<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR320318_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.ouder-amstel.nl">Weekblad voor Ouder-Amstel</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>maatregelverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2013 Ouder-Amstel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8 lid 1 onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18 lid 1, 2 en 3 van de Wet werk en bijstand, de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/04</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand (Wwb), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen (Ioaz), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                            Gemeentewet.</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder: a. Het college: het college
                            van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel. b. De raad: de
                            gemeenteraad van Ouder-Amstel. c. Uitkering: algemene bijstand op grond
                            van de Wwb, alsmede een uitkering op grond van de Ioaw en de Ioaz. d.
                            Bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5
                            onderdeel c Wwb of, voorzover sprake is van een Ioaw of Ioaz uitkering,
                            de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 Ioaw
                            respectievelijk artikel 5 Ioaz. e. Benadelingsbedrag: de uitkering
                            waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is
                            gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            voor de voorziening van het bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag
                            waarmee de uitkering wordt verlaagd, en, als dit van toepassing is, de
                            reden om af te wijken van de standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Afzien van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het toepassen van een maatregel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gedraging meer dan een jaar voor constatering van die gedraging
                                door het college heeft plaatsgevonden. Het college kan afzien van
                                een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig
                                acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van een maatregel op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt toegepast op de uitkering respectievelijk de
                                bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12
                                Wwb over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot
                                het toepassen van de maatregel aan een belanghebbende is
                                bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor
                                die belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is,
                                omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan de maatregel met
                                terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de
                                periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad dan wel de
                                uitkering over de periode waarin de gedraging heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien: a. Aan belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12
                                Wwb; of b. De verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie
                                met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2 en 3 “bijstandsnorm” worden gelezen als
                                “bijstandsnorm plus de op grond van artikel 12 Wwb verleende
                                bijzondere bijstand”.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2 en 3 “bijstandsnorm” worden gelezen als “de verleende
                                bijzondere bijstand”.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de
                                arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt behouden of één van de verplichtingen op grond van
                            artikel 9 Wwb, artikel 9a Wwb, artikel 55 Wwb respectievelijk artikel 37
                            Ioaw, artikel 38 Ioaw, artikel 37 Ioaz en artikel 38 Ioaz niet of
                            onvoldoende worden nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><al>Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV
                            Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate
                                            meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel
                                            9 lid 1 onderdeel b Wwb en artikel 10 lid 1 Wwb
                                            respectievelijk artikel 36 lid 1 Ioaw en artikel 37 lid
                                            1 onderdeel e Ioaz, voor zover dit niet heeft geleid tot
                                            het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging
                                            van die voorziening;</al></li><li nr="d."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en
                                            evalueren van een plan van aanpak zoals bedoeld in
                                            artikel 44a Wwb, indien van toepassing;</al></li><li nr="e."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1
                                            onderdeel b Wwb respectievelijk artikel 37 lid 1
                                            onderdeel e Ioaw en artikel 37 lid 1 onderdeel e Ioaz
                                            niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het
                                            intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor
                                            een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a lid
                                            1 Wwb respectievelijk 38 lid 1 Ioaw en artikel 38 lid 1
                                            Ioaw en artikel 38 lid 1 Ioaz;</al></li><li nr="f."><al>Het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals
                                            bedoeld in artikel 9 lid 1 Wwb of artikel 55 Wwb
                                            voorzover het gaat om een persoon jonger dan 27 jaar,
                                            gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in
                                            artikel 43 lid 4 en 5 Wwb;</al></li><li nr="g."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals
                                            bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel c Wwb, artikel 37
                                            lid 1 onderdeel f Ioaw of artikel 37 lid 1 onderdeel f
                                            Ioaz.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op de
                                            arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9 lid 1
                                            onderdeel b Wwb en artikel 10 lid 1 Wwb respectievelijk
                                            artikel 36 lid 1 Ioaw en artikel 37 lid 1 onderdeel e
                                            Ioaw en artikel 36 lid 1 Ioaz en artikel 37 onderdeel e
                                            Ioaz, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang
                                            vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                            voorziening;</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>De maatregel, bij gedragingen zoals bedoeld in artikel
                                            6, wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één
                                                  maand bij gedragingen van de eerste
                                                  categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende
                                                  één maand bij gedragingen van de tweede
                                                  categorie;</al></li><li nr="c."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende
                                                  één maand bij gedragingen van de derde
                                                  categorie;</al></li><li nr="d."><al>van de verplichting plaatsvindt binnen een
                                                  periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
                                                  waarop eerder aan belanghebbende een schriftelijke
                                                  waarschuwing is gegeven.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Overige gedragingen die
                                                leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Tekortschietend besef van
                                                verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van
                                                  verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                                  bestaan zoals bedoel in artikel 18 lid 2 Wwb,
                                                  anders dan het niet behouden van algemeen
                                                  geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 6 lid
                                                  3 onderdeel b van deze verordening, wordt
                                                  afgestemd op het benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>tien
                                                  procent van de bijstandsnorm gedurende één maand
                                                  bij een benadelings- bedrag tot en met €
                                                  1000;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende
                                                  één maand bij een benadelings-bedrag vanaf € 1000
                                                  tot en met € 2000;</al></li><li nr="c."><al>veertig procent van de bijstandsnorm gedurende
                                                  één maand bij een benadelings-bedrag vanaf € 2000
                                                  tot en met € 4000;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende
                                                  één maand bij een benadelings-bedrag groter dan €
                                                  4000.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt
                                            tegenover het college of zijn ambtenaren, onder
                                            omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                                            uitvoering van de Wwb, Ioaw of Ioaz, wordt een maatregel
                                            opgelegd van minimaal vijftig procent van de
                                            bijstandsnorm gedurende een maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Niet nakomen van overige
                                                verplichtingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een of meerdere door het
                                            college opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel
                                            55 Wwb niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel
                                            opgelegd. De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij het
                                                  niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die
                                                  strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij het
                                                  niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die
                                                  verband houden met de aard en het doel van een
                                                  bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="c."><al>veertig procent van de bijstandsnorm bij het
                                                  niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die
                                                  strekken tot vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="d."><al>Honderd procent van de bijstandsnorm bij het
                                                  niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die
                                                  strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien sprake is van een gedraging die schending
                                                  oplevert van meerdere op deze verordening genoemde
                                                  verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor
                                                  het bepalen van de hoogte en de duur van de
                                                  maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop
                                                  de hoogste maatregel is gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die
                                                  schending opleveren van één of meerdere in deze
                                                  verordening genoemde verplichtingen, wordt voor
                                                  iedere gedraging een afzonderlijke maatregel
                                                  opgelegd. Deze maatregels worden gelijktijdig
                                                  opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                                  gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                                  omstandigheden van de belanghebbende niet
                                                  verantwoord is.</al></li><li nr="3."><al>Indien sprake is van een gedraging die schending
                                                  oplevert van een in deze verordening genoemde
                                                  verplichting en van de inlichtingenplicht zoals
                                                  bedoeld in artikel 17 lid 1 Wwb, artikel 13 Ioaw
                                                  of artikel 13 Ioaz, wordt geen maatregel
                                                  opgelegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf
                                                  maanden na bekendmaking van een besluit waarmee
                                                  een maatregel is toegepast vanwege een gedraging
                                                  als bedoeld in artikel 6 lid 2 of 3, artikel 8 lid
                                                  1 of artikel 10 van deze verordening, opnieuw
                                                  schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging zoals
                                                  bedoeld in voornoemde artikelen, wordt de duur van
                                                  de maatregel verdubbeld.</al></li><li nr="2."><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf
                                                  maanden na bekendmaking van een besluit waarmee
                                                  een maatregel is toegepast vanwege een gedraging
                                                  als bedoeld in artikel 6 lid 1 of artikel 9 van
                                                  deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan een
                                                  verwijtbare gedraging zoals bedoeld in voornoemde
                                                  artikelen, wordt de hoogte van de maatregel
                                                  verdubbeld.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering
                                            Ioaw/Ioaz</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering
                                                Ioaw/Ioaz</titel></kop><al>Indien het college de uitkering op grond van artikel 20
                                            lid 1 Ioaw of artikel 20 lid 2 Ioaz blijvend of
                                            tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering
                                            heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot
                                            een maatregel zou kunnen leiden, blijft een maatregel
                                            ter zake van die gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1
                                            januari 2013.</al><al>De maatregelverordening Wwb 2012 wordt per 1 januari
                                            2012 ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als:
                                            maatregelverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2013
                                            Ouder-Amstel.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ouder-Amstel, 7 februari 2013</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>W.van Zanen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.T.J. Blankers-Kasbergen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING
                                                MAATREGELVE</vet><vet>RORDENING WWB, IOAW EN IOAZ
                                                2013</vet><vet> OUDER-AMSTEL</vet></al><al><vet>Rechten en plichten in de Wwb</vet></al><al>De gemeenteraad heeft in de Wwb een verantwoordelijkheid
                                            met betrekking tot de invulling van de rechten en
                                            plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                                            rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de
                                            gemeenteraad het eigen gemeentelijk beleid vastleggen in
                                            een verordening.</al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille.
                                            Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                                            de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te
                                            worden van de uitkering.</al><al>Artikel 18 lid 1 Wwb spreekt over het afstemmen van de
                                            bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de
                                            omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                                            belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het
                                            vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                                            verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden
                                            maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de
                                            individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden
                                            van bijstandsgerechtigden. Artikel 18 lid 2 Wwb legt een
                                            directe koppeling tussen de rechten en verplichtingen
                                            van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                                            is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om
                                            weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                                            betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                                            uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                                            uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                                            belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                                            verplichtingen worden nagekomen.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een
                                            bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                                            onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                                            is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                                            verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                                            verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                                            dergelijke maatregel. Het college moet niettemin bij de
                                            vaststelling van de maatregel rekening houden met de
                                            persoonlijke omstandigheden en de individueel
                                            vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van
                                            een maatregel afzien indien het college daartoe zeer
                                            dringende reden aanwezig acht.</al><al>Is afgezien van een maatregel wegens het ontbreken van
                                            elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk
                                            om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van
                                            recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de
                                            afstemming op grond van artikel 18 lid 1 Wwb van een
                                            maatregel afgezien, dan is daarin geen reden gelegen om
                                            de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in
                                            geval van recidive.</al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie
                                            maanden opgelegd, dan zal het college de verlaging aan
                                            een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat volgt uit
                                            artikel 18 lid 3 Wwb. Bij een dergelijke herbeoordeling
                                            hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                                            waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het
                                            licht worden gehouden. </al><al>Het heeft slechts als doel vast te stellen of
                                            belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover
                                            de maatregel zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                                            zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een
                                            zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding
                                            bestaat de eerder opgelegde maatregel in zwaarte of duur
                                            bij te stellen (zie CRvB 19-04-1022, nr. 10/4882
                                            Wwb).</al><al>Een maatregel krachtens de maatregelverordening moet
                                            niet gezien worden als een strafrechtelijke sanctie.
                                            Indien een betreffende gedraging ook een strafbaar feit
                                            oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor
                                            vervolgd worden. Ondanks het feit dat de verlaging geen
                                            strafrechtelijke sanctie is, kunnen de verlaging en de
                                            strafvervolging niet naast elkaar bestaan als sprake is
                                            van hetzelfde rechtsfeit (bijvoorbeeld
                                            inlichtingenfraude). Het beginsel van “ne bis in idem”
                                            staat daaraan in de weg.</al><al><vet>Afstemmen in de Ioaw en de Ioaz</vet></al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een
                                            Ioaw of Ioaz uitkering te verlagen of te weigeren indien
                                            een belanghebbende de aan het recht op uitkering
                                            verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt
                                            (artikel 20 Ioaw en artikel 20 Ioaz). De gemeente moet
                                            het gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening
                                            (artikel 35 lid 1 onderdeel b Ioaw en artikel 35 lid 1
                                            onderdeel b Ioaz). De verlaging van de uitkering komt in
                                            de plaats van het boeten- en maatregelenregime, waarbij
                                            zij opgemerkt dat de mogelijkheid om een boete op te
                                            leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al><al><vet>Niet verlenen van medewerking</vet></al><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel
                                            aanleiding geven tot verlaging van de bijstand. Het
                                            belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                                            toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet
                                            toestaan van een huisbezoek echter leiden tot
                                            beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                                            omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
                                            Het verlagen van de bijstand is in dat geval niet aan de
                                            orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaald
                                            tijdstip te verschijnen, kan ook worden uitgelegd als
                                            het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de
                                            praktijk betreft het echter veelal oproepen voor
                                            gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken zodat
                                            het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet
                                            nakomen van de inlichtingenplicht. Daarom heeft de
                                            gemeenteraad ervoor gekozen het niet verlenen van
                                            medewerking zoals bedoeld in artikel 17 lid 2 Wwb niet
                                            als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze
                                            verordening.</al><al><vet>Schenden van de inlichtingenplicht</vet></al><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw
                                            ingevoerd in de Wwb, Ioaw en Ioaz. Deze moet worden
                                            opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en
                                            komt in de plaats van de verlaging van de bijstand.</al><al><vet>Verrekening bestuurlijke boete bij
                                            recidive</vet></al><al>De Wwb verplicht de gemeenteraad in een verordening
                                            nadere regels te stellen over de bevoegdheid de
                                            beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                                            verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen
                                            daarmee de ruimte een afweging te maken van situaties of
                                            omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de
                                            beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het is
                                            mogelijk deze regels onder te brengen in deze
                                            maatregelverordening. De gemeenteraad heeft er echter
                                            voor gekozen deze regels niet in de verordening op te
                                            nemen omdat deze verordening een gecombineerde Wwb, Ioaw
                                            en Ioaz maatregelverordening is. </al><al>De regels over de bevoegdheid de beslagvrije voet
                                            tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van
                                            de recidiveboete zijn neergelegd in de verordening
                                            “Verrekening bestuurlijke boete bij recidive”.</al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING MAATREGELVERORDENING
                                                WWB, IOAW EN IOAZ 2013 OUDER-AMSTEL</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven
                                            in de Wwb, Ioaw, Ioaz, Awb of de Gemeentewet niet
                                            afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                                            voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende
                                            definities in de betreffende wetten ook de verordening
                                            moet worden gewijzigd. Onder de “bijstandsnorm” (lid 2
                                            onderdeel d) wordt in deze verordening verstaan de in de
                                            situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit
                                            is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en
                                            verminderd met verlagingen, alles inclusief
                                            vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering
                                            op grond van de Ioaw of de Ioaz wordt onder
                                            bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals
                                            bedoeld in artikel 5 Ioaw en artikel 5 Ioaz.</al><al><vet>Artikel 2. Het besluit tot het opleggen van een
                                                maatregel</vet></al><al>Het opleggen van een maatregel op grond van deze
                                            verordening vindt plaats door middel van een besluit.
                                            Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                                            beroep indienen. In artikel 2 van deze verordening is
                                            aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                                            vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de
                                            Awb en dan met name uit de motiveringsvereiste. De
                                            motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een
                                            besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                                            voorzien.</al><al><vet>Artikel 3. Afzien van een maatregel</vet></al><al><cursief>Afzien van een maatregel (lid 1)</cursief></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien
                                            elke vorm van verwijtbaarheid” ontbreekt, is overgenomen
                                            uit artikel 18 lid 2 Wwb (respectievelijk artikel 20 lid
                                            3 Ioaw en artikel 20 lid 3 Ioaz). Aangenomen moet worden
                                            dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente
                                            afwezigheid van verwijtbaarheid (zie CRvB 24-07-2001,
                                            nr. 99/1857 NABW, LJN AD4887). Het is aan het college te
                                            beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt
                                            aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid
                                            van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                                            maatregel, dan is het niet mogelijk om bij toepassing
                                            van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel
                                            12 van deze verordening). Is vanwege de afstemming op
                                            grond van artikel 18 lid 1 Wwb van een maatregel
                                            afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de
                                            betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in
                                            geval van recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een
                                            maatregel is dat de gedraging te lang geleden heeft
                                            plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                                            (“lik op stuk”) is het nodig dat een maatregel spoedig
                                            nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om
                                            deze reden regelt artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze
                                            verordening dat het college geen maatregel oplegt voor
                                            gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                                            plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een
                                            uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt
                                            gehouden over de vraag of de gemeente overgaat tot het
                                            opleggen van een maatregel.</al><al><cursief>Afzien van een maatregel in verband met
                                                dringende redenen (lid 2 en 3)</cursief></al><al>In artikel 3 lid 2 van deze verordening is geregeld dat
                                            kan worden afgezien van het opleggen van een maatregel
                                            indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De
                                            verordening stelt een algemene verplichting tot het
                                            opleggen van een maatregel voorop. </al><al>Uitzondering moeten echter mogelijk zijn indien voor de
                                            belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden
                                            optreden. Uit het woord “dringend” blijkt dat er wel
                                            iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet
                                            zijn, wil een afwijking van het algemene principe
                                            gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                                            afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                                            voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan
                                            enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten
                                            aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële
                                            of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of dienst
                                            gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige
                                            financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                                            een maatregel af te zien, aangezien dit inherent is aan
                                            het verlagen van de uitkering. Het doen van een
                                            schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                                            opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is
                                            van belang in verband met eventuele recidive is geregeld
                                            in artikel 12 van deze verordening.</al><al><cursief>Samenloop</cursief></al><al>Indien sprake is van één gedraging die zowel schending
                                            van een in deze verordening opgenomen verplichting als
                                            schending van de inlichtingenplicht oplevert, wordt ook
                                            geen verlaging opgelegd. Dit is geregeld in artikel 11
                                            lid 3 van deze verordening. Zie hiervoor de toelichting
                                            op artikel 11 in deze verordening.</al><al><vet>Artikel 4. Ingangsdatum en tijdvak van een
                                                maatregel</vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het
                                            verlagen van de uitkering. Verlaging van de uitkering
                                            kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>Met terugwerkende kracht, door middel van een
                                                  herziening van de uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>Door middel van verlaging van het
                                                  uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                                                  maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst
                                            wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Dan hoeft
                                            namelijk niet te worden overgegaan tot herziening van de
                                            uitkering en terugvordering van het teveel betaalde
                                            bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een
                                            maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag
                                            van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand
                                            waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening
                                            van de hoogte van de maatregel moet worden uitgegaan van
                                            de voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af
                                            te stemmen. In die gevallen dient de maatregel met
                                            terugwerkende kracht te worden toegepast (zie lid 2).
                                            Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen,
                                            is een bijzondere vorm van herziening van de uitkering.
                                            Het besluit leidt namelijk tot teveel verstrekte
                                            uitkering. De uitkering die op grond van het
                                            afstemmingsbesluit teveel is verstrekt kan met
                                            toepassing van artikel 58 lid 1 onderdeel a Wwb,
                                            respectievelijk artikel 25 lid 1 Ioaw en Ioaz, worden
                                            teruggevorderd. Hierbij moet wel worden bedacht dat
                                            afstemming met terugwerkende kracht niet altijd mogelijk
                                            is. Als alle uitkering over de betreffende periode is
                                            ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer om
                                            af te stemmen. </al><al>Als de gedraging schending van de inlichtingenplicht
                                            betreft, kan aangifte worden gedaan bij het OM, ook als
                                            de vordering minder bedraagt dan de aangiftegrens
                                            (uitzondering 5 in de Aanwijzing Sociale
                                            Zekerheidsfraude).</al><al><vet>Artikel 5. Berekeningsgrondslag</vet></al><al><cursief>Bijstandsnorm (lid 1)</cursief></al><al>In artikel 5 lid 1 van deze verordening is het
                                            uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt berekend
                                            over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt
                                            verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke
                                            toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij
                                            een uitkering op grond van de Ioaw of de Ioaz wordt
                                            gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5
                                            Ioaw/Ioaz. </al><al><cursief>Bijzondere bijstand (lid 2 en 3)</cursief></al><al>In artikel 5 lid 2 onderdeel a van deze verordening is
                                            bepaald dat een maatregel ook kan worden toegepast op de
                                            bijzondere bijstand indien aan een belanghebbende
                                            bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van
                                            artikel 12 Wwb. Personen tussen de 18 en 21 jaar
                                            ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk
                                            wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                                            bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een
                                            maatregel uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                                            opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten
                                            opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde lid,
                                            onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat
                                            geval bestaat uit de bijstandsnorm en de verleende
                                            bijzondere bijstand op grond van artikel 12 Wwb.</al><al>Artikel 5 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt
                                            het mogelijk dat het college in incidentele gevallen een
                                            maatregel oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                                            dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                                            belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een
                                            maatregel kan uitsluitend worden opgelegd indien
                                            daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt, en de
                                            aanvraag bijvoorbeeld niet is afgewezen wegens
                                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De
                                            verordening biedt ruimte om een maatregel toe te passen
                                            op de langdurigheidstoeslag.</al><al><vet>Artikel 6. Gedragingen</vet></al><al>De artikelen 6 en 7 van deze verordening moeten in
                                            onderlinge samenhang worden gelezen. De verwijtbare
                                            gedragingen die zijn genoemd in artikel 6, zijn
                                            ondergebracht in categorieën. Aan die categorieen wordt
                                            in artikel 7 een gewicht toegekend in de vorm van een
                                            verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt
                                            naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger
                                            naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor
                                            het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                                            arbeid.</al><al><cursief>Lid 2 onderdeel f: inspanningen jongeren in
                                                eerste vier weken na melding</cursief></al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum
                                            melding (zie artikel 9 lid 1 Wwb). Specifiek voor
                                            personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden
                                            beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken
                                            na de melding (artikel 43 lid 4 en 5 Wwb). Is geen
                                            enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van
                                            artikel 13 lid 2 onderdeel d Wwb geen recht op bijstand. </al><al>Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel
                                            van het college onvoldoende, dan kan het college de
                                            uitkering verlagen. Deze verlaging kan in principe reeds
                                            worden toegepast op basis van de grondslagen zoals
                                            genoemd in artikel 6 lid 2 van deze verordening. Een
                                            aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk.
                                            Het zou wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als
                                            het bijvoorbeeld gaat om een belanghebbende van 26 jaar
                                            die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in
                                            gaat. Vanwege de herkenbaarheid wordt deze situatie
                                            apart genoemd in artikel 6 lid 2 onderdeel f van de
                                            maatregelverordening.</al><al><vet>Artikel 7. Hoogte en duur van de
                                            maatregel</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 6.</al><al><vet>Artikel 8. Tekortschietend besef van
                                                verantwoordelijkheid</vet></al><al>Aan de Wwb ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder
                                            in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient
                                            te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men
                                            een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat
                                            iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep
                                            op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat
                                            belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                                            is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een
                                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                            voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval
                                            sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe
                                            leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een
                                            hoger bedrag is aangewezen op bijstand):</al><lijst><li nr="·"><al>Het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="·"><al>Het door eigen schuld verliezen van het recht op
                                                  een uitkering;</al></li><li nr="·"><al>Het door eigen schuld te laat aanvragen van een
                                                  voorliggende voorziening.</al></li></lijst><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid is een gedraging die ook zou kunnen
                                            worden gekwalificeerd als een tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
                                            Vanwege de samenhang met de arbeidsverplichtingen is er
                                            echter voor gekozen deze gedraging onder te brengen in
                                            artikel 6 van deze verordening (zie artikel 6 lid 3
                                            onderdeel b).</al><al>Op grond van artikel 8 van deze verordening kan een
                                            maatregel worden opgelegd wegens het betonen van
                                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                            voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging
                                            komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                                            benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van
                                            de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger
                                            bedrag een beroep wordt gedaan; zie ook de
                                            begripsomschrijving in artikel 1 lid 2 onderdeel e van
                                            deze verordening.</al><al><vet>Artikel 9. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Onder de term “zeer ernstige misdragingen” kunnen
                                            diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat
                                            er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag
                                            dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen
                                            als onacceptabel wordt beschouwd. Het college kan alleen
                                            een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                                            tussen de ernstige misdraging en (mogelijke)
                                            belemmeringen bij het vaststellen van het recht op een
                                            uitkering. De Wwb, maar ook de Ioaw en Ioaz bevatten
                                            immers geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van
                                            zeer ernstige misdragingen. </al><al>Het recht op uitkering kan daarom alleen worden
                                            afgestemd wegens het zich zeer ernstig misdragen als dit
                                            heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een
                                            (andere) aan de uitkering verbonden verplichting (zie
                                            bijvoorbeeld CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 Wwb, LJN BN
                                            0660). Vandaar dat in artikel 9 van deze verordening
                                            wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten
                                            hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die
                                            rechtstreeks verband houden met de uitvoering van Wwb,
                                            Ioaw of Ioaz. Indien een belanghebbende zich zeer
                                            ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan de
                                            uitkering verbonden verplichting –hij komt bijvoorbeeld
                                            uit eigen beweging stennis maken- dan is binnen de Wwb
                                            (respectievelijk Ioaw en Ioaz) tegen deze gedraging geen
                                            sanctie mogelijk.</al><al>Een belanghebbende heeft ook een inlichtingenplicht
                                            jegens het UWV. Daarom kan geconcludeerd worden dat ook
                                            zeer ernstige misdragingen jegens (medewerkers van) het
                                            UWV, zouden kunnen leiden tot een maatregel van de
                                            bijstand op grond van de maatregelverordening. Het zich
                                            zeer ernstig misdragen jegens een medewerker van het
                                            re-integratiebureau, omdat deze personen werken in
                                            opdracht van het college en de misdraging van negatieve
                                            invloed is op de op belanghebbende uit hoofde van de Wwb
                                            rustende verplichting tot arbeidsinschakeling (zie
                                            Rechtbank Rotterdam 26-03-2008, nr. 07/1478, LJN BC
                                            9884) valt hier ook onder.</al><al><vet>Artikel 10. Niet nakomen van overige
                                                verplichtingen</vet></al><al>De Wwb geeft het college de bevoegdheid om
                                            belanghebbende verplichtingen op te leggen die volledig
                                            individueel bepaald zijn. Artikel 55 Wwb biedt daartoe
                                            de mogelijkheid en beperkt deze tot een drietal
                                            categorieen, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>Verplichtingen die strekken tot de
                                                  arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>Verplichtingen die verband houden met de aard en
                                                  het doel van een bepaalde vorm van bijstand;
                                                  of</al></li><li nr="3."><al>Verplichtingen die strekken tot vermindering of
                                                  beeindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de maatregel is in deze verordening per
                                            categorie verschillend vastgesteld. Omdat de
                                            verplichtingen die het college op grond van artikel 55
                                            Wwb kan opleggen een zeer individueel karakter hebben,
                                            kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde
                                            maatregel niet is afgestemd op de individuele
                                            omstandigheden van een belanghebbende. Het is dan ook
                                            van belang dat het college altijd rekening houdt met de
                                            individualiseringsbepaling van artikel 18 lid 1 Wwb.
                                            Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te
                                            stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen
                                            van een belanghebbende. In individuele gevallen kan dus
                                            worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde
                                            maatregel.</al><al><vet>Artikel 11. Samenloop van gedragingen</vet></al><al>De regeling voor samenloop ziet op twee mogelijke
                                            situaties. Enerzijds de situatie dat sprake is van één
                                            gedraging die schending van meerdere verplichtingen
                                            oplevert. In het geval dat er sprake is van één
                                            gedraging die schending oplevert van meerdere in deze
                                            verordening geregelde verplichtingen moet worden
                                            uitgegaan van de verplichting waarop de hoogste
                                            verlaging van toepassing is (lid 1). Indien sprake is
                                            van één gedraging die zowel schending van een in deze
                                            verordening opgenomen verplichting als schending van de
                                            inlichtingenplicht oplevert, wordt geen maatregel
                                            opgelegd. </al><al>De schending van deze verplichtingen kan immers niet
                                            gezamenlijk worden afgedaan omdat schending van de
                                            inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm
                                            van een bestuurlijke boete. De boete heeft in dat geval
                                            prioriteit waardoor van een maatregel moet worden
                                            afgezien (lid2).</al><al>Anderzijds is de situatie geregeld waarin sprake is van
                                            verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop, lid 3).
                                            In het laatste geval moet voor iedere afzonderlijke
                                            gedraging een maatregel worden opgelegd, tenzij dit niet
                                            verantwoord is. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar
                                            de individuele omstandigheden. De maatregel wordt dan
                                            over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><al><vet>Artikel 12. Recidive</vet></al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare
                                            gedraging wederom sprake is van een verwijtbare
                                            gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                                            uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte
                                            of duur van de maatregel. Een maatregel kan nooit hoger
                                            zijn dan 100%. Daarom is bij gedragingen waar relatief
                                            zware maatregels voor gelden, gekozen voor een
                                            verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van
                                            de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de
                                            eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot
                                            een maatregel, ook indien wegens dringende redenen is
                                            afgezien van het opleggen van een maatregel. Is vanwege
                                            de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                                            afgezien van een maatregel, dan is het niet mogelijk om
                                            bij toepassing van recidive deze gedraging mee te
                                            tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn
                                            van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het
                                            besluit waarmee de maatregel is opgelegd, is
                                            verzonden.</al><al>Op basis van artikel 12 van deze verordening kan een
                                            recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast.
                                            Indien een belanghebbende na een tweede verwijtbare
                                            gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont, zal de
                                            hoogte en de duur van de maatregel individueel moeten
                                            worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden
                                            naar de ernst van de gedraging, de mate van
                                            verwijtbaarheid en de omstandigheden.</al><al><vet>Artikel 13. Samenloop bij weigeren uitkering
                                                Ioaw/Ioaz</vet></al><al>Het college is op grond van artikel 20 Ioaz
                                            respectievelijk artikel 20 Ioaz bevoegd de uitkering
                                            blijvend of tijdelijk te weigeren als een
                                            belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had
                                            kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een
                                            discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of
                                            een maatregel moet worden toegepast, zal pas aan de orde
                                            komen als het college zich een oordeel heeft gevormd
                                            over de eventuele weigering van de uitkering. Deze
                                            beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college
                                            concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op
                                            grond van deze verordening een verlaging worden
                                            toegepast. Artikel 13 van deze verordening is derhalve
                                            bedoeld om samenloop te voorkomen.</al><al><vet>Artikel 14. Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1
                                            januari 2013. Hierbij is aansluiting gezocht bij de “Wet
                                            aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                                            SZW-wetgeving”.</al><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening vervalt per
                                            1 januari 2013 de Maatregelverordening Wwb, Ioaw en Ioaz
                                            2012.</al><al><vet>Artikel 15. Citeertitel</vet></al><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze
                                            verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>