vastgesteld en zal in
                                    de toekomst mogelijk worden geïntegreerd in één integraal
                                    beleid. De werkelijke keuzes zijn opgenomen in het
                                    gemeentespecifieke uitvoeringsprogramma, waarbij <vet>de
                                        bestuurlijke prioriteit</vet> de grootste invloed kent.</al><al>Voor toezicht en handhaving worden in het handhavingsbeleid ook
                                    prioriteiten gesteld voor activiteiten waarvoor geen vergunning
                                    of melding nodig is, zoals zwerfvuil en overlast
                                    (ergernissen).</al><tussenkop> 1.7.2 Risicoanalyse </tussenkop><al>Een risicoanalyse is een methode waarbij benoemde risico’s
                                    worden gekwantificeerd door het bepalen van de kans dat een
                                    dreiging zich voordoet en de gevolgen daarvan: </al><al>risico = kans x effect. </al><al/><al>Daarbij spelen volgende factoren een rol:</al><al>Fysieke veiligheid en gezondheid van mensen, het milieu maar ook
                                    aspecten als economische en imagoschade. Per onderdeel wordt de
                                    kans van het optreden bepaald en wordt vervolgens berekend wat
                                    de schade is die op zou kunnen treden als een bedreiging zich
                                    daadwerkelijk voordoet. Op grond van een risicoanalyse kan
                                    worden vastgesteld welk risico het gemeentebestuur bereid is te
                                    accepteren en wat de prioriteiten moeten zijn. </al><al>In dit omgevingbeleidsplan is voor de hoofdaspecten bouwen,
                                    slopen, milieu, APV en bijzondere wetten een risicoanalyse
                                    uitgevoerd. Deze risicoanalyse is zichtbaar gemaakt bij de
                                    bepaling van uitvoeringsniveaus. Deze uitvoeringsniveaus zijn
                                    opgenomen in het uitvoeringsprogramma.</al><tussenkop> 1.7.3 Prioriteitenstelling </tussenkop><al>Op grond van de risicoanalyse heeft het college prioriteiten in
                                    de uitvoering van de taken bepaald. Zoals eerder in dit beleid
                                    aan de orde is gekomen, wordt de uitvoering van de taken zoveel
                                    mogelijk afgestemd met de omliggende gemeenten. De samenwerking
                                    met andere Kempengemeenten gaat echter niet zo ver dat ook de
                                    prioriteiten gelijk zijn. Het uitvoeringsprogramma is op basis
                                    van de bestuurlijke prioriteiten vastgesteld en verschilt daarom
                                    per gemeente.</al><tussenkop> 1.7.4 Aanpak </tussenkop><al>De wijze van uitvoering van de wettelijke taken betekent zoeken
                                    naar evenwicht tussen kwaliteit en kwantiteit. De uitvoering van
                                    de taken en de dienstverlening kan op verschillende niveaus
                                    worden uitgevoerd. Aan elk niveau zijn tijd en kosten verbonden.
                                    Aan elk niveau is ook een risicoprofiel verbonden. Afhankelijk
                                    van het uitvoeringsniveau worden sommige risico’s wel of niet
                                    gedekt. Dit komt tot uitdrukking in het
                                    uitvoeringsprogramma.</al><al>Voor de niveaus van toetsing zijn bij de afweging de volgende
                                    aspecten betrokken:</al><lijst><li nr="1."><al>Welke risico’s tegen welke capaciteit en kosten willen
                                            gemeenten structureel afdekken, met de wetenschap dat
                                            risico’s nooit voor 100% kunnen worden afgedekt?</al></li><li nr="2."><al>Op welke wijze wordt met het voorgaande punt
                                            vastgestelde niveau omgegaan bij tijdelijke
                                            ontwikkelingen, zoals een hoger werkaanbod dan waarin
                                            voorzien of het niet ingevuld zijn van de
                                            personeelsformatie?</al></li></lijst><tussenkop> 1.7.5 Toetsmatrix </tussenkop><al>Vanuit de risicoanalyse en de prioriteitenstelling voor de
                                    diverse onderdelen, zijn toetsmatrixen opgesteld. Bij het
                                    bepalen van het toets- of toezichtniveau is de ernst van de
                                    calamiteit (effect) en de kans hierop bepalend voor de diepte
                                    van de toets. Hoe groter het gevolg en hoe groter de kans des te
                                    diepgaander zal de toets moeten zijn. De bestuurlijke prioriteit
                                    heeft in een formule voor de uitvoeringsniveaus een duidelijke
                                    plaats gekregen.</al><al>De toetsmatrixen kennen de niveaus 0 t/m 4: van niet uitvoeren
                                    naar sneltoets, visuele, representatieve en integrale toets. In
                                    hoofdstuk 2 wordt hierop teruggekomen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.8 Evaluatie en verslaglegging</label></kop><structuurtekst><al>In verschillende wetgeving is vaak de verplichting opgenomen tot het
                                vaststellen van een (jaar)verslag waarin uiteen is gezet op welke
                                wijze de gemeente uitvoering heeft gegeven aan haar wettelijke
                                taken. In de milieuwetgeving en bij handhaving is deze verplichting
                                al jaren verankerd en wordt hieraan adequaat gevolg gegeven. Voor
                                andere disciplines op het gebied van vergunningverlening is dit
                                veelal nieuw.</al><al>De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft een handleiding
                                opgesteld om output- en outcomecriteria op te stellen. Output- en
                                outcomecriteria zijn een betrekkelijk nieuw fenomeen binnen het
                                omgevingsrecht. De fundamenten voor deze criteria zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Minimumeisen uit de wetgeving</al></li><li nr="-"><al>Eigen vastgesteld beleid</al></li><li nr="-"><al>Prioritering op basis van risicoanalyses</al></li></lijst><al>De output- en outcomecriteria zullen wij later uitwerken en zullen
                                wij monitoren voor onder meer het jaarverslag. Wij willen dit
                                vormgeven via de VTH samenwerking binnen de Kempengemeenten die
                                waarschijnlijk in 2014 zal starten.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>2</nr><titel>Vergunningverlening</titel></kop><paragraaf><kop><label>2.1 Inleiding vergunningverlening </label></kop><structuurtekst><al>Met hoofdstuk 1 is de basis van dit omgevingbeleidsplan gelegd.
                                Onder meer de algemene visie op dienstverlening, de uitgangspunten
                                en ontwikkelingen zijn aan de orde gekomen. In dit hoofdstuk is het
                                onderdeel vergunningverlening verder uitgewerkt. Onder
                                vergunningverlening bedoelen we hierbij ook de behandeling van
                                meldingen en ontheffingen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.2 Visie op vergunningverlening </label></kop><structuurtekst><al>De vergunning is een veelgebruikt middel voor het realiseren van
                                publieke doelen. Het mogelijk maken van ontwikkelingen waarbij
                                vergunningverlening onderdeel is van het gehele proces van
                                totstandkoming van wijzigingen in de fysieke leefomgeving. De visie
                                voor vergunningverlening binnen de gemeente luidt: </al><al/><al><vet>Het verstrekken van een beschikking die voldoet aan de
                                    wettelijke vereisten tegen zo kort mogelijke doorlooptijden en
                                    zo laag mogelijke kosten</vet><vet>.</vet></al><al/><al>De variabelen in bovengenoemde formulering kunnen worden
                                gedefinieerd en gemonitord. De gemeentelijke organisatie stuurt
                                hierop waarbij een continue kwaliteitsverbetering plaats zal
                                vinden.</al><al>Er bestaat geen vaste omschrijving van het begrip “vergunning”. Een
                                omschrijving die wel passend is luidt als volgt: </al><al>“De beschikking op een aanvraag, die toestaat activiteiten te
                                verrichten die in de wet- en regelgeving zonder vergunning of
                                melding verboden zijn.”</al><al>De in de regelgeving verboden handeling is niet per definitie
                                ongewenst, maar de overheid bepaalt in welke situatie en onder welke
                                voorwaarden toestemming kan worden verleend om af te wijken van de
                                verbodsbepaling. Vergunningverlening is een instrument om de
                                overheid in staat te stellen het maatschappelijk handelen te
                                reguleren. De vergunningverlening binnen de gemeente is erop gericht
                                om activiteiten volgens de wettelijke eisen en gemeentelijk beleid
                                plaats te laten vinden. Hiervoor wordt maatwerk geleverd, immers
                                iedere aanvraag voor een activiteit is anders. Door het verbinden
                                van voorschriften kan de impact (veiligheid, hinder, verontreiniging
                                e.d.) die een activiteit mogelijk veroorzaakt zo klein mogelijk
                                worden gehouden.</al><al>Het is voor gemeenten onmogelijk alle activiteiten tot in detail te
                                toetsen aan alle geldende regelgeving voordat een vergunning
                                verleend wordt. Enerzijds door de capaciteit en kosten en anderzijds
                                vanwege de wettelijke termijnen. Burgers en bedrijven hebben de
                                laatste jaren door aanpassingen van wetgeving en als gevolg van
                                jurisprudentie een grotere eigen verantwoordelijkheid gekregen met
                                betrekking tot het naleven van wettelijke voorschriften. Gevolg
                                hiervan is dat meer wordt gedereguleerd waarbij steeds meer
                                activiteiten meldingplichtig of vergunningvrij zijn geworden.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.3 Uitgangspunten bij bepaling toetsingsniveau </label></kop><structuurtekst><al>Vanuit een risicoanalyse en de prioriteitenstelling, door het
                                college van burgemeester en wethouders voor diverse onderwerpen,
                                zijn door ons toetsmatrixen opgesteld. Bij het bepalen van het
                                toetsniveau is de ernst van de calamiteit (effect) en de kans hierop
                                bepalend voor de diepte van de toets. Hoe groter het gevolg en hoe
                                groter de kans des te diepgaander zal de toets moeten zijn. De
                                    <vet>bestuurlijke prioriteit</vet> heeft in een formule voor de
                                uitvoeringsniveaus een duidelijke plaats gekregen. De volgende
                                formule wordt gehanteerd:</al><al/><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>(</vet><vet>Kans x Effect </vet><vet>=
                                                  Risico) </vet><vet>x Bestuurlijke prioriteit
                                                  </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet> = Uitvoeringsniveau</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Door de bovenstaande formule wordt een score verkregen van 0 tot en
                                met 27. Deze score bepaalt hoe de toets wordt uitgevoerd. In de
                                onderstaande tabel zijn de omschrijvingen van Effect, Kans en
                                Bestuurlijke prioriteit uitgewerkt.</al><al/><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Score</al></entry><entry colname="col2"><al>Effect</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>Nihil effect</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>Laag effect, hooguit materiële schade</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>Gemiddeld effect, mogelijke slachtoffers,
                                                  beperkte tot grote materiële schade</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>Groot effect, met slachtoffers en grote
                                                  materiële schade</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Kans</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>Vrijwel nihil</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>Lage inschatting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>Gemiddelde inschatting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>Redelijke grote inschatting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke prioriteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>Onderdeel wordt niet uitgevoerd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen prioriteit </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>Beperkte prioriteit </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>Hoge prioriteit </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tabel 1 Omschrijving Effect, Kans en Bestuurlijke
                                    prioriteit</cursief></al><al><cursief>Doelstelling</cursief></al><al/><al>Het doel van het toetsprotocol is om de verlening van vergunningen
                                transparanter te maken en uniformiteit in de toetsing te
                                bewerkstelligen. Ook vormt de kwaliteitsnormering een basis voor het
                                toezichtniveau. Met het toetsingsprotocol legt de gemeente zichzelf
                                voor iedere vergunning een minimum toetsingsniveau op.</al><al/><al><cursief>Beoogd resultaat</cursief></al><al>Het bestuurlijk vaststellen van de toetsniveaus van de diverse
                                voorschriften zodat de vergunningverlening op een verantwoorde wijze
                                plaats vindt. Hierdoor kunnen ook de medewerkers afgewogen en
                                expliciete keuzes maken bij het toetsen van
                                vergunningaanvragen.</al><al/><al><cursief>Reikwijdte</cursief></al><al>Matrixes met toetsniveaus hebben uitsluitend betrekking op de
                                voorschriften zoals opgenomen in de betreffende wet- en regelgeving.
                                Deze voorschriften hebben onder andere betrekking op
                                (fysieke/brand)veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, natuur- en
                                milieu en lokale aspecten als verkeersveiligheid en openbare orde
                                &amp; veiligheid.</al><al/><al><cursief>Keuze van het toetsniveau </cursief></al><al>Om te kunnen bepalen welke keuzes welke risico’s met zich
                                meebrengen, dient een grondig inzicht in de praktijk te bestaan. Met
                                modellen, zoals het Boxtel’s Kwaliteitsmodel BWT en beleidsplannen
                                van andere gemeenten zijn de risico’s in beeld gebracht. Uitgaande
                                van de huidige capaciteit, rekening houdend met kans op en het
                                gevolg van een calamiteit is aan het bestuur aangegeven wat het
                                wenselijke niveau van toetsing is. De colleges van de
                                Kempengemeenten hebben in het uitvoeringsprogramma hierna de lokale
                                prioriteiten ingevuld.</al><al/><al>De toets- en toezichtmatrixen kennen de niveaus 0 t/m 4: van niet
                                uitvoeren naar sneltoets, visuele, representatieve en integrale
                                toets.</al><al/><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Score</al></entry><entry colname="col2"><al>Niveau</al></entry><entry colname="col3"><al>Inhoud toets</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>Niet uitvoeren (0)</al></entry><entry colname="col3"><al>Aan het betreffende onderdeel wordt geen
                                                  aandacht geschonken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1-2</al></entry><entry colname="col2"><al>Snel (1)</al></entry><entry colname="col3"><al>Indieningvereiste: is het aanwezig en klopt de
                                                  uitkomst?.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3-8</al></entry><entry colname="col2"><al>Visueel (2)</al></entry><entry colname="col3"><al>Kloppen de uitgangspunten? Bevatten de stukken
                                                  voldoende informatie over de uitgangspunten?
                                                  Gecontroleerd wordt of de globale uitgangspunten
                                                  op de stukken, aangeleverd om het desbetreffende
                                                  aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in
                                                  samenhang zijn weergegeven om het aspect te kunnen
                                                  toetsen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9-18</al></entry><entry colname="col2"><al>Representatief (3)</al></entry><entry colname="col3"><al>Controle van de belangrijkste onderdelen.
                                                  Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de
                                                  stukken, aangeleverd om het betreffende aspect te
                                                  kunnen toetsen, in de juiste vorm zijn. Van ieder
                                                  te toetsen aspect wordt nagegaan of de
                                                  uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten
                                                  waarschijnlijk zijn. De belangrijkste berekeningen
                                                  worden gecontroleerd dan wel nagerekend. De na te
                                                  rekenen aspecten worden bepaald op basis van de
                                                  resultaten van de visuele toets.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19-27</al></entry><entry colname="col2"><al>Integraal (4)</al></entry><entry colname="col3"><al>Alles controleren.</al><al>Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de
                                                  stukken, aangeleverd om het betreffende aspect te
                                                  kunnen toetsen, in de juiste vorm zijn. Van ieder
                                                  te toetsen aspect wordt nagegaan of de
                                                  uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten
                                                  gecontroleerd/nagerekend.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tabel 2 Uitwerking toetsniveaus</cursief></al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.4 Uitgangspunten bij toetsing na zienswijzen, bezwaar- of beroep </label></kop><structuurtekst><al>Op grond van de wet- en regelgeving kunnen bij vergunningprocedures
                                zienswijze(n) worden ingediend, bezwaar worden gemaakt of beroep
                                worden ingesteld. De inhoud hiervan kan zich richten tot een
                                specifiek onderdeel van de inhoudelijke beoordeling van de
                                vergunning. In deze situaties wordt bij de behandeling van de
                                zienswijzen, het bezwaar- of beroepschrift het betreffende onderdeel
                                uit de vergunning waartegen wordt geageerd, opnieuw getoetst, op het
                                hoogste niveau (niveau 4). Als gevolg van deze toetsing kan het
                                voorkomen dat een aanvraag om een vergunning aanpassing en/of nadere
                                motivatie vereist dan wel dat een mogelijke verlening van een
                                vergunning wordt herzien en de vergunning alsnog moet worden
                                geweigerd.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.5 Overige uitgangspunten (vangnet) </label></kop><structuurtekst><al>Als algemene leidraad voor de toetsing van vergunningen geldt dat
                                uit de ingediende gegevens altijd voldoende aannemelijk moet zijn
                                dat aan de geldende regelgeving wordt voldaan. De gemeente zorgt
                                ervoor dat zij zelf voldoende kennis op de diverse disciplines bezit
                                zodat de gemeente zich er altijd van kan vergewissen of rapporten en
                                adviezen van derden voldoen aan de regelgeving. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.6 Uitgangspunten bij beoordeling van meldingen </label></kop><structuurtekst><al>In veel wet- en regelgeving worden de laatste jaren
                                vergunningstelsels vervangen door een systeem van meldingen. Door
                                het stellen van algemeen verbindende regels, is maatwerk van een
                                vergunning minder vaak nodig. Deze transitie vindt al jaren plaats
                                in de milieuwetgeving. Een voorbeeld hiervan is de melding
                                Activiteitenbesluit. Ook voor het brandveilig gebruiken en slopen is
                                een systeem van meldingen opgenomen in het Bouwbesluit 2012.</al><al>Bij meldingen gaat de wetgever er van uit dat voor bepaalde
                                activiteiten volstaan kan worden met een mededeling aan het bevoegd
                                gezag. Aan het bevoegd gezag is het de taak te beoordelen of de
                                activiteit inderdaad meldingplichtig is en of de melding volledig is
                                ingediend. Een inhoudelijke beoordeling en acceptatie van de melding
                                past niet in deze richting. Het accent van de taken van de gemeente
                                met betrekking tot meldingen verplaatst zich naar het uitvoeren van
                                toezicht. In het handhavingsbeleid wordt voor toezicht en handhaving
                                daarop ingegaan. </al><al>Het algemene uitgangspunt voor de behandeling van meldingen is als
                                volgt:</al><lijst><li nr="-"><al>Volledigheid: is de melding volledig ingediend?</al></li><li nr="-"><al>Aannemelijkheid: is voldoende aannemelijk dat de melding
                                        overeen komt met het werkelijk (voorgenomen) gebruik of de
                                        (voorgenomen) uitvoering van werken? Een uiterst globale
                                        schouwing op basis van ervaring.</al></li><li nr="-"><al>Toetsing: de ingediende gegevens worden niet inhoudelijk
                                        getoetst, tenzij wettelijk voorgeschreven.</al></li><li nr="-"><al>Maatwerkvoorschriften: globale beoordeling of mogelijk
                                        maatwerkvoorschriften nodig zijn.</al></li></lijst><al>In het uitvoeringsprogramma kan het college voor specifieke
                                onderdelen er voor kiezen enkele gegevens toch vooraf te toetsen en
                                bij strijdigheden de melder hierover te berichten. Hierdoor kunnen
                                achteraf, bij handhaving, mogelijke problemen worden voorkomen.</al><al>Uit toezicht en handhaving kan blijken dat maatwerkvoorschriften
                                nodig zijn. Dit maatwerk zal door het team Vergunningen worden
                                geleverd en uitgewerkt. Het is nauwelijks mogelijk
                                maatwerkvoorschriften in een algemene werkwijze te formuleren. De
                                wettelijk voorgeschreven procedure is vanzelfsprekend leidend.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.7 Indieningvereisten </label></kop><structuurtekst><al>De indieningvereisten voor aanvragen om vergunningen, ontheffingen
                                en meldingen zijn opgenomen in diverse regelingen, zoals de
                                Ministeriële regeling omgevingsrecht, het Activiteitenbesluit,
                                Bouwbesluit 2012, Drank- en Horecawet en Algemene plaatselijke
                                verordening. In bijzondere gevallen kunnen voor de beoordeling
                                andere gegevens nodig zijn dan in specifieke regelingen is opgenomen
                                of wanneer er geen indieningvereisten zijn vastgesteld. Op grond
                                artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht kan het college om
                                (specifieke) aanvullende gegevens vragen. In het
                                uitvoeringsprogramma zijn voor aanvragen van enkele vergunningen,
                                ontheffingen of meldingen bijzondere bepalingen opgenomen over de
                                noodzakelijk in te dienen gegevens.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.8 Interne en externe afstemming </label></kop><structuurtekst><al>Integrale vergunningverlening is een onderdeel van de
                                dienstverlening van een gemeente. Een adequate interne afstemming is
                                nodig om aanvragen binnen de wettelijke termijnen compleet af te
                                handelen en draagt daardoor in grote mate bij aan de klantbeleving
                                van de dienstverlening. Dit behelst in eerste instantie een goede
                                afstemming, zowel tussen vergunningverleners en andere interne
                                betrokkenen als tussen vergunningverlener, toezichthouder, handhaver
                                en adviseurs. Deze afstemming is van wezenlijk belang voor een
                                eenduidige en uniforme toetsing en optreden naar buiten toe.</al><al>Daarnaast omvat interne afstemming de relatie met andere
                                organisatieonderdelen, zoals de afdelingen die verantwoordelijk zijn
                                voor ruimtelijke plannen en het beheer en de uitvoering van
                                projecten. Voor de implementatie van de Wabo en andere vergunningen
                                zijn werkprocessen opgesteld en werkafspraken gemaakt. Afstemming en
                                adviesmomenten zijn verwerkt in deze werkprocessen en
                                -afspraken.</al><al>De werkprocessen en -afspraken die de organisatie aangaan worden in
                                een afzonderlijk document vastgelegd. Deze dynamische uitwerking is
                                een reactie van de organisatie op de bestuurlijke keuzes in dit
                                omgevingbeleidsplan.</al><al>Externe afstemming is van belang om te komen tot een optimaal en
                                integraal resultaat in zowel vergunningverlening, toezicht als
                                handhaving. De samenwerkende partners (waterschap, politie,
                                veiligheidsregio, omgevingsdienst, provincie, ministerie enz.)
                                benutten zo de specifieke deskundigheid, ondersteuning, aanvulling
                                en informatie over en weer. Ook het overleg met adviseurs van
                                aanvragers, zoals architecten, milieuadviseurs etc., zal veelal
                                nodig zijn en bijdragen aan het gewenste eindresultaat.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.9 Typen vergunningen, meldingen, ontheffingen (informatief) </label></kop><structuurtekst><al>De teams Vergunningen, Toezicht en Handhaving behandelen, zien toe
                                en handhaven veel uiteenlopende typen vergunningen, meldingen en
                                ontheffingen. Ook brengen zij advies uit aan andere instanties.
                                Hieronder is een overzicht opgenomen van de meest voorkomende
                                zaaktypen. </al><al/><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al>Zaaktype</al></entry><entry colname="col2"><al>Wettelijke grondslag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Omgevingsvergunning</al></entry><entry colname="col2"><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gebruiksmelding</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwbesluit 2012</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopmelding</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwbesluit 2012</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Milieumelding (melding Activiteitenbesluit)</al></entry><entry colname="col2"><al>Wet milieubeheer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Melding Besluit bodemkwaliteit</al></entry><entry colname="col2"><al>Wet milieubeheer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Procedure maatwerkvoorschriften 8.42 Wm</al></entry><entry colname="col2"><al>Wet milieubeheer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Reguliere bouwvergunning 2<sup>e</sup> fase
                                                  (overgangsrecht)</al></entry><entry colname="col2"><al>Woningwet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere wetten en meer</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Drank- en horecavergunning</al></entry><entry colname="col2"><al>Drank- en Horecawet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ontheffing en melding Drank- en Horecawet</al></entry><entry colname="col2"><al>Drank- en Horecawet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aanwezigheidsvergunning kansspelautomaten</al></entry><entry colname="col2"><al>Wet op de Kansspelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Evenementenvergunning</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemene Plaatselijke Verordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Melding evenement</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemene Plaatselijke Verordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ontheffing Algemene Plaatselijke
                                                  Verordening</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemene Plaatselijke Verordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gebruiksvergunning</al></entry><entry colname="col2"><al>Brandbeveiligingsverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Loterijvergunning</al></entry><entry colname="col2"><al>Wet op de Kansspelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Melding Telecommunicatieverordening</al></entry><entry colname="col2"><al>Telecommunicatieverordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Standplaatsvergunning</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemene Plaatselijke Verordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergunning aanleggen, beschadigen en veranderen
                                                  weg</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemene Plaatselijke Verordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ontheffing Wegenverkeerswet</al></entry><entry colname="col2"><al>Wegenverkeerswet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ontheffing sluitingsuren</al></entry><entry colname="col2"><al>Winkeltijdenwet en –verordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Overige taken</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Adviesverzoeken aan ander bevoegd gezag</al></entry><entry colname="col2"><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.10 Aanvraag (omgevings)vergunning </label></kop><structuurtekst><tussenkop> 2.10.1 Informatieverstrekking en vooroverleg </tussenkop><al>Voordat een conceptaanvraag, vooroverleg (schetsplan) of
                                    complete aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend, komt het
                                    regelmatig voor dat een aanvrager vooraf overleg wil over de
                                    haalbaarheid van zijn plan (voor een concreet initiatief). Vaak
                                    wordt in eerste instantie het verzoek gedaan bij het
                                    omgevingsloket of bij een betrokken medewerker waarbij de
                                    initiatiefnemer het project toelicht en de mogelijke vereiste
                                    vergunningen of meldingen worden besproken, met de bijbehorende
                                    procedures. Na het eerste contact wijst de organisatie een
                                    zaakverantwoordelijke aan, die het verdere verloop zal
                                    coördineren.</al><al>Bij vooroverleg wordt globaal gekeken naar de (ruimtelijke)
                                    haalbaarheid en inpasbaarheid van het plan. Hierbij is vaak het
                                    bestemmingsplan leidend, aangevuld met ander lokaal beleid. Na
                                    het vooroverleg is het voor de initiatiefnemer duidelijk of een
                                    later in te dienen aanvraag om vergunning kans van slagen heeft
                                    en welke procedure hiermee is gemoeid. Als het plan aangepast
                                    moet worden, wordt duidelijk aangegeven op welke
                                    onderdelen.</al><tussenkop> 2.10.2 Activiteit “bouwen” in de omgevingsvergunning </tussenkop><al>In het Bouwbesluit zijn voorschriften opgenomen waaraan een
                                    bouwwerk moet voldoen. Voor wat betreft de beoordeling van
                                    aanvragen omgevingsvergunning is het Bouwbesluit onderverdeeld
                                    in de hoofdstukken Veiligheid, Gezondheid, Bruikbaarheid,
                                    Energiezuinigheid en Milieu en Installaties. Het is onmogelijk
                                    om alle bouwwerken en onderwerpen uit het Bouwbesluit 100% te
                                    toetsen. Dit vraagt te veel middelen en capaciteit. Om te
                                    voorkomen dat bij de toetsing willekeur optreedt, is het
                                    noodzakelijk afspraken te maken om te komen tot een aanvaardbaar
                                    toetsingsniveau. </al><al/><al><cursief>Bouwbesluit in hoofdlijnen</cursief></al><al>In het Bouwbesluit zijn voorschriften gegeven voor het bouwen
                                    van woningen en</al><al>woongebouwen, woonwagens en standplaatsen, niet tot bewoning
                                    bestemde gebouwen en</al><al>voor bouwwerken geen gebouwen zijnde. Het Bouwbesluit maakt
                                    onderscheid tussen verschillende gebruiksfuncties.</al><al>De voorschriften voor de verschillende bouwwerken zijn
                                    onderverdeeld in verschillende thema’s. De voorschriften kunnen
                                    wat betreft zwaarte per gebruiksfunctie verschillen. Bovendien
                                    hanteert het Bouwbesluit verschillende niveaus met betrekking
                                    tot deze voorschriften. Bij verandering van zowel het gebruik
                                    als de technische staat van een bouwwerk zijn de voorschriften
                                    van het van rechtens verkregen niveau van toepassing, wat weer
                                    nooit lager mag zijn dan de ondergrens, het niveau voor
                                    bestaande bouw.</al><al>De dynamiek in de bouwpraktijk kan ertoe leiden dat bepaalde
                                    risico’s die door de gemaakte keuzes onderbelicht worden op enig
                                    moment toch een groter maatschappelijk gewicht gaan krijgen
                                    waardoor beleid dient te worden bijgesteld. Landelijke
                                    ontwikkelingen of locale incidenten kunnen er toe leiden dat
                                    vanuit de rijksoverheid wordt opgelegd actie te ondernemen. Dit
                                    is eerder aan de orde geweest bij onder meer de veiligheid van
                                    platte daken, veiligheid van gevelbekleding en (spouw)ankers en
                                    brandveiligheid van woningscheidende wandconstructies. Voor
                                    dergelijke incidenten is vooraf geen toetsniveau vast te
                                    stellen. De aanpak ervan zullen wij telkens als project
                                    uitvoeren.</al><al>Risico’s moeten inzichtelijk, beheersbaar en controleerbaar
                                    zijn. Het vaststellen van de niveaus (de diepgang) waarop de
                                    activiteit bouwen moet worden getoetst, maken die risico’s
                                    beheersbaar. Door het werken met een bestuurlijk vastgestelde
                                    toetsmatrix zijn de interne risico’s afgedekt en krijgt de
                                    bestuurlijke verantwoordelijkheid zijn plaats. Daarnaast kunnen
                                    hierdoor eventuele aansprakelijkheidsstellingen worden begrensd.
                                    Het is moeilijk aan te geven wat een adequaat toetsingsniveau
                                    is. Feit is dat er ten aanzien van de toetsing van de vergunning
                                    gemotiveerd keuzes moeten worden gemaakt en prioriteiten moeten
                                    worden gesteld. De toetsniveaus zijn vastgelegd in het
                                    uitvoeringsprogramma.</al><al/><al><cursief>Beoordelen
                                        </cursief><cursief>gelijkwaardigheid</cursief><cursief>
                                        Bouwbesluit</cursief></al><al>De bouwregelgeving is in heel Nederland gelijk. De voorschriften
                                    uit het Bouwbesluit zijn vooral geënt op veelvoorkomende
                                    bouwwerken. Het is voor het college mogelijk af te wijken van
                                    een voorschrift als op basis van gelijkwaardigheid door de
                                    aanvrager is aangetoond dat op een andere wijze aan het
                                    voorschrift wordt voldaan. Gelijkwaardigheid moet altijd naar
                                    het genoegen van burgemeester en wethouders worden aangetoond.
                                    Dit laatste is niet zonder belang. Bij
                                    gelijkwaardigheidvraagstukken kan de lokale situatie een
                                    belangrijke rol spelen. Bij brandveiligheidsvraagstukken is
                                    onder meer de ligging en bereikbaarheid van het gebouw en ook de
                                    capaciteit van de lokale brandweer relevant voor de beoordeling
                                    van een voorgestelde gelijkwaardige oplossing. Dit is maatwerk
                                    waarbij een net zo veilige situatie moet worden gerealiseerd als
                                    met de geldende regelgeving is bedoeld. Daarom kan het zo zijn
                                    dat een gelijkwaardige oplossing in verschillende situaties
                                    anders moet worden benaderd. De gemeente heeft, vooral ook als
                                    het gaat over veiligheid, wettelijk een belangrijke rol en moet
                                    een zorgvuldige overweging maken om al dan niet akkoord te gaan
                                    met een gelijkwaardige oplossing. </al><al>Bij complexe materie vraagt het college advies aan de
                                    deskundigen. Voor brandveiligheidsvraagstukken heeft de
                                    Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost een grote rol. Adviezen worden
                                    door de gemeente beoordeeld. In het algemeen geldt dat de
                                    gemeente zelf over voldoende kennis moet beschikken om zich er
                                    van te vergewissen dat de inhoud van een advies geen gebreken
                                    bevat en ook in juridische procedures stand houdt.</al><al/><al><cursief>Welstand</cursief></al><al>De toets aan redelijke eisen van welstand maakt onderdeel uit
                                    van de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning met
                                    de activiteit “bouwen”. Plannen die voldoen aan de regels van
                                    het bestemmingsplan of waarvoor mogelijk kan worden afgeweken
                                    van die regels, worden vervolgens getoetst aan redelijke eisen
                                    van welstand. Voor deze toets wordt gebruik gemaakt van de
                                    gemeentelijke welstandsnota. In deze nota staan de
                                    welstandscriteria. De gemeente is ingedeeld in een aantal
                                    deelgebieden. De welstandsnota beschrijft de deelgebieden met
                                    bijbehorende toetsingsniveaus. Bepaalde gedeelten van de
                                    gemeente kunnen welstandsvrij zijn. In die gevallen geldt een
                                    excessenregeling. </al><al>In de welstandsnota zijn ook sneltoetscriteria opgenomen voor
                                    veelvoorkomende bouwwerken. Als het plan niet voldoet aan deze
                                    criteria, wordt het plan voorgelegd aan de
                                    welstandscommissie.</al><al/><al><cursief>Ruimtelijke
                                        </cursief><cursief>o</cursief><cursief>rdening
                                    </cursief></al><al>Indien blijkt dat een plan niet voldoet aan de regels van het
                                    geldende bestemmingsplan, wordt beoordeeld of er mogelijkheden
                                    zijn hiervan af te wijken. Dit kan zijn met een
                                    omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan.
                                    Ook kan het nodig zijn dat een aanpassing van het of een nieuw
                                    bestemmingsplan nodig is. </al><al>Een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen die
                                    in strijd is met planologische regels moet worden beschouwd als
                                    een aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van het
                                    bestemmingsplan. Initiatieven die niet passen binnen de geldende
                                    regels, worden lokaal getoetst. Hiervoor zal vaak overleg nodig
                                    zijn met medewerkers ruimtelijke ordening. In voorkomende
                                    gevallen zullen zij vroegtijdig, bij het vooroverleg, in het
                                    vergunningenproces worden betrokken.</al><tussenkop> 2.10.3 Activiteit “afwijken van het bestemmingsplan (planologisch afwijkend gebruik)” in de omgevingsvergunning </tussenkop><al>De activiteit “afwijken van het bestemmingsplan” maakt meestal
                                    onderdeel uit van een aanvraag omgevingsvergunning met de
                                    activiteit bouwen. Het Besluit omgevingsrecht kent typen
                                    bouwwerken die ook als deze in strijd zijn met de regels van het
                                    bestemmingsplan, zonder omgevingsvergunning voor de activiteit
                                    bouwen (vergunningvrij) gebouwd mogen worden. De situatie kan
                                    zich dus voordoen dat voor het realiseren van het bouwwerk geen
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen nodig is, maar wel voor het
                                    afwijken van het bestemmingsplan. In die gevallen wordt dus een
                                    omgevingsvergunning verleend met uitsluitend de activiteit
                                    afwijken van het bestemmingsplan.</al><al>In bestemmingsplannen en beleidsregels kan worden bepaald
                                    wanneer er sprake is van afwijkend gebruik en in welke gevallen
                                    en onder welke voorwaarden medewerking wordt verleend.</al><tussenkop> 2.10.4 Activiteit “monument” in de omgevingsvergunning </tussenkop><al>Voor het wijzigen van monumenten is vaak een omgevingsvergunning
                                    nodig. Hierin zijn op grond van de Monumentenwet twee situaties
                                    te onderscheiden: de wijziging van een Rijks- of gemeentelijk
                                    monument. Advisering door de monumentencommissie (Ruimtelijke
                                    kwaliteitscommissie) vorm het belangrijkste deel van de
                                    inhoudelijke toetsing voor deze activiteit.</al><tussenkop> 2.10.5 Onderdeel “sloop” in de omgevingsvergunning en sloopmelding </tussenkop><al>Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is
                                    het verboden om een bouwwerk te slopen zonder
                                    omgevingsvergunning. Hiermee wordt, sinds de inwerkingtreding
                                    van het Bouwbesluit 2012, bedoeld slopen van een monument,
                                    slopen in geval het bestemmingsplan dit verbiedt en slopen in
                                    een beschermd stads- en dorpsgezicht. De regels voor het slopen
                                    van gebouwen en bouwwerken, inclusief de verwijdering van
                                    asbesthoudende materialen, vallen niet meer onder het stelsel
                                    van de Wabo. Hiervoor is een systeem van meldingen opgenomen in
                                    het Bouwbesluit 2012. </al><al>De indieningvereisten voor de activiteit slopen zoals hiervoor
                                    bedoeld, zijn genoemd in de Ministeriële regeling omgevingsrecht
                                    (Mor). Vaak is voor deze activiteit van belang dat aannemelijk
                                    moet worden gemaakt dat op de plaats van het te slopen bouwwerk
                                    een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.</al><al>Dit geldt tevens voor slopen in een beschermd stads- of
                                    dorpsgezicht. Voor zover van toepassing op grond van de
                                    Monumentenwet wordt een rapport verlangd waarin de
                                    archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk
                                    is vastgesteld.</al><al>De toetsingskaders voor aanvragen om sloopvergunning zijn dus
                                    vooral gelegen in de vorm van indieningvereisten (Mor) en wat is
                                    bepaald in bestemmingplannen of voorbereidingsbesluiten.</al><al/><al><cursief>Sloopmelding</cursief></al><al>Zoals hiervoor vermeld is met de inwerkingtreding van het
                                    Bouwbesluit 2012 geen omgevingsvergunning voor de activiteit
                                    slopen meer nodig voor gebouwen en bouwwerken en het verwijderen
                                    van asbesthoudende materialen. Hiervoor geldt een meldingplicht,
                                    die niet valt onder de Wabo.</al><al>In paragraaf 2.6 is aan de orde op welke wijze wij omgaan met de
                                    beoordeling van meldingen. Basis hierbij is dat geen
                                    inhoudelijke beoordeling van gegevens meer plaatsvindt, maar
                                    voornamelijk wordt beoordeeld of de melding volledig is. Het
                                    accent van de taken van de gemeente met betrekking tot slopen
                                    verplaatst zich naar het uitvoeren van toezicht. In het
                                    handhavingsbeleid met het bijbehorende uitvoeringsprogramma
                                    komen deze taken aan de orde.</al><tussenkop> 2.10.6 Activiteit “uitvoeren van een werk (aanleggen)” in de omgevingsvergunning </tussenkop><al>Een omgevingsvergunning met aanlegactiviteiten is noodzakelijk
                                    als in het geldende bestemmingsplan of voorbereidingsbesluit een
                                    aanlegvergunningenstelsel is opgenomen. Een
                                    aanlegvergunningenstelsel in een bestemmingsplan is er op
                                    gericht een bestemming te beschermen tegen de uitvoering van
                                    werken en werkzaamheden die daarin mogelijk niet passen.
                                    Beoordeling van aanvragen om aanlegvergunningen vindt integraal
                                    plaats op basis van de eisen zoals opgenomen in het
                                    bestemmingsplan of voorbereidingsbesluit.</al><tussenkop> 2.10.7 Activiteit “milieu” en “beperkte milieutoets” in de omgevingsvergunning en milieumelding </tussenkop><al><cursief>Wet </cursief><cursief>m</cursief><cursief>ilieubeheer
                                        in hoofdlijnen</cursief></al><al>De Wet milieubeheer is de basis voor de inhoudelijke beoordeling
                                    van aanvragen omgevingsvergunning met de activiteit ‘milieu’,
                                    ‘beperkte milieutoets’ (OBM) en ‘milieuneutraal veranderen’. Op
                                    grond van de Wet milieubeheer kan vaak in plaats van een
                                    omgevingsvergunning worden volstaan met een melding (op basis
                                    van artikel 8.40 Wm).</al><al>De volgende categorieën inrichtingen worden onderverdeeld:</al><al>Type A: inrichting waarvoor geen vergunning is vereist en geen
                                    meldingsplicht geldt; </al><al>Type B: inrichting waarvoor op grond geen vergunning is vereist
                                    maar een meldingsplicht geldt;</al><al>Type C: vergunningplichtige inrichting.</al><al>Voor het oprichten en/of in werking hebben van een inrichting is
                                    vaak een omgevingsvergunning nodig of moet een melding worden
                                    ingediend. Aan de omgevingsvergunning met de activiteit ‘milieu’
                                    kunnen voorschriften worden verbonden. Door het opleggen van
                                    deze voorschriften kunnen de activiteiten met zo beperkt
                                    mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu worden uitgevoerd en
                                    wordt overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk
                                    voorkomen. Dit is maatwerk. Tijdens de toets van de activiteit
                                    milieu moet worden getoetst aan diverse andere wetten, zoals de
                                    Wet Ammoniak en veehouderij, de Wet bodembescherming, de Wet
                                    geurhinder en veehouderij en de Wet geluidhinder. Voor veel
                                    onderwerpen zijn toetsniveaus vastgesteld. Deze zijn vastgelegd
                                    in het uitvoeringsprogramma.</al><al>Voor een aantal (wijzigingen) van inrichtingen is een
                                    omgevingsvergunning voor de activiteit ‘beperkte milieutoets’
                                    nodig, zoals OBM Mer of OBM fijnstof. Aan deze
                                    omgevingsvergunning kunnen geen voorschriften worden
                                    verbonden.</al><al/><al><cursief>Meldingen</cursief></al><al>Voor veel inrichtingen is geen omgevingsvergunning voor de
                                    activiteit milieu meer nodig, maar kan worden volstaan met een
                                    melding. Deze valt niet onder de Wabo. In paragraaf 2.6 is aan
                                    de orde op welke wijze wij omgaan met de beoordeling van
                                    meldingen. Basis hierbij is dat geen inhoudelijke beoordeling
                                    van gegevens meer plaatsvindt, maar voornamelijk wordt
                                    beoordeeld of de melding volledig is. Het accent van de taken
                                    van de gemeente met betrekking tot meldingplichtige
                                    milieu-inrichtingen verplaatst zich naar het uitvoeren van
                                    toezicht. In het handhavingsbeleid met het bijbehorende
                                    uitvoeringsprogramma komen deze taken aan de orde. In het
                                    uitvoeringsprogramma heeft het college voor specifieke
                                    onderdelen er voor gekozen enkele onderdelen toch vooraf te
                                    toetsen, om achteraf bij handhaving mogelijke problemen te
                                    voorkomen.</al><tussenkop> 2.10.8 Activiteit “brandveilig gebruiken” in de omgevingsvergunning en gebruiksmelding </tussenkop><al>In de Wabo en het Bouwbesluit 2012 zijn voorschriften opgenomen
                                    met betrekking tot brandveiligheid. De volgende drie situaties
                                    worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>algemeen gebruik (er moet enkel worden voldaan aan de
                                            algemene voorschriften);</al></li><li nr="2."><al>onderdeel brandveilig gebruik in de omgevingsvergunning
                                            ;</al></li><li nr="3."><al>meldingplichtig gebruik.</al></li></lijst><al>De brandveiligheid in een gebouw wordt altijd bepaald door een
                                    combinatie van factoren, zoals bouwkundige kwaliteit, de
                                    installatietechnische brandbeveiligingsvoorzieningen, de
                                    organisatorische beheersmaatregelen en het feitelijk gebruik. Om
                                    het juiste niveau van brandveiligheid te behouden, zijn er,
                                    naast bouwtechnische voorschriften, voorschriften over het
                                    daadwerkelijk gebruik van het bouwwerk nodig. Het Bouwbesluit
                                    2012 bevat landelijk geldende regelgeving over het brandveilig
                                    gebruik van bouwwerken en is van toepassing op alle bouwwerken.
                                    Voor veel onderwerpen zijn toetsniveaus vastgesteld. Deze zijn
                                    vastgelegd in het uitvoeringsprogramma.</al><al/><al><cursief>Meldingen</cursief></al><al>Ook voor brandveilig gebruiken van veel inrichtingen is geen
                                    omgevingsvergunning nodig, maar geldt een meldingplicht. In
                                    paragraaf 2.6 is aan de orde op welke wijze de Kempengemeenten
                                    omgaan met de beoordeling van meldingen. Basis hierbij is dat
                                    geen inhoudelijke beoordeling van gegevens meer plaatsvindt,
                                    maar voornamelijk wordt beoordeeld of de melding volledig is.
                                    Het accent van de taken van de gemeente met betrekking op
                                    meldingplichtige zaken verplaatst zich naar het uitvoeren van
                                    toezicht. In het handhavingsbeleid met het bijbehorende
                                    uitvoeringsprogramma komen deze taken aan de orde.</al><tussenkop> 2.10.9 Activiteiten uit de Algemene Plaatselijke Verordening in de omgevingsvergunning </tussenkop><al><cursief>APV in hoofdlijnen</cursief></al><al>In de Algemene Plaatselijke Verordening worden handelingen en
                                    activiteiten genoemd die zonder vergunning van burgemeester en
                                    wethouders of de burgemeester zijn verboden. Voor zover in het
                                    kader van de omgevingsvergunning van toepassing, kunnen de
                                    vergunningen betrekking hebben op kappen (vellen van een
                                    houtopstand), voeren van reclame en het aanleggen van inritten. </al><al>Ook zijn in de APV activiteiten opgenomen die niet zijn
                                    toegestaan. Op grond van de Gemeentewet zijn in de APV
                                    specifieke bevoegdheden opgenomen voor de burgemeester. Deze
                                    hebben vooral betrekking op handelingen en activiteiten in
                                    relatie met de openbare orde en veiligheid. Enkele taken vallen
                                    specifiek onder de verantwoordelijkheid van de burgemeester. Te
                                    denken valt aan o.a. evenementen.</al><al>Er is een toetsmatrix opgesteld voor de meest voorkomende
                                    handelingen, die voorkomen in de APV. Voor deze handelingen zijn
                                    criteria opgesteld die van belang zijn bij de
                                    vergunningverlening. Hierin zijn vooral thema’s opgenomen zoals
                                    verkeersveiligheid, openbare orde en veiligheid, overlast of
                                    bescherming van het openbaar gebied. Voor veel onderwerpen zijn
                                    toetsniveaus vastgesteld. Deze zijn vastgelegd in het
                                    uitvoeringsprogramma.</al><tussenkop> 2.10.10 Activiteiten uit “Bijzondere wetten” al dan niet in de omgevingsvergunning </tussenkop><al><cursief>Bijzondere wetten in het kort</cursief></al><al>De term ‘bijzondere wetten’ is een veelgebruikte verzamelnaam
                                    voor diverse specifieke regelgeving. We hebben het dan onder
                                    meer over (niet limitatief):</al><lijst><li nr="-"><al>Drank- en Horecawet</al></li><li nr="-"><al>Wet op de kansspelen</al></li><li nr="-"><al>Wet Bibob</al></li><li nr="-"><al>Prostitutiewet</al></li><li nr="-"><al>Wet luchtvaart</al></li><li nr="-"><al>Flora- en faunawet</al></li><li nr="-"><al>Zondagswet</al></li><li nr="-"><al>Winkeltijdenwet</al></li><li nr="-"><al>Wegenverkeerswet</al></li></lijst><al>Bovenstaande regelgeving kan van toepassing zijn op een project.
                                    Er gelden vrijwel altijd wettelijke indieningvereisten en
                                    vastgestelde aanvraagformulieren. Vanuit een integrale
                                    benadering worden deze onderdelen meegenomen in de
                                    dienstverlening. </al><al>De toetsingscriteria voor deze activiteiten liggen vaak
                                    landelijk vast. Als de wetgever toetsingsgronden heeft
                                    vastgelegd, worden deze dus ook op de voorgeschreven wijze
                                    getoetst. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat de criteria
                                    integraal worden beoordeeld, tenzij door middel van het stellen
                                    van algemene voorschriften de risico’s kunnen worden gedekt.
                                    Voor enkele onderwerpen zijn toetsniveaus vastgesteld. Deze zijn
                                    vastgelegd in het uitvoeringsprogramma.</al><tussenkop> 2.10.11 Algemene Plaatselijke Verordening, niet Wabo</tussenkop><al>Voor wat betreft de vergunningen, meldingen en ontheffingen op
                                    grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is lokaal
                                    beleid leidend in de uitvoering. Dit verschilt enorm per
                                    gemeente. In afzonderlijk lokaal beleid vastgelegd waar wij
                                    expliciet (extra) aandacht aan schenken, zodat hierop in dit
                                    omgevingbeleidsplan niet uitgebreid op wordt ingegaan. Enkele
                                    voorbeelden zijn sluitingstijden van horeca of
                                    geluidhinderaspecten bij evenementen.</al><al>De toetsingscriteria voor deze activiteiten kunnen worden
                                    vastgelegd in het lokale regelgeving, zoals een
                                    evenementenbeleid of (de toelichting op) de
                                    winkeltijdenverordening. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat
                                    de criteria integraal worden beoordeeld, tenzij door middel van
                                    het stellen van algemene voorschriften de risico’s kunnen worden
                                    gedekt. Dit laatste geeft ruimte binnen algemene voorschriften
                                    om initiatieven vorm te geven. Net als vaak bij een systeem van
                                    meldingen mogelijk is, legt dit een groot deel van de
                                    verantwoordelijkheid bij de initiatiefnemer. Een voorbeeld dat
                                    we in dit verband willen noemen, is het beoordelen van
                                    berekeningen van podia en tenten. Door te verwijzen dat moet
                                    worden voldaan aan algemene regels, kan de toetsing marginaal
                                    plaatsvinden of achterwege blijven. Voor enkele onderwerpen zijn
                                    toetsniveaus vastgesteld. Deze zijn vastgelegd in het
                                    uitvoeringsprogramma.</al><al>Het accent van de taken van de gemeente met betrekking tot deze
                                    vergunningen, ontheffingen en meldingplichtige zaken verplaatst
                                    zich naar het uitvoeren van toezicht. In het handhavingsbeleid
                                    met het bijbehorende uitvoeringsprogramma komen deze taken aan
                                    de orde. Voor de beoordeling van meldingen geldt het
                                    uitgangspunt zoals omschreven in paragraaf 2.6 van dit
                                    beleid.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.11 Intrekken vergunningen en ontheffingen</label></kop><structuurtekst><al>Na het verlenen van een vergunning of ontheffing wordt vaak snel
                                gevolg gegeven aan de uitvoering of ingebruikname. Het komt ook voor
                                dat geen of pas na lange tijd gebruik wordt gemaakt van een
                                verleende vergunning of ontheffing. Het kan daardoor voorkomen dat
                                ongebruikte vergunningen of ontheffingen jaren geleden zijn verleend
                                en niet zijn ingetrokken. De houder van de vergunning of ontheffing
                                behoudt nog steeds het recht om hiervan gebruik te maken. </al><al>Om uiteenlopende redenen is het ongewenst om verleende vergunningen
                                en ontheffingen in stand te laten zonder dat daar binnen een
                                bepaalde termijn gebruik van wordt gemaakt. Voor de rechtszekerheid
                                van omwonenden en belanghebbenden is het ongewenst oude vergunningen
                                en ontheffingen in stand te houden. Doordat de bekendmaking van deze
                                besluiten lang geleden kunnen hebben plaatsgevonden, kunnen zij
                                alsnog verrast worden door de activiteiten. Ook vanuit
                                administratief oogpunt is het gewenst dat het gemeentelijke
                                (bouw)archief zoveel mogelijk overeenstemt met de feitelijke
                                situatie. Ook voor het beheer van de Basisregistratie Adressen en
                                Gebouwen (BAG) is een actuele administratie nodig.</al><al>Aanleiding voor het intrekken van vergunningen of ontheffingen kan
                                zijn handhaving, waarbij het intrekken van een vergunning als
                                sanctie wordt gezien, intrekken op verzoek van de vergunninghouder
                                of belanghebbende. Ook kan ambtshalve de procedure tot het intrekken
                                van vergunningen of ontheffingen worden gestart.</al><tussenkop> 2.11.1Intrekken omgevingsvergunningen</tussenkop><al>In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn regels
                                    opgenomen voor het intrekken van vergunningen. Voor
                                    omgevingsvergunningen geldt dat wij willen voorkomen dat
                                    (nieuwe) planologische, stedenbouwkundige of andere inzichten
                                    over de fysieke leefomgeving doorkruist worden door vergunde,
                                    nog te realiseren of te slopen bouwwerken en het gebruik ervan.
                                    Door oude vergunningen in stand te houden kunnen projecten
                                    worden gerealiseerd en in gebruik worden genomen conform
                                    verouderde (bouw)technische inzichten, milieutechnische aspecten
                                    of zelfs in strijd met nieuwe (planologische) regels. Dit vinden
                                    wij ongewenst. Wij willen daarom na verloop van een bepaalde
                                    periode omgevingsvergunningen geheel of gedeeltelijk
                                    intrekken.</al><al>De gronden voor het intrekken van omgevingsvergunningen zijn
                                    opgenomen in de Wabo. Deze zijn onderverdeeld in imperatieve en
                                    facultatieve intrekkinggronden. Bij imperatieve
                                    intrekkinggronden kan de gemeente geen gebruik maken van haar
                                    beleidsvrijheid, in het geval van facultatieve intrekkinggronden
                                    kan een omgevingsvergunning alleen worden ingetrokken voor zover
                                    het nodig is om aan de grond tot intrekking te voldoen. Zo kan
                                    een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu worden
                                    ingetrokken als gedurende drie jaren geen handelingen zijn
                                    verricht met gebruikmaking van de vergunning. Voor
                                    omgevingsvergunningen met de activiteiten bouwen of aanleggen is
                                    in de Wabo een termijn van 26 weken opgenomen. Wij hebben er
                                    voor gekozen alle vergunningen in te trekken na een termijn van
                                        <vet>drie jaren</vet>, gelijk aan de termijn voor het
                                    intrekken van omgevingsvergunningen voor andere activiteiten.
                                    Voor bouw- en aanlegactiviteiten geldt alleen dat, als met de
                                    uitvoering van de werkzaamheden is gestart en deze tussentijds
                                    zijn gestaakt, de wettelijke termijn van 26 weken (na
                                    constatering van gestaakte werkzaamheden) wordt gehanteerd. Het
                                    intrekken van omgevingsvergunningen voor de activiteit ‘afwijken
                                    van het bestemmingsplan (planologisch strijdig gebruik)’ zal
                                    vooraf met medewerkers Ruimtelijke Ordening worden afgestemd
                                    vanwege de mogelijkheid van planschade voor het intrekken van
                                    deze besluiten.</al><al/><al><cursief>Voornemen intrekken vergunning</cursief></al><al>Voor het verstrijken van de hiervoor genoemde termijnen voor het
                                    intrekken van de vergunning, zullen wij de procedure tot
                                    intrekking van de vergunning actief starten. De procedure vindt
                                    vanzelfsprekend plaats op grond van de geldende wettelijke
                                    voorschriften.</al><al/><al><cursief>Zienswijze</cursief></al><al>Voordat tot intrekking van de vergunning wordt overgegaan, wordt
                                    de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld binnen <vet>zes
                                        weken</vet> zijn zienswijzen naar voren te brengen. Zo nodig
                                    wordt het voornemen tot intrekken van de vergunning
                                    bekendgemaakt op de voorgeschreven wijze (publicatie
                                    website/(digitaal) weekblad).</al><al>Als de vergunninghouder niet reageert op een voornemen tot
                                    intrekking van een vergunning, wordt de vergunning ingetrokken.
                                    Alleen als de vergunninghouder zienswijzen indient, zal worden
                                    beoordeeld of voldoende gronden aanwezig zijn om niet tot
                                    intrekking van de vergunning over te gaan. Van redelijke gronden
                                    is in ieder geval sprake als met concrete documenten
                                    (geaccepteerde offerte van een ondernemer die de werkzaamheden
                                    zal uitvoeren, facturen van bestelde (bouw)materialen die nodig
                                    zijn voor de uitvoering en/of in gebruik name van het werk en/of
                                    hiermee gelijk te stellen documenten) de intentie dat op korte
                                    termijn (een aantal weken) het starten met de uitvoering en/of
                                    in gebruik name van de werken aangetoond wordt.</al><al>Het ontbreken van financiële middelen of conflicten met
                                    uitvoerende partijen (architect of aannemer) leiden niet tot het
                                    afzien van intrekking van de omgevingsvergunning. In familiaire
                                    kwesties (scheiding, ziekte, overlijden) kan, indien door de
                                    vergunninghouder de reden goed wordt gemotiveerd, intrekking van
                                    de vergunning worden uitgesteld. Ook hierbij zal voldoende
                                    aannemelijk gemaakt moeten worden wanneer wel van de vergunning
                                    gebruik zal worden gemaakt.</al><al>In uitzonderlijke economische situaties is uitstel mogelijk tot
                                    maximaal vijf jaren. Aanvullende voorwaarde hiervoor is dat
                                    uitstel tot intrekking alleen wordt gegeven als het te
                                    realiseren plan zal voldoen aan de op dat moment geldende eisen.
                                    Dus als de eisen ten aanzien van bijvoorbeeld energiezuinigheid
                                    of brandveiligheid zijn aangescherpt, moet de vergunninghouder
                                    aantonen dat aan de nieuwe eisen wordt voldaan. Ook hierbij
                                    geldt dat de vergunninghouder een deugdelijke motivering voor
                                    uitstel moet geven. Een gewijzigde energieprestatieberekening,
                                    brandveiligheidsrapport of andere gegevens gaan onderdeel uit
                                    maken van de verleende vergunning en vervangen de voorgaande
                                    exemplaren.</al><al/><al><cursief>Nadere termijn</cursief></al><al>Indien redelijke gronden aanwezig zijn om niet direct tot
                                    intrekking van de vergunning over te gaan, stellen wij een
                                    concrete nadere termijn (met einddatum) waarbinnen de
                                    vergunninghouder alsnog gebruik moet maken van de vergunning
                                    (dit betekent feitelijk aanvangen van of hervatten van de
                                    uitvoering van de werkzaamheden en/of ingebruikname). De nadere
                                    termijn bedraagt nooit meer dan <vet>één</vet><vet> jaar</vet>
                                    na het onherroepelijk worden van de verleende vergunning. De
                                    nadere termijn wordt schriftelijk vastgelegd. Een verzoek tot
                                    verder uitstel na het verstrijken van de gestelde termijn zal
                                    strikter worden beoordeeld. </al><al>Als na de nader gestelde termijn geen aanvang is gemaakt met de
                                    uitvoering of hervatting van de werkzaamheden of in gebruik name
                                    van het project, wordt de vergunning alsnog ingetrokken. De
                                    procedure wordt opnieuw doorlopen, inclusief voornemen tot
                                    intrekken van de vergunning.</al><tussenkop> 2.11.2 Uitsluiting overige intrekkinggronden omgevingsvergunningen</tussenkop><al>Deze beleidsregels laat de besluitvorming over de overige in
                                    artikel 2.33 van de Wabo of andere wetgeving opgenomen
                                    intrekkinggronden onverlet.</al><tussenkop> 2.11.3 Intrekken overige vergunningen en ontheffingen</tussenkop><al>Behalve in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn
                                    ook in andere wetgeving regels opgenomen voor het intrekken van
                                    vergunningen of ontheffingen. Net als voor omgevingsvergunningen
                                    geldt voor andere vergunningen en ontheffingen in het algemeen
                                    dat voorkomen moet worden dat regels en inzichten doorkruist
                                    worden door oude vergunningen of ontheffingen. Het is daarom
                                    nodig na verloop van een bepaalde periode overige vergunningen
                                    en ontheffingen geheel of gedeeltelijk in te trekken.</al><al>Tenzij wettelijk een ander minimum termijn is bepaald, worden
                                    overige vergunningen en ontheffingen na een termijn van
                                        <vet>één</vet><vet> j</vet><vet>a</vet><vet>ar</vet>
                                    ingetrokken. De stappen en overwegingen in de besluitvorming
                                    vinden plaats op dezelfde wijze als omschreven bij
                                    omgevingsvergunningen, met inachtneming van de geldende
                                    wettelijke voorschriften.</al><tussenkop> 2.11.4 Hardheidsclausule intrekken vergunningen</tussenkop><al><vet>Het college van burgemeester en wethouders blijft bevoegd
                                        om af te wijken van deze beleidsregels, </vet><vet>vooral
                                        </vet><vet>wanneer deze voor een of meer belanghebbenden
                                        gevolgen zou hebben die wegens bijzondere
                                        omstandigheden</vet><vet> onevenredig zijn in verhouding tot
                                        de met de beleidsregels te dienen doelen of als sprake is
                                        va</vet><vet>n</vet><vet> urgentie en/of zwaarwegende
                                        (planologische) belangen.</vet></al><tussenkop> 2.11.5 Intrekking eerdere beleidsregel en inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking en
                                    werkt terug tot en met 1 januari 2014. Per gelijke datum wordt
                                    de Beleidsregel inzake intrekken verleende omgevingsvergunningen
                                    voor de activiteit bouwen, vastgesteld op 9 augustus 2011
                                    (nummer B&amp;W 11-440), ingetrokken.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Samenvatting</label></kop><structuurtekst><al>Dit omgevingbeleidsplan maakt voor vergunningverlening inzichtelijk op
                            welke wijze de gemeente Reusel-De Mierden omgaat met de uitvoering van
                            haar wettelijke taken. Voor de uitvoering van toezicht en handhaving
                            heeft de gemeente een handhavingsbeleid. </al><al>Waarom een omgevingbeleidsplan? Gemeenten moeten voldoen aan landelijke
                            kwaliteitscriteria. Hierbij moeten gemeenten hebben vastgelegd op welke
                            wijze zij omgaan met de uitvoering van de wettelijke taken. Daarbij is
                            het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor de
                            uitvoering en dient de prioriteiten te bepalen. Dit vastgestelde beleid
                            is de wijze waarop de gemeente zelf de taken uitvoert. Dit beleid is ook
                            de basis voor de opdrachtverstrekking bij de uitbesteding van
                            taken.</al><al>Een visie op dienstverlening van deze taken is de basis. Daaropvolgend
                            zijn algemene uitgangspunten geformuleerd voor de uitwerking waarna
                            risico’s en mogelijke gevolgen voor de leefomgeving en het milieu worden
                            benoemd en beoordeeld. De bestuurlijke prioriteit die aan de uitvoering
                            van elke taak kan worden gekoppeld, vindt zijn plaats in een
                            uitvoeringsprogramma. Een risicoanalyse ligt hieraan ten grondslag. Bij
                            dit omgevingbeleidsplan is een uitvoeringsprogramma opgesteld voor
                            vergunningverlening. De gemeente beschikt al over een
                            uitvoeringsprogramma voor toezicht en handhaving op basis van het
                            handhavingsbeleid.</al><al>Ontwikkelingen in wetgeving en jurisprudentie maken het steeds meer
                            noodzakelijk dat zowel de vergunningverlening, het toezicht en de
                            handhaving integraal wordt aangepakt. Het omgevingbeleidsplan, onderdeel
                            Vergunningen, gaat in op taken op het gebied van vergunningverlening. De
                            gemeente beschikt al over een handhavingbeleid. In de toekomst zal één
                            integraal beleid worden opgesteld.</al><al>De hoogte van het niveau bepaalt de diepgang van uitvoering van taken,
                            variërend van het niet toetsen of steekproef tot volledig integraal
                            toetsen. Dit geldt zowel voor vergunningverlening als toezicht en
                            handhaving.</al><al>De vastgestelde toetsniveaus hebben gevolgen voor de uitvoering van de
                            werkzaamheden, de wijze van advisering en de juridische kwaliteit van
                            onze producten. De toezichtniveaus worden afgestemd op de toetsniveaus
                            van vergunningen, ontheffingen en meldingen.</al><al>Adequate informatieverstrekking over regels vooraf, inclusief
                            vergunningverlening, maakt de uitvoering van de taken efficiënter en
                            beter. Hierdoor kan handhaving minder vaak nodig zijn. Communicatie met
                            onze klanten en hun adviseurs speelt daarbij een belangrijke rol.
                            Vooroverleg met de gemeente over nieuwe ontwikkelingen is altijd
                            mogelijk. Er is sprake van een proactieve en preventieve benadering
                            zodat zo veel mogelijk wordt voorkomen dat zaken onnodig achteraf tegen
                            hoge kosten voor klanten en gemeente worden aangevuld of hersteld.</al><al>De nadruk van het omgevingbeleidsplan ligt op een goede voorbereiding,
                            goede advisering, controle op indieningvereisten en samenwerking tussen
                            klanten, vergunningverleners en toezichthouders. De toegankelijkheid van
                            gegevens via automatiseringssystemen is hierbij een vereiste. Vooral dit
                            laatste krijgt steeds meer vorm.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Uitvoeringsprogramma</titel></kop><al><onderstreept>Inleiding</onderstreept></al><al/><al>Dit uitvoeringsprogramma maakt voor vergunningverlening inzichtelijk op welke
                    wijze de gemeente Reusel-De Mierden omgaat met de uitvoering van deze taken. Het
                    omgevingbeleidsplan bevat de algemene beleidslijn hoe wij omgaan met
                    vergunningverlening. Het omgevingbeleidsplan is de basis voor dit
                    uitvoeringsprogramma. De bestuurlijke prioriteit die aan de uitvoering van elke
                    taak kan worden gekoppeld, heeft hier zijn plaats gekregen.</al><al/><al>Voor vergunningverlening is in het omgevingbeleidsplan beschreven hoe de
                    systematiek van toetsing wordt uitgevoerd. In dit uitvoeringsprogramma zijn
                    vanuit risicoanalyses uitvoeringsniveaus met de toevoeging van de bestuurlijke
                    prioriteit de toetsniveaus voor diverse taakonderdelen uitgewerkt.</al><al/><al>Voor de beoordeling van aanvragen om vergunning en de daarbij ingediende
                    gegevens, zoals onderzoeksrapporten, heeft het college van burgemeester en
                    wethouders het volgende uitgangspunt vastgesteld:</al><al/><al><vet>Gegevens van deskundigen worden niet getoetst, tenzij er aanleiding is dit
                        wel te doen. De aanleiding kan zijn dat de locatie of het onderwerp een
                        uitgebreidere toets vereist of uit steekproeven blijkt dat gegevens voor een
                        specifieke activiteit of van bepaalde adviseur vaker niet correct zijn
                        uitgevoerd.</vet></al><al>Hierbij heeft het college zich de vraag gesteld wanneer de burger bescherming
                    van de overheid verwacht of mag verwachten. Dit is in ieder geval bij zaken met
                    een groot maatschappelijk effect, zoals brandveiligheid van grote complexen,
                    kinderopvang, scholen en zorg, grote stallen (grootschalige
                    brandcompartimentering), verkeersveiligheid en externe veiligheid. Hierbij
                    hebben wij overwogen dat ondanks dat de kans op grote maatschappelijke gevolgen
                    klein is, het effect bij een gebeurtenis wel groot kan zijn. Ook de toetsing aan
                    bijvoorbeeld de regels van het bestemmingsplan, vindt daarom integraal plaats.
                    Daarom in deze gevallen wel een representatieve toets door de gemeente. </al><al>Op basis van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 3:9) dient het
                    bestuursorgaan, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en
                    gedragingen dat door een adviseur is verricht, zich ervan te vergewissen dat dit
                    onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Dit is de zogenaamde
                    vergewisplicht. Op die expertise mag het college volgens vaste rechtspraak in
                    beginsel afgaan, tenzij blijkt dat dit advies op onzorgvuldige wijze tot stand
                    is gekomen, inhoudelijk niet concludent of consistent, of niet voldoende kenbaar
                    is. Het besluit om gegevens van deskundigen niet altijd meer inhoudelijk te
                    toetsen, betekent niet dat wij ons niet vergewissen over de zorgvuldigheid van
                    de gegevens. De toets op de volledigheid van de ingediende gegevens blijven wij
                    altijd wel uitvoeren. We kijken dus bijvoorbeeld wel verder dan alleen de kaft
                    van een rapportage: zijn alle noodzakelijke onderdelen volledig uitgewerkt,
                    berekend etc. Ook voeren we steekproeven uit naar de correctheid van de inhoud
                    van de gegevens die we in beginsel niet inhoudelijk toetsen. Dit alles maakt dat
                    wij voldoen aan onze vergewisplicht zoals bedoeld in de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><al/><al>In de toetslijsten is de hierboven omschreven beleidskeuze verwerkt. Hierbij
                    vullen wij aan dat onder deskundigen in ieder geval worden verstaan: alle
                    adviseurs in het vakgebied die bij de KVK een onderneming hebben
                    geregistreerd.</al><al>De gemeentelijke organisatie zal een objectieve systematiek ontwikkelen voor het
                    uitvoeren van steekproeven, zodanig dat deze voor een ieder transparant zijn. </al><al>Onze werkwijze geldt ook voor de uitbesteding van taken. Concreet betekent dit
                    dat wij niet in alle gevallen advies zullen vragen aan bijvoorbeeld de
                    omgevingsdienst (ODZOB), veiligheidsregio (VRBZO) en andere externe
                    adviseurs.</al><al/><al>De beleidskeuze is vertaald in toetsniveaus voor de diverse onderwerpen. De
                    hoogte van het niveau bepaalt de diepgang van de uitvoering van de taken,
                    variërend van niet toetsen, een steekproef, tot integraal toetsen. De
                    vastgestelde toetsniveaus hebben gevolgen voor de uitvoering van de
                    werkzaamheden, de wijze van advisering en de juridische kwaliteit van de
                    producten. De verkregen toetsniveaus hebben ook gevolgen voor de diepgang van
                    controles. De toezichtniveaus worden afgestemd op de toetsniveaus van
                    vergunningen, ontheffingen en meldingen.</al><al/><al>De gemeente is niet primair verantwoordelijk voor het voldoen aan wettelijke
                    voorschriften. Dit zijn de initiatiefnemers van activiteiten. Dit geldt voor
                    vergunningplichtige, meldingplichtige maar ook voor vergunningvrije zaken.
                    Daarom worden alle initiatiefnemers gewezen op hun <vet>eigen
                        verantwoordelijkheid</vet>. Indien nodig worden zij op hun
                    verantwoordelijkheid aangesproken.</al><al/><al><onderstreept>1. Uitgangspunten toetsniveaus </onderstreept></al><al/><al><cursief>1.1 Uitgangspunten bij bepaling toetsingsniveau
                        </cursief><cursief>(herhaling van paragraaf 2.3 Omgevingbeleidsplan,
                        onderdeel Vergunningen)</cursief></al><al/><al>Vanuit een risicoanalyse en de prioriteitenstelling, door het college van
                    burgemeester en wethouders voor diverse onderwerpen, zijn door ons toetsmatrixen
                    opgesteld. Bij het bepalen van het toetsniveau is de ernst van de calamiteit
                    (effect) en de kans hierop bepalend voor de diepte van de toets. Hoe groter het
                    gevolg en hoe groter de kans des te diepgaander zal de toets moeten zijn. De
                        <vet>bestuurlijke prioriteit</vet> heeft in een formule voor de
                    uitvoeringsniveaus een duidelijke plaats gekregen. De volgende formule wordt
                    gehanteerd:</al><al/><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry><al/><al><vet>(Kans x Effect=Risico) x Bestuurlijke prioriteit
                                        </vet></al><al/></entry><entry><al/><al><vet> = Uitvoeringsniveau</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Door de bovenstaande formule wordt een score verkregen van 0 tot en met 27. Deze
                    score bepaalt hoe de toets wordt uitgevoerd. In de onderstaande tabel zijn de
                    omschrijvingen van Effect, Kans en Bestuurlijke prioriteit uitgewerkt.</al><al/><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry><al>Score</al></entry><entry><al>Effect</al></entry></row><row><entry><al>0</al></entry><entry><al>Nihil effect</al></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>Laag effect, hooguit materiële schade</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>Gemiddeld effect, mogelijke slachtoffers, beperkte tot grote
                                        materiële schade</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>Groot effect, met slachtoffers en grote materiële
                                        schade</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Kans</al></entry></row><row><entry><al>0</al></entry><entry><al>Vrijwel nihil</al></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>Lage inschatting</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>Gemiddelde inschatting</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>Redelijke grote inschatting</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Bestuurlijke prioriteit</al></entry></row><row><entry><al>0</al></entry><entry><al>Onderdeel wordt niet uitgevoerd</al></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>Geen prioriteit </al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>Beperkte prioriteit </al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>Hoge prioriteit </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tabel 1 Omschrijving Effect, Kans en Bestuurlijke
                    prioriteit</cursief></al><al/><al><cursief>Doelstelling</cursief></al><al>Het doel van het toetsprotocol is om de verlening van vergunningen transparanter
                    te maken en uniformiteit in de toetsing te bewerkstelligen. Ook vormt de
                    kwaliteitsnormering een basis voor het toezichtniveau. Met het toetsingsprotocol
                    legt de gemeente zichzelf voor iedere vergunning een minimum toetsingsniveau
                    op.</al><al/><al><cursief>Beoogd resultaat</cursief></al><al>Het bestuurlijk vaststellen van de toetsniveaus van de diverse voorschriften
                    zodat de vergunningverlening op een adequate wijze plaats vindt. Hierdoor kunnen
                    ook de medewerkers afgewogen en expliciete keuzes maken bij het toetsen van
                    vergunningaanvragen.</al><al/><al><cursief>Reikwijdte</cursief></al><al>Matrixes met toetsniveaus hebben uitsluitend betrekking op de voorschriften
                    zoals opgenomen in de betreffende wet- en regelgeving. Deze voorschriften hebben
                    o.a. betrekking op (fysieke/brand)veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, natuur-
                    en milieu en lokale aspecten als verkeersveiligheid en openbare orde &amp;
                    veiligheid.</al><al/><al><cursief>Keuze van het toetsniveau </cursief></al><al>Om te kunnen bepalen welke keuzes welke risico’s met zich meebrengen, dient een
                    grondig inzicht in de praktijk te bestaan. Met modellen, zoals het Boxtel’s
                    Kwaliteitsmodel BWT en beleidsplannen van andere gemeenten zijn de risico’s in
                    beeld gebracht. Uitgaande van de huidige capaciteit, rekening houdend met kans
                    op en het gevolg van een calamiteit is aan het bestuur aangegeven wat het
                    wenselijke niveau van toetsing is. De colleges van de Kempengemeenten hebben in
                    het uitvoeringsprogramma hierna de lokale prioriteiten ingevuld.</al><al/><al>De toets- en toezichtmatrixen kennen de niveaus 0 t/m 4: van niet uitvoeren naar
                    sneltoets, visuele, representatieve en integrale toets.</al><al/><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry><al>Score</al></entry><entry><al>Niveau</al></entry><entry><al>Inhoud toets</al></entry></row><row><entry><al>0</al></entry><entry><al>Niet uitvoeren (0)</al></entry><entry><al>Aan het betreffende onderdeel wordt geen aandacht
                                        geschonken.</al><al/></entry></row><row><entry><al>1-2</al></entry><entry><al>Snel (1)</al></entry><entry><al>Indieningvereiste: is het aanwezig en klopt de
                                        uitkomst.</al></entry></row><row><entry><al>3-8</al></entry><entry><al>Visueel (2)</al></entry><entry><al>Kloppen de uitgangspunten? Bevatten de stukken voldoende
                                        informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de
                                        globale uitgangspunten op de stukken, aangeleverd om het
                                        desbetreffende aspect te kunnen toetsen in voldoende mate en
                                        in samenhang zijn weergegeven om het aspect te kunnen
                                        toetsen.</al></entry></row><row><entry><al>9-18</al></entry><entry><al>Representatief (3)</al></entry><entry><al>Controle van de belangrijkste onderdelen. Gecontroleerd
                                        wordt of de uitgangspunten op de stukken, aangeleverd om het
                                        betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn.
                                        Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de
                                        uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten waarschijnlijk
                                        zijn. De belangrijkste berekeningen worden gecontroleerd dan
                                        wel nagerekend. De na te rekenen aspecten worden bepaald op
                                        basis van de resultaten van de visuele toets.</al></entry></row><row><entry><al>19-27</al></entry><entry><al>Integraal (4)</al></entry><entry><al>Alles controleren.</al><al>Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken,
                                        aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen, in
                                        de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt
                                        nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de
                                        uitkomsten gecontroleerd/nagerekend.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tabel 2 Uitwerking toetsniveaus</cursief></al><al/><al/><al><cursief>1.2 Overige uitgangspunten</cursief></al><al/><al>In het omgevingbeleidsplan is vermeld op welke wijze wij omgaan met toetsingen
                    aan de wet- en regelgeving na zienswijzen, bezwaar- of beroep en op welke wijze
                    meldingen worden behandeld. Ook is een ‘vangnet’ opgenomen. In het kort geldt
                    als algemene leidraad voor dit laatste dat voor de toetsing van vergunningen uit
                    de ingediende gegevens altijd voldoende aannemelijk moet zijn dat aan de
                    geldende regelgeving wordt voldaan. Meldingen worden in beginsel alleen getoetst
                    op volledigheid. In paragraaf 2.5 van dit uitvoeringsprogramma zijn voor enkele
                    specifieke toetsen afwijkende keuzen vastgesteld.</al><al/><al/><al><onderstreept>2. Toetsniveau’s </onderstreept></al><al/><al><cursief>2.1 Inleiding onderdelen</cursief></al><al>In dit hoofdstuk is voor de onderdelen toets Bouwbesluit, toets milieu en toets
                    APV en Bijzondere wetten het toetsniveau uitgewerkt. Per onderdeel hebben wij
                    nog een onderscheid gemaakt in bijvoorbeeld gebouwtype of omvang van de
                    activiteit. </al><al/><al>Het algemene uitgangspunt, zoals verwoord in de inleiding van dit
                    uitvoeringsprogramma is leidend:</al><al><vet>Gegevens van deskundigen worden niet getoetst, tenzij er aanleiding is dit
                        wel te doen. De aanleiding kan zijn dat de locatie of het onderwerp een
                        uitgebreidere toets vereist of uit steekproeven blijkt dat gegevens voor een
                        specifieke activiteit of van bepaalde adviseur vaker niet correct zijn
                        uitgevoerd.</vet></al><al/><al>Bij de beoordeling van gegevens wordt, voordat de toets wordt uitgevoerd eerst
                    bepaald of sprake is van een zaak of aanleiding die een andere aanpak vereist.
                    Dit is in ieder geval bij zaken met een groot maatschappelijk effect,
                    zoals:</al><lijst><li nr="1."><al>brandveiligheid van grote complexen, kinderopvang, scholen en zorg,
                            grote stallen (grootschalige brandcompartimentering)</al></li><li nr="2."><al>verkeersveiligheid</al></li><li nr="3."><al>externe veiligheid</al></li><li nr="4."><al>locatiespecifieke noodzaak (dichtbij kern, bekend aandachtsgebied,
                            e.d.)</al></li><li nr="5."><al>gegevens opgesteld door minder deskundigen</al></li><li nr="6."><al>andere aanleidingen waarbij de burger bescherming van de overheid
                            verwacht of mag verwachten.</al></li></lijst><al>Is sprake van deze bijzondere situaties, dan wordt de toets conform de
                    vastgestelde toetsniveaus uitgevoerd.</al><al/><al><vet><cursief>2.2 Toets Bouwbesluit</cursief></vet></al><al/><al>Voor de toetsing aan het Bouwbesluit is een onderscheid gemaakt in verschillende
                    categorieën bouwwerken. Niet elk gebouwtype heeft bestuurlijk gezien en ook op
                    basis van een risicoanalyse eenzelfde prioriteit. Het “rendement” van het
                    uitgebreid toetsen van een publiek toegankelijk bouwwerk, zoals een
                    gemeenschapshuis, is groter dan dat van een berging. Daarom is een onderscheid
                    gemaakt in verschillende bouwwerktypen. Door een indeling in zes gebouwtypen
                    wordt vervolgens “het rendement” van de toetsing bepaald. In onderstaande tabel
                    is het onderscheid weergegeven.</al><al/><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry><al>Type </al></entry><entry><al>Omschrijving </al></entry><entry><al>Rendement </al></entry></row><row><entry><al>A </al></entry><entry><al>Publiek toegankelijke bouwwerken, bruggen, tunnels e.d. en
                                        exceptionele bouwwerken</al></entry><entry><al>Hoog </al></entry></row><row><entry><al>B </al></entry><entry><al>Bedrijfsmatige bouwwerken met hoge gebruiksintensiteit,
                                        projectmatige nieuwbouw woningen en
                                        gebruiksvergunningplichtige bouwwerken</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>C </al></entry><entry><al>Particuliere nieuwbouw woningen en bedrijfsgebouwen
                                        (kantoor/industrie &gt; 1 bouwlaag)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>D </al></entry><entry><al>Bedrijfsmatig vrijstaande bijgebouwen en bedrijfsgebouwen
                                        met een lage gebruiksintensiteit</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>E </al></entry><entry><al>Particuliere vrijstaande bijgebouwen en aan- en
                                        uitbouwen</al><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>F </al></entry><entry><al>Bouwwerken geen gebouw zijnde </al><al/></entry><entry><al>Laag </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tabel 3 Bouwwerktypen</cursief></al><al/><al>De toetsniveaus voor de hierboven genoemde gebouwtypen zijn verder uitgewerkt in
                    een toetsmatrix, verdeeld per verzameling onderwerpen uit het Bouwbesluit.</al><al/><al><cursief>2.2.1 Toetsmatrix Bouwbesluit</cursief></al><al><plaatje><illustratie id="id8b3a215-19d9-44a8-ada7-db7236a19cb6" naam="i234927id8b3a215-19d9-44a8-ada7-db7236a19cb6.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="10.5cm"/></plaatje></al><al/><al><cursief>*1 Indien de statische berekening is uitgevoerd door een erkend
                        constructeur (constructeur aangesloten bij een onafhankelijk
                        kwaliteitsinstituut, zoals RC/RO Constructeurregister of gelijkwaardig)
                        toets één niveau lager.</cursief></al><al><cursief>Detailberekeningen van fabrikanten, zoals van systeemvloeren en prefab
                        onderdelen, worden door de gemeente niet getoetst wanneer deze door de
                        hoofdconstructeur van het project zijn beoordeeld. </cursief></al><al><cursief>*2 Gelijkwaardigheidvraagstukken brandveiligheid toets één niveau
                        hoger.</cursief></al><al/><al/><al><vet><cursief>2.3 Toets Milieu</cursief></vet></al><al/><al>Voor de toetsing aan de milieuwetgeving is een onderscheid gemaakt in
                    verschillende categorieën activiteiten die plaats kunnen vinden binnen een
                    inrichting. Niet elke activiteit heeft bestuurlijk en ook op basis van een
                    risicoanalyse eenzelfde prioriteit. Daarom is een onderscheid gemaakt in
                    verschillende activiteiten. In onderstaande tabel is het onderscheid
                    weergegeven.</al><al/><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry><al>Type </al></entry><entry><al>Omschrijving </al></entry></row><row><entry><al>A </al></entry><entry><al>Type B (Barim)</al><al/></entry></row><row><entry><al>B </al></entry><entry><al>Beperkte milieutoets (OBM)</al><al/></entry></row><row><entry><al>C </al></entry><entry><al>Type C Industrieel</al><al/></entry></row><row><entry><al>D </al></entry><entry><al>Type C Agrarisch</al></entry></row><row><entry><al>E </al></entry><entry><al>BEVI / RIS / BRZO / Vuurwerk</al><al/></entry></row><row><entry><al>F </al></entry><entry><al>Gezondheid (locatieafhankelijk)</al><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tabel 4 Specificatie Activiteiten</cursief></al><al/><al>De toetsniveaus voor de hierboven genoemde activiteiten zijn verder uitgewerkt
                    in een toetsmatrix, verdeeld over onderwerpen uit de milieuwetgeving. De
                    toetsmatrix is weergegeven op de volgende pagina.</al><al/><al>Voor de volledigheid benadrukken wij hierbij nog een keer het algemene
                    uitgangspunt zoals verwoord in de inleiding waarbij geldt dat wij niet alles
                    toetsen. Onze werkwijze geldt ook voor de uitbesteding van taken. Dit betekent
                    dat wij niet in alle gevallen advies zullen vragen aan bijvoorbeeld de
                    omgevingsdienst (ODZOB), veiligheidsregio (VRBZO) en andere externe adviseurs.
                    Enkele concrete voorbeelden:</al><al>- een aanvraag omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) of milieumelding
                    (Activiteitenbesluit) voor een agrarisch ondernemer die een werktuigenloods
                    opricht/ vervangt of een kleine wijziging in dieraantallen teweegbrengt, wordt
                    niet voor advies doorgezonden naar de ODZOB, tenzij sprake is van een bijzondere
                    situatie;</al><al>- de opdracht aan de ODZOB zal meer specifiek worden omschreven. Afhankelijk van
                    de situatie zal het voorkomen dat bij een aanvraag omgevingsvergunning
                    bijvoorbeeld een geurrapport wel integraal moet worden getoetst en een
                    akoestisch onderzoeksrapport mogelijk helemaal niet.</al><al/><al><cursief>2.3.1 Toetsmatrix Milieu</cursief></al><al><plaatje><illustratie id="i9769519e-0f9b-4f94-802b-604e57e1868a" naam="i234929i9769519e-0f9b-4f94-802b-604e57e1868a.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="12.9cm"/></plaatje></al><al/><al><cursief>*1 Voorschriften moeten in alle redelijkheid staan tot de investering.
                        Geen onevenredige investeringen vragen. </cursief></al><al/><al/><al><vet><cursief>2.4 Toets APV en Bijzondere wetten</cursief></vet></al><al/><al>Voor de toetsing aan de APV (Algemene Plaatselijke Verordening) en Bijzonder
                    wetten is een onderscheid gemaakt in groot- en kleinschalige activiteiten. Niet
                    elke activiteit heeft bestuurlijk gezien en ook op basis van een risicoanalyse
                    niet eenzelfde prioriteit. Daarom is een onderscheid gemaakt in verschillende
                    activiteiten. In onderstaande tabel is het onderscheid weergegeven.</al><al/><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry><al>Type </al></entry><entry><al>Omschrijving </al></entry></row><row><entry><al>A </al></entry><entry><al>Grootschalig of Regulier</al><al/></entry></row><row><entry><al>B </al></entry><entry><al>Kleinschalig (indien van toepassing)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tabel 5 Specificatie Activiteiten</cursief></al><al/><al>De toetsniveaus voor de hierboven genoemde activiteiten zijn verder uitgewerkt
                    in een toetsmatrix, verdeeld over onderwerpen. De toetsmatrix is weergegeven op
                    de volgende pagina.</al><al/><al><cursief>2.4.1 Toetsmatrix APV en Bijzondere wetten</cursief></al><al><plaatje><illustratie id="id60ca31f-a4be-48e2-9a44-437adc4aaa40" naam="i234930id60ca31f-a4be-48e2-9a44-437adc4aaa40.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.4cm"/></plaatje></al><al/><al><cursief>*1 Constructies van tenten en podia worden niet getoetst. Eigen
                        verantwoordelijkheid. Voorschrift in vergunning.</cursief></al><al/><al><vet><cursief>2.5 Specifieke keuze bij meldingen</cursief></vet></al><al/><al>In het omgevingbeleidsplan, het basisdocument, is vastgesteld op welke wijze de
                    gemeente omgaat met de beoordeling van meldingen. In het algemeen geldt dat,
                    zoals de wetgever heeft bedoeld, aan het bevoegd gezag het de taak is te
                    beoordelen of de activiteit inderdaad meldingplichtig is en of de melding
                    volledig is ingediend. Een inhoudelijke beoordeling en acceptatie van de melding
                    past niet in deze richting. Het accent van de taken van de gemeente met
                    betrekking tot meldingen verplaatst zich naar het uitvoeren van toezicht. In het
                    handhavingsbeleid wordt voor toezicht en handhaving daarop ingegaan. </al><al/><al>Het algemene uitgangspunt voor de behandeling van meldingen is als volgt:</al><al>- Volledigheid: is de melding volledig ingediend?</al><al>- Aannemelijkheid: is voldoende aannemelijk dat de melding overeen komt met het
                    werkelijk (voorgenomen) gebruik of de (voorgenomen) uitvoering van werken?</al><al>- Toetsing: de ingediende gegevens worden niet inhoudelijk getoetst, tenzij
                    wettelijk voorgeschreven.</al><al>- Maatwerkvoorschriften: globale beoordeling of mogelijk maatwerkvoorschriften
                    nodig zijn.</al><al/><al>Het college heeft voor de enkele specifieke onderdelen er voor gekozen gegevens
                    toch vooraf te toetsen en bij strijdigheden de melder hierover de berichten.
                    Hierdoor kunnen achteraf, bij handhaving, mogelijke problemen worden voorkomen.
                    Hierbij hoort dat het toezicht als gevolg van een melding zo kort mogelijk na
                    indiening van de melding uit wordt gevoerd.</al><al/><al><cursief>2.5.1 Specifieke keuze milieumeldingen</cursief></al><al/><al>Geuronderzoeksrapporten ingediend bij milieumeldingen worden op dezelfde wijze
                    getoetst als bij vergunningen. Achterliggende gedachte hierbij is dat deze
                    beoordeling niet tijdens het reguliere toezichtwerk kan plaatshebben. Dit van
                    vanwege de specifieke kennis. Anderzijds willen we ook niet dat inrichtingen
                    enige tijd in bedrijf zijn, waarbij wellicht een voor de gezondheid nadelige
                    situatie is ontstaan die mogelijk niet aan de wettelijke voorschriften zal
                    voldoen. Als uit ervaring later blijkt dat de ingediende geuronderzoeksrapporten
                    nooit aanpassing behoeven, zal het college deze beleidskeuze vanzelfsprekend
                    herzien.</al><al/><al><cursief>2.5.2 Specifieke keuze evenementenmeldingen</cursief></al><al/><al>Ook voor het organiseren van evenementen kan vaak worden volstaan met het
                    indienen van een melding. Deze mogelijkheid is opgenomen in de algemene
                    plaatselijke verordening en het lokale evenementenbeleid. De regels zijn tot
                    stand gekomen met alle betrokkenen, zoals organisatoren van evenementen,
                    brandweer en politie. Ook voor deze meldingen geldt de algemene beleidskeuze de
                    meldingen niet inhoudelijk te beoordelen. Dit geldt voor zowel de ambtelijke
                    organisatie als voor externe adviseurs, zoals dus de brandweer en politie.
                    Specifiek hierbij is wel dat deze betrokkenen actief in kennis worden gesteld
                    over ingediende melding. Hierbij is het aan hen om met gebruikmaking van hun
                    wettelijke bevoegdheden, met de organisator van het evenement in contact te
                    treden over mogelijk noodzakelijke afspraken. </al><al>Uit een latere evaluatie van het evenementenbeleid kan blijken dat de
                    voorschriften of eisen aan een melding bijgesteld moeten worden. Voorstel tot
                    aanpassing van dat beleid zal dan plaats hebben. <onderstreept>3. Bijzondere
                        bepalingen </onderstreept></al><al/><al><cursief>3.1 Indieningvereisten </cursief></al><al>De indieningvereisten voor aanvragen om vergunningen, ontheffingen en meldingen
                    zijn opgenomen in diverse regelingen. In bijzondere gevallen kunnen voor de
                    beoordeling andere gegevens nodig zijn dan in specifieke regelingen is opgenomen
                    of wanneer er geen indieningvereisten zijn vastgesteld. Op grond artikel 4:2 van
                    de Algemene wet bestuursrecht kan het college om (specifieke) aanvullende
                    gegevens vragen. Voor de onderstaande aanvragen om vergunningen, ontheffingen of
                    meldingen zijn bepalingen opgenomen over de vereiste in te dienen gegevens.</al><al/><al><cursief>3.1.1 Specifieke indieningvereisten omgevingsvergunning beperkte
                        milieutoets M.e.r.</cursief></al><al>In de aanvraag omgevingsvergunning beperkte milieutoets M.e.r. moeten naar
                    genoegen van burgemeester en wethouders de onderstaande gegevens zijn opgenomen
                    dan wel kunnen beoordeeld. </al><al/><al>1. Kenmerken van de projecten</al><al>Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging kunnen
                    worden genomen:</al><lijst><li nr="1."><al>de omvang van het project;</al></li><li nr="2."><al>de cumulatie met andere projecten;</al></li><li nr="3."><al>het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;</al></li><li nr="4."><al>de productie van afvalstoffen;</al></li><li nr="5."><al>verontreiniging en hinder;</al></li><li nr="6."><al>risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of
                            technologieën.</al></li></lijst><al/><al>2. Plaats van de projecten</al><al>Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten
                    van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden
                    genomen:</al><lijst><li nr="1."><al>het bestaande grondgebruik;</al></li><li nr="2."><al>de relatieve rijkdom aan de kwaliteit en het regeneratievermogen van de
                            natuurlijke hulpbronnen van het gebied;</al></li><li nr="3."><al>het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder
                            aandacht voor de volgende typen gebieden: </al><lijst><li nr="1."><al>wetlands;</al></li><li nr="2."><al>kustgebieden;</al></li><li nr="3."><al>berg- en bosgebieden;</al></li><li nr="4."><al>reservaten en natuurparken</al></li><li nr="5."><al>gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of
                                    door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones,
                                    door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 2009/147/EG van
                                    het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake
                                    het behoud van de vogelstand en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad
                                    van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke
                                    habitats en de wilde flora en fauna;</al></li><li nr="6."><al>gebieden waarin de bij wetgeving van de Unie vastgestelde normen
                                    inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden;</al></li><li nr="7."><al>gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid;</al></li><li nr="8."><al>landschappen van historisch, cultureel of archeologisch
                                    belang.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al>3. Kenmerken van het potentiële effect</al><al>De potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de
                    criteria van de punten 1 en 2 in beschouwing worden genomen en in het bijzonder
                    betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="1."><al>het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen
                            bevolking);</al></li><li nr="2."><al>het grensoverschrijdend karakter van het effect;</al></li><li nr="3."><al>de orde van grootte en de complexiteit van het effect;</al></li><li nr="4."><al>de waarschijnlijkheid van het effect;</al></li><li nr="5."><al>de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Begrippenkader</titel></kop><al><onderstreept>Vergunningverlening:</onderstreept> heeft betrekking op het in
                    behandeling nemen van een vergunningaanvraag, het beoordelen van deze aanvraag
                    en het nemen van een beslissing op de aanvraag in de vorm van een
                    beschikking.</al><al/><al><onderstreept>Toezicht:</onderstreept> betreft de controle op de naleving van
                    wet- en regelgeving en het zonder formeel juridische instrumenten optreden tegen
                    overtredingen/ afwijkingen. Onder toezicht wordt tevens verstaan de controles in
                    het kader van de handhaving.</al><al/><al><onderstreept>Handhaving:</onderstreept> de (bestuurlijke) oordeelsvorming over
                    bevindingen tijdens toezicht en het –waar nodig en bestuurlijk wenselijk geacht-
                    plegen van interventies (maatregelen en sancties) met formeel juridische
                    instrumenten, zoals het toepassen van bestuursdwang, het opleggen van
                    dwangsommen of het intrekken van de vergunning.</al><al/><al><onderstreept>Kernbepalingen:</onderstreept> onderdelen van wet- en regelgeving
                    die een zodanig afbreukrisico hebben dat zij kunnen leiden tot maatschappelijk
                    onacceptabele risico’s en hierdoor het speerpunt van de gemeente zijn bij het
                    uitvoeren van de toetsen. </al><al/><al><onderstreept>Aangehaakt onderdeel:</onderstreept> toestemming die niet opgaat
                    in de omgevingsvergunning, maar indien deze tegelijk met een wabo-onderdeel
                    wordt aangevraagd, wordt het onderdeel wel in de omgevingsvergunning opgenomen.
                    Dit noemen we “aanhaken”.</al><al/><al><onderstreept>Niet Wabo-onderdelen:</onderstreept> onderdelen die niet opgaan in
                    de omgevingsvergunning</al><al/><al><onderstreept>PVC methode: product- vraag-combinatie: </onderstreept>systeem
                    waarbij wordt gewerkt met een integrale klantvraagbenadering en niet wordt
                    geredeneerd vanuit gemeentelijke producten.</al><al/><al><onderstreept>WABO: </onderstreept>Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht</al><al/><al><onderstreept>BOR:</onderstreept> Besluit Omgevingsrecht</al><al/><al><onderstreept>MOR:</onderstreept> Ministeriële Regeling Omgevingsrecht</al></bijlage></regeling></body></cvdr>