<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR320219_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening persoonlijk minimabudget gemeente Overbetuwe 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-03-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.officielebekendmakingen.nl, 16 januari 2015, nr. 4512</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening persoonlijk minimabudget gemeente Overbetuwe 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid onderdeel b en tweede lid van de Participatiewet en 147 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-10-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14RB000110</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-9437</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening persoonlijk minimabudget gemeente Overbetuwe 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: Verordening persoonlijk minimabudget gemeente Overbetuwe
                        2015</al><al/><al>Ons kenmerk: 14RB000110</al><al/><al>Nr. 8f</al><al/><al>De raad van de gemeente Overbetuwe;</al><al/><al>gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 4 november
                        2014;</al><al/><al>gelezen het advies van de voorbereidende vergadering van 9 december
                        2014;</al><al/><al>gelet op artikel(en) 8, eerste lid onderdeel b en tweede lid van de
                        Participatiewet en 147 van de Gemeentewet;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de</al><al><vet>Verordening persoonlijk minimabudget</vet></al><al><vet>gemeente Overbetuwe 2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat on¬der:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande: de alleenstaande als bedoeld in artikel 4, eerste
                                lid, aanhef en onder a. van de wet;</al></li><li nr="b."><al>bestuurlijke boete: boete als bedoeld in artikel 18a van de
                                wet;</al></li><li nr="c."><al>gezin: het gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en
                                onder c van de wet ;</al></li><li nr="d."><al>inkomen: totaal van het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de
                                wet, met dien verstande dat voor de zinsnede ‘een periode waarover
                                een beroep op bijstand wordt gedaan’ moet worden gelezen ‘de
                                referteperiode’; </al></li><li nr="e."><al>kind: het ten laste komende kind als bedoeld in artikel 4, eerste
                                lid, aanhef en onder e. van de wet; </al></li><li nr="f."><al>afstemmingsverordening: Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW
                                en IOAZ gemeente Overbetuwe 2015;</al></li><li nr="g."><al>norminkomen: 110% van de op de belanghebbende(n) van toepassing
                                zijnde bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2 van de
                                wet, inclusief eventuele toeslagen en verlagingen op grond van
                                hoofdstuk 3, paragraaf 3 van de wet; </al></li><li nr="h."><al>peildatum: de datum waarop op enig moment het recht op het
                                persoonlijk minimabudget ontstaat, voor zover die datum niet ligt
                                voor de datum van aanvraag van het persoonlijk minimabudget;</al></li><li nr="i."><al>persoonlijk minimabudget: de individuele inkomenstoeslag als bedoeld
                                in artikel 36 van de wet;</al></li><li nr="j."><al>referteperiode: een periode van 12 aaneengesloten maanden
                                voorafgaand aan de peildatum;</al></li><li nr="k."><al>wet:Participatiewet;</al></li><li nr="l."><al>WSF: Wet Studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="m."><al>WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Recht op het persoonlijk minimabudget</titel></kop><al>Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van het
                        hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende de
                        referteperiode het inkomen per maand niet hoger is geweest dan het
                        norminkomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Geen recht op het persoonlijk minimabudget</titel></kop><al>Geen recht op het persoonlijk minimabudget bestaat, als:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, een
                                studie volgt als genoemd in de WSF of anderszins door het Rijk
                                bekostigd onderwijs volgt;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende in de referteperiode een gedraging als bedoeld in
                                artikel 7, derde of vierde categorie; artikel 8, derde of vierde
                                categorie; artikel 12; artikel 13 van de afstemmingsverordening, of
                                artikel 18 , vierde lid, van de wet heeft verricht en daarvoor een
                                maatregel opgelegd heeft gekregen. </al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende op grond van schending van de inlichtingenplicht,
                                hetgeen geleid heeft tot een benadelingsbedrag, een bestuurlijke
                                boete opgelegd heeft gekregen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Het verzoek om een persoonlijk minimabudget moet door middel van een daartoe
                        door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Gehuwden, als bedoeld in artikel 3 van de wet, komen alleen in
                                aanmerking voor het persoonlijk minimabudget, als beide partners aan
                                alle voorwaarden voor toekenning van het persoonlijk minimabudget
                                voldoen.</al></li><li nr="2."><al>Als één van de gehuwden op grond van de wet is uitgesloten van het
                                recht op bijstand, heeft de ander, als deze aan alle voorwaarden
                                voor toekenning van het persoonlijk minimabudget voldoet, recht op
                                het persoonlijk minimabudget naar de norm van een alleenstaande, dan
                                wel, als er sprake is van een of meerdere kinderen, van een
                                gezin.</al></li><li nr="3."><al>Als één van de gehuwden in een inrichting verblijft, is op het gezin
                                de norm van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a. van deze
                                verordening van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hoogte van het persoonlijk minimabudget</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van het persoonlijk minimabudget bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor gezinnen: 40% van de bijstandsnorm, genoemd in artikel
                                        21, aanhef en onder c. van de wet;</al></li><li nr="b."><al>voor alleenstaanden: 40% van de bijstandsnorm, genoemd in
                                        artikel 21, aanhef en onder a. van de wet, vermeerderd met
                                        40% van de maximale toeslag, genoemd in artikel 25, tweede
                                        lid van de wet;</al></li><li nr="c."><al>voor een gezin, verblijvend in een inrichting: 40% van de
                                        bijstandsnorm, genoemd in artikel 23, eerste lid, aanhef en
                                        onder b. van de wet, vermeerderd met 40% van het bedrag,
                                        genoemd in artikel 23, tweede lid, aanhef en onder b. van de
                                        wet;</al></li><li nr="d."><al>voor een alleenstaande, verblijvend in een inrichting: 40%
                                        van de bijstandsnorm, genoemd in artikel 23, eerste lid,
                                        aanhef en onder a. van de wet, vermeerderd met 40% van het
                                        bedrag, genoemd in artikel 23, tweede lid, aanhef en onder
                                        a. van de wet. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van de
                                bijstandsnorm en toeslag, exclusief vakantietoeslag.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van het persoonlijk minimabudget wordt naar boven afgerond
                                tot het eerste gehele getal.</al></li><li nr="4."><al>De hoogte van het persoonlijk minimabudget wordt bepaald aan de hand
                                van de bijstandsnorm en toeslag, zoals deze gelden per 1 januari van
                                het jaar, waarin de peildatum gelegen is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verhoging van het persoonlijk minimabudget</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als op grond van deze verordening recht bestaat op het persoonlijk
                                minimabudget, wordt het persoonlijk minimabudget verhoogd met:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 50,00 per kind, dat op de peildatum basisonderwijs
                                        volgt;</al></li><li nr="b."><al>€ 100,00 per kind, dat op de peildatum voortgezet onderwijs
                                        volgt;</al></li><li nr="c."><al>€ 100,00 per gezinslid, dat op de peildatum voldoet aan het
                                        bepaalde in het tweede lid;</al></li><li nr="d."><al>€ 100,00 voor een alleenstaande, die op de peildatum voldoet
                                        aan het bepaalde in het tweede lid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een gezinslid of een alleenstaande komt in aanmerking voor verhoging
                                van het persoonlijk minimabudget als genoemd in het eerste lid onder
                                c. en d., als:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende in de referteperiode gebruik heeft gemaakt
                                        van een voorziening die is toegekend op grond van de WMO,
                                        óf</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende op de peildatum ten minste 5 jaar
                                        onafgebroken aangewezen is geweest op een uitkering op grond
                                        van de wet, de IOAW of een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
                                        omdat belanghebbende wegens medische redenen een ontheffing
                                        van de arbeidsplicht heeft, óf</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende op de peildatum de pensioengerechtigde
                                        leeftijd heeft bereikt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Overeenkomstige toepassing</titel></kop><al>Deze verordening is van overeenkomstige toepassing op een gezin, waarvan
                        minstens één meerderjarige de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en
                        op een alleenstaande, die de pensioengerechtigde leeftijd heeft
                        bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen één of meer artikelen van deze verordening
                        buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op
                        het belang van het verstrekken van een persoonlijk minimabudget aan
                        belanghebbenden met een langdurig laag inkomen, leidt tot een onbillijkheid
                        van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening persoonlijk minimabudget Gemeente Overbetuwe 2015, zoals
                        vastgesteld bij besluit van 7 januari 2014, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking de dag na de datum van bekendmaking en
                        werkt terug tot 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening persoonlijk minimabudget
                        gemeente Overbetuwe 2015.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in zijn openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van 13 januari 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>A.J. van den Brink MBA.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs A.S.F. van Asseldonk.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Bij de invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 is de
                    Langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de
                    Langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de Langdurigheidstoeslag sinds
                    die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1
                    januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de Langdurigheidstoeslag.
                    Het college kan een individuele inkomenstoeslag verlenen als een persoon voldoet
                    aan de voorwaarden daarvoor. In de gemeente Overbetuwe hebben wij hiertoe sinds
                    1 januari 2014 het persoonlijk minimabudget (PMB). </al><al/><al><cursief>De basis voor het PMB is de individuele inkomenstoeslag van artikel 36
                        Participatiewet. Elke belanghebbende van 21 jaar of ouder, die minimaal 12
                        aaneengesloten maanden aangewezen is op een inkomen van maximaal 110% van de
                        geldende bijstandsnorm én geen vermogen heeft, komt voor het PMB in
                        aanmerking.</cursief></al><al/><al>Het PMB (de individuele inkomenstoeslag) is niet gerelateerd aan bepaalde
                    kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die
                    langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die
                    persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid,
                    van de Participatiewet. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op
                    inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van
                    de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot
                    die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al><al>- de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al><al>- de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te
                    komen.</al><al/><al>Artikel 36 van de Participatiewet bepaalt dat het recht op Individuele
                    inkomenstoeslag bestaat voor personen van 21 jaar of ouder, maar niet ouder dan
                    de pensioengerechtigde leeftijd. Het persoonlijk minimabudget moet, in de visie
                    van de gemeenteraad, echter open staan voor iedereen van 21 jaar of ouder. Omdat
                    artikel 36 van de Participatiewet toekenning van de toeslag beperkt tot
                    personen, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, is een gemeentelijke
                    regeling (minimabeleid) noodzakelijk om beide groepen gelijk te stellen. </al><al/><al><vet><cursief>Overgangsrecht</cursief></vet></al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    Langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht
                    op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat
                    enerzijds artikel 78z van de Participatiewet voorziet in algemeen overgangsrecht
                    met betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB
                    op 1 januari 2015. Anderzijds hebben wij met de invoering van het PMB
                    geanticipeerd op de aanstaande wetswijziging. </al><al/><al><cursief>Wijziging leefvorm</cursief></al><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan
                    wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden
                    individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de
                    referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan
                    ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor
                    individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel
                    gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al><al/><al>Deze verordening werkt de voorwaarden voor het verstrekken van het PMB en de
                    mogelijkheden tot verhoging van dit budget nader uit.</al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>De begrippen die we in de verordening gebruiken, hebben eenzelfde betekenis als
                    de omschrijving in de Participatiewet en in de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb).</al><al/><al><cursief>Onderdeel d:</cursief> We gaan met het begrip ‘inkomen’ in deze
                    verordening op dezelfde manier om als in het kader van de uitvoering van de
                    Participatiewet door een verbinding te maken met artikel 32 Participatiewet. We
                    rekenen bijvoorbeeld vrijgelaten inkomsten (zie artikel 31, tweede lid
                    Participatiewet) ook in het kader van deze verordening niet tot het inkomen van
                    de belanghebbende(n).</al><al>De tweede zin van dit onderdeel is noodzakelijk om een bijstandsuitkering wel
                    tot het inkomen van de belanghebbende(n) te kunnen rekenen. </al><al/><al><vet>Artikel 2 Recht op het persoonlijk minimabudget</vet></al><al>Met deze bepaling voldoen we aan de verplichting van artikel 8, eerste lid,
                    aanhef en onder b. Participatiewet. De begrippen ‘langdurig’ en ‘laag’
                    beschrijven we in artikel 1, onderdelen d, g en j van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Geen recht op het persoonlijk minimabudget</vet></al><al>Artikel 36, eerste lid Participatiewet bepaalt dat er alleen recht op een
                    individuele inkomenstoeslag bestaat, als er ‘geen uitzicht op
                    inkomensverbetering’ is. Personen die een opleiding/studie volgen, hebben wel
                    uitzicht op inkomenverbetering. Op die grond zijn zij uitgesloten van het recht
                    op het persoonlijk minimabudget, zoals neergelegd in onderdeel a van dit
                    artikel.</al><al>Let op: Dit geldt ook voor personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    die op korte termijn zicht hebben op uitstroom naar werk (lees: uitzicht op
                    inkomensverbetering).</al><al/><al>Tenslotte is een opgelegde bestuurlijke boete- als belanghebbende in de
                    referteperiode van twaalf maanden de inlichtingenplicht heeft geschonden en
                    daarmee de gemeente Overbetuwe financieel benadeeld heeft- ook een reden om het
                    persoonlijk minimabudget niet toe te kennen .</al><al/><al><vet>Artikel 4 Aanvraagformulier</vet></al><al>Artikel 36, eerste lid Participatiewet bepaalt dat we de toeslag
                        <onderstreept>op aanvraag</onderstreept> toekennen. Deze bepaling in de
                    verordening bepaalt nadrukkelijk dat belanghebbende de aanvraag indient met een
                    door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Gehuwden</vet></al><al>In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat beide partners moeten voldoen
                    aan alle voorwaarden voor het recht op het persoonlijk minimabudget. Als dat
                    niet het geval is, wijzen wij de aanvraag af. </al><al/><al>Het tweede lid van dit artikel heeft betrekking op de situatie als bedoeld in
                    artikel 24 Participatiewet. Als één van beide partners geen recht heeft op
                    bijstand (en daarmee dus ook niet op het persoonlijk minimabudget) en de andere
                    partner voldoet wel aan alle voorwaarden, dan heeft de andere partner recht op
                    het persoonlijk minimabudget naar de norm voor een alleenstaande, dan wel naar
                    de norm voor een gezin (een alleenstaande ouder valt namelijk ook onder de
                    definitie van een ‘gezin’). Dit betekent voor gehuwden met kinderen dat, als één
                    van de gehuwden is uitgesloten van het recht op bijstand, de andere partner toch
                    een gezin blijft (omdat we deze ouder beschouwen als een alleenstaande ouder).
                    De hoogte van het persoonlijk minimabudget blijft dan hetzelfde, omdat er maar
                    twee normen zijn: één voor een gezin en één voor een alleenstaande.</al><al/><al>Artikel 23, derde lid Participatiewet ziet op de situatie dat één van de
                    gehuwden in een inrichting verblijft. De uitkeringsnorm is dan de som van de
                    norm voor de gehuwde in een inrichting en de norm voor de gehuwde buiten de
                    inrichting. Ter voorkoming van een dergelijke berekening ten aanzien van het
                    persoonlijk minimabudget, bepaalt voormeld artikel dat we ook als één van de
                    gehuwden in een inrichting verblijft, het persoonlijk minimabudget toekennen
                    naar de norm voor een gezin, verblijvend buiten een inrichting. Verblijven beide
                    partners in een inrichting, dan is artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c. van
                    deze verordening van toepassing, zo volgt uit het bepaalde in het derde lid van
                    dit artikel.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Hoogte van het persoonlijk minimabudget</vet></al><al>In de afgelopen jaren is de hoogte van de Langdurigheidstoeslag een afgeleide
                    geweest van de hoogte van de verschillende bijstandsnormen en –toeslagen. We
                    hebben in het eerste lid van dit artikel dan ook geen bedragen opgenomen, maar
                    gaan uit van een percentage. In de afgelopen jaren bedroeg dit percentage 40%
                    van de bijstandsnorm (inclusief maximale toeslag, exclusief vakantiegeld). De
                    verordening gaat ook uit van dit percentage (NB De Nota Arm in Arm gaat van even
                    hoge bedragen uit).</al><al/><al>Personen die in een inrichting verblijven, kunnen ook in aanmerking komen voor
                    het persoonlijk minimabudget (eerste lid, sub c. en d.). Voor de beoordeling van
                    het recht op het persoonlijk minimabudget brengen we de bijdrage voor verblijf
                    in de inrichting op het inkomen in mindering. Het restantinkomen zetten we
                    vervolgens af tegen de norm voor verblijf in een inrichting om het recht op het
                    persoonlijk minimabudget te bepalen.</al><al>De Nota Arm in Arm gaat uit van twee soorten normen, één van gezinnen en één
                    voor alleenstaanden. De verordening bevat dan ook geen norm meer voor een
                    alleenstaande ouder.</al><al/><al>Op grond van het tweede lid stellen we de hoogte van het persoonlijk
                    minimabudget vast aan de hand van de hoogte van de bijstandsnorm (eventueel
                    inclusief toeslag), exclusief vakantietoeslag.</al><al/><al>Nu we de hoogte van het persoonlijk minimabudget vaststellen aan de hand van een
                    percentage van de bijstandsnorm, is de kans groot dat de uitkomst van die som
                    niet op een geheel getal uitkomt. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat dit
                    uiteindelijk wel het geval is. Een voorbeeld:</al><al/><al>Norm gehuwden (exclusief vakantiegeld) = € 1.255,86 x 40% = € 502,344. De hoogte
                    van het persoonlijk minimabudget voor gehuwden bedraagt dan € 503,00.</al><al/><al>De hoogte van het persoonlijk minimabudget berekenen we jaarlijks, op grond van
                    het bepaalde in het vierde lid, op basis van de hoogte van de bijstandsnormen en
                    toeslagen per 1 januari van het betreffende jaar. Hiermee voorkomen wij dat de
                    hoogte van het persoonlijk minimabudget tijdens het kalenderjaar (meerdere
                    malen) moeten wijzigen.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 7 Verhoging van het persoonlijk minimabudget</vet></al><al>De school€extra bijdrage uit de nota Arm in Arm hebben we opgenomen in de
                    onderdelen a. en b., zoals vermeld in het eerste lid. </al><al>Deze bijdrage is bedoeld voor de maatschappelijke ontwikkeling van het kind. </al><al>De onderdelen c. en d. in het eerste lid bevatten de verhoging van het
                    persoonlijk minimabudget voor de ‘vrijgestelden van arbeidsplicht’ en de
                    chronisch zieken en gehandicapten. Deze werken we inhoudelijk uit in het tweede
                    lid.</al><al/><al>Het tweede lid, onderdeel a. geeft personen, die vroeger onder de regeling voor
                    categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken en gehandicapten vielen,
                    recht op een aanvulling op het persoonlijk minimabudget. De bepaling dat er
                    recht bestaat op een bijdrage, als belanghebbenden een beroep doen op de Wtcg
                    (Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten) hebben wij niet
                    overgenomen, aangezien de Wtcg per 1 januari 2014 is vervallen.</al><al>Onderdeel b. van het tweede lid regelt de verhoging van het budget voor
                    ‘vrijgestelden van arbeidsplicht’. Onder deze categorie vallen personen die 5
                    jaar of langer zijn aangewezen zijn op een Participatiewet-, IOAW- of
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering, omdat die persoon wegens medische redenen is
                    vrijgesteld van de arbeidsplicht. Als iemand 5 jaar of langer over een
                    dergelijke uitkering beschikt, is zijn afstand tot de arbeidsmarkt aanzienlijk.
                    Voor deze categorie is artikel 36 Participatiewet onder meer in het leven
                    geroepen. De ontheffing van de arbeidsplicht is moeilijker te controleren als de
                    belanghebbende een uitkering heeft bij een andere instantie dan de
                    gemeente.</al><al>Onderdeel c. van het tweede lid geeft pensioengerechtigden, zonder nadere
                    voorwaarden, recht op verhoging van het persoonlijk minimabudget. De gedachte
                    hierachter is dat pensioengerechtigden geen mogelijkheid meer hebben om hun
                    inkomenssituatie structureel te verbeteren.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Overeenkomstige toepassing</vet></al><al>Artikel 36 van de Participatiewet bepaalt dat het recht op Individuele
                    inkomenstoeslag bestaat voor personen van 21 jaar of ouder, maar niet ouder dan
                    de pensioengerechtigde leeftijd. Het persoonlijk minimabudget moet, in de visie
                    van de gemeenteraad, echter open staan voor iedereen van 21 jaar of ouder. Omdat
                    artikel 36 van de Participatiewet toekenning van de toeslag beperkt tot
                    personen, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, is een gemeentelijke
                    regeling (minimabeleid) noodzakelijk om beide groepen gelijk te stellen. </al><al>Door de verordening in artikel 8 van overeenkomstige toepassing te verklaren op
                    personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, komen aan
                    pensioengerechtigden dezelfde rechten toe als aan personen die de
                    pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt. Het enige verschil is dat
                    het persoonlijk minimabudget voor personen, jonger dan de pensioengerechtigde
                    leeftijd, bijzondere bijstand is en voor personen die de pensioengerechtigde
                    leeftijd wel hebben bereikt, minimabeleid.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel opent de mogelijkheid om, in gevallen waarin toepassing van de
                    verordening – gegeven het doel en strekking ervan – een onbillijkheid van
                    overwegende aard zou opleveren, (een onderdeel van) de verordening buiten
                    toepassing te laten of daarvan af te wijken. De toepassing van deze mogelijkheid
                    beperkt zich overigens wel tot het op het moment van het vaststellen van deze
                    verordening niet voorziene gevallen en tot (eventuele) onbillijkheden van
                    overwegende aard. De te treffen voorziening, waarin de verordening dus niet
                    voorziet, moet wel binnen de doelstelling van de verordening passen. Ook moeten
                    we de verordening er vervolgens op aanpassen, omdat het immers een voorzienbaar
                    geval is geworden.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Intrekking oude regeling</vet></al><al>Met dit artikel trekken we de Verordening persoonlijk minimabudget gemeente
                    Overbetuwe 2014 in.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overbetuwe/i249655.pdf">Verordening persoonlijk minimabudget gemeente Overbetuwe 2015.pdf</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>