<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR319071_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heiloo 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Uitkijkpost, 7 januari 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heiloo 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416">Gemeentewet art. 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703">Participatiewet art. 8, eerste lid, aanhef onderdeel a en e, art. 8b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004044">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>aangepaste regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14-10962</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Heiloo, zoals vastgesteld op 8 oktober 2012 wordt ingetrokken.</al><al>Artikel 16 bevat een hardheidsclausule.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heiloo
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Heiloo;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van ;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, artikel 8, eerste lid, aanhef
                        onderdeel a en e en artikel 8b van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>besluit vast te stellen de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en
                        IOAZ gemeente Heiloo 2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>het college</vet>: het college van burgemeester en
                                        wethouders van de gemeente Heiloo;</al></li><li nr="b."><al><vet>IOAW</vet>: Wet Inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="c."><al><vet>IOAZ</vet>: Wet Inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="d."><al><vet>norm</vet>: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in
                                        artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet, de toegekende
                                        bijzondere bijstand voor levensonderhoud overeenkomstig
                                        artikel 12 en 13, derde lid van de Participatiewet of de
                                        grondslag van de voorziening als bedoeld in artikel 5 van de
                                        IOAW/IOAZ, voor zover er sprake is van een voorziening op
                                        grond van de IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="e."><al><vet>uitkering</vet>: uitkering voor levensonderhoud
                                        ingevolge de Participatiewet;</al></li><li nr="f."><al><vet>voorziening</vet>: uitkering ingevolge de
                                        IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="g."><al><vet>afstemmen</vet>: het verlagen van de norm als bedoeld
                                        in de artikelen 9a, twaalfde lid en 18 van de
                                        Participatiewet, de artikelen 20 of 38, twaalfde lid van de
                                        IOAW/.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Mate van verlaging</titel></kop><al>De verlaging vindt plaats met inachtneming van de ernst van de
                            gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden
                            verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18, tweede, vijfde,
                            zesde, zevende en achtste lid van de Participatiewet of van de
                            voorziening als bedoeld in artikel 20 en 38, twaalfde lid van de
                            IOAW/IOAZ wordt in ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het percentage waarmee de norm wordt verlaagd en;</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaard
                                    verlaging. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><label>Het horen van belanghebbende</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat de norm wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege gelaten worden
                                indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="2."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="3."><al>de belanghebbende schriftelijk aangeeft hiervan geen gebruik
                                        te willen maken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afzien van een verlagen van de norm</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van het verlagen van
                                de norm indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college geheel of gedeeltelijk afziet van het verlagen
                                van de norm op grond van dringende redenen wordt de belanghebbende
                                daarvan middels een besluit op de hoogte gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><label>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                toepassen van de verlaging aan de belanghebbende is bekend gemaakt.
                                Indien over deze periode de norm reeds is verlaagd of er geen recht
                                op de uitkering of voorziening bestaat wegens inkomsten boven de
                                norm in die maand, vindt de verlaging aansluitend op deze periode
                                plaats. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende norm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan bij een nieuwe aanvraag de norm
                                worden verlaagd vanaf de datum van ingang van de uitkering of
                                voorziening. De norm hoeft dan niet te worden herzien.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een verlaging niet of niet geheel (meer) ten uitvoer kan worden
                                gelegd als gevolg van de beëindiging van de uitkering of
                                voorziening, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog
                                niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen 90
                                dagen opnieuw eenzelfde uitkering of voorziening aanvraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.</label><label>Berekeningsgrondslag</label></kop><al>Een verlaging wordt berekend over de norm.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van niet-geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende, waardoor de verplichting op grond
                            van artikel 9, artikel 9a en artikel 17, tweede lid van de
                            Participatiewet niet (tijdig) of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Eerste categorie</vet>: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet (tijdig) als werkzoekende geregistreerd zijn of
                                            het niet tijdig verlengen van de registratie bij het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV);</al></li><li nr="b."><al>het binnen de zoektijd van 4 weken toch aanvragen van
                                            een uitkering, terwijl geen sprake is van de
                                            uitzondering als vermeld in artikel 41, zesde en achtste
                                            lid van de Participatiewet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Tweede categorie</vet>: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met
                                            arbeidsinschakeling op een aangegeven tijd, datum en
                                            plaats te verschijnen; </al></li><li nr="b."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b van de Participatiewet niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                            Participatiewet; </al></li><li nr="c."><al>het te laat komen op de werkplek voor het verrichten van
                                            naar vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                                            nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste
                                            lid onderdeel c van de Participatiewet.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><vet>Derde categorie</vet>: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak, genoemd
                                            in artikel 44a van de Participatiewet; </al></li><li nr="b."><al>het onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling,
                                            waaronder sociale activering, als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onderdeel b van de Participatiewet; </al></li><li nr="c."><al>het niet tijdig of onvoldoende meewerken aan een
                                            onderzoek naar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de
                                            Participatiewet; </al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                            werkzaamheden naar vermogen als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>Vierde categorie</vet>: </al><lijst><li nr="a."><al>het tijdens de zoektijd van 4 weken als bedoeld in
                                            artikel 41, vierde lid van de Participatiewet niet naar
                                            vermogen solliciteren en/of zoeken naar mogelijkheden
                                            binnen het ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs; </al></li><li nr="b."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor
                                            zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld
                                            in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van artikel 13, tweede lid, artikel 37 en artikel 38 van de IOAW/IOAZ
                            niet (tijdig) of onvoldoende wordt nagekomen of er sprake is van het
                            betonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Eerste categorie</vet>:</al><al>het niet (tijdig) als werkzoekende geregistreerd zijn of het
                                    niet tijdig verlengen van de registratie bij het
                                    uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).</al></li><li nr="2."><al><vet>Tweede categorie</vet>: </al><lijst><li nr="a."><al>het te laat komen op de werkplek voor het verrichten van
                                            naar vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                                            nuttige werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e van de IOAW/IOAZ niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in
                                            artikel 38, eerste lid van IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="c."><al>het te laat komen op een afspraak al dan niet bij een
                                            derde met als doel een oproep in verband met de
                                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><vet>Derde categorie</vet>:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet verschijnen op een afspraak op een bepaalde
                                            plaats en tijd te verschijnen in verband met de
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>het niet (tijdig) of in onvoldoende mate meewerken aan
                                            een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid onderdeel e van de
                                            IOAW/IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen
                                            doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                            voorziening;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de
                                            IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>Vierde categorie</vet></al><lijst><li nr="a."><al>door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste
                                            lid, onderdeel a of b van de IOAW of artikel 20, tweede
                                            lid, onderdeel a of b van de IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>overige gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                            belemmeren.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoogte en duur van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2 van deze verordening wordt de verlaging, bij
                                gedragingen zoals bedoeld in de artikelen 8 en 9, vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de
                                        eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>20% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de
                                        tweede categorie.</al></li><li nr="c."><al>50% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de
                                        derde categorie.</al></li><li nr="d."><al>100 % van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de
                                        vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de afstemming als bedoeld in het eerste lid
                                onderdeel a tot en met c van dit artikel wordt verdubbeld, indien de
                                belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een
                                besluit waarbij de uitkering of voorziening is afgestemd, opnieuw
                                schuldig maakt aan het niet, niet tijdig of onvolledig nakomen van
                                een verplichting van dezelfde of een hogere categorie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste lid onderdeel d,
                                wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering of voorziening is
                                afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van
                                dezelfde categorie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Duur van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                                vierde lid van de Participatiewet niet (tijdig) of onvoldoende
                                nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de norm gedurende:</al><lijst><li nr="a."><al>één maand bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde
                                        lid, onderdeel b, f en g van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>twee maanden bij gedragingen als bedoeld in artikel 18,
                                        vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h van de
                                        Participatiewet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a
                                van dit artikel wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen
                                twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering
                                is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare
                                gedraging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b
                                van dit artikel bedraagt drie maanden indien belanghebbende zich
                                binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de
                                uitkering is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
                                verwijtbare gedraging.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan, zoals bedoeld in artikel 18,
                                tweede lid van de Participatiewet, wordt toegepast in andere dan de
                                in artikel 8 van deze verordening vermelde situaties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2 van deze verorening wordt de verlaging voor
                                de volgende situaties vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>het percentage en de duur, waarmee een uitkering krachtens
                                        een werknemersverzekering of sociale voorziening, of een
                                        daarmee naar aard en doel overeenkomende buitenlandse
                                        regeling of private verzekering wegens een verwijtbare
                                        gedraging is verlaagd; </al></li><li nr="b."><al>20% van de norm gedurende ten hoogste het aantal maanden dat
                                        te snel op het vermogen is ingeteerd indien de
                                        belanghebbende op onverantwoorde wijze de middelen, waarover
                                        hij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, heeft
                                        aangewend behoudens het gestelde onder c en d van dit
                                        artikel;</al></li><li nr="c."><al>20% van de norm gedurende ten hoogste het aantal maanden dat
                                        belanghebbende aanspraak moet maken op een uitkering vanwege
                                        het verwijtbaar afzien van een erfenis, waarmee hij, bij
                                        aanvaarding daarvan, zelf in de noodzakelijke kosten van het
                                        bestaan had kunnen voorzien;</al></li><li nr="d."><al>20% van de norm gedurende ten hoogste het aantal maanden dat
                                        belanghebbende (volledig) aanspraak moet maken op een
                                        uitkering vanwege het verwijtbaar afzien van het hem
                                        toekomende deel van de boedel in het kader van een
                                        echtscheiding, waarmee hij (deels) zelf in de noodzakelijke
                                        bestaanskosten had kunnen voorzien;</al></li><li nr="e."><al>50% van de norm gedurende de periode dat belanghebbende
                                        verwijtbaar geen recht heeft op een inkomen uit door Rijks’
                                        kas bekostigd onderwijs; </al></li><li nr="f."><al>100% van de norm gedurende één maand, indien belanghebbende
                                        door de gedraging verwijtbaar geen recht heeft op een
                                        uitkering krachtens een werknemersverzekering, een sociale
                                        voorziening, of een daarmee naar aard en doel overeenkomend
                                        buitenlandse regeling of private verzekering; </al></li><li nr="g."><al>100% van de norm gedurende ten hoogste drie maanden, indien
                                        de belanghebbende door een (boetewaardige) gedraging
                                        verwijtbaar geen of geen volledige uitbetaling krijgt van
                                        een uitkering krachtens een werknemersverzekering,
                                        volksverzekering of sociale voorziening, waardoor hij
                                        aanspraak heeft moeten maken op een uitkering;</al></li><li nr="h."><al>100% van de norm gedurende ten hoogste drie maanden, indien
                                        de belanghebbende anderszins blijk geeft van tekortschietend
                                        besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                        bestaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het percentage van de afstemming als bedoeld in voorgaand lid,
                                onderdeel a tot en met e, wordt verdubbeld indien belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                de uitkering is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging van dezelfde categorie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de afstemming als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f
                                tot en met h van dit artikel, wordt verdubbeld indien belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                de uitkering is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging van dezelfde categorie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt door verbaal
                                geweld, of discriminatie tegenover personen of instanties, die zijn
                                belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in
                                artikel 9, zesde lid van die wet of de uitvoering van de IOAW/IOAZ
                                als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel g, wordt,
                                onverminderd artikel 2 van deze verordening, de uitkering of
                                voorziening verlaagd met 50% van de norm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt door
                                intimidatie (uitoefenen van psychische druk), zaakgericht fysiek
                                geweld (vernielingen), mensgericht fysiek geweld of een combinatie
                                van agressievormen tegenover personen of instanties, die zijn belast
                                met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9,
                                zesde lid van die wet of de uitvoering van de IOAW/IOAZ als bedoeld
                                in artikel 37, eerste lid, onderdeel g, wordt, onverminderd artikel
                                2 van deze verordening, de uitkering of voorziening verlaagd met
                                100% van de norm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste en tweede lid
                                van dit artikel, wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen
                                twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering
                                is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                van dezelfde categorie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich na een afstemming, zoals bedoeld in
                                voorgaand lid, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                van dezelfde categorie, dan zullen de hoogte en de duur van de
                                afstemming door het college individueel worden bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende één of meerdere door het college opgelegde
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet
                                (tijdig) of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2 van deze verordening wordt de verlaging voor
                                de duur van een maand vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de norm bij het niet verlenen van medewerking aan
                                        betaling in natura van een deel van de uitkering in
                                        situaties zoals bedoeld in artikel 57 sub b van de
                                        Participatiewet; </al></li><li nr="b."><al>20% van de norm bij het niet verschijnen op een
                                        voorlichtingsbijeenkomst in het kader van een aanvraag van
                                        een uitkering;</al></li><li nr="c."><al>20% van de norm bij het niet verlenen van medewerking aan
                                        het in naam van de belanghebbende doen van door het college
                                        noodzakelijk geachte doorbetalingen aan derden/instanties
                                        uit de toegekende uitkering in situaties zoals bedoeld in
                                        artikel 57 sub a van de Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>20% van de norm bij het niet voldoen aan de verplichtingen
                                        die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van
                                        de aan de uitkering verbonden rente- en
                                        aflossingsverplichtingen (artikel 48, derde lid van de
                                        Participatiewet);</al></li><li nr="e."><al>20% van de norm bij het niet verlenen van medewerking aan de
                                        verplichting tot het verkrijgen van de maximaal haalbare
                                        partner- en/of kinderalimentatie; </al></li><li nr="f."><al>20% van de norm bij het niet verlenen van medewerking aan
                                        het aangaan dan wel het tot stand komen van een (wettelijk)
                                        schuldhulpverleningstraject;</al></li><li nr="g."><al>50% van de norm bij het niet of in onvoldoende mate voldoen
                                        aan de in het kader van een (wettelijk)
                                        schuldhulpverleningstraject opgelegde verplichtingen; </al></li><li nr="h."><al>50% van de norm bij het anderszins niet of niet onvolledig
                                        nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 55 van
                                        de Participatiewet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het percentage of de duur van de afstemming als bedoeld in voorgaand
                                lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering is
                                afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan het niet, niet (tijdig) of
                                onvolledig nakomen van een verplichting van dezelfde of een hogere
                                categorie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Samenloop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen, die het niet, niet volledig of te laat
                                nakomen van een verplichting verbonden aan de uitkering of
                                voorziening tot gevolg heeft, wordt voor het bepalen van de hoogte
                                en duur van de afstemming uitgegaan van de gedraging waarop de
                                zwaarste mate van verlaging is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan het college bij
                                een cumulatie van verschillende gedragingen, of een herhaling
                                daarvan, met inachtneming van het gestelde in deze verordening de
                                uitkering of voorziening afwijkend verlagen op grond van deze
                                verordening. Deze afwijkende verlaging vindt niet plaats indien dit
                                gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en
                                de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de voorziening op grond van artikel 20, eerste lid van
                            de IOAW of artikel 20, tweede lid van de IOAZ blijvend of tijdelijk
                            weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op
                            grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft
                            een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bestrijding oneigenlijk gebruik enmisbruik van de uitkering of
                                voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van
                                de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ, waaronder de bestrijding van
                                misbruik en oneigenlijk gebruik van deze wetten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt iedere vier jaar een handhavingsbeleidskader
                                vast, waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden
                                aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving iedere
                                vier jaar een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van
                                het gestelde in het handhavingsbeleidskader</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van
                                preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik
                                en niet-gebruik van de Participatiewet, IOAW en IOAZ alsmede welke
                                handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop
                                deze worden toegepast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college rapporteert eenmaal per jaar aan de gemeenteraad over de
                                uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van
                                handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en -prioriteiten,
                                zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Aangifte Openbaar Ministerie</titel></kop><al>Leidt het niet nakomen van de inlichtingenverplichting, zoals bedoeld in
                            artikel 17, eerste lid van de Participatiewet respectievelijk artikel
                            13, eerste lid van de IOAW/IOAZ tot een benadelingsbedrag dat hoger is
                            dan de aangiftegrens, dan is het college verplicht proces verbaal op te
                            maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17. Inwerkingtreding </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2015;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Heiloo,
                                laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 8 oktober 2012, wordt
                                ingetrokken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18. Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als de Afstemmingsverordening
                            Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heiloo 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Heiloo in zijn vergadering
                        van 8 december 2014.</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al><vet>Rechten en plichten in de Particcipatiewet, de IOAW en de IOAZ</vet></al><al>De gemeenteraad heeft ingevolge de Participatiewet, de Wet Inkomensvoorziening
                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers(IOAW) en de Wet
                    Inkomensvoorziening ouder en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen (IOAZ) een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling
                    van de rechten en plichten van de uitkeringsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een uitkeringsgerechtigde is de raad wettelijk verplicht
                    nadere regels te stellen over de bevoegdheid tot het opleggen van een afstemming
                    (het verlagen van de norm bij niet-nakoming plichten). Gemeenten hebben daarmee
                    de ruimte om een nadere afweging te maken welke gedragingen leiden tot welke
                    mate van afstemming. Uitzonderingen hierop vormen de in de Participatiewet
                    bepaalde gedragingen, waarbij de gemeenten of alleen een beperkte vrijheid
                    hebben in het bepalen van de duur van de afstemming (de geüniformeerde
                    verplichtingen uit artikel 18, vierde lid van de Participatiewet) of gedragingen
                    waar in zijn geheel geen discretionaire bevoegdheid mogelijk is (de taaleis uit
                    artikel 18b van de Participatiewet). De onder laatstgenoemd artikel vallende
                    gedraging komt dan ook niet verder voor in deze verordening.</al><al>Het overige is tot uiting gebracht in deze verordening, waarbij
                    proportionaliteit voorop staat.</al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Artikel 18, eerste lid
                    van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    belanghebbenden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele
                    situatie en de persoonlijke omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. </al><al>Artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18, tweede lid van de Participatiewet,
                    artikel 20, tweede lid en artikel 38, twaalfde lid van de IOAW alsmede artikel
                    20, eerste lid en artikel 38, twaalfde lid van de IOAZ leggen een directe
                    koppeling tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het
                    recht op een uitkering of voorziening is altijd verbonden aan de plicht zich in
                    te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering of voorziening. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering of voorziening niet
                    alleen afhangt van de toepasselijke norm en de beschikbare middelen van de
                    belanghebbende, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen.</al><al><vet>Afstemming uitkering of voorziening</vet></al><al>Afstemming van de uitkering of voorziening vindt plaats indien belanghebbende
                    zijn <onderstreept>medewerkings</onderstreept>verplichting, zoals bepaald in
                    artikel 9, artikel 9a, artikel 17, tweede tot en met vierde lid of
                    voortvloeiende uit artikel 55 van de Participatiewet dan wel zoals bepaald in
                    artikel 13, tweede lid, artikel 37 of artikel 38 van de IOAW/IOAZ niet, niet
                    volledig of te laat nakomt.</al><al>Ook gedragingen voortvloeiend uit ongenoegzaam besef voor de verantwoordelijk
                    van het bestaan leiden tot een afstemming van de norm bij een uitkering
                    ingevolge de Participatiewet.</al><al>Afstemming van de norm vindt eveneens plaats als belanghebbende zich zeer
                    ernstig misdraagt jegens het college of haar ambtenaren.</al><al>Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of als er sprake is van
                    zeer dringende redenen, ziet het college van afstemming af.</al><al><vet>Actualisatie Afstemmingsverordening</vet></al><al>Per 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking. Deze wet is de
                    belangrijkste aanleiding om de Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ thans te
                    herzien en te actualiseren naar een Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW
                    en IOAZ.</al><al>Voorts is ervoor gekozen om de Afstemmingsverordening voor de IOAW en de IOAZ
                    hiervan onderdeel te laten zijn.</al><al>Het Ministerie van SZW is de mening toegedaan dat er (nog) strenger gehandhaafd
                    dient te worden door gemeenten. Strafverhoging en uitbreiding van sancties
                    (afstemmingen) zijn daartoe middelen. In de Afstemmingsverordening is deze
                    zienswijze verwerkt. Het college deelt deze zienswijze van het Ministerie en
                    acht het van groot belang dat collectieve voorzieningen alleen terecht komen bij
                    die burgers die hieraan de meeste behoefte hebben.</al><al>De belanghebbende dient er zelf alles aan te doen om zo spoedig mogelijk en
                    zoveel mogelijk of helemaal weer in de eigen kosten van levensonderhoud te gaan
                    voorzien. Het nakomen van aan de uitkering of voorziening verbonden
                    verplichtingen is hiervoor van essentieel belang. En niet nakoming dient in dat
                    geval van een passende afstemming te worden voorzien.</al><al>De afstemming wordt dan ook zwaarder en voor een langere periode naarmate de
                    gedragingen ernstiger en meer van invloed is op het onnodig (lang) ontvangen van
                    een uitkering of voorziening. Naast de nadelige financiële gevolgen voor de
                    gemeente speelt daarbij een nog grotere rol dat het onnodig lang of teveel
                    ontvangen van een uitkering of voorziening meer nadelige gevolgen voor de
                    belanghebbende zelf oplevert. Hierbij valt te denken aan onder meer het nog
                    groter worden van de afstand tot de arbeidsmarkt, het verder bemoeilijken van
                    het traject naar sociale activering of het onnodig lang op het bestaansminimum
                    verkeren waardoor de kans dat er schulden ontstaan groter wordt.</al><al><vet>Verordeningsplicht inzake handhaving</vet></al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 8b van de Participatiewet en artikel 35,
                    eerste lid </al><al>onder c van de IOAW/IOAZ dient de gemeenteraad bij verordening en met
                    inachtneming van het bepaalde bij of krachtens die wet in ieder geval regels te
                    stellen voor de bestrijding van misbruik van het ten onrechte ontvangen van een
                    uitkering of voorziening alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
                    Oftewel de plicht van de gemeenteraad om regelgeving op te stellen omtrent
                    handhaving van de bepalingen in de wet. Hoofdstuk 6 van deze verordening
                    voorziet hierin. </al><al><vet>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</vet></al><al>De Afstemmingsverordening heeft betrekking op schending van de
                    meewerkingsplicht. De schending van de inlichtingenplicht leidt tot oplegging
                    van een boete.</al><al>De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening ook nadere
                    regels op te stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten
                    werking te stellen bij verrekening van een recidiveboete. Gemeenten krijgen
                    daarmee de ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin
                    het buiten werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt
                    geacht. Het is mogelijk deze regels onder te brengen in de
                    afstemmingsverordening. De gemeenteraad heeft er echter voor gekozen deze regels
                    niet in deze verordening op te nemen. De regels over de bevoegdheid de
                    beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de
                    recidiveboete zijn neergelegd in de Verordening Verrekening bestuurlijke boete
                    bij recidive.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet,
                    IOAW, IOAZ, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze
                    verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities
                    in de betreffende wetten ook de verordening moet worden gewijzigd. In het tweede
                    lid worden toch een aantal begrippen nader omschreven vanwege het gebruik van
                    afkortingen of om helder te maken waar deze begrippen voor staan in deze
                    verordening.</al><al><vet>Artikel 2. Mate van verlaging</vet></al><al>In de Afstemmingsverordening zijn voor verschillende gedragingen die
                    niet-nakoming van een verplichting tot gevolg hebben, standaardafstemmingen
                    vastgesteld in de vorm van een vaste percentuele verlaging van de norm. In dit
                    artikel is de hoofdregel neergelegd. Deze bepaling brengt met zich mee dat bij
                    elke op te leggen afstemming moet worden nagaan of gelet op de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de
                    voorgeschreven standaard afstemming geboden is. Afwijking van de standaard mate
                    van afstemming kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de norm wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5. Matiging van
                    de verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende
                    gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende of diens
                            gezin, zoals bijvoorbeeld hoge eigen bijdrage ziektekosten vanwege een
                            chronische ziekte of hoge noodzakelijke uitgaven van bijzondere aard
                            waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, waarbij de ten uitvoer legging van de afstemming
                            onevenredig bezwarende gevolgen heeft of niet gewenste
                            neveneffecten;</al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van verlaging van de norm: de zwaarte van het
                            geheel van verlagingen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging
                            en de mate van verwijtbaarheid. </al></li><li nr="-"><al>Het hebben van schulden is echter geen reden om tot matiging over te
                            gaan.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3. Het besluit tot opleggen van een verlaging</vet></al><al>Het afstemmen van een uitkering of voorziening op grond van de Participatiewet
                    dan wel deze verordening vindt plaats door middel van een besluit. Tegen dit
                    besluit staan de rechtsmiddelen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) open. In
                    dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld.
                    Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan met name uit het
                    vereiste om het besluit van een deugdelijke motivering is voorzien.</al><al><vet>Artikel 4. Het horen van de belanghebbende</vet></al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van besluiten. In het eerste
                    lid wordt het horen van de belanghebbende voordat de uitkering of de voorziening
                    wordt afgestemd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een tweetal
                    uitzonderingen op deze hoor plicht. </al><al>Onder sub b wordt verstaan dat het college al beschikt over de zienswijze van
                    belanghebbende en dat die nog betrekking heeft op dezelfde
                    omstandigheden/situatie.</al><al><vet>Artikel 5. Afzien van het verlagen van de norm</vet></al><al>Het eerste lid onder a is overgenomen uit artikel 18, negende lid van de
                    Participatiewet en artikel 20, derde lid van de IOAW/IOAZ. Aangenomen moet
                    worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van
                    verwijtbaarheid (zie uitspraak Centrale Raad van Beroep (CRvB) 24-07-2001, nr.
                    99/1857 NABW, LJN AD4887). Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid
                    van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van het toepassen van een afstemming,
                    dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te
                    tellen.</al><al>Is overigens vanwege een afstemming op grond van artikel 18, eerste lid van de
                    Participatiewet (de IOAW en IOAZ hebben geen gelijkluidend artikel) van een
                    verlaging van de norm afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de
                    betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een afstemming is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. Omwille van de effectiviteit
                    (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt artikel 5, eerste lid onder b
                    van deze verordening dat het college geen verlagingen oplegt voor gedragingen
                    die inmiddels langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afzien van het opleggen van een
                    afstemming als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Onder dringende redenen
                    moet worden verstaan de situatie dat het verlagen van de norm voor de
                    belanghebbende of diens gezin onaanvaardbare consequenties zal hebben van
                    niet-financiële aard. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel
                    bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het
                    algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete, individuele situatie en kan dus niet op voorhand
                    worden vastgelegd.</al><al><vet>Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging </vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat het opleggen van een afstemming plaatsvindt
                    door middel van het verlagen van de norm in de eerstvolgende maand(en). </al><al>Dit houdt in dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van
                    de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het besluit bekend is
                    gemaakt, voor zover er niet reeds een afstemming loopt of voor zover er geen
                    sprake is van inkomsten uit andere bron boven de van toepassing zijnde norm in
                    die maand. Voor de berekening van de hoogte van de verlaging moet worden
                    uitgegaan van de voor die maand geldende norm.</al><al>In het tweede lid staat een uitzondering op voorgaand lid omschreven. Bij een
                    nieuwe aanvraag kan de uitkering of voorziening worden verlaagd vanaf de datum
                    van ingang van de uitkering of voorziening. De uitkering of voorziening hoeft
                    dan niet te worden herzien.</al><al>In het derde lid is geregeld dat een verlaging niet los kan worden gezien van
                    het recht op de uitkering of voorziening. Het opleggen van een afstemming is
                    niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op uitkering of voorziening
                    (meer) heeft (CRvB 07-08-2012, nr. 10/3435 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3978).</al><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg
                    van de beëindiging of intrekking van de uitkering of voorziening, is het ook
                    mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                    uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen 90 dagen na
                    beëindiging van de uitkering of voorziening opnieuw een uitkering of voorziening
                    op grond van die wet toegekend krijgt. Een dergelijke maatregel kan vanwege de
                    samenhang met het recht op de uitkering of de voorziening niet bij voorbaat
                    worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het recht op de
                    uitkering of voorziening beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een
                    verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat
                    de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open (CRvB 08-09-2009, nrs.
                    07/6337 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7732 en CRvB 07-12-2010, nr. 09/1094 WWB,
                    ECLI:NL:CRVB:2010:BO6721).</al><al><vet>Artikel 7. Berekeningsgrondslag</vet></al><al>In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt berekend
                    over de norm, waarbij de begripsbepaling zoals omschreven in artikel 1, tweede
                    lid onder d wordt gehanteerd. De afstemming kan dus ook worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand indien aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 en artikel 13, derde lid van de
                    Participatiewet. </al><al><vet>Hoofdstuk 2. Niet nakomen van de <onderstreept>niet</onderstreept>
                        geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling
                    </vet></al><al>De regering is van mening dat het niet nakomen van een aantal specifieke
                    (arbeids-) verplichtingen, alle voortvloeiend uit de algemene verplichtingen van
                    de artikelen 9, 17, 41 en 55 van de Participatiewet van dien aard zijn dat daar
                    direct krachtdadig en uniform optreden vanuit het college wenselijk is. Hier
                    past naar de mening van de regering geen discretionaire bevoegdheid. Bij wet is
                    bepaald dat het college, ingeval er sprake is van een in de Participatiewet
                    benoemde gedraging, de norm dient te worden verlaagd. Dit staat geregeld in het
                    vierde lid van het nieuwe artikel 18 van de Participatiewet. In alle gevallen
                    gaat het om in de visie van de regering zeer ernstige schending van de aan het
                    recht op bijstand verbonden verplichtingen. Deze verplichtingen zijn daarom
                    geharmoniseerd oftewel landelijk is de afstemmingsverplichting en de hoogte van
                    de afstemming gelijk. (Zie ook hoofdstuk 3 van deze verordening). Ook is de
                    (hoogte en de duur van de) afstemming ingeval van recidive bij wet bepaald. De
                    gedragingen in voornoemd wetsartikel zijn niet limitatief opgesomd. Net als
                    onder de Wet werk en bijstand blijft daarmee de bevoegdheid bestaan om nog
                    andere gedragingen te benoemen en deze dan op te nemen in de verordening. De
                    gemeente heeft hierin weliswaar een discretionaire bevoegdheid, maar is ook
                    gehouden de wettelijke verplichting tot aanscherping van het handhaving- en
                    sanctiebeleid na te komen.</al><al>In dit hoofdstuk zijn dan ook, in aanvulling op de wet, overige gedragingen met
                    betrekking tot niet-nakoming van verplichtingen in relatie tot de
                    arbeidsinschakeling weergegeven net als bij de verordening onder de Wet werk en
                    bijstand.</al><al>Om onderscheid te maken tussen de in de verordening benoemde gedragingen en de
                    gedragingen uit artikel 18, vierde lid van de Participatiewet (zijnde de
                    zogeheten “geüniformeerde verplichtingen”), worden de in de verordening benoemde
                    gedragingen de gedragingen genoemd als gevolg van “niet nakomen van de
                        <onderstreept>niet geüniformeerde</onderstreept> verplichtingen met
                    betrekking tot de arbeidsinschakeling”. </al><al>De IOAW en IOAZ kennen geen geüniformeerde verplichtingen.</al><al><vet>Artikel 8. Gedragingen Participatiewet</vet></al><al>De verwijtbare gedragingen in dit artikel omvatten het niet, niet tijdig alsmede
                    het onvoldoende nakomen van diverse niet-geüniformeerde verplichtingen met
                    betrekking tot de arbeidsinschakeling. </al><al>Artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand zoals dat luidde vóór 1
                    januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een belanghebbende de
                    verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige artikel 18, tweede
                    lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van de
                    verplichtingen". Het woord "onvoldoende" is weggevallen.</al><al>Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet, niet tijdig of onvoldoende
                    nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom
                    in artikel 8 neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het
                    niet, niet tijdig of onvoldoende nakomen van deze verplichtingen.</al><al>Om deze reden is het derde lid onderdeel b, c en d van dit artikel opgenomen,
                    omdat in artikel 18, vierde lid, onderdeel h van de Participatiewet alleen staat
                    dat de afstemming plaatsvindt ingeval men niet meewerkt, de werkzaamheden niet
                    verricht of niet gebruik maakt van. De situatie doet zich ook voor dat men niet
                    tijdig of onvoldoende meewerkt, gebruik maakt van etc. Deze gedragingen doen
                    eveneens afbreuk aan de opgelegde verplichtingen. Naar de geest van de wet,
                    zoals hiervoor gesteld, is een afstemming dan ook aan de orde. Echter qua ernst
                    is deze gedraging van een lagere rangorde en zijn deze gedragingen dan ook onder
                    de derde categorie geschaard.</al><al>De artikelen 8 en 10 van de verordening moeten in onderlinge samenhang worden
                    gelezen. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8 zijn
                    ondergebracht in vier categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10 een
                    gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn
                    gerangschikt naar toenemende zwaarte.</al><al>Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete
                    gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. De
                    rangschikking van de gedragingen onder de verschillende categorieën in dit
                    artikel zijn getoetst aan proportionaliteit en coherentie met het bepaalde in
                    artikel 18 van de Participatiewet.</al><al>Er is geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 8 van
                    de verordening als de gedraging voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in
                    artikel 18, vierde lid van de Participatiewet. </al><al><cursief>NB</cursief></al><al>De plicht tot medewerking aan arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie
                    artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger
                    dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste
                    vier weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de
                    Participatiewet). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van
                    artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op
                    bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het
                    college onvoldoende, dan verlaagt het college de uitkering. </al><al><vet>Artikel 9. Gedragingen IOAW en IOAZ</vet></al><al>De artikelen 9 en 10 van de verordening moeten in onderlinge samenhang worden
                    gelezen. In artikel 9 worden schendingen van verplichtingen die voortvloeien uit
                    de IOAW en IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen, die zijn genoemd in
                    artikel 9, zijn ondergebracht in categorieën.</al><al>Aan die categorieën wordt in artikel 10 een gewicht toegekend in de vorm van een
                    verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte.
                    Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete
                    gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid.</al><al>De rangschikking van de gedragingen in het onderhavige artikel is geharmoniseerd
                    aan de rangschikking van de gedragingen uit voorgaand artikel alsmede het
                    bepaalde in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet met als oogmerk het
                    voeren van een consistent en coherent (handhavings-)beleid. </al><al><vet>Artikel 10. Hoogte en duur van een verlaging</vet></al><al>In dit artikel wordt gewicht aan de categorie, waaronder de gedraging valt,
                    toegekend in de vorm van een verlagingspercentage alsmede de duur van de
                    afstemming. Dit artikel heeft betrekking op de gedragingen zoals benoemd in de
                    artikelen 8 en 9 van deze verordening.</al><al>De hoogte van de percentages en de duur van de afstemming bij de verschillende
                    categorieën gedragingen in dit artikel zijn getoetst aan proportionaliteit en
                    coherentie met het bepaalde in artikel 18 van de Participatiewet.</al><al><vet>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met
                        betrekking tot de arbeidsinschakeling</vet></al><al><vet>Artikel 11. Duur van een verlaging</vet></al><al>Artikel 18 van de Participatiewet is dwingendrechtelijk bepaald. De enige
                    uitzondering hierop is het bepalen van de duur van de afstemming. Deze
                    discretionaire bevoegdheid is echter wel beperkt, want er is een
                    verordeningsplicht met betrekking tot het vastleggen van de duur van de
                    afstemming en de duur dient te vallen binnen de bandbreedte zoals bepaald in
                    artikel 18, vijfde en zesde lid van de Participatiewet.</al><al>Bij het bepalen van de duur van de verlaging is in dit artikel de ernst van de
                    gedraging leidend. Voor mindere ernstige schendingen van de verplichtingen met
                    betrekking tot de arbeidsinschakeling (schending van de in artikel 18, vierde
                    lid, onderdeel b, f en g, van de Participatiewet genoemde verplichtingen)
                    bedraagt de duur één maand. Voor de ernstige schendingen van de verplichtingen
                    met betrekking tot de arbeidsinschakeling (schending van de in artikel 18,
                    vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet) bedraagt de duur
                    twee maanden.</al><al>De in het eerste lid van dit artikel bepaalde duur van de afstemming is
                    proportioneel aan de duur van de afstemming bij recidive, zoals bepaald in het
                    tweede en derde lid van dit artikel. De bandbreedte en de maximale duur van de
                    afstemming zoals bepaald in de Participatiewet, zijn hierin tot uiting gebracht.
                    Daarbij is meegewogen dat de ernst van de gedraging ook gerelateerd is aan het
                    feit of het een eerste constatering betreft of dat er sprake is van
                    recidive.</al><al><vet>Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</vet></al><al><vet>Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al>Dit artikel heeft alleen betrekking op de Participatiewet, want de IOAW en de
                    IOAZ kennen deze wettelijke grondslag niet. Aan de Participatiewet ligt het
                    beginsel ten grondslag dat een ieder in eerste instantie in zijn eigen
                    bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men
                    een beroep doen op een uitkering. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal
                    moeten doen en nalaten om een beroep op een uitkering te voorkomen.</al><al>Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger
                    bedrag is aangewezen op een uitkering, dan is veelal sprake van een
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                    bestaan. </al><al>Voorbeelden van dergelijke gedragingen zijn (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand): </al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen; </al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening. </al></li></lijst><al>In het tweede lid zijn de gedragingen, waarbij sprake is van tekortschietend
                    besef voor de verantwoordelijkheid van het bestaan, welke leiden tot een
                    afstemming, benoemd. Tevens is in dit artikel per gedraging het
                    verlagingspercentage en de duur van de afstemming benoemd. </al><al>In het derde en vierde lid is geregeld wanneer er onder welke omstandigheden
                    sprake is van recidive en welke verlaging er dan wordt opgelegd.</al><al><vet>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen </vet></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 24). Ook
                    verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging' (Centrale Raad
                    van Beroep (CRvB) 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a.,
                    ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919).</al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB
                    en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 55). Met de zinsnede 'tijdens het
                    verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats
                    te vinden in het kader van de uitvoering van de Participatiewet. Dat is anders
                    als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht
                    van toepassing (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 25-26).</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet en artikel 37, eerste lid onderdeel g van
                    de IOAW/IOAZ. Deze verplichting staat dus op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was
                    dit een onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren
                    wegens zeer ernstige misdragingen, moest toen sprake zijn van een samenhang
                    tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer
                    verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of IOAZ (CRvB
                    06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660). Deze samenhang is in de
                    Participatiewet losgelaten en voor de IOAW/IOAZ is dit aangepast in de Nota van
                    Wijziging, Verzamelwet SZW 2015.</al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Bij het verlagen van de norm in de situatie dat een belanghebbende zich ernstig
                    heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de
                    mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
                    betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van deze agressievormen.</al></li></lijst><al>In lid 1 en lid 2 van dit artikel wordt onderscheid gemaakt tussen de ernst van
                    de gedraging; hetgeen leidt tot differentiatie in de hoogte van de afstemming.
                    Daarbij is rekening gehouden met het psychische of fysieke effect dat het gedrag
                    zal hebben op leden van het college of ambtenaren.</al><al>Gedragingen uit de categorieën a en b kunnen leiden tot het verlagen van de norm
                    met 50% gedurende één maand. Met een verlaging van 100% gedurende één maand in
                    verband met gedragingen uit de categorieën c, d, e of f wordt de ernst en het
                    effect van die gedraging tot uiting gebracht. Dit komt ook tot uitdrukking in
                    het geval er sprake is van recidive (lid 3 en lid 4).</al><al>Voor het bepalen van de verwijtbaarheid van de gedraging zal ook gekeken moeten
                    worden naar de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgehad. In dit
                    verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering).</al><al>Agressie, ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke,
                    kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate
                    van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                    frustratiegeweld.</al><al><vet>Artikel 14. Niet nakomen van overige verplichtingen</vet></al><al>Dit artikel heeft alleen betrekking op de Participatiewet, want de IOAW en de
                    IOAZ kennen deze grondslag niet. De Participatiewet geeft het college de
                    bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel
                    bepaald zijn. Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en
                    beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van uitkering </al></li><li nr="3."><al>(bijv. bijzondere bijstand);</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de uitkering;</al></li><li nr="5."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de uitkering.</al></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van
                    de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het
                    voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op
                    de individuele omstandigheden van een belanghebbende. </al><al>Het college zal daarom altijd rekening moeten houden met de
                    individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet.
                    Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te stemmen op de
                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele
                    gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde
                    verlaging.</al><al>In het derde lid is geregeld wanneer er sprake is van recidive en wat daarvan de
                    gevolgen zijn voor belanghebbende.</al><al><vet>Hoofdstuk 5. Samenloop</vet></al><al><vet>Artikel 15. Samenloop van gedragingen</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een belanghebbende die (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden.
                    De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die verschillende
                    schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. </al><al>Bij een cumulatie van verschillende gedragingen, of een herhaling daarvan, kan
                    het college met inachtneming van artikel 2 van deze verordening de uitkering of
                    voorziening op een andere, passende wijze afstemmen. Het college heeft in deze
                    situaties de mogelijkheid de uitkering of voorziening in zwaardere mate af te
                    stemmen.</al><al><vet>Artikel 16. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</vet></al><al>Het college is op grond van artikel 20, eerste lid van de IOAW en artikel 20,
                    tweede lid van de IOAZ bevoegd de voorziening blijvend of tijdelijk te weigeren
                    als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven,
                    maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag
                    of een verlaging van artikel 20, tweede lid van de IOAW of artikel 20, eerste
                    lid van de IOAZ moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college
                    zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering.
                    Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van
                    een weigering geen sprake is, is een verlaging van de norm aan de orde. Dit
                    artikel is dan ook bedoeld om samenloop te voorkomen. Indien sprake is van een
                    situatie overeenkomstig het gestelde in artikel 20, tweede lid van de IOAW of
                    artikel 20, eerste lid van de IOAZ of artikel 38, twaalfde lid van de IOAW/IOAZ
                    dan dient het college deze verlaging toe te passen. Het college heeft slechts
                    een discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de verlaging van de norm ten
                    aanzien van in de verordening benoemde gedragingen niet zijnde de in deze
                    artikelen van de wet benoemde situaties.</al><al><vet>Hoofdstuk 6. Handhaving</vet></al><al><vet>Artikel 17. Bestrijding oneigenlijk gebruik en misbruik van de uitkering of
                        voorziening</vet></al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 8b van de Participatiewet en artikel 35,
                    eerste lid onder c van de IOAW/IOAZ dient de gemeenteraad bij verordening en met
                    inachtneming van het bepaalde bij of krachtens die wet in ieder geval regels te
                    stellen voor de bestrijding van misbruik van het ten onrechte ontvangen van een
                    uitkering of voorziening alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
                    Oftewel de plicht van de gemeenteraad om regelgeving op te stellen omtrent
                    handhaving van de bepalingen in de wet.</al><al>Handhaving is enerzijds gericht op bestrijding van oneigenlijk gebruik en
                    misbruik van uitkeringen en voorzieningen. Oneigenlijk gebruik en misbruik
                    ondermijnen het sociale draagvlak voor die collectieve voorzieningen en werken
                    kostenverhogend (hogere uitgaven voorziening en hogere uitgaven uitvoering).
                    Preventie staat dan ook voorop. </al><al>Een goede op de situatie toegesneden voorlichting en informatieverstrekking zijn
                    daartoe de belangrijkste instrumenten. Indien onverhoopt toch blijkt dat de
                    verstrekking van de voorziening niet terecht heeft plaatsgevonden dan dient deze
                    situatie te worden rechtgezet (repressie). Bestrijding betreft dus zowel
                    preventie als repressie, waarbij preventie prevaleert.</al><al>Handhaving is echter anderzijds ook gericht op het bestrijden van niet-gebruik
                    van uitkeringen of voorzieningen (positieve handhaving). Het ervan bewust zijn
                    dat door onbekendheid met regelgeving dan wel door vermijdingsgedrag onvoldoende
                    of geen gebruik gemaakt wordt van uitkeringen of voorzieningen, waar in de
                    betreffende situatie wel recht op bestaat. Handhaving is bij het bestrijden van
                    niet-gebruik gericht op het ontwikkelen van instrumenten die de bekendheid met
                    de regelgeving vergroten en de aanvraag laagdrempelig maken. Daarbij zijn de
                    integrale aanpak en het in kaart brengen van motieven tot niet-gebruik en het
                    daarop inspelen, middelen om het patroon waar deze motieven of dit gedrag een
                    uitvloeisel van zijn, ten positieve te veranderen. Doel van deze vorm van
                    handhaving is het voorkomen dat men door onwetendheid of vermijdingsgedrag onder
                    het bestaansminimum geraakt waardoor ongewenste, kostenverhogende neveneffecten
                    ontstaan.</al><al><vet>Artikel 18. Aangifte Openbaar Ministerie</vet></al><al>De hoogte van de aangiftegrens bij misbruik van sociale zekerheidswetten is
                    vastgesteld door de Ministeries van Veiligheid en Justitie en van Sociale Zaken
                    en Werkgelegenheid. De aangiftegrens is de grens waarboven strafrechtelijk
                    onderzoek dient te volgen. De Aanwijzing sociale zekerheidsfraude, vastgesteld
                    door het College van Procureurs-Generaal, voorziet er voorts in dat ook in
                    bijzondere gevallen waarbij het benadelingsbedrag onder de aangiftegrens ligt
                    toch aangifte kan worden gedaan. Bij aangifte wordt de zaak ter verdere
                    afhandeling overgedragen aan het Openbaar Ministerie.</al><al><vet>Hoofdstuk 7. Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 19. Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening
                        niet voorziet </vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 20. Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 21. Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 22. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>