<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR31891_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zutphen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zutphen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zutphense Koerier, 26-05-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:15703&amp;artikel=7, 8 en 10">Wet werk en bijstand, art. 7, 8 en 10, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=34, 35 en 36">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=34, 35 en 36">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-06-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-03-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Plein 14.482</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zutphen;</al><lijst><li nr="-"><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;</al></li><li nr="-"><al>overwegende dat:</al></li></lijst><al>op grond van de artikel 7, 8 en 10, tweede lid van de Wet werk en bijstand,
                        de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 van
                        de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen,</al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van het bestuur van de Gemeenschappelijke
                                Regeling Het Plein d.d. 1 maart 2010;</al></li><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders
                                van Zutphen d.d. 30 maart 2010;</al></li></lijst><al>besluit:</al><al>Vast te stellen de "Re-integratieverordening Wet werk en bijstand".</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Algemene bepalingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. Begripsomschrijvingen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en
                                de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>Awb: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="c."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers; </al></li><li nr="d."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al></li><li nr="e."><al>het bestuur: het bestuur van Het Plein; </al></li><li nr="f."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Zutphen; </al></li><li nr="g."><al>uitkeringsgerechtigden: personen tot 65 jaar met een
                                        uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand, de IOAW of de
                                        IOAZ; </al></li><li nr="h."><al>Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene
                                        nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het UWV
                                        WERKbedrijf; </al></li><li nr="i."><al>Nuggers: personen bedoeld in artikel 6, lid a van de
                                        wet; </al></li><li nr="j."><al>voorziening: een voorziening bedoeld in artikel 7, eerste
                                        lid onder a van de wet, 34, eerste lid onder a van de IOAW
                                        en IOAZ; </al></li><li nr="k."><al>participatie: deelnemen aan maatschappelijke zinvolle
                                        activiteiten door middel van het leveren van een algemeen
                                        geaccepteerde bijdrage; </al></li><li nr="l."><al>werknemers in gesubsidieerde arbeid: werknemers als bedoeld
                                        in artikel 10, tweede lid van de wet; </al></li><li nr="m."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, zonder
                                        beperkende voorwaarden qua aard en omvang van het werk en
                                        aansluiting op opleiding en ervaring, met uitzondering van
                                        illegale arbeid en arbeid tegen een lager loon dan het
                                        wettelijk minimum en rekening houdend met gewetensbezwaren
                                        zodanig dat deze strikt persoonlijke omstandigheden
                                        zwaarwegend zijn en een onvermijdelijk conflict opleveren
                                        met het te verrichten werk; </al></li><li nr="n."><al>gesubsidieerde arbeid: arbeid die met de inzet van een
                                        voorziening gericht op arbeidsinschakeling overeenkomstig
                                        artikel 10 van de wet of artikel 36 van de IOAW en IOAZ
                                        verricht wordt; </al></li><li nr="o."><al>vrijwilligerswerk: het verrichten van onbeloonde
                                        maatschappelijke zinvolle activiteiten gericht op
                                        arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="p."><al>arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van
                                        een voorziening als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder a van
                                        de wet of artikel 34, 1<sup>e</sup> lid onder a van de IOAW
                                        en IOAZ;</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Beleid en financiën </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2. Opdracht bestuur </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur biedt aan uitkeringsgerechtigden, aan ANW-ers, Nuggers
                                alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet,
                                ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het
                                bestuur dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die
                                arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de wet is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen wordt door het bestuur een afweging gemaakt,
                                waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet
                                op de mogelijkheden en capaciteiten van een cliënt, het meest
                                doelmatig is met het oog op zijn participatie of zijn inschakeling
                                in de arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuur draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3. Beleidsregels </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                beleidsregels vast, waarin beleidsprioriteiten worden
                                aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gaat hierbij om regels die </al><lijst><li nr="a."><al>de voorzieningen en het beleid omschrijven ten aanzien van
                                        de verschillende doelgroepen en de prioritering binnen en
                                        tussen die groepen, waarbij een evenwichtige aandacht als
                                        bedoeld in artikel 8 lid 2, onder a van de wet als
                                        uitgangspunt wordt genomen;</al></li><li nr="b."><al>de criteria beschrijven met betrekking tot het
                                        ontheffingenbeleid ten aanzien van de arbeidsverplichting,
                                        waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de
                                        combinatie van arbeid, zorg en participatie. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Aanspraak op ondersteuning </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitkeringsgerechtigden, Anw-ers, Nuggers alsmede personen als
                                bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, hebben aanspraak op
                                ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van
                                het bestuur noodzakelijk geachte voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuur doet een passend aanbod binnen de criteria die gesteld
                                zijn in deze verordening en in artikel 3 genoemde
                                beleidsregels.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aangeboden re-integratievoorziening is gericht op een volwaardige
                                en duurzame baan of participatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Eigen initiatief van de klant met betrekking tot arbeid, zorg en
                                participatie wordt waar mogelijk ondersteund. Afspraken daarover
                                worden vastgelegd in een (traject)plan van aanpak.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor Nuggers wordt een inkomensgrens gehanteerd van 120% van de
                                bijstandsnormen en een vermogensgrens conform artikel 34 derde lid
                                van de Wet werk en bijstand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Verplichtingen van de belanghebbende </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon, die door het bestuur een voorziening wordt aangeboden
                                of heeft geaccepteerd is verplicht hiervan gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de
                                verplichtingen die voortvloeien uit de wet, deze verordening,
                                alsmede aan de verplichtingen die het bestuur aan de aangeboden
                                voorziening heeft verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening,
                                niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, dan kan het bestuur
                                de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de
                                maatregelverordening en de daarop van toepassing zijnde
                                beleidsregels.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de persoon die gebruik maakt van een voorziening, niet
                                voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het bestuur de
                                kosten van de voorziening dan wel de subsidie overeenkomstig hetgeen
                                daarover opgenomen is in de Handhavingsverordening geheel of
                                gedeeltelijk terugvorderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Sluitende aanpak </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De persoon, bedoeld in artikel 4 krijgt binnen 3 maanden na
                                inschrijving bij het UWV WERKbedrijf een aanbod voor een voorziening
                                gericht op participatie of inschakeling in algemeen geaccepteerde
                                arbeid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De samenwerkingsafspraken bedoeld in artikel 9 van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn op het eerste lid van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuur kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in
                                het eerste lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7. Algemene bepalingen over voorzieningen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beleidsregels als bedoeld in artikel 3, tweede lid wordt
                                vastgelegd welke voorzieningen het bestuur in ieder geval kan
                                aanbieden alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover
                                daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorzieningen zijn in de beleidsregels gerangschikt volgens de
                                systematiek van de participatieladder van de Vereniging Nederlandse
                                Gemeenten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuur kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere
                                verplichtingen verbinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bestuur kan een voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de wet en artikel 5 lid 2 van
                                        deze verordening niet nakomt; </al></li><li nr="b."><al>indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de
                                        doelgroep als genoemd in artikel 1, lid 2 g, h en i;</al></li><li nr="c."><al>indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                        waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze
                                        voorziening;</al></li><li nr="d."><al>indien naar het oordeel van het bestuur de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan participatie en
                                        arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bestuur kan ten aanzien van de voorzieningen, bedoeld in deze
                                verordening nadere regels stellen. Deze regels hebben betrekking
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                        aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of –
                                        vaststelling;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag van de besluitvorming over subsidies;</al></li><li nr="e."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                        voorschotten;</al></li><li nr="f."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Instrumenten voor re-integratie </label></kop><artikel><kop><label>Afdeling 1. Vrijwilligerswerk, in het geval van uitkeringsgerechtigden, werken met behoud van uitkering </label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.Vrijwilligerswerk </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk kan een onderdeel zijn van een traject gericht
                                    op arbeidsinschakeling of, als dat niet mogelijk is,
                                    participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk heeft als doel de belanghebbende, met behoud
                                    van uitkering, werkritme op te laten doen en/of behouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk wordt alleen verricht bij organisaties zonder
                                    winstoogmerk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9. Werkstages </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan aan de personen bedoeld in artikel 1, lid 2 g, h
                                    en i, een werkstage aanbieden, gericht op
                                    arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel
                                    het leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de werkstage wordt bepaald door de noodzaak; de
                                    noodzaak wordt regelmatig geëvalueerd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bestuur plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing
                                    de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed
                                    en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd
                                    het doel van de werkstage, de duur van de werkstage, het aantal
                                    uren werkstage per week en de wijze waarop de begeleiding
                                    plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor een werkstage kan van de instelling of het bedrijf een
                                    vergoeding worden gevraagd. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het bestuur zorgt voor een schriftelijke verklaring van de
                                    ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging van het
                                    betreffende bedrijf of instelling, dat er door de plaatsing geen
                                    verdringing plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bestuur kan in verband met het bepaalde in dit artikel
                                    beleidsregels vaststellen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10. Proefplaatsingen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan aan de personen bedoeld in artikel 1 lid 2 g,
                                    een proefplaatsing aanbieden, gericht op
                                    arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De proefplaatsing heeft als doel de belanghebbende, met behoud
                                    van uitkering, te laten wennen aan aspecten die samenhangen met
                                    het verrichten van betaalde arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de proefplaatsing wordt bepaald door de noodzaak; de
                                    noodzaak wordt minimaal eens per 12 maanden geëvalueerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze voorziening kan ingezet worden wanneer door het bestuur aan
                                    de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende
                                    op korte of (middel) lange termijn een reëel perspectief heeft
                                    op regulier werk. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bestuur plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing
                                    de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed
                                    en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd
                                    het doel van de proefplaatsing, de duur van de proefplaatsing,
                                    het aantal te werken uren per week en de wijze waarop de
                                    begeleiding plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor een proefplaatsing kan van de instelling of het bedrijf een
                                    vergoeding worden gevraagd. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bestuur zorgt voor een schriftelijke verklaring van de
                                    ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging van het
                                    betreffende bedrijf of instelling, dat er door de plaatsing geen
                                    verdringing plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het bestuur kan in verband met het bepaalde in dit artikel
                                    beleidsregels vaststellen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11. Participatiebanen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan aan de personen bedoeld in artikel 1 lid 2 g, h
                                    en i een participatiebaan aanbieden, gericht op participatie of
                                    arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de participatiebaan is maatschappelijke
                                    participatie met als achterliggend doel een eerste opstap naar
                                    regulier werk. Regulier werk is op korte termijn geen haalbaar
                                    doel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De omvang en de duur van de participatiebaan zijn op de
                                    individuele omstandigheden gebaseerd. Omvang en duur worden
                                    steeds voor een periode van maximaal 12 maanden na een evaluatie
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bestuur plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing
                                    de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed
                                    en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt.
                                </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd
                                    het doel van de participatiebaan, de duur van de
                                    participatiebaan, het aantal te werken uren per week en de wijze
                                    waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor een participatiebaan kan van de instelling of het bedrijf
                                    een vergoeding worden gevraagd. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het bestuur zorgt voor een schriftelijke verklaring van de
                                    ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging van het
                                    betreffende bedrijf of instelling, dat er door de plaatsing geen
                                    verdringing plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een participatiebaan kan aan de persoon bedoeld in artikel 10
                                    lid a van de Wwb of artikel 38a van de IOAW en IOAZ als
                                    voorziening worden aangeboden, indien en zo lang het bestuur
                                    deze persoon de werkzaamheden op grond van artikel 10 lid a van
                                    de Wwb of artikel 38a van de IOAW en IOAZ niet kan laten
                                    verrichten; </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het bestuur kan in verband met het bepaalde in dit artikel
                                    beleidsregels vaststellen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Afdeling 2. Werken, in het geval van uitkeringsgerechtigden zonder uitkering, met gemeentelijke subsidie aan de werkgever </label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12. Loonkostensubsidie in verband met banen in de non-profit sector </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan subsidie verstrekken aan werkgevers in de
                                    non-profit sector die met een persoon bedoeld in artikel
                                    1lid 2 g, een arbeidsovereenkomst sluiten gericht op
                                    arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Doel van de subsidie is de persoon bedoeld in lid 1 de
                                    mogelijkheid te bieden werkervaring op te doen en daarmee het
                                    perspectief op regulier werk te vergroten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie bedoeld in het eerste lid wordt gedurende in eerste
                                    instantie maximaal 12 maanden verstrekt en kan na evaluatie
                                    steeds met maximaal 12 maanden verlengd worden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd
                                    het doel en duur van de arbeidsovereenkomst, het aantal te
                                    werken uren per week en de wijze waarop de begeleiding
                                    plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor geen
                                    verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bestuur zorgt voor een schriftelijke verklaring van de
                                    ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging van het
                                    betreffende bedrijf of instelling, dat er door de plaatsing geen
                                    verdringing plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het bestuur stelt in verband met het bepaalde in dit artikel
                                    beleidsregels vast. Hierbij worden in ieder geval de duur van de
                                    subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie
                                    worden verbonden, beschreven</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13. Loonkostensubsidie in verband met banen in de profit sector </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan subsidie verstrekken aan werkgevers in de profit
                                    sector die met een persoon bedoeld in artikel 1lid 2
                                    g, een arbeidsovereenkomst sluiten gericht op
                                    arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Doel van de subsidie is de persoon bedoeld in lid 1 de
                                    mogelijkheid te bieden werkervaring op te doen en daarmee het
                                    perspectief op regulier werk te vergroten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie bedoeld in het eerste lid wordt gedurende in eerste
                                    instantie maximaal 12 maanden verstrekt en kan na evaluatie met
                                    steeds maximaal 12 maanden verlengd worden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd
                                    het doel en duur van de arbeidsovereenkomst, het aantal te
                                    werken uren per week en de wijze waarop de begeleiding
                                    plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bestuur zorgt voor een schriftelijke verklaring van de
                                    ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging van het
                                    betreffende bedrijf of instelling, dat er door de plaatsing geen
                                    verdringing plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het bestuur stelt in verband met het bepaalde in dit artikel
                                    beleidsregels vast. Hierbij worden in ieder geval de duur van de
                                    subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie
                                    worden verbonden, beschreven</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Afdeling 3. Participatie </label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14. Participatie </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan aan uitkeringsgerechtigden
                                    alsonderdeel van een re-integratietraject activiteiten
                                    aanbieden in het kader van participatie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Afdeling 4. Scholing </label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15. Scholing </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan een vorm van scholing aanbieden gericht op
                                    arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde scholing kan aangeboden worden in
                                    de vorm van een subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Afdeling 5. Arbeidsbevorderende subsidies </label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16. Activeringsubsidies </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan aan een uitkeringsgerechtigde een
                                    activeringsubsidie toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze subsidie wordt verstrekt in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>Het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, niet
                                            zijnde gesubsidieerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>Het aanvaarden van gesubsidieerde arbeid, als bedoeld in
                                            de artikelen 13 en 14;</al></li><li nr="c."><al>Participatie als bedoeld in artikel 14;</al></li><li nr="d."><al>Het met goed gevolg afronden van scholing, als bedoeld
                                            in artikel 15.</al></li><li nr="e."><al>Het binnen de periode van de inburgeringsvoorziening
                                            behalen van het inburgeringsexamen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuur stelt met betrekking tot dit artikel beleidsregels
                                    vast. Hierin staan in ieder geval de doelgroepen en de hoogte
                                    van de subsidies opgenomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17. Inkomstenvrijlating </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de uitkeringsgerechtigde die een Wwb-uitkering ontvangt,
                                    arbeid in deeltijd aanvaardt, waarmee een inkomen wordt
                                    verworven dat minder bedraagt dan de voor de
                                    uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm, vindt
                                    vrijlating van inkomsten uit arbeid plaats gedurende ten hoogste
                                    zes aaneengesloten maanden ter hoogte van 25% van deze inkomsten
                                    tot het maximumbedrag, genoemd in artikel 31, lid 2, onderdeel o
                                    van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er vindt geen vrijlating van inkomsten uit arbeid plaats, indien
                                    dit naar het oordeel van het bestuur de uitstroom uit de
                                    uitkering belemmert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Afdeling 6: Subsidie voor de werkgever bij doorstroom naar regulier werk.</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18. Voorwaarden voor subsidie bij doorstroom naar regulier werk. </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan een werkgever een subsidie geven als een
                                    werknemer reguliere arbeid heeft aanvaard bij dezelfde of een
                                    andere werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt als de werkgever voor de
                                    loonkosten van de werknemer een subsidie ontvangt of heeft
                                    ontvangen op grond van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt als de in het eerste lid
                                    bedoelde werkaanvaarding is geschied binnen de duur waarvoor de
                                    loonkostensubsidie geldt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt als de werknemer bij de
                                    aanvang van de arbeidsovereenkomst uitkeringsgerechtigde
                                    was.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt als de werknemer aansluitend
                                    op het gesubsidieerde dienstverband voor zijn nieuwe baan een
                                    arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gesloten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt als de werknemer na 1 jaar na
                                    de datum met ingang waarvan het gesubsidieerde arbeidsverband is
                                    beëindigd nog arbeid in loondienst verricht.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het bestuur stelt met betrekking tot dit artikel beleidsregels
                                    vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Afdeling 7: Overige vergoedingen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19. Overige vergoedinge</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan een vergoeding verstrekken voor kosten die
                                    gemaakt zijn in het kader van de participatie, vrijwilligerswerk
                                    of arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gaat hierbij in ieder geval om:</al><lijst><li nr="a."><al>reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>kosten voor kinderopvang;</al></li><li nr="c."><al>scholingskosten;</al></li><li nr="d."><al>boeken- en examengelden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuur stelt in verband met het bepaalde in de voorgaande
                                    leden beleidsregels vast. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening rust bij het bestuur.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>Het bestuur kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening
                            nadere beleidsregels stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het bestuur kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Voor bezwaar vatbare beslissing / verplichtingen derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Iedere beslissing gebaseerd op deze verordening is een voor bezwaar
                                vatbare beslissing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de gemeente derden inschakelt die uitvoering geven aan in
                                deze verordening genoemde zaken, worden deze derden getoetst op het
                                voeren van adequate regelingen ten aanzien van klachten, geschillen,
                                privacybescherming, inzage- en correctierecht op rapportages.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Re-integratieverordening Wet
                            werk en bijstand”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking per 1 maart 2010 onder gelijktijdige
                            intrekking van de verordening “Reïntegratieverordening Wet Werk en
                            Bijstand”, vastgesteld bij raadsbesluit van 7 juli 2008.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Zutphen gehouden op 10 mei 2010.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, de griffier, </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting algemeen</label><nr/></kop><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Volgens de Wwb en IOAW en IOAZ hebben burgemeester en wethouders de opdracht
                    voor de re-integratie van bijstands-, IOAW en IOAZ-uitkeringsgerechtigden,
                    nuggers en Anw-ers. De Wwb en IOAW en IOAZ  dragen de gemeenteraad op om een
                    verordening vast te stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van
                    haar re-integratietaak wordt neergelegd. Tevens wordt hierin de aanspraak van
                    burgers op ondersteuning bij re-integratie geregeld.</al><al> </al><al>De basis voor de verordening is neergelegd in artikel 7 (opdracht bestuur), 8,
                    eerste lid onder a en tweede lid (opdracht gemeenteraad) en artikel 10 eerste en
                    tweede lid (opsomming personen die aanspraak maken op ondersteuning bij
                    arbeidsinschakeling). In de IOAW en IOAZ zijn overeenkomstige bepalingen
                    opgenomen in de artikelen 34, 35 en 36. Alleen is de aanspraak op ondersteuning
                    dan beperkt tot de persoon die een uitkering op grond van de wet (IOAW en IOAZ)
                    ontvangt: In de Wwb bestaat de aanspraak tevens voor nuggers en Anw’ers en de
                    persoon die vanwege zijn aanspraak op de re-integratievoorziening niet (meer)
                    tot een van de hierboven genoemde groepen behoort. Bijvoorbeeld degene die als
                    gevolg van een loonkostensubsidie geen uitkering voor levensonderhoud via de
                    gemeente ontvangt. De ondersteuning in dat geval bestaat bijvoorbeeld uit
                    evaluatiegesprekken die de gemeente houdt.</al><al> </al><al>Naast deze wettelijke basis valt uit de memorie van toelichting af te leiden
                    welke zaken in of via de verordening geregeld moeten of kunnen worden:</al><lijst><li nr="-"><al>De aanspraak van de doelgroepen op ondersteuning door de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>Het beleid ten aanzien van de diverse doelgroepen en
                            subdoelgroepen;</al></li><li nr="-"><al>Het beleid ten aanzien van de combinatie van werk en zorgtaken;</al><al/></li></lijst><al>Een belangrijke drijfveer bij het opstellen van de redactie van deze
                    verordening, is de eenvoud en eenduidigheid aan de ene kant en aan de andere
                    kant de wens om medewerkers en managers daadwerkelijk te (kunnen) laten sturen
                    op bijvoorbeeld hoogte (van de subsidie), aantallen, tijd (die aan de
                    verstrekking van de subsidie is verbonden). Het resultaat moet zijn een
                    flexibele verordening waar je veel kanten mee op kan, uiteraard in het belang
                    van de klant zijn participatie en arbeidsinschakeling en dat van de gemeente/
                    UWV WERKbedrijf. Daarom is bijvoorbeeld de begrenzing aan de duur van een
                    gesubsidieerde baan vervallen Maar, moet wel via een 12 maandelijkse evaluatie
                    bezien worden of verlenging kan plaatsvinden. Als afwijking nodig is, is er
                    altijd nog een hardheidsclausule in artikel 22. Beleidsregels vullen details in
                    en daarmee kunnen we zaken "intern", d.w.z. via het bestuur van Het Plein
                    aanpassen. De rollen van beleid (nadruk op voorwaardenscheppend), uitvoering
                    (nadruk op sturing op klantbelangen) en management (nadruk sturing op
                    organisatiebelangen) komen met de verordening tot uitdrukking. </al><al/><al><vet>Relatie met andere verordeningen</vet></al><al>De Wwb geeft de gemeenteraad ook opdracht om verordeningen vast te stellen op
                    een tweetal terreinen, die een relatie hebben met de re-integratieverordening:
                    afstemming en cliëntenparticipatie.</al><al/><al><onderstreept>Maatregelverordening</onderstreept></al><al>De Wwb draagt tevens de gemeente op een verordening op te stellen waarin het
                    samenstel van de rechten en plichten van de cliënt wordt geregeld. </al><al> </al><al>De re-integratieverordening en de maatregelenverordening zijn nauw met elkaar
                    verbonden. Immers, aan de plicht tot meewerken aan een traject kunnen sancties
                    worden verbonden die gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Dit zou
                    ervoor pleiten de beide verordeningen te integreren. Echter, de gemeente kan ook
                    aan de verstrekking van bijstand verplichtingen verbinden, die geen directe
                    relatie hebben met re-integratie. Dit pleit ervoor om de verordeningen te
                    scheiden, maar wel om duidelijke verwijzingen aan te brengen.</al><al/><al><onderstreept>Verordening cliëntenparticipatie</onderstreept></al><al>De Wwb geeft aan de gemeenteraad tevens de opdracht een verordening
                    cliëntenparticipatie op te stellen. In de re-integratieverordening kan worden
                    opgenomen dat bij de vaststelling van de beleidsregels de lokale cliëntenraad
                    wordt betrokken.</al><al> </al><al>  </al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 1.           Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wwb,
                    IOAW en IOAZ. Waar dat mogelijk is, kan de gemeente via de begripsbepalingen
                    eigen accenten leggen.</al><al>Met nuggers (artikel 6, lid 1 onder a van de Wwb) wordt bedoeld: de
                    niet-uitkeringsgerechtigden.</al><al>Met voorzieningen worden bedoeld de instrumenten gericht op arbeidsinschakeling,
                    waaronder begrepen sociale activering, Ondersteuning in het geval van
                    participatie, zoals aangegeven in artikel 2 van de verordening vraagt om een
                    omschrijving van het begrip participatie. In artikel 1 onder k staat die
                    omschrijving opgenomen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2.           Opdracht bestuur</onderstreept></al><al>In het eerste lid is de opdracht aan het bestuur vormgegeven analoog aan artikel
                    7 van de Wwb. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie.
                    Tevens biedt dit artikel de mogelijkheid om aan het bestuur specifieke
                    opdrachten mee te geven. Een voorbeeld kan zijn een speciale opdracht om
                    uitstroom uit bestaande gesubsidieerde arbeid te stimuleren.</al><al>In de Wwb is in artikel 10, derde lid aangegeven dat de aanspraak op
                    voorzieningen alleen geldt voor die personen die ook daadwerkelijk inwoners van
                    de gemeente zijn, door middel van een verwijzing naar artikel 40, eerste lid van
                    de wet. Door deze verwijzing ook aan de opdracht aan het bestuur te koppelen,
                    geeft de gemeente aan de voorzieningen alleen voor de eigen inwoners in te
                    willen zetten.</al><al> </al><al>Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de Wwb dat de gemeente
                    evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en rekening moet
                    houden met de combinatie arbeid en zorg. In de beleidsregels wordt dit punt
                    uitgewerkt. De ondersteuning, zo is in dit lid aangegeven, richt zich op zowel
                    participatie als inschakeling in de arbeid. Van geval tot geval moet worden
                    bezien of de ondersteuning zich moet richten op participatie,
                    arbeidsinschakeling, of een combinatie van beide. Een belangrijke overweging
                    hierbij zijn de (ontwikkelings)mogelijkheden van degene die aanspraak op de
                    re-integratievoorziening maakt.</al><al> </al><al>Het derde lid geeft het bestuur de specifieke opdracht een zodanig aanbod van
                    voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen
                    worden. Het bestuur zal daarbij te maken hebben met beperkte financiële
                    middelen.</al><al> </al><al><onderstreept>Artikel 3.           Beleidsregels</onderstreept></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is gesteld, geeft de Wwb de gemeenteraad
                    opdracht om het re-integratiebeleid in een verordening vast te leggen. Hier is
                    gekozen voor de systematiek om niet alles in de verordening te regelen, maar ook
                    gebruik te maken van beleidsregels.</al><al> </al><al>Het tweede lid biedt de gemeenteraad de mogelijkheid aan te geven welke
                    specifieke (beleids)onderwerpen in de beleidsregels aan de orde dienen te
                    komen.</al><al> </al><al><onderstreept>Artikel 4.           Aanspraak op
                    ondersteuning</onderstreept></al><al>De Wwb stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de
                    verordening geregeld moet worden. Immers, het is ook al in de Wwb zelf geregeld.
                    Eveneens uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen een
                    algemene bepaling over de aanspraak op te nemen (eerste lid).</al><al> </al><al>In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden
                    van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar de verordening en de
                    beleidsregels.</al><al>De tekst van het derde lid benadrukt, dat de re-integratievoorziening een
                    bijdrage moet leveren aan een duurzame situatie waarin de ontvanger van die
                    voorziening participeert of arbeid verricht. Hierbij is een zo groot mogelijk
                    economische zelfstandigheid een belangrijk (eind)doel: niet voor iedere
                    ontvanger van een re-integratievoorziening is economische zelfstandigheid een
                    doel om na te streven, laat staan een einddoel. Soms is maatschappelijke
                    participatie op korte, middellange en zelfs op lange termijn het hoogst haalbare
                    en zal daarom sprake zijn van een duurzame financiële ondersteuning van
                    gemeentewege. Bijvoorbeeld via het minimabeleid, dat volop in ontwikkeling is en
                    blijft.</al><al>In het vierde lid wordt duidelijk dat de cliënt ook zelf initiatief kan nemen.
                    Dit kan uiteraard alleen gehonoreerd worden als dit past binnen de financiële en
                    inhoudelijke kaders van de verordening. Zo is het bijvoorbeeld in beginsel niet
                    mogelijk dat een klant zelf een re-integratiebedrijf selecteert. Het Plein is,
                    gezien het inkoopbeleid namelijk zelf gebonden aan spelregels en contracten met
                    externe partijen. Desalniettemin is, in lijn met de grondslag (flexibiliteit,
                    zie onder inleiding van de toelichting) van deze verordening en indien het
                    inkoopbeleid met betrekking tot re-integratievoorzieningen en –partijen daartoe
                    geen beletsel (meer) zou zijn, het mogelijk dat, bijvoorbeeld bij wijze van
                    experiment, een re-integratievoorziening in de vorm van een “Persoonsgebonden
                    Re-integratie Budget” (PRB) door de klant zelf kan worden ingekocht. In dat
                    geval zullen nadere (beleids)regels worden gesteld.</al><al>Lid vijf: Nuggers met een hoger inkomen (120% Wet Minimum Loon) en vermogen (cf.
                    art 34 WWB) zijn uitgesloten van de aanspraak op voorzieningen. Wel worden ze
                    binnen het  dienstverleningsconcept van Het Plein met raad en daad bijgestaan.
                    Belangrijkste argument voor deze beleidskeuze: het betaalbaar en daarmee voor
                    een grote groep beschikbaar houden van de voorzieningen uit het
                    participatiebudget. Bovendien geldt ook, naarmate men een hoger inkomen heeft,
                    dat de fiscale aftrekmogelijkheden toenemen.</al><al> </al><al><onderstreept>Artikel 5.           Verplichtingen van de
                    cliënt</onderstreept></al><al>In de Wwb is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht
                    op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in
                    het eerste en tweede lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd. </al><al> </al><al>Het derde lid biedt de verbinding met de maatregelverordening. Deze verordening
                    regelt het opleggen van een maatregel indien de uitkeringsgerechtigde niet aan
                    zijn verplichtingen voldoet. Deze maatregel bestaat uit het verlagen van de
                    uitkering met een bepaald percentage. In het vierde lid is, onder verwijzing
                    naar de Handhavingsverordening de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen de
                    gemeente (een deel van) de kosten die gemaakt zijn,  terug kan vorderen.</al><al> </al><al> </al><al><onderstreept>Artikel 6.           Sluitende aanpak</onderstreept></al><al>De Wwb kent geen bepaling over sluitende aanpak. De wetgever gaat ervan uit dat
                    door de systematiek van de wet er in de praktijk de facto een sluitende aanpak
                    ontstaat. Eveneens de met de Suwi-wetgeving (artikel 9 Suwi) samenhangende
                    afspraken tussen UWV WERKbedrijf en gemeente(n)  (zie lid 2) evenals, specifiek
                    m.b.t. Het Plein, afspraken vervat in het zogenaamde Ketenjaarplan, bevorderen
                    een sluitende aanpak.</al><al> </al><al>Artikel 6, lid 1 stelt termijnen m.b.t. de sluitende aanpak. </al><al> </al><al><onderstreept>Artikel 7.           Algemene bepalingen over
                        voorzieningen</onderstreept></al><al>In de lijn met het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele
                    zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die
                    voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen. Het eerste lid
                    geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende opsomming van voorzieningen
                    bevat.</al><al> </al><al>Het tweede lid geeft het bestuur de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo
                    kan bepaald worden dat een cliënt gedurende het traject op gezette tijden met de
                    consulent de voortgang bespreekt.</al><al> </al><al>Het derde lid geeft aan dat het bestuur een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever.</al><al> </al><al>Het vierde lid geeft het bestuur de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen
                    nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om bij
                    subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het bestuur over te
                    laten.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8.      Vrijwilligerswerk</onderstreept></al><al>Vrijwilligerswerk met behoud van uitkering kan een nuttig instrument zijn om
                    werkritme op te doen of te laten behouden. Het kan worden ingezet als uitstroom
                    naar algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is, of als dat pas op
                    middellange of lange termijn te realiseren is. Er is bewust voor gekozen om geen
                    exacte termijnen te noemen voor dit arbeidsperspectief. Niet alleen zou dat ten
                    onrechte de suggestie wekken dat dat altijd vooraf exact vast te stellen is, het
                    arbeidsperspectief is ook niet alleen afhankelijk van in de persoon gelegen
                    omstandigheden. Ook een veranderende arbeidsmarkt maakt dat de het
                    arbeidsperspectief wijzigt. Er wordt uitgegaan van de volgende termijnen:</al><al>- korte termijn: binnen een anderhalf jaar;</al><al>- middellange termijn: tussen anderhalf  en tweeënhalf jaar;</al><al>- lange termijn: niet binnen tweeënhalf jaar.</al><al>Daarnaast worden nog groepen onderscheiden die direct kunnen uitstromen naar
                    betaald werk, of  bij wij wie er in het geheel geen arbeidsperspectief is. Niet
                    alleen het arbeidsperspectief is bepalend voor de inzet van de
                    re-integratievoorziening. Steeds geldt dat het nodig moet zijn, dat de kortste
                    weg naar werk gevolgd wordt en dat het geïndiceerd is.</al><al>Vrijwilligerswerk wordt alleen verricht bij organisaties die geen winstoogmerk
                    hebben. Uit de definitie van vrijwilligerswerk in artikel 1 onder o. volgt
                    bovendien dat het moet gaan om maatschappelijk nuttige activiteiten. Er is van
                    afgezien om een maximale duur vast te stellen, om ervoor te zorgen dat het
                    instrument ingezet kan worden voor degenen voor wie uitstroom naar betaald werk
                    niet mogelijk is, en voor wie het vrijwilligerswerk zelfstandige
                    maatschappelijke participatie als doel heeft. Als vrijwilligerswerk een
                    onderdeel van een traject naar betaald werk is, wordt de duur beperkt doordat
                    een traject van beperkte duur is.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9.           Werkstages</onderstreept></al><al>Werkstages zijn een instrument voor gemeenten om uitkeringsgerechtigden, nuggers
                    en Anw-ers met een forse afstand tot de arbeidsmarkt te re-integreren:.Voor de
                    term werkstage is gekozen om te benadrukken dat het gaat om een soort
                    scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het leren werken staat centraal.
                    Voor de één blijkt het een vlotte en korte opstap naar, bijvoorbeeld, regulier
                    werk. Voor de ander kan een werkstage een langdurig(er) karakter hebben. De
                    werkstage is dan in beginsel ook niet  gebonden aan een horizon: de getoetste
                    noodzaak bepaalt of de werkstage aanvangt en voortgezet wordt.</al><al> </al><al>Het is belangrijk onder welke voorwaarden de werkstage aangeboden wordt. Dit,
                    vanwege het gevaar dat de werkstage beschouwd kan worden als een gewone
                    arbeidsovereenkomst. Volgens het arbeidsrecht is er sprake van een
                    arbeidsovereenkomst indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="-"><al> er dient sprake te zijn van de persoonlijke verplichting om arbeid te
                            verrichten;</al></li><li nr="-"><al> die arbeid wordt verricht onder gezag van een ander;</al></li><li nr="-"><al> die ander betaalt voor de arbeid een bepaald bedrag aan loon;</al></li><li nr="-"><al> de arbeid wordt verricht gedurende enige tijd.</al></li></lijst><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                    persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                    uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkstage in de regel geen sprake van beloning. Daarom wordt geen gerichte
                    stagevergoeding verstrekt. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven,
                    maar daarbij moet dan ook daadwerkelijk sprake zijn van een vergoeding van
                    gemaakte kosten.</al><al> </al><al>Het eerste lid van artikel 9 geeft de algemene bepaling voor het aanbieden van
                    een werkstage. </al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is met name van
                    belang om te voorkomen dat de cliënt claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst, en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij de cliënt de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan de cliënt wennen aan
                    aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al> </al><al>In het vijfde lid wordt bepaald dat er voor de werkstage een schriftelijke
                    overeenkomst (stageovereenkomst) wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel
                    van de stage worden opgenomen, alsmede de wijze van begeleiding. Door deze
                    schriftelijke overeenkomst kan nog eens gewaarborgd worden dat het bij een
                    werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al> </al><al>De vergoeding van de werkgever/ stageplek, genoemd in het zesde lid, is alleen
                    op zijn plaats als de stagiaire meer opbrengt dan dat hij de werkgever kost.
                    Gezien de aard van een werkstage zal dat betrekkelijk weinig voorkomen.</al><al> </al><al>Het zevende lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing plaats vindt, of
                    dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 10.         Proefplaatsingen</onderstreept></al><al>Bij de proefplaatsing is het doel niet zozeer het leren van vaardigheden, maar
                    vooral het wennen aan aspecten die samenhangen met betaald werk. Net als de
                    werkstage kan het instrument worden ingezet voor personen met een perspectief op
                    betaald werk op korte, middellange of lange termijn. Ook de duur van de
                    proefplaatsing is niet op voorhand gebonden aan een maximale termijn. Wel is het
                    op zijn plaats om de noodzaak die ten grondslag ligt aan de start en
                    voortzetting van de proefplaatsing, eens per 12 maanden te toetsen. Het gaat
                    hier immers om personen waarvan niet per definitie kan worden gesteld, dat de
                    afstand tot de arbeidsmarkt zodanig is, dat een langdurig verblijf in de
                    uitkering te verwachten is. Kortom, om te voorkomen dat Het Plein onnodige
                    (uitkerings)lasten draagt en uiteraard het perspectief op regulier werk onnodig
                    ver naar achteren verschuift, is een regelmatige, doch minimaal 12 maandelijkse
                    evaluatie, zoals bedoeld in het derde lid opgenomen. De proefplaatsing is alleen
                    bedoeld voor een uitkeringsgerechtigde. Verondersteld wordt, dat nuggers en
                    Anw-ers zelfstandig in staat zijn om een soort proefplaatsing, indien uiteraard
                    van toepassing, af te spreken. Bijvoorbeeld in vervolg op een werkstage en als
                    voorbode van een wettelijke proeftijd (van twee maanden). Het Plein kan en zal
                    hierin op verzoek van de betrokkene natuurlijk wel een ondersteunende rol
                    spelen.</al><al> </al><al><onderstreept>Artikel 11.         Participatiebanen</onderstreept></al><al>Bij een participatiebaan is het doel maatschappelijke participatie met als
                    achterliggend doel een eerste opstap naar regulier werk. Voor mensen met een
                    participatiebaan is regulier werk op de korte of middellange termijn geen
                    haalbaar doel, wellicht wel op de lange termijn. </al><al>Een participatiebaan maakt deel uit van een plan gericht op zorg, participatie
                    of inschakeling in de arbeid. Ook in het geval van een participatiebaan is een
                    regelmatige evaluatie op zijn plaats. Dat wordt gewaarborgd via het derde lid:
                    Ook in het geval van een participatiebaan is de duur in beginsel 12 maanden. De
                    participatiebaan is bedoeld voor uitkeringsgerechtigden, evenals voor Anw-ers en
                    nuggers.</al><al>Het achtste lid legt Het Plein de verplichting op om een participatiebaan als
                    re-integratievoorziening pas aan te bieden, indien en zodra er geen toepassing
                    kan worden gegeven aan de in de Wwb en IOAW/ IOAZ  (zelf) opgenomen mogelijkheid
                    van participatie<onderstreept>plaatsen</onderstreept> ten behoeve van
                    uitkeringsgerechtigden. Aangezien hier in meer of mindere mate sprake is van een
                    bij wet geregelde re-integratievoorziening, gaat deze voor op de
                        participatie<onderstreept>baan </onderstreept>van deze verordening. Het is
                    wel zo, dat de participatiebaan al dan niet direct,  kan aansluiten op de
                    participatieplaats. De participatieplaats kent namelijk een beperkte duur (2+1+1
                    jaar). De wetgever heeft in de Wwb en IOAW/ IOAZ geregeld, dat de persoon die
                    voldoende meewerkt aan de inschakeling in het arbeidsproces, halfjaarlijks
                    beloond wordt met een premie. Dat benadrukt eens te meer, dat de mogelijkheden
                    m.b.t. een participatiebaan zorgvuldig moeten worden nagegaan.</al><al>De participatieplaats geldt niet voor nuggers en Anw-ers. Deze personen kunnen,
                    indien geïndiceerd dus direct voor een participatiebaan volgens de verordening
                    in aanmerking komen. </al><al>Onder meer met het oog op de impact van nadere (europese) wet- en regelgeving en
                    de Wet Flexibiliteit en zekerheid (Flexwet) kan het bestuur beleidsregels
                    vaststellen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 12.      Loonkostensubsidie in verband met banen in de
                        non-profit sector</onderstreept></al><al>Gesubsidieerde arbeid is geen einddoel. Toch kan de gemeente ervoor kiezen
                    uitkeringsgerechtigden, waarvoor dat nodig blijkt te zijn, een langduriger vorm
                    van gesubsidieerde arbeid aan te bieden. Meer dan eens gaat het om mensen met
                    (een) bepaalde fysieke en geestelijke beperking(en), als gevolg waarvan
                    enerzijds een reguliere baan niet (gauw) mogelijk is. Maar anderzijds, als de
                    werkgever bereid en in staat is met die beperkingen rekening te houden, de
                    betrokkene naar vermogen goede arbeidsprestaties kan verrichten en hij of zij
                    daarmee loonwaarde vertegenwoordigt kan een vruchtbare
                    werkgevers-werknemersrelatie ontstaan. Om de werkgever te ondersteunen een
                    dergelijke werkplek te realiseren en in stand te houden kan Het Plein een op
                    maat gesneden loonkostensubsidie aan de werkgever betalen. Ook in dit artikel
                    zijn randvoorwaarden geschapen en zal in het individuele geval de feitelijke
                    invulling moeten geschieden: dat vraagt dus om maatwerk. Uit het oogpunt van een
                    doel- en rechtmatige verlening van de loonkostensubsidie, wordt eenmaal per 12
                    maanden getoetst of de subsidie kan worden voortgezet.</al><al>Onder meer met het oog op de impact van (europese) wet- en regelgeving, de Wet
                    Flexibiliteit en zekerheid (Flexwet) stelt het bestuur beleidsregels vast. In
                    die beleidsregels staan tevens bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de
                    loonkostensubsidie.</al><al> </al><al><onderstreept>Artikel 13.      Loonkostensubsidie in verband met banen in de
                        profit sector </onderstreept></al><al>Zie de toelichting onder artikel 12. </al><al>Het inzetten van de loonkostensubsidie, zie het eerste lid, moet beschouwd
                    worden als een instrument om de werkgever, zo snel als de omstandigheden dat
                    toelaten, er toe over te laten gaan een niet gesubsidieerd dienstverband met de
                    (gesubsidieerde) werknemer te sluiten. I.t.t. de loonkostensubsidie van artikel
                    12, die wordt ingezet ten behoeve van een arbeidsrelatie tussen klant en niet
                    commerciële werkgever, mag van de inzet van de subsidie in artikel 13 verwacht
                    worden, dat op de kortst mogelijke termijn mede als gevolg van die subsidie een
                    dienstverband tot stand komt. Van een werkgever binnen de profit sector mag
                    immers verwacht worden, dat hij de middelen daartoe vrijmaakt, dan wel in staat
                    is die vrij te maken. Van de werkgever in de non- profitsector mag dit in
                    mindere mate verwacht worden, aangezien deze werkgever zijn bewegingsruimte in
                    dit opzicht in meer of mindere mate afhankelijk is van derden, zoals de
                    (gemeentelijke) overheid. Ondanks bovenstaande nuancering ten aanzien van de
                    inzet van de loonkostensubsidie, kan de termijn waarover een loonkostensubsidie
                    i.v.m. dit artikel kan worden verstrekt, (telkens) na 12 maanden  in beginsel
                    verlengd worden. Dit, vanuit de opvatting, dat deze verordening flexibel en
                    praktijkondersteunend moet zijn.</al><al> </al><al><onderstreept>Artikel   14        Participatie</onderstreept></al><al>Het Plein staat voor de opvatting, dat niet in alle gevallen inschakeling in de
                    arbeid een (eind)doel is. Om die reden is het aanbieden van ondersteuning, cq.
                    een re-integratievoorziening gericht op participatie expliciet in de verordening
                    opgenomen. Het bevorderen van (maatschappelijke) participatie vraagt om
                    maatwerk.</al><al> </al><al><onderstreept>Artikel 15.         Scholing</onderstreept></al><al>Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is vooraf
                    algemene richtlijnen te geven die in de verordening moeten worden opgenomen.
                    Daarom is dit artikel alleen nodig indien de gemeente op het niveau van de
                    verordening een aantal randvoorwaarden wil formuleren. Het tweede lid geeft aan
                    dat de scholing zowel aangeboden kan worden als voorziening die door de gemeente
                    ingekocht kan worden, als in de vorm van een subsidie. In dat laatste geval
                    wordt de ontvanger in staat gesteld de opleiding zelf te bekostigen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 16.         Activeringsubsidies</onderstreept></al><al>In de Wwb is geregeld in art. 31 lid 2 sub j dat jaarlijks een
                    activeringssubsidie kan worden verstrekt. Deze subsidie is onbelast, en telt dus
                    ook niet mee bij de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen. </al><al>In deze verordening is ervoor gekozen het verstrekken van subsidies in algemene
                    zin te regelen: de criteria en de doelgroepen worden omschreven in de
                    beleidsregels. Het bestuur stelt beleidsregels vast over de doelgroepen en de
                    hoogte van de subsidies.</al><al> </al><al><onderstreept>Artikel 17.         Inkomstenvrijlating </onderstreept></al><al>Met het bepaalde in artikel 17 wordt nauw aangesloten bij de vrijlating, die
                    staat opgenomen in artikel 31, tweede lid onder o van de Wwb. Het gaat hier,
                    voor de volledigheid, alleen om personen die een algemene bijstandsuitkering
                    voor levensonderhoud ontvangen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 18.  Voorwaarden voor subsidie bij doorstroom naar
                        regulier werk</onderstreept></al><al>Werkgevers die iemand in dienst hebben, krijgen een subsidie als die werknemer
                    tijdens dat dienstverband een reguliere baan krijgt. Dat geldt alleen voor die
                    werknemers die voorafgaand aan dat gesubsidieerde dienstverband
                    uitkeringsgerechtigde in de zin van deze verordening was. Het maakt niet uit of
                    de werknemer bij dezelfde of een andere werkgever een reguliere baan heeft
                    gevonden. De uitstroom naar reguliere arbeid moet wel duurzaam zijn. Het moet
                    daarom gaan om een dienstverband voor onbepaalde duur. Bovendien moet de
                    werknemer een jaar na aanvang nog aan het werk zijn. Dat laatste mag overigens
                    bij weer een andere werkgever zijn. Het recht op de subsidie ontstaat daardoor
                    pas na een jaar nadat het gesubsidieerde dienstverband is geëindigd en de
                    arbeidsovereenkomst voor de reguliere baan is ingegaan.</al><al> </al><al><onderstreept>Artikel 19.         Overige vergoedingen</onderstreept></al><al>Het is denkbaar dat de gemeente, ter stimulering van de arbeidsinschakeling,
                    besluit diverse kosten te vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen. Het
                    gaat hierbij om kosten ter verwerving en behoud van werk zoals bijvoorbeeld
                    reiskosten en kosten voor kinderopvang. Het bestuur stelt beleidsregels vast
                    over de doelgroepen en de hoogte van de vergoeding.</al><al> </al><al><onderstreept>Artikelen 20 tot en met 25</onderstreept></al><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>