<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR318782_5</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Utrecht houdende gemeentelijke regelgeving op het gebied van openbare orde en veiligheid Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrecht (Utr)</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-177146.html">Gemeenteblad 2016, 177146</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">art. 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-03-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 2:5</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Herdruk Algemene plaatselijke verordening 2010</vet></al><al><vet>(raadsbesluit van 4 maart 2010, waarin opgenomen het raadsbesluiten van
                            3 en 29 juni en 9 december 2010, 2 februari 2012 , 11 juli 2013 en 19
                            december 2013) </vet></al><al>De raad van de gemeente Utrecht, gelet op het voorstel van b. en w gelet op
                        artikel 149 van de Gemeentewet;overwegende dat het aanbeveling verdient
                        regels te stellen ter handhaving van de openbare orde;</al><al/><al><vet>BESLUIT</vet></al><al/><al>vast te stellen de volgende</al><al/><al><vet>ALGEMENE </vet>plaatselijke verordening Utrecht 2010</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>INDEX</label><titel>Algemene plaatselijke verordening Utrecht</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1:1 Begripbepalingen</al><al>Artikel 1:2 Beslistermijn</al><al>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</al><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</al><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1:7 Termijnen</al><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Openbare Orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:1 Bevel politie weg te vervolgen of zich te
                                verwijderen</al><al>Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde e.d.</al><al>Artikel 2:3 Verblijfsontzegging</al><al>Artikel 2:4 Veiligheidsrisicogebieden</al><al>Artikel 2:5 Cameratoezicht op openbare plaatsen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.2</nr><titel>Openbare manifestaties</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:6 Kennisgeving openbare manifestaties op openbare
                                plaatsen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:7 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                stukken of afbeeldingen en monsters</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:8 Straatartiest </al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:9 Voorwerpen of stoffen aan, op, in, of boven de weg</al><al>Artikel 2:9a Uitstallingen </al><al>Artikel 2:10 Deponeren van goederen op de weg</al><al>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</al><al>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.6</nr><titel>Veiligheid op een openbare plaats</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:13 Openen van straatkolken e.d.</al><al>Artikel 2:14 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</al><al>Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</al><al>Artikel 2:15a Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en
                                verlichting</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.7</nr><titel>Orde in verband met voetbalwedstrijden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:16 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2:17 Vergunningplicht</al><al>Artikel 2:18 Indienen aanvraag</al><al>Artikel 2:19 Weigeringsgronden</al><al>Artikel 2:20 Bevel politie</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.8</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:21 Speelgelegenheden</al><al>Artikel 2:22 Speelautomaten</al><al>Artikel 2:22a Spelen om geld </al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.9</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:23 Betreden gesloten woning, lokaal en erf</al><al>Artikel 2:24 Vervoer inbrekerswerktuigen</al><al>Artikel 2:25 Bezit of vervoer van hulpmiddelen voor winkeldiefstal </al><al>Artikel 2:26 Betreden van plantsoenen e.d.</al><al>Artikel 2:27 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</al><al>Artikel 2:28 Hinderlijk drankgebruik </al><al>Artikel 2:29 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</al><al>Artikel 2:30 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                ruimten</al><al>Artikel 2:31 Liggen of slapen op of aan een openbare plaats</al><al>Artikel 2:32 Parkeren van fietsen en bromfietsen</al><al>Artikel 2:33 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                kermisterrein e.d.</al><al>Artikel 2:34 Bespieden van personen</al><al>Artikel 2:35 Loslopende honden </al><al>Artikel 2:36 Verontreiniging door honden</al><al>Artikel 2:37 Gevaarlijke honden</al><al>Artikel 2:38 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren </al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.10</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:39 Begripsbepaling</al><al>Artikel 2:40 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het
                                Wetboek van Strafrecht</al><al>Artikel 2:41 Verkoop van fietsen e.d. op een openbare plaats</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.11</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:42 Begripsbepaling consumentenvuurwerk </al><al>Artikel 2:43 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens
                                de verkoopdagen </al><al>Artikel 2:44 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                jaarwisseling</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.12</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:45 Handel in verdovende middelen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.13</nr><titel>Voor publiekopenstaande gebouwen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:46 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3:1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3:2</nr><titel>Seksinrichtingen en escortbedrijven</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:3 Nadere regels</al><al>Artikel 3:4 Vergunningplicht</al><al>Artikel 3:4a Aanvraag en vergunning</al><al>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</al><al>Artikel 3:6 Maximumstelsel prostitutiebedrijven en werkruimten</al><al>Artikel 3:7 Geldigheidsduur</al><al>Artikel 3:8 Beheerders</al><al>Artikel 3:9 Beslistermijn</al><al>Artikel 3:10 Weigeringgronden</al><al>Artikel 3:11 Toezicht en verplichtingen seksinrichtingen</al><al>Artikel 3:11a Toezicht en verplichtingenescortbedrijven</al><al>Artikel 3:12 verbod op dwingend bemoeien</al><al>Artikel 3:13 Minimale verhuurperiode en gebruik werkruimte</al><al>Artikel 3:14 Sluitings(tijden)</al><al>Artikel 3:15 Intrekkinggronden</al><al>Artikel 3:15a Adverteren</al><al>Artikel 3:16 Registratieplicht raamprostituees</al><al>Artikel 3: 16a Overgangsbepaling</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.3</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:17 Straatprostitutie</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.1</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:1 Overige geluidhinder</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:2 Natuurlijke behoefte doen</al><al>Artikel 4:3 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare
                                riolen en putten buiten gebouwen</al><al>Artikel 4:4 Plakken en kladden</al><al>Artikel 4:5 Vervoer plakgereedschap e.d.</al><al>Artikel 4:5a Winkelwagentjes</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:6 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 4:7 Velvergunning</al><al>Artikel 4:8 VERVALLEN</al><al>Artikel 4:9 VERVALLEN</al><al>Artikel 4:10 Vergunningvoorschriften en weigeringsgronden</al><al>Artikel 4:11 Bijzondere vergunningvoorschriften</al><al>Artikel 4:12 Afstand van de grenslijn </al><al>Artikel 4:13 Herplant-/instandhoudingsplicht</al><al>Artikel 4:14 Bestrijding van boomziekten</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:1 Begripsbepaling parkeren</al><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</al><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</al><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen </al><al>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</al><al>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.</al><al>Artikel 5:7 Parkeren van grote voertuigen </al><al>Artikel 5:8 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</al><al>Artikel 5:9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                stoffen</al><al>Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:11 Inzameling van geld of goederen </al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.3</nr><titel>Straathandel</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:12 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 5:13 Straathandel: mobiele verkooppunten</al><al>Artikel 5:14 Standplaats voor een ander doel dan straathandel</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.4</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:15 Crossterreinen</al><al>Artikel 5:16 Beperking verkeer in natuurgebieden</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.5</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:17 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen
                                of anderszins vuur te stoken</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.6</nr><titel>Straatnaamborden, huisnummers e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:18 Gedoogplicht aanduidingen</al><al>Artikel 5:19 Verwijdering e.d. aanduidingen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.7A</nr><titel>Binnenevenementen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:20 Begripsbepaling binnenevenement </al><al>Artikel 5:21 Verbodsbepaling </al><al>Artikel 5:22 Nadere regels</al><al>Artikel 5:23 Indienen aanvraag</al><al>Artikel 5:24 Vereisten organisator</al><al>Artikel 5:25 Maximum aantal personen</al><al>Artikel 5:26 Evenementenkalender</al><al>Artikel 5:27 Weigeringsgronden</al><al>Artikel 5:28 Samenloop</al><al>Artikel 5:29 Ordeverstoring</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.7B</nr><titel>Buitenevenementen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:30 Begripsbepaling buitenevenement</al><al>Artikel 5:31 Verbodsbepaling</al><al>Artikel 5:32 Kennisgeving straat- en buurtfeesten</al><al>Artikel 5:33 Nadere regels</al><al>Artikel 5:34 Indienen aanvraag</al><al>Artikel 5:35 Vereisten organisator</al><al>Artikel 5:36 Evenementenkalender</al><al>Artikel 5:37 Weigeringsgronden</al><al>Artikel 5:38 Schorsende werking andere vergunningen</al><al>Artikel 5:39 Samenloop en ordeverstoring</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.8</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5:40 Destructie</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgang- en slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 6:1 Strafbepaling</al><al>Artikel 6:2 Opsporingsambtenaren en toezichthouders</al><al>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</al><al>Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</al><al>Artikel 6:5 Overgangsbepaling </al><al>Artikel 6:6 Citeertitel</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>De Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 en de bijbehorende
                            Bijlage A (toelichting algemene plaatselijke verordening), vastgesteld
                            door de raad op 4 maart 2010 en nadien gewijzigd (Herdruk 2013,
                            Verordening 50), worden gewijzigd als aangegeven in artikel II en
                            III.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Utrecht;</al></li><li nr="b."><al>openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats,
                                    waaronder begrepen de weg als bedoeld onder c.;</al></li><li nr="c."><al>weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="d."><al>openbaar water: alle wateren die al of niet met enige beperking
                                    voor het publiek toegankelijk of bevaarbaar zijn;</al></li><li nr="e."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde
                                    staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27,
                                    tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van 26 februari
                                    2008; </al></li><li nr="f."><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="g."><al>voertuigen: alle rij- en voertuigen, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="∙"><al>treinen en (snel)trams;</al></li><li nr="∙"><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                            voertuigen;</al></li></lijst></li><li nr="h."><al>vaartuig: elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen
                                    wordt gebruikt, dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer
                                    te water van personen of goederen of voor het dragen van al dan
                                    niet met het drijvende lichaam één geheel uitmakende
                                    voorwerpen;</al></li><li nr="i."><al>woonschip: een vaartuig dat aan romp en opbouw herkenbaar is als
                                    schip en dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor of is bestemd tot
                                    woon- en nachtverblijf;</al></li><li nr="j."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                    hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                                    direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                    plaatse te functioneren;</al></li><li nr="k."><al>gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke
                                    overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
                                    vormt;</al></li><li nr="l."><al><vet><cursief>VERVALLEN</cursief></vet></al></li><li nr="m."><al>verblijfsontzegging: een verbod om zich gedurende een bepaalde
                                    periode in een aangewezen gebied te bevinden;</al></li><li nr="n."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                    lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="o."><al>omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.2
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                        vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop
                                        de aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht
                                        weken verlengen.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van
                                        toepassing op:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>een aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van
                                        een seksinrichting of escortbedrijf, zoals beschreven in
                                        artikel 3:9;</al></li><li nr="b."><al>een aanvraag voor een vergunning voor evenementen, zoals
                                        beschreven in Hoofdstuk 5, afdelingen 5.7A en 5.7B van deze
                                        verordening (artikel 5:21 en artikel 5:31) en</al></li><li nr="c."><al>een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals beschreven
                                        in artikel 2:11, 2:12 en afdeling 4.3 van deze
                                        verordening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste twaalf weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn
                                    of</al></li><li nr="e."><al>indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij
                                de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de
                                vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover in deze verordening sprake is van termijnen in uren,
                                bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze
                                eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of
                                een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te
                                eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag,
                                zondag of algemeen erkende feestdag is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag of het
                            bevoegde orgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="d."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="e."><al>de zedelijkheid of de gezondheid of</al></li><li nr="f."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><structuurtekst><al>Afdeling 2.1 Bestrijding van ongeregeldheden</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Bevel politie weg te vervolgen of zich te verwijderen</titel></kop><al>Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij enig voorval waardoor de
                            openbare orde wordt of dreigt te worden verstoord, of bij een tot
                            toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich bevindt
                            in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe
                            strekkend bevel van een opsporingsambtenaar onmiddellijk zijn weg te
                            vervolgen of zich in een bepaalde richting te verwijderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Verstoring van de openbare orde e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis en 431 van
                                het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan een openbare
                                plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, op enigerlei
                                wijze:</al><lijst><li nr="a."><al>de orde te verstoren; </al></li><li nr="b."><al>zich hinderlijk te gedragen; </al></li><li nr="c."><al>personen lastig te vallen; </al></li><li nr="d."><al>te vechten; </al></li><li nr="e."><al>deel te nemen aan een samenscholing;</al></li><li nr="f."><al>onnodig op te dringen of </al></li><li nr="g."><al>door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot
                                        wanordelijkheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden of indien er
                                ernstig gevaar voor het ontstaan daarvan dreigt, op de in het eerste
                                lid genoemde plaatsen een voorwerp of stof kennelijk meegebracht om
                                die orde te verstoren, bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen of
                                openbare plaatsen, wanneer deze door of vanwege het bevoegde
                                bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter
                                voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of afsluiting van een
                                gedeelte van de weg of vanwege het bevoegde gezag is aangebracht, te
                                verplaatsen, te verwijderen of omver te halen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Verblijfsontzegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar hij aan personen een
                                verblijfsontzegging kan opleggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester gaat alleen over tot aanwijzing van een gebied als
                                bedoeld in het eerste lid, indien naar zijn oordeel sprake is van
                                ernstige verstoring van de openbare orde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan een verblijfsontzegging opleggen aan personen
                                die in het aangewezen gebied de openbare orde verstoren door:</al><lijst><li nr="a."><al>handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:1,
                                        2:2, 2:22a, 2:27, eerste lid onder b, 2:28, 2:29, 2:45,
                                        artikel 3:17, eerste, tweede of negende lid van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="b."><al>het bezit, de handel of het gebruik van in de Opiumwet
                                        verboden middelen;</al></li><li nr="c."><al>het bezit van wapens, messen en andere voorwerpen die als
                                        steek- of slagwapen kunnen worden gebruikt;</al></li><li nr="d."><al>diefstal, inbraak, heling, vernieling of andere
                                        vermogensdelicten of</al></li><li nr="e."><al>geweldpleging of bedreiging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester bepaalt in de verblijfsontzegging de termijn
                                waarvoor deze geldt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan indien de belanghebbende een aantoonbaar belang
                                heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven de
                                verblijfsontzegging naar tijd en plaats beperken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegde verblijfsontzegging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 151b van de
                            Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid
                            van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een
                            veiligheidsrisicogebied aanwijzen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De burgemeester is, indien dat in het belang van de handhaving van
                                de openbare orde nodig is, bevoegd om op basis van artikel 151c van
                                de Gemeentewet voor een bepaalde duur camera’s in te zetten ten
                                behoeve van het toezicht op een openbare plaats, als bedoeld in
                                artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid
                                eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke
                                parkeerplaatsen of parkeerterreinen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Afdeling</label><nr>2.2</nr><titel>Openbare manifestaties</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Kennisgeving openbare manifestaties op openbare plaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging,
                                    vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of
                                    levensovertuiging te houden, geeft daarvan voor de openbare
                                    aankondiging en ten minste 24 uur voordat de betoging wordt
                                    gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging, vergadering of
                                            samenkomst tot belijden van godsdienst of
                                            levensovertuiging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot
                                            belijden van godsdienst of levensovertuiging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst
                                            tot belijden van godsdienst of levensovertuiging wordt
                                            gehouden en het tijdstip van aanvang en van
                                            beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                            samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                    het tijdstip van de kennisgeving, alsmede de eventueel door de
                                    burgemeester gestelde voorschriften zijn vermeld.</al></li><li nr="4."><al>Indien het tijdstip van de openbare manifestatie valt op een
                                    vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen
                                    erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk om
                                    12.00 uur van de werkdag die aan de dag van dat tijdstip vooraf
                                    gaat werkdag.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen.</al></li><li nr="6."><al>Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende
                                    betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van
                                    godsdienst of levensbeschouwing, kan, voordat deze voor de
                                    eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden
                                    gegeven. De voorafgaande leden zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li></lijst><al>Afdeling 2.3 Verspreiden van gedrukte stukken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                                afbeeldingen en monsters</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is, voor zover dit geen betrekking heeft op de vrijheid van
                                    meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, verboden
                                    om reclame te maken door middel van gedrukte of geschreven
                                    stukken, afbeeldingen, monsters of brochures dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het
                                    aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                    afbeeldingen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></li></lijst><al>Afdeling 2.4 Vertoningen e.d.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om op een openbare plaats of het openbaar
                                    water:</al><lijst><li nr="a."><al>op te treden als straatartiest of</al></li><li nr="b."><al>muziek te maken met een draaiorgel dat door middel van
                                            een voertuig wordt verplaatst.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod. </al></li><li nr="3."><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                    toepassing.</al></li></lijst><al>Afdeling 2.5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college voorwerpen of
                                stoffen aan, op, in, of boven de weg te plaatsen, aan te brengen, te
                                hebben of te storten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar
                                        of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet
                                        voor commerciële doeleinden worden gebruikt; </al></li><li nr="b."><al>zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor
                                        voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: </al><lijst><li nr="-"><al>geen onderdeel zich minder dan 220 cm boven dat
                                                gedeelte bevindt;</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat
                                                ook staat, zich op minder dan 50 cm van het voor het
                                                rijverkeer bestemde gedeelte van de weg
                                                bevindt;</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel verder dan 150 cm buiten de opgaande
                                                gevel reikt;</al></li><li nr="-"><al>deze niet voor commerciële doeleinden zijn
                                                bestemd;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
                                        kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden
                                        of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht
                                        of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het
                                        beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de
                                        voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg
                                        daarvan gereinigd is;</al></li><li nr="d."><al>voertuigen;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                        geopenbaard, mits deze door hun omvang of vormgeving,
                                        constructie of plaats van bevestiging:</al><lijst><li nr="-"><al>geen schade toebrengen aan de weg; </al></li><li nr="-"><al>geen gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de
                                                weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
                                            </al></li><li nr="-"><al>geen belemmering vormen voor het doelmatig beheer en
                                                onderhoud van de weg; </al></li></lijst></li><li nr="f."><al>het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                        standplaatsen als bedoeld in de artikelen 5:13 en 5:14 van
                                        deze verordening en als bedoeld in de Marktverordening
                                        Utrecht 2009;</al></li><li nr="g."><al>portieken van een winkel- of verkoopplaats;</al></li><li nr="h."><al>terrassen, waarvoor op grond van de Horecaverordening
                                        Utrecht 2004 een vergunning is verleend;</al></li><li nr="i."><al>steigers en containers bestemd voor het bouwen of slopen van
                                        een bouwwerk mits:</al><lijst><li nr="-"><al>deze buiten de binnenstad, zoals deze is vastgesteld
                                                in de wijk- en buurtindeling, is gelegen;</al></li><li nr="-"><al>deze korter dan vier weken zijn geplaatst;</al></li><li nr="-"><al>deze minder oppervlakte in beslag nemen dan 15
                                                m²;</al></li><li nr="-"><al>deze niet in strijd met overige regelgeving is;</al></li><li nr="-"><al>deze geen schade toebrengt aan de weg;</al></li><li nr="-"><al>deze geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van
                                                de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                                ervan;</al></li><li nr="-"><al>deze geen belemmering kan vormen voor het doelmatig
                                                beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="-"><al>een goede en veilige doorgang voor minder validen
                                                gegarandeerd blijft;</al></li><li nr="-"><al>geen overlast met het plaatsen en hebben van deze
                                                voorwerpen wordt veroorzaakt;</al></li><li nr="-"><al>voor het gebruik van een parkeerapparatuurplaats of
                                                een belanghebbendenplaats parkeerplaatsengeld wordt
                                                geheven.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning bedoeld
                                in het eerste lid worden geweigerd, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het beoogde voorwerp of stof schade toebrengt aan de weg,
                                        gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                        doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering
                                        kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de
                                        weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde voorwerp of stof hetzij op zich zelf,
                                        hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke
                                        eisen van welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                        voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende
                                        zaak.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Wet
                                milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Woningwet, het Wet beheer
                                rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de
                                Wegenverordening provincie Utrecht 2004, of de
                                Afvalstoffenverordening Utrecht 2004 van toepassing zijn of voor
                                zover er sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 5:21 van
                                deze verordening, waarvoor door de burgemeester een vergunning is
                                verleend of een terras als bedoeld in de Horecaverordening Utrecht
                                2004 en het daarbij behorende Terrassenreglement.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van
                                artikel 1:5, zaaksgebonden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9a</nr><titel>Uitstallingen</titel></kop><al>Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en
                            leefomgeving regels stellen ten aanzien van uitstallingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Deponeren van goederen op de weg</titel></kop><al>Indien bij de ontruiming van een gebouw, hetzij door een deurwaarder ter
                            tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij een ontruiming is bevolen,
                            hetzij bevoegdelijk door een ander openbaar gezag, op of aan de openbare
                            plaats goederen worden gedeponeerd, zoals huisraad, meubilair en
                            dergelijke, is de rechthebbende of gebruiker van deze goederen verplicht
                            de gedeponeerde goederen onverwijld van de weg te verwijderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een
                                weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te
                                graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te
                                veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
                                aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat,
                                alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het
                                uitvoeren van hun publieke taak.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voor in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de
                                Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                Telecommunicatieverordening 2008.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van
                                artikel 1:5, zaaksgebonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd
                                    gezag een handeling te verrichten als is beschreven in artikel
                                    2.2, eerste lid onder e. van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning
                                    worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het doelmatig en veilig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                            omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente of
                                            vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van
                                    artikel 1:5, zaaksgebonden.</al></li></lijst><al>Afdeling 2.6 Veiligheid op een openbare plaats</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk,
                            rioolput, brandkraan, brandput of een andere afsluiting die behoort tot
                            een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te
                            dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Rookverbod in parken, bossen en natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in parken, bossen en natuurgebieden of
                                binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het
                                college aangewezen periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in parken, bossen en natuurgebieden of binnen een
                                afstand van honderd meter daarvan, voor het de open lucht betreft,
                                brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of
                                te laten liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor in
                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429,
                                aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het
                                roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte,
                                erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of
                                aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van
                                het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht,
                                onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de Waterwet, de Onteigeningswet, of de
                                Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15a</nr><titel>Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en
                                verlichting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord
                                    of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer
                                    of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te
                                    beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.
                                </al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek
                                    van Strafrecht van toepassing is. </al></li></lijst><al>Afdeling 2.7 Orde in verband met voetbalwedstrijden</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>organisator:</al><lijst><li nr="1."><al>de betaaldvoetbalorganisatie F.C. Utrecht, indien het
                                            betreft een voetbal wedstrijd waarbij het eerste elftal
                                            van de betaaldvoetbalorganisatie FC Utrecht als
                                            thuisspelende ploeg betrokken is;</al></li><li nr="2."><al>de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het
                                            betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties
                                            afkomstig van buiten de gemeente Utrecht, waarbij
                                            tenminste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken,
                                            dan wel in geval van wedstrijden tussen
                                            vertegenwoordigende elftallen;</al></li><li nr="3."><al>degene die buiten de gevallen genoemd onder 1 en 2 een
                                            voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één
                                            betaaldvoetbalorganisatie is betrokken.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een
                                    organisator als bedoeld onder a.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                voetbalwedstrijd te houden of te doen houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan meerdere
                                wedstrijden betreffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:17 dient te
                                geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld
                                formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de gegevens van de organisator;</al></li><li nr="b."><al>de deelnemende voetbalorganisaties;</al></li><li nr="c."><al>de geplande datum, tijdstip en locatie van de
                                        wedstrijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag dient vergezeld te gaan van een door de organisator op
                                te stellen veiligheidsplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:17 in
                                het belang van de openbare orde en veiligheid weigeren indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vrees bestaat voor het ontstaan van een ernstige
                                        verstoring van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het aannemelijk is dat de aan de vergunning verbonden
                                        voorschriften niet zullen worden nageleefd;</al></li><li nr="c."><al>de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed
                                        verloop van de voetbalwedstrijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert een vergunning als bedoeld in artikel 2:17
                                indien niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 2:18. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Bevel politie</titel></kop><al>Personen, van wie uit feiten en omstandigheden blijkt, dat zij zich als
                            voetbalsupporter manifesteren, zijn verplicht zich op een daartoe
                            strekkend bevel van een ambtenaar van politie, met inachtneming van de
                            door hem in het belang van de handhaving van de openbare orde gegeven
                            aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de
                            gemeentegrenzen te begeven.</al><al>Afdeling 2.8 Toezicht op speelgelegenheden</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke
                                        gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden een spel te
                                        beoefenen; </al></li><li nr="b."><al>spel: spel, gespeeld in een speelgelegenheid als bedoeld
                                        onder a, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen
                                        kunnen worden gewonnen of verloren. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd hetgeen is bepaald in de Wet op de kansspelen is het
                                verboden zonder vergunning een speelgelegenheid te exploiteren of te
                                doen exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd hetgeen is bepaald in de Wet op de kansspelen is het
                                verboden deel te nemen aan een spel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verboden in het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op
                                speelgelegenheden waarvoor vergunning is verleend op grond van de
                                Wet op de kansspelen of op grond van de Verordening op de
                                speelautomatenhallen als bedoeld in artikel 30c, eerste lid onder c
                                van de Wet op de kansspelen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van
                                de Wet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                onder d, van de Wet;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                onder e, van de Wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten
                                toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                toegestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.22a</nr><titel>Spelen om geld</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Wet op de Kansspelen is het verboden op
                            de openbare plaats om geld of in geld inwisselbare voorwerpen te
                            spelen.</al><al>Afdeling 2.9 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Betreden gesloten woning, lokaal en erf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een
                                bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten
                                woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die
                                woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk
                                lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen, zoals
                                lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns e.d. te vervoeren of
                                bij zich te hebben, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de
                                toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak
                                te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de genoemde voorwerpen of
                                middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor het
                                verschaffen van de in het eerste lid bedoelde handelingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Bezit of vervoer van hulpmiddelen voor winkeldiefstal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de openbare plaats in de nabijheid van
                                winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er
                                kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te
                                vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde
                                voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                handelingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verbod wordt twee jaar na de datum van inwerkingtreding
                                geëvalueerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing
                            van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud
                            zijnde parken, wandelplaatsen, begraafplaatsen, plantsoenen,
                            groenstroken, grasperken of enige andere openbare beplanting of
                            bloemperk, buiten de daarin gelegen wegen of paden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een
                                        beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                        toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere
                                        afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd
                                        straatmeubilair e.d.;</al></li><li nr="b."><al>zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan
                                        gebruikers van de openbare plaats of gebruikers of bewoners
                                        van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig
                                        overlast of hinder wordt veroorzaakt</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de openbare plaats of het openbaar water, dat
                                deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied,
                                alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes
                                en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras, als bedoeld in artikel 1, derde lid van de
                                        Horecaverordening Utrecht 2004;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a,
                                        waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de
                                        Drank en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek, poort of bordes of
                                    onder een overkapping en dergelijke op te houden;</al></li><li nr="b."><al>in, op of tegen een raamkozijn, drempel of bordes en dergelijke
                                    van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen
                            hinderlijke wijze:</al><lijst><li nr="a."><al>op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal,
                                    telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel,
                                    parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor
                                    het publiek toegankelijke ruimte of</al></li><li nr="b."><al>deze te verontreinigen of </al></li><li nr="c."><al>deze te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                    desbetreffende ruimte is bestemd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Liggen of slapen op of aan een openbare plaats</titel></kop><al>Het is verboden –al dan niet met gebruikmaking van enige vorm van
                            beschutting, waaronder in ieder geval begrepen het gebruik van een auto,
                            of caravan e.d.– op of aan een openbare plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen;</al></li><li nr="b."><al>tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat
                                    door een opsporingsambtenaar in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid of ter bestrijding van overlast is aangezegd dat dit
                                    moet worden beëindigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Parkeren van fietsen en bromfietsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel,
                                al of niet voor onmiddellijk gebruik geschikt, te parkeren als
                                daardoor: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op een voetpad of trottoir de doorgang wordt gehinderd of
                                belemmerd;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het
                                verkeer wordt gehinderd;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op of aan een openbare plaats hinder, overlast of schade ontstaat
                                of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor
                                de fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel staat geparkeerd
                                de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd.</al><al>2.Het is verboden een fiets, bromfiets of vergelijkbaar
                                vervoermiddel, al of niet voor onmiddellijk gebruik geschikt, zonder
                                wezenlijke tijdsonderbreking te parkeren op of aan een openbare
                                plaats dan wel in of buiten de openbare fietsparkeervoorzieningen in
                                door het college aangewezen gebieden en langer dan een door het
                                college te bepalen periode.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                            uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door
                            het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt,
                            evenement, betoging of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, of
                            op plaatsen welke ter voorkoming van hinder voor wandelend of winkelend
                            publiek zijn aangewezen, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van
                            het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip
                                bevindende persoon te bespieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                                verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die
                                        hond aangelijnd is, behalve op de door het college
                                        aangewezen gebieden, mits die hond onder behoorlijk toezicht
                                        staat;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte kinderspeelplaats, stadsboerderij,
                                        zandbak, speelweide, begraafplaats of op een andere door het
                                        college aangewezen plaats;</al></li><li nr="c."><al>op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een
                                        halsband of een ander aangebracht identificatiekenmerk, die
                                        de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a. en b. gelden niet
                                voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                handicap door een geleide- of hulphond laat begeleiden of als een
                                eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd
                                opleidt tot geleide- of hulphond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><al>1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat
                            die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><lijst><li nr="a."><al>op een gedeelte van een openbare plaats dat bestemd is of mede
                                    bestemd is voor het verkeer van voetgangers;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, stadsboerderij, zandbak,
                                    speelweide of begraafplaats;</al></li><li nr="c."><al>op een andere door het college aangewezen plaats of aangewezen
                                    buurt, anders dan op daarvoor specifiek aangewezen plekken
                                    (hondentoiletten-uitlaatplaatsen).</al><al>2.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
                                    worden verwijderd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                                verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het
                                terrein van een ander: </al><lijst><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar
                                        of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk
                                        of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het
                                        gedrag van die hond noodzakelijk vindt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf
                                        nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft
                                        bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht
                                        en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag
                                        van die hond noodzakelijk vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 2:35, eerste lid onder c, geldt voor het
                                bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn
                                van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in
                                het oor of de buikwand inhoudende een uniek nummer aan de hand
                                waarvan de identiteit en het adres van de eigenaar of de houder van
                                de hond kan worden achterhaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>muilkorf: muilkorf ingericht naar een model dat beantwoordt
                                        aan de volgende beschrijving: een muilkorf vervaardigd van
                                        stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen,
                                        die door middel van een stevige leren riem rond de hals
                                        zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van
                                        de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de
                                        drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten
                                        ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat
                                        en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;</al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een vaste lijn
                                        met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet
                                        langer is dan 1.50 meter.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden één of meer dieren op een voor de omgeving
                                    hinderlijke wijze aanwezig te doen zijn.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen
                                    aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of
                                    schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide
                                    dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door hen gestelde regels of</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het is verboden op een krachtens het tweede lid aangewezen
                                    plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren
                                    aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met
                                    inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel
                                    aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is
                                    aangegeven.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het tweede lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde
                                    verbod.</al></li></lijst><al>Afdeling 2.10 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als
                            bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van
                            artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van
                                Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="1."><al>de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar binnen drie
                                    dagen schriftelijk in kennis te stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                            vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij
                                            zijn onderneming behorende vestiging;</al></li><li nr="b."><al>van een verandering van de onder 1, sub a. , bedoelde
                                            adressen;</al></li><li nr="c."><al>als hij het beroep van handelaar niet langer
                                            uitoefent;</al></li><li nr="d."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van
                                            een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende
                                            verloren is gegaan;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                    register ter inzage te geven;</al></li><li nr="3."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een aanduiding te hebben
                                    waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                    zichtbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in
                                    bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen
                                    is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Verkoop van fietsen e.d. op een openbare plaats</titel></kop><al>Het is verboden op of aan een openbare plaats fietsen, bromfietsen en
                            dergelijke voertuigen te koop aan te bieden, te verkopen of te kopen,
                            anders dan direct vanuit een aan de weg gevestigd detailhandelsbedrijf
                            voor rijwielen.</al><al>Afdeling 2.11 Vuurwerk</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Begripsbepaling consumentenvuurwerk</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                            consumentenvuurwerk waarop het Vuurwerkbesluit van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                verkoopdagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van
                                het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden
                                gevestigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></li></lijst><al>Afdeling 2.12 Drugsoverlast</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Handel in verdovende middelen</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan een
                            openbare plaats post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en
                            zich op of aan openbare plaatsen in of op een voertuig te bevinden of
                            daarmee heen en weer of rond te rijden of op of aan openbaar water post
                            te vatten, zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan het
                            openbaar water in of op een vaartuig te bevinden of daarmee heen en weer
                            te varen, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2
                            en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen
                            betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij
                            behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al><al>Afdeling 2.13 Voor publiek openstaande gebouwen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een
                                bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de
                                Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de
                                daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de
                                openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar
                                zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een
                                bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet
                                bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel
                                tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van
                                dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de
                                toegang(en) van het gebouw of het erf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de
                                burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten
                                en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel
                                voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden
                                die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om,
                                nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede
                                lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                verblijven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar
                                bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een
                                bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te
                                verblijven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien
                                in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet of de
                                Horecaverordening Utrecht 2004.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.1</nr><titel>Algemene begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte, dan wel meerdere besloten ruimten in elkaars directe
                                        nabijheid, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen, al dan niet met een
                                        ander, tegen vergoeding worden verricht. Hieronder wordt in
                                        ieder geval verstaan een prostitutiebedrijf,
                                        raamprostitutiebedrijf, seksbioscoop of sekstheater, al dan
                                        niet in combinatie met elkaar;</al></li><li nr="d."><al>prostitutiebedrijf: de voor het publiek toegankelijke
                                        besloten ruimte waarin prostitutie plaatsvindt of
                                        gelegenheid wordt geboden tot het plaatsvinden van
                                        prostitutie;</al></li><li nr="e."><al>raamprostitutiebedrijf: een prostitutiebedrijf waar het
                                        werven van klanten gebeurt vanuit de werkruimte(n) door
                                        prostituees die zichtbaar zijn vanaf een openbare
                                        plaats;</al></li><li nr="f."><al>werkruimte: een gedeelte van een (raam-)prostitutiebedrijf
                                        waarin de seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding plaatsvinden;</al></li><li nr="g."><al>escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het
                                        bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                        gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling
                                        tussen klant en prostituee;</al></li><li nr="h."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die
                                        ten laste van de exploitatie van een seksinrichting of
                                        escortbedrijf op geld waardeerbare baten ontvangt; Indien de
                                        exploitant een rechtspersoon is, worden de bestuurders van
                                        die rechtspersoon alsmede personen die middellijk of
                                        onmiddellijk aandeelhouders of houders zijn van certificaten
                                        van aandelen met een totaal belang van 5% of meer van het
                                        geplaatste kapitaal, voor de toepassing van dit hoofdstuk
                                        beschouwd als exploitant. Geen exploitant is degene die
                                        baten ten laste van de exploitatie ontvangt wegens levering
                                        van goederen en diensten waarbij sprake is van een
                                        uitwisseling van economisch gelijkwaardige prestaties.</al></li><li nr="i."><al>beheerder: de natuurlijke persoon die met het feitelijk
                                        beheer en het dagelijks toezicht in een seksinrichting is
                                        belast of feitelijk het escortbedrijf beheert;</al></li><li nr="j."><al>beheerderstaken: taken die essentieel onderdeel uitmaken van
                                        het toezicht op de dagelijkse gang van zaken binnen een
                                        seksinrichting of escortbedrijf. Hieronder wordt onder
                                        andere verstaan het innen van de huurgelden, afsluiten van
                                        de huurovereenkomsten, sleutelbeheer;</al></li><li nr="k."><al>klant: degene die gebruik maakt of het kennelijk doel heeft
                                        gebruik te maken van de seksuele diensten die worden
                                        aangeboden:</al></li><li nr="1."><al>in een seksinrichting;</al></li><li nr="2."><al>door bemiddeling van een escortbedrijf of</al></li><li nr="3."><al>door een prostituee.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan het
                                college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft
                                voor publiek openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven als
                                bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.2</nr><titel>Seksinrichtingen en escortbedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan nadere regels vaststellen met het oog
                                op de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan
                                    een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te
                                    wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning wordt op naam gesteld van een exploitant; indien
                                    meerdere personen, daaronder begrepen natuurlijke personen en
                                    rechtspersonen, exploitant zijn, wordt de vergunning aan hen
                                    gezamenlijk verleend en zijn zij allen, afzonderlijk en
                                    gezamenlijk, verantwoordelijk voor de nakoming van de
                                    verplichtingen die door of krachtens deze verordening op hen
                                    rusten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan verleent uitsluitend vergunning voor
                                    een escortbedrijf dat naar zijn oordeel voldoende aan een vast
                                    adres is gebonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De exploitatie van een escortbedrijf is gebonden aan het adres
                                    dat in de vergunning is vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4a</nr><titel>Aanvraag en vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag om vergunning voor een seksinrichting of
                                    escortbedrijf wordt met gebruikmaking van het door het bevoegde
                                    bestuursorgaan vastgestelde formulier door de exploitant
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning worden in ieder geval de volgende
                                    gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant, indien een
                                            rechtspersoon: de persoonsgegevens van de tot
                                            vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
                                            natuurlijke persoon/personen;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder(s);</al></li><li nr="c."><al>het nummer van inschrijving in het handelsregister bij
                                            de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="d."><al>een geldig legitimatiebewijs van iedere exploitant en
                                            beheerder;</al></li><li nr="e."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al></li><li nr="f."><al>behoudens voor escortbedrijven, het aantal in de
                                            inrichting aanwezige werkruimten;</al></li><li nr="g."><al>een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd
                                            is tot het gebruik van de ruimte waarin hij de
                                            seksinrichting of het escortbedrijf wil
                                            exploiteren;</al></li><li nr="h."><al>het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor de
                                            seksinrichting of het escortbedrijf zal worden gebruikt
                                            of wordt gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het indienen van een aanvraag om een vergunning voor een
                                    seksinrichting of escortbedrijf wordt een bedrijfsplan
                                    overgelegd, waarin in ieder geval het bedrijfsbeleid wordt
                                    beschreven ten aanzien van de hygiëne, de gezondheid, het
                                    zelfbeschikkingsrecht, de zelfredzaamheid, de veiligheid en de
                                    arbeidsomstandigheden van de in de inrichting of het bedrijf
                                    werkzame prostituees, alsmede de veiligheid en de gezondheid van
                                    de klanten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uit het bedrijfsplan blijkt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>welke maatregelen de exploitant neemt om te voorkomen
                                            dat in de seksinrichting of door bemiddeling van het
                                            escortbedrijf prostituees werkzaam zijn die het
                                            slachtoffer zijn van mensenhandel of andere vormen van
                                            uitbuiting;</al></li><li nr="b."><al>welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de
                                            in de seksinrichting of door bemiddeling van het
                                            escortbedrijf werkzame prostituees voldoende zelfredzaam
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de
                                            in de seksinrichting of door bemiddeling van het
                                            escortbedrijf werkzame prostituees niet worden verplicht
                                            tot het verrichten van seksuele handelingen tegen hun
                                            wil en tot het gebruik van drugs of tot het nuttigen van
                                            alcoholhoudende dranken;</al></li><li nr="d."><al>welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de
                                            in de seksinrichting of door bemiddeling van het
                                            escortbedrijf werkzame prostituees klanten kunnen
                                            weigeren;</al></li><li nr="e."><al>welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat er
                                            voldoende toezicht plaatsvindt in de seksinrichting of
                                            op de activiteiten van het escortbedrijf;</al></li><li nr="f."><al>welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de
                                            gezondheid en veiligheid van klanten voldoende wordt
                                            beschermd;</al></li><li nr="g."><al>onder welke arbeids- en/of verhuurvoorwaarden
                                            prostituees in de seksinrichting of door bemiddeling van
                                            het escortbedrijf werken, waaronder in ieder geval de
                                            minimale en maximale verhuurperiode en de opbouw van en
                                            hoogte van de verhuurprijzen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de exploitant het bedrijfsplan wil wijzigen, doet hij
                                    hiervan vooraf mededeling aan het bevoegde bestuursorgaan. De
                                    wijziging wordt na goedkeuring door het bevoegd bestuursorgaan
                                    als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien het bevoegd bestuursorgaan dit nodig acht voor de
                                    beoordeling van de aanvraag, worden aanvullende bescheiden en
                                    gegevens overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan nadere regels stellen ten aanzien
                                    van hetgeen in het bedrijfsplan wordt opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                    toepassing;</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In een vergunning worden opgenomen de gegevens genoemd in het
                                    tweede lid onder a., b., c., en e., alsmede de aan de vergunning
                                    verbonden voorschriften of beperkingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant – indien een rechtspersoon: de tot
                                    vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke
                                    persoon/personen – en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet onherroepelijk veroordeeld voor een gewelds-
                                            of zedendelict of voor mensenhandel;</al></li><li nr="c."><al>zijn niet in enig ander opzicht van slecht
                                            levensgedrag;</al></li><li nr="d."><al>hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en
                                    beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan
                                            zes maanden door de rechter in Nederland, de Nederlandse
                                            Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter
                                            wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een
                                            bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                            eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is
                                            toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van EUR 500,00 of meer
                                            of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><lijst><li nr="1."><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                                  Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000
                                                  en de Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="2."><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b,
                                                  242 tot en met 249, 252, 273f, 300 tot en met 303,
                                                  416, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek
                                                  van Strafrecht;</al></li><li nr="3."><al>de artikelen 8 en 162, alsmede artikel 6 jo.
                                                  artikel 8 of jo. artikel 163 van de
                                                  Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="4."><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en
                                                  30b van de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="5."><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                                  weerkorpsen;</al></li><li nr="6."><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                  munitie.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                    tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel
                                    76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen, tenzij de geldsom € 375,00 of minder
                                    bedraagt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen
                                    exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting die of
                                    een escortbedrijf dat voor ten minste een maand door het
                                    bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning is
                                    ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt
                                    treft.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vorige lid wordt, ingeval de
                                    exploitant een rechtspersoon is, onder exploitant mede verstaan
                                    de bestuurders, de vertegenwoordigingsbevoegden en de houders
                                    van (certificaten van) aandelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Maximumstelsel prostitutiebedrijven en werkruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan verleent aan ten hoogste zes
                                    prostitutiebedrijven, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, een
                                    vergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan ten behoeve van raamprostitutie
                                    voor ten hoogste honderdtweëenzestig (162) werkruimten
                                    vergunningen verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de vergunning wordt het aantal werkruimten per
                                    raamprostitutiebedrijf vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan een exploitant van een raamprostitutiebedrijf, daaronder
                                    mede verstaan degene die gezamenlijk met een derde houder is of
                                    beoogt te worden van een vergunning, kan vergunning worden
                                    verleend voor ten hoogste één vijfde (1/5) van het in het tweede
                                    lid genoemde aantal werkruimten, afgerond op een geheel getal
                                    naar beneden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Geldigheidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt drie jaar na de datum van inwerkingtreding
                                    daarvan of zoveel eerder als in de vergunning wordt aangegeven,
                                    met dien verstande dat geen vervaltermijnen van minder dan één
                                    jaar in de vergunning worden opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning vervalt ook wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitatie van de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf feitelijk is beëindigd of
                                            overgedragen;</al></li><li nr="b."><al>zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden
                                            van de vergunning, zonder dat van deze vergunning
                                            gebruik is gemaakt of</al></li><li nr="c."><al>de exploitatie van de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf gedurende zes maanden achtereen is
                                            gestaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien minimaal twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn
                                    van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd,
                                    blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag tot
                                    verlenging is besloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Beheerders</titel></kop><al>Het is verboden beheerderstaken uit te laten voeren door personen
                                die niet als zodanig op de vergunning staan vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag om vergunning
                                    binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvankelijk is
                                    geworden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan besluit omtrent een vergunning op de
                                    grondslag van een aanvraag en weigert een vergunning
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging, uitbreiding of de exploitatie van de
                                            seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een
                                            geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                            beheersverordening;</al></li><li nr="c."><al>de vestiging, de uitbreiding of de exploitatie van de
                                            seksinrichting in strijd zou zijn met artikel 3:6;</al></li><li nr="d."><al>blijkens de aanvraag een persoon of rechtspersoon houder
                                            van een vergunning beoogt te worden die reeds, al dan
                                            niet gezamenlijk met een of meer anderen, over een
                                            vergunning voor raamprostitutie beschikt en verlening
                                            van de vergunning ertoe zou leiden dat deze persoon
                                            gebruik zou kunnen gaan maken van vergunningen voor een
                                            hoger aantal werkruimten dan het aantal werkruimten dat
                                            is aangegeven in artikel 3:6, vierde lid;</al></li><li nr="e."><al>het escortbedrijf wordt gevestigd in een voor het
                                            publiek toegankelijk gebouw, tenzij het escortbedrijf
                                            wordt gevestigd in een seksinrichting waarvoor op grond
                                            van artikel 3:4 vergunning is verleend;</al></li><li nr="f."><al>het escortbedrijf wordt gevestigd in een seksinrichting
                                            waarvan de vergunning op grond van artikel 3:15 is
                                            ingetrokken of met toepassing van artikel 2:46 of 3:14,
                                            tweede lid van deze verordening of artikel 13b van de
                                            Opiumwet is gesloten;</al></li><li nr="g."><al>het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte
                                            waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking als
                                            bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet is
                                            verleend;</al></li><li nr="h."><al>een niet in de aanvraag of vergunning als beheerder
                                            vermeld persoon beheerderstaken zal uitvoeren of
                                            uitvoert met betrekking tot de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf waarop de aanvraag respectievelijk de
                                            vergunning betrekking heeft;</al></li><li nr="i."><al>naar zijn oordeel het bedrijfsplan onvoldoende garanties
                                            geeft voor de bescherming van de in de seksinrichting of
                                            de door bemiddeling van het escortbedrijf werkzame
                                            prostituees of niet voldoet aan de bij of krachtens
                                            artikel 3:4a gestelde regels;</al></li><li nr="j."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting, in het
                                            perceel waarin de bemiddeling van een escortbedrijf
                                            plaatsvindt of door bemiddeling van het
                                            escortbedrijf:</al><lijst><li nr="1."><al>personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
                                                  met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of
                                                  met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                                  vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000
                                                  bepaalde;</al></li><li nr="2."><al>minderjarigen werkzaam of aanwezig zijn of
                                                  zullen zijn;</al></li><li nr="3."><al>geen of onvoldoende toezicht aanwezig is of zal
                                                  zijn van de exploitant of beheerder of</al></li><li nr="4."><al>prostituees werkzaam zijn of zullen zijn die de
                                                  leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al>er aanwijzingen zijn dat in het raamprostitutiebedrijf
                                    prostituees werkzaam zijn of zullen zijn, die niet op grond van
                                    artikel 3:16 zijn geregistreerd of</al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al>indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke
                                    toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming
                                    zal zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan een vergunning weigeren in het
                                    belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de in artikel 1:8 van deze verordening vermelde belangen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                    leefklimaat of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan een vergunning voor een
                                    seksinrichting of een escortbedrijf eveneens weigeren:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van
                                    de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                                    bestuur of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien naar zijn oordeel onvoldoende aannemelijk is dat de
                                    exploitant of de beheerder het bepaalde bij of krachtens artikel
                                    3:11 of 3:11a zal naleven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de toepassing van de in het tweede lid onder b. genoemde
                                    weigeringsgrond houdt het bevoegd bestuursorgaan rekening
                                    met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het karakter van de straat en de wijk waarin de seksinrichting
                                    of het escortbedrijf is of wordt gevestigd;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf en de
                                    spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse blootstaat
                                    of door de vestiging of uitbreiding van de inrichting of het
                                    bedrijf zou komen te staan en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bijzondere gebruiksfuncties in de omgeving waarmee de vestiging
                                    of uitbreiding van de seksinrichting of van het escortbedrijf
                                    zich niet verdraagt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een weigering op grond van het bepaalde in het derde lid onder
                                    a. vindt niet plaats op basis van besluiten tot intrekking van
                                    vergunningen die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze
                                    wijzigingsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Toezicht en verplichtingen seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor klanten geopend te
                                    hebben, zonder dat de op de vergunning vermelde exploitant of
                                    beheerder in de seksinrichting aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een
                                    afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting
                                    waarvoor de vergunning is verleend en dat tevens aan de
                                    buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een
                                    vergunning beschikt voor die seksinrichting. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De exploitant en/of de beheerder houdt ter plaatse voortdurend
                                    en zodanig toezicht dat in de seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                            geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven
                                            tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal),
                                            artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht en XXX
                                            (begunstiging) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                            munitie;</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;</al></li><li nr="c."><al>geen minderjarigen aanwezig zijn;</al></li><li nr="d."><al>geen prostituees werkzaam zijn die de leeftijd van
                                            éénentwintig (21) jaar nog niet hebben bereikt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De exploitant en/of de beheerder voert met iedere prostituee
                                    voordat hij of zij voor het eerst in de seksinrichting werkzaam
                                    zal zijn een persoonlijk gesprek waarin de exploitant zich ervan
                                    dient te vergewissen dat de prostituee voldoende zelfredzaam is.
                                    Het verslag van dit intakegesprek maakt deel uit van de
                                    verplicht te voeren bedrijfsadministratie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant van een raamprostitutiebedrijf is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkruimte te voorzien van een deugdelijke
                                            alarminstallatie en</al></li><li nr="b."><al>een deugdelijke administratie te voeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder van een raamprostitutiebedrijf
                                    dienen er voortdurend op toe te zien, dat in het
                                    raamprostitutiebedrijf uitsluitend op grond van artikel 3:16
                                    geregistreerde prostituees werkzaam zijn. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder dienen, indien bij hen
                                    redelijkerwijs een vermoeden dient te ontstaan van mensenhandel
                                    en/of andere vormen van uitbuiting, dit direct te melden bij de
                                    politie en de gemeentelijke toezichthouders.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De exploitant of beheerder draagt er zorg voor dat de rechten en
                                    verplichtingen die hij en de prostituee zijn overeengekomen
                                    schriftelijk tenminste in tweevoud worden vastgelegd en dat een
                                    exemplaar van deze overeenkomst aan de prostituee wordt
                                    verstrekt en dat een exemplaar in de bedrijfsadministratie wordt
                                    bewaard. Elke beëindiging van een huurcontract dient
                                    schriftelijk te worden vastgelegd en vermeldt de aanleiding tot
                                    de beëindiging. Het document wordt in de bedrijfsadministratie
                                    bewaard. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De exploitant draagt er zorg voor dat de hygiëne in de
                                    seksinrichting aan de algemene eisen die hiervoor in de branche
                                    gelden voldoet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11a</nr><titel>Toezicht en verplichtingen escortbedrijven</titel></kop><al>Het derde, vierde, zevende, achtste en negende lid van artikel 3:11
                                zijn van overeenkomstige toepassing op escortbedrijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Verbod op dwingend bemoeien</titel></kop><al>Het is verboden zich op een openbare plaats op enigerlei wijze
                                dwingend te bemoeien met een prostituee.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Minimale verhuurperiode en gebruik werkruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De minimale verhuurperiode van een werkruimte voor
                                    raamprostitutie bedraagt bij de aanvang van huren een
                                    aaneengesloten periode van minimaal vier weken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de raamprostitutie aan het Zandpad is het verboden een
                                    werkruimte gedurende een aaneengesloten periode van meer dan
                                    twaalf uur te laten gebruiken door dezelfde prostituee.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een prostituee, die gedurende een aaneengesloten
                                    periode van twaalf uur als in het voorgaande lid bedoeld gebruik
                                    heeft gemaakt van een werkruimte, gebruik te laten maken van een
                                    andere werkruimte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden een prostituee gebruik te laten maken van een
                                    werkruimte die reeds aan een andere prostituee is verhuurd,
                                    behoudens bijzondere omstandigheden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor alle (raam-)prostitutiebedrijven geldt dat de werkruimte
                                    niet mag worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor
                                    deze is bedoeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Sluiting(stijden)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een raamprostitutiebedrijf, dat is gelegen in de
                                    Hardebollenstraat, voor klanten geopend te houden of daarin
                                    klanten toe te laten op andere tijdstippen dan van 08.00 uur tot
                                    02.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan de, al dan niet tijdelijke,
                                    gehele of gedeeltelijke sluiting van een seksinrichting bevelen
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>gehandeld wordt in strijd met het bij of krachtens dit
                                            hoofdstuk bepaalde;</al></li><li nr="b."><al>gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning
                                            verbonden voorschriften of</al></li><li nr="c."><al>dat met het oog op de bescherming van de in artikel
                                            3:10, tweede lid, genoemde belangen noodzakelijk
                                            is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden in de seksinrichting klanten toe te laten
                                    gedurende de tijd dat de inrichting bij of krachtens deze
                                    verordening gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan, indien wordt gehandeld in strijd
                                    met het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde, met het oog op
                                    de in artikel 3:10 genoemde belangen of bij overtreding van de
                                    aan de vergunning verbonden voorschriften, al dan niet tijdelijk
                                    voor een afzonderlijke seksinrichting sluitingsuren
                                    vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is de klant van een seksinrichting verboden zich in de
                                    inrichting te bevinden gedurende de tijd dat de inrichting bij
                                    of krachtens deze verordening gesloten dient te zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Intrekkingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan trekt een vergunning in indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in
                                            artikel 3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>een niet in de vergunning vermeld persoon
                                            beheerderstaken uitvoert met betrekking tot de
                                            seksinrichting of het escortbedrijf waarop de vergunning
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting, in het
                                            perceel waarin de bemiddeling van een escortbedrijf
                                            plaatsvindt of door bemiddeling van het
                                            escortbedrijf:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>personen werkzaam zijn of zijn geweest in strijd met artikel
                                    273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens
                                    de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000
                                    bepaalde;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>minderjarigen werkzaam en/of aanwezig zijn of zijn geweest;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>geen of onvoldoende toezicht aanwezig is of is geweest van de
                                    exploitant of beheerder;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>prostituees werkzaam zijn of zijn geweest die de leeftijd van 21
                                    jaar niet hebben bereikt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>er aanwijzingen zijn dat in het raamprostitutiebedrijf
                                    prostituees werkzaam zijn of zijn geweest die niet op grond van
                                    artikel 3:16 zijn geregistreerd of</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te
                                    zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen
                                    indien bij de beoordeling daarvan de juist gegevens bekend waren
                                    geweest;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan trekt de vergunning voor een
                                    escortbedrijf eveneens in indien zich een omstandigheid voordoet
                                    die een weigeringsgrond oplevert als bedoeld in artikel 3:10,
                                    eerste lid, aanhef en onder b, e, f of g.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegd
                                    bestuursorgaan een vergunning voor een seksinrichting of een
                                    escortbedrijf intrekken:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien naar zijn oordeel het bedrijfsplan niet langer voldoende
                                    garanties geeft voor de bescherming van de prostituees, de
                                    exploitant niet langer voldoet aan de bij of krachtens artikel
                                    3:4a gestelde regels of in strijd is gehandeld met de in het
                                    bedrijfsplan, bedoeld in artikel 3:4a, beschreven
                                    maatregelen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de exploitant of de beheerder niet voldoet aan het in
                                    artikel 3:11 of 3:11a bepaalde of in strijd handelt met artikel
                                    3:15a;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien in strijd wordt gehandeld met de door het bevoegd
                                    bestuursorgaan gestelde nadere regels als bedoeld in artikel
                                    3:3;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>indien een eerdere of andere vergunning van dezelfde exploitant
                                    voor de exploitatie van een escortbedrijf of seksinrichting is
                                    geweigerd of ingetrokken;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 3:10, tweede
                                    lid of</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van
                                    de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                                    bestuur;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan een vergunning voor een
                                    seksinrichting eveneens intrekken indien in strijd met artikel
                                    3:14 wordt gehandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15a</nr><titel>Adverteren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij het adverteren ten behoeve van de
                                    seksinrichting of escortbedrijf de naam van het bedrijf en het
                                    nummer van de exploitatievergunning niet te vermelden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in advertenties onveilige seks aan te bieden of
                                    daarin te vermelden dat de in de seksinrichting of door
                                    tussenkomst van het escortbedrijf werkzame prostituees die voor
                                    hem of haar werken vrij zijn van seksueel overdraagbare
                                    aandoeningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de werving van klanten voor escortbedrijven mag alleen
                                    gebruik worden gemaakt van de op de exploitatievergunning
                                    vermelde telefoonnummers die niet zijnde 06-nummers zonder vast
                                    abonnement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Registratieplicht raamprostituees</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder registratie door het bevoegd
                                    bestuursorgaan als prostituee werkzaam te zijn in een
                                    raamprostitutiebedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot registratie dient:</al><lijst><li nr="a."><al>door de prostituee persoonlijk te worden gedaan ten
                                            overstaan van een daartoe door het bevoegd gezag
                                            gemandateerd ambtenaar en</al></li><li nr="b."><al>te geschieden door middel van een door het bevoegd gezag
                                            vastgesteld formulier en dient van de benodigde bijlagen
                                            te zijn voorzien.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De registratie wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de prostituee nog niet de leeftijd van éénentwintig jaar
                                            heeft bereikt;</al></li><li nr="b."><al>de prostituee niet voldoet aan de relevante bepalingen,
                                            gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 of de
                                            Wet Arbeid Vreemdelingen;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat de prostituee slachtoffer is
                                            van mensenhandel dan wel andere vormen van uitbuiting
                                            of</al></li><li nr="d."><al>de prostituee niet beschikt over een inschrijving bij de
                                            Kamer van Koophandel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van hetgeen in artikel 1:2 is opgenomen,
                                    registreert het bevoegd gezag de prostituee binnen twee weken
                                    nadat de aanvraag is ontvangen, welke termijn kan worden
                                    verlengd met maximaal twee weken. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De registratie heeft een duur van vierentwintig maanden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester verwijdert de prostituee uit de
                                    registratie:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de prostituee hier zelf om verzoekt;</al></li><li nr="b."><al>na afloop van de duur van de registratie, als bedoeld in
                                            het vijfde lid;</al></li><li nr="c."><al>indien de prostituee ter verkrijging van de registratie
                                            onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft
                                            verstrekt;</al></li><li nr="d."><al>indien op grond van een verandering van de
                                            omstandigheden of inzichten opgetreden na het
                                            registreren van de prostituee moet worden aangenomen dat
                                            verwijdering uit de registratie wordt gevorderd door het
                                            belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                                            registratie is vereist of</al></li><li nr="e."><al>indien een weigeringsgrond vermeld in het derde lid zich
                                            voordoet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De prostituee ontvangt een bewijs van registratie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16a</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij inwerkingtreding van deze verordening worden de
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 3:4a en 3:8 voor reeds
                                    vergunde prostitutiebedrijven als bedoeld in artikel 3:6 eerste
                                    lid en de reeds vergunde overige seksinrichtingen, niet vallend
                                    onder het in artikel 3:6 bedoelde maximum eerst van kracht vanaf
                                    het moment van het expireren van de lopende vergunningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor prostituees die ten tijde van de inwerkingtreding van deze
                                    verordening de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt,
                                    blijft de in dit hoofdstuk opgenomen leeftijdseis buiten
                                    toepassing mits zij:</al><lijst><li nr="a."><al>in ten tijde van de inwerkingtreding van deze
                                            verordening reeds vergunde seksinrichtingen, anders dan
                                            raamprostitutie, of door tussenkomst van een ten tijde
                                            van de inwerkingtreding van deze verordening reeds
                                            vergund escortbedrijf werkzaam zijn;</al></li><li nr="b."><al>over een registratie als bedoeld in artikel 3:16, eerste
                                            lid beschikken of</al></li><li nr="c."><al>over een vergunning als bedoeld in artikel 3:17, tweede
                                            lid beschikken.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.3.</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:17</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of
                                        op andere wijze, passanten te bewegen, uit te nodigen dan
                                        wel aan te lokken gebruik te maken van de diensten van een
                                        prostituee.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op door het
                                        college aangewezen openbare plaatsen gedurende door het
                                        college vastgestelde tijden, mits degene die tot prostitutie
                                        beweegt, uitnodigt of daartoe aanlokt, beschikt over een
                                        vergunning van het daartoe bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag om vergunning als bedoeld in het tweede lid van
                                        dit artikel, dient:</al></li><li nr="a."><al>te geschieden door middel van een door het bevoegd
                                        bestuursorgaan vastgesteld formulier en dient in ieder geval
                                        de gegevens van de aanvrager te bevatten en</al></li><li nr="b."><al>dient door de aanvrager in persoon te worden gedaan ten
                                        overstaan van een daartoe door het bevoegd bestuursorgaan
                                        gemandateerd ambtenaar.</al></li><li nr="4."><al>Vergunningen hebben een door het bevoegd bestuursorgaan vast
                                        te stellen beperkte geldigheidsduur.</al></li><li nr="5."><al>De vergunning vervalt indien de vergunninghouder daar
                                        gedurende een door het bevoegd bestuursorgaan te bepalen
                                        periode geen gebruik van heeft gemaakt.</al></li></lijst><al>6a De vergunning wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er aanwijzingen zijn dat de aanvrager werkzaam zal zijn in
                                        strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of
                                        met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                        Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt heeft
                                        of</al></li><li nr="c."><al>het bevoegd bestuursorgaan een maximumaantal te verlenen
                                        vergunningen heeft vastgesteld en dit maximum is
                                        bereikt.</al></li></lijst><al>6b Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden
                                geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting
                                        van het woon- en leefklimaat of</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                        prostituee.</al></li><li nr="7."><al>Met het oog op de in de leden 6a en 6b genoemde belangen,
                                        kan het bevoegd bestuursorgaan over de uitoefening van de
                                        bevoegdheden in dit artikel nadere regels vaststellen.</al></li><li nr="8."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan de vergunning als bedoeld in
                                        het tweede lid voor bepaalde of onbepaalde tijd intrekken,
                                        indien de vergunninghouder:</al></li><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens dit artikel overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde bij of krachtens artikel 1:6, onder a, b, c of
                                        e overtreedt, of</al></li><li nr="c."><al>in enig opzicht van slecht levensgedrag is.</al></li><li nr="9."><al>Door toezichthouders belast met de naleving van het bepaalde
                                        bij of krachtens dit artikel en politieambtenaren kan het
                                        bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde
                                        richting te verwijderen:</al></li><li nr="a."><al>met het oog op de naleving van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod, of</al></li><li nr="b."><al>aan personen die zich bevinden op de wegen, plaatsen en
                                        tijden bedoeld in het tweede lid, met het oog op de in lid
                                        6b genoemde belangen.</al></li><li nr="10."><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet
                                        van toepassing.</al></li><li nr="11."><al>Artikel 3:12 is van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><structuurtekst><al>Afdeling 4.1 Overige Geluidhinder</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te
                                    hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat
                                    voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt
                                    veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod,
                                    vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in
                                    werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen
                                    categorieën van toestellen of geluidsapparaten, voor zover wordt
                                    voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften
                                    ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer
                                    betreffen:</al><lijst><li nr="-"><al>het maximale geluidsniveau; </al></li><li nr="-"><al>de situering van geluidsbronnen; </al></li><li nr="-"><al>de frequentie en tijden van gebruik.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het verbod geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde
                                    voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet, de
                                    Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het
                                    Reglement Verkeerstekens en verkeersregels, de Wet openbare
                                    manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                                    milieuverordening van toepassing zijn.</al></li><li nr="6."><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></li></lijst><al>Afdeling 4.2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                            natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en
                                putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten
                            gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert
                            voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de
                            gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte van een
                                onroerende en/of roerende zaak dat vanaf een openbare plaats of
                                openbaar water zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                rechthebbende op een openbare plaats op een gedeelte van een
                                onroerende en/of roerende zaak dat vanaf een openbare plaats of
                                openbaar water zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                        aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                        wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                        afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                        doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben
                                op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens
                                eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water te
                                vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek,
                                kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of
                                gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                handelingen als verboden in artikel 4:4, eerste, tweede en vijfde
                                lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5a</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>[vervallen]</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een winkelwagentje te deponeren of achter te
                                    laten op of aan een openbare plaats, anders dan op plaatsen die
                                    daartoe door de rechthebbende zijn aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan gebieden aanwijzen waarbinnen bedrijven die
                                    winkelwagentjes ter beschikking stellen verplicht worden op of
                                    aan een openbare plaats achtergelaten of gedeponeerde
                                    winkelwagentjes direct te verwijderen.</al></li><li nr="4."><al>Het is de rechthebbende op een bedrijf verboden winkelwagentjes
                                    ten behoeve van het publiek ter beschikking te stellen zonder
                                    dat deze zijn voorzien van een duidelijk leesbare aanduiding van
                                    de naam en het adres van het bedrijf.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het derde lid geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer van toepassing is.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Afdeling 4.3 Het bewaren van houtopstanden</label><nr/><titel/></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat:</al><lijst><li nr="-"><al>een- of meerstammig kan zijn, waarbij in geval van
                                            meerstammigheid de stammen zich bovengronds moeten
                                            vertakken;</al></li><li nr="-"><al>een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid
                                            de dwarsdoorsnede van de dikste stam, van 15 centimeter
                                            op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld heeft;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen, een
                                    lintbeplanting in de vorm van heesters en struiken, een
                                    beplanting van bosplantsoen;</al></li><li nr="c."><al>hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn
                                    geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="d."><al>knotten/kandelaberen: het tot op de snoeiplaats verwijderen van
                                    uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of
                                    leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;</al></li><li nr="e."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                    ingevolge artikel 1, vijfde lid van de Boswet;</al></li><li nr="f."><al>boomwaarde: het getal dat wordt gevonden door het product van de
                                    volgende factoren:</al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte in vierkante centimeters van de
                                            dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld;</al></li><li nr="-"><al>de geïndexeerde eenheidsprijs per vierkante centimeter;
                                            de standplaatswaarde;</al></li><li nr="-"><al>de conditiewaarde;</al></li><li nr="-"><al>de waarde van de plantwijze;</al><al>g.vellen: afzagen, afhakken, rooien met inbegrip van
                                            verplanten en het verrichten van handelingen, zowel
                                            boven- als ondergronds, die de dood of ernstige
                                            beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge
                                            kunnen hebben.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het kappen van een boom of vellen van
                                een houtopstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag
                                een handeling te verrichten als is beschreven in artikel 2.2, eerste
                                lid onder g. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden
                                buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet, indien het
                                betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>wegbeplanting of eenrijige beplanting op of langs
                                        landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren
                                        of wilgen, tenzij deze zijn geknot;</al></li><li nr="b."><al>fruitbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf
                                        jaren, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op
                                        daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;</al></li><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig door het
                                        Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is
                                        buiten de bebouwde kom, tenzij de houtopstand een
                                        zelfstandige eenheid vormt die</al><lijst><li nr="-"><al>ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan tien
                                                are;</al></li><li nr="-"><al>ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan
                                                twintig bomen, gerekend over het totale aantal
                                                rijen.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                        Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van
                                        het college, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen
                                        4:13 en 4:14;</al></li><li nr="b."><al>het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het
                                        reguliere onderhoud;</al></li><li nr="c."><al>het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel
                                        bij daarvoor geschikte boomsoorten;</al></li><li nr="d."><al>bomen met een dwarsdoorsnede van de stam tot maximaal 15
                                        centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld;</al></li><li nr="e."><al>bomen met een ouderdom van 49 jaar of jonger die zich
                                        bevinden op een kadastraal perceel van gelijk of minder dan
                                        300 m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="f."><al>bomen met een ouderdom van 49 jaar of jonger die zich
                                        bevinden in een tuin behorende bij een verhuurde woning en,
                                        waarvan de grootte van de verhuurde eenheid inclusief tuin
                                        gelijk of minder is dan 300 m<sup>2</sup>.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><al><vet><cursief>VERVALLEN</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Vervallen vergunning</titel></kop><al><vet><cursief>VERVALLEN</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Vergunningvoorschriften en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder
                                voorschriften verlenen in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>ecologische waarde;</al></li><li nr="b."><al>ruimtelijke waarde;</al></li><li nr="c."><al>milieuwaarde;</al></li><li nr="d."><al>cultuurhistorische waarde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of onder voorschriften
                                verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering
                                hanteren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Bijzondere vergunningvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het
                                voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de
                                door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden
                                herplant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan
                                daarbij tevens worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn
                                niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren
                                aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand
                                voorkomende flora en fauna, met name het niet uitvoeren van
                                velwerkzaamheden ter bescherming van broedende vogels. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Afstand van de grenslijn</titel></kop><al>De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt
                            vastgesteld op 50 centimeter voor bomen en nihil voor heggen en
                            heesters. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                                afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag
                                is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd
                                gezag van aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de
                                houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het
                                treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te
                                herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen bennen
                                een door hen te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan
                                kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet
                                worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een houtopstand waarop het verbod tot het vellen als bedoeld
                                in deze afdeling van toepassing is, door uitvoering van
                                werkzaamheden, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het
                                bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich
                                de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot
                                het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen
                                om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door
                                hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die
                                bedreiging wordt weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of
                                derde lid is opgelegd, alsmede aan diens rechtsopvolger, is
                                verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Bestrijding van boomziekten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein één of meer bomen of andere houtopstand
                                bevinden, die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar
                                opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering
                                van de insecten, die boomziekten verspreiden, is de eigenaar of de
                                publiekrechtelijk bevoegde op aanschrijving van het college en
                                binnen de door haar te stellen termijn verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de houtopstand te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de houtopstand ter plaatse te ontbasten en de bast te
                                        vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>de niet ontbaste bomen of delen daarvan te vernietigen of
                                        zodanig te behandelen, dat verspreiding van boomziekten
                                        wordt voorkomen;</al></li><li nr="d."><al>in geval van iepziekte alle hierboven onder a., b. en c.
                                        genoemde maatregelen te treffen;</al></li><li nr="e."><al>alle andere maatregelen te treffen ter voorkoming van
                                        boomziekten behoudens beperkingen bij of krachtens de
                                        Plantenziektenwet gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde door boomziekte aangetaste bomen, of delen
                                daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij
                                het betreft geheel ontbast hout of hout met een doorsnede kleiner
                                dan 4 cm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod, als
                                bedoeld in het tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><structuurtekst><al>Afdeling 5.1 Parkeerexcessen</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990); </al></li><li nr="b."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van
                                    het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met
                                    uitzondering van kleine wagens zoals, kruiwagens, kinderwagens
                                    en rolstoelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel (zie het derde
                                        lid) wordt mede verstaan:</al></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                        lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                        personen tegen betaling.</al><al>2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                        gerekend:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit
                                gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze
                                werkzaamheden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde
                                persoon.</al><al>3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen,
                                te verhuren of te verhandelen, verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>drie of meer voertuigen die hem kennelijk toebehoren of kennelijk
                                zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een
                                straal van 50 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al><lijst><li nr="4."><al>Het is andere personen dan bedoeld in het derde lid verboden
                                        de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li><li nr="5."><al>Het in het derde lid gestelde verbod geldt niet:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor het parkeren van voertuigen waarvoor een standplaats op een
                                automarkt is aangewezen, op deze standplaats gedurende de tijd dat
                                deze markt wordt gehouden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig
                                te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te
                                verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig
                            te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie
                            achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat
                                van onderhoud of in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op
                                de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen en dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor
                                andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te
                                        hebben op door het college aangewezen wegen, waar dit naar
                                        zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                        de beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het
                                        uiterlijk aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar
                                        dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijke
                                        aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                aanhef en onder a., gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening
                                provincie Utrecht 2004 of de Verordening bescherming natuur en
                                landschap provincie Utrecht 1996.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar
                                dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                                de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het
                                college aangewezen weg , waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van
                                maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden
                                ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het
                                uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke
                                wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
                                aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor
                                        het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van
                                        het voertuig ter plaatse noodzakelijk is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te
                                parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen
                                of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of aangelegde
                                    beplanting of groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op de weg; </al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al>Afdeling 5.2 Collecteren</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan onder door hem te stellen voorschriften
                                    vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen
                                    instellingen.</al></li><li nr="5."><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></li></lijst><al>Afdeling 5.3 Straathandel</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder straathandel verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ambulante handel (of venten): het in de uitoefening van de ambulante
                                handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                diensten aanbieden op een openbare en in de open lucht gelegen
                                telkens wisselende plaats of aan huis;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>vaste standplaats: het voor langere tijd vanaf een vaste plaats op
                                een openbare en in de openlucht gelegen plaats of op of aan een
                                openbaar water te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                dan wel diensten aanbieden, gebruikmakend van verplaatsbare fysieke
                                middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>tijdelijke standplaats: het voor maximaal drie dagdelen op een
                                openbare en in de openlucht gelegen plaats of op of aan een openbaar
                                water te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                diensten aan bieden, gebruik makend van fysieke middelen, zoals een
                                kraam, een wagen of een tafel;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>mobiel verkooppunt: vitrines, toonbanken e.d. die vanuit winkels of
                                horeca-inrichtingen een openbare plaats op worden gereden van
                                waaruit verkoop plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder straathandel wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een vaste standplaats op een markt in de zin van de marktverordening
                                van de gemeente Utrecht</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een vaste standplaats op een evenement als bedoeld in artikel 5:30
                                eerste lid van deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het aan de huizen te koop aanbieden of verkopen door degene, die dat
                                doet in de uitoefening van zijn in deze gemeente gevestigde winkel
                                of op bestelling of geregeld volgens afspraak levert of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het aan winkeliers te koop aanbieden of verkopen door
                                handelsreizigers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Straathandel: mobiele verkooppunten</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college, in de
                                        uitoefening van de straathandel, andere waren dan gedrukte
                                        of geschreven stukken, waarin gedachten of gevoelens worden
                                        geopenbaard, te koop aan te bieden, te verkopen of af te
                                        leveren op een op een openbare en in de open lucht gelegen
                                        plaats of op of aan een openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan in het belang van de openbare orde en
                                        veiligheid en het uiterlijk aanzien van de gemeente nadere
                                        regels stellen ten aanzien van de straathandel.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert het college
                                        de vergunning indien:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de aanvrager beneden de 18 jaar is of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de situatie als bedoeld in artikel 5:31, derde lid zich
                                voordoet.</al><al>4.Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college straathandel wordt
                                uitgeoefend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13a</nr><titel>Vrijmarkt Koninginnedag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan ten behoeve van de viering van Koninginnedag
                                locaties en tijden aanwijzen waarbij het verbod van artikel 5:13,
                                eerste lid niet van toepassing is voor de niet-commerciële verkoop
                                van goederen door particulieren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan over de uitvoering van de bevoegdheid van het
                                eerste lid nadere regels stellen met het oog op de belangen zoals
                                genoemd in artikel 1:8.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Standplaats voor een ander doel dan straathandel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats op een openbare en in de open lucht gelegen plaats
                                    of op of aan een openbaar water in te nemen, voor een ander doel
                                    dan straathandel, met een tafel, een kraam, een voertuig of
                                    ander voorwerp.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een vergunning weigeren op grond van de gronden
                                    zoals bedoeld in artikel 1:8 en 5:13 van deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></li></lijst><al>Afdeling 5.4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                            natuurgebieden</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter
                                voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een
                                motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe
                                aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid
                                gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels
                                stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en
                                        ter bescherming van andere milieuwaarden of;</al></li><li nr="c."><al>de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid
                                        bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor in het daarin geregelde
                                onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit
                                geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld
                                    in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste
                                    lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij
                                    regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in
                                    het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van natuur- of milieuwaarden of</al></li><li nr="c."><al>de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:</al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                            door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                            bedoeld;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                            wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                            percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het
                                            eerste lid bedoeld of</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet op
                                    wegen.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod. </al></li><li nr="6."><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></li></lijst><al>Afdeling 5.5 Verbod vuur te stoken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                anderszins vuur te stoken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand of</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voor dat geen gevaar
                                            voor de omgeving oplevert.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen. </al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd </al><lijst><li nr="a."><al>ter bescherming van de woon- en leefomgeving;</al></li><li nr="b."><al>ter bescherming van de flora en fauna;</al></li><li nr="c."><al>ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van
                                            het milieu door rook, roet,stof, walm of stank.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het verbod geldt niet voor in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door:</al><lijst><li nr="a."><al>de vigerende Provinciale Milieuverordening Utrecht;</al></li><li nr="b."><al>artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van
                                            Strafrecht.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></li></lijst><al> Afdeling 5.6 Straatnaamborden, huisnummers e.d.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Gedoogplicht aanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of
                                aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het
                                college, straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften
                                daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen, aanduidingen
                                voor brandkranen en brandputten worden aangebracht, onderhouden,
                                gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college geeft tevoren schriftelijk kennis aan de rechthebbende
                                als bedoeld in het eerste lid van hun voornemen over te gaan tot het
                                doen aanbrengen of wijzigen van straatnaamborden, daarbij behorende
                                onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen,
                                aanduidingen voor brandkranen en brandputten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Verwijdering e.d. aanduidingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in artikel 5:18
                                    eerste lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen
                                    of onleesbaar te maken.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek
                                    van Strafrecht van toepassing is.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende
                                    op een bouwwerk die met inachtneming van het door het college
                                    vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm
                                    wenst aan te brengen. Het college kan ter zake nadere regels
                                    stellen.</al></li></lijst><al>Afdeling 5.7A Binnenevenementen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Begripsbepaling binnenevenement</titel></kop><al>1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan het geheel van
                            activiteiten dat plaatsvindt bij een, al dan niet met enige beperkingen,
                            voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak in een gebouw of
                            een gedeelte daarvan met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                    openbare manifestaties;</al></li><li nr="b."><al>bioscoop- en theatervoorstellingen;</al></li><li nr="c."><al>sportwedstrijden voor zover deze plaatsvinden onder auspiciën
                                    van een bij de NOC*NSF aangesloten sportbond;</al></li><li nr="d."><al>voetbalwedstrijden als bedoeld in afdeling 2.7 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="e."><al>activiteiten in horecabedrijven die in de uitoefening van het
                                    horecabedrijf gebruikelijk zijn;</al></li><li nr="f."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h. van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="g."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="h."><al>speelgelegenheden als bedoeld in artikel 2:21 van deze
                                    verordening.</al><al>2.In deze afdeling wordt onder organisator verstaan een
                                    natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de
                                    bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens
                                    gevolmachtigde(n), die een evenement als bedoeld in het eerste
                                    lid houdt of doet houden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement
                                als bedoeld in artikel 5:20 te houden of doen houden waarbij het
                                totaal aantal van 2.000 bezoekers wordt overschreden gerekend over
                                een aaneengesloten periode van 24 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarop het
                                in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 van deze verordening, wordt
                                aan de vergunning het voorschrift verbonden dat de organisator een
                                verzekering tegen aansprakelijkheid met een toereikende dekking
                                afsluit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 5:27 en de in artikel 1:8 genoemde
                            belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in
                            deze paragraaf nadere regels vaststellen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5:21, eerste lid,
                                dient te geschieden door middel van een door de burgemeester
                                vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de gegevens van de organisator;</al></li><li nr="b."><al>de geplande datum, tijdstip en locatie van het
                                        evenement;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van de aard en karakter van het
                                        evenement;</al></li><li nr="d."><al>het te verwachten aantal bezoekers.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag dient vergezeld te gaan van een door de organisator
                                opgesteld veiligheidsplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Vereisten organisator</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 5:21,
                                eerste lid dient de organisator aan de volgende eisen te
                                voldoen:</al><lijst><li nr="a."><al>hij mag niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke
                                        macht of voogdij zijn ontzet;</al></li><li nr="b."><al>hij mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag
                                        zijn;</al></li><li nr="c."><al>hij moet de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt
                                        en</al></li><li nr="d."><al>hij moet aantoonbare ervaring hebben in het organiseren van
                                        vergelijkbare evenementen als het evenement waarvoor
                                        vergunning wordt aangevraagd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                onder d. gestelde vereiste.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Maximum aantal personen</titel></kop><al>De burgemeester stelt op basis van het, in de vergunning aangegeven,
                            veiligheidsplan, het risicoprofiel van de beoogde bezoekers en de voor
                            een goed verloop van het evenement noodzakelijk geachte inzet en
                            beschikbaarheid van hulpdiensten voor het evenement een maximum aantal
                            bezoekers vast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Evenementenkalender</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester stelt jaarlijks vóór 1 december een
                                Evenementenkalender vast voor het volgende kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een evenement te organiseren kan de
                                burgemeester jaarlijks vóór 1 november verzoeken een evenement te
                                plaatsen op de Evenementenkalender van het volgende jaar. Een
                                dergelijk verzoek is geen aanvraag om vergunning als bedoeld in
                                artikel 5:21, eerste lid of artikel 5:31.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de plaatsing van een evenement op de Evenementenkalender kunnen
                                geen rechten worden ontleend met uitzondering van het bepaalde in
                                artikel 5:27, tweede lid onder c. of artikel 5:37, tweede lid onder
                                d.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 5:23 of </al></li><li nr="b."><al>niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 5:24 gestelde
                                        eisen;</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                        worden geweigerd, indien:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>onevenredig veel beslag wordt gelegd op de hulpdiensten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop
                                van het evenement of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als
                                bedoeld in artikel 5:26 reeds een reservering is opgenomen voor een
                                ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid
                                daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>Activiteiten, die deel uitmaken van een evenementenvergunning, zijn niet
                            afzonderlijk vergunningplichtig uit hoofde van andere gemeentelijke
                            publiekrechtelijke regelingen niet zijnde belastingen, leges of
                            retributievoorschriften.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al><al>Afdeling 5.7b Buitenevenementen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Begripsbepaling buitenevenement</titel></kop><al>1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan het geheel van
                            activiteiten dat plaatsvindt bij een voor het publiek toegankelijke
                            bijzondere gebeurtenis, al dan niet met een openbaar dan wel besloten
                            karakter, op of aan de openbare plaats of het openbaar water, met
                            uitzondering van: </al><lijst><li nr="a."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                    openbare manifestaties;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>een klein evenement. Hieronder wordt verstaan een buurt- en/of
                                    straatfeest.</al><al>2.In deze afdeling wordt onder organisator verstaan een
                                    natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de
                                    bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigden,
                                    die een evenement als bedoeld in het eerste lid houdt of doet
                                    houden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement
                                als bedoeld in artikel 5:30 te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 van deze verordening kan
                                aan de vergunning het voorschrift verbonden worden dat de
                                organisator een verzekering tegen aansprakelijkheid met een
                                toereikende dekking afsluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een vergunning is verleend voor een evenement als bedoeld in
                                het eerste lid, dan:</al><lijst><li nr="a."><al>wordt geen vergunning verleend aan derden voor op zichzelf
                                        staande activiteiten en handelingen op of aan de openbare
                                        plaats of het openbaar water gedurende de tijden waarop en
                                        in het gebied waar het evenement plaatsvindt;</al></li><li nr="b."><al>worden aanvragen om vergunning als bedoeld in de artikelen
                                        2:9, 5:13 van deze verordening geweigerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Kennisgeving straat- en buurtfeesten</titel></kop><al>1.Het in artikel 5:31 eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor
                            eendaagse straat- en buurtfeesten indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal aanwezigen niet meer is dan 50 personen en niet
                                    plaatsvindt op een doorgaande weg;</al></li><li nr="b."><al>het evenement op een werkdag of een zaterdag plaatsvindt tussen
                                    09.00 uur en 23.00 uur of op een zon- of officieel erkende
                                    feestdag tussen 13.00 uur en 23.00 uur;</al></li><li nr="c."><al>het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige
                                    geluidsbron beperkt is;</al></li><li nr="d."><al>gedurende het evenement geen verkoop van eten, drinken of
                                    goederen plaatsvindt;</al></li><li nr="e."><al>slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van
                                    minder dan 10 m² per object;</al></li><li nr="f."><al>afzethekken voorzien van een C1-bord en de onder e genoemde
                                    objecten dienen zodanig te worden geplaatst dat in geval van
                                    calamiteiten de hulpdiensten een vrije doorgang hebben van
                                    minimaal 3,5 meter breed en 4,2 meter hoog;</al></li><li nr="g."><al>er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;</al></li><li nr="h."><al>er een voor de gemeente aanspreekbare organisator is;</al></li><li nr="i."><al>de organisator bij de burgemeester ten minste twee weken
                                    voorafgaand aan het evenement melding maakt van het evenement op
                                    een door de burgemeester vastgesteld formulier;</al></li><li nr="j."><al>binnen 10 dagen na ontvangst van het formulier door de
                                    burgemeester geen tegenbericht is verzonden, en</al></li><li nr="k."><al>de organisator ten tijde van het feest een ontvangstbevestiging,
                                    van het feit dat hij een kennisgeving heeft gedaan, kan
                                    tonen.</al><al>2.Indien het vermoeden bestaat dat op een evenement één van de
                                    weigeringsgronden van artikel 1:8 of artikel 5:37, tweede lid
                                    van toepassing is, kan de burgemeester, in afwijking van het
                                    eerste lid, bepalen dat het in artikel 5:31, eerste lid,
                                    gestelde verbod, onverkort geldt. De burgemeester zendt dit
                                    tegenbericht, als bedoeld in onderdeel j. van het eerste lid,
                                    binnen tien dagen na ontvangst van het formulier.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 5:37 en de in artikel 1:8 genoemde
                            belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in
                            deze afdeling nadere regels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5:31 geschiedt door
                                middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de gegevens van de organisator; </al></li><li nr="b."><al>de datum, tijdstip en locatie van het evenement; </al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van de aard en karakter van het evenement;
                                    </al></li><li nr="d."><al>een omschrijving van de activiteiten en handelingen die in
                                        het kader van het evenement plaatsvinden; </al></li><li nr="e."><al>het te verwachten aantal bezoekers van of deelnemers aan het
                                        evenement. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan bepalen dat de aanvraag vergezeld wordt van een
                                door de organisator opgesteld veiligheidsplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Vereisten organisator</titel></kop><al>1.Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 5:31 ,
                            dient de organisator aan de volgende eisen te voldoen:</al><lijst><li nr="a."><al>hij mag niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke
                                    macht of voogdij zijn ontzet;</al></li><li nr="b."><al>hij mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;</al></li><li nr="c."><al>hij moet de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en </al></li><li nr="d."><al>hij moet aantoonbare ervaring hebben in het organiseren van
                                    vergelijkbare evenementen als het evenement waarvoor vergunning
                                    wordt aangevraagd.</al><al>2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid onder a., c. of d. gestelde vereiste.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Evenementenkalender</titel></kop><al>Artikel 5:26 van deze verordening is op deze afdeling van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning wordt geweigerd, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 5:34 of </al></li><li nr="b."><al>niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 5:35 gestelde
                                        eisen;</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                        worden geweigerd , indien:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>onevenredig veel beslag wordt gelegd op de ruimte of op de
                                gemeentelijke - of hulpdiensten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop
                                van het evenement;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de
                                bestemming van de gevraagde locatie of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als
                                bedoeld in artikel 5:26 reeds een reservering is opgenomen voor een
                                ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid
                                daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:38</nr><titel>Schorsende werking andere vergunningen</titel></kop><al>Bij het verlenen van de vergunning als bedoeld in artikel 5:31 eerste
                            lid, kan bepaald worden dat de werking van reeds geldende vergunningen
                            voor het gebruik van de openbare plaats of het openbaar water in het
                            gebied waar het evenement plaatsvindt wordt geschorst zolang dit
                            noodzakelijk is in het belang van het evenement.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:39</nr><titel>Samenloop en Ordeverstoring</titel></kop><al>De artikelen 5:28 en 5:29 zijn van overeenkomstige toepassing op deze
                            afdeling.</al><al>Afdeling 5.8 Overige bepalingen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:40</nr><titel>Destructie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren;</al></li><li nr="b."><al>aangifteplichtige: degene die als houder of eigenaar van
                                        dode gezelschapsdieren ingevolge de wet verplicht is daarvan
                                        aangifte te doen;</al></li><li nr="c."><al>destructiemateriaal: krachtens artikel 81h, eerste lid,
                                        onder a. van de wet aangewezen dode gezelschapsdieren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst één of meer verzamelplaatsen aan, waar het
                                destructiemateriaal in ontvangst wordt genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het tijdstip van afgifte is de aangifteplichtige gehouden het
                                destructiemateriaal zodanig te bewaren, dat vermenging met ander
                                materiaal wordt voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het tweede en derde lid van dit artikel gestelde vindt is
                                eveneens van toepassing voor zover artikel 81h, vijfde lid van de
                                wet van toepassing is. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van de artikelen en de bij of krachtens deze artikelen
                            gegeven voorschriften en beperkingen, met uitzondering van de artikelen
                            2:11, 2:12, 4:7 en 4:11 van deze verordening, wordt gestraft met
                            hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede
                            categorie als bedoeld in artikel 23 Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Opsporingsambtenaren en toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De opsporing van de in artikel 6:1 strafbaar gestelde feiten is,
                                naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
                                opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het college of de
                                burgemeester met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn
                                belast, ieder voor zover het de feiten betreft, die in de aanwijzing
                                zijn vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de bij besluit van het college of de
                                burgemeester aangewezen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop
                                zij is bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op dat tijdstip wordt de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht
                                (Gemeenteblad van Utrecht 2005, nr. 64, incl. de wijzigingen
                                opgenomen in de Gemeentebladen 2005, nr. 78, 2006, nr. 37, 2008, nr.
                                2 en 71, 2009, 17 en 50) ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent,
                            gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            Utrecht 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 4 maart
                        2010.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De burgemeester, </ondertekening><ondertekening>Drs. A.A.H. Smits Mr. A. Wolfsen</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bekendmaking is geschied op24 maart 2010.</vet></al><al><vet>Deze verordening is in werking getreden op 1 april2010.</vet></al><al/></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE A BEHOREND BIJ VERORDENING VAN UTRECHT 2013, NR. 69</titel></kop><tussenkop>TOELICHTING algemene plaatselijke verordening</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.</al><al>Over de in artikel 1:1 opgenomen definities kan het volgende worden
                    opgemerkt.</al><tussenkop>Vee</tussenkop><al>Deze bepaling is vervallen in verband met het schrappen van artikel 57 oud
                    (Loslopend vee en pluimvee).</al><tussenkop>Pluimvee</tussenkop><al>Deze bepaling is vervallen in verband met het schrappen van artikel 57 oud
                    (Loslopend vee en pluimvee).</al><al>a.<vet>Een openbare plaats</vet></al><al>De definitie van weg in de APV is aanzienlijk beperkt. Dat brengt met zich mee
                    dat de werking van artikelen in deze verordening waar sprake is van de weg een
                    (veel) beperktere werking hebben dan daarvoor. De bevoegdheid van de gemeente
                    gaat verder dan dat. In artikelen waar het de bedoeling is om zaken te regelen
                    op plaatsen die niet tot de weg kunnen worden gerekend, is gekozen voor de term
                    “een openbare plaats”. Daarmee is beoogd om die plaatsen aan te duiden die voor
                    deze wijziging onder het al te brede begrip weg vielen:</al><lijst><li nr="1."><al>-al dan niet met enige beperking- voor het publiek toegankelijke pleinen
                            en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
                            natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al></li><li nr="2."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen,
                            passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik
                            zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="3."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen,
                            trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen
                            gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar
                            burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.</al></li></lijst><al>Voor het begrip openbare plaats in de zin van de Wet Openbare Manifestaties
                    (WOM) zie de toelichting bij artikel 2:6 Kennisgeving openbare
                    manifestaties.</al><al>b.<vet>weg</vet></al><al>Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op
                    (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. In artikel 1:1 is de “weg” omschreven
                    als weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 . Dat verschilt aanzienlijk van
                    de oude omschrijving, waar praktisch iedere publiek toegankelijke ruimte onder
                    het begrip “weg” viel. Daarop is kritiek gekomen, met name omdat het begrip
                    “weg” op die manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale
                    spraakgebruik daaronder verstaat. In de aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving is juist aangegeven dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk
                    moet worden gevolgd (aanwijzing 66).</al><al>Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is dat er zaken worden
                    geregeld die zich niet alleen op of aan de weg afspelen, is gekozen voor de
                    omschrijving “openbare plaats”.</al><al>In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”:</al><lijst><li nr="a."><al>de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de
                            wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de
                            grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar
                            zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik
                            heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna);</al></li><li nr="b."><al>de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de
                            voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als
                            gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en
                            het in stand houden van de weg in te grijpen.</al></li></lijst><tussenkop>Op of aan de weg</tussenkop><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden)
                    gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een
                    zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld
                    voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen.
                    Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</al><al>d.<vet>openbaar water</vet></al><al>Een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan
                    “feitelijk voor het publiek toegankelijk”. De begripsbepaling uit de
                    Havenverordening Utrecht 2006 is hierbij gevolgd. Denk in Utrecht aan
                    coffeeshops op het water.</al><al>e.<vet>bebouwde kom</vet></al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt
                    (zijn) tot de bebouwde kom.</al><al>Voor het begrip “bebouwde kom” is aangesloten bij de aanwijzing van gedeputeerde
                    staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet.
                    Voor de duidelijkheid is de grens van de bebouwde kom op een topografische kaart
                    (Provinciaal blad 2008, 13) weergegeven en als bijlage (1) bij de Apv
                    gevoegd.</al><al>f.<vet>rechthebbende</vet></al><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</al><al>g.<vet>voertuigen</vet></al><al>De omschrijving van 'voertuigen' is ontleend aan artikel 1 al van het Reglement
                    verkeersregels en verkeerstekens (RVV1990).</al><al>h.<vet>vaartuigen</vet></al><al>De begripsbepaling is ontleend aan de Havenverordening Utrecht 2006.</al><al>i.<vet>woonschip</vet></al><al>De begripsbepaling is ontleend aan de Havenverordening Utrecht 2006.</al><al>j.<vet>bouwwerk</vet></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de Bouwverordening Utrecht.</al><al>k.<vet>gebouw</vet></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, eerste lid onder c, van de
                    Woningwet.</al><al>l.<vet>straathandel</vet></al><al>Het taalgebruik in deze bepaling is gemoderniseerd.</al><al>m.<vet>verblijfsontzegging</vet></al><al>De 'oude' begripsbepaling is behouden en niet omgezet in het begrip:
                    "gebiedsontzegging".</al><tussenkop>Artikel 1:2 Beslistermijn</tussenkop><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is,
                    dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de
                    beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere
                    situatie een goede beslistermijn is. In deze verordening is de beslistermijn
                    vastgesteld op acht weken (eerste lid). Uiteraard kan een gemeente ook kiezen
                    voor een andere beslistermijn of zelfs voor per type besluit verschillende
                    beslistermijnen. Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel
                    dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor
                    elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen
                    worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere
                    adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de
                    beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is in deze verordening à la
                    de modelverordening op acht weken gesteld (tweede lid). Ook hier geldt dat een
                    individuele gemeente een andere termijn kan vastleggen. Uitgangspunt blijft
                    altijd dat die termijn redelijk moet zijn.</al><al>De beslistermijn op een aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van
                    een seksinrichting en voor evenementen is bepaald op twaalf weken te rekenen na
                    de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn
                    besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.</al><al>Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit
                    verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk
                    is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Het niet beslissen van het
                    bestuursorgaan binnen de in lid 1 vastgestelde termijn, houdt in dat er sprake
                    is van een 'fictieve weigering'. Dit houdt in dat bij het verstrijken van de
                    termijn de aanvrager bevoegd is bezwaar of beroep in te stellen.</al><tussenkop>Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de
                    Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen
                    een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De acht weken
                    termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan.</al><al>Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de
                    beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit
                    gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat
                    voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit
                    criterium.</al><al>De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van
                    de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het
                    derde lid is een implementatie van deze verplichting.</al><tussenkop>Ontvangstbevestiging</tussenkop><al>Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13,
                    vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd.
                    De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn,
                    de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het
                    uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning
                    geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex silencio
                    positivo (vergunning van rechtswege).</al><al>Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een
                    dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie
                    dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk
                    voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot
                    of de uitoefening van een dienst.</al><tussenkop>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</tussenkop><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel (“kan”) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie
                    weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om
                    de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal twaalf weken. Deze termijn
                    is voortgekomen uit de aanbevelingen van de commissie Schutte (d.d. 13 november
                    2006) ter verbetering van de vergunningverlening en de veiligheid van
                    evenementen in de openbare ruimte.</al><al>Teneinde voor de burger meer duidelijkheid te scheppen omtrent zijn rechten en
                    plichten zullen de vergunningen of ontheffingen waarvoor deze langere
                    aanvraagtermijn geldt op een duidelijke wijze bekend moeten worden gemaakt.
                    Hiermede wordt maatwerk geleverd.</al><al>Als een aanvraag echt veel te vroeg wordt gedaan en dan nog niet kan worden
                    beoordeeld, volstaat een gemotiveerde mededeling daarvan aan de aanvrager.</al><tussenkop>Herhaalde aanvraag (artikel 4:6 Awb)</tussenkop><al>Als er lange tijd is verstreken tussen beide aanvragen kan het praktischer zijn
                    om de aanvraag opnieuw inhoudelijk te behandelen in plaats van een discussie te
                    voeren over de vraag of het wel of niet om een herhaalde aanvraag gaat. Zie
                    ABRvS 3 mei 2006, JB 2006/186. Daar was meer dan tien jaar verlopen tussen beide
                    aanvragen, en de Afdeling oordeelde dat er geen sprake was van een herhaalde
                    aanvraag, omdat één aanvraag was gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur,
                    en de andere op de Archiefwet.</al><tussenkop>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot
                    het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin
                    het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing
                    staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van
                    duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij
                    moet ook -ten overvloede- worden aangegeven dat de voorschriften uitsluitend
                    mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste
                    van vergunning of ontheffing is gesteld.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al>De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften last onder
                    bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend
                    beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze
                    voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid
                    weggenomen.</al><tussenkop>Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd
                    moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                    zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                    belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden
                    verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van
                    algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het
                    commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt
                    de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan
                    de vergunningvoorwaarden is voldaan.</al><al>Het derde lid zegt, dat de vergunningvoorwaarden voor een nieuwe vestiging
                    gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles
                    waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen
                    is, niet mogen overlappen.</al><al>In de in deze APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt
                    overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf
                    bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of
                    ontheffing verbonden voorschriften.</al><tussenkop>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</tussenkop><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend
                    vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten,
                    zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De
                    persoonlijke vergunning is niet overdraagbaar. Een voorbeeld van een
                    persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de
                    Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning
                    de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de
                    standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante
                    handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen
                    vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een
                    standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl
                    een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</al><tussenkop>Zaaksgebonden</tussenkop><al>Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                    rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de
                    houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk
                    te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam
                    en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.</al><al>Bij de artikelen 2:9 (Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven de weg), 2:11
                    (Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg) en artikel 2:12 (Maken,
                    veranderen van een uitweg) is de zaaksgebondenheid van deze vergunningen juncto
                    het bepaalde in artikel 1:5 expliciet opgenomen. </al><tussenkop>Literatuur</tussenkop><al>Voor de overdraagbaarheid van Apv-vergunningen, zie: C.L. Knijff,
                    Rechtsopvolging bij vergunningen in de gemeentepraktijk, GS 2004, 7205, onder
                    3.4 Overgang uitgesloten: APV-vergunningen.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>"<cursief>Volgens art</cursief><cursief>ikel</cursief><cursief> 1:10 APV is de
                        vergunning of ontheffing persoonsgebonden tenzij bij of krachtens deze
                        verordening anders is bepaald. Ingevolge
                        art</cursief><cursief>ikel</cursief><cursief> 1:11, aanhef en onder e APV
                        kan de vergunning of ontheffing worden gewijzigd indien de houder of zijn
                        rechtverkrijgende dit verzoekt. De Afdeling is van oordeel dat art. 1:11
                        aanhef en onder e</cursief><cursief>.</cursief><cursief> APV niet afdoet aan
                        het persoonsgebonden karakter van de vergunning. Van een zelfstandige
                        bepaling die het persoonsgebonden karakter van de exploitatievergunning voor
                        een coffeeshop kan opheffen is geen sprake, gelet op de aard van de
                        vergunning en op de strekking van het in de APV neergelegde
                        vergunningstelsel. De burgemeester was derhalve niet zonder meer gehouden
                        zijn medewerking te verlenen aan een verzoek tot overdracht van een
                        vergunning aan een derde</cursief>".</al><al>ABRS 23-11-1999, LJN-nr. AA5058, GS 2000, 7112 , 6. (vaste lijn ABRS)</al><tussenkop>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                    ontheffing</tussenkop><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                    intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het
                    rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid
                    tot wijziging en intrekking.</al><al>Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of
                    te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun
                    bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Gelet op art. 1:6 APV in samenhang gelezen met art. 2.1.4.1, tweede lid (oud),
                    APV was de burgemeester in het onderhavige geval bevoegd de vergunning in te
                    trekken. Intrekking van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding.
                    ABRS 11-06-2003, 200205273/1, JG 03.0125, met noot M. Geertsema. </al><tussenkop>Artikel 1:7 Termijnen</tussenkop><al>Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de
                    Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de
                    vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 11 van
                    de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen
                    hebben, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                            voortdurende vervulling van de voorwaarden; </al></li><li nr="b."><al>het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden
                            van algemeen belang;</al></li><li nr="c."><al>een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                            belang.</al></li></lijst><al>Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de
                    Dienstenrichtlijn:</al><al>“<cursief>Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit
                        beperkt is wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische
                        mogelijkheden, moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit
                        verscheidene gegadigden te kiezen, teneinde via de werking van de vrije
                        markt de kwaliteit en voorwaarden van het dienstenaanbod voor de gebruikers
                        te verbeteren. Deze procedure moet transparant en onpartijdig zijn en de
                        verleende vergunning mag niet buitensporig lang geldig zijn, automatisch
                        worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de dienstverrichter wiens
                        vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder moet de
                        geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in
                        grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de
                        afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het
                        geïnvesteerde kapitaal</cursief>.”</al><al>(PB L 376/36, nr. 62)</al><al>Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij
                    beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan
                    doorstaan.</al><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</al><al>Het merendeel van de Utrechtse Apv-vergunningen en -ontheffingen zijn
                    vergunningen voor bepaalde tijd:</al><lijst><li nr="-"><al>straatartiest (2:8);</al></li><li nr="-"><al>voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven de weg (2:9);</al></li><li nr="-"><al>aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (2:11);</al></li><li nr="-"><al>evenementenvergunningen (5:20 e.v.);</al></li><li nr="-"><al>voetbal (2:17);</al></li><li nr="-"><al>seksinrichtingen (3:2);</al></li><li nr="-"><al>straatprostitutie (3:3);</al></li><li nr="-"><al>overige geluidhinder (4:1);</al></li><li nr="-"><al>velvergunning (4:7);</al></li><li nr="-"><al>ontheffing aantasting groenvoorzieningen door voertuigen (5:10);</al></li><li nr="-"><al>inzameling van geld of goederen/collecte (5:11);</al></li><li nr="-"><al>straathandel (5:13);</al></li><li nr="-"><al>standplaats voor een ander doel dan straathandel (5:14);</al></li><li nr="-"><al>ontheffing beperking verkeer in natuurgebieden (5:16);</al></li><li nr="-"><al>ontheffing verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                            anderszins vuur te stoken (5:17).</al></li></lijst><al>Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de
                    toelichting onder artikel 1:8.</al><al>Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden
                    gewijzigd of ingetrokken. Hiermee blijft een handhavingsgrond –ook bij
                    vergunningen voor onbepaalde tijd– aanwezig. Het ligt ook daarom in de rede dat
                    een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet
                    wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te
                    worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en
                    proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen
                    gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden
                    gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.</al><al>In artikel1:7, tweede lid is de terugrekeningsregeling (à la artikel 8 APV oud)
                    opgenomen waarbij de Algemene termijnenwet (Atw) van overeenkomstige toepassing
                    is verklaard. Voor zover de APV termijnen bevat die in uren worden uitgedrukt of
                    door terugrekening worden bepaald, is de Atw niet van toepassing. Artikel 1:7,
                    tweede lid bevat daartoe een terugrekeningsregeling die voorkomt dat afhandeling
                    op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na
                    12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om altijd over enige uren
                    voor beoordeling en besluitvorming te beschikken. </al><tussenkop>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</tussenkop><al>Vergunningstelsels zijn in de Apv als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om
                    een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vergunningstelsels
                    kenden tot op heden vaak een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze
                    werden op verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende
                    bepalingen materieel andere weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het
                    geval. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de Apv is
                    ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de
                    afzonderlijke vergunningstelsels (artikel 2:43: consumentenvuurwerk, artikel
                    5:27, tweede lid: binnenevenementen, artikel 5:37, tweede lid :
                    buitenevenementen) zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er
                    voor een vergunning andere of aanvullende weigeringsgronden gelden dan de in
                    artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.
                    Bijvoorbeeld de weigeringsgronden voetbalwedstrijden: artikel 2:19.</al><tussenkop>Europese Dienstenrichtlijn</tussenkop><tussenkop>Vergunningen</tussenkop><al>Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de model-APV
                    zijn deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de
                    volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de
                    evenementenvergunning, horeca-exploitatievergunning, vergunning voor een
                    seksinrichtingen, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt
                    (vervallen). Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn
                    uitgezonderd, zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt.</al><tussenkop>Meldingen</tussenkop><al>Het begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn is breder dan
                    wij dit kennen. </al><al>Daaronder vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat de
                    Dienstenrichtlijn immers: elke procedure die voor een dienstverrichter of
                    afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen
                    ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot
                    of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4 lid 6). Hieruit volgt
                    dat een melding wordt aangemerkt als een vergunning. Andere voorbeelden van een
                    ‘vergunning’ zijn: verklaringen van geen bezwaar; verplichting zich in te
                    schrijven in een register etc. Een voorbeeld van een meldingsplicht binnen deze
                    verordening is een eendaags klein evenement.</al><tussenkop>Vestiging of tijdelijke overschrijding</tussenkop><al>Bij het screenen van de APV aan de Dienstenrichtlijn is het volgende in
                    ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de
                    ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse
                    dienstverrichter. In het licht van deze regimes moet worden bekeken of en in
                    hoeverre vergunningstelsels zijn toegestaan. </al><al>Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de
                    zogenaamde ‘vestiger’. Er is overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake
                    van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een economische
                    activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt verricht.
                    Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde tijd
                    wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de ondernemer
                    zijn activiteiten onderneemt (overweging 37 bij de richtlijn). </al><al>In het licht van beide regimes moet worden bekeken of een vergunningstelsel is
                    toegestaan.</al><al>Artikel 9 staat vergunningstelsels toe, mits aan de volgende vereisten is
                    voldaan: </al><lijst><li nr="∙"><al>zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de vergunning
                            aanvraagt; </al></li><li nr="∙"><al>de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een
                            dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid). Het begrip
                            dwingende redenen van algemeen belang zoals bedoeld in artikel 9 is door
                            het Hof van Justitie ontwikkeld en kan zich nog verder ontwikkelen. Het
                            betreft hier de zogenaamde ‘rule of reason’. Dit begrip omvat de
                            volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid,
                            als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag, en andere
                            dwingende redenen waaronder milieu (overweging 40 bij de
                            richtlijn);</al></li><li nr="∙"><al>het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel
                            worden bereikt (evenredigheid). </al></li></lijst><al>De tijdelijke dienstverrichter overschrijdt de grens om in Nederland zijn dienst
                    te verrichten, maar vestigt zich hier niet. Hierop ziet artikel 16 van de
                    Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van diensten). Hier gelden veel strengere
                    criteria om een (vergunnings)eis te stellen:</al><lijst><li nr="∙"><al>zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van de dienstverlener; </al></li><li nr="∙"><al>er zijn gerechtvaardigde redenen van openbare orde, openbare veiligheid,
                            de volksgezondheid of de bescherming van het milieu (noodzakelijkheid).
                            Voor wat betreft de noodzakelijkheidseis stelt artikel 16 dan ook een
                            strengere eis dan artikel 9;</al></li><li nr="∙"><al>het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel
                            worden bereikt (evenredigheid). </al></li></lijst><al>Tenslotte zijn er de Nederlandse dienstverleners. In theorie staat de richtlijn
                    toe dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan
                    aan een buitenlandse partij, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt
                    van rechtsgelijkheid niet wenselijk. </al><al>Op dezelfde gronden is het evenmin gewenst een onderscheid aan te brengen tussen
                    verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke grensoverschrijders,
                    vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders zou de dienstverlener
                    die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een bevoorrechte positie hebben
                    ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om zijn diensten aan te bieden
                    of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen onderdanen.</al><al>Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk,
                    maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën
                    aanvragers dezelfde. Daarom zijn de weigeringgronden algemeen geformuleerd zodat
                    ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het
                    lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. </al><al>De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen
                    dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een
                    vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het
                    verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan
                    doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt.
                    Daarom is in de model-Apv geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en
                    dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden. </al><al>Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor
                    in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden
                    beantwoord:</al><tussenkop>Overlast</tussenkop><al>Vanouds is de APV een openbare orde en overlastverordening. Het begrip
                    ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij
                    verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het
                    milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de
                    omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast
                    veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt
                    eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid. Uiteraard speelt
                    het begrip ‘overlast’ in het kader van de openbare orde en veiligheid in de APV
                    een belangrijke rol.</al><tussenkop>Verkeersveiligheid</tussenkop><al>De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen
                    belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een
                    belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van
                    verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. </al><tussenkop>Veiligheid van personen en gezondheid</tussenkop><al>Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden
                    geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid)
                    kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt. </al><tussenkop>Zedelijkheid</tussenkop><al>Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt
                    uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke
                    waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan,
                    palingtrekken of zwijntjetik) betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook
                    andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’
                    hebben. Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige
                    weigeringsgrond opgenomen, omdat het om ‘vestiging’ gaat. </al><tussenkop>Voorzieningenniveau bij standplaatsen</tussenkop><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare-orde-belang aangemerkt.
                    De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen
                    waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                    economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten.
                    Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een
                    standplaats voor het verkopen van goederen (zie model Apv artikel 5:18, derde
                    lid, onder b.). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing. </al><tussenkop>Détournement de pouvoir</tussenkop><al>Gemeenten dienen zich er van bewust te zijn dat zij een vergunningaanvraag niet
                    kunnen weigeren op een andere grond dan de grondslag van het vergunningstelsel.
                    Dit zou immers in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. </al><tussenkop>Motivering</tussenkop><al>Een weigering dient vanzelfsprekend voldoende gemotiveerd te zijn. Gemotiveerd
                    moet worden welke weigeringsgrond van toepassing is en waarom.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Openbare orde</tussenkop><al>Afdeling 2.1 Bestrijding van ongeregeldheden</al><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Vooralsnog zijn de oude bepalingen 9 (artikel 2:1), 10 (artikel 2:2), 10a
                    (artikel 2:3) en 10b (artikel 2:4) qua tekst nagenoeg gelijk gebleven in deze
                    Afdeling. De bepalingen zijn, zoals hierboven aangegeven, wel omgenummerd à la
                    de Awb-nummering. </al><al>Wijzigingen: </al><lijst><li nr="-"><al>het begrip ‘weg’ in de artikelen 9 (oud,) en 10, derde lid (oud) is
                            gewijzigd in het begrip: ‘openbare plaats’;</al></li><li nr="-"><al>in artikel 2:2, vierde lid (artikel 10, vierde lid oud) is het begrip
                            ‘weg’ behouden;</al></li><li nr="-"><al>verder is artikel 2:29 (hinderlijk gedrag in of bij gebouwen) toegevoegd
                            aan artikel 2:3, derde lid onder a. Hierdoor wordt de mogelijkheid om
                            meer verblijfsontzeggingen toe te passen (behoefte politie)
                            verruimd;</al></li><li nr="-"><al>tenslotte is het vijfde lid (artikel 10a oud) geschrapt. Artikel 10a,
                            zesde lid (artikel 2:3, vijfde lid nieuw) biedt hiervoor voldoende
                            dekking.</al></li></lijst><al>In deze afdeling 2.1 zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het
                    gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de
                    openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van
                    de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten,
                    vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</al><tussenkop>Artikel 2:1 Bevel politie weg te vervolgen of zich te
                    verwijderen</tussenkop><al>Verstoringen van de openbare orde kunnen zich in velerlei vormen voordoen. De
                    onderhavige artikelen, in het bijzonder artikel 2:1 en 2:2 eerste lid, zijn
                    daarom in algemene termen gesteld, teneinde de toepasbaarheid niet nodeloos te
                    beperken. </al><al>Bij de bestrijding van (dreigende) ongeregeldheden en wanordelijkheden is het
                    van groot belang dat personen of groepen kunnen worden verspreid, zowel ter
                    voorkoming van escalatie van de gebeurtenissen als ter bescherming van
                    omstanders en voorbijgangers. Het ontbreken van een bevoegdheid als omschreven
                    in artikel 2:1 maakt een tot wanordelijkheden aanleiding gevende gebeurtenis
                    snel onbeheersbaar voor de politie. </al><al>Artikel 2:2 eerste lid, stelt het verstoren van de openbare orde op zichzelf
                    strafbaar. Deze bepaling maakt het voor de politie mogelijk ordeverstoorders aan
                    te houden zonder dat direct duidelijk behoeft te zijn of zij tevens een
                    strafbaar feit op grond van het Wetboek van strafrecht hebben gepleegd. Vaak zal
                    dit overigens wel het geval zijn. </al><al>Het gaat hier eigenlijk om reeds bestaande bevoegdheden van de politie die zijn
                    gestoeld op de artikelen 2 en 12 van de Politiewet, maar waarvoor de basis voor
                    het onderhavige bevel is neergelegd in andere regelgeving, zoals dit artikel van
                    de Apv. Artikel 2 Politiewet geeft de algemene politietaak weer, waaronder
                    handhaving van de rechtsorde, en op grond van artikel 12 Politiewet wordt
                    duidelijk dat hieronder handhaving van de openbare orde begrepen is. Deze
                    bevoegdheid wordt herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling zoals artikel
                    2:1 Apv een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een
                    element vormt. Het artikel is tevens een aanvulling op de artikelen 184 en 186
                    van het Wetboek van strafrecht. Deze artikelen stellen het niet voldoen aan een
                    door of vanwege bevoegd gezag gegeven bevel strafbaar, waarbij artikel 186
                    Wetboek van strafrecht specifiek ziet op volksoplopen. In gebieden die
                    aangewezen zijn in het kader van artikel 2:3 Apv, kan naast optreden op grond
                    van artikel 2:1 Apv ook een verblijfsontzegging aan de overtreder worden
                    opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde e.d.</tussenkop><al>Het eerste lid van deze bepaling stelt het verstoren van de openbare orde op
                    zichzelf strafbaar en biedt de politie de mogelijkheid ordeverstoorders aan te
                    houden zonder dat direct duidelijk hoeft te zijn of zij tevens een strafbaar
                    feit op grond van het Wetboek van strafrecht hebben gepleegd, alhoewel dit
                    laatste wel vaak het geval zal zijn. De artikelen 424, 426bis en 431 stellen
                    overtredingen betreffende de algemene veiligheid van personen en goederen
                    strafbaar (straatschenderij, belemmering in vrijheid van beweging of hinderlijk
                    opdringen of volgen, nachtrustverstorend rumoer en burengerucht). Optreden op
                    grond van artikel 2:2 Apv kan gecombineerd worden met een verblijfsontzegging
                    indien het gaat om een gebied dat is aangewezen op grond van artikel 2:3 Apv. </al><al>Er bestaan overigens duidelijke verschillen tussen artikel 2:2, eerste lid Apv
                    en artikel 2:27, eerste lid onder b. Apv. Bij artikel 2:2, eerste lid Apv moet
                    het gaan om actief handelen van betrokkene zoals schreeuwen, het veroorzaken van
                    overlast of het gebruiken van drugs, dit in tegenstelling tot artikel 2:27,
                    eerste lid onder b. Apv dat ziet op passief maar tevens hinderlijk gedrag,
                    bijvoorbeeld het in een groepje bij elkaar zitten. Tegen het gebruiken van drugs
                    op of aan de openbare weg kan niet opgetreden worden op grond van artikel 2:27
                    Apv, maar moet artikel 2:2 Apv ingezet worden. </al><al>De overige artikelleden bevatten verbodsbepalingen die samenhangen met het
                    voorkomen van en tegengaan van (uitbreiding van) wanordelijkheden. </al><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr:</al><al>“<cursief>Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet
                        onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag
                        gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing,
                        gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van
                        de tweede categorie</cursief>.”</al><al>Zie hierover de hieronder genoemde jurisprudentie. </al><al>Voor het gebied Kanaleneiland-Noord bestaat een gericht samenscholingsverbod
                    (i.w. 5 oktober 2007, aanvullend- en handhavingsbeleid)</al><al>Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft
                    van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit
                    soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het
                    vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</al><al>Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde “bevoegdheid” (tot het geven
                    van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor
                    regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden
                    ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden
                    toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde
                    voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het
                    strafbare feit.</al><al>De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van de feiten. Als de rechter
                    meent dat de politieambtenaar in zijn waardering van de gedraging heeft
                    misgetast, laat hij de strafbepaling buiten toepassing. Het gaat hier om
                    bestaande politiebevoegdheden. Deze bevoegdheid berust op de artikelen 2 en 12
                    Politiewet. Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de
                    rechtsorde op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving van de openbare orde.
                    Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling
                    een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element
                    vormt.</al><al>De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en
                    186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De
                    sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling gegeven
                    politiebevel gebeurt op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond van
                    artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk bevel
                    levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen van
                    artikel 186 WvSr.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Relatie tussen APV bepaling en artikel 184 en 186 WvSr. Aanvulling van de
                    gemeentelijke wetgever erkend. HR 02 06 1903, W. 7938 (APV Amsterdam) en HR 25
                    06 1963, NJ 1964, 239 m.nt. B.V.A. Röling (samenscholingsarrest).</al><al>Oordeel van de politie is element van gemeentelijke strafbepaling. HR 12 02
                    1940, NJ 140, 622, AB 1940, p. 744, Gst. 1940, p. 125 (Haags tippelverbod). Zie
                    ook: HR 02 06 1903, W. 7938, Gst., 2715 (APV Amsterdam); HR 20 01 1936, NJ 1936,
                    343, Gst. 1936, p. 90, AB 1936, p. 558 (APV Amsterdam); HR 03 06 1969, NJ 1969,
                    411, AB 1970, p. 17, OB 1971, XIV.3, nr. 30391, NG 1970, p. 616 m.nt. H.R.G.
                    Veldkamp (APV Amsterdam) en HR 17 03 1970, NJ 1970, 331, OB 1971, X.4, nr.
                    31108, NG 1971, p. 292 (APV Arnhem).</al><al>Van een volksoploop ex artikel 186 WvSr is sprake als een menigte zich
                    verzamelt. De openbare orde hoeft niet te worden verstoord. HR 26-02-1991, NJ
                    1991, 512 en HR 14-01-1992, NJ 1992, 380.</al><al>Hof Arnhem d.d. 1-10-2008/ BF3946 (Samenscholingsverbod Kanaleneiland Utrecht) </al><al>Conversie verkeerd rechtsmiddel OM. Uitleg begrip samenscholing: context van een
                    wijk met openbare-ordeproblemen mede bepalend. Geen strijd met het
                    legaliteitsbeginsel of het bepaaldheidsgebod. Beperking van de bewegingsvrijheid
                    niet ongeoorloofd. Plaatsing op lijst aangewezen jongeren niet onjuist.</al><al>Rechtbank Utrecht d.d. 4-09-2009 (overtreding verblijfsontzegging gebied rond de
                    Gagelhof);</al><al>Rechtbank Utrecht d.d. 02-09-2009 (overtreding samenscholingsverbod gebied
                    Zuilen-Oost)</al><tussenkop>Artikel 2:3 Verblijfsontzegging</tussenkop><al>Artikel 2:3 creëert een bevoegdheid voor de burgemeester om gebieden aan te
                    wijzen waar verblijfsontzeggingen kunnen worden opgelegd aan personen die de
                    openbare orde verstoren. Een verblijfsontzegging is een verbod om zich gedurende
                    een bepaalde periode in een aangewezen gebied te bevinden (artikel 1:1, onder m.
                    Apv).</al><al>Voorwaarde voor de aanwijzing van een gebied is de mate van ordeverstoringen die
                    in dat gebied plaatsvinden. Alleen bij ernstige ordeproblemen kan van het
                    artikel gebruik worden gemaakt. </al><al>Deze verstoringen kunnen zowel van structurele als van incidentele aard zijn.
                    Bij incidentele ordeverstoringen zal de gebiedsaanwijzing veelal van tijdelijke
                    aard zijn.</al><al>Een verblijfsontzegging is een bestuurlijke maatregel en geen (strafrechtelijke)
                    sanctie. De algemene motivering voor de hantering van dit instrument is, dat in
                    gebieden waarin de handhaving van de openbare orde onder druk staat het
                    gerechtvaardigd is personen die daarop een inbreuk plegen tijdelijk uit het
                    gebied te verwijderen. De maatregel is dus een instrument ter handhaving van de
                    openbare orde. </al><al>Alleen aan personen die zich in het aangewezen gebied schuldig maken aan
                    bepaalde ordeverstoringen die in het derde lid, onder a. tot en met e. zijn
                    opgesomd kan een verblijfsontzegging opgelegd worden.</al><al>Deze opsomming is limitatief. De onder a. genoemde artikelen uit de Apv
                    betreffen: </al><al>2:1 Bevel van de politie zijn weg te vervolgen of zich te verwijderen.</al><al>2:2 Verstoring van de openbare orde e.d.</al><al>2:22a Spelen om geld op de weg.</al><al>2:27 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen.</al><al>2:28 Hinderlijk drankgebruik.</al><al>2:29 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen.</al><al>2:45 Handel in verdovende middelen of </al><al>3:3 Straatprostitutie (eerste, tweede en negende lid)</al><al>In de verblijfsontzegging dient een termijn te worden opgenomen. Het zou de
                    bewegingsvrijheid van burgers te zeer beperken, indien een verblijfsontzegging
                    voor onbepaalde tijd wordt opgelegd.</al><al>De ernst van de inbreuk op de openbare orde zal van invloed zijn op de lengte
                    van de termijn.</al><al>In het derde lid wordt de verwijzing naar andere artikelen in de APV op grond
                    waarvan een verblijfsontzegging kan worden opgelegd gecompleteerd.</al><al>Het vijfde lid verleent de burgemeester de bevoegdheid de verblijfsontzegging
                    naar tijd en plaats te beperken, indien de belanghebbende een aantoonbaar belang
                    heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven. Als voorbeeld kan hierbij
                    gedacht worden aan het reizen per openbaar vervoer door het gebied, indien er
                    voor de betrokkene geen andere reële mogelijkheid bestaat om zijn werk te
                    bereiken, noodzakelijk ziekenhuis bezoek af te leggen e.d.</al><al>Het zesde lid verbiedt overtreding van de verblijfsontzegging. Op overtreding
                    staat een strafrechtelijke sanctie. Dit kan artikel 184 Wetboek van Strafrecht
                    zijn. Indien niet aan de delictsomschrijving van dit artikel wordt voldaan is
                    strafbaarstelling op grond van de APV mogelijk. </al><al>Het derde lid van artikel 2:3 Apv bepaalt op welke gronden een
                    verblijfsontzegging kan worden opgelegd. Nadat een gebied is aangewezen, kan een
                    ondertekeningsmandaat met daaraan verbonden instructies worden verleend. In die
                    instructies kan worden bepaald dat op grond van (een aantal van) de in het derde
                    lid genoemde gronden een verblijfsontzegging wordt opgelegd conform een
                    standaardmodel verblijfsontzegging. Verblijfsontzeggingen op deze gronden kunnen
                    in beginsel door een mandans ondertekend worden, mits hierbij geheel volgens de
                    instructies van de burgemeester gewerkt wordt. (Het gaat hier om een zgn.
                    gebonden bevoegdheid). Uiteraard moet in de instructies aangegeven zijn voor
                    welke termijn de verblijfsontzegging wordt opgelegd. Voor verblijfsontzeggingen
                    geldt immers dat er uitsluitend sprake kan zijn van een ondertekeningsmandaat en
                    niet van een beslissingsmandaat. Indien een verblijfsontzegging wordt opgelegd
                    op basis van de overige gronden zal de burgemeester zelf het besluit moeten
                    nemen. </al><tussenkop>Artikel 2:4 Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><lijst><li nr="∙"><al>vervoermiddelen te onderzoeken;</al></li><li nr="∙"><al>een ieders kleding te onderzoeken;</al></li><li nr="∙"><al>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                            geopend.</al></li></lijst><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als
                    veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is
                    en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving
                    van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij
                    hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
                    korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><lijst><li nr="∙"><al>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al></li><li nr="∙"><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy);</al></li><li nr="∙"><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr="∙"><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al></li></lijst><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>ABRvS 09-11-2005, 200503854/1, LJN-nr. AU5839. De direct betrokkene (regelmatige
                    bezoekster van het veiligheidsrisicogebied) is belanghebbende bij het besluit
                    van de burgemeester tot het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied op grond
                    van artikel 151b Gemeentewet. Rechtbank Alkmaar heeft op 28 juni 2004, LJN-nr.
                    AP5618, onterecht geconcludeerd dat er geen rechtstreeks belang is bij het
                    aanwijzingsbesluit (het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied). De
                    aanwijzing van de burgemeester markeert de ruimte waarbinnen van de bevoegdheden
                    gebruik mag worden gemaakt. Dat tot daadwerkelijk uitoefening van de
                    bevoegdheden pas kan worden overgegaan nadat de officier van justitie daartoe
                    een bevel heeft gegeven, doet er niet aan af dat de betrokkene door het
                    aanwijzingsbesluit rechtstreeks in zijn belang is getroffen.</al><al>Hof Amsterdam 23-09-2005, AB 2006, 30 m.nt. J.G. Brouwer en A.E. Schilder. De in
                    artikel 151b, eerste lid Gemeentewet neergelegde bevoegdheid kan slechts binnen
                    strikte grenzen op grond van een deugdelijke motivering worden uitgeoefend. De
                    besluiten van de burgemeester van Amsterdam voldoen daaraan niet. Er was sprake
                    van een zowel naar de tijd als naar het gebied genomen zeer ruime aanwijzing.
                    Mede gezien de daartoe in ernstige mate tekortschietende motivering, voldoen de
                    besluiten geenszins aan de in het derde lid van artikel 151b gestelde eisen,
                    onderscheidenlijk is daarop het bepaalde in het zesde lid ten onrechte niet
                    toegepast. De consequentie hiervan is dat het aanwijzingsbesluit onbevoegd is
                    genomen en rechtskracht mist. Het gevolg hiervan is dat aan het bevel van de
                    officier van justitie evenmin rechtskracht toekomt en de verdachte moet worden
                    vrijgesproken. </al><tussenkop>Artikel 2:5 Cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde. De burgemeester is volgens artikel 172 Gemeentewet primair belast
                    met de handhaving van de openbare orde. De voornaamste grondslag hiervoor is dat
                    het in het belang is van de openbare orde om bij calamiteiten snel en
                    daadkrachtig te kunnen optreden. Omdat de toepassing van cameratoezicht diep kan
                    ingrijpen op de persoonlijke levenssfeer, heeft de wetgever besloten om de
                    toekenning van de bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische
                    waarborgen te omkleden. Hiertoe is artikel 151c Gemeentewet dan ook in het leven
                    geroepen. De gemeenteraad kan op grond van artikel 151c Gemeentewet de
                    burgemeester bij verordening deze bevoegdheid verlenen, waarbij de gemeenteraad
                    de bevoegdheid van de burgemeester in meer of mindere mate kan inperken door te
                    bepalen tot welke openbare plaatsen en over welke periode de bevoegdheid tot
                    cameratoezicht zich uitstrekt.</al><al>Gelet op de taak van de burgemeester op het gebied van de openbare orde ligt het
                    voor de hand om de burgemeester een grote mate van beleidsvrijheid te geven.
                    Bovendien voorkomt dit een doorgaans tijdrovende procedure tot wijziging van de
                    APV bij een gebleken noodzaak om cameratoezicht toe te passen in nieuwe
                    gebieden. De vorm van cameratoezicht waar artikel 151c Gemeentewet op doelt is
                    tot op heden in Utrecht altijd terughoudend toegepast. Landelijke wetgeving
                    brengt hierin geen verandering.</al><al>De burgemeester moet -indien hem de bevoegdheid wordt toegekend- bij
                    uitvoeringsbesluit in ieder geval de duur van de plaatsing bepalen en de
                    openbare plaatsen aanwijzen.</al><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat. </al><al>Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand
                    binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken
                    als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in
                    zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van
                    zo’n pand zijn. </al><tussenkop>Doel van cameratoezicht</tussenkop><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c, zevende lid Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te
                    gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen
                    camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en
                    effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot
                    bovendien hun veiligheid.</al><tussenkop>Openbare plaats</tussenkop><al>De invulling van het begrip openbare plaats uit artikel 151c Gemeentewet is
                    ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet openbare manifestaties (WOM). Op
                    grond van die wet omvat het begrip openbare plaats, zeer in het algemeen, de
                    plaatsen ‘waar men komt en gaat’. In eerste instantie gaat het hierbij om ‘de
                    straat’ of ‘de weg’ in de ruime zin des woords, ofwel de wegen die voor eenieder
                    vrij toegankelijk zijn. Maar het begrip omvat nog een aantal andere plaatsen die
                    een met de weg vergelijkbare functie vervullen en daarom als het ‘verlengde’ van
                    de weg kunnen worden aangemerkt. In de wetsgeschiedenis staan als voorbeelden
                    vermeld: openbare plantsoenen, speelweiden, parken en de voor eenieder vrij
                    toegankelijke gedeelten van overdekte passages, winkelgalerijen, stationshallen
                    en vliegvelden.</al><al>Artikel 1 WOM bevat twee criteria om vast te stellen of er sprake is van een
                    openbare plaats:</al><lijst><li nr="1."><al>Vereist is dat de plaats ‘openstaat voor het publiek’. Dat wil volgens
                            de Memorie van Toelichting (TK 1985-1986, 19427, nr. 3, p. 16) zeggen
                            dat een ieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt
                            in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een
                            bepaald doel gebonden mag zijn(…). Dat de plaats ‘openstaat’ betekent
                            voorts dat geen beletsel in de vorm van een meldingsplicht, de eis van
                            voorafgaand verlof of de heffing van een toegangsprijs gelden voor het
                            betreden van de plaats. Op grond van het vorenstaande kunnen
                            bijvoorbeeld stadions, postkantoren, gemeentehuizen, parkeerterreinen,
                            musea, warenhuizen, ziekenhuizen en kerken niet als ‘openbare plaatsen’
                            worden aangemerkt.</al></li><li nr="2."><al>Het openstaan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of op
                            vast gebruik. Deze bestemming kan blijken uit een besluit van de
                            gerechtigde of uit de bedoeling die spreekt uit de inrichting van de
                            plaats. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de
                            plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming,
                            en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt, aldus de Memorie
                            van Toelichting (TK 1985-1986, 19427, nr. 3, p. 16). Een incidentele
                            openstelling van een plaats door de rechthebbende maakt de plaats nog
                            niet tot een openbare plaats in de zin van de WOM. In de WOM (artikel 1,
                            tweede lid) zijn kerken en andere gebouwen, die door de rechthebbende
                            zijn bestemd voor de belijdenis van een geloofsovertuiging, uitgesloten
                            van het begrip openbare plaats. Dit betekent dat het ook krachtens
                            artikel 151c Gemeentewet niet is toegestaan toezichtcamera’s te richten
                            op de ingang van dergelijke gebouwen. Indien echter beelden worden
                            gemaakt van een openbare plaats (een straat of plein) waaraan
                            bijvoorbeeld een kerk is gelegen, is het wel toegestaan dat het
                            exterieur van die kerk in beeld komt.</al></li></lijst><tussenkop>Particulier eigendom</tussenkop><al>Bepaalde openbare plaatsen zijn in particulier eigendom. Voorbeelden hiervan
                    zijn de vrijelijk voor het publiek toegankelijke gedeelten van
                    stationsterreinen, stationshallen en sommige winkelpassages. De onderhavige
                    regeling geldt indien gemeenten in het desbetreffende gebied cameratoezicht
                    willen toepassen in het belang van de handhaving van de openbare orde. </al><al>Gemeenten kunnen bij openbare plaatsen die in particulier eigendom zijn, zoals
                    bedrijfsterreinen, voor de handhaving van de openbare orde gebruik maken van
                    particuliere camera’s en/of het cameratoezicht samen met particulieren
                    uitvoeren. Deze samenwerking moet dan wel voldoen aan de voorwaarden uit artikel
                    151c Gemeentewet. De NS heeft overigens een eigen publiekrechtelijke
                    verantwoordelijkheid voor de veiligheid en orde in het kader van het op de
                    Spoorwegwet gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer (ARV). </al><al>De toezichtcamera’s die NS in de stationshallen en op de perrons heeft geplaatst
                    in Utrecht vallen onder deze verantwoordelijkheid. </al><tussenkop>Vaste camera’s </tussenkop><al>Artikel 151c Gemeentewet heeft betrekking op het langdurig plaatsen van vaste
                    camera’s op openbare plaatsen voor de handhaving van de openbare orde. Met het
                    begrip vast wordt bedoeld dat de camera’s nagelvast zijn bevestigd. Dit
                    bevestigen gebeurt veelal door montage aan gevels of dakranden van gebouwen of
                    op daarvoor geplaatste palen. Ook het tweetal verplaatsbare camerasystemen dat
                    in Utrecht wordt ingezet valt hiermee onder het begrip ‘vaste camera’s. Met het
                    begrip vast wordt niet bedoeld dat camera’s een vast ingekaderd beeld weergeven.
                    Het gebruik van de camera’s kan dynamisch zijn, dat wil zeggen dat de
                    observatiehoek en de grootte van de observatiehoek op afstand kan worden
                    ingesteld (pendelen/in- en uitzoomen). Evenmin is er een beperking voor
                    interactieve toepassingen, zoals het gebruik van noodknoppen en de mogelijkheid
                    om vanuit de centrale burgers op hun gedrag toe te spreken. De wetgever heeft
                    dit onderwerp uitputtend bij formele wet geregeld: uitsluitend op de wijze
                    omschreven in artikel 151c Gemeentewet kan besloten worden tot langdurige
                    plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van de handhaving van de openbare
                    orde.</al><al>Ander gebruik van camera’s ten behoeve van de handhaving van de openbare orde en
                    veiligheid dan het hiervoor bedoelde vaste en langdurige gebruik, wordt door de
                    regeling onverlet gelaten. Hierbij moet met name gedacht worden aan kortstondig
                    en/of mobiel cameragebruik bij evenementen, rellen en grootschalige
                    ordeverstoringen. In die gevallen, waarbij steeds een concrete aanleiding
                    bestaat, kan de bevoegdheid tot cameragebruik worden ontleend aan artikel 2 van
                    de Politiewet 1993.</al><tussenkop>Proportionaliteit en subsidiariteit</tussenkop><al>Het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen moet noodzakelijk zijn
                    voor de handhaving van de openbare orde. Het cameratoezicht moet evenredig zijn
                    in relatie tot het doel (proportionaliteit) en er moet worden bezien of dit
                    doel, i.c. de handhaving van de openbare orde, niet op een minder ingrijpende
                    wijze kan worden geëffectueerd (subsidiariteit). De noodzakelijkheid van
                    cameratoezicht voorafgaand aan de plaatsing van camera’s zal steeds onder de
                    loep moeten worden genomen op basis van een politieanalyse van de
                    veiligheidssituatie in het betreffende gebied waarbij beoordeeld moet worden of
                    cameratoezicht niet een te zwaar middel is en waarbij cameratoezicht een
                    onderdeel vormt van een pakket aan maatregelen en waarbij afspraken zijn gemaakt
                    over o.a. de doelstellingen, andere maatregelen, de duur van het project, live
                    uitkijk uren, opvolging en eventuele evaluatie.</al><al>De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit verlangen dat periodiek moet
                    worden beoordeeld of de doelstelling(en), die aan het plaatsen van de camera’s
                    ten grondslag hebben gelegen, zijn gerealiseerd en of er nog langer een noodzaak
                    bestaat voor cameratoezicht. Daarom geldt op grond van artikel 151c Gemeentewet
                    dat de plaatsing van de camera’s geschiedt voor een bepaalde duur. Na het
                    verstrijken van deze termijn kan het cameratoezicht, bij gebleken noodzaak,
                    worden verlengd. Het ligt daarom voor de hand om voorafgaand aan een eventuele
                    verlenging van de duur een evaluatie te laten plaatsvinden.</al><al>Voor de verplaatsbare camerasystemen geldt dat deze in beginsel voor de duur van
                    maximaal zes maanden kunnen worden ingezet. Van een verplaatsbaar systeem is het
                    dan ook niet de bedoeling dat dit langer dan 6 maanden achtereen op dezelfde
                    plaats wordt ingezet. Alleen in uitzonderlijke situaties zou hiervan afgeweken
                    kunnen worden, bijvoorbeeld ter overbrugging naar een vast systeem. De camera’s
                    in de binnenstad, stationsgebied en Kanaleneiland (omgeving Hammerskjöldhof)
                    zijn bedoeld om zeer langdurig dienst te doen. Hier heeft immers aanpassing van
                    de infrastructuur plaatsgevonden door het leggen van ondergrondse
                    glasvezelbekabeling.</al><al>Het ligt dan ook voor de hand om hiervoor een tijdsduur van twee jaar te nemen.
                    Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de in de Handreiking cameratoezicht van
                    het CCV (Centrum criminaliteitspreventie en Veiligheid) genoemde
                    voorbeeldtermijn van twee jaar.</al><al>Bij deze vorm van cameratoezicht ligt het voor de hand om één maand voorafgaand
                    aan het aflopen van de termijn van twee jaar te evalueren, terwijl dit moment
                    voor het verplaatsbare systeem afhankelijk is van een eventuele verlenging.</al><tussenkop>Kenbaarheid</tussenkop><al>In artikel 151c, vierde lid Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van
                    camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld
                    van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied
                    betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidvereiste
                    moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als
                    sprake is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed
                    zichtbaar plaatsen van borden, waarop wordt aangegeven dat in het betrokken
                    gebied met camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden
                    geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidvereiste niet in dat camera’s
                    altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden
                    gesteld van de precieze opnametijden. In artikel 441b van het Wetboek van
                    strafrecht is de niet-kenbare toepassing van cameratoezicht op voor het publiek
                    toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld (zie ook de toelichting bij artikel 47
                    Gemeentewet). In de gebieden waar in Utrecht sprake is van cameratoezicht in het
                    belang van de handhaving van de openbare orde worden burgers door middel van
                    duidelijke bebording op het feit gewezen dat men zich in een gebied met
                    cameratoezicht bevindt of dit betreedt. Daarnaast wordt hieraan ook aandacht
                    besteed door berichtgeving in de media en/of informatieavonden.</al><tussenkop>Beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke
                    levenssfeer</tussenkop><al>Toepassing van cameratoezicht kan een beperking van het grondrecht op
                    eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zoals neergelegd in artikel 10
                    Grondwet, artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele
                    Vrijheden (EVRM) en artikel 17 Internationale Verdrag inzake burgerrechten en
                    politieke rechten inhouden. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel
                    Cameratoezicht op openbare plaatsen is hier uitgebreid aandacht aan besteed
                    (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29440, nr. 3, blz. 13, 14). Daarom is
                    voor het cameratoezicht ter handhaving van de openbare orde een formeel
                    wettelijke grondslag neergelegd in artikel 151c Gemeentewet, waarbij de in dit
                    artikel opgenomen criteria voldoende waarborgen moet bieden. Bij de
                    daadwerkelijke uitvoering dient cameratoezicht noodzakelijk te zijn in het
                    belang van de handhaving van de openbare orde. Dat betekent dat voldaan moet
                    zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zo dient voorafgaand
                    aan een besluit tot cameratoezicht aan de hand van een politieanalyse van de
                    veiligheid in een bepaald gebied te worden beoordeeld of cameratoezicht een
                    proportioneel instrument is in relatie tot het beoogde doel en of dat doel niet
                    op een andere minder ingrijpende wijze kan worden gerealiseerd. Cameratoezicht
                    dient onderdeel uit te maken van een pakket aan maatregelen. Alleen voor de
                    bestrijding van kleine overtredingen is het een te zwaar instrument. Voorafgaand
                    aan een verlenging van de duur van cameratoezicht in een bepaald gebied dient
                    een evaluatie plaats te vinden.</al><tussenkop>Privacyregime</tussenkop><al>De registratie van de beelden die met cameratoezicht ter handhaving van de
                    openbare orde worden gemaakt vallen onder de Wet politieregisters. De
                    korpsbeheerder heeft hiertoe het Privacyreglement Cameratoezicht gemeente
                    Utrecht vastgesteld dat is aangemeld bij het College bescherming
                    persoonsgegevens.</al><tussenkop>Bewaartermijn gemaakte beelden</tussenkop><al>Op grond van het zesde lid van artikel 151c Gemeentewet mogen de gemaakte
                    beelden voor een maximale termijn van vier weken worden bewaard. De
                    oorspronkelijk voorgestelde termijn van zeven dagen is bij nota van wijziging
                    (TK, vergaderjaar 2004-2005, 29440, nr. 16 d.d. 4 april 2005) opgerekt naar vier
                    weken. Dit om ook het preventieve karakter van cameratoezicht (het voorkomen van
                    ordeverstoringen) te versterken, met als gunstig neveneffect dat de beelden
                    gedurende een langere periode onder de in de wet vastgestelde voorwaarden kunnen
                    worden verstrekt ten behoeve van de opsporing van een gepleegd strafbaar
                    feit.</al><al>De wetenschap dat dit mogelijk is, kan personen ervan weerhouden door middel van
                    het plegen van strafbare feiten of anderszins de orde te verstoren op de
                    plaatsen waar cameratoezicht wordt toegepast.</al><tussenkop>Besluit cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><al>Op grond van artikel 151c, achtste lid Gemeentewet worden nadere regels gesteld
                    om de goede uitvoering van het cameratoezicht te waarborgen. Deze regels hebben
                    betrekking op:</al><lijst><li nr="-"><al>de vaste camera’s en andere technische hulpmiddelen benodigd voor het
                            toezicht, bedoeld in het eerste lid van artikel 151c Gemeentewet, en de
                            wijze waarop deze hulpmiddelen worden aangebracht; </al></li><li nr="-"><al>de personen belast met of anderszins direct betrokken bij de uitvoering
                            van het toezicht; </al></li><li nr="-"><al>de ruimten waarin de waarneming of verwerking van door het toezicht
                            vastgelegde beelden plaatsvindt. </al></li></lijst><al>In het Ontwerpbesluit cameratoezicht op openbare plaatsen wordt een
                    certificatieregeling in het leven geroepen. Het toetsingskader zijn de
                    beoordelingsrichtlijnen van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en
                    Veiligheid (CCV). Er bestaat een richtlijn voor het ontwerp van het
                    camerasysteem en een richtlijn voor de toezichtcentrale. Door certificering
                    wordt de kwaliteit, en daarmee de betrouwbaarheid van het cameratoezicht
                    gewaarborgd. Het Ontwerpbesluit cameratoezicht op openbare plaatsen is overigens
                    nog niet vastgesteld. In Utrecht voldoet het cameratoezicht aan de
                    beoordelingsrichtlijnen van het CCV.</al><al>Er bestaat een handreiking cameratoezicht van het CCV met daarin informatie over
                    de invoering van cameratoezicht in de zin van artikel 151c Gemeentewet . Deze
                    handreiking bevat naast een uiteenzetting van het wettelijk kader ook meer
                    praktische informatie om op een zorgvuldige, weloverwogen wijze (al dan niet)
                    over te gaan tot cameratoezicht.</al><tussenkop>Andere voor een ieder toegankelijke plaats</tussenkop><al>De gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c, eerste lid Gemeentewet de
                    bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek
                    toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte
                    van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die
                    vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats
                    uit de Wet openbare manifestaties (WOM) vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd
                    dat gemeenten snel kunnen inspelen op gebleken lokale behoeften. Het
                    uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn
                    met het oog op de handhaving van de openbare orde. In het tweede lid wordt dan
                    ook bepaald om dezelfde bevoegdheid als in het eerste lid aan de burgemeester te
                    verlenen met dien verstande dat het moet gaan om andere voor eenieder
                    toegankelijke plaatsen, zoals openbare parkeerplaatsen of parkeerterreinen.</al><al>Hiermee wordt ook een deel van het cameratoezicht zoals dat om de
                    Hammerskjöldhof is gerealiseerd, nl. het toezicht op het gratis, zonder
                    beperking voor het publiek toegankelijke parkeerterrein, onder het
                    overgangsrecht van artikel 151c Gemeentewet gebracht.</al><al>Afdeling 2.2 Openbare manifestaties</al><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Afwijking termijn (artikel 12 oud, vervallen)</tussenkop><al>Opgenomen in artikel 2:6, vijfde lid 5.</al><tussenkop>Te verstrekken gegevens (artikel 13 oud, vervallen)</tussenkop><al>Opgenomen in artikel 2:6, tweede en derde lid.</al><tussenkop>Artikel 2:6 Kennisgeving openbare manifestaties op openbare
                    plaatsen</tussenkop><al>De drie bepalingen met betrekking tot openbare manifestaties (artikelen 11, 12
                    en 13 oud) zijn thans samengevoegd tot één artikel 2:6 in deze Apv.</al><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM).</al><al>In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid “openbare
                    plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik
                    openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is
                    begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid,
                    van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name
                    wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</al><al>Zie verder hieronder het kopje ‘Openbare en andere dan openbare plaatsen’ bij
                    artikel 2:6.</al><al>Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja,
                    voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele
                    procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de
                    bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en
                    beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een
                    aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan
                    de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te
                    beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op
                    andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de
                    bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</al><tussenkop>Uitgangspunten Wet openbare manifestaties</tussenkop><al>De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de
                    bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om
                    betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging voor die op openbare plaatsen gehouden worden.</al><al>De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan
                    volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen
                    deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8).</al><al>Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent
                    de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8
                    WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.</al><tussenkop>Openbare en andere dan openbare plaatsen</tussenkop><al>Wat is nu de betekenis van de begrippen “<cursief>openbare en andere dan
                        openbare plaatsen</cursief>”?</al><al>Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een
                    plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.
                    Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen</al><al>“<cursief>dat in beginsel een ieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te
                        gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde
                        aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat"
                        betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van
                        voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden
                        van de plaats</cursief>”.</al><al>Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</al><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”,
                    aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr.
                    6).</al><tussenkop>Betoging</tussenkop><al>Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de
                    Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als:</al><lijst><li nr="∙"><al>een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet
                            in beweging, en</al></li><li nr="∙"><al>de groep er op uit is een mening uit te dragen.</al></li></lijst><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om
                    het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied (TK 1986-1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie
                    eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en
                    groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen
                    van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een
                    optocht is niet perse een betoging. </al><al>Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke
                    meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is
                    geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK
                    1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). </al><al>Een betoging kan een optocht zijn (HR 30-05-1967, NJ 1968, 5), als die
                    opiniërende elementen bevat en kan wel onder de bescherming van artikel 7, derde
                    lid, Grondwet vallen. De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een betoging
                    geen “menigte” nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van een
                    betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540).</al><al>Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                    bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het
                    mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze
                    rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van
                    een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (TK 1975-1976,
                    13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de
                    regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip
                    “betoging” meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke
                    meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van
                    dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin
                    van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij
                    blokkades van wegen en waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33).</al><tussenkop>Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging</tussenkop><al>Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie
                    over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan
                    een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet
                    zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</al><tussenkop>Gemeentelijke bevoegdheden</tussenkop><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot
                    optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De memorie van
                    toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de
                    Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter
                    slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden
                    wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of
                    als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. In
                    die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of
                    krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen. De vraag
                    rijst of de burgemeester met behulp van deze noodbevoegdheden grondrechten,
                    zoals in dit geval het betogingsrecht, mag beperken.</al><al>De regering heeft tijdens de behandeling van de herziene Grondwet namelijk
                    gesteld dat de clausule “<cursief>behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens
                        de wet</cursief>” inhoudt dat alleen de formele wetgever zonder
                    delegatiemogelijkheid bevoegd is tot het beperken van grondrechten en dat de
                    formele wet zelf de omvang van de grondrechtbepaling moet aangeven. In artikel
                    175 Gemeentewet is thans expliciet opgenomen dat de burgemeester bij het geven
                    van noodbevelen kan afwijken van andere dan bij de Grondwet gestelde
                    voorschriften.</al><al>Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om
                    krachtens artikel 176 Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een
                    noodverordening. Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel
                    176 Gemeentewet zich in als bestanddeel in de omschrijving van de overtreding
                    tegen het openbaar gezag van artikel 443 Sr. en het is “<cursief>dus de wet (in
                        formele zin), die in die noodtoestand de zeer tijdelijke onderbreking van de
                        uitoefening van het grondrecht gedoogt</cursief>”, HR 28-11-1950, NJ 1951,
                    137 (Tilburgse APV).</al><al>Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde
                    bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve
                    bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in
                    artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een
                    verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Op de strekking en
                    reikwijdte van artikel 175 en 176 Gemeentewet is tijdens de parlementaire
                    behandeling en in de literatuur uitgebreid ingegaan. Door de staatssecretaris is
                    tijdens de mondelinge behandeling van dit wetsontwerp in de Eerste Kamer
                    opgemerkt:</al><al>“<cursief>De gevallen waarin de noodbevoegdheden van de burgemeester kunnen
                        worden toegepast, staan in een logisch verband met de gronden krachtens
                        welke grondrechten als hier aan de orde mogen worden beperkt. De
                        burgemeester heeft dus in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en
                        176, grondwettelijk de bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te geven
                        ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter
                        bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden</cursief>.”</al><al>Verder wordt aangegeven dat ook uit de toepassingshistorie van de artikelen 219
                    en 220 van de oude gemeentewet volgt dat de noodbevoegdheden passen in het kader
                    van de beperkingsregelingen van grondrechten.</al><al>Het grondrecht van demonstratie moet niet lichtvaardig worden beperkt, en niets
                    is logischer dan om ook bij het beëindigen van een demonstratie af te wegen of
                    het belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of de voorkoming van
                    wanordelijkheden dat noodzakelijk maken. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                    tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende
                    bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen
                    erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste
                    is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te
                    beschikken</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>De door verzoekers verwachte ordeverstoringen, het wellicht voorvallen van
                    strafbare feiten en de omstandigheid dat de demonstratieve optocht van het COC
                    ook de bisschop als stuitend zou voorkomen, bieden geen grond tot beperking van
                    de vrijheid van meningsuiting. Vz.ARRS 11-04-1979, Arob editie 1986, nr. 122
                    m.nt. De M.</al><al>Het doel van de optocht kan de burgemeester geen grond opleveren voor weigering
                    van de vergunning. Wnd. Vz.ARRS, 23-11-1979, NG 1980, p. S 59, OB 1980,
                    III.2.2.7, nr. 41197 en Gst. 1980, 6602 m.nt. J.M. Kan (demonstratie Den
                    Haag).</al><al>Onwettig gedrag van derden tegenover de deelnemers, zware belasting van het
                    politiekorps en ernstige hindering van het verkeer zijn onvoldoende zwaarwegende
                    omstandigheden om het betogingrecht te beperken. Vz.ARRS 27-05-1982, AB 1983,
                    62, m.nt. JHvV, tB/S XI, nr. 55, m. nt. tB/S, (Idem demonstratieverbod Afcent,
                    Wnd.Vz.ARRS, 30-05-1983, AB 1984, 85, P.J. Boon, Arob editie 1986, 78, m. nt.
                    MCB.)</al><al>De omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek irritaties opwekt
                    of tegendemonstraties uitlokt, is onvoldoende basis om de demonstratie op grond
                    van de WOM te verbieden. Slechts wanneer er gegronde vrees bestaat voor ernstige
                    ongeregeldheden die niet kunnen worden voorkomen of bestreden door middel van
                    door de overheid te treffen maatregelen, kan er grond bestaan een demonstratie
                    te verbieden. Wnd.Vz.ARRS 21-03-1989, KG 1989, 158</al><al>Een betoging mag slechts in dwingende situaties preventief worden verboden. Zo’n
                    beperking van het recht van demonstratie kan in beginsel niet gelegen zijn in de
                    overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover deelnemers aan een
                    betoging de verstoring van de openbare orde tot gevolg zullen hebben. Pres. Rb
                    Maastricht 22 maart 2001, JG 01.0198. In gelijke zin: Voorzieningenrechter Rb.
                    Rotterdam 24-01-2002, JG 02.0040, en: de uitoefening van een grondrecht mag
                    aanleiding zijn tot een grotere inspanning dan bij evenementen als een
                    risicowedstrijd van een voetbalclub. Het gaat hier om de waarborging van de
                    uitoefening van een grondrecht. De WOM is niet van toepassing op een
                    persconferentie in een woonhuis. ARRS 30-12-1993, JG 94.0160, Gst. 1994, 6983, 4
                    m.nt. HH, AB1994, 242 m.nt. RMvM.</al><al>De actie ter blokkering van het vliegverkeer d.m.v. het oplaten van ballonen
                    door de Vereniging Milieudefensie is een betoging wegens de gemeenschappelijke
                    meningsuiting. Pres. Rb Haarlem 25-10-1996, Gst. 1996, 7044, 4 m.nt. EB, JB
                    1996, 266 m.nt. REdW.</al><al>Afdeling 2.3 Verspreiden van gedrukte stukken</al><tussenkop>Artikel 2:7 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                    of afbeeldingen en monsters</tussenkop><al>Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen
                    wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod
                    voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren,
                    waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog
                    resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid
                    toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er “geen
                    gebruik van enige betekenis” overblijft. Zie ook de toelichting op artikel
                    2:42.</al><al>Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de
                    Gemeentewet. </al><al>Het uitdelen/verspreiden van monsters, ook samples genaamd, kan een verrommeling
                    geven van de openbare ruimte. </al><al>Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever
                    het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit
                    grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de
                    Grondwet.</al><al>Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of
                            gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de
                            wet.</al></li><li nr="2."><al>De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand
                            toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.</al></li><li nr="3."><al>Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de
                            voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof
                            nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid
                            volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor
                            personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede
                            zeden.</al></li><li nr="4."><al>De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
                            handelsreclame. De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7
                            van de Grondwet als een zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex
                            specialis ten opzichte van het derde lid. De tekst van het eerste lid is
                            letterlijk gelijk aan die van artikel 7 van de oude Grondwet, waarmee
                            beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat punt intact te laten. De
                            constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude Grondwet kan als volgt
                            worden samengevat.</al></li></lijst><tussenkop>Daklozenkrant</tussenkop><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6</al><al>Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan
                    kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de
                    daklozen vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De
                    verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de
                    koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers
                    zijn.</al><tussenkop>Wabo</tussenkop><al>Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet als daar
                    een element van handelsreclame in zit.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><lijst><li nr="I."><al>Het in artikel 7, eerste lid van de Grondwet beschermde recht om zonder
                            voorafgaand verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren
                            impliceert het recht om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of
                            afbeeldingen, waarin gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder
                            voorafgaand verlof door verspreiding of door enig ander middel in het
                            openbaar aan het publiek bekend te maken. 07 11 1892, W. 6259
                            (ventverbod ‘s Gravenhage); HR 28 11 1950, NJ 1951, 137 en 138 m.nt.
                            W.P.J. Pompe, OB 1951, IX.1, nr. 8326, NG 1951, p. 123, AB 1951, 437 en
                            443 (APV Tilburg en APV Sittard) en Gst. 22 1 1981, NG 1981, Gst. 1982,
                            6692,2 m.nt. J.M. Kan, OB 1981, III.2.2.7, nr. 42609 (reclameverordening
                            ‘s Gravenhage).</al></li><li nr="II."><al>Elk middel tot bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige
                            betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde
                            behoefte kan voorzien, valt onder de bescherming van artikel 7. Dit
                            betekent dat de bekendmaking van gedachten en gevoelens met behulp van
                            middelen, die in het maatschappelijk verkeer dezelfde functie vervullen
                            als geschriften in eigenlijke zin, is begrepen in de in artikel 7
                            erkende vrijheid van drukpers. Als “zelfstandige middelen van
                            bekendmaking” zijn in de jurisprudentie<vet> onder meer
                                aangemerkt:</vet></al></li></lijst><al>▪het op de weg uitgeven van strooibiljetten, HR 27 02 1951, NJ 1951, 472 m.nt.
                    B.V.A. Röling, AB 1951, p. 716, OB 1951, IX.1, nr. 8498, NG 1951, p. 196, Gst.
                    1951, 5118 (APV Eindhoven);</al><al>▪ het gebruik maken van reclameborden of opschriften aan onroerend goed, HR 24
                    01 1967, NJ 1967, 270 m.nt. W.F. Prins; AB 1968, p. 72 m.nt. R. Streng, OB 1967,
                    IX.1, nr. 26092, NG 1967, p. 187 (Nederland ontwapent); ARRS 23 10 1978, AB
                    1979, 499 m.nt. F.H. van der Burg, OB 1979, III.2.2.7, nr. 40010, NG 1979, S 4,
                    BR 1979, p. 36, Gst. 1979,6548 (verordening stadsschoon Leiden); </al><al>▪ het aanbrengen van aanplakbiljetten op onroerend goed, HR 19 09 1977, NJ 1978,
                    516 (APV Hengelo); </al><al>▪ het staan of lopen met propagandamiddelen, HR 30 05 1967, NJ 1968 m.nt. W.F.
                    Prins, AB 1968, p. 332, OB 1967, IX.1, nr. 26322, NG 1967, p. 319 (Vietnam
                    I);</al><al>▪ het aanbieden van gedrukte stukken bij gelegenheid van het houden van een
                    inzameling (niet het houden van de inzameling zélf), HR 27 06 1978, NJ 1979, 59
                    m.nt. M. Scheltema, AB 1979, 195 m.nt. J.R. Stellinga (APV Eindhoven); Vz.ARRS
                    16 08 1979, AB 1980, 297 m.nt. JHvdV, OB 1979, III.2.2.7, nr. 40987, NG 1979, S
                    176, Gst. 1980, 6604 m.nt. P. van Zanten (APV Rotterdam) en Vz.ARRS 18 10 1979,
                    OB 1980, III.2.2.7, nr. 41340 (APV Katwijk);</al><al>▪ verlichte fotovitrine, ARRS 20 08 1981; Gst. 1982,6692 m.nt. J.M. Kan (APV
                    Pijnacker); </al><al>III.De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden jegens de inhoud van
                    gedrukte stukken e.d., maar is krachtens artikel 149 Gemeentewet wel bevoegd het
                    in het openbaar bekend maken (“verspreiden”) van gedrukte stukken e.d. aan
                    beperkingen te onderwerpen in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en
                    gezondheid en van andere zaken betreffende de huishouding der gemeente.</al><al>Daarbij geldt dat:</al><lijst><li nr="1."><al>een vergunningenstelsel (voorafgaand verlof) voor het gebruik van een
                            bepaald middel van bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige
                            betekenis heeft, niet is geoorloofd;</al></li><li nr="2."><al>een algemeen verbod tot zodanig gebruik evenmin is toegestaan;</al></li><li nr="3."><al>een (naar tijd, plaats en wijze) beperkt verbod mogelijk is, mits:</al></li><li nr="a."><al>die beperking geen betrekking heeft op de inhoud van de gedrukte
                            stukken, doch gesteld is in het belang van de openbare orde e.d.;</al></li><li nr="b."><al>gebruik “van enige betekenis” overblijft; anders komt de beperking in
                            feite neer op een algemeen verbod, HR 17 03 1953, NJ 1953, 389 m.nt.
                            B.V.A. Röling, OB 1953, IX.1, nr. 10867, NG 1953, p. 264, AB 1953, p.
                            587 (Wachttorenarrest); ARRS 28-04-1981, Gst. 1981, 6686 m.nt. J.M. Kan,
                            OB 1982, nr. 43849, III.2.2.7 (APV Nijmegen)."</al></li></lijst><al>Afdeling 2.4 Vertoningen e.d.</al><tussenkop>Artikel 2:8 Straatartiest </tussenkop><al>De activiteiten van de straatartiest e.d. vallen onder de werking van artikel 7,
                    derde lid, Grondwet. Het begrip “<cursief>openbaren van gedachten of
                        gevoelens</cursief>” moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op
                    artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een
                    gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich
                    uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342,
                    KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.). Artikel 7, derde lid,
                    Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig
                    wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de
                    inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten
                    echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden
                    van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel
                    gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat
                    betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid,
                    opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die
                    bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. </al><al>De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de
                    Gemeentewet.</al><tussenkop>Lex silencio positivo (ontheffing)</tussenkop><al>De VNG is ten aanzien van de ontheffing op het verbod om op te treden als
                    straatartiest e.d. van mening dat het maatschappelijk risico sterk kan
                    verschillen (van dorpje tot stad, strand en toeristische trekpleisters).</al><al>In Utrecht is vastgesteld dat er veel, en steeds meer, muzikanten zijn. De
                    aanwezigheid van muzikanten gaat veelal gepaard met criminaliteit. Ook wordt er
                    gestreden om de beste speelplekken soms uitend in vechtpartijen. Deze muzikanten
                    komen deels uit steden die met een vergunningstelsel werken.</al><al>Het is moeilijk te constateren of één en dezelfde persoon langer dan vijftien
                    minuten op één locatie staat te spelen. Gezien de veelheid aan muzikanten is het
                    niet altijd duidelijk of het om een andere muzikant gaat.</al><al>Ter beperking van de regelmatig optredende overlast en ter handhaving van de
                    openbare orde, openbare veiligheid en de maatschappelijke orde
                    ('draaiorgeloorlogen') is het toepassen van een lex silencio positivo vooralsnog
                    niet wenselijk.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>De weigering van een ontheffing in verband met de verstoring van de openbare
                    orde moet reëel zijn en voldoende onderbouwd zijn. Vz.ARRS 01 10 1993, JG
                    94.0046, Gst. 1994, 6979, 3 m.nt. EB, AB 1994, 207 m.nt. RMvM, ABRS 15 07 1994,
                    JG 95.0208.</al><al>Terechte weigering ontheffing voor optreden als straatfotograaf. Optreden als
                    straatfotograaf is niet gericht op het openbaren van gedachten of gevoelens als
                    bedoeld in artikel 7, derde lid, Grondwet. Openbare orde verzet zich tegen het
                    optreden van meer dan twee straatfotografen. ABRS 03 09 1997, Gst. 1997, 7064, 3
                    m.nt. EB.</al><al>Afdeling 2.5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg</al><tussenkop>Artikel 2:9 Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven de weg</tussenkop><al>Het artikel ziet vooral toe op het voorkomen van overlastgevende en onveilige
                    situaties. Met deze regelgeving blijkt het voorkomen van onveilige en
                    overlastveroorzakende situaties voldoende geborgd. In een minimaal aantal
                    gevallen blijkt de aanvraag niet geschikt om zonder aanpassing te vergunnen. </al><tussenkop>Artikel 2:9, tweede lid onder i.</tussenkop><al>De steigers en containers die aan de volgende vereisten voldoen, veroorzaken
                    geen onveilige of overlastveroorzakende situaties. De voorwerpen:</al><lijst><li nr="-"><al>zijn korter dan vier weken geplaatst, en;</al></li><li nr="-"><al>nemen minder oppervlakte in beslag dan 15 m².</al></li></lijst><al>Deze voorwerpen blijken buiten het centrum nauwelijks overlast en onveilige
                    situaties te veroorzaken. Het is hierdoor mogelijk om deze categorie uit te
                    sluiten van de vergunningenplicht. Dit kan door het instellen van een
                    meldingplicht, dan wel het instellen van algemene regels. Deze regels zien toe
                    op het voorkomen van onveiligheid, overlast en schade aan de openbare weg of
                    groen. Het succes van deze mogelijkheid is afhankelijk van het naleefgedrag van
                    de ondernemers. Het college vertrouwt op het verantwoordelijkheidsbesef van de
                    ondernemers.</al><al>Gezien het streven om te dereguleren en tegelijkertijd de belangen van betrokken
                    te behartigen, wordt geadviseerd om besluitvorming uit te werken. Met deze optie
                    blijft de controle op onveilige en overlastgevende situaties bij grote en
                    langdurig geplaatste steigers en containers gehandhaafd. Tegelijkertijd zijn 220
                    à 280 steigers en containers vergunningvrij geplaatst. De betreffende regeling
                    leidt niet tot een afname van inkomsten. Met de vermindering van vergunningen is
                    meer tijd beschikbaar om toezicht te houden op onvergunde voorwerpen. Door het
                    legaliseren van deze voorwerpen nemen de leges- en precario-inkomsten toe.</al><tussenkop>Lex silencio positivo</tussenkop><al>Het toepassen van de lex silencio positivo is vrijwel zonder gevaar. Het gaat om
                    wel gedefinieerde of specifieke voorwerpen. Beleidsregels zijn goed te
                    handhaven. Er is zelden acuut gevaar, hooguit tijdelijke maar goed te handhaven
                    overlast. </al><tussenkop>Artikel 2:9a Uitstallingen</tussenkop><al>Binnen de gemeente Utrecht wordt in het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten voor bedrijven, instellingen en burgers het
                    vergunningsvereiste in de Uitstalverordening 2001 vervangen door algemene
                    regels: Regels uitstallingen Utrecht, die door het college zijn vastgesteld.
                    Deze regels borduren voort op de Uitstalverordening 2001. </al><tussenkop>Artikel 2:10 Deponeren van goederen op de weg</tussenkop><al>Dit artikel betreft een algehele verbodsbepaling om inboedels op straat te
                    zetten. Voorkomen moet worden dat er gevaarlijke situaties aan de kant van de
                    weg worden gecreëerd, dan wel dat zwerfvuil op de openbare weg terechtkomt. Dit
                    artikel wordt in Utrecht toegepast en gehandhaafd.</al><tussenkop>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    bekeken of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. Er
                    is voor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband met
                    de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat
                    niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen. Het stellen
                    van algemene regels in plaats van een vergunningvereiste is wel overwogen, maar
                    dat is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk
                    gaat.</al><al>Voor de aanleg van wegen en het daarvoor eisen van een vergunning van het
                    college is de relatie met de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) van belang. Op
                    grond van de WRO mag een aanlegvergunning voor de uitvoering van bepaalde werken
                    of werkzaamheden bij een bestemmingsplan alleen verplicht worden gesteld om te
                    voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de
                    daaraan bij het plan gegeven bestemming of ter handhaving van een verwerkelijkte
                    bestemming. Ingevolge artikel 14 WRO mag een vergunning alleen en moet zij
                    worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een
                    bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.</al><al>Met de inwerkingtreding van de WABO zullen voor deze vergunning de bepalingen,
                    met name ook de termijnen, van die wet gaan gelden. Ook is de activiteit
                    omgevingsvergunningplichtig indien er geen vergunning vereist op grond van een
                    bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
                    Door deze activiteit in alle gevallen omgevingsvergunningplichtig te maken is de
                    rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gewaarborgd.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Aan artikel 2:11 ligt een ander motief ten grondslag, namelijk de behoefte om de
                    aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met
                    het oog op de bruikbaarheid van die weg.</al><al>Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst
                    zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst
                    onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor -door de latere
                    aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering,
                    water en gasvoorziening en verlichting- de bruikbaarheid van die weg gedurende
                    lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten
                    meebrengt.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet
                    worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                    derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de
                    Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg,
                    verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.
                    Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde
                    “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze
                    wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan
                    voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze
                    van verharding, breedte e.d.</al><al>Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden
                    op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging
                        “<cursief>alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van
                        gebouwen</cursief>” opgenomen. De plicht om gebouwen door middel van een
                    verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten, staat in artikel 37
                    model Bouwverordening.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van
                    hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan
                    worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Desgewenst kunnen in het derde lid ook nog andere publiekrechtelijke lichamen,
                    bijvoorbeeld de op de Wet gemeenschappelijke regelingen gebaseerde
                    samenwerkingsverbanden, genoemd worden. Ook is het mogelijk om voor de
                    landinrichtingscommissie, als bedoeld in artikel 27, jo 124, tweede lid,
                    Landinrichtingswet, een uitzondering te maken.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term “<cursief>onderwerp</cursief>” in artikel 122 betekent dat het
                    om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen
                    aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de
                    afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor
                    het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor
                    telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde
                    telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en
                    omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de
                    Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke)
                    Telecommunicatieverordening.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 1:5,
                    zaaksgebonden</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>De voorschriften mogen slechts slaan op datgene wat op de weg zelf betrekking
                    heeft -zoals de grenzen, de afmetingen, het profiel, de hoogte, de wijze van
                    verharding- of wat met die weg ten nauwste verband houdt zoals beplanting en
                    verlichting langs en van de weg, alsmede de (situering van de) langs of in de
                    weg liggende riolering, Vz.ARRS 10 01 1986, BR 1986, 426, Arob editie 1986, 86,
                    7 (Wegaanleg Gennep).</al><al>Relatie van artikel 2.1.5.2 met artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht. APV
                    bepaling als vorenbedoeld verbiedt het feitelijk beschadigen, zonder op die
                    beschadiging gerichte opzet, onverschillig wie de eigenaar is. Artikel 350 Sr.
                    stelt daarentegen straf op opzettelijke en wederrechtelijke beschadiging van
                    enig goed, geheel of ten dele aan een ander toebehorende, en derhalve op
                    onrechtmatige beschadiging van eens anders eigendom, gepleegd met het doel en de
                    wil om te beschadigen. HR 07 01 1907, W. 8485 (APV Tiel)</al><al>Anti-rampalen (voor juwelierswinkel) in het voetgangersgebied van een druk
                    winkelcentrum leveren gevaar op voor de bruikbaarheid van de weg en voor het
                    doelmatig gebruik daarvan in de zin van artikel 2.1.5.2, derde lid, van de APV
                    Zutphen. Legalisering van de palen is niet aan de orde. Objecten die in dezelfde
                    winkelstraat staan, zoals fietsen, terrasstoelen en bloempotten, zijn anders dan
                    de twee betonnen palen. Deze kunnen ’s nachts van de openbare weg worden
                    verwijderd. Er is bovendien een aanvaardbaar alternatief. De palen kunnen achter
                    de gevellijn worden gerealiseerd. ABRS 04-02-2004, 200302804/1, LJN AO2900.</al><tussenkop>Lex silencio positivo</tussenkop><al>De aanlegvergunning gaat op in de omgevingsvergunning op basis van de Wabo,
                    zodra deze in werking is getreden. Hierop zal dan ook de lex silencio positivo
                    van toepassing worden. </al><tussenkop>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in
                    2007 bezien of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven.
                    In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer
                    gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet
                    nodig. In andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter
                    bescherming van het algemeen belang. Er is daarom voor gekozen de
                    vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht. Het stellen van algemene
                    regels in plaats van een meldingsplicht is wel overwogen, maar is niet goed
                    mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.</al><al>Op de wijze waarop dit artikel toen is vormgegeven is terechte kritiek gekomen:
                    door het college de gelegenheid te geven op een melding te reageren met nadere
                    voorschriften, wordt in die gevallen een verkapt vergunningstelsel gecreëerd. De
                    tekst is daarom aangepast en gewijzigd in een meer zuiver vergunningsstelsel,
                    waarbij het college slechts de keus heeft tussen toestaan en verbieden.</al><al>De belangen die het college hierbij kan afwegen zijn vooral en in de eerste
                    plaats gevaar of hinder voor het wegverkeer ter plaatse. Daarnaast kan worden
                    gedacht aan het verlies van een bestaande openbare parkeerplaats of de
                    bescherming van openbare groenvoorzieningen. De vergunning valt van rechtswege
                    onder de reikwijdte van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De algemene
                    bepalingen van deze wet zijn van toepassing.</al><tussenkop>Tweede lid, onder d.:</tussenkop><al>Het tweede lid is aangevuld met sub d.:</al><al>Er is nu geen rechtstreekse koppeling tussen en uitwegvergunning en het gebruik
                    van een tuin/erf voor het parkeren van een voertuig. Ook kan het nog steeds
                    gebeuren dat men op basis van het bestemmingsplan wel een bouwvergunning
                    verkrijgt voor de bouw van een garage of carport, maar geen
                    uitwegvergunning.</al><al>Omgekeerd bestaat het ook dat er wel een uitwegvergunning wordt verstrekt maar
                    het niet is toegestaan om op een erf de auto te stallen omdat het
                    bestemmingsplan dit verbiedt.</al><tussenkop>Derde lid:</tussenkop><al>In artikel 1:5 is bepaald dat de vergunning (of ontheffing) persoonsgebonden is,
                    tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.</al><al>Het is niet doenlijk en niet wenselijk om telkens bij wisseling van bewoner of
                    bedrijf een nieuwe uitwegvergunning te verstrekken.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Eigenaar dient uitwegen op de weg te gedogen. ARRS 01 09 1977, AB 1977, 366
                    m.nt. JHvdV, Gst. 1977, 6472 m.nt. Kan, BR 1977, p. 914 m.nt. Crince le Roy
                    (Maastricht I); ARRS 08 06 1978, AA p. 574 m.nt. Wessel, Gst. 1977, 6514 (De
                    Bilt); ARRS 08 05 1981, AB 1981, nr. 391 m.nt. Borman (uitwegvergunning Nuth
                    I).</al><al>Ontheffing verleend voor de verbreding in het belang van de veiligheid en
                    bruikbaarheid van de weg onder de voorwaarde dat moet worden bijgedragen in de
                    kosten. Kosten van de wegverbreding konden in redelijkheid niet geheel ten laste
                    van appellante komen. ARRS 20-06-1983, AB 1984, 75 m.nt. JHvdV.
                    (Wegverbreding)</al><al>Weigering uitwegvergunning op basis van de verordeningsbepaling, die in het
                    belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt niet met artikel 14 van de
                    Wegenwet. HR 30 09 1987, BR 1988, 212 m.nt. P.C.F. van Wijmen.</al><al>Weigering uitwegvergunning op grond van het belang van de bescherming van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente is in beginsel mogelijk. ARRS 22-12-1989, Bouw
                    en uitvoering 1991, nr. 5. Zie ook ABRS 13-07-1999, H01.98.1206
                    (VNG-databank).</al><al>Het schrijven van het college dat grond niet in gebruik wordt gegeven, is mede
                    aan te merken als een weigering om een uitwegvergunning te verlenen. Noch het
                    eigendomsrecht, noch de handhaving van het bestemmingsplan kan een rol spelen
                    bij de beslissing gelet op het opschrift van het hoofdstuk waarin het artikel is
                    geplaatst. Rubrica ext lex. ARRS 11 01 1991, Gst. 6929, nr. 6. m.nt. HH.</al><al>Via voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop wordt
                    uitgeweegd worden geregeld. ARRS 28 10 1983, Gst. 6774, nr. 12 (APV Vlijmen);
                    ARRS 01 04 1980, tB/S V, p. 662 (APV Dongen)). Als voorschrift aan de vergunning
                    kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd worden, ARRS 12 07 1982, tB/S III, nr.
                    356.</al><al>De Wegenwet houdt een regeling in van de onderhoudsplicht van wegen en ziet niet
                    toe op de bescherming van de bruikbaarheid ervan. ARRS 09 02 1987, WO RvS 1987,
                    R.J. 127/87, nr. 3.71.</al><al>Ter bescherming van de veiligheid op de weg en mits opgelegd naar evenredigheid
                    kan een financiële voorwaarde worden verbonden aan een uitwegvergunning. ARRS,
                    20 06 1983, AB 1984, 75 m.nt.JHvdV. Zie ook ABRS 16 06 1995, Gst. 1996, 7035, 2
                    m.nt. EB.</al><al>Indien de uitweg gedeeltelijk is aangelegd op gemeentegrond, is uitwegvergunning
                    nodig. Nader onderzocht moet worden of er een privaatrechtelijke
                    eigendomsverhouding ten grondslag ligt aan de eis dat de uitrit moet voldoen aan
                    het bestratingsplan. Vz.ABRS 20 01 1994, JG 94.0176, Gst. 1995, 7005, 4 m.nt.
                    HH.</al><al>Intrekken van een uitwegvergunning kan slechts plaatsvinden op grond van de
                    gronden, genoemd in artikel 1.11, eerste lid, (thans: artikel 1.6 model) APV. De
                    voorwaarde tot betaling van een recognitie maakt geen deel uit van de
                    vergunning, zij is gebaseerd op het eigendomsrecht van de gemeente. ABRS 05 12
                    1996, Gst. 1997, 7061, 3 m.nt. HH.</al><al>Besluit inhoudende dat privaatrechtelijke toestemming voor gebruik van de uitweg
                    is geweigerd, is geen beschikking. De vraag of een vergunning kan worden
                    verleend staat immers los van de vraag of van die vergunning ook gebruik kan
                    worden gemaakt. Appellant niet ontvankelijk. ABRS 14 07 1997, AB 1997, 369 m.nt.
                    FM.</al><al>Titel openbare orde staat weigeringsgrond bescherming uiterlijk aanzien wel toe.
                    ABRS 13-07-1999, JB 1999, 224. Zie ook: Weigeringsgrond bescherming uiterlijk
                    aanzien van de omgeving mag. Titel hoofdstuk (openbare orde) kan niet leiden tot
                    oordeel dat deze weigeringsgrond geen onderdeel van artikel is. Expliciete
                    verwijzing naar uitspraak 7 oktober 1996, Gst. 1997, 7050, 4 (zie onder
                    jurisprudentie artikel 2.1.5.1). In dezelfde zin: ABRS 14-08-2002, 200201413,
                    LJN-nr. AE6496, JG 2002, 170 m.nt. M. Geertsema.</al><al>ABRS 28-01-2000, Gst. 2000, 7123, 3 m.nt. HH: Inrit is zonder uitwegvergunning
                    aangelegd, nu de brief dat de inrit in het trottoir zal worden gemaakt, zodra de
                    kosten daarvan aan de gemeente zijn betaald, geen besluit behelst in de zin van
                    artikel 1:3, eerste lid, Awb, maar slechts een mededeling van feitelijke aard
                    is.</al><al>Weigering van toestemming voor gebruik van bij gemeente in eigendom zijnde
                    groenstrook naast woning ten behoeve van het maken van een uitweg is geen
                    besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, maar een rechtshandeling naar burgerlijk
                    recht. ZBRS 04-07-2000, JB 2000, 225, Gst. 2000, 7128, 4 m.nt. HH.</al><al>De in artikel 2.1.5.3 (oud), derde lid, van de APV omschreven algemene belangen
                    verzetten zich niet tegen vergunningverlening. Vergunning moest van rechtswege
                    worden verleend. Vergunning werd niet verleend ter behartiging van enig openbaar
                    belang. Beginsel van “<cursief>égalité devant les charges publiques</cursief>”
                    dan ook niet van toepassing. Afwijzing nadeelcompensatie. ABRS 10-07-2000, Gst.
                    2000, 9.</al><al>Aanvragen bouwvergunning en uitwegvergunning moeten naar verschillende
                    maatstaven worden beoordeeld. Vergunningaanvrager heeft bijzonder belang bij
                    uitwegvergunning, nu het college een bouwvergunning heeft verleend voor een
                    garage, namelijk het belang deze ook daadwerkelijk te kunnen gebruiken voor zijn
                    auto. Slechts zeer bijzondere belangen aan de kant van de gemeente zouden de
                    weigering kunnen dragen. Weigering op grond van te verwachten parkeerdruk ten
                    gevolge van uitwegvergunning in de toekomst is niet nader onderbouwd. ABRS
                    19-01-2001, Gst. 2001, 7139, 2 m.nt. HH.</al><al>Het college had een onderzoek moeten instellen naar de consequenties van de
                    aanleg van de inrit voor de verkeersveiligheid en voor de resterende
                    parkeerruimte ter plaatse. ABRS 29-05-2001, JB 2001, 180.</al><al>Marginale toetsing rechter. De rechtbank heeft de uitwegvergunning ten onrechte
                    vernietigd op basis van een eigen oordeel over veilig en doelmatig gebruik van
                    de weg. De rechter moet zich beperken tot de vraag of de voorgedragen
                    beroepsgronden tot het oordeel leiden dat het college het genomen besluit
                    onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel bij beoordeling van de daarvoor
                    in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot weigering van de
                    gevraagde vergunning heeft kunnen besluiten. ABRS 27-06-2001, JB 2001, 207. </al><tussenkop>Lex silencio positivo</tussenkop><al>De uitwegvergunning gaat op in de omgevingsvergunning op basis van de Wabo,
                    zodra deze in werking is getreden. Hierop zal dan ook de lex silencio positivo
                    van toepassing worden. </al><al> Afdeling 2.6 Veiligheid op een openbare plaats</al><tussenkop>Algemene toelichting </tussenkop><al>Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot
                    het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het
                    onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd
                    zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare
                    oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204
                    m.nt. W.F. Prins).</al><al>Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen
                    worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid
                    op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de
                    weg.</al><al>Voor het maken van aanvullende regels bij gemeentelijke verordening geldt steeds
                    de beperking dat de hogere wetgever de desbetreffende aangelegenheid niet
                    uitputtend heeft willen regelen. De vraag wanneer dat het geval is, is niet
                    altijd gemakkelijk te beantwoorden.</al><al>Daarnaast is er de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever om met geheel
                    andere motieven dan de hogere wetgever voor ogen stonden een plaatselijke
                    regeling te treffen. Zonder problemen is het werken op grond van een ander
                    motief ook weer niet, met name niet wanneer de hogere wetgever in zijn regeling
                    uitdrukkelijk bepaalde situaties buiten schot heeft willen laten.</al><al>Verder geldt hier -evenals bij de eigenlijke aanvulling- dat toepassing van de
                    gemeentelijke verordening toepassing van de hogere regeling niet onmogelijk mag
                    maken.</al><al>In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen die ieder op zich de veiligheid van
                    het verkeer betreffen en als eigenlijke aanvulling op de wegenverkeerswetgeving
                    aangemerkt kunnen worden.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>De gemeenteraad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het verkeer
                    op wegen -ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan
                    verkeersbelangen- indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het
                    normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de wegenverkeerswetgeving wordt
                    doorkruist. HR 21-06-1966, NJ 1966, 417 m.nt. W.F. Prins, OB 1967, XIV.3, nr.
                    26667, AB 1967, p. 186, NG 1966, p. 432, VR 1966, p. 227 m.nt. R.J. Polak
                    (bromfietsverbod Sneek); HR 23-12-1980, NJ 1981, 171 m.nt. T.W. van Veen, AB
                    1981, 237, NG 1981, p. S 63, VR 1981, p. 58 m.nt. J.J. Bredius (rijverbod
                    Schiermonnikoog) en AR 5-3-1981, Gst. 1981, 6678 m.nt. EB (rijverbod
                    Vlieland).</al><al><vet>Winkelwagentjes </vet>(artikel 75 oud, vervallen)</al><al>Deze bepaling bestrijdt het “<cursief>zwerfkarrenprobleem</cursief>” door
                    winkelbedrijven te verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te
                    verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een
                    andere aanpak van het probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik van
                    winkelwagentjes. De consument kan een wagentje pas gebruiken met bijvoorbeeld
                    een munt van 50 eurocent. Dit leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Om
                    die reden had de gemeente Utrecht in de APV een verbodsbepaling jegens de burger
                    opgenomen (artikel 75 oud). </al><al>De zorg en verantwoordelijkheid voor het ophalen van rondzwervende karretjes
                    ligt echter primair bij de winkelier(s). </al><al>Verder zijn op verschillende locaties in Utrecht zogenaamde ringleidingen
                    aangelegd. De leiding wordt gemarkeerd door rode tegels of een rode plakstrip op
                    de tegels, waar de klant niet met het winkelwagentje overheen kan. De wielen
                    worden automatisch geblokkeerd en het karretje kan niet meer voor- of achteruit.
                    Dit systeem is een succes, de winkeliers raken bijna geen winkelwagens meer
                    kwijt.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Is een winkelbedrijf vergunningplichtig op basis van de milieuregelgeving, dan
                    kunnen voorschriften met betrekking tot winkelwagentjes worden verbonden aan de
                    milieuvergunning. KB 12 6 1985, WO RvS 1985, nr. V 60 en Gst. 6802, 10
                    (Haarlem).</al><al>De algemene voorwaarden die aan de ontheffing inzake gebruik van winkelwagentjes
                    worden verbonden, bevatten o.a. een verplichting de wagentjes uit te rusten met
                    een muntmechanisme. Dit beleid is niet op zich zelf zodanig onjuist of
                    onredelijk te achten dat reeds daarom een onevenredig nadeel voor verzoekster
                    aanwezig moet worden geacht. De bedoelde voorwaarde strekt er onmiskenbaar toe
                    de van rondslingerende winkelwagentjes ondervonden overlast te beperken. Wnd.
                    Vz.ARRS, 01 12 1981, OB 44127, III.2.2.7, nr. 49; NG 1982, nr. 7, p. 103 e.v.,
                    ARRS 17 06 1983, AB 1983, 511 m.nt. JHvdV (APV Weert).</al><al><vet>Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp </vet>(artikel 21
                    oud,vervallen)</al><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al>Situaties waarbij bijv. door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt
                    belemmerd dat de verkeersveiligheid van met name fietsers en voetgangers in het
                    gedrang komt, worden vanuit de gemeente/Wijken opgepakt. Alsdan wordt
                    vriendelijk verzocht om de betreffende beplanting en/of voorwerp te verwijderen.
                    Nut en noodzaak om de Apv bepaling te behouden is niet aanwezig. Van de
                    bevoegdheid van het college om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125
                    Gemeentewet, een last op te leggen om de bomen of beplanting te verwijderen of
                    te snoeien wordt niet of nauwelijks gebruik gemaakt.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Tuin afgeschermd met lattenscherm en coniferen. Het college vond het belang van
                    privacy zwaarder wegen dan het belang van de verkeersveiligheid. De Afdeling is
                    van oordeel dat de belemmering van het uitzicht van beperkte betekenis is omdat
                    het lattenscherm een open constructie kent. De weigering bestuursdwang uit te
                    oefenen tegen de coniferen blijft echter niet in stand omdat de Afdeling van
                    oordeel is dat de coniferen bij het uitrijden van de inrit het zicht geheel
                    ontnemen. ARRS 10 12 1993, JG 94.0138.</al><tussenkop>Artikel 2:13 Openen straatkolken e.d.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Dit artikel ziet er op toe dat er te allen
                    tijde gebruik van de openbare nutsvoorzieningen kan worden gemaakt, zodat er bij
                    calamiteiten snel opgetreden kan worden</al><al><vet>Kelderingangen e.d.</vet> (artikel 23 oud, vervallen)</al><al>Deze bepaling is facultatief in de model Apv. De toegevoegde waarde van deze
                    bepaling in relatie tot de hieronder genoemde bepalingen in het wetboek van
                    strafrecht en de Wegenverkeerswet is nihil en handhaving heeft in de gemeente
                    Utrecht, voor bekend, nimmer plaatsgevonden. De bepaling is in deze Apv
                    vervallen.</al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Artikel 427 aanhef en onder 1 en 3, Wetboek van Strafrecht verplicht de eigenaar
                    tot het treffen van de nodige voorzorgmaatregelen met betrekking tot
                    kelderingangen en toegangen tot onderaardse ruimten ten behoeve van de
                    veiligheid van voorbijgangers.</al><tussenkop>Artikel 2:14 Rookverbod in parken, bossen en natuurterreinen</tussenkop><al>Het verbod heeft tot doel (bos)branden te voorkomen en beschadiging van
                    eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in
                    de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen,
                    niet meer mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt zou van 1 maart
                    tot 1 november kunnen zijn.</al><al>Overigens komen In Utrecht vrijwel geen bossen en natuurterreinen voor. De
                    gemeente Utrecht is wel eigenaar en beheerder van landgoederen en bossen op het
                    grondgebied van de gemeente Bunnik. </al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>In artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald:
                    Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede
                    categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of
                    voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.</al><al>Deze bepaling verbiedt het roken niet, mits dit met de nodige omzichtigheid en
                    voorzorg gebeurt. Dat houdt in dat wanneer er van omzichtigheid of voorzorg geen
                    sprake is, het strafrechtartikel pas van toepassing is. Het APV-artikel stelt
                    het roken of het wegwerpen van brandende of smeulende voorwerpen op zich al
                    strafbaar. </al><al><vet>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</vet> (artikel 25 oud, vervallen)</al><al>Deze bepaling is als 'gereserveerd' in de model Apv opgenomen. Dit artikel
                    wordt, voor bekend, in de gemeente Utrecht niet gehandhaafd. Het betreft een
                    'dode regel' en is in deze Apv vervallen.</al><al><vet>Vallende voorwerpen</vet> (artikel 26 oud, vervallen)</al><al>De Utrechtse Bouwverordening (Gemeenteblad van Utrecht 2007, nr.16) kent in
                    artikel 7.3.2 een vergelijkbare, zelfs uitgebreidere regeling. Bij wijziging van
                    deze Bouwverordening dient het gebruik van dit artikel wel geborgd te
                    worden.</al><al>Verder voegde de Apv bepaling weinig toe aan privaatrechtelijke bevoegdheden om
                    tegen gevaarzettende situaties op te treden.</al><al>De bepaling is in deze Apv vervallen.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Het college kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de dekzeilen
                    op het pand van appellante, gezien de zeer slechte staat waarin ze verkeerden,
                    de wijze waarop ze aan het dak waren vastgemaakt en het onstuimige weer van die
                    dag, niet deugdelijk beveiligd waren tegen neervallen op de weg en dat aan het
                    gevaar dat de dekzeilen opleverden zo spoedig mogelijk een einde moest komen.
                    Spoedeisendheid bestuursdwang. Telefonische waarschuwing om een eind te maken
                    aan de gevaarzetting. ABRS 09-01-2001, AB 2001, 207.</al><tussenkop>Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</tussenkop><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>De in het derde lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties
                    waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken,
                    verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het
                    aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.</al><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt.</al><al>Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige
                    artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer
                    de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of
                    de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al><al>In verband met o.a. de integratie van de Waterstaatswet 1900 in de Waterwet
                    (inwerkingtreding van de Waterwet eind 2009) is lid 2 hierop aangepast.</al><tussenkop>Artikel 2:15a Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en
                    verlichting</tussenkop><al>Deze bepaling houdt een aanvulling in op het bepaalde in de artikelen 161bis,
                    161ter, 162, 350, 351, 351bis en 424 van het Wetboek van Strafrecht.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Zie HR (Strafkamer) 19 oktober 1971. Aan de in artikel 350 Sr. vermelde
                    uitdrukking 'Onbruikbaar maken' komt een ruimere betekenis toe:</al><al><cursief>"…onder onbruikbaar maken moet worden begrepen het brengen van een
                        voorwerp in zodanige toestand, dat het gebruik van het voorwerp
                        overeenkomstig de bestemming wordt belemmerd of onmogelijk gemaakt, hetgeen
                        met het onderhavige verkeersbord met paal het geval was, nu het als
                        verkeersteken onbruikbaar was gemaakt</cursief>". (Het voorwerp:
                    verkeersbord was niet onbruikbaar gemaakt, maar de hieraan verbonden paal was
                    uitgegraven en platgelegd en moest opnieuw worden geplaatst = vernieling)</al><al><vet>Objecten onder hoogspanningslijn</vet> (artikel 29 oud, vervallen)</al><al>Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen
                    een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften
                    opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij
                    kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten
                    gebouwen.</al><al>Ook sluit het betreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de eigenaren
                    van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen staan of
                    lopen. Deze overeenkomsten beperken, uiteraard tegen een schadevergoeding, de
                    zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook altijd voorwaarden met
                    betrekking tot het gebruik van de gronden onder de hoogspanningslijnen. In
                    gemeenten, zoals in Utrecht, waar dit op deze wijze is geregeld, kan het opnemen
                    van dit artikel achterwege blijven.</al><al>Er is nooit reden geweest om dit artikel toe te passen.</al><al>De bepaling is in deze Apv vervallen</al><al><vet>Veiligheid op het ijs</vet> (artikel 30 oud, vervallen)</al><al>Deze bepaling wordt in Utrecht niet gebruikt en niet gehandhaafd. Hogere
                    regelgeving (Wb. van Sr.) regelt dit afdoende.</al><al>De bepaling is in deze Apv vervallen</al><al><vet>Benzinepompen op of nabij de weg</vet> (artikel 31 oud, vervallen/niet in
                    model-APV opgenomen)</al><al>Het verkeersveiligheidsbelang wordt thans geregeld door de Wet ruimtelijke
                    ordening en de Wet Milieubeheer. Het artikel wordt niet gebruikt en niet
                    gehandhaafd.</al><al>De bepaling is in deze Apv vervallen</al><al>Afdeling 2.7. Orde in verband met voetbalwedstrijden</al><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Een vergunningstelsel biedt de burgemeester handvaten om de openbare orde en
                    veiligheid rondom betaald voetbalwedstrijden te versterken. Dit is wenselijk in
                    verband met de openbare orde problematiek rondom betaald voetbalwedstrijden. Zo
                    kan de burgemeester voorschriften aan de vergunning verbinden of de vergunning
                    geheel of gedeeltelijk weigeren of intrekken. Ook kunnen eisen gesteld worden
                    aan het indienen van een aanvraag om vergunning. Daarnaast biedt een
                    vergunningstelsel een betere mogelijkheid om voorafgaand aan de
                    vergunningverlening met de organisator goede afspraken te maken omtrent het
                    bewaren van de openbare orde en veiligheid. Bovendien vergemakkelijkt een
                    vergunningstelsel de handhaving. Immers vergunningplichtige wedstrijden kunnen
                    nu zonder meer verboden worden, indien blijkt dat hiervoor geen vergunning is
                    afgegeven. Overigens laat het bepaalde in deze afdeling de bevoegdheden die de
                    burgemeester heeft in het kader van de Gemeentewet onverlet. </al><al>Voorts verhoudt een vergunningstelsel zich beter tot de Algemene wet
                    bestuursrecht dan een kennisgevingstelsel. Zo zijn de besluiten om vergunning te
                    verlenen of te weigeren besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
                    Dit betekent dat bepaalde waarborgen zoals die zijn neergelegd in de Algemene
                    wet bestuursrecht van toepassing zijn (bijvoorbeeld zorgvuldige voorbereiding en
                    evenredige belangenafweging). Daarnaast staan voor de aanvrager uiteraard de
                    rechtsbeschermingmogelijkheden van de Awb open. </al><tussenkop>Artikel 2:16 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit artikel worden de begrippen organisator en voetbalwedstrijd beschreven.
                    De begripsomschrijving "organisator" is ongewijzigd gebleven. Om misverstanden
                    uit te sluiten is het begrip "voetbalwedstrijd" toegevoegd. De
                    begripsomschrijvingen zijn noodzakelijk omdat de vergunningplicht zich niet
                    uitstrekt tot alle voetbalwedstrijden, maar slechts tot wedstrijden waarbij
                    minimaal één betaald voetbalorganisatie bij betrokken is. Openbare orde
                    problemen doen zich in Utrecht niet of nauwelijks voor bij amateurvoetbal. </al><tussenkop>Artikel 2:17 Vergunningplicht </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het eerste lid introduceert de vergunningplicht. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid is bepaald dat een vergunning meerdere voetbalwedstrijden kan
                    betreffen. Onder het oude regime gold dit overigens ook voor de kennisgeving.
                    Vaak is van veel wedstrijden bij aanvang van het seizoen het wedstrijdschema
                    bekend. Voor veel wedstrijden zullen gelijkluidende voorschriften gelden. Voor
                    dergelijke wedstrijden kan op basis van het bepaalde in dit lid een
                    verzamelvergunning worden afgegeven. Het moge duidelijk zijn dat dit de
                    mogelijkheid om per wedstrijd een vergunning af te geven onverlet laat. Dat
                    laatste zou bijvoorbeeld kunnen gelden voor wedstrijden met een verhoogd risico
                    of voor wedstrijden waarvan niet voorafgaand aan het seizoen bekend is of en
                    wanneer ze gespeeld zullen worden (bijvoorbeeld wedstrijden in het kader van de
                    UEFA-cup). </al><al>Ten overvloede zij opgemerkt dat op grond van artikel 1:4 van deze verordening
                    aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbonden kunnen worden voor
                    zover deze strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband
                    waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. In het kader van deze afdeling
                    zullen de voorschriften dan ook gesteld worden in het belang van de openbare
                    orde en veiligheid. Ook in het kennisgevingstelsel was het stellen van
                    voorschriften en beperkingen mogelijk. Voordeel van een vergunningstelsel is
                    echter dat een organisator min of meer verplicht wordt om in een vroeg stadium
                    overleg te plegen met het bestuursorgaan omtrent de te verlenen vergunning. In
                    dit overleg kunnen en zullen ook vaak goede afspraken gemaakt worden omtrent de
                    handhaving van de openbare orde en veiligheid en de inspanningen die door de
                    organisator moeten worden gedaan om de wedstrijd op een goede manier te
                    organiseren. Deze afspraken kunnen dan ook in de vergunning meegenomen worden.
                    Op grond van artikel 1:6 van deze verordening bestaat de mogelijkheid om de aan
                    een vergunning verbonden voorschriften te wijzigen of zelfs nieuwe voorschriften
                    aan de vergunning te verbinden. Immers uit informatie, feiten of gegevens na
                    vergunningverlening kan blijken dat wijzigingen noodzakelijk zijn. Te denken
                    valt bijvoorbeeld aan informatie die bij politie kan inkomen over onvoorzien
                    supportersgedrag of het feit dat een wedstrijd een verhoogd risico met zich
                    meebrengt in verband met de stand op de ranglijst. </al><tussenkop>Lex silencio niet van toepassing</tussenkop><al>Er zijn verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de
                    openbare orde, openbare veiligheid om uitdrukkelijk van een lex silencio
                    positivo af te zien.</al><tussenkop>Artikel 2:18 Indienen aanvraag</tussenkop><al>Om een aanvraag om vergunning te kunnen beoordelen is het van belang dat de
                    organisator de nodige gegevens en bescheiden verschaft. Met het oog hierop is in
                    dit artikel bepaald dat de organisator gebruik dient te maken van een
                    aanvraagformulier en dat de aanvraag vergezeld dient te gaan van een
                    veiligheidsplan. In het veiligheidsplan dient de organisator aan te geven hoe
                    invulling wordt gegeven aan zijn verantwoordelijkheid voor een goed verloop van
                    de wedstrijd. Te denken valt hierbij aan supportersscheiding in en rond de
                    locatie van de wedstrijd, het vervoer van supporters, de inzet van
                    beveiligingspersoneel in en om de locatie van de wedstrijd en dergelijke.</al><al>Indien niet of niet volledig voldaan wordt aan het bepaalde in dit artikel dan
                    kan de burgemeester, nadat de organisator in de gelegenheid is gesteld de
                    omissie te verhelpen, besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten op grond
                    van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al>Daarnaast is in artikel 2:19, tweede lid een weigeringsgrond opgenomen voor het
                    geval de aanvraag wel in behandeling wordt genomen, maar de organisator in
                    gebreke blijft met het aanvullen van gegevens en bescheiden. Gelet op het
                    imperatieve karakter van het tweede lid van artikel 2:19 betekent dit dat de
                    vergunning geweigerd moet worden.</al><tussenkop>Artikel 2:19 Weigeringsgronden </tussenkop><al>In dit artikel zijn de weigeringsgronden opgenomen. </al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat de vergunning in het belang van de openbare
                    orde geweigerd kan worden indien aan de criteria onder a., b. en/of c. is
                    voldaan. Gebruik van het werkwoord "kunnen" geeft aan dat de burgemeester een
                    beoordelingsmarge heeft. Deze kan namelijk weigeren, maar hoeft dit niet. Is
                    voldaan aan één of meer criteria op grond waarvan de vergunning geweigerd kan
                    worden, dan dient een goede belangenafweging plaats te vinden. Het besluit zal
                    dan ook goed gemotiveerd moeten worden. </al><al>De criteria op grond waarvan geweigerd kan worden spreken voor zich. Ook in het
                    kennisgevingstelsel waren de criteria onder a. en b. opgenomen voor het
                    verbieden van een wedstrijd. De weigeringsgrond onder c is toegevoegd. Hiermee
                    is de mogelijkheid geschapen om een vergunning te weigeren indien uit de
                    aanvraag en de daarbij overlegde gegevens en bescheiden reeds blijkt dat een
                    organisator onvoldoende waarborgen kan bieden voor een goed en ordentelijk
                    verloop van de wedstrijd.</al><al>De vergunning kan ook gedeeltelijk geweigerd worden. Zo hoeft niet de gehele
                    vergunning geweigerd worden indien blijkt dat een deel van de aanvraag voor één
                    of meer wedstrijden niet gehonoreerd kan worden. Een gedeeltelijke weigering kan
                    bijvoorbeeld betrekking hebben op de tijd waarop de wedstrijd gespeeld wordt of
                    bij een verzamelvergunning op één of meer wedstrijden.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het bepaalde in dit lid vormt een imperatieve weigeringgrond voor het geval een
                    organisator niet voldoet aan de vereisten voor het indienen van een aanvraag
                    zoals deze worden gesteld in artikel 2:18. Zie ook de toelichting bij artikel
                    2:18.</al><al>Naast het weigeren van de vergunning kan het voorkomen dat zich omstandigheden
                    voordoen die het intrekken van een vergunning noodzakelijk maken. Artikel 1:6
                    van deze verordening biedt hiervoor een grondslag. Uiteraard bestaat ook hier de
                    mogelijkheid om de vergunning gedeeltelijk in te trekken. Gezien de openbare
                    orde problematiek rondom betaald voetbalwedstrijden moge het duidelijk zijn dat
                    vrees voor ernstige verstoring van de openbare orde niet alleen een
                    weigeringgrond maar tevens een intrekkinggrond vormt. Immers openbare orde en
                    veiligheid zijn belangen ter bescherming waarvan het hele vergunningsysteem van
                    deze afdeling in het leven is geroepen. Ook handelen in strijd met de aan de
                    vergunning verbonden voorschriften of beperkingen vormt een intrekkinggrond. Zo
                    kan de vergunning ingetrokken worden indien de organisator zich niet houdt aan
                    de in de vergunning gestelde voorschriften. Een intrekking is zelfs
                    gerechtvaardigd indien het aannemelijk is dat de vergunninghouder zich niet aan
                    de voorschriften zal houden. Ook op grond van gewijzigde omstandigheden en/of
                    onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden kan de vergunning ingetrokken
                    worden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het intrekken van een
                    vergunning voor een aanvankelijk risicoloze wedstrijd, waarvan nadat de
                    vergunning is verleend aannemelijk wordt dat de risico's veel groter zijn dan
                    ten tijde van de vergunningverlening te voorzien was. Op grond van deze nieuwe
                    gegevens en feiten zou bijvoorbeeld een ander veiligheidsplan en/of andere
                    voorschriften aan de vergunning verbonden worden. </al><tussenkop>Artikel 2:20 Bevel politie</tussenkop><al>Deze bepaling verleent de politie de bevoegdheid supporters bevel te geven zich
                    buiten de gemeentegrenzen te begeven, dan wel zich naar een bepaalde plaats
                    (bijvoorbeeld het stadion of een station) te begeven. De politie kan daarbij in
                    het belang van de openbare orde en veiligheid aanwijzingen geven. Deze
                    aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het aangeven dat supporters gebruik
                    moeten maken van een bepaalde route of van voor het vervoer van supporters
                    gereserveerde bussen. Deze bepaling voorziet in een bij de handhaving van de
                    openbare orde gevoelde behoefte, in het bijzonder om supporters die op eigen
                    gelegenheid reizen, dan wel zonder toegangsbewijs voor de wedstrijd naar Utrecht
                    reizen, op ordelijke wijze naar het stadion te begeleiden c.q. bij (dreigende)
                    wanordelijkheden uit de gemeente te verwijderen. Het gaat hier eigenlijk om
                    reeds bestaande bevoegdheden van de politie die zijn gestoeld op de artikelen 2
                    en 12 van de Politiewet. Artikel 2 Politiewet geeft de algemene politietaak
                    weer, waaronder handhaving van de rechtsorde, en op grond van artikel 12
                    Politiewet wordt duidelijk dat hieronder handhaving van de openbare orde
                    begrepen is. Deze bevoegdheid wordt herhaald als van een gemeentelijke
                    strafbepaling zoals artikel 2:20 Apv een aanwijzing, last, bevel of oordeel van
                    een politieambtenaar een element vormt. Het artikel is een aanvulling op artikel
                    184 van het Wetboek van strafrecht. Dit artikel stelt het niet voldoen aan een
                    door of vanwege bevoegd gezag gegeven bevel strafbaar.</al><al>Afdeling 2.8 Toezicht op speelgelegenheden</al><tussenkop>Artikel 2:21 Speelgelegenheden</tussenkop><al>De bepaling beoogt de openbare orde en het woon-/leefklimaat te beschermen en
                    heeft een ruime opzet. Iedere openbare gelegenheid, waarin de mogelijkheid wordt
                    geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen
                    kunnen worden gewonnen of verloren, valt onder het begrip speelgelegenheid. </al><al>Dus ook de inrichtingen waar Golden Ten-achtige spelen worden gespeeld of cafés
                    waar om geld of in geld inwisselbare voorwerpen wordt gekaart, vallen eronder. </al><al>Een belangrijke beperking is echter ingebouwd in het tweede lid. Het verbod
                    geldt alleen voor de 'exploitatie' van een speelgelegenheid en het deelnemen aan
                    spelen aldaar. </al><al>Dat betekent, dat het leggen van een kaartje in een café niet zonder meer
                    verboden is. </al><al>Ook de Holland Casino's en speelautomatenhallen met een vergunning op grond van
                    de Verordening op de speelautomatenhallen zijn van het verbod uitgezonderd. </al><al>De bepaling vult de regeling in de Wet op de kansspelen aan, en wel vanuit een
                    ander motief. De wet heeft namelijk niet tot doel de openbare orde en het woon-
                    en leefklimaat te beschermen, maar de speelzucht te kanaliseren, jeugdigen en
                    sociaal zwakkeren te beschermen en illegaal aanbod met daarmee verbonden
                    criminaliteit als fraude tegen te gaan. </al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Internetgokzuil in inrichting maakt dat er sprake is van speelgelegenheid,
                    burgemeester kan handhavend optreden. ABRS 29-01-2003, 200203981/1, LJN-nr
                    AF3507, Rb Almelo11-03-2002, JG 02.0152 m.nt. T.J. van der Reijt.</al><al>Burgemeester kan bestuursdwang toepassen in geval er sprake is van een
                    speelgelegenheid, in dit geval een illegaal casino, zonder vergunning. Rb
                    Maastricht 07-01-2003, 01/17050 en 01/1751 GMWT I, LJN-nr. AF2782.</al><al>Speelgelegenheid door een vereniging waarvan tegen betaling van een gering
                    bedrag een ieder lid kan worden, heeft geen besloten karakter, burgemeester kan
                    optreden indien er geen vergunning is. Rb Arnhem 17-07-2002, 00/3094 en 00/3095
                    AW, LJN-nr. AF5840.- Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten
                    aangemerkt, dus kan bestuursdwang worden toegepast o.g.v. APV Groesbeek. Rb
                    Arnhem 17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840.</al><al>Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten aangemerkt, dus kan
                    bestuursdwang worden toegepast o.g.v. APV Groesbeek. Rechtbank Arnhem
                    17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840.</al><al>Gelegenheid bieden tot winnen van prijzen en premies middels internetgokzuilen
                    is strafbaar feit, Ec.politierechter Zutphen, 17-05-2002, 06/035799-01, LJN-nr.
                    AE4680 en Rb. Arnhem, ec. kamer, 20-12-2001, 05/087842-00, LJN-nr. AD8104.</al><tussenkop>Lex silencio positivo</tussenkop><al>Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast
                    speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is hoogst onwenselijk als
                    deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets
                    van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo
                    is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals
                    de openbare orde en volksgezondheid. </al><al>Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</al><tussenkop>Artikel 2:22 Speelautomaten</tussenkop><al>In artikel 30c, tweede lid van de Wet op de kansspelen is de verplichting
                    opgenomen om een gemeentelijke verordening op te stellen. In deze verordening
                    moet het maximum aantal kansspelautomaten worden opgenomen, met dien verstande
                    dat er in laagdrempelige inrichtingen géén kansspelautomaten worden toegestaan
                    en in hoogdrempelige inrichtingen twee kansspelautomaten moeten worden
                    toegestaan.</al><al>In het artikel 2:22 wordt het bestaande Utrechtse kansspelautomatenbeleid
                    (2-0-0-beleid) vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 2.22a Spelen om geld</tussenkop><al>Ooit in het leven geroepen met het oog op het balletje-balletje-spel. Het
                    artikel blijft in deze Apv behouden nu de bepaling daadwerkelijk wordt ook
                    toegepast in situaties, waarbij op de openbare plaats steeds meer met geld
                    gespeeld wordt.</al><al>Er wordt vaker gegokt met euro’s, het zogenaamde schuiven/sjoelen met euro’s
                    tegen een muur of wand. Dit spel wordt gespeeld met twee of meer personen en
                    degene die zijn/haar munt het dichtst tegen de muur/wand weet te
                    schuiven/sjoelen, wint de inzet.</al><al>Het spel wordt vaak in groepen gespeeld waarbij veelal overlast wordt
                    ervaren.</al><al>Afdeling 2.9 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</al><tussenkop>Artikel 2:23 Betreden gesloten woning of lokaal</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit ernstige overlast of verstoring van de
                    openbare orde wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de
                    rechtsgevolgen van de sluiting regelt, verdient het aanbeveling dit in de APV te
                    regelen. Het is aan te raden om voor de gevallen waarin de woning niet is
                    verzegeld of de verzegeling reeds verbroken een strafbepaling zoals in het
                    eerste lid van artikel 2:23 op te nemen, waarin een sanctie wordt gesteld op
                    overtreding van het verbod.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid van artikel 2:23 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als
                    in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als
                    bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd,
                    verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid.
                    Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden
                    tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke
                    lokalen. In 2007 is het tweede lid daarop aangepast (ledenbrief
                    Lbr.07/125).</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:23 toegevoegd.
                    Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Veel jurisprudentie over sluiting van drugspanden of voor publiek toegankelijke
                    lokalen staat op de website van het Centrum Criminaliteitspreventie Veiligheid
                    (CCV): www.ccv.nl.</al><tussenkop>Artikel 2:24 Vervoer inbrekerswerktuigen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid beoogt het plegen van (in)braak, diefstal
                    door middel van braak of het wissen van sporen te bemoeilijken. Het plegen van
                    deze feiten wordt vergemakkelijkt door gebruik van de in dit lid genoemde
                    voorwerpen. Met deze bepaling kan preventief worden opgetreden. Het verbod geldt
                    voor de openbare plaats. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Uiteraard is het verbod niet van toepassing indien het in het eerste lid
                    genoemde voorwerp niet voor het plegen van (in)braak, diefstal of het wissen van
                    sporen is bestemd. Aangezien veel voorwerpen als hulpmiddelen zouden kunnen
                    worden beschouwd, waarmee men zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf
                    kan verschaffen, onrechtmatig sluitingen kan openen of verbreken, diefstal door
                    middel van braak vergemakkelijkt kan worden of het maken van sporen voorkomen
                    kan worden, is het niet de bedoeling dat de verdenking van het bezit van een
                    dergelijke voorwerp lichtvaardig of gemakkelijk wordt uitgesproken. Bij de
                    handhaving van deze bepaling zal hier dan ook aandacht aan moeten worden
                    besteed. Het tweede lid is dan ook opgenomen om onterechte inspecties te
                    voorkomen. Dit houdt in dat personen op straat niet preventief op het bezit van
                    dergelijke voorwerpen of hulpmiddelen kunnen worden gecontroleerd, zonder dat
                    daartoe aanleiding is. Alleen als er een gegrond vermoeden bestaat dat een
                    persoon een dergelijk voorwerp bij zich heeft om zich onrechtmatig de toegang
                    tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te
                    verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van
                    sporen te voorkomen, kan controle plaatsvinden. In het proces-verbaal zal
                    vervolgens ook moeten worden opgenomen op basis van welke feiten of
                    omstandigheden de opsporingsambtenaar tot dat vermoeden is gekomen. </al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot
                    bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. HR 07
                    06 1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 (APV
                    Nijmegen)</al><tussenkop>Artikel 2:25 Bezit of vervoer van hulpmiddelen voor winkeldiefstal </tussenkop><al>Zie Gemeenteblad Utrecht 2009, nr. 50 (Verordening tot wijziging van de Algemene
                    Plaatselijke Verordening Utrecht (negende partiële herziening)(raadsbesluit van
                    1 oktober 2009, i.w. 22 oktober 2009)</al><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid beoogt het plegen van winkeldiefstal te
                    bemoeilijken. Winkeldiefstal wordt vergemakkelijkt door gebruik van voorwerpen
                    voorzien van bijvoorbeeld folie (zogenaamde "<cursief>geprepareerde
                        tassen</cursief>") of labelontwaarders waarmee beveiligingspoortjes van
                    winkels en andere beveiligingssystemen worden omzeild. Met deze bepaling kan
                    preventief worden opgetreden. Het verbod geldt voor de openbare weg. In de
                    winkel zelf is het aan de winkelier om de nodige preventieve maatregelen te
                    treffen. Hierbij kan gedacht worden aan tassencontroles, een verbod op het
                    winkelen met dergelijke ("<cursief>geprepareerde</cursief>") voorwerpen (het
                    voorwerp kan men dan bijvoorbeeld achterlaten in speciaal hiervoor ingerichte
                    kluisjes bij de in- en uitgangen van de winkel), of het ontzeggen van de toegang
                    tot de winkel. Deze privaatrechtelijke maatregelen kan iedere winkelier
                    toepassen, waarbij het overgaan tot winkelontzeggingen veelal in overleg met de
                    politie plaatsvindt. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De in het tweede lid 2 genoemde "<cursief>handelingen</cursief>" ziet op
                    voorwerpen, hulpmiddelen met de bedoeling om winkeldiefstal te
                    vergemakkelijken.</al><al>Uiteraard is het verbod niet van toepassing indien het in het eerste lid
                    genoemde voorwerp niet voor het plegen van winkeldiefstal is bestemd. Aangezien
                    veel voorwerpen als hulpmiddelen voor winkeldiefstal zouden kunnen worden
                    beschouwd is het niet de bedoeling dat de verdenking van het bezit van een
                    dergelijke voorwerp lichtvaardig of gemakkelijk wordt uitgesproken. Bij de
                    handhaving van deze bepaling zal hier dan ook aandacht aan moeten worden
                    besteed. Het tweede lid is dan ook opgenomen om onterechte inspecties te
                    voorkomen. Dit houdt in dat personen op straat niet preventief op het bezit van
                    dergelijke voorwerpen of hulpmiddelen kunnen worden gecontroleerd, zonder dat
                    daartoe aanleiding is. Alleen als er een gegrond vermoeden bestaat dat een
                    persoon een dergelijk voorwerp bij zich heeft om hiermee winkeldiefstal te
                    plegen of te vergemakkelijken, kan controle plaatsvinden. In het proces-verbaal
                    zal vervolgens ook moeten worden opgenomen op basis van welke feiten of
                    omstandigheden de opsporingsambtenaar tot dat vermoeden is gekomen.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Het voorstel tot opname van dit artikellid is bij amendement 2009/A027 (
                    Evaluatie verbod op geprepareerde voorwerpen om winkeldiefstal te
                    vergemakkelijken) door de raad op 1 oktober 2009 aangenomen.</al><al>Geconstateerd werd dat het betreffende verbod reeds sinds 2004 in discussie is
                    in de Utrechtse gemeenteraad. In het eerste voorstel werd in de toelichting
                    slechts gesproken over een evaluatie die een jaar na inwerkingtreding gehouden
                    dient te worden.</al><al>In het raadsbesluit van 1 oktober 2009 is overwogen dat het lastig is om na een
                    jaar de effectiviteit van een instrument te toetsen, temeer nu er vooral
                    gediscussieerd is over de effectiviteit van dit instrument.</al><al>Het verbod kan bijdragen aan het tegengaan van winkeldiefstal, doch overbodige
                    regelgeving en ongewenste neveneffecten dienen voorkomen te worden, terwijl
                    effectieve maatregelen tegen criminaliteit juist een plek dienen te hebben.</al><tussenkop>Artikel 2:26 Betreden van plantsoenen e.d.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2:27 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</tussenkop><al>Het eerste lid, onder b is hier met name van belang. Dit onderdeel biedt de
                    mogelijkheid om op te treden tegen personen en groepen die door hun gedrag
                    hinder veroorzaken voor derden. Het artikel is niet bedoeld om op te kunnen
                    treden tegen drugsgebruik op of aan de openbare plaats. Hiervoor is artikel 2:2,
                    eerste lid Apv bruikbaar. Artikel 2:27, eerste lid onder b. Apv ziet meer op
                    passief gedrag dat desalniettemin toch hinderlijk is (zie hierboven ook de
                    toelichting bij artikel 2:2, eerste lid Apv.) Als dit hinderlijke gedrag in een
                    gebied plaatsvindt dat is aangewezen op grond van artikel 2:3, eerste lid kan de
                    persoon in kwestie ook nog eens in aanmerking komen voor een
                    verblijfsontzegging. </al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar,
                    terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf
                    bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen
                    zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker
                    dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor een ieder verboden
                    is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats/publieke ruimte in
                    artikel 2:27 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet
                    1994, (zie daarvoor de toelichting op artikel 1.1). Voor een hinderlijke
                    gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de
                    Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2:27 niet van toepassing. Werd dit niet
                    uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen
                    ontstaan.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>De gemeentelijke wetgever is bevoegd tot aanvulling van de artikel 424 en 426bis
                    WvSr. HR 26 02 1957, NJ 1957, 253 (APV Eindhoven)</al><tussenkop>Artikel 2:28 Hinderlijk drankgebruik</tussenkop><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet
                    toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt
                    alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al>Deze bepaling heeft een relatie met artikel 2:3 (Verblijfsontzegging).</al><al>Optreden tegen hinderlijk drankgebruik is op grond van formele wetgeving
                    uitsluitend mogelijk, indien daadwerkelijk de openbare orde wordt verstoord.
                    Artikel 2:28 Apv biedt de mogelijkheid om op te treden in de "voorfase". In een
                    uitvoeringsbesluit zijn de gebieden aangewezen waarvoor het alcoholverbod geldt.
                    Zo zijn er meerdere gebieden in de stad aangewezen. Bij het aanwijzen van een
                    gebied kan gedacht worden aan de volgende aspecten:</al><lijst><li nr="-"><al>er dient sprake te zijn van structurele forse overlast;</al></li><li nr="-"><al>die al langere tijd speelt (met mogelijk kans op escalatie);</al></li><li nr="-"><al>waarbij een duidelijke relatie is tussen alcohol en overlast en</al></li><li nr="-"><al>een alcoholverbod past binnen een integraal pakket van maatregelen
                            of</al></li><li nr="-"><al>reeds maatregelen in het gebied zijn genomen maar deze niet afdoende
                            blijken en, </al></li><li nr="-"><al>indien van toepassing, personen toegeleid kunnen worden naar zorg en
                            hulpverlening en</al></li><li nr="-"><al>er overeenstemming is bereikt met politie en openbaar ministerie.</al></li></lijst><al>Daarnaast moet een gebiedsaanwijzing niet leiden tot versnippering van
                    aangewezen gebiedjes. Is dit wel het geval dan kan worden besloten dat gebieden
                    die zeer dicht bij elkaar zijn gelegen als één aaneengesloten gebied aan te
                    wijzen. Dit om een kat en muis spel tussen overlastgever en handhaver te
                    voorkomen. </al><al>In gebieden die zowel zijn aangewezen in het kader van dit artikel als in het
                    kader van artikel 2:3, kunnen overtreders van het alcoholverbod niet alleen
                    proces verbaal aan hun broek krijgen op grond van artikel 2:28 Apv, maar aan hen
                    kan tevens een verblijfsontzegging worden opgelegd. </al><tussenkop>Artikel 2:29 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</tussenkop><al>De toevoeging "<cursief>en dergelijke</cursief>" is noodzakelijk om ook tegen
                    hinderlijk gedrag in vergelijkbare situaties (inclusief de begrippen, portiek,
                    poort of bordes) op te kunnen treden, bijvoorbeeld als het gaat om nissen of
                    overkappingen. Hierbij kan gedacht worden aan winkelcentra en sporthallen.</al><al>Zie verder de toelichting bij artikel 2:27 (Hinderlijk gedrag op openbare
                    plaatsen, waaronder óók het begrip overkapping ondergebracht is).</al><al>Toelichting begrippen: portiek = overwelfde ingang; poort = doorgang en bordes =
                    verhoogde stoep.</al><tussenkop>Artikel 2:30 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                    ruimten</tussenkop><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel, passages in winkelcentra, tegen te gaan. In deze
                    bepaling wordt het woord “<cursief>ruimte</cursief>” gebruikt ter onderscheiding
                    van het in de APV voorkomende begrip “<cursief>weg</cursief>”. Om een indicatie
                    te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek
                    toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een
                    aantal ruimten concreet genoemd.</al><al>Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het
                    ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede “<cursief>zonder
                        redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze</cursief>” in de bepaling
                    tot uitdrukking gebracht.</al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de
                    handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen,
                    mede om de eigendommen van derden te beschermen. In de circulaire van de VNG van
                    4 april 1977, OB 1977, IX.0, nr. 38112, wordt ingegaan op deze bepaling.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Artikel 138 Sr. vereist een handeling van een rechthebbende, HR 12 06 1951, NJ
                    1951, 618 Reglement NS, inhoudende een verbod om zich op enig gedeelte van het
                    station onbehoorlijk te gedragen, is noch in strijd met artikel 1 Wetboek van
                    Strafrecht noch met artikel 7 van de Europese conventie voor de rechten van de
                    mens (ECRM), HR 02 04 1985, NJ 1985, 796 (Algemeen reglement vervoer NS). De
                    (min of meer gelijkluidende) bepaling in de APV Amsterdam is verbindend, omdat
                    de norm voldoende is geconcretiseerd, HR 01-09-1998 NJ 1999, 61 (APV
                    Amsterdam).</al><tussenkop>Artikel 2:31 Liggen of slapen op of aan een openbare plaats</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Nut en noodzaak is aanwezig.</al><tussenkop>Artikel 2:32 Neerzetten van fietsen e.d.</tussenkop><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast.</al><al>Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de
                    eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen
                    hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel
                    2:32 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><al>Deze bepaling is een combinatie van het (oude) artikel 44 (Neerzetten van
                    fietsen e.d.) en het (oude) artikel 45a (Hinder van fiets of bromfiets).</al><al>Het college kan middels een aanwijzingsbesluit plaats en termijn bepalen. Dat
                    betekent dat er gedifferentieerder, effectiever en sneller kan worden ingespeeld
                    op behoefte en noodzaak van type handhaving</al><tussenkop>Artikel 2:33 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                    e.d.</tussenkop><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht.</al><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen
                    worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van
                    het terrein worden kenbaar gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 2:34 Bespieden van personen</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren
                    verstoring van de privacy te verbieden en kan worden opgetreden tegen voyeurs.
                    Toepassing van het artikel zal alleen in excessieve situaties plaatsvinden. Het
                    artikel kan worden beschouwd als een aanvulling op het bepaalde inzake stalking
                    zoals neergelegd in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Door in het
                    tweede lid het woord camera te vervangen door enig ander optisch instrument
                    wordt de reikwijdte van de bepaling ruimer. Ten aanzien van heimelijk
                    afluisteren is het een en ander geregeld in de artikelen 139a e.v., 374bis en
                    441a van het Wetboek van Strafrecht.</al><tussenkop>Artikel 2:35 Loslopende honden</tussenkop><al>Artikel 2:35 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond
                    aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn
                    algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten
                    grondslag.</al><al>Eerste lid, onder c.: de zinsnede "<cursief>een ander aangebracht
                        identificatiekenmerk, die de eigenaar of houder duidelijk doet
                        kennen</cursief>". Hieronder vallen dus ook gechipte honden.</al><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><lijst><li nr="∙"><al>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in
                            gevaar kan worden gebracht;</al></li><li nr="∙"><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al></li><li nr="∙"><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al></li><li nr="∙"><al>het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden,
                            zandbakken, e.d.);</al></li><li nr="∙"><al>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                            loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar
                            het leven staan.</al></li></lijst><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden
                    aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de
                    honden gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college
                    aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te
                    achterhalen is.</al><al>Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het
                    eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden
                    en katten op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf van de eigenaar of
                    houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4 bepaalt
                    dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten van een en ander
                    en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien dagen na de datum
                    van het bericht op te halen. Het ter plaatse doden van loslopende honden en
                    katten is geregeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet op de
                    dierenbescherming.</al><al>De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt
                    in twee opzichten beperkt:</al><lijst><li nr="1."><al>De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven
                            of in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst
                            is.</al></li><li nr="2."><al>Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste
                            staan.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie
                            en de door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren
                            van politie.</al></li></lijst><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                    vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente
                    moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging
                    van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven
                    door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de
                    kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is
                    de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                    mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken.
                    De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging
                    onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige
                    redenen is vereist.</al><al>Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier
                    niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even
                    verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een “<cursief>gevonden
                        dier</cursief>”.</al><al>Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend bedoeld. De
                    gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het
                    geheel niet regelen.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op de
                    geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz. ABRS 13-12-1996, JG
                    97.0050.</al><al>Het college dient het onaangelijnd zijn van de hond te gedogen in verband met de
                    functie van de hond als signaal- of dovengeleidehond. Vz. ARRS 20-07-1993, JG
                    94.0055 , AB 1994, 454.</al><tussenkop>Artikel 2:36 Verontreiniging door honden</tussenkop><al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid.</al><al>De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd.
                    Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te
                    pakken. Een goed overzicht van mogelijke maatregelen en een goed overzicht van
                    literatuur op dit terrein is te vinden in de publicatie “Gemeentelijk
                    hondenbeleid. Een handleiding ter bestrijding van de overlast door hondenpoep in
                    Nederland” van het Multidisciplinair onderzoeksinstituut in Utrecht.</al><al>Al zal de handhaving (betrapping op heterdaad) niet meevallen, het is te hopen
                    dat er op den duur preventieve invloed van deze bepaling uit zal gaan
                    .Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot
                    de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de
                    politie.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op de
                    geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz.ABRS 13 12 1996, JG
                    97.0050 .</al><tussenkop>Artikel 2:37 Gevaarlijke honden</tussenkop><al>Per 1 januari 2009 is de Regeling Agressieve Dieren (RAD) ingetrokken. Met deze
                    regeling werd, kort samengevat, bepaald dat het houden, fokken of verhandelen
                    van pitbullterriërs was verboden. Op grond van de RAD en de artikelen 73 en 74
                    van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren kon de burgemeester opdracht
                    geven een pitbulterriër in beslag te nemen en uiteindelijk af te maken. De
                    intrekking van de RAD is dus alleen van betekenis voor pitbullterriërs.</al><al>Aan de regelgeving voor alle andere honden is niets veranderd. Desondanks heeft
                    de intrekking van de RAD geleid tot vragen over de mogelijkheden van gemeenten
                    om op te treden bij bijtincidenten. Hieronder worden kort de achtergronden van
                    de intrekking van de RAD geschetst en tevens een beknopt overzicht gegeven van
                    de mogelijkheden tot handhaving.</al><al>Tot slot wordt ingegaan op de noodzakelijke aanpassing van de model APV en de
                    mogelijkheid om beleidsregels vast te stellen.</al><tussenkop>Redenen voor de intrekking van de RAD</tussenkop><al>De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft in 2007 een
                    commissie van wijzen opdracht gegeven onderzoek te doen naar de effectiviteit
                    van de RAD. In mei 2008 heeft de commissie haar rapport uitgebracht.</al><al>De voornaamste conclusies waren dat de RAD als unfair werd gezien omdat een
                    pitbullterriër die niet bij enig bijtincident betrokken was enkel op grond van
                    uiterlijke kenmerken kon worden afgemaakt, terwijl dat voor een ander type hond
                    niet gold. Ook was de RAD niet aantoonbaar effectief. Het aantal bijtincidenten
                    nam niet af, noch bij pitbullterriërs, noch bij andere honden.</al><tussenkop>Geen vervangende regeling</tussenkop><al>Aanvankelijk heeft de minister van LNV voorgesteld om na het intrekken van de
                    RAD een</al><al>vervangende regeling vast te stellen, waarbij alle honden die agressief gedrag
                    vertoonden een verplichte gedragstest kon worden afgenomen.</al><al>Daarvan is mede op basis van overleg met de Tweede Kamer, het Openbaar
                    Ministerie en de VNG afgezien, met name vanwege twijfels over de
                    handhaafbaarheid van de voorgestelde regeling. Anderzijds had het OM wel graag
                    nieuwe criteria gezien waaraan de eigenaars van bijvoorbeeld pitbulls,
                    dobermannpinchers en rottweilers moeten voldoen. In sommige landen is voor
                    eigenaars van deze honden bijvoorbeeld het volgen van een cursus of het
                    afsluiten een WA-verzekering verplicht <sup>1</sup>)</al><al><sup>1</sup>) Handhavingkrant (als bijlage bij het blad Binnenlands Bestuur) van
                    maart 2009. Te vinden op de website van het servicecentrum van het Ministerie
                    van Justitie:</al><al>www.servicecentrumhandhaving.nl/Handhavingskrant/Handhavingskrant/index.aspx)</al><tussenkop>Handhaving bij bijtincidenten</tussenkop><al>Artikel 74 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren ziet alleen op soorten
                    en categorieën van dieren die door de Minister van LNV zijn aangewezen.
                    Pitbulterriërs waren door de minister aangewezen in de RAD. Met het wegvallen
                    van de RAD kan de burgemeester zich dan ook niet meer beroepen op artikel 74
                    Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bij het in beslag laten nemen en
                    eventueel laten afmaken van pitbullterriërs. Bij de aanpak van bijtincidenten
                    met honden staat de overheid wel een aantal andere wettelijke instrumenten ter
                    beschikking.</al><tussenkop>Wetboek van Strafrecht</tussenkop><al>Het Openbaar Ministerie kan in een aantal gevallen optreden op grond van het
                    Wetboek van Strafrecht (Sr):</al><al>Artikel 425, eerste lid Sr stelt het aanhitsen van een dier of het niet
                    terughouden van een aanvallend dier strafbaar. De eigenaar kan worden vervolgd
                    en het dier kan in beslag worden genomen.</al><al>Artikel 300 Sr is van toepassing als een hond een mens aanvalt en verwondt. In
                    dit artikel worden eenvoudige mishandeling en zwaardere vormen van mishandeling
                    strafbaar gesteld.</al><al>Artikel 350 Sr stelt onder meer het opzettelijk en wederrechtelijk doden of
                    verwonden van een dier van een ander strafbaar. Dit artikel kan van toepassing
                    zijn als een hond een ander dier aanvalt.</al><tussenkop>Algemene Plaatselijke Verordening (Apv)</tussenkop><al>In de VNG model-APV (artikel 2:59) en in de meeste gemeentelijke Apv’s zijn
                    bepalingen opgenomen op grond waarvan het college de eigenaar van een hond kan
                    opdragen de hond kort aangelijnd te houden en/of de hond een muilkorf te laten
                    dragen.</al><al>Als dit besluit wordt genegeerd kan daartegen bestuursrechtelijk worden
                    opgetreden met bestuursdwang of dwangsom.</al><al>Zowel een aanlijn- of muilkorfgebod als de daarop volgende bestuursrechtelijke
                    handhavingsmaatregelen zijn besluiten in de zin van de Algemene wet
                    bestuursrecht, waartegen bezwaar en beroep openstaat.</al><tussenkop>Gemeentewet</tussenkop><al>Op grond van artikel 172, derde lid van de Gemeentewet kan de burgemeester bij
                    verstoring van de openbare orde of ernstige vrees daarvoor de maatregelen
                    bevelen die hij of zij noodzakelijk acht. Dat kan in voorkomende gevallen ook
                    betekenen dat in reactie op een bijtincident een hond in beslag wordt genomen.
                    Toepassing van artikel 172, derde lid Gemeentewet bij bijtincidenten komt niet
                    vaak voor.</al><al>Uit de literatuur is één uitspraak bekend (President Rechtbank Zwolle, 3 maart
                    1995, Gemeentestem 1995 nr. 7028 p. 169-173 met naschrift Hennekens).</al><al>Voor toepassing van artikel 172, derde lid Gemeentewet is in de eerste plaats
                    noodzakelijk dat er daadwerkelijk sprake is van een verstoring van de openbare
                    orde of ernstige vrees daarvoor. In de zaak die voor de president van de
                    Rechtbank Zwolle rechter werd gebracht hadden de honden in de ogen van de
                    rechter zoveel onrust in de wijk veroorzaakt dat de burgemeester zich op dat
                    standpunt kon stellen.</al><al>Daarnaast dient evenredigheid te bestaan tussen het bevel van de burgemeester en
                    de verstoring van de openbare orde. Dat betekent in de praktijk dat toepassing
                    van artikel 172, derde lid Gemeentewet pas aan de orde is als de beschikbare
                    middelen van de APV (korte lijn en muilkorf) niet toereikend zijn of geen recht
                    doen aan de ernst van het incident. Daarbij heeft de burgemeester een zekere
                    beoordelingsruimte.</al><tussenkop>Aanpassing Apv en opstellen protocol</tussenkop><al>De intrekking van de RAD maakt een kleine wijziging van de Apv noodzakelijk. In
                    de model-APV werd op twee plaatsen verwezen naar de RAD (artikel 2:59 derde lid
                    onder a., en artikel 2:59 vierde lid). Artikel 2:59, vierde lid is door het
                    intrekken van de RAD betekenisloos geworden en kan zonder meer worden geschrapt.
                    In artikel 2:59 derde lid onder a werd verwezen naar de definitie van muilkorf
                    in de RAD. Gemeenten die hun Apv aanpassen kunnen overwegen om de definitie uit
                    de RAD in hun Apv op te nemen. Zie artikel 2:37, lid 3a Apv (Utrecht). In de
                    tussentijd kan de definitie worden opgenomen in individuele besluiten waarbij
                    een muilkorfplicht wordt opgelegd.</al><al>De muilkorf werd in de RAD gedefinieerd als:</al><al>een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide
                    stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is
                    aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die
                    zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de
                    afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat
                    geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;</al><al>Tenslotte kan de gemeente overwegen om beleidsregels op te stellen, waarin wordt
                    vastgelegd hoe er bij bijtincidenten zal worden opgetreden. Met name de gemeente
                    Assen heeft een dergelijk protocol opgesteld (beschikbaar op de website van de
                    gemeente Assen: www.assen.nl/smartsite16346.htm).</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden. Politierapport en vonnis
                    kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt dat honden gevaarlijk zijn en
                    de te treffen maatregelen. ARRS 05 02 1991, Gst. 1991, 6932, 13 m.nt. CG.</al><al>Gevecht tussen niet-gemuilkorfde pitbullterriërs en een andere hond, waarbij een
                    hond is overleden en een omwonende is aangevallen. De burgemeester heeft in
                    redelijkheid het zwaarste gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van de
                    veiligheid van mens en dier in de gemeente en besloten tot het doden van de
                    pitbulls op grond van artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet. Vz.CBB 24-5-1993,
                    AB 1993, 460.</al><al>Een soortgelijke casus is te vinden in Pres. Rb Zwolle 3-3-1995, JG 95.0307,
                    Gst. 1996, 7028 m.nt. HH. Artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is
                    een speciale bevoegdheid ten opzichte van artikel 172 Gemeentewet.</al><al>Muilkorfgebod op grond van de APV voor Argentijnse Dog na bijtincident met
                    dodelijke afloop voor andere hond. Het college heeft bij het opleggen van een
                    dergelijke maatregel een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig.
                    Vz.ABRS 22-05-2001, KG 2001,179, JG 01.0139 m.nt. M. Geertsema.</al><tussenkop>Artikel 2:38 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</tussenkop><al>Door in het tweede lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Het (oude) vierde lid is daarmee vervallen.</al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Artikel 41a
                    (oud) Hinderlijke dieren is thans opgenomen (samengevoegd met artikel 2:38) ) in
                    het eerste lid van artikel 2:38 (nieuw). Er moet kunnen worden ingegrepen als
                    overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen
                    worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd
                    wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden
                    van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor
                    het college bij een aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente
                    bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van
                    dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in
                    artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de
                    Flora en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van
                    dieren.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Houden van duiven hinderlijk binnen de bebouwde kom. Beroep op het
                    gelijkheidsbeginsel faalt. ARRS 28 02 1990, JG 91.0031.</al><al>Aanschrijving tot verplaatsing van een hok van een haan die geluidsoverlast
                    veroorzaakt. Nader onderzoek van het college verlangd. ARRS 26 02-1991, Gst.
                    1991, 6962, 3 m.nt. JMK, JG 91.0382 m.nt. L.J.J. Rogier.</al><al>Aanschrijving verwijdering pluimvee in verband met overlast omwonenden. Vz.ARRS
                    02 06 1991, JG 92.0007, AB 1991, 686 m.nt. JHvdV.</al><al>Aanschrijving tot verwijdering van kraaiende haan terecht. De door het college
                    gehanteerde methode van geluidmeting is niet onredelijk. ARRS 09 04 1992, JG
                    92.0401 , GO 1992, 3, GO 1994, 2 m.nt. L.F.D, AB 1992, 583 m.nt RMvM, TMR 1994,
                    9 m.nt. RJdH.</al><al>Overlast van een papegaai. Onvoldoende onderzoek naar de klacht. ARRS 22 12
                    1993, JG 93.0137 m.nt. A.B. Engberts.</al><al>Aanschrijving tot verwijdering overlastgevende hanen en kippen. Relatie
                    Hinderwet en Hinderbesluit. ABRS 31 08 1995, JG 96.0005, MenR 1996, 60.</al><al>Aanschrijving tot verwijdering paard in verband met overlast omwonenden terecht.
                    Klachten van omwonenden, onderzoek van bouw- en woningtoezicht en proces-verbaal
                    van politie geeft voldoende feitelijke onderbouwing. ABRS 03-07-1999, JG 99.0003
                    m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al><al>Artikel 2.4.20 (oud, nu 2:60) en 2.4.24 (oud, nu 2:64, bijen) kunnen in sommige
                    situaties beide worden toegepast. Artikel 2.4.24 (oud) fungeert niet als lex
                    specialis ten opzichte van artikel 2.4.20 (oud). ABRS 02-06-1997, JG 99.0005
                    m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al><al>Zonder aanwijzing van het college kan artikel 2.4.20 geen grondslag bieden voor
                    de toepassing van bestuursdwang. ABRS 17-10-2001, JG 02.0025, art. 2-4-20-, art.
                    4-1-7b- m.nt. M. Geertsema.</al><al>Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren (artikel 2.4.20 oud).
                    Geluidhinder door dieren (zie voorbeeldbepaling 4:5b model-APV). Ernstige
                    geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het schoonhouden en wellicht bijvullen
                    van een kikkerpoel zal de aanwezigheid van kikkers mogelijk bevorderen, maar dit
                    is onvoldoende om te concluderen dat de buurman kikkers houdt (op grond van
                    artikel 2.4.20 oud) en er de zorg voor heeft. Bij de besluitvorming is terecht
                    rekening gehouden met het feit dat de eiser in het buitengebied woont en het
                    gekwaak van kikkers tot gebiedseigen geluiden moet worden gerekend. Rb.
                    's-Hertogenbosch, nr.AWB 99/6873 GEMWT, LJN-nr. AD4783.</al><al><vet>Verbod voeren van dieren</vet> (artikel 55a oud, vervallen)</al><al>Deze bepaling is niet geregeld in de model APV. Het artikel is geschrapt. Er
                    zijn door het college geen gebieden aangewezen waar het verboden is dieren te
                    voeren. Er vindt (dus ook) geen handhaving plaats. </al><al>Er wordt niet gereguleerd op incidenten hetgeen destijds de reden is geweest om
                    deze bepaling (Raadsbesluit 10-01-2008) in de APV Utrecht op te nemen
                    (regelreflex).</al><al>Er zijn andere instrumenten denkbaar om onhygiënische toestanden aan te pakken;
                    daar waar woongenot en leefbaarheid in het geding zijn, ligt er ook een taak
                    voor bijv. wooncorporaties. Zie bijv. gemeente Helmond.</al><al>Afdeling 2.10 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</al><tussenkop>Artikel 2:39 Begripsbepaling</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (artikel 62 oud, vervallen)</al><al>Het oude artikel 62 is nu opgenomen in artikel 2:40, onder d.</al><al>De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk
                    aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden.</al><al>Het Wetboek van strafrecht (WvSr.). bevat enkele bepalingen die de bestrijding
                    van heling op het oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437,
                    437bis, 437ter en 437quater. Het binnentreden bij handelaren is - ook zonder dat
                    een strafbaar feit wordt vermoed - te allen tijde mogelijk op basis van artikel
                    552 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al>De in artikel 141 WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te
                    oefenen vrije toegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan
                    redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt.
                    Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de
                    Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen.</al><tussenkop>De politie kan voorwerpen in beslag nemen</tussenkop><al>Op grond van artikel 142 WvSv kunnen toezichthouders als buitengewone
                    opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover meer in de toelichting bij hoofdstuk
                    6.</al><al>Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor
                    buitengewone opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als
                    bedoeld in artikel 141 WvSv, bij de controle op de naleving van voorschriften
                    inzake de helingbestrijding in het algemeen geen plaats. De in artikel 552 WvSv
                    neergelegde binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene
                    opsporingsambtenaren.</al><al>Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat
                    bekend is, welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Zij dienen dan
                    ook aan de verplichting ex artikel 437ter, tweede lid, WvSr om zich schriftelijk
                    aan te melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar te
                    voldoen.</al><tussenkop>Handelaar</tussenkop><al>Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste
                    lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van
                    dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                    Strafrecht, KB 06-01-1992).</al><al>Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in
                    gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken,
                    kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto, film, radio,
                    en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder
                    “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren in
                    antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.</al><tussenkop>Artikel 2:40 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                    van Strafrecht</tussenkop><al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor
                    heling beogen te voorkomen.</al><al>Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht, maar er is getracht een
                    overzichtelijker artikel te formuleren, dat kort en bondig is geformuleerd. Het
                    voorheen gehanteerde begrip “lokaliteit” is vervangen door
                        “<cursief>vestiging</cursief>”. Daarnaast is het oude artikel 62 (2:40) in
                    dit artikel geïntegreerd.</al><tussenkop>Onder a.</tussenkop><tussenkop>Ten eerste</tussenkop><al>Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de
                    burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te
                    stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De
                    aanmeldingsplicht is in onderdeel a, sub 1, nader uitgewerkt.</al><tussenkop>Ten tweede en derde</tussenkop><al>Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient
                    de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de
                    registratie van de handelaren up to date houden.</al><tussenkop>Ten vierde</tussenkop><al>Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar
                    wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling
                    ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is
                    het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet
                    in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv.</al><tussenkop>Onder b.</tussenkop><al>In artikel 437, eerste lid, onder c., van het WvSr wordt aan de daartoe
                    aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het
                    inkoopregister. </al><tussenkop>Onder d.</tussenkop><al>Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende
                    de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:40,
                    onder d, voorziet hierin.</al><al>De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder
                    d en f, WvSr.</al><al>Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de
                    burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of
                    niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen,
                    strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie dagen,
                    zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.</al><tussenkop>Artikel 2:41 Verkoop van fietsen e.d. op een openbare plaats</tussenkop><al>De verbodsbepaling is noodzakelijk in verband met helingbestrijding.</al><al>Tekstuele wijziging: het begrip 'scooter' is vervangen door "<cursief>en
                        dergelijke voertuigen</cursief>", aangezien een scooter een bromfietstype is
                    en dus onder het begrip "<cursief>bromfiets</cursief>" valt.</al><al>Afdeling 2.11 Vuurwerk</al><tussenkop>Artikel 2:42 Begripsbepaling consumentenvuurwerk</tussenkop><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari
                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                    vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). </al><al>Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel vervaardigen
                    of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van
                    vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde vervoershandelingen met
                    vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter
                    uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).</al><al>Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als
                    professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze
                    afdeling niet relevant.</al><tussenkop>Definitie consumentenvuurwerk</tussenkop><al>Voor de omschrijving van het begrip “<cursief>consumentenvuurwerk</cursief>” is
                    aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit.
                    Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd:
                        “<cursief>vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik</cursief>”
                    (artikel 1.1.1., eerste lid). Consumentenvuurwerk dient te voldoen aan
                    welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de Regeling Nadere
                    eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</al><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is
                    voor particulier gebruik -aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit-
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier;</al></li><li nr="b."><al>het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan,
                            gekocht of besteld door een particulier;</al></li><li nr="c."><al>het aangetroffen wordt bij een particulier;</al></li><li nr="d."><al>het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden
                            wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te
                            stellen of</al></li><li nr="e."><al>het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier
                            gebruik.</al></li></lijst><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="∙"><al>vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed,
                            zoals klappertjes voor speelgoedpistolen;</al></li><li nr="∙"><al>vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een
                            bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer
                            is;</al></li><li nr="∙"><al>vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of
                            vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in
                            Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander
                            zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig.</al></li></lijst><tussenkop>Fop- en schertsvuurwerk</tussenkop><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al><tussenkop>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling</tussenkop><al>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk
                    tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><lijst><li nr="∙"><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                            particulier (artikel 2.3.2, eerste lid);</al></li><li nr="∙"><al>dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat
                            als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag
                            geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen
                            dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2, tweede lid);</al></li><li nr="∙"><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3);</al></li><li nr="∙"><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4);</al></li><li nr="∙"><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel
                            2.3.5);</al></li><li nr="∙"><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6).</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2:43 Afleveren van vuurwerk</tussenkop><tussenkop>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</tussenkop><al>Op basis van artikel 2:43 van de APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk
                    tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. </al><al>De verkoopvergunning wordt voor onbepaalde tijd verleend.</al><al>Algemene weigeringsgronden zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de
                    openbare orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming
                    van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door
                    overlast dreigt te worden aangetast. De vergunning kan daarom worden geweigerd
                    als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen,
                    bejaardentehuizen en dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van
                    handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan
                    de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is
                    wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Zie daarvoor artikel 1:4
                    en het commentaar daarbij.</al><al>De verkoopvergunning wordt door veel gemeenten gebruikt om, naast het uitsluiten
                    via het bestemmingsplan of algemene beleidsregels, een spreidingsbeleid van
                    verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten en bijbehorende opslag te
                    reguleren. Ondanks het feit dat aan een dergelijke opslag de nodige
                    voorschriften zijn verbonden zal het toestaan van dergelijke opslagplaatsen in
                    bijvoorbeeld woonwijken voor de nodige maatschappelijke onrust zorgen, is
                    bereikbaarheid bij calamiteiten een belangrijk aspect en dient tevens gelet te
                    worden op de verkeersaantrekkende werking. Het Vuurwerkbesluit regelt enkel
                    milieutechnische eisen waar een opslag aan moet voldoen en laat de mogelijkheid
                    open een milieuvergunning aan te vragen bij de provincie voor 10.000 kilo en
                    meer opslagen. Hierbij kan voorbij gegaan worden aan de gemeente.</al><al>Een gemeente kan voor de verkoop van consumentenvuurwerk beleidsregels
                    vaststellen. De beleidsregels moeten gebaseerd zijn op dwingende redenen van
                    algemeen belang, waartoe behoren de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid en het milieu. Afhankelijk van de lokale situatie kunnen
                    bijvoorbeeld de volgende beleidsuitgangspunten worden opgenomen:</al><lijst><li nr="∙"><al>het vaststellen van een maximum aantal verkooppunten in de gemeente,
                            bijvoorbeeld gerelateerd aan inwoneraantal of spreiding over
                            kernen;</al></li><li nr="∙"><al>het vaststellen van een maximaal aantal verkooppunten in het
                            centrum(gebied);</al></li><li nr="∙"><al>de onderlinge afstand tussen verkooppunten;</al></li><li nr="∙"><al>het uitsluiten van verkooppunten die gelegen zijn in de nabijheid van
                            bijvoorbeeld ziekenhuizen, bejaardentehuizen, dierenasiels,
                            tankstations, (afsluitbare) winkelcentra enz.</al></li><li nr="∙"><al>In de beleidsregels zou kunnen worden vastgesteld dat bij de beoordeling
                            van een vergunningaanvraag rekening wordt gehouden met eerdere
                            resultaten van controles door politie, brandweer, afdeling milieu van de
                            betreffende gemeente of milieudienst.</al></li></lijst><tussenkop>Koopzondag</tussenkop><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op
                    artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag.
                    Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in
                    die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de
                    gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</al><tussenkop>Lex silencio positivo</tussenkop><al>Het toepassen van de lex silencio is mogelijk om de volgende redenen:</al><al>Het gaat om eenvoudig algemeen te formuleren algemene voorwaarden en regels én
                    de technische eisen staan beschreven in het Vuurwerkbesluit én het gaat meestal
                    om steeds dezelfde vergunningaanvragers. Verder spelen de activiteiten rond een
                    éénduidig bepaalde periode (jaareinde) en kan de gemeente de besluitvorming rond
                    de aanvragen goed en strak plannen.</al><tussenkop>Artikel 2:44 Bezigen van vuurwerk</tussenkop><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</al><al>Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                    zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar
                    moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met
                    rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is.</al><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Voorlopige voorziening. Verbod om vuurwerk op oudejaarsdag tussen 10.00 en 22.00
                    uur af te steken in de directe nabijheid van een verkooppunt op een
                    bedrijventerrein. Publiek aangekondigde sierdemonstraties, aanzuigende werking
                    van de voorgenomen demonstraties op het daarin geïnteresseerde publiek, directe
                    nabijheid van een grootschalige vuurwerkopslagplaats, gespannen sfeer tussen
                    verzoekers en van omliggende bedrijven, waaronder een verkooppunt van
                    brandstoffen, feit van algemene bekendheid dat verkoop van vuurwerk leidt tot
                    het afsteken van een deel daarvan in de nabijheid van dat verkooppunt.
                    Afsteekverbod kan in rechte stand houden. Rb. Leeuwarden 27-12-2001, 01/1133
                    GEMWT, LJN-nr. AD7648.</al><al>Afdeling 2.12 Drugsoverlast</al><tussenkop>Artikel 2:45 Handel in verdovende middelen</tussenkop><tussenkop>Afbakening met de Opiumwet</tussenkop><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage
                        “<cursief>onverminderd het bepaalde in de Opiumwet</cursief>” opgenomen. De
                    Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de
                    verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I
                        (“<cursief>harddrugs</cursief>”) en II (“<cursief>softdrugs</cursief>”) die
                    behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken,
                    te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en
                    aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan aantasting
                    van de openbare orde en overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om
                    hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te
                    nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en het woon- en
                    leefklimaat, alsmede het voorkomen van strafbare feiten tot doel heeft.</al><tussenkop>Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid</tussenkop><al>Artikel 2:45 is opgenomen om de aantasting van de openbare orde te voorkomen en
                    de overlast, die gepaard gaat met drugshandel op straat, tegen te gaan. </al><al>De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Dit
                    is zeker het geval bij harddrugs. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk
                    in de APV een bepaling op te nemen.</al><al>In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars
                        (“<cursief>drugsrunners</cursief>”) strafbaar gesteld. </al><al>Het verbod betreft het zich bevinden op of aan de openbare plaats met het
                    kennelijk doel verdovende middelen te verkopen. Hiertoe is het geen vereiste dat
                    de persoon bij controle ook daadwerkelijk verdovende middelen in zijn bezit
                    heeft. Wel noodzakelijk is dat uit een combinatie van feiten, handelingen en/of
                    omstandigheden kan worden opgemaakt dat de persoon zich ter plaatse op de
                    openbare plaats bevindt teneinde verdovende middelen te verhandelen. </al><al>Drugshandel kan op de openbare plaats als op het openbaar water worden
                    aangepakt.</al><al>Steeds meer gemeenten hebben in de afgelopen jaren een coffeeshopbeleid (inzake
                    de verkoop van softdrugs)vastgesteld. Onderdeel van een coffeeshopbeleid
                    -ongeacht de vraag of er in een gemeente al dan niet coffeeshops worden
                    toegestaan- moet zijn dat de handel op straat wordt bestreden. Dergelijke handel
                    is immers een gevaar voor de beoogde scheiding van de hard- en
                    softdrugmarkten.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg in de
                    APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en strafbare
                    feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere gedragingen dan
                    strafbaar gesteld in de Opiumwet. HR 17-11-1992, NJ 1993, 409, JG 94.0005 m.nt.
                    A.B. Engberts. </al><al>Afdeling 2.13 Voor publiekopenstaande gebouwen</al><tussenkop>Artikel 2:46 Sluiting van voor het publiek openstaande
                    gebouwen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Artikel 174 van de Gemeentewet geeft de burgemeester de mogelijkheid over te
                    gaan tot sluiting indien sprake is van een ordeverstoring die concreet
                    voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de ordelijke gang van zaken,
                    waartegen onmiddellijk moet worden opgetreden. De sluiting kan dan slechts van
                    korte duur zijn.</al><al>Soms is een langere sluiting wenselijk en ontbreekt het de burgemeester de
                    bevoegdheid tot langere sluiting op grond van artikel 174 Gemeentewet. Artikel
                    2:46 voorziet hierin; in de APV's van de andere grote steden is een artikel als
                    het voorliggende 2:46 opgenomen. Met deze sluitingsmogelijkheid heeft de
                    burgemeester ook een extra instrument bij de aanpak van bijv. heling.</al><al>De burgemeester kan met behulp van artikel 2:46 gericht optreden tegen
                    bijvoorbeeld winkeliers die overlast (blijven) veroorzaken. De voorgestelde
                    wijziging van artikel 2:46 geeft de burgmeester de bevoegdheid om desgewenst
                    over te gaan tot sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen (niet zijnde
                    horecabedrijven) die binnen een bepaald gebied liggen (bijvoorbeeld een straat,
                    enkele straten of een wijk). Deze bevoegdheid kan worden gebruikt in een gebied
                    waar reeds een grote druk bestaat op de openbare orde, veiligheid, gezondheid of
                    zedelijkheid, die niet alleen veroorzaakt wordt door de in het gebied aanwezige
                    voor het publiek openstaande gebouwen, maar waarvoor meerdere oorzaken zijn aan
                    te wijzen. In een dergelijk gebied wordt veel van omwonenden verlangd, waarbij
                    het zo kan zijn dan op enig moment de belangen van anderen moeten wijken voor de
                    belangen van de bewoners. In het aangewezen gebied kan de beperkende maatregel
                    zowel bestaande als nieuw te vestigen voor het publiek openstaande gebouwen
                    betreffen.</al><al>De burgemeester zal o.a. tot het oordeel kunnen komen dat sluiting noodzakelijk
                    is indien een van de volgende situaties zich voordoet:</al><lijst><li nr="a."><al>indien aannemelijk is, dat in of vanuit het voor het publiek openstaand
                            gebouw activiteiten plaatsvinden, die een gevaar opleveren voor de
                            openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in
                            de omgeving van het voor het publiek openstaand gebouw</al></li><li nr="b."><al>indien in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw strafbare
                            feiten worden gepleegd, die een gevaar opleveren voor de openbare orde
                            of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving
                            van het voor het publiek openstaand gebouw;</al></li><li nr="c."><al>indien zich in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw
                            anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het
                            geopend blijven van het voor het publiek openstaand gebouw gevaar
                            oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of
                            leefklimaat in de omgeving van het voor publiek openstaand gebouw.</al></li></lijst><al>Op grond van dit artikel is de burgemeester bevoegd om voor het publiek
                    openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven en/of de voor het publiek
                    openstaande gebouwen in een bepaald gebied voor langere duur te sluiten. De
                    sluitingsbepaling laat een zekere beoordelingsmarge. Het ligt niet in de rede
                    gebruik te maken van een zware maatregel als sluiting indien er sprake is van
                    een marginale overtreding van de voorschriften. Een sluiting moet voldoen aan de
                    eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.</al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Bij voor publiek openstaande gebouwen kan men denken aan openbare gedeelten van
                    winkels, bedrijven voor handelsdoeleinden, belwinkels, avondkappers,
                    uitzendbureaus, bioscopen, musea, theaters. Ook cafés, disco's, hotels,
                    restaurants, seksinrichtingen, coffeeshops en horecaboten vallen hieronder, maar
                    zover de mogelijkheid tot sluiting daarvan elders is geregeld, is dit artikel op
                    deze gebouwen niet van toepassing (zie ook toelichting op zesde lid
                    hieronder).</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Sluiting op grond van dit artikel zal veelal ook ten doel hebben de gang van
                    bezoekers te doorbreken. Bekendmaking is dan noodzaak.</al><al><vet>Zesde lid</vet></al><al>Dit artikel geldt niet voor de sluiting van seksinrichtingen en horecabedrijven.
                    Daarvoor gelden afzonderlijke regels in respectievelijk hoofdstuk 3 van de
                    Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 en de Horecaverordening Utrecht
                    2004.Met dit artikel kan tevens niet in dezelfde situaties opgetreden worden als
                    waarvoor artikel 13b Opiumwet is bedoeld. De burgemeester is op grond van
                    artikel 13b Opiumwet bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang
                    indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen
                    behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht,
                    afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 3 Seksinrichting e.d.</tussenkop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><tussenkop>Historie </tussenkop><al>Per 1 oktober 2000 is het zogenaamde "bordeelverbod" opgeheven en is een
                    vergunningstelsel voor seksinrichtingen en escortbedrijven in de APV van Utrecht
                    in het leven geroepen. Op grond van artikel 273f van het Wetboek van strafrecht
                    is het exploiteren van prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts
                    in bepaalde omstandigheden strafbaar, bijvoorbeeld als het gaat om
                    minderjarigen, gedwongen prostitutie, mensenhandel e.d. Over de vormen van
                    exploitatie van prostitutie die niet langer strafbaar zijn, is op dit moment nog
                    geen nadere formele wetgeving vastgesteld. Wel zal (zover de planning nu is in
                    2014) de Prostitutiewet in werking treden. Wij hebben in dit gewijzigde
                    hoofdstuk van de APV al zoveel mogelijk rekening gehouden met deze
                    Prostitutiewet. </al><al>Naar aanleiding van signalen van mensenhandel in de raamprostitutie en de
                    ontwikkelingen van de laatste tijd op het Zandpad zijn in dit hoofdstuk
                    bepalingen opgenomen, respectievelijk aangepast, met als doel preventief een
                    barrière op te werpen tegen mensenhandel (zie hiertoe ook de notitie "Aanpassing
                    vergunningstelsel raamprostitutie", door het college op 2 februari 2010
                    vastgesteld als bijlage bij de raadsvoordracht). </al><tussenkop>Vergunningstelsel en vrije arbeidskeuze. </tussenkop><al>Bij artikel 19, derde lid van de Grondwet kan de vrije keuze van arbeid worden
                    onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een
                    maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van
                    vergunningsvoorschriften beperkingen op (in het belang van kwaliteitsbewaking,
                    de bescherming van de cliënt, de bescherming van de werknemer tegen gevaar en
                    exploitatie, de bescherming van de omgeving tegen gevaar en overlast e.d.). Deze
                    vergunningsvoorschriften hebben niet als motief het beperken van de vrijheid van
                    arbeidskeuze en dienen dan ook niet te worden beschouwd als een beperking
                    daarvan. Desalniettemin mogen deze vergunningsvoorschriften –ook al liggen
                    daaraan andere motieven ten grondslag– niet zo ver strekken dat de vrije
                    arbeidskeuze daardoor illusoir wordt. Gemeenten mogen dan ook aan bijvoorbeeld
                    het beroep van exploitant van een seksinrichting of een escortbedrijf of aan het
                    beroep van prostituee, alleen beperkingen opleggen "ter regulering en bestuur
                    van de gemeentelijke huishouding", zoals in het belang van de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. </al><tussenkop>Accentuering verantwoordelijkheid feitelijke exploitanten</tussenkop><al>De effectiviteit van het hoofdstuk dat regelgeving bevat ten aanzien van
                    seksinrichtingen en escortbedrijven staat of valt met een duidelijke
                    verantwoordelijkheidstoedeling voor een aanvaardbare bedrijfsvoering aan
                    diegenen die als bestuurder van een bedrijf optreden en/of degenen die daarvan
                    eigenaar zijn en die daaruit baten ontvangen. Daarbij wordt bij de beoordeling
                    van aanvragen niet alleen gekeken naar degenen die vergunningen aanvragen maar
                    wordt meer dan voorheen rekening gehouden met de feitelijke en economische
                    verhoudingen.</al><al>Tot nu toe werd de verantwoordelijkheid gelegd bij degenen die formeel als
                    bestuurders van een bedrijf konden worden aangemerkt en bij lager in de
                    organisatie van de exploitant geplaatste beheerders die waren belast met de
                    dagelijkse leiding. Uit de ervaring die medio 2013 is opgedaan met betrekking
                    tot àlle bedrijven aan het Zandpad waarvan vergunningen zijn ingetrokken, kwam
                    naar voren dat degenen die eigenaar zijn van de werkruimten zich niet of
                    nauwelijks bemoeiden met de feitelijke gang van zaken in een onderneming en/of
                    slecht toezicht hielden op hetgeen er in hun bedrijven plaatsvond. In bepaalde
                    gevallen komt uit de door de eigenaren zelf afgelegde verklaringen naar voren
                    dat zij niet of nauwelijks op de hoogte waren van hetgeen zich in hun bedrijven
                    afspeelde en waren zij daar zelf jarenlang niet persoonlijk aanwezig geweest. De
                    geconstateerde misstanden kunnen –mede- hierop worden teruggevoerd.</al><al>Gelet op de schaarste aan voor prostitutie beschikbare bedrijfsruimten en de
                    condities waaronder deze beschikbaar worden gesteld, kunnen de
                    eigenaren/voormalige vergunninghouders nog steeds een aanzienlijke mate van
                    invloed uitoefenen, die weer een inbreuk maakt op de handelingsvrijheid van
                    degenen die als vergunninghouder verantwoordelijk is voor een zorgvuldige
                    bedrijfsvoering. Het voorstel beoogt de marktmacht die een of enkele ondernemers
                    hebben te beperken en werkt concurrentiebevorderend. Dat draagt bij aan de
                    doelstellingen van hoofdstuk 3 van de APV, waaronder het beschermen van de
                    arbeidsomstandigheden van prostituees. Ook zal, indien er meerdere van elkaar
                    onafhankelijke vergunninghouders zijn, zich minder snel de situatie herhalen dat
                    bij misstanden alle vergunningen moeten worden ingetrokken, met ingrijpende
                    gevolgen voor prostituees die werkruimten kwijtraken.</al><al>Het hoofdstuk bevatte tot nu toe een formele definitie van het begrip
                    exploitant. Als exploitant werd beschouwd degene voor wiens rekening en risico
                    een onderneming werd gedreven. Daarmee moet de vergunning worden aangevraagd
                    door en verleend worden aan degene die de omzet incasseert en/of degene die
                    formeel aansprakelijk is voor schulden van een onderneming. In de praktijk
                    blijken de feitelijke en (vooral) de economische verhoudingen in deze branche
                    vaak anders te liggen. In de nieuwe regeling is gekozen voor een meer materiële
                    invulling van het begrip "exploitant' die meer rekening houdt met de feitelijke
                    en economische verhoudingen. Het bestuursorgaan krijgt meer ruimte om aan de
                    hand van de feitelijke economische situatie te beoordelen wie als exploitant
                    moet worden beschouwd, wie een positie heeft die –daadwerkelijke- invloed
                    mogelijk maakt en wie dus verantwoordelijkheid dient te dragen voor een
                    zorgvuldige bedrijfsvoering. Het naar de feitelijke en economische
                    omstandigheden bepalen van het ondernemerschap is niet uniek en komt ook op
                    andere plaatsen in (belasting-)wetgeving voor. Zo bevat artikel 7 van de Wet op
                    de omzetbelasting een definitie van het begrip "ondernemer" met diverse
                    bepalingen waarin dit begrip wordt uitgebreid om bepaalde handelingen onder de
                    werking van deze wet te brengen.</al><al>Het hoofdstuk beoogt ook een structurele verandering van de marktverhouding op
                    het gebied van de bedrijfsruimte voor raamprostitutie. Het gelimiteerde
                    vergunningstelsel heeft (als neveneffect) ertoe geleid dat er een dominantie
                    bestaat door enkele partijen die met elkaar samenwerken. De regeling is
                    verenigbaar met (Europese) mededingingswetgeving, het strekt er immers toe
                    concurrentie tussen aanbieders van bedrijfsruimte voor de raamprostitutiebranche
                    te bevorderen en de machtspositie van één of enkele aanbieders te beperken door
                    te waarborgen dat er te allen tijde tenminste vijf van elkaar onafhankelijke
                    aanbieders van bedrijfsruimte voor raamprostitutie in Utrecht zijn.</al><tussenkop>Verhoging leeftijdseis prostituees</tussenkop><al>In het kader van het tegengaan van mensenhandel, is de minimumleeftijd voor
                    prostituees verhoogd naar 21 jaar, dit is wenselijk gelet op de zwaarte van het
                    beroep en de verhoogde kwetsbaarheid van de groep 18- tot 21-jarigen.</al><al>Met 21 jaar zijn personen geestelijk meer volwassen en daardoor; </al><lijst><li nr="-"><al>weerbaarder,</al></li><li nr="-"><al>meer in staat tot het nemen van een weloverwogen beslissing,</al></li><li nr="-"><al>meer kans om te beschikken over een startkwalificatie en daardoor
                            vermindert de economische druk om te kiezen voor de prostitutie, zodat
                            ook uitstappen makkelijker wordt.</al></li></lijst><al>Hiermee wordt beoogd de bescherming van de prostituees zelf en in het verlengde
                    daarvan het terugdringen van mensenhandelpraktijken, maar tevens is daarbij van
                    belang het openbare orde aspect, met name wat betreft de gezondheidsrisico's en
                    de hygiëne. </al><tussenkop>Bevoegdheden opsporingsambtenaren en toezichthouders </tussenkop><al>Dit hoofdstuk bevat geen bepalingen over opsporingsambtenaren en
                    toezichthouders. Hun bevoegdheden zijn geregeld in hoofdstuk 6 van de APV en in
                    de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. </al><tussenkop>Directe werking </tussenkop><al>Deze wijziging van de APV (Verordening tot wijziging van de Algemene
                    plaatselijke verordening Utrecht 2010 (6<sup>e</sup> partiële herziening)) heeft
                    directe werking, tenzij anders is bepaald. Zie hiervoor artikel 3:16a en een
                    besluit dat wordt genomen krachtens artikel IV, tweede lid.</al><tussenkop>Afdeling 3.1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen </tussenkop><tussenkop>Onder a. Prostitutie </tussenkop><al>Dit artikel bepaalt wat onder “prostitutie” moet worden verstaan. Met de
                    zinsnede “tegen vergoeding” wordt tot uitdrukking gebracht dat het niet perse
                    hoeft te gaan om betaling van een bepaald geldbedrag. </al><tussenkop>Onder c. Seksinrichting </tussenkop><al>Het begrip “besloten” heeft betrekking op het door wanden omsloten en overdekt
                    zijn van een ruimte, niet op de toegankelijkheid daarvan. Onder besloten ruimte
                    wordt ook begrepen een vaar- of een voertuig. De zinsnede “meerdere besloten
                    ruimten in elkaars directe nabijheid” betreft uitsluitend de
                    raamprostitutieboten die aan het Zandpad liggen en de raamprostitutiepanden aan
                    de Hardebollenstraat. </al><al>Het begrip "bedrijfsmatig" moet worden vastgesteld aan de hand van de feitelijke
                    situatie. Daarbij zal bijvoorbeeld worden gekeken naar de vraag of er meerdere
                    prostituees werkzaam zijn, er reclame wordt gemaakt voor de werkzaamheden, er
                    sprake is van een KvK-schrijving en of er bijvoorbeeld derden betrokken zijn bij
                    de activiteiten. Deze opsomming is niet uitputtend bedoelt. In het algemeen zal
                    het zo zijn dat wanneer iemand werkzaamheden uitvoert om geld te verdienen er
                    sprake is van een bedrijfsmatige uitoefening.</al><al>“Al dan niet met een ander” heeft betrekking op bijvoorbeeld sekstheaters en
                    seksbioscopen, waarbij geen sprake is van seksuele handelingen met een ander.
                    Wij vinden dit wenselijk nu ook hygiëne hier een grote rol speelt. Dergelijke
                    vormen vallen dan ook onder de begripsomschrijving van “seksinrichting”. Ook een
                    prostitutiebedrijf (zie hierna) valt onder het begrip “seksinrichting” en ook
                    een woning kan onder dit begrip vallen. </al><tussenkop>Onder d. Prostitutiebedrijf </tussenkop><al>Bedrijven zoals bordelen, seksclubs, prostitutiehotels, privé-huizen en
                    erotische massagesalons zijn te kenmerken als prostitutiebedrijven. </al><tussenkop>Onder e. Raamprostitutiebedrijf </tussenkop><al>Er is voor gekozen om een aparte definitie op te nemen van het begrip
                    “raamprostitutiebedrijf”. Gebleken is dat dit onderdeel van de vergunde
                    prostitutiesector bijzonder gevoelig is voor mensenhandel. Daarom gelden voor
                    raamprostitutiebedrijven verscherpte vergunningvoorwaarden. </al><tussenkop>Onder g. Escortbedrijf </tussenkop><al>De zinsnede “bemiddelt voor prostitutie” beoogt te voorkomen dat
                    straatprostitutie onder deze </al><al>omschrijving komt te vallen. Omdat het hier gaat om een bedrijfsvorm waarbij de
                    seksuele handelingen elders plaatsvinden en de prostituees ook niet in het
                    bedrijf zelf aanwezig hoeven te zijn is het toezicht op dit soort bedrijven
                    lastiger.</al><tussenkop>Onder h. Exploitant</tussenkop><al>In veel vergunningstelsel wordt een exploitant (die als vergunninghouder
                    optreedt) aangeduid als "degene voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt
                    geëxploiteerd". Zo ook artikel 3:1 van de APV Utrecht zoals dit luidt
                    voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening. Andere
                    criteria die wel worden gebruikt om ondernemerschap te definiëren zijn het lopen
                    van ondernemersrisico, het behalen van winst, het aansprakelijk zijn voor
                    schulden ten opzichte van derden.</al><al>In de prostitutiebranche is sprake van partijen die weliswaar niet formeel als
                    vergunninghouder optreden, maar die een zeer invloedrijke of zelfs een
                    machtspositie hebben ten opzichte van degenen die juridisch als vergunninghouder
                    moeten worden aangemerkt. Dit wordt in de hand gewerkt doordat weinig onroerend
                    goed bestemmingstechnisch mag worden gebruikt voor prostitutiedoeleinden en door
                    vergunningstelsels waarin het aantal te verlenen vergunningen is
                    gelimiteerd.</al><al>De wijzigingen die nu worden doorgevoerd beogen de integriteitseisen ook te
                    kunnen stellen aan degenen die bedrijfsruimten beschikbaar stellen tegen een
                    hogere vergoeding dan de huurwaarde die kan worden afgeleid van de investering
                    met een redelijke kosten- en winstopslag (dit komt neer op het afromen van c.q.
                    het delen in de winst van prostituees en/of de juridische exploitant). Indien
                    exploitanten van bedrijfsruimten deze beschikbaar stellen tegen een hogere
                    waarde dan die redelijkerwijs voortvloeit uit de kosten die gemaakt moet worden
                    voor het beschikbaar stellen van bedrijfsruimte (verhoogd met een redelijke
                    winstopslag) dan worden zij aangemerkt als (mede-exploitant) Zij zullen alsdan
                    moeten voldoen aan de voor exploitanten geldende (integriteits-)eisen. Mutatis
                    mutandis is dit ook van toepassing op baten die anders worden geëtiketteerd
                    zoals managementvergoedingen.</al><al>In het vierde lid is uitgesloten dat degenen die leveranciers zijn en die ten
                    laste van de exploitatie voor goederen en diensten een gelijkwaardige
                    tegenprestatie ontvangen, als exploitant worden aangemerkt. Er kan van uit
                    worden gegaan dat voor alle regulier te leveren goederen en diensten aan de hand
                    van marktprijzen voldoende objectief te bepalen is of er sprake is van
                    redelijkerwijs als gelijkwaardig te beschouwen tegenprestaties.</al><tussenkop>Onder i. Beheerder </tussenkop><al>Omdat er tot op heden veel discussie bleef bestaan over wie nou precies
                    beheerder was in een bedrijf, wat onder een beheerder moest worden verstaan en
                    op welke wijze deze bepalingen handhaafbaar waren is ervoor gekozen om de
                    persoon te definiëren en zijn taken apart te benoemen. Zoals ook in de
                    begripsomschrijving tot uitdrukking is gebracht, dient het feitelijke beheer en
                    het dagelijks toezicht in één hand te liggen. Het is daarom niet mogelijk om het
                    feitelijke beheer en het dagelijks toezicht bij twee verschillende partijen neer
                    te leggen. Alle beheerders dienen op de vergunning vermeld te worden.</al><tussenkop>Onder j. Beheerderstaken</tussenkop><al>Dit zijn de taken waarmee de beheerders belast moeten zijn: het feitelijk beheer
                    en dagelijks toezicht. Daarbij is van belang of die taken een essentieel
                    onderdeel zijn van de dagelijkse gang van zaken. Essentieel zijn in ieder geval
                    die zaken waarbij er contact is met de prostituee is. Wij doelen daarbij o.a. op
                    aangaan van huurcontracten, het voeren van intakegesprekken, controleren op
                    vergunningvereisten en innen van huur. Deze opsomming is niet uitputtend
                    bedoeld. In het bedrijfsplan zal moeten worden omschreven welke personen door de
                    exploitant als beheerder worden gezien en welke taken zij uitvoeren. Hiermee is
                    in ieder geval duidelijk dat wij geen personen meer in de bedrijfsvoering
                    accepteren die essentieel onderdeel zijn van de dagelijkse gang van zaken en
                    niet gescreend zijn op hun levensgedrag.</al><tussenkop>Onder k. Klant </tussenkop><al>Onder klant wordt verstaan degene die daadwerkelijk de seksuele diensten afneemt
                    dan wel dit als doel heeft. Dit is dus beperkter dan de personen die aanwezig
                    kunnen zijn in de seksinrichting. </al><tussenkop>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan </tussenkop><al>Volgens artikel 160 van de Gemeentewet is het college van burgemeester en
                    wethouders belast met de uitvoering van besluiten van de raad (waaronder
                    autonome verordeningen als deze) tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester
                    daarmee is belast. </al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174 van de Gemeentewet belast met het
                    toezicht op openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. De bevoegdheid van het college
                    betreft dus de niet voor het publiek toegankelijke gebouwen, voer- en vaartuigen
                    en de openbare weg. </al><tussenkop>Afdeling 3.2 Seksinrichtingen en escortbedrijven</tussenkop><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van seksinrichtingen en
                    escortbedrijven. Waar dat niet nader is onderscheiden gelden bepalingen ten
                    aanzien van beide bedrijfstypen.</al><tussenkop>Artikel 3:3 Nadere regels </tussenkop><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van
                        <onderstreept>alle</onderstreept> (of bepaalde categorieën van)
                    seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit artikel door het
                    bevoegd bestuursorgaan worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. Artikel 3:3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid
                    als bedoeld in artikel 156, eerste lid van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn
                    de regels over bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij van
                    overeenkomstige toepassing. </al><al>Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf over zijn bevoegdheid beleidsregels
                    vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht.
                    Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen beleidsregels het bevoegd
                    bestuursorgaan tot het volgen van een vaste gedragslijn bij het toepassen van de
                    desbetreffende bevoegdheid, met dien verstande dat bij beleidsregels in
                    bijzondere gevallen van de vaste gedragslijn kan worden afgeweken. Het in
                    bijzondere gevallen afwijken van een beleidsregel dient goed gemotiveerd te
                    worden. </al><tussenkop>Artikel 3:4 Vergunningplicht</tussenkop><al>Uit deze bepaling vloeit een vergunningplicht voort. Het wijzigen van de
                    seksinrichting / het escortbedrijf valt eveneens onder de vergunningplicht. Met
                    het wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook met uitzondering
                    van wijzigingen in het bedrijfsplan. Voor wijzigingen van de seksinrichting /
                    het escortbedrijf kan worden gedacht aan een verandering van bouwkundige aard,
                    het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie, de naam van één of meerdere
                    exploitanten en dergelijke. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit de pas
                    loopt met de feitelijke situatie. Voor dergelijke wijzigingen dient dan ook een
                    geheel nieuwe aanvraag gedaan te worden, waarbij het gehele vergunningsproces
                    wordt doorlopen. Wijzigingen in het bedrijfsplan worden via artikel 3:4a
                    gereguleerd.</al><al>De basisregel luidt dat elk escortbedrijf een exploitatievergunning nodig heeft.
                    Exploiteren zonder vergunning is verboden. Het bevoegde bestuursorgaan toetst de
                    vergunningaanvraag aan een aantal criteria, waaronder eisen aan de persoon van
                    de exploitant en de leidinggevende, de invloed van het voorgenomen bedrijf op
                    het woon- en leefklimaat van de omgeving, de planologische inpasbaarheid en de
                    wijze van bedrijfsvoering. De burgemeester is op grond van artikel 174
                    Gemeentewet belast met het toezicht op voor het publiek toegankelijke gebouwen
                    en bijbehorende erven. Een escortbedrijf kan echter ook worden uitgeoefend in
                    een niet voor het publiek toegankelijk gebouw, bijvoorbeeld in een vaartuig. In
                    zo’n geval is niet de burgemeester, maar het college het bevoegde
                    bestuursorgaan. Waar de APV dan over “burgemeester” spreekt, moet “college”
                    worden gelezen. Zie hiervoor verder artikel 3:2. Het derde lid maakt expliciet
                    dat het alleen mogelijk is om een vergunning voor een escortbedrijf te verlenen
                    als dit bedrijf aan een vast adres is gebonden. In andere gevallen moet de
                    vergunning worden geweigerd. De reden voor deze beperking is gelegen in het
                    kunnen uitoefenen van toezicht op de naleving en het handhaven van de regels. Om
                    dit effectief te kunnen doen is een aantal basale gegevens (naam, adres,
                    woonplaats) nodig. Het wordt aan het oordeel van het bevoegd bestuursorgaan
                    overgelaten of een bedrijf voldoende aan een vast adres is gebonden. Dat daarvan
                    sprake is kan bijvoorbeeld blijken uit een vaste telefoonverbinding
                    (030-aansluiting). Een enkele inschrijving in het Handelsregister is onvoldoende
                    omdat de Kamer van Koophandel lijdelijk is. </al><al>Op het moment dat escort wordt aangeboden vanuit een prostitutiebedrijven, niet
                    zijnde een raamprostitutiebedrijf, heeft het escortbedrijf een vast adres en is
                    dan in beginsel vergunbaar.</al><tussenkop>Derde en vierde lid</tussenkop><al>Artikel 1.5 legt vast dat vergunningen en ontheffingen niet overdraagbaar zijn.
                    Daarnaast regelt artikel 3:4a dat een vergunning voor de exploitatie van een
                    bedrijf ook is gebonden aan de voor bedrijf bestemde ruimte. Beide bepalingen
                    gelden onverkort voor de exploitatievergunning van een escortbedrijf. Aanvullend
                    hierop is in het derde lid geregeld dat een escortvergunning tevens
                    adresgebonden is. Handelen in strijd met de bepalingen betreffende de
                    overdraagbaarheid van een vergunning is een overtreding van de APV en kan
                    bijvoorbeeld leiden tot intrekking van de vergunning.</al><tussenkop>Artikel 3:4a Aanvraag en vergunning</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het bevoegd bestuursorgaan moet zich aan de hand van een ingediende
                    vergunningaanvraag een oordeel kunnen vormen over alle rechtstreeks bij het te
                    nemen besluit betrokken belangen. Indiening en in ontvangstneming staan dus
                    nadrukkelijk in het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten
                    en betrokken belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen
                    komen. Het niet overleggen van de gevraagde gegevens en bescheiden kan leiden
                    tot het niet behandelen van de aanvraag (artikel 4:5 van de Algemene wet
                    bestuursrecht). Gegevens met betrekking tot exploitant en beheerder zijn o.a.
                    relevant in verband met de eisen die ten aanzien van deze personen worden
                    gesteld in artikel 3:5 APV, het feit dat de vergunning persoonsgebonden is en
                    niet verleend kan worden aan personen die niet voldoen aan de
                    verblijfsrechtelijke toets zoals vereist op grond van de Vreemdelingenwet 2000. </al><tussenkop>Tweede lid onder e en f</tussenkop><al>De aard van de seksinrichting of het escortbedrijf en, indien van toepassing,
                    het aantal werkruimtes is van belang voor het evt. stellen van nadere
                    voorschriften, toetsing aan het bestemmingsplan of aan het maximum aantal
                    prostitutiebedrijven of werkruimtes e.d., maar ook in het kader van de andere
                    belangen die het vergunningstelsel beoogt te beschermen (zie hiertoe ook artikel
                    3:10 APV). </al><tussenkop>Tweede lid, onder g. </tussenkop><al>Hierbij kan gedacht worden aan een (ondertekende) huur- of koopovereenkomst. Ook
                    zal de aanvrager/exploitant moeten aantonen dat hij daadwerkelijk de beschikking
                    heeft over de ruimten waarin hij de seksinrichting wil gaan exploiteren. Wie het
                    eigendom heeft van deze werkruimten is dus ook van belang. </al><tussenkop>Tweede lid, onder h. </tussenkop><al>Gelet op het feit dat een seksinrichting / escortbedrijf alleen mag adverteren
                    met een vast telefoonnummer dient dit nummer bij aanvraag van de vergunning te
                    worden overlegd.</al><tussenkop>Derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid</tussenkop><al>Deze leden regelen dat bij de aanvraag om een vergunning voor een seksinrichting
                    of escortbedrijf ook een bedrijfsplan moet worden overgelegd. Uit het
                    bedrijfsplan moet blijken welk bedrijfsbeleid de exploitant voert op de in het
                    derde lid genoemde onderwerpen, maar ook wat zijn visie is binnen zijn bedrijf.
                    Afhankelijk van deze visie kunnen bijvoorbeeld meer eisen worden gesteld aan
                    bepaalde zaken zoals die in de leden van lid 4 zijn genoemd. De onderwerpen uit
                    lid 4 zijn met name gericht op de bescherming van de positie van prostituees en
                    op de zorg voor de werkomstandigheden. In het vierde lid staat beschreven welke
                    informatie het bedrijfsplan in ieder geval dient te bevatten. In de aan dit
                    hoofdstuk verbonden beleidsregels worden van gemeentewege enkele minimale eisen
                    gesteld dan wel geven wij aan op welke wijze de exploitant zou kunnen voldoen.
                    Buiten de minimale eisen is het aan de exploitant om uitleg te geven over zijn
                    bedrijfsvoering en hoe bepaalde zaken binnen zijn bedrijf worden gezien. De
                    exploitant en/of beheerder moeten onder meer van een aantal in artikel 3:11 en
                    3:11a opgenomen verplichtingen aangeven op welke wijze zij aan die verplichting
                    uitvoering gaan geven. Een voorbeeld daarvan is de wijze waarop het toezicht is
                    geregeld en de maatregelen die de exploitant neemt om de zelfredzaamheid van de
                    prostituees te waarborgen. Vanwege de toevoeging “in ieder geval” is geen sprake
                    van een limitatieve opsomming en kunnen nog nadere eisen aan het bedrijfsplan
                    worden gesteld. De eisen aan het bedrijfsplan dienen ter ondersteuning van de
                    belangenafweging bij de vergunningverlening en van het toezicht en de
                    handhaving. Als het bevoegd bestuursorgaan van oordeel is dat hetgeen in het
                    bedrijfsplan is opgenomen onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de
                    prostituees, dan kan de vergunning worden geweigerd (zie artikel 3:10). </al><al>Als het bedrijfsplan niet wordt nageleefd of indien in de praktijk blijkt dat
                    dit bedrijfsplan (en het gevoerde bedrijfsbeleid) onvoldoende garanties biedt
                    voor de bescherming van de positie van de prostituees, kan dit leiden tot het
                    intrekken van de vergunning (zie artikel 3:15). Het bevoegd bestuursorgaan kan
                    het bedrijfsplan van de aanvrager om advies voorleggen aan de politie. </al><al>Het vijfde lid regelt dat voorgenomen wijzigingen van het bedrijfsplan moeten
                    worden gemeld. Het bevoegde orgaan moet immers toetsen of het bedrijfsplan nog
                    aan de gestelde eisen voldoet. De melding moet schriftelijk gebeuren. De melding
                    kan een grond zijn om de vergunning in te trekken. </al><al>Op grond van het zesde lid kan het bestuursorgaan aanvullende gegevens vragen
                    indien dat nodig is voor de beoordeling van de aanvraag. Hier moet bijvoorbeeld
                    worden gedacht aan het feit dat het bestuursorgaan inzicht wil in de
                    bedrijfsconstructie/organisatie, 'hangende' boven de aanvrager zoals die is
                    vermeld op de vergunning. Voor de beoordeling van deze vergunningaanvragen is
                    het van groot belang dat alle natuurlijke personen in beeld zijn die 'een vinger
                    in de pap' kunnen hebben in de bedrijfsvoering van de seksinrichting, omdat het
                    levensgedrag van al deze personen wordt meegenomen bij de beoordeling van
                    aanvraag en dus het levensgedrag. Wijzigingen in bestuursfuncties van
                    rechtspersonen die een 'vinger in de pap' hebben dienen gemeld te worden bij het
                    bevoegd bestuursorgaan.</al><al>Op grond van het zevende lid heeft het college de bevoegdheid om nadere regels
                    vast te stellen over onder andere de inhoud van het bedrijfsplan. Met nadere
                    regels kunnen eventueel nieuwe verplichtingen worden opgelegd of kunnen
                    bestaande verplichtingen uit de APV nader worden uitgewerkt of geconcretiseerd.
                    Indien er nadere regels zijn vastgesteld, dient het bedrijfsplan ook daaraan te
                    voldoen. Mocht dat niet het geval zijn dan kan de vergunning hetzij worden
                    geweigerd, hetzij worden ingetrokken. </al><tussenkop>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder </tussenkop><al>Aan het bevoegde orgaan kunnen o.a. gegevens uit de justitiële
                    documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                    beheerder zijn vermeld in een aanvraag. </al><al>Bij de gedragseisen voor de exploitant en beheerder wordt zoveel mogelijk
                    dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als
                    in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen
                    zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999. Dit heeft als voordeel dat voor
                    seksinrichtingen waarvoor tevens een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet
                    is vereist één en hetzelfde antecedentenonderzoek kan worden verricht.
                    Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit dat inhoudelijk min of
                    meer dezelfde belangen wegen bij de antecedentenbeoordeling. Lid 1 onder b maakt
                    duidelijk dat geen exploitanten of beheerders worden geaccepteerd die in het
                    verleden zijn veroordeeld voor een ernstig delict waarvan de daders niet in de
                    prostitutiebranche werkzaam zouden moeten zijn. Het weren van daders van de
                    delicten die relevant zijn voor deze branche werpt een verdere barrière op tegen
                    mensenhandel.</al><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding "in enig opzicht van slecht
                    levensgedrag" méér omvatten dan hetgeen gesteld is in artikel 3:5. Dat het geen
                    limitatieve opsomming is blijkt uit het gebruik van het woord "naast" aan het
                    begin van het tweede lid.</al><al>Bij de beoordeling van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit o.a.
                    de justitiële documentatie en de toetsing ervan aan de vastgestelde
                    gedragseisen, kan worden aangesloten bij de daarvoor reeds bestaande
                    jurisprudentie. Aangesloten is bij de Novelle van de Wet Regulering Prostitutie
                    waarin ook het nodige wordt gesteld over de zedelijkheidseisen en aan het
                    levensgedrag van de exploitant. Vooruitlopend op inwerkingtreding van deze
                    novelle brengen wij deze zaken vanaf inwerkingtreding van deze APV onder de
                    zogenaamde 'open norm'.</al><al>In het zesde lid wordt, in het geval van rechtspersonen, het begrip 'exploitant'
                    verruimd tot de bestuurders, de vertegenwoordigingsbevoegden en de houders van
                    (certificaten van) aandelen. Het doel van deze verruiming is te voorkomen dat
                    degenen die betrokken waren bij een bedrijf waarvan eerder een vergunning is
                    ingetrokken, opnieuw, maar dan op de achtergrond betrokkenheid hebben bij, of
                    gebaat zijn door de exploitatie waarvoor vergunning is aangevraagd of
                    verleend.</al><tussenkop>Artikel 3:6 Maximumstelsel prostitutiebedrijven en werkruimten </tussenkop><al>Uitgangspunt van het Utrechtse prostitutiebeleid is een maximumstelsel, waarbij
                    voor de raamprostitutie het maximaal aantal werkruimten is gereguleerd. Dit
                    aantal bedraagt 162. </al><al>Voor de overige prostitutiebedrijven verandert niets. Het aantal daarvoor
                    beschikbare vergunningen was en is zes. Dit betekent dat de totale omvang aan
                    prostitutiebedrijven niet verandert. </al><al>Op dat punt kan ook niet zonder meer uitbreiding plaatsvinden, omdat in het
                    bestemmingsplan geen panden met prostitutiebestemming vrij zijn. Een uitbreiding
                    is niet wenselijk beoordeeld.</al><al>In deze bepaling is geregeld dat een exploitant voor maximaal één vijfde (1/5)
                    van de werkruimten vergunning kan krijgen. Indien het maximum wijzigt dan werkt
                    dit door in het maximale aantal vergunningen dat aan individuele exploitanten
                    kan worden verleend. De regeling beoogt ervoor te zorgen dat er in Utrecht
                    altijd tenminste vijf aanbieders van werkruimten voor prostitutie zijn.</al><al>Door de wijze waarop de kring van personen is afgebakend in artikel 3:1 onder h.
                    in combinatie met artikel de anti-cumulatiebepaling in 3:6, vierde lid is
                    gewaarborgd dat de aanbieders van werkruimten voldoende onafhankelijk van elkaar
                    zijn. Wie gerekend kan worden tot de kring die betrokken is bij het gebruik van
                    een vergunning van een bedrijf komt niet meer in aanmerking voor een vergunning
                    ten behoeve van een andere juridische entiteit die daarna vergunning aanvraagt.
                    Op dit voorschrift kan toezicht worden gehouden door bij de reguliere
                    aanvraagvereisten tenminste inzage en een kopie te eisen van de statuten van een
                    onderneming en het aandeelhoudersregisters van gelieerde ondernemingen totdat is
                    gebleken welke natuurlijke personen uiteindelijk baat kunnen hebben door het
                    gebruik van een te verlenen vergunning.</al><al>Deze gegevens worden nu al opgevraagd in het kader van de toepassing van het
                    Bibob-instrumentarium.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Met het Zandpad en de Hardebollenstraat is er in Utrecht sprake van een
                    omvangrijke raamprostitutiesector. Uit diverse strafrechtelijke onderzoeken zijn
                    ernstige misstanden naar voren gekomen. De ernst daarvan maakte het voor het
                    gemeentebestuur onvermijdelijk om tot intrekking van àlle vergunningen over te
                    gaan. De misstanden hebben zich kunnen voordoen ondanks een zeer regelmatig
                    toezicht vanwege de gemeente en andere instanties. Gebleken is dat de misstanden
                    zich konden voordoen door ernstige tekortkomingen in de integriteit van de
                    bedrijfsvoering van vergunninghouders. Daarnaast is de raamprostitutiesector
                    dermate omvangrijk dat die omvang onder minder gunstige omstandigheden tot
                    beheersingsproblemen kan leiden.</al><al>De grootte van de raamprostitutiesector in Utrecht brengt verder met zich mee
                    dat beleidswijzigingen en de implementatie daarvan de belangen raken van
                    exploitanten en vele prostituees, klanten en omwonenden. De situatie in de
                    Hardebollenstraat illustreert welke belangentegenstellingen zich daarbij kunnen
                    voordoen. Een zorgvuldige voorbereiding van regelgeving en beleid kost dan tijd
                    en dat geldt ook voor de implementatie daarvan. Dergelijke processen moeten niet
                    kunnen worden doorkruist doordat het gemeentebestuur gehouden is vergunningen te
                    verlenen.</al><al>Om de voorkomen dat wijzigingen in regelgeving en beleid door anticiperend
                    strategisch gedrag van belanghebbenden bij voorbaat zinledig worden, is het
                    gewenst de verlening van vergunningen te kunnen staken in afwachting van de
                    totstandkoming van op de actuele omstandigheden en belangen (ook van de
                    omgeving) toegesneden regelgeving en beleid. Het voordeel hiervan is dat
                    wenselijke veranderingen in het beleid op een afzienbare termijn hun effect
                    kunnen krijgen en niet pas op een moment waarop vergunningen expireren die nog
                    zijn aangevraagd terwijl het gemeentebestuur tijd nodig had om tot een
                    zorgvuldige afweging van belangen te komen en nieuwe regelgeving en beleid aan
                    het voorbereiden was.</al><al>Een plafond aan het aantal te verlenen vergunningen biedt ook vergunninghouders
                    duidelijkheid; zij worden hierdoor tijdig in staat gesteld hun bedrijfsvoering
                    aan te passen.</al><tussenkop>Artikel 3:7 Geldigheidsduur </tussenkop><al>Sinds de introductie van het vergunningstelsel in 2000 is steeds een
                    geldigheidsduur van de vergunning gehanteerd van 3 jaar. Dit was vastgelegd in
                    de Beleidsnotitie prostitutie van november 1999 en in de bij de Legesverordening
                    behorende tarieventabel. Door het opnemen van de bepaling in het eerste lid is
                    dit ook in de APV zelf bevestigd. Voorheen moesten vergunningen altijd voor drie
                    jaar worden afgegeven. Nu is de mogelijkheid ingebouwd om de vergunning af te
                    geven met de minimale duur van één jaar. Na drie jaar dient zonder meer een
                    nieuwe vergunning te zijn aangevraagd.</al><al>De vervalgronden in het tweede lid zijn o.a. van belang voor het up-to-date
                    houden van het vergunningenbestand, hetgeen ook weer van belang is voor het
                    maximumstelsel. Om te voorkomen dat exploitanten hun vergunning "kwijtraken"
                    drie jaar na het verstrijken van de vervaldatum is het derde lid opgenomen. Om
                    aanspraak te kunnen maken op deze bepaling moet een aanvraag om verlenging
                    natuurlijk wel tijdig en ontvankelijk zijn gedaan. In de huidige praktijk blijkt
                    dit geen problemen op te leveren. Gedurende de periode dat de aanvraag in
                    behandeling is, kunnen uiteraard wel maatregelen genomen worden. Dit kan
                    bijvoorbeeld het geval zijn indien zich feiten voordoen of er redenen zijn om de
                    vergunning in te trekken, sluitingstijden op te leggen of de inrichting geheel
                    of gedeeltelijk te sluiten. </al><tussenkop>Artikel 3:8 Beheerders </tussenkop><al>Dit artikel is nieuw in deze gewijzigde APV. In het verleden is duidelijk
                    geworden dat het niet invullen van deze norm in de praktijk onduidelijkheid
                    geeft over welke taken nu door wie mogen worden uitgevoerd en welke personen als
                    gevolg van het beheerder zijn dan ook gescreend worden op levensgedrag. In het
                    verleden was het mogelijk om de beheerder eenvoudig te wijzigen, tegen een
                    aangepast legestarief. Toch werden op dat moment alle personen op de vergunning
                    opnieuw gescreend omdat alle beheerders onderdeel uitmaakten van de bijlage bij
                    de vergunning waarop de beheerders staan vermeld. Continuïteit in de
                    bedrijfsvoering van een seksinrichting of escortbedrijf is zeer wenselijk . Door
                    snelle wisseling van personeelsleden komt die continuïteit in gevaar. Een vast
                    bestand van personeelsleden zorgt voor een bepaalde cultuur in het bedrijf. Het
                    is aan de exploitant om ervoor te zorgen dat deze cultuur een goede is. Het
                    wijzigen van de beheerder dient dan ook, mede door de uit te voeren
                    werkzaamheden, te geschieden middels een normale aanvraag voor een vergunning
                    tegen de daarvoor geldende leges.</al><tussenkop>Artikel 3:9 Beslistermijn </tussenkop><al>Voor de beslistermijn ten behoeve van een vergunning geldt in het algemeen in de
                    APV een termijn van acht weken. De beslissing op een aanvraag om een vergunning
                    voor een seksinrichting kan complex van aard zijn (betrekken Bouwbesluit,
                    Horecaregelgeving, wet Bibob). Verder kan, vanwege het specifieke onderwerp, de
                    belangenafweging veel tijd in beslag nemen. Daarom geldt voor deze vergunning
                    een beslissingstermijn van twaalf weken. Op grond van het tweede lid kan deze
                    termijn verlengd worden met 12 weken. Los van de in artikel 3:9 genoemde
                    beslistermijn (2 x 12 weken), kan deze termijn nog verlengd worden bijvoorbeeld
                    met de termijn die de aanvrager gegeven wordt om een incomplete aanvraag te
                    completeren of de termijnen die in het kader van de Wet Bibob gehanteerd worden. </al><tussenkop>Artikel 3:10 Weigeringsgronden </tussenkop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>In het eerste lid van deze bepaling zijn de imperatieve weigeringgronden
                    opgenomen. Indien een van de in het eerste lid genoemde omstandigheden zich
                    voordoet, is het bestuursorgaan gehouden de vergunning te weigeren en kan geen
                    verdere belangenafweging plaatsvinden. Dit is anders bij de facultatieve
                    weigeringgronden als bedoeld in het overige leden. In dat geval kan en moet het
                    bevoegde orgaan een afweging maken of de vergunning al dan niet wordt
                    verleend.</al><tussenkop>Eerste lid, onder a. </tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 3:5. </al><tussenkop>Eerste lid, onder b. </tussenkop><al>De vestiging van een escortbedrijf of een seksinrichting kan op grond van het
                    geldende bestemmingsplan,stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening niet
                    zijn toegestaan. Om te voorkomen dat er wel een vergunning moet worden verleend,
                    indien aan alle vereisten is voldaan, maar hiervan geen gebruik kan worden
                    gemaakt op grond van bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                    leefmilieuverordening is deze bepaling opgenomen. Bij wijze van coördinatie is
                    dergelijke strijdigheid daarom als weigeringgrond opgenomen. Dit is aanvaardbaar
                    omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat.
                    Het kan zo zijn dat de burgemeester hiermee in de beoordeling van bijvoorbeeld
                    een geldend bestemmingsplan treedt, maar dit laat de bevoegdheid van het college
                    inzake de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een
                    doorkruising van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is geen sprake. </al><tussenkop>Eerste lid, onder c. </tussenkop><al>Deze weigeringgrond spreekt voor zich. Zie ook de toelichting bij artikel 3:6
                    APV. </al><tussenkop>Eerste lid. onder d.</tussenkop><al>Verwezen wordt naar de toelichting bij artikel 3:6</al><tussenkop>Eerste lid, onder e</tussenkop><al>De weigeringsgrond onder e. maakt dat het bevoegd bestuursorgaan alleen
                    escortbedrijven vanuit een vergunde seksinrichting kan toestaan en niet vanuit
                    een ander voor het publiek toegankelijk gebouw. </al><al>Het is ongewenst dat escortactiviteiten plaatsvinden vanuit bijvoorbeeld een
                    horecabedrijf of een winkel. Vermenging van de prostitutiebranche met andere
                    branches zoals de horeca dient te worden vermeden.</al><tussenkop>Eerste lid, onder f</tussenkop><al>De weigeringsgrond onder f. heeft te maken met de constatering dat de exploitant
                    de bijzondere verantwoordelijkheid die van hem wordt verwacht niet kan dragen.
                    Als een prostitutiebedrijf en een escortbedrijf worden geëxploiteerd vanuit één
                    gebouw dan dienen misstanden bij de exploitatie van de ene bedrijvigheid ook
                    gevolgen te hebben voor de exploitatie van de andere bedrijvigheid. Dat geldt
                    ook indien er sprake is van twee verschillende exploitanten.</al><tussenkop>Eerste lid, onder h. </tussenkop><al>Het moge duidelijk zijn dat in verband met de eis ten aanzien van levensgedrag
                    en de aard van de werkzaamheden, het niet zo kan zijn dat een beheerder
                    feitelijk in of voor een seksinrichting of escortbedrijf werkzaam is, terwijl
                    hij nog niet is gescreend. Als uit de aanvraag blijkt dat of er zijn teveel
                    onduidelijkheden over welke personen nu welke werkzaamheden in het bedrijf gaat
                    uitvoeren dan wordt de vergunning om deze reden geweigerd. </al><tussenkop>Eerste lid, onder i. </tussenkop><al>Logischerwijs is het gevolg van een moeten indienen van een bedrijfsplan bij de
                    aanvraag dat wanneer een exploitant niet langer voldoet aan de eisen die daaraan
                    worden gesteld of bijvoorbeeld in strijd handelt met zijn eigen bedrijfsplan de
                    vergunning kan worden ingetrokken. </al><tussenkop>Eerste lid, onder j. </tussenkop><al>Het moge duidelijk zijn dat de misstanden waarnaar wordt verwezen onder sub 1
                    t/m 4 niet getolereerd kunnen worden. Indien er aanwijzingen zijn dat dergelijke
                    misstanden zich voordoen is vergunningverlening uitgesloten. De misstanden die
                    zijn genoemd onder 1 (mensenhandel / geen werkvergunning) en 3 (geen of
                    onvoldoende toezicht) worden door ons per definitie beschouwd als een aantasting
                    van de openbare orde. Het aantasten van de openbare orde levert tevens een
                    aparte grond tot weigeren op (zie artikel 1:8). In de handhavingsstrategie is
                    opgenomen op welke wijze wij optreden tegen de overtredingen zoals die zijn
                    genoemd onder 2 en 4. Hierbij moet worden opgemerkt dat dergelijke overtredingen
                    op zichzelf signalen van mensenhandel kunnen zijn. </al><tussenkop>Eerste lid, onder k. </tussenkop><al>Om het belang waarvoor de registratieplicht in het leven is geroepen te
                    beschermen is de weigeringgrond onder k opgenomen (zie ook de toelichting bij
                    artikel 3:16 APV).</al><tussenkop>Eerste lid, onder l. </tussenkop><al>Deze weigeringsgrond is gelijkluidend aan de weigeringsgrond voor bijvoorbeeld
                    een Drank- en Horecavergunning. Genoemde bepaling wordt in de praktijk onder
                    meer gebruikt bij gevallen waarin in de aanvraag een onjuiste voorstelling van
                    zaken wordt gegeven, waarbij aannemelijk is dat deze zal afwijken van de
                    feitelijke situatie.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Voor de toelichting op de weigeringgronden onder a verwijzen wij naar de
                    toelichting onder artikel 1:8. Hierbij moet opgemerkt worden dat zowel ieder
                    onderdeel van artikel 1:8 als de onderdelen genoemd onder a afzonderlijk een
                    weigeringsgrond kunnen vormen.</al><al>Zo kan bij de verwijzing naar artikel 1:8 onder andere gedacht worden aan
                    onveiligheid die ontstaat door raamprostitutie, waarbij niet wordt voldaan aan
                    de voorwaarden in het Bouwbesluit of de Brandbeveiligingsverordening (artikel
                    1:8 onder d) of aan beleid gericht op het voorkomen en tegengaan van
                    verspreiding van seksueel overdraagbare aandoeningen waaronder aids (artikel 1:8
                    onder e). Bij dat laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan voorlichting over
                    besmettingsrisico's en seksueel veilig gedrag aan prostituees, prostituanten en
                    exploitanten en het creëren van zo laagdrempelige mogelijke faciliteiten voor
                    (medische) hulpverlening, hetgeen kan bijdragen aan een verbetering van de
                    gezondheidsomstandigheden in de prostitutiebranche. </al><al>Het tweede lid, onder b maakt mogelijk dat de vestiging van seksinrichtingen kan
                    worden tegengegaan op plaatsen waar daardoor op ontoelaatbare wijze de woon- of
                    leefomgeving nadelig zou worden beïnvloed. Denkbaar is dat dit belang in het
                    bijzonder speelt in woonbuurten, en voor gebouwen met in dit opzicht gevoelig
                    gebruik, zoals scholen, kerkgebouwen en dergelijke. </al><al>Bij het tweede lid, onder c is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing in die
                    gevallen waarin sprake is van een arbeidsverhouding in de zin van de wet.
                    Hiervoor moet een gezagsrelatie bestaan tussen werkgever en werknemers. Bij
                    raamprostitutie is daar over het algemeen geen sprake van. </al><tussenkop>Derde lid, onder a</tussenkop><al>Indien, al dan niet na het inwinnen van een advies van het Landelijk Bureau
                    Bibob, blijkt dat een ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde
                    exploitatievergunning mede zal worden gebruikt voor het benutten van
                    onrechtmatig verkregen voordeel en/of voor het plegen van strafbare feiten kan
                    de vergunning op grond van deze bepaling worden geweigerd. In geval een mindere
                    mate van gevaar wordt vastgesteld kunnen aan de vergunning voorschriften worden
                    verbonden op basis van artikel 3, zevende lid van de Wet Bibob.</al><tussenkop>Derde lid, onder b</tussenkop><al>Niet voor niets worden aan de exploitant, voor het exploiteren van een
                    seksinrichting/escortbedrijf, verschillende verplichtingen gesteld in de
                    artikelen 3:11 en 3:11a van de APV. Als uit het bedrijfsplan, of uit andere
                    omstandigheden, blijkt dat de exploitant geenszins aannemelijk maakt dat hij/zij
                    de gestelde verplichtingen zal naleven, kan de vergunning om die reden geweigerd
                    worden.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Op basis van dit lid is het bevoegd bestuursorgaan bevoegd om een vergunning te
                    weigeren wanneer daardoor op ontoelaatbare wijze de woon- of leefomgeving in de
                    omgeving van de seksinrichting of het escortbedrijf nadelig zou worden beïnvloed
                    of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed. Het onder a. tot en
                    met c. bepaalde geeft richting aan het invullen van die beoordelingsruimte. </al><tussenkop>Artikel 3:11 Toezicht en verplichtingen seksinrichtingen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Uitgangspunt is dat voldoende toezicht alleen mogelijk is als de exploitant of
                    de beheerder(s) feitelijk aanwezig zijn in de inrichting of, als het om
                    raamprostitutiebedrijven gaat, in de onmiddellijke nabijheid van het
                    raamprostitutiebedrijf. Het is mogelijk dat in de raamprostitutie gebruik wordt
                    gemaakt van een gemeenschappelijke beheerder, maar men dient zich daarbij te
                    realiseren dat eventuele misstanden bij de één, gevolgen kan hebben voor het
                    bedrijf/de vergunning van de ander. Immers beheerders zijn verantwoordelijk voor
                    het toezicht. Op het moment dat ergens onder het toezicht van een gezamenlijke
                    beheerder misstanden worden geconstateerd betekent dit dat die misstanden kunnen
                    worden toegerekend aan beide exploitanten. In de aan dit hoofdstuk verbonden
                    beleidsregels gaan wij nader in op de invullingen van de verplichtingen. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Dit lid is van betekenis voor (mogelijke) klanten van een seksinrichting: zij
                    kunnen eenvoudig vaststellen of het om een vergund bedrijf gaat.</al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>De exploitant en/of de beheerder is verplicht er op toe te zien dat in de
                    inrichting: </al><lijst><li nr="-"><al>geen onvrijwillige prostitutie plaatsvindt</al></li><li nr="-"><al>geen drugs- of wapenhandel, heling, geweldsdelicten e.d.
                            plaatsvindt;</al></li><li nr="-"><al>geen prostitutie plaatsvindt door illegalen;</al></li><li nr="-"><al>geen minderjarigen in de inrichting aanwezig zijn;</al></li><li nr="-"><al>geen prostituees werken die de leeftijd van 21 nog niet hebben
                            bereikt.</al></li></lijst><al>Dit toezicht moet voortdurend worden gehouden. Dat betekent bijvoorbeeld ook dat
                    indien een exploitant misstanden waarneemt, hij zich niet kan verschuilen achter
                    het feit dat zijn seksinrichting op dat moment gesloten was en dat hij dus geen
                    toezicht hoefde te houden. </al><al>Aan het nemen van maatregelen vanwege niet-naleving van deze verplichting hoeft
                    geen strafrechtelijke vervolging en/of veroordeling te zijn voorafgegaan,
                    daarvoor moet slechts aannemelijk zijn dat genoemd toezicht niet of onvoldoende
                    is uitgeoefend. Opgemerkt wordt dat de norm van 21 jaar al uitgangspunt is en
                    werd toegepast in de dagelijkse praktijk van de raamprostitutie in Utrecht.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De exploitant (en zijn beheerder(s)) moeten er onder meer voor zorgen dat er
                    geen prostituees werkzaam zijn die slachtoffer zijn van mensenhandel. Welke
                    maatregelen de exploitant neemt om dit te bewerkstelligen, moet blijken uit het
                    bedrijfsplan (zie (de toelichting op) artikel 3:4a). </al><al>In ieder geval geldt voor de exploitant de verplichting om met elke prostituee
                    een persoonlijk (intake) gesprek te voeren voordat zij voor de eerste maal aan
                    het werk gaat. Het gesprek heeft als doel om vast te stellen dat er ten aanzien
                    van de betreffende prostituee geen sprake is van dwang of uitbuiting. De
                    exploitant moet zich er daarnaast van vergewissen dat de prostituee voldoende
                    zelfredzaam is. De zelfredzaamheid van de prostituee houdt primair verband met
                    het goed en veilig kunnen uitoefenen van het beroep. Een belangrijk onderdeel
                    van die zelfredzaamheid vormt het vermogen om op een aanvaardbaar niveau te
                    kunnen communiceren met exploitanten, toezichthouders en klanten. De exploitant
                    moet waarborgen dat de in zijn bedrijf werkzame prostituees aan die
                    zelfredzaamheidseis voldoen. De exploitant heeft een verantwoordelijkheid in het
                    voorkomen en tegengaan van mensenhandel en uitbuiting. De exploitant moet dit
                    aangeven in zijn bedrijfsplan (zie artikel 3:4a). Een verslag van het gesprek
                    moet deel uitmaken van de administratie zodat op eenvoudige wijze gecontroleerd
                    kan worden dat de exploitant zijn verplichtingen op juiste wijze uitvoert.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>De verplichting om een werkruimte te voorzien van een deugdelijke
                    alarminstallatie is opgenomen om de veiligheid van de prostituee te waarborgen.
                    Het moet gaan om een gecertificeerde alarminstallatie (BORG certificering)
                    waarbij het alarm in de werkruimte direct wordt doorgezet naar het kantoor van
                    de aanwezige beheerders.</al><al>De verplichting om een deugdelijke administratie te voeren dient om te
                    verzekeren dat de exploitant de verplichtingen die volgen uit de APV naleeft.
                    Dit is van belang voor het toezicht op de naleving van deze verplichting. Zo kan
                    bijvoorbeeld worden vastgesteld of de aangetroffen prostituee inderdaad degene
                    is aan wie de werkruimte is verhuurd (zie ook artikel 3:13 APV). Een deugdelijke
                    administratie houdt in dat de gemeentelijke toezichthouders in het systeem in
                    ieder geval een verslag van het intakegesprek kunnen inzien, een kopie van het
                    identiteitsbewijs, een afschrift van de huurovereenkomst en andere ter zake
                    doende opmerkingen. </al><tussenkop>Zesde lid </tussenkop><al>Om ervoor te zorgen dat de registratieplicht van artikel 3:16 (zie hieronder)
                    wordt geëffectueerd, zijn de exploitant en/of de beheerder verplicht om er te
                    allen tijde op toe te zien dat in het raamprostitutiebedrijf uitsluitend
                    geregistreerde prostituees werkzaam zijn, die zelfredzaam zijn. Dit laatste
                    leidt ertoe dat het eenmalige intakegesprek een vervolg moet krijgen in de
                    bedrijfsvoering en in het toezicht op de (werkomstandigheden van de)
                    prostituees. Het niet voldoen aan deze verplichtingen kan leiden tot intrekking
                    van de vergunning en (tijdelijke) sluiting van het raamprostitutiebedrijf. </al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>Om te voorkomen dat een exploitant of beheerder vermoedens niet meldt of bij de
                    verkeerde medewerker of instantie meldt in de gedachte dat bepaalde gegevens
                    'wel zullen worden doorgegeven' wordt expliciet de verplichting opgelegd om
                    vermoedens van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting direct te melden bij
                    de politie én de gemeentelijke toezichthouders. Op het moment dat er
                    redelijkerwijs een vermoeden van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting
                    zou moeten zijn en de exploitant heeft dit niet gemeld, dan kan hij hierop
                    worden aangesproken, waarbij het duidelijk is dat de exploitant verantwoordelijk
                    is voor het al dan niet handelen van zijn beheerder(s).</al><al>Het gaat hier ook om vermoedens die al moeten worden gemeld, zodat de politie al
                    in een vroeg stadium betrokken wordt. Vermoedens kunnen ook 'onderbuikgevoelens'
                    zijn. Nadrukkelijk wordt hierbij opgemerkt dat het melden de vergunninghouder
                    niet ontslaat van zijn verplichting om zelf op te treden tegen signalen van
                    mensenhandel. Bij mensenhandel gaat het om een optelsom van op zichzelf staande
                    signalen die, indien deze apart zouden worden beoordeeld, individueel niets
                    hoeven te zeggen over de conclusie dat sprake is van mensenhandel. Om te
                    voorkomen dat elke vergunninghouder in dit grijze gebied van signalen een
                    onjuiste beoordeling maakt, verwachten wij dat alle signalen (ook al staan die
                    op zichzelf beoordeeld los van mensenhandel) daadwerkelijk worden gemeld bij
                    zowel de gemeente als de politie.</al><tussenkop>Achtste lid</tussenkop><al>Om de zelfredzaamheid van de prostituee te vergroten is als eerste van belang
                    dat de prostituee op de hoogte is van haar plichten, maar ook van haar rechten.
                    Het is niet meer dan gebruikelijk dat een huurster een afschrift heeft van de
                    huurovereenkomst. Daarnaast vereenvoudigt dit de toezichtstaak nu de prostituee
                    ter plekke kan aantonen dat zij de rechtmatige huurster is van de werkruimte.
                    Uit dit artikel volgt ook dat het opzeggen van de huurovereenkomst schriftelijk
                    dient te gebeuren. </al><al>Hiermee wordt de rechtspositie van de prostituee beschermd en ondersteund. De
                    opzegging, en dus de redenen van opzegging, moet voor de duur van minimaal een
                    jaar onderdeel uitmaken van de bedrijfsadministratie. </al><tussenkop>Negende lid</tussenkop><al>Om een algehele hygiëne te bevorderen wordt verwezen naar de algemene eisen die
                    hiervoor in de branche gelden. In principe kan de exploitant aansluiten bij de
                    Hygiënerichtlijn voor seksinrichtingen van het Landelijk Centrum Hygiëne en
                    Veiligheid. Deze richtlijn is in ieder geval het minimum waaraan zal moeten
                    worden voldaan en waarop gecontroleerd zal worden. Omdat het hier om een
                    richtlijn gaat die vanuit de private sector is opgesteld kan in de regel zelf
                    hiernaar niet verwezen worden. Er mag door de exploitant ook van een
                    vergelijkbare regeling/standaard worden uitgegaan, mits aantoonbaar is dat aan
                    het gestelde minimum wordt voldaan. Dit minimum is van belang omdat dit zorgt
                    voor een goede en gezonde werkomgeving van de prostituee en een gezonde en nette
                    omgeving voor de klant.</al><tussenkop>Artikel 3:11a Toezicht en verplichtingen escortbedrijven</tussenkop><al>Een aantal artikelleden van artikel 3:11 is ook van toepassing op
                    escortbedrijven.</al><tussenkop>Artikel 3:12 Verbod op dwingend bemoeien </tussenkop><al>Dit verbod is opgenomen om overlast te voorkomen of te beperken die samenhangt
                    met raamprostitutie en dan met name van de randverschijnselen die hiermee
                    gepaard gaan. </al><al>Onder “zich op dwingende wijze bemoeien” wordt verstaan: prostituees min of meer
                    gedwongen begeleiden van en naar hun werkplek, geld aannemen van prostituees,
                    drank of verdovende middelen verstrekken aan prostituees, agressief en
                    intimiderend gedragen tegenover prostituees enz. De bepaling heeft met name
                    betrekking op het gedrag van souteneurs, maar is uiteraard van toepassing op
                    eenieder die aan de beschrijving van het dwingend bemoeien voldoet. </al><al>Deze verbodsbepalingen vinden wij van belang omdat wij het principiële
                    uitgangspunt hebben dat pooiers of andere personen die zich dwingend met de
                    prostituees bemoeien op geen enkele wijze moeten worden getolereerd. Wanneer dit
                    wel gebeurt zal hiertegen, zoveel mogelijk, handhavend worden optreden. Het
                    opleggen van een (tijdelijke) gebiedsverbod behoort hierbij, ook op grond van
                    deze APV, tot de mogelijkheden. </al><al>Op grond van artikel 3:17, elfde lid is dit verbod van overeenkomstige
                    toepassing op straatprostitutie. </al><tussenkop>Artikel 3:13 Minimale verhuurperiode en gebruik werkruimte </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om het snelle rouleren van prostituees te
                    bemoeilijken. Hiervan was voor invoering van deze eerste vier weken termijn
                    sprake. Uit de rapporten “Schone Schijn” (KLPD, Nationale Recherche, 2008) en
                    “Signalen Mensenhandel Zandpad” (gemeente Utrecht, 2008) blijkt dat dit snelle
                    rouleren een tactiek is die in de mensenhandel wordt gebruikt om prostituees
                    “buiten beeld” te houden. </al><al>Daarom hebben wij de verplichting opgenomen waaruit volgt dat een werkruimte de
                    eerste verhuurperiode voor een minimale periode van vier weken moet worden
                    verhuurd. Na de eerste vier weken, de aanvang van het huren, is het mogelijk om
                    per week de werkruimten aan die prostituee te verhuren. Expliciet merken wij op
                    dat parttime werken toegestaan is onder deze regeling. Het is mogelijk om voor
                    een beperkt aantal dagen te huren, zolang de eerste verhuurperiode maar vier
                    weken bedraagt. Dus het verhuren van een werkruimte voor 3 dagen per week
                    gedurende 4 weken bij aanvang van deze huur is toegestaan.</al><al>Onderverhuur is niet meer toegestaan, ook niet behoudens bijzondere
                    omstandigheden. Ervaring heeft geleerd dat onderverhuur ertoe bijdraagt dat het
                    overzicht over wie nu welke ruimte huurt wordt bemoeilijkt. Bovendien wordt op
                    deze manier het omzeilen van de verplichte eerste vier weken termijn in de hand
                    gewerkt. Het is niet te controleren of iemand echt ziek of op vakantie is of
                    gedwongen is de werkruimte af te staan. Afwezigheid vanwege ziekte behoort tot
                    het normaal maatschappelijk risico van een zelfstandig ondernemer. Wanneer er
                    sprake is van vakantie kan de exploitant de ruimte (tijdelijk) verhuren aan
                    derden. Het ligt in de contractsvrijheid van de ZZP-er met de exploitant om
                    afspraken te maken over het gebruik van de werkruimte bij afwezigheid van de
                    prostituee. De vervangende prostituee dient aan alle voorwaarden van de APV te
                    voldoen. Dit betekent dat er bij een nieuwe prostituee altijd een periode van
                    vier weken moet worden verhuurd, maar op het moment dat het gaat om een
                    prostituee die al eerder huurde bij de exploitant kan met minder dan vier weken
                    worden volstaan. Er moet overigens dan niet een te lange tijd tussen de laatste
                    verhuur aan deze vrouw en de verhuur vanwege vakantie voor minder dan vier weken
                    zitten. </al><al>Wij denken hierbij aan een periode van maximaal een half jaar. Na een half jaar
                    zal wederom moeten worden voldaan aan de minimale vier wekentermijn. Omdat de
                    zelfstandige ondernemers van elke huurperiode een contract krijgen kan dit
                    gemakkelijk worden gecontroleerd.</al><al>Met de termijn van vier werken wordt een barrière opgeworpen tegen mensenhandel.
                    Vier weken is een redelijke termijn om een hulpverleningsrelatie op te bouwen
                    met de prostituee en zodoende signalen van mensenhandel waar te kunnen nemen.
                    Bovendien wordt de Belastingdienst hierdoor in staat gesteld daadwerkelijk
                    aanslagen te kunnen opleggen. Ook dat aspect vormt een barrière voor personen
                    die zich schuldig maken aan mensenhandel, omdat daarmee wordt ingegrepen in de
                    inkomsten. </al><al>Het belang van contractsvrijheid van partijen dient hier te wijken voor het
                    belang van het voorkomen en bestrijden van uitwassen zoals mensenhandel en
                    situaties van dwang. Dit betekent dat het ingrijpen in deze vorm en omvang in de
                    relatie tussen de exploitant en de prostituee gerechtvaardigd is. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Volgens deze bepaling is het verboden om de werkruimte in een
                    raamprostitutiebedrijf gesitueerd aan het Zandpad voor een aaneengesloten
                    periode van meer dan 12 uur per dag te laten gebruiken door dezelfde prostituee.
                    Hiermee wordt voorkomen dat prostituee wordt gedwongen onacceptabel lange dagen
                    te maken. De exploitant is verantwoordelijk voor de naleving van dit
                    voorschrift. </al><al>Met het begrip “dag” in deze bepaling wordt bedoeld de periode waarin het
                    raamprostitutiebedrijf geopend mag zijn. </al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>Deze bepaling is in het leven geroepen om te voorkomen dat een prostituee, die
                    een dienst van 12 uur heeft gewerkt, wordt “doorgeschoven” naar een andere
                    werkruimte. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Zie lid 1.</al><tussenkop>Vijfde lid </tussenkop><al>Met “andere doeleinden” wordt bijvoorbeeld bedoeld het gebruik van de werkruimte
                    als nachtverblijf. Hieronder wordt verstaan het slapen in de werkruimte.
                    Afhankelijk van de werktijden van de prostituee zou dat overdag ook kunnen
                    plaatsvinden. Als gevolg van deze bepaling is dat dus op geen enkel moment
                    toegestaan. </al><tussenkop>Artikel 3:14 Sluitings(tijden) </tussenkop><al>Nieuw in de APV is dat in de panden aan de Hardebollenstraat sluitingstijden
                    gaan gelden van 02.00 uur tot 08.00 uur. De afgelopen jaren zijn met regelmaat
                    klachten ontvangen over de raamprostitutiebedrijven in de binnenstad. De
                    sluiting van de ramen medio 2013 heeft geleerd dat er minder klachten zijn, dat
                    er minder inzet nodig is van toezichthoudende instanties en dat buurtbewoners
                    minder overlast ervaren. Voor de horecasector geldt reeds dat bij overlast
                    sluitingstijden aan een vergunning kunnen worden verbonden. </al><al>Voor het overige spreekt deze bepaling voor zich. </al><tussenkop>Artikel 3:15 Intrekkingsgronden </tussenkop><al>In het eerste en tweede lid van deze bepaling zijn de imperatieve
                    intrekkingsgronden opgenomen. De in het derde, vierde en vijfde lid opgenomen
                    gronden zijn facultatief</al><tussenkop>Eerste lid en tweede lid</tussenkop><al>De intrekkingsgronden corresponderen met de weigeringsgronden die zijn opgenomen
                    in artikel 3:10 van de APV. Voor een toelichting op de wordt verwezen naar dat
                    artikel. Hieronder wordt nader ingegaan op enkele intrekkingsgronden.</al><tussenkop>Eerste lid onder b</tussenkop><al>Het moge duidelijk zijn dat in verband met de eis ten aanzien van levensgedrag
                    en de aard van de werkzaamheden, het niet zo kan zijn dat een beheerder
                    feitelijk in of voor een seksinrichting of escortbedrijf werkzaam is, terwijl
                    hij niet is gescreend of van de vergunning is afgeschreven omdat deze beheerder
                    van slecht levensgedrag bleek te zijn. Als uit de feitelijke omstandigheden in
                    de seksinrichting blijkt dat, of er zijn teveel onduidelijkheden over welke
                    personen nu welke werkzaamheden in het bedrijf uitvoert, dan kan de vergunning
                    om die reden worden ingetrokken. </al><al>Met deze intrekkingsgrond kan worden gewaarborgd dat slechts personen die
                    gescreend zijn werkzaamheden kunnen uitvoeren die fundamenteel onderdeel zijn
                    van de bedrijfsvoering van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al><tussenkop>Eerste lid onder e</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om de mogelijkheid te hebben om een vergunning in te
                    kunnen trekken indien deze is verleend op grond van bij de aanvraag verstrekte
                    gegevens die achteraf in betekenisvolle mate onjuist blijken te zijn.</al><tussenkop>Vierde lid onder a</tussenkop><al>Logischerwijs is het gevolg van een moeten indienen van een bedrijfsplan bij de
                    aanvraag dat wanneer een exploitant niet langer voldoet aan de eisen die daaraan
                    worden gesteld of bijvoorbeeld in strijd handelt met zijn eigen bedrijfsplan de
                    vergunning kan worden ingetrokken. Het gaat hier om een kan bepaling, omdat het
                    zo kan zijn dat er veranderde omstandigheden zijn die het wenselijk maken dat
                    vooruitlopend op een wijziging van het bedrijfsplan, afwijkend van het
                    bedrijfsplan wordt gewerkt. </al><tussenkop>Vierde lid onder b</tussenkop><al>Wanneer iemand binnen Utrecht een seksinrichting/escortbedrijf wil exploiteren
                    horen daar ook bepaalde verplichtingen bij, zoals bijvoorbeeld opgenomen in de
                    artikelen 3:11, 3:11a en 3:15a. Wanneer een vergunninghouder zich niet houdt aan
                    de verplichtingen voortvloeiend uit de verordening en de aan de vergunning
                    verbonden voorschriften, dan kan de vergunning worden ingetrokken, wederom
                    afhankelijk van het soort overtreding. </al><tussenkop>Vierde lid onder d </tussenkop><al>Het kan zijn dat een andere of eerdere vergunning voor eenzelfde exploitant is
                    ingetrokken wegens zodanig ernstige redenen dat het niet meer wenselijk is om
                    aan diezelfde exploitant een nieuwe vergunning te verlenen, ook al is het op een
                    andere locatie. Bepaalde gedragingen van exploitanten gaan namelijk zover dat op
                    welke plaats dan ook die gedragingen moeten worden tegengegaan.</al><tussenkop>Vierde lid onder e</tussenkop><al>Voor een toelichting hierop verwijzen wij naar de toelichting onder 3:10 lid 2
                    van de APV.</al><tussenkop>Vierde lid onder f</tussenkop><al>Verwezen wordt naar de toelichting bij artikel 3:10, derde lid onder a.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>In artikel 3:14 zijn verschillende verplichtingen opgenomen die gelden voor de
                    tijden dat een bedrijf gesloten dient te zijn, dan wel voor de
                    raamprostitutiebedrijven in de Hardebollenstraat in zijn geheel sluitingstijden
                    laat gelden. Wanneer de sluitingstijden niet in acht worden genomen dan wel als
                    er sprake is van een overtreding van andere verplichtingen die zijn gesteld in
                    artikel 3:14 van de APV dan kan dit leiden tot het intrekken van de verleende
                    vergunning. </al><tussenkop>Artikel 3:15a Adverteren</tussenkop><al>Dit artikel bevat een aantal regels over adverteren. De verplichting om in
                    advertenties het nummer te vermelden van de vergunning die aan de seksinrichting
                    / het escortbedrijf is verleend, vergemakkelijkt het toezicht. Voor
                    niet-vergunde bedrijven is het niet mogelijk om op de in de APV voorgeschreven
                    wijze te adverteren. De verplichting een vast telefoonnummer op te geven is
                    opgenomen omdat aan de hand van een mobiel nummer niet altijd is na te gaan wie
                    de gebruiker is van dat nummer. Dit is vanuit het oogpunt van toezicht juist
                    onontbeerlijk.</al><tussenkop>Artikel 3:16 Registratieplicht raamprostituees </tussenkop><al>Een belangrijke maatregel bij de bestrijding van mensenhandel betreft de
                    registratieplicht van raamprostituees. De verplichting vormt ook een barrière
                    voor personen die zich schuldig maken aan mensenhandel. Onderdeel van de
                    registratieprocedure is een verplicht gesprek met de prostituee door een
                    medewerker van de gemeente. Door dit gesprek wordt de gemeente in staat gesteld
                    signalen van mensenhandel op te vangen en deze te delen met de politie en met de
                    hulpverlening. De GG&amp;GD pakt haar rol op vanuit het oogpunt van zorg. </al><al>Met de registratieplicht wordt verder beoogd het mogelijke isolement van de
                    raamprostituee op te heffen door het verplichte contact met de GG&amp;GD. Ook
                    anderszins wordt de veiligheid van prostituees vergroot, de groep wordt beter
                    bereikbaar voor het verstrekken van informatie en het bieden van hulp. </al><al>Verder zal de registratie het toezicht en de handhaving vergemakkelijken. Van de
                    raamprostituee worden niet méér gegevens gevraagd dan nodig voor een deugdelijke
                    registratie.</al><al>Er zijn verschillende weigeringsgronden toegevoegd aan dit artikel. Deze
                    weigeringsgronden komen ook terug in de gronden die er zijn om een registratie
                    te verwijderen.</al><al>Als eerste is toegevoegd aan de weigeringsgronden dat registratie wordt
                    geweigerd wanneer er aanwijzingen zijn van mensenhandel dan wel andere vormen
                    van uitbuiting. Dit betekent ook dat de opzet van het registratiegesprek wordt
                    gewijzigd waarbij de zorg voor de prostituee nog steeds een grote rol in het
                    gesprek speelt. Uit consultatie van de prostituees kwam ook naar voren dat zij
                    eveneens van mening waren dat óf de gevolgen van het registratiegesprek / de
                    registratie 'strenger' moesten worden (dus een weigering bij signalen
                    mensenhandel) óf de registratie moest worden afgeschaft. Het toevoegen van deze
                    weigeringsgrond maakt dat de barrière tegen mensenhandel bij registratie nog
                    groter wordt. Om te toetsen of er sprake is van signalen van mensenhandel zal
                    ook de zelfredzaamheid van de prostituee worden beoordeeld. Hiervoor zal een
                    beleidsregel worden vastgesteld. </al><al>Daarnaast is toegevoegd dat een registratie wordt geweigerd indien de prostituee
                    niet beschikt over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel. </al><al>Hierbij merken wij uitdrukkelijk op dat het toekennen van een registratie niet
                    maakt dat de exploitant geen verantwoordelijkheid draagt voor het melden dan wel
                    herkennen van signalen van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting. De
                    gemeentemedewerkers en de politie hebben immers slechts een beperkt zicht op de
                    prostituee. De exploitant is alle dagen dat zij in zijn werkt in zijn inrichting
                    verantwoordelijk voor het toezicht in de seksinrichting. Daar hoort o.a. bij dat
                    hij signalen (van bijvoorbeeld gehaald en gebracht worden) moet oppikken en
                    doorgeven aan de bevoegde instanties. Ook kan het zo zijn dat de exploitant een
                    prostituee afwijst, omdat hij van mening is dat de prostituee onvoldoende een
                    westerse taal spreekt, terwijl de gemeente dit wel accepteerde. Dit kan
                    bijvoorbeeld doordat de gemeente zich baseert op eigen ervaring of beroepshalve
                    bij hun bekende stukken. De afgifte van een registratienummer is dan ook geen
                    vrijbrief voor de exploitant om de prostituee om die reden een kamer te
                    verhuren. </al><al>Bij de registratie moet de raamprostituee een geldig identiteitsbewijs
                    overleggen. Aan de hand hiervan controleert de gemeente of de prostituee
                    meerderjarig is en of zij beschikt over een voor het verrichten van arbeid
                    noodzakelijke verblijfstitel. Indien een prostituee nog niet de leeftijd van
                    éénentwintig (21) jaar heeft bereikt, niet beschikt over een voor het verrichten
                    van arbeid noodzakelijke verblijfstitel of indien de opgegeven persoonsgegevens
                    niet juist zijn, zal de gemeente de registratie weigeren.</al><tussenkop>Artikel 3:16a Overgangsbepaling</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Gezien de huidige situatie en op korte termijn noodzakelijke verbeteringen
                    binnen de raamprostitutie in Utrecht is er expliciet voor gekozen om voor die
                    bedrijven geen overgangsrecht op te nemen. Hiervoor wordt de gewijzigde APV dan
                    ook direct van toepassing. Dit betekent dat vergunningen voor de exploitatie van
                    een raamprostitutiebedrijf, die niet voor inwerkingtreding van de nieuwe
                    bepalingen in de APV zijn verleend, worden verleend volgens deze nieuwe regels
                    (ex-nunc toetsing).</al><al>De bestaande bordelen en overige bedrijven met een vergunning voor een
                    seksinrichting (zoals massagesalons en seksbioscoop) moeten bij het vernieuwen
                    van deze vergunning gaan voldoen aan de regelgeving. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Ten aanzien van de verhoging van de leeftijdseis voor prostituees is
                    overgangsrecht opgenomen zodat prostituees met bestaande rechten welke nog niet
                    aan deze eis voldoen op de datum van inwerkingtreding van deze verordening, niet
                    met ingang daarvan hun werk verliezen op grond van deze leeftijdseis. </al><tussenkop>Afdeling 3.3 Straatprostitutie</tussenkop><tussenkop>Artikel 3:17 Straatprostitutie </tussenkop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>In 1986 is de huidige tippelzone “De Baan” op een deel van de parallel- weg van
                    de Europalaan in het leven geroepen. Dit om een eind te maken aan het tippelen
                    van vooral verslaafde prostituees op diverse plaatsen in de (binnen)stad,
                    hetgeen gepaard ging met overlast en openbare orde problemen (rondhangende
                    dealers, drugsgebruik op straat, afwerken in tuinen, portieken en dergelijke) en
                    om aan deze prostituees op de locatie hulp te kunnen bieden. De tippelzone is in
                    deze opzichten een succes, waarbij veiligheid voor zowel prostituee als klant
                    een belangrijke rol heeft gespeeld. De inzet van politie en hulpverleners draagt
                    in grote mate bij aan het succes van de tippelzone. </al><al>Arbeidsomstandigheden en gezondheid van prostituees zijn verbeterd door de inzet
                    van de Huiskamer Aanloop Prostituees (hierna te noemen HAP) - bus op tijden
                    waarop de tippelzone geopend is. Er zijn veilige afwerkplekken gecreëerd zodat
                    prostituee en klant niet naar omliggende woonwijken of andere plaatsen behoeven
                    uit te wijken. Hier wordt overigens ook streng op toegezien. Door de situering
                    van de tippelzone en de afwerkplekken is een goede verkeerscirculatie
                    gewaarborgd. </al><al>In 2005 is het vergunningstelsel voor straatprostitutie in het leven geroepen,
                    omdat op de Utrechtse tippelzone, door sluiting van tippelzones elders, de
                    toeloop zo groot werd, dat niet alleen de prostituees waarvoor de tippelzone in
                    het leven was geroepen (Utrechtse verslaafde prostituees) in het gedrang
                    dreigden te komen, maar ook de beheersbaarheid van de tippelzone en de openbare
                    orde (zie hiertoe ook het collegebesluit betreffende de notitie "Evaluatie
                    tippelzone De Baan/terugdringen toestroom" en de brief van het college aan de
                    raadscommissies Bestuur en Veiligheid en Maatschappelijke Ontwikkeling, beide
                    d.d. 10 november 2004). De vrees bestond dat prostituees wellicht nog de weg
                    zouden weten te vinden naar voormalige tippellocaties in de binnenstad met alle
                    gevolgen van overlast en openbare orde problematiek van dien. Daarnaast kon bij
                    een te grote toestroom hulpverlening en handhaving niet meer gewaarborgd worden,
                    hetgeen de arbeidsomstandigheden en gezondheid van de prostituees en de
                    veiligheid op de tippelzone niet ten goede zou komen (te denken valt onder
                    andere aan afwerken op plaatsen buiten de daartoe aangelegde afwerkplekken,
                    tippelen buiten de zone, meer onrust tussen prostituees onderling door grote
                    concurrentie, grotere druk op prostituees om onveilig te werken in verband met
                    (te) grote concurrentie met gevaar voor verspreiding van seksueel overdraagbare
                    aandoeningen, en dergelijke, waarbij dergelijke verslechteringen ook een
                    negatieve neerslag zouden hebben op de onmiddellijke omgeving van de tippelzone
                    en waarschijnlijk ook daarbuiten). Het vergunningstelsel voor de tippelzone
                    biedt de mogelijkheid een (ongecontroleerde) toestroom naar de tippelzone in te
                    dammen teneinde deze beheersbaarheid van de tippelzone te waarborgen. Gelet op
                    bovenstaande zal het niet verwonderen dat de positie van de verslaafde Utrechtse
                    prostituee bijzondere aandacht verdient in een vergunningstelsel. Om de positie
                    van de doelgroep te versterken is hiertoe het beleid in 2008 aangepast middels
                    het hanteren van een verdeelsleutel (zie hiertoe het collegebesluit "Aanpassing
                    beleid en nadere regels tippelzone De Baan" en de brief van het college aan de
                    raadscommissies Bestuur en Veiligheid en Maatschappelijke Ontwikkeling d.d. 10
                    juni 2008). </al><tussenkop>Verblijfsrechtelijke toets </tussenkop><al>Op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit kunnen
                    vreemdelingen zonder de juiste en geldende verblijfstitel geen aanspraak maken
                    op bepaalde gemeentelijke vergunningen of ontheffingen (artikel 10, eerste lid
                    Vreemdelingenwet 2000 en artikel 8.3, tweede lid Vreemdelingenbesluit 2000). Het
                    gaat dan om vergunningen voor standplaatsen, markten, venten, collecteren,
                    evenementen dan wel beroeps- matige of bedrijfsmatige activiteiten. </al><al>Hieronder vallen ook vergunningen voor de tippelzone (volgens de jurisprudentie
                    moet prostitutie als een bedrijfsmatige activiteit worden beschouwd). </al><al>Bestuursorganen dienen dan ook een verblijfsrechtelijke toets uit te voeren
                    voorafgaand aan het besluit op de aanvraag om genoemde vergunningen of
                    ontheffingen. Blijkt uit de verblijfsrechtelijke toets dat de aanvrager geen
                    aanspraak kan maken op de gevraagde vergunning of ontheffing dan dient deze
                    geweigerd te worden. </al><tussenkop>Toezicht/handhaving </tussenkop><al>Toezichthouders kunnen bij besluit van het bevoegd bestuursorgaan op grond van
                    artikel 6:2 APV en artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht worden
                    aangewezen. Op dit moment zijn als toezichthouders voor de tippelzone aangewezen
                    een aantal ambtenaren van de Politie Utrecht die over algemene
                    opsporingsbevoegdheden beschikken, zoals o.a. politieambtenaren werkzaam in
                    Kanaleneiland, ook zedenrechercheurs, politieambtenaren belast met Vreemdelingen
                    Toezicht en de Informatierechercheur Mensenhandel/Mensensmokkel voor de regio
                    Utrecht en enkele gemeentelijke toezichthouders. </al><al>In strafrechtelijke zin houdt de Politie Utrecht zich bezig met opsporing en
                    handhaving van strafbare feiten die prostitutie gerelateerd zijn, zoals
                    prostitutie door minderjarigen, gedwongen prostitutie, mensensmokkel en
                    mensenhandel. Zowel toezichthouders als politieagenten hebben op grond van de
                    Wet uitgebreide identificatieplicht en daarmee gepaard gaande wijziging in Awb
                    en de Politiewet 2012 de bevoegdheid identificatie te eisen van personen van 14
                    jaar en ouder voor zover dit noodzakelijk is bij de uitoefening van hun taken.
                    In het kader van prostitutie kan hierbij onder andere gedacht worden aan
                    voorkomen en opsporen van prostitutie door minderjarigen of illegale
                    vreemdelingen, gedwongen prostitutie, toezicht op de naleving van
                    vergunningvoorschriften, optreden tegen tippelen buiten de zone, enzovoort. De
                    documenten waarin inzage verlangd kan worden zijn documenten als bedoeld in
                    artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. De Politiewet 2012 en de Awb
                    zijn hiertoe aangepast. </al><al>Ook het tweede en derde lid van de artikel 151a van de Gemeentewet zijn
                    aangepast zodat, als het gaat om prostitutie, politieambtenaren en de aangewezen
                    toezichthouders eveneens inzage in deze documenten kunnen vragen bij personen
                    die de leeftijd van 14 jaar nog niet hebben bereikt. Als het gaat om prostitutie
                    is de toonplicht overigens niet beperkt tot prostituees, maar tot alle personen
                    die betrokken zijn bij het geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele
                    handelingen tegen betaling (Memorie van toelichting op de Wet op de uitgebreide
                    identificatieplicht, punt 10 artikelsgewijze toelichting bij artikel IX, blz.
                    22.) Dit wordt nogmaals bevestigd in de Memorie van Antwoord bij de Wet op de
                    uitgebreide identificatieplicht waarin het voorbeeld wordt aangehaald dat de
                    toonplicht ook geldt voor klanten/bezoekers, bijvoorbeeld indien verdenking
                    bestaat van overtreding van bepaalde zeden- delicten zoals seks of ontucht met
                    minderjarigen (Memorie van Antwoord op de Wet op de uitgebreide
                    identificatieplicht, punt 5, blz. 10). In de Memorie van Toelichting bij de Wet
                    op de uitgebreide identificatie- plicht (punt 10 artikelsgewijze toelichting bij
                    artikel IX, blz. 22) wordt aangegeven dat gemeentelijke bestuursorganen bij de
                    handhaving van het prostitutiebeleid zonder beperkingen kunnen vragen naar de
                    identiteit van de prostituee met het oog op de vaststelling van leeftijd en
                    nationaliteit. </al><tussenkop>Eerste lid: Verbod op straatprostitutie </tussenkop><al>Op grond van deze bepaling is straatprostitutie in Utrecht verboden tenzij dit
                    plaatsvindt op de wegen en plaatsen en gedurende de tijden die het college
                    daartoe heeft aangewezen. Sinds 1986 is een stuk parallelweg van de Europalaan
                    aangewezen als tippelzone om op deze wijze een eind te maken aan met name de
                    overlast veroorzaakt door tippelende verslaafde prostituees en daarbij behorende
                    randverschijnselen en randfiguren op diverse plaatsen in de binnenstad. </al><al>Het verbod doelt op het tippelen op straat. Met deze omschrijving is geenszins
                    beoogd ook raamprostitutie onder de werking van het verbod te brengen. Voor
                    raamprostitutie gelden immers de bepalingen betreffende de seksinrichtingen. Met
                    de zinsnede “voor publiek toegankelijke plaatsen” moet dan ook niet gedacht
                    worden aan raamprostitutiepanden, maar aan bijvoorbeeld (brand)gangetjes,
                    portieken en dergelijke. </al><tussenkop>Tweede lid: Bevoegd bestuursorgaan en vergunningverlening </tussenkop><al>Gelet op het feit dat de openbare orde een grote rol speelt bij het hanteren van
                    een vergunningstelsel op de tippelzone is de burgemeester op grond van zijn
                    bevoegdheid als bedoeld in artikel 172 van de Gemeentewet het bevoegde
                    bestuursorgaan. </al><al>De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:5 APV) en er kunnen voorschriften
                    en beperkingen aan verbonden worden (artikel 1:4 APV). </al><tussenkop>Derde lid, onder a. </tussenkop><al>Op grond van artikel 4:4 Awb kan het bevoegd bestuursorgaan een
                    aanvraagformulier vaststellen. In dit lid is aangegeven wat het
                    aanvraagformulier in ieder geval dient te bevatten. Met gegevens van de
                    aanvrager worden in ieder geval bedoeld naam (voornaam, achternaam en eventueel
                    werknaam), (post)adres, geboorteplaats en geboortedatum. In Utrecht is een
                    maximum aantal te verlenen vergunningen met verdeelsleutel vastgesteld: zie de
                    toelichting bij het zevende lid). Het formulier dient naar waarheid te worden
                    ingevuld. Het niet naar waarheid invullen van het formulier is een strafbaar
                    feit. Daarnaast kan de vergunning worden ingetrokken (artikel 1:6 en 3:17,
                    achtste lid APV). </al><al>0p grond van artikel 4:2, tweede lid Awb dient de aanvrager gegevens en
                    bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn.
                    Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bescheiden op basis waarvan de
                    gegevens zoals vermeld op de aanvraag geverifieerd kunnen worden. Ook kan het
                    gaan om een document waaruit de leeftijd of de verblijfsrechtelijke status van
                    de aanvrager blijkt. Op grond van artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet
                    2000 geldt de verplichting voor een vreemdeling om desgevraagd bij een aanvraag
                    voor een beschikking een document of schriftelijke verklaring te overleggen
                    waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Dit document kan worden beschouwd als
                    een bescheid noodzakelijk voor de beslissing op de aanvraag. Een vreemdeling kan
                    het overleggen van een dergelijk document niet weigeren op grond van artikel
                    4:3, eerste lid Awb. </al><al>Voor aanvragers uit de zogenaamde Associatielanden kan gedacht worden aan
                    bescheiden waaruit blijkt dat de aanvrager als zelfstandig ondernemer werkzaam
                    is. </al><al>Zijn de gegevens en bescheiden onvoldoende voor de beoordeling van de aanvraag
                    dan kan het bevoegd bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen
                    nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen
                    (artikel 4:5 Awb). </al><tussenkop>Onder b. </tussenkop><al>Het vereiste dat de aanvrager de aanvraag in persoon moet doen is opgenomen in
                    verband met het feit dat de vergunning persoonsgebonden is. Daarnaast is dit van
                    belang bij het verifiëren van gegevens en bescheiden. De aanvrager kan zo
                    bijvoorbeeld de aanvraag toelichten of eventuele onduidelijkheden wegnemen. Het
                    in persoon verschijnen is ook van belang voor het voorkomen van zaken als
                    prostitutie door minderjarigen, gedwongen prostitutie, loverboyachtige
                    constructies, mensenhandel, mensensmokkel en andere vaak met prostitutie
                    samenhangende criminaliteit (zie ook de weigeringgrond lid 6a onder a.). De
                    ambtenaar die de aanvraag in ontvangst neemt, dient hier alert op te zijn en
                    eventueel door te vragen, nader onderzoek (eventueel in het kader van de wet
                    Bibob) te doen, hetgeen eventueel gevolgd kan worden door weigering van de
                    vergunning, maar ook door strafrechtelijk onderzoek (opsporing) en
                    strafrechtelijke maatregelen. Voorkomen moet worden dat vergunningverlening
                    criminele activiteiten faciliteert. Indien de aanvrager niet in persoon
                    verschijnt dan dient de aanvraag buiten behandeling te blijven op grond van
                    artikel 4:5 Awb, uiteraard nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld
                    alsnog in persoon te verschijnen. </al><tussenkop>Vierde lid </tussenkop><al>Dit lid is opgenomen om de geldigheidsduur van vergunningen nader te kunnen
                    bepalen. Een aantal prostituees maken op vaste tijden en dagen gedurende het
                    gehele jaar gebruik van de tippelzone, anderen daarentegen verschijnen alleen
                    bepaalde, soms zeer korte, periodes, bijvoorbeeld tegen de feestdagen of
                    voorafgaand aan een vakantieperiode. Er is in dat opzicht grote diversiteit in
                    intensiteit waarmee prostituees gebruik maken van de tippelzone. In verband met
                    de mogelijkheid een maximum aan het aantal te verlenen vergunningen te
                    verbinden, is het van belang dat de geldigheidsduur van vergunningen flexibel
                    is. </al><al>Door flexibiliteit in geldigheidsduur van vergunningen te hanteren kan een
                    vergunning op maat worden verstrekt. Zo hoeft bijvoorbeeld aan een
                    “gelegenheidstippelaar” geen vergunning voor langere tijd te worden verstrekt.
                    Daarnaast kan ingespeeld worden op veranderingen in bezettingsgraad en populatie
                    op de tippelzone. </al><tussenkop>Vijfde lid </tussenkop><al>Het vijfde lid is opgenomen om te voorkomen dat het vergunningenbestand wordt
                    “vervuild” door ongebruikte vergunningen. Het feit dat de vergunning vervalt
                    indien de vergunninghouder er binnen een door het bevoegd bestuursorgaan te
                    bepalen periode geen gebruik van heeft gemaakt, kan worden opgenomen in de
                    vergunning afzonderlijk. </al><tussenkop>Lid 6a: Weigeringgronden </tussenkop><tussenkop>Onder a. </tussenkop><al>Hier zijn de imperatieve weigeringgronden weergegeven. Indien één of meer van
                    deze weigeringgronden aan de orde zijn, moet de vergunning geweigerd worden. Het
                    bestuursorgaan heeft hierin geen beleidsvrijheid. De onder a weergegeven
                    weigeringgronden zijn ingegeven uit openbare orde overwegingen en dienen onder
                    andere ter voorkoming van gedwongen prostitutie, prostitutie door personen van
                    wie de verblijfsrechtelijke positie dit niet toestaat, prostitutie door
                    minderjarigen, mensensmokkel of -handel. Zo zullen bijvoorbeeld gedwongen
                    prostitutie of prostitutie door minder- jarigen worden beschouwd als ernstige
                    inbreuken op de openbare orde. </al><al>Het begrip openbare orde heeft immers een ruime betekenis en omvat ook de
                    algemeen bestuurlijke preventie van criminaliteit. Het spreekt voor zich dat
                    vergunningen geweigerd moeten worden zodra het maximum aantal te verlenen
                    vergunningen wordt overschreden. </al><tussenkop>Onder b.</tussenkop><al>Zoals voor alle prostituees binnen de gemeentegrenzen van Utrecht is ook hier
                    toegevoegd dat een prostituee de leeftijd van 21 jaar moet hebben bereikt.
                    Indien dat niet het geval is wordt de gevraagde vergunning geweigerd.</al><tussenkop>Lid 6b. </tussenkop><al>Onder b zijn de facultatieve weigeringgronden opgenomen. Indien één of meer van
                    deze weigeringgronden aan de orde is, kan het bevoegd bestuursorgaan
                    bijvoorbeeld besluiten de vergunning te weigeren, maar kan ook besloten worden
                    de vergunning te verlenen onder het stellen van aanvullende voorschriften. </al><al>De in dit lid genoemde belangen vormen eveneens een basis voor eventuele vast te
                    stellen nadere regels (zie hetgeen hierover is opgemerkt in de toelichting bij
                    het achtste lid) of aan de vergunning te verbinden voorschriften. </al><tussenkop>Zevende lid: Nadere regels </tussenkop><al>Op grond van dit lid kunnen nadere regels worden vastgesteld door het bevoegd
                    bestuursorgaan. Dit met het oog op de bescherming van de belangen genoemd in het
                    zevende lid onder a en b. Zo hebben wij op grond van het bepaalde in dit lid
                    bijvoorbeeld een maximum voor het aantal uit te geven vergunningen vastgesteld.
                    Het succes van de tippelzone en het hiermee gepaard gaande goede beheersbaarheid
                    van de openbare orde, is te danken aan de juiste verhouding en afstemming tussen
                    het aantal tippelaars per avond, de zorgvoorziening van de op de zone geboden
                    hulpverlening (HAP-bus) en de inzet van de politie voor wat betreft toezicht en
                    handhaving. Dit alles heeft er voor gezorgd dat de Utrechtse tippelzone een
                    veilige zone is, hetgeen ook ten goede komt aan de arbeidsomstandigheden en
                    gezondheid van de prostituees. Gebleken is dat dit precaire evenwicht niet meer
                    gewaarborgd kan worden bij een te grote toestroom van prostituees (zie hiertoe
                    het college- besluit betreffende de notitie “Evaluatie tippelzone De
                    Baan/terugdringen toestroom” d.d. 2 november 2004), hetgeen het geval blijkt te
                    zijn indien het aantal bezoekers van de HAP-bus het aantal van 50 personen per
                    avond overschrijdt. </al><al>Een te grote toestroom heeft niet alleen gevolgen voor de hulp- en zorgverlening
                    aan de (voornamelijk verslaafde) prostituee, maar ook voor de beheersbaarheid
                    van de openbare orde. (zie het besluit "Nadere regels vergunningstelsel De Baan"
                    d.d. 10 juni 2008). Met het vaststellen van een maximumstelsel met
                    verdeelsleutel is bijzondere aandacht uitgegaan naar de positie van de Utrechtse
                    verslaafde prostituee. </al><al>Daarnaast moet voorkomen worden dat prostituees aan wie een vergunning is
                    geweigerd, bijvoorbeeld omdat het vastgestelde maximum aantal vergunningen is
                    vergeven, alsnog gaan tippelen buiten de zone. </al><al>Ook andere belangen kunnen nopen tot het vaststellen van nadere regels. Te
                    denken valt bijvoorbeeld aan het belang van de verkeersvrijheid- en veiligheid.
                    De tippelzone bevindt zich immers op de openbare weg. Maar ook kan gedacht
                    worden aan regels ter verbetering van de arbeidsomstandigheden van de
                    prostituees of ter voorkoming van de verspreiding van seksueel overdraagbare
                    aandoeningen (SOA’s). </al><tussenkop>Achtste lid, onder c. </tussenkop><al>Bij slecht levensgedrag moet gedacht worden aan overlastgevend gedrag of gedrag
                    waarbij de openbare orde op de tippelzone in het gedrang komt, zoals schreeuwen,
                    schelden, ruziezoeken of - maken, dealen in drugs of drugs gebruiken, stelen,
                    gewelddadig gedrag en dergelijke. Daarnaast valt hieronder in ieder geval ook
                    het tippelen buiten de aangewezen wegen, plaatsen en tijden. Het met vergunning
                    tippelen binnen de tippelzone op zich is uiteraard hiervan uitgesloten en vormt
                    op zich geen reden voor deze intrekkinggrond. </al><tussenkop>Negende lid </tussenkop><al>In dit lid is de grondslag voor een verwijderingbevel gegeven. De plicht om aan
                    zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het
                    Wetboek van strafrecht, evenals de sanctie op niet-naleving. Het niet voldoen
                    aan een verwijderingbevel kan resulteren in een verblijfsontzegging (zie artikel
                    2:3 APV). Het bepaalde onder a. heeft betrekking op straatprostitutie buiten de
                    daartoe aangewezen wegen, plaatsen en tijden en geeft -ter handhaving van het
                    verbod daarop- toezichthouders en politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot
                    onmiddellijke verwijdering te geven. </al><al>Het bepaalde onder b heeft betrekking op straatprostitutie binnen de daartoe
                    aangewezen wegen, plaatsen en tijden en ziet niet alleen op de prostituees. Zo
                    kan bijvoorbeeld in het belang van de openbare orde en veiligheid of de
                    voorkoming of beperking van overlast ter plaatse, door toezichthouders en
                    politieambtenaren een bevel tot onmiddellijke verwijdering worden gegeven aan
                    prostituees, maar ook aan andere aldaar aanwezige personen. </al><tussenkop>Tiende lid </tussenkop><al>Gelet op de aard van de vergunning en de effecten die straatprostitutie op het
                    woon- en leefklimaat en de openbare orde heeft, is het toepassen van een lex
                    silencio niet wenselijk. </al><tussenkop>Elfde lid </tussenkop><al>In artikel 3:12 is bepaald dat het verboden is om zich op dwingende wijze te
                    bemoeien met een prostituee. Met het elfde lid is tot uitdrukking gebracht dat
                    deze bepaling niet beperkt is tot raamprostituees, maar dat deze ook geldt voor
                    straatprostituees.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente</tussenkop><al>Afdeling 4.1 Overige Geluidhinder</al><tussenkop>Inrichtingen</tussenkop><tussenkop>Besluit</tussenkop><al>Op 1 januari 2008 is het nieuwe Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer (hierna: Besluit) in werking getreden. Dit besluit vervangt een
                    groot aantal algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Een van die AMvB’s is
                    het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Voor de
                    inwerkingtreding van het nieuwe Besluit werd in de APV voor festiviteiten met
                    het begrip “Besluit” verwezen naar het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer en werd voor diverse begrippen (bijvoorbeeld
                    het begrip inrichting) aangesloten bij dit besluit. Het Besluit geeft, evenals
                    het oude Besluit horeca- sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer,
                    gemeenten de mogelijkheid om bij festiviteiten via een gemeentelijke verordening
                    ontheffing te verlenen voor artikelen over geluid-, trillings- en lichthinder.
                    In Utrecht betreft dit de Vrijstellingsverordening inrichtingen milieubeheer
                    2008.</al><al>Er zijn ook diverse inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van het oude besluit.
                    Met de inwerkingtreding van het Besluit wordt het aantal branches en bedrijven
                    dat gebruik kan maken van de regelingen voor collectieve en individuele
                    festiviteiten vergroot. Zo vallen (niet-agrarische) inrichtingen die voorheen
                    onder een van de elf andere AMvB’s vielen nu ook onder het nieuwe besluit. Het
                    gaat om besluiten als bijvoorbeeld Besluit opslag- en transportbedrijven,
                    Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven, Besluit bouw- en houtbedrijven en
                    Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen. Ook diverse soorten inrichtingen die
                    voorheen vergunningplichtig waren, zoals metaalelektrobedrijven, vallen nu onder
                    het Besluit.</al><al>Een tweede belangrijke wijziging is dat het Besluit de mogelijkheid biedt om in
                    de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter
                    voorkoming of beperking van geluidhinder.</al><tussenkop>Artikel 4:1 Overige geluidhinder</tussenkop><al>Artikel 4:1 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><lijst><li nr="∙"><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</al></li><li nr="∙"><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen;</al></li><li nr="∙"><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr="∙"><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</al></li><li nr="∙"><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen;</al></li><li nr="∙"><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.;</al></li><li nr="∙"><al>overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</al></li></lijst><al>Voorts kunnen onder artikel 4:1 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door
                    het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van
                    geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook
                    niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde,
                    aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging
                    betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke
                    situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften.</al><al>Bedacht moet worden dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens een
                    minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond hebben.
                    Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl
                    men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mede te werken.</al><al>In het derde lid is een uitzondering gemaakt van het verbod voor zover de Wet
                    milieubeheer van toepassing is. Dit houdt onder andere in dat het verbod van dit
                    artikel niet geldt voor zover de activiteiten bedrijfsmatig worden ondernomen,
                    dan wel worden ondernomen in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is. Dit artikel
                    biedt derhalve slechts mogelijkheden ten aanzien van hobbymatige activiteiten
                    (dit geldt ook voor de andere artikelen opgenomen in deze afdeling). Deze mogen
                    echter weer niet dusdanige omvang hebben aangenomen dat zij alsnog onder de Wet
                    milieubeheer vallen. Te denken valt dan aan beunhazerij of een uit de hand
                    gelopen</al><al>De provinciale milieuverordening is toegevoegd in het vijfde lid. In een
                    provinciale milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde
                    milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor
                    deze stiltegebieden kunnen bij provinciale milieuverordening regels over het
                    voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder
                    verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in dit geval voor de
                    gemeentelijke verordening.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Jurisprudentie op grond van het Besluit bestaat nog niet. Onderstaande is
                    gebaseerd op het oude Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
                    milieubeheer.</al><al>Weigering ontheffing om voor onbepaalde tijd eens in de twee weken op dinsdag-
                    of donderdagavond van 19.00 tot 21.30 uur luide hardrockmuziek af te spelen op
                    eigen muziekinstallatie, blijft in hoger beroep in stand. Het opnemen van
                    geluidsnormen in de verordening is een zaak van de gemeentelijke wetgever. ABRS
                    16-12-2002, 200202622/1, LJN-nr. AE8977.</al><al>Voorlopige voorziening, Vergunning onder voorschriften wordt verleend voor het
                    houden van een besloten buurtfeest voor ongeveer 25 personen. Omvang en karakter
                    van het buurtfeest zijn -naar voorlopig oordeel- dusdanig te achten dat daarvan
                    in redelijkheid geen geluidhinder als bedoeld in artikel 4.1.5 (oud) van de APV
                    valt te verwachten. Rb Zutphen 05-07-2002, 02/972 VEROR 58, LJN-nr. AE5178.</al><al>Verlening ontheffing, onder voorschriften, voor het ten gehore brengen van
                    carillonmuziek. Vier keer per dag twee minuten en wekelijks op woensdag- of
                    zaterdagmiddag maximaal 45 minuten. De norm van 75 dB(A) ter plaatse van
                    woningen is niet voldoende onderbouwd. Het uitgangspunt dat het carillon in het
                    winkelgebied moet worden gehoord geeft geen, althans onvoldoende blijk dat de
                    belangen van de appellant, die tussen de toren en het winkelgebied woont, bij de
                    besluitvorming in voldoende mate zijn afgewogen. ABRS 12-12-2001, 200102118/1,
                    LJN-nr. AE0239.</al><al>Ernstige geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het schoonhouden en wellicht
                    bijvullen van een kikkerpoel zal de aanwezigheid van kikkers mogelijk
                    bevorderen, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat de buurman kikkers
                    houdt (op grond van artikel 2.4.20 (oud)) en er de zorg voor heeft (op grond van
                    artikel 4.1.5.1 (oud) van de betreffende verordening). Rb 's-Hertogenbosch, AWB
                    99/6873 GEMWT, LJN-nr. AD4783.</al><al>Weigering ontheffing voor geluidversterking bij geloofsverkondiging. Grote
                    zorgvuldigheid bij uitoefening grondrecht. Vz. ARRS 17-8-1990, AB, 1991, 44
                    m.nt.P.J. Boon, GS, 1991 6913, 3 m.nt. E. Brederveld, JG 91.0144 , BF 1991, 4
                    m.nt.J.M.H. de Vet-tacken.</al><al>Het aan- of afslaan van een c.v.-installatie is niet aan te merken als het
                    verrichten van een handeling in de zin van het APV-artikel. ABRS 3 6 1996, JG
                    97.0148 . Zie ook Lbr. 97/144.</al><al>Vergunningverlening voor het ten gehore brengen van mechanische muziek in
                    winkelstraten. Overlast voor omwonenden. ABRS 10-3-1995, JG 95.0206 m.nt. A.B.
                    Engberts.</al><al>Ontheffing van verbod tot veroorzaken geluidhinder in verband met spelen op
                    trompet. ABRS 7-6-1994, JG 94.0290.</al><al>Geluidsvergunning voor feesttent, waarin met ontheffing van burgemeester alcohol
                    wordt geschonken, is gelijk te stellen aan geluidsvergunning voor
                    horeca-inrichting. Vz. ARRS, JG 92.0395 m.nt. L.J.J. Rogier, GS, 1992, 6945, 4
                    m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens.</al><al>Weigering vergunning voor rijden met geluidswagen, Wnd. Vz. ARRS 2-11-1990, GS,
                    1992, 6937, 6 m.nt. E. Brederveld.</al><al>Vrijheid van godsdienst. Klokgelui Tilburgse pastoor. De rechtbank oordeelde dat
                    de gemeente niet kon optreden op grond van de APV nu de kerk in kwestie een
                    inrichting was in de zin van de Wet Milieubeheer, en daarmee niet onder de
                    werking van het APV artikel viel. Als de gemeenteraad had willen optreden, had
                    ze over de duur en het volume van het klokgelui nadere regels kunnen stellen op
                    grond van artikel 10 WOM. Rb. Breda 26 november 2007. LJN BB8689.</al><tussenkop>Lex silencio positivo (ontheffing)</tussenkop><al>Hoewel de beoordeling van de een ontheffingsaanvraag specifiek en maatwerk is,
                    kan de lex silencio worden toegepast, omdat de aard van het besluit bij
                    ontvangst van de aanvraag makkelijk kan worden ingeschat.</al><al>Bij toepassing van de lex silencio moeten wel vaste voorwaarden aan de
                    ontheffing worden gekoppeld. Het gaat dan om voorwaarden die verband houden met
                    de aard en duur van de ontheffing en de mate waarin geluidsoverlast is
                    toegestaan (bijv. bij een ontheffing om te heien is het niet toegestaan om 's
                    avonds na 22.00 uur te heien). Deze vaste voorwaarden kunnen op basis van een
                    screening van verleende ontheffingen uit het verleden middels vaste rubrieken
                    worden opgenomen in beleidsregels.</al><al>Afdeling 4.2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</al><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Artikelen 75 (Winkelwagentjes) en 80 (Straatvegen) zijn vervallen. De artikelen
                    76 (Verontreiniging van de weg en van terreinen), 77 (Verontreiniging bij
                    werkzaamheden op de weg), 78 (Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken
                    van eet- en drinkwaren), 79 (Wegwerpen van reclame- en strooibiljetten) en 82
                    (Verbod doorzoeken van ter inzameling gereed staande afvalstoffen) waren reeds
                    vervallen.</al><al>Deze bepalingen zijn vervallen vanwege de Afvalstoffenverordening Utrecht 2004.
                    Natuurlijke behoefte doen is behouden en omgenummerd naar artikel 4:2 en
                    Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten
                    gebouwen naar artikel 4:3.</al><tussenkop>Artikel 4:2 Natuurlijke behoefte doen</tussenkop><al>Deze bepaling staat al sinds jaar en dag in de Apv. Momenteel zijn er veel
                    gemeenten die in het kader van een lik-op-stuk-beleid onderhavige bepaling
                    strikt handhaven. Nut en noodzaak in de gemeente Utrecht is aanwezig m.n.
                    tijdens uitgaansavonden (wildplassen).</al><tussenkop>Artikel 4:3 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                    en putten buiten gebouwen</tussenkop><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de bouwverordening geschrapte
                    artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het
                    bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, zijn deze in de Apv opgenomen. Zie
                    daarover ook Gst. nr. 6849, 14, m. nt. mr. J.M.H.F. Teunissen.</al><al>In de gemeente Utrecht wordt deze bepaling toegepast en gehandhaafd.</al><tussenkop>Artikel 4:4 Plakken en kladden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><tussenkop>Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 4:4 maakt op
                    dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens
                    het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van
                    bekendmaking meebrengt, voor door dat gebruik een anders recht wordt geschonden.
                    De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming
                    van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is,
                    niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand
                    verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die
                    als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt
                    namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</al><al>Artikel 4:4 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                    aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting
                    dat uit de toepassing van artikel 4:4 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt
                    als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare
                    orde.</al><al>Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                    plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en
                    daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens
                    jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel
                    10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van één plakbord of –zuil op de
                    10.000 inwoners. Zie daarover: M. Geertsema in de noot onder ABRS 05-06-2002 in
                    JG 02.0221.</al><tussenkop>Doen plakken of doen aanbrengen</tussenkop><al>Bij de herziening van 2004 is het verbod van het tweede lid, onder a., in die
                    zin uitgebreid dat nu ook het “doen” plakken of het op andere wijze “doen”
                    aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. Dit vanwege de
                    jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Onder “doen”
                    aanplakken verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te plakken of een
                    actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met
                    succes handhaven.</al><al>Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele
                    verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan
                    te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet
                    plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder
                    dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad.</al><al>Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om
                    bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende
                    posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen.
                    Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de
                    rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met inschakeling van
                    de burgerlijke rechter.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1989, NJ 1990, 222, blijkt dat
                    pas wanneer op grond van de algemene ervaringsregelen aannemelijk is geworden
                    dat rechthebbenden op zodanige schaal zouden weigeren in te stemmen met
                    aanplakking dat in feite geen mogelijkheid tot gebruik van enige betekenis van
                    dit middel tot verspreiding aanwezig is, van de gemeenten een min of meer
                    voorwaardenscheppend beleid gevraagd wordt zodat aan het criterium “<cursief>dat
                        gebruik van enige betekenis moet overblijven</cursief>”, ook feitelijk
                    inhoud kan worden gegeven. Het hangt af van “<cursief>bijzondere plaatselijke
                        omstandigheden</cursief>” of er nog gesproken kan worden van gebruik van
                    enige betekenis. Deze zullen dan ook onderzocht moeten worden, aldus de Hoge
                    Raad in een uitspraak van 26 januari 1993, NJ 1993, 534.</al><al>Verzoek om vergunning voor het aanbrengen van borden aan lantaarnpalen ten
                    behoeve van het plakken van affiches is terecht opgevat als verzoek om
                    toestemming van de gemeente als eigenares van de lantaarnpalen. Betreft een
                    privaatrechtelijke aangelegenheid. ARRS 30 12 1993, JG 94.0194 m.nt. J.M. van
                    den Bosch van Os, AB 1994, 578 m.nt RMvM.</al><al>Een projectie van een lichtreclame is te beschouwen als een andere wijze van
                    aanbrengen dan aanplakken van een afbeelding of aanduiding als bedoeld in de
                    APV. Vz.ARRS 13 12 1992, JG 93.0261 , Gst. 1993, 6965, 3 m.nt EB.</al><tussenkop>Jurisprudentie: Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><al>In APV opgenomen plakverbod is onverbindend wegens strijd met artikel 7, eerste
                    lid Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Derhalve is geen vervolging mogelijk
                    ter zake van “wild plakken”. Er waren geen voldoende vrije plakplaatsen in de
                    stadsdelen. Gemeente is verplicht deze te scheppen. Rb. Amsterdam
                    07-10-1993.</al><al>Over een bepaling in de APV Amsterdam met ongeveer gelijkluidende inhoud als
                    artikel 2:42 oordeelde de Hoge Raad dat “<cursief>niet aannemelijk is geworden
                        dat ten gevolge van het (...) verbod geen mogelijkheid van enige betekenis
                        tot gebruik van het onderhavige middel van verspreiding en bekendmaking zou
                        overblijven</cursief>”. De bepaling is niet in strijd met artikel 10, tweede
                    lid, EVRM, aangezien deze “prescribed by law” is en “necessary in a democratic
                    society (...) for the prevention of disorder” en “protection of the (...) rights
                    of others”. HR 01-4-1997, NJ 1997, 457.</al><al>Plakverbod van artikel 2.4.2 model-APV is niet in strijd met artikel 7 Grondwet
                    noch met artikel 10 EVRM. ABRS 05-06-2002, LJN-nr. AE3657, JG 02.0169 m.nt. M.
                    Geertsema, JB 2002, 221 m.nt. J. van der Velde, AB 2002, 361 m.nt. J.G. Brouwer
                    en A.E. Schilder.</al><tussenkop>Jurisprudentie: Doen plakken of doen aanbrengen</tussenkop><al>Betreft artikel 122 van de APV Utrecht, waarin ook het “doen” plakken was
                    opgenomen. Het college heeft ten onrechte een last onder dwangsom opgelegd tot
                    voorkoming van herhaling van illegaal plakken van reclamemateriaal en tot het
                    verwijderd houden van illegaal plakken. Het is een te ruime uitleg om “doen”
                    aanbrengen zo uit te leggen dat dit mede inhoudt het niet tegengaan dat van
                    Radio 538 afkomstig reclamemateriaal wordt aangeplakt. Er is geen sprake van
                    opdracht of een actieve bemoeienis van Radio 538. ABRS 18-09-2002, LJN-nr.
                    AE7789, JB 2002, 329, Gst. 7181, 42 m.nt. M.M. Dolman en Kistenkas.</al><al>Last onder dwangsom om herhaling van (illegaal) plakken te voorkomen en illegaal
                    plakwerk verwijderd te houden. Uitleg van het begrip “doen aanbrengen” als
                    bedoeld in artikel 122, van de APV Utrecht. Als betrokkene een derde of derden
                    opdracht heeft gegeven tot het aanbrengen van aanplakbiljetten of anderszins
                    actieve bemoeienis heeft gehad met het aanplakken, is deze verantwoordelijk voor
                    het aanbrengen van aanplakbiljetten. Het door het enkele verstrekken van
                    aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen, is
                    onvoldoende. ABRS 15-01-2003, 200203589/1, LJN-nr. AF2902.</al><al>Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur aanplakbiljetten te verwijderen. De
                    vraag is of Loesje als “doen”-plakker” in de zin van de APV verantwoordelijk kan
                    worden gehouden. Dit is niet het geval nu Loesje geen actieve bemoeienis heeft
                    gehad met het aanbrengen van de posters. Loesje heeft de Loesje-posters slechts
                    op internet geplaatst, waarbij is aangegeven dat een ieder de posters voor eigen
                    gebruik vrij kan uitprinten en dat onder eigen gebruik onder meer wordt verstaan
                    het hangen van posters in de stad. Bovendien bevat de internetsite een
                    disclaimer waarin erop wordt gewezen dat posters alleen mogen worden geplakt op
                    plaatsen waar dit is toegestaan en verwezen is naar de toepasselijke APV. Rb.
                    Den Haag 08-07-2004, LJN-nr. AQ5977.</al><al>Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur na de telefonische inkennisstelling
                    al het aangeplakte te verwijderen. Exacte locaties waren ten tijde van de
                    bestuursdwang niet bekend. Opplakken van de posters waren aan een plakbedrijf
                    uitbesteed. De Afdeling acht de termijn, waarbinnen appellante bij de door haar
                    ingeschakelde plakbedrijven moest zien te achterhalen waar de betreffende
                    posters geplakt waren en de verwijdering van die posters moest bewerkstelligen
                    te kort. ABRS 11-08-2004, 200400185/1, LJN-nr. AQ6624.</al><al>Podium had de verspreiding van affiches uit handen gegeven aan een derde met
                    uitdrukkelijke opdracht dat op legale wijze te doen. Toepasselijkheid van
                    artikel 6:171 BW dat voor Podium een risicoaansprakelijkheid vestigt voor
                    onrechtmatig handelen door derden, met wie geen dienstverband bestaat maar die
                    ingeschakeld worden voor werkzaamheden ter uitoefening van haar bedrijf, zonder
                    dat het voor de gemeente duidelijk gescheiden activiteiten waren. In casu achtte
                    de Kantonrechter het illegaal plakken aan een activiteit van Podium te wijten.
                    De kosten die de gemeente heeft gemaakt voor de verwijdering van illegaal
                    geplakte posters op gemeente-eigendommen kan zij verhalen op Podium. Rb. Zwolle,
                    sector kanton 16-12-2003, LJN-nr. AF6147, JG 04.0025 m.nt. E.H.J. de Bruin.</al><al>Appellant heeft posters doen plakken. Hij is verantwoordelijk voor het gedrag
                    van het bedrijf waaraan hij opdracht heeft gegeven posters te plakken, ook als
                    dat bedrijf tegen zijn instructies in zou hebben gehandeld (door op niet
                    toegestane plaatsen te plakken). Dat appellant het bedrijf heeft opgedragen
                    uitsluitend op toegestane locaties te plakken disculpeert hem niet. Gesteld is
                    immers niet dat hij goede grond had om te mogen vertrouwen dat dit bedrijf zich
                    zou houden aan die opdracht. Hof Amsterdam 23-12-2004, 1774/03, LJN-nr.
                    AS5302.</al><tussenkop>Artikel 4:5 Vervoer plakgereedschap e.d.</tussenkop><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                    rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde
                    stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het
                    bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM
                    neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig
                    is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op
                    wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te
                    verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.</al><al>Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van
                    Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met
                    enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van
                    strafprocesrecht.</al><al>Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk
                    gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of
                    er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Het artikel wordt in Utrecht gebruikt om graffiti en wildplakkers tegen te gaan.
                    Het is een middel om verloedering van de (binnen)stad tegen te gaan.</al><tussenkop>Artikel 4:5a Winkelwagentjes</tussenkop><al>Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te
                    verplichten achtergelaten winkelwagentjes direct te verwijderen en op deze
                    winkelwagentjes een duidelijk leesbare aanduiding van de naam en het adres van
                    het bedrijf aan te brengen. </al><al>Een andere aanpak van het probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik
                    van winkelwagentjes. De consument kan een wagentje pas gebruiken met
                    bijvoorbeeld een munt van 50 eurocent. Dit leidt niet altijd tot het gewenste
                    resultaat. Om die reden had de gemeente Utrecht in de APV een verbodsbepaling
                    jegens de burger opgenomen (artikel 75 oud). </al><al>In de gemeente Utrecht zijn op verschillende locaties zogenaamde ringleidingen
                    aangelegd. De leiding wordt gemarkeerd door rode tegels of een rode plakstrip op
                    de tegels, waar de klant niet met het winkelwagentje overheen kan. De wielen
                    worden automatisch geblokkeerd en het karretje kan niet meer voor-of achteruit.
                    Dit systeem is een succes, de winkeliers raken bijna geen winkelwagens meer
                    kwijt.</al><al>Afdeling 4.3 Het bewaren van houtopstanden</al><tussenkop>Kapvergunning en Wabo</tussenkop><al>Na inwerkingtreding van de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsvergunning)
                    zal de huidige kap/vergunning worden omgezet in de omgevingsvergunning inclusief
                    de lex silencio positivo (De vergunning wordt geacht te zijn verleend wanneer
                    niet binnen de genoemde termijn een beslissing is genomen op de aanvraag).
                    Aangezien de betreffende afdeling recentelijk (raadsbesluit 12 maart 2009) is
                    gewijzigd (toevoeging artikel 85 (oud), derde lid, sub e. = 4:7, derde lid, sub
                    e. en wijziging artikel 88 (oud) eerste lid = 4:10, en artikel 90 (oud) = 4:12,
                    is de inhoud van de oude Apv bepalingen, inclusief de (aangepaste) toelichting
                    met betrekking tot het bewaren van houtopstanden overgenomen in deze
                    Apv-versie.</al><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Het doel van de kapvoorschriften is het behoud van waardevolle bomen. Het begrip
                    waardevol is niet te definiëren, maar van belang is de waarde uit een oogpunt
                    van landschapsschoon, natuurschoon, stads- en dorpsschoon, en ook de waarde voor
                    de leefbaarheid van een straat of buurt. </al><al>De kapvoorschriften houden in dat het verboden is waardevolle bomen te vellen
                    zonder vergunning van burgemeester en wethouders. Ter bescherming van de zo-even
                    genoemde belangen kan de vergunning worden geweigerd. Het behoud van waardevolle
                    bomen moet worden afgewogen tegen andere belangen, zoals het belang van degene
                    die tot velling wil overgaan. Worden waardevolle bomen illegaal gekapt of gaan
                    zij door andere oorzaken te gronde, dan kan een herplantplicht worden opgelegd.
                    Ook is het mogelijk een onderhoudsplicht op te leggen, als waardevolle bomen
                    ernstig in het voortbestaan worden bedreigd. Ook hier moet belangenafweging
                    plaatsvinden. </al><al>Voor bepalingen met betrekking tot monumentale bomen wordt verwezen naar de
                    Monumenten-verordening. Een vergunning voor het kappen van een monumentale boom
                    wordt op grond van deze verordening verleend. Een aparte vergunning op grond van
                    de APV is dan niet meer nodig.</al><tussenkop>Artikel 4:7 Velvergunning</tussenkop><tussenkop>Toetsingscriteria </tussenkop><al>Niet alleen de visuele eigenschappen, maar ook andere kwaliteiten van een
                    houtopstand kunnen aanleiding geven tot het weigeren van een kapvergunning,
                    bijvoorbeeld: </al><lijst><li nr="-"><al>de recreatieve waarde van een op zich zelf foeilelijke klimboom, die bij
                            de jeugd als speelobject waardering ondervindt;</al></li><li nr="-"><al>de belevingswaarde van houtopstand vanuit cultuurhistorisch of
                            planologisch oogpunt of wegens ouderdom of situering;</al></li><li nr="-"><al>de natuurwetenschappelijke betekenis van houtopstand, bij voorbeeld
                            doordat daarop zeldzame epifytische of terrestrische planten groeien,
                            hetzij hogere planten dan wel mossen of korstmossen;</al></li><li nr="-"><al>de luchtzuiverende kwaliteiten; </al></li><li nr="-"><al>de invloed op de bodemhuishouding en het microklimaat;</al></li><li nr="-"><al>de nestel- of schuilgelegenheid voor bepaalde diersoorten.</al></li></lijst><al>Voor de beoordeling van deze eigenschappen kunnen van belang zijn de
                    (stam)omvang van de boom, de plantwijze (alleenstaand of in groepen), de
                    standplaats (tussen de bebouwing of in het buitengebied), de soort (snelgroeiend
                    of langzaam groeiend). </al><tussenkop>Artikel 4:7, derde lid, sub e.</tussenkop><al>Omdat is gebleken dat in het verleden aangevraagde vergunningen voor bomen in
                    kleine tuinen niet of nauwelijks werden geweigerd is bepaald dat ongeveer 80%
                    van deze vergunningen niet meer aangevraagd hoefden te worden als een bovengrens
                    van 300 m<sup>2</sup> aan de perceelgrootte (inclusief de woning) werd gesteld.
                    Omdat bomen van 50 jaar en ouder meestal bomen betreft die volledig uitgegroeid
                    zijn (volwassen zijn), en daarmee vaak voldoen aan de criteria uit artikel 4:10,
                    lag het in de rede voor deze bomen een voorbehoud te maken. Dat wil zeggen dat
                    voor bomen van 50 jaar en ouder, ook als ze staan op een perceel van 300
                    m<sup>2</sup> of kleiner, een velvergunning moet worden aangevraagd.</al><tussenkop>Artikel 4:7, derde lid, sub f.</tussenkop><al>Het nieuwe bomenbeleid zoals vastgesteld door de raad op 12 maart 2009 heeft er
                    voor gezorgd dat geen velvergunning meer nodig is voor bomen jonger dan 50 jaar
                    op kadastrale percelen kleiner dan 300 m<sup>2</sup> (zie derde lid, sub
                    e.).</al><al>Dit leidt tot een ongewenst verschil tussen particulier woningbezit dat veelal
                    onder die kadastrale grens blijft en huurwoningen die veelal per blok of blokken
                    woningen op één kadastraal perceel staan dat veel groter is dan 300
                    m<sup>2</sup>.</al><al>Als een huurder een boom uit zijn gehuurde tuin wil vellen, dan moet de
                    woningbouwvereniging als eigenaar nog steeds een velvergunning aanvragen. Met de
                    opname van een nieuw artikellid f. wordt dit onbedoelde verschil gecorrigeerd.
                    Ook bomen jonger dan 50 jaar in tuinen bij huurwoningen vallen dan onder de
                    vrijstelling van de velvergunningsplicht.</al><tussenkop>Lex silencio positivo</tussenkop><al>De velvergunning gaat op in de omgevingsvergunning op basis van de Wabo, zodra
                    deze in werking is getreden. Hierop zal alsdan ook de lex silencio positivo van
                    toepassing worden. </al><tussenkop>Artikel 4:8: Aanvraag vergunning</tussenkop><tussenkop>VERVALLEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:9 Vervallen vergunning</tussenkop><tussenkop>VERVALLEN</tussenkop><tussenkop>Vergunningvoorschriften en weigeringsgronden </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:10, eerste lid</tussenkop><al>Het aantal beoordelingscriteria in artikel 4:10 is vier. Voor het maken van een
                    bestuurlijke afweging wordt niet alleen gebruik gemaakt van de beschrijving van
                    de boom, maar ook van andere relevante gegevens(bronnen) die een aanwijzing
                    kunnen vormen voor de waarde van een boom.</al><tussenkop>Ecologische waarde:</tussenkop><al>Hoe ouder de boom, hoe belangrijker de rol in de ecologische betekenis. Een oude
                    boom heeft meer biomassa en geeft meer leefruimte aan organismen. Bomen zijn
                    ecologisch zeer waardevol als zij in een echte verouderingsfase komen en ook
                    allerlei afbraakprocessen starten. Dat laatste kan in een stedelijke omgeving
                    slechts sporadisch. De ecologische waarde neemt ook toe naarmate het milieu
                    waarin de bomen verkeren meer lijkt op het oorspronkelijke milieu waar de soort
                    zijn oorsprong vindt: de samenhang met een gezond bodemsysteem en met de
                    struik-, kruid- en diersoorten die erbij horen.</al><al>Vanuit ecologisch oogpunt is het belangrijk dat de bomenstructuur geen grote
                    leemten gaat vertonen als gevolg van het vellen van bomen. Bij bomenlanen wordt
                    uitgegaan van een maximaal te overbruggen afstand van 30 meter als een
                    praktijkgegeven.</al><al>Voorbeelden:</al><lijst><li nr="-"><al>de boom biedt een schuil-/broedplaats aan fauna;</al></li><li nr="-"><al>er groeien bijzondere/zeldzame planten op de boom (maretak, korstmossen
                            of andere epifyten);</al></li><li nr="-"><al>er is sprake van een ecologische verbinding voor bijvoorbeeld vogels en
                            insecten, of </al></li><li nr="-"><al>er zijn andere redenen waarom de boom ecologische waarde heeft,
                            bijvoorbeeld omdat de boom op een open stuk grond staat, de boom is een
                            rustplaats voor vogels en insecten of omdat de boom op buurtniveau een
                            verbinding tussen de bomen in de straat en het achterliggende grasveld
                            vormt.</al></li></lijst><tussenkop>Ruimtelijke waarde:</tussenkop><al>Ruimtelijke waarde hebben bomen omdat ze bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit
                    van de stad en de leefomgeving. Bomen brengen samenhang in de stad. Samenhang
                    ontstaat wanneer bomen deel uitmaken van het gehele ruimtelijke samenspel van
                    het onderliggende landschap, het netwerk van wegen en water en de bebouwing. Een
                    samenhangende boombeplanting verduidelijkt de (historische) ruimtelijke opbouw
                    van de stad doordat het de relatie weergeeft met bijvoorbeeld het landschap of
                    stadsgezicht, of met de functie of gebruik.</al><al>Voorbeelden:</al><lijst><li nr="-"><al>de boom heeft duidelijke ruimtelijke invloed op wijkniveau;</al></li><li nr="-"><al>de boom is opvallend en indrukwekkend vanwege formaat;</al></li><li nr="-"><al>de boom zorgt voor herkenbaarheid in de wijk;</al></li><li nr="-"><al>de boom is beeldbepalend door de mate waarin het beeld van de plek
                            wijzigt door het verwijderen van de boom, of </al></li><li nr="-"><al>er zijn andere redenen waarom de boom ruimtelijke waarde heeft
                            bijvoorbeeld in een situatie waarin de boom bijdraagt aan de
                            herkenbaarheid in de wijk: elk kind kent de boom en het speelveld;</al></li><li nr="-"><al>door het verwijderen van de boom resteert alleen een kale vlakte.</al></li></lijst><tussenkop>Milieuwaarde</tussenkop><al>Bomen zorgen voor een eigen microklimaat. Zij dragen op vele manieren bij aan
                    een gezond en veilig woon- werk- en leefmilieu in de stad en zo aan het welzijn
                    van de mens.</al><al>Voorbeelden: </al><lijst><li nr="-"><al>de boom speelt een belangrijke rol bij de tijdelijke berging van
                            water;</al></li><li nr="-"><al>de boom is van belang in verband met hoge bebouwingsdichtheid en/of
                            weinig groen in de omgeving van de boom);</al></li><li nr="-"><al>de boom heeft een buitengewone dempende werking op hinderlijke
                            (monotone) geluiden van verkeer of industrie, of </al></li><li nr="-"><al>de boom heeft om andere redenen milieuwaarde bijvoorbeeld omdat het een
                            van de weinige bomen in een straat is en met het verdwijnen resteert er
                            alleen nog het grasveld met omliggende heesters. </al></li></lijst><tussenkop>Cultuurhistorische waarde</tussenkop><al>Bomen kunnen verweven zijn met de geschiedenis van Utrecht. Ze helpen de
                    ontstaansgeschiedenis van de stad over de eeuwen zichtbaar te maken. </al><al>Voorbeelden: </al><lijst><li nr="-"><al>de boom is herkenbaar als herdenkings-, of markeringsboom;</al></li><li nr="-"><al>de boom levert een buitengewoon aandeel in de beleving van
                            architectonisch belangrijke gebouwen, of</al></li><li nr="-"><al>de boom heeft om andere redenen cultuurhistorische waarde hetgeen
                            bijvoorbeeld blijkt uit archieven of navraag bij bewoners. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:12 Afstand van de grenslijn</tussenkop><al>In de eerdere versies van de Apv stond bij artikel 90 abusievelijk artikel 5:41
                    vermeld, in plaats van het juiste artikel nummer 5:42 van het Burgerlijk
                    Wetboek.</al><al>Zie raadsbesluit 12 maart 2009.</al><tussenkop>Artikel 4:13 Herplant-/instandhoudingsplicht</tussenkop><al>De in dit artikel bedoelde herplantplicht geldt niet zonder meer, maar pas
                    wanneer burgemeester en wethouders daartoe besluiten. De herplantplicht heeft in
                    dit artikel een andere strekking dan in de Boswet: in de wet is zij gericht op
                    het behoud van het bosareaal, terwijl herbeplanting krachtens de onderhavige
                    bepaling geschiedt om redenen van milieubeheer en daardoor vaak zoveel mogelijk
                    ter plaatse moet gebeuren. Hieruit volgt dat een herplantplicht slechts opgelegd
                    kan worden, wanneer hieruit een herstel van geschonden milieuwaarden kan
                    voortkomen.</al><al>Het derde lid betreft houtopstand die nog wel in leven is, maar waarvan
                    redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij binnen afzienbare tijd zal teniet
                    gaan. Krachtens het derde lid kan de zakelijk gerechtigde worden verplicht tot
                    het in stand houden van dergelijke bomen. Deze verplichting kan inhouden het
                    ongedaan maken of voorkomen, voor zover mogelijk van (dreigende) ernstige
                    beschadiging of aantasting ten gevolge van weersomstandigheden, ziekten,
                    verwaarlozing, vraat door dieren, het weghalen van bosstrooisel, bouw- en
                    sloopwerkzaamheden, het aanleggen van terreinverhardingen, het storten van
                    afval, enz.</al><tussenkop>Artikel 4:14 Bestrijding van boomziekten</tussenkop><al>Het APV-artikel ziet op de bestrijding van boomziekten en niet enkel meer op
                    iepziekte. </al><al>Door toename van het aantal boomziekten, zoals de kastanjebloedingsziekte en
                    insectenplagen, zoals kastanjemineermot en eikenprocessierups, was een algemener
                    artikel inzake boomziekten gewenst.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                    gemeente</tussenkop><al>Afdeling 5.1 Parkeerexcessen</al><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>1.<vet>Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen</vet></al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen
                    verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid
                    van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde
                    milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of
                    beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of
                    de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie artikel 2,
                    tweede lid WVW 1994).</al><al>Op initiatief van de VNG heeft de Tweede Kamer door middel van een amendement
                    een nieuw artikel 2a in de Invoeringswet WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt
                    als volgt:</al><al>“<cursief>Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij
                        verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze
                        wet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of
                        krachtens deze wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens
                        krachtens deze wet zich daar niet toe lenen</cursief>.”</al><al>Hierbij werd met name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen, zoals ook
                    blijkt uit de toelichting bij dit amendement. Artikel 2a WVW 1994 geeft derhalve
                    aan dat gemeenten bevoegdheid zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen.
                    De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149
                    Gemeentewet.</al><al>2.<vet>Begrip “parkeerexces”</vet></al><al>In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip
                    “parkeerexces” precies inhoudt. Degene die tot taak heeft hieromtrent
                    verbodsbepalingen te formuleren, zal evenwel tevoren dienen te weten wat dit
                    begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het verkeer aan een voortschrijdende
                    ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip “parkeerexces” bezwaarlijk een
                    voldoende concrete definitie te geven. Blijkens de jurisprudentie kan onder het
                    begrip “parkeerexces” ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen,
                    dus:</al><lijst><li nr="a."><al>zowel wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de
                            verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers,
                            die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien
                            hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke
                            aanvulling).</al></li><li nr="b."><al>In deze omschrijving ligt besloten, dat het gebruik van de weg als
                            parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat
                            de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het
                            aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist
                            in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen;</al></li><li nr="c."><al>alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om
                            andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde
                            of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast
                            (oneigenlijke aanvulling).</al></li></lijst><al>Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats
                    van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg,
                    strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn -zo lijkt de zienswijze
                    van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven- in de eerste
                    plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een
                    voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van)
                    voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur
                    gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij
                    mag het niet te diep ingrijpen in het “normale” verkeer, en dus ook niet in het
                    “normale” parkeren. In het “normale” verkeer voorziet de geldende wettelijke
                    verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad, NG 1974, blz. S88
                    m.nt. jhr. J.J.M.M. van Rijckevorsel.</al><al>Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces ingeval het parkeren
                    op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente,
                    beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen.
                    Al deze vormen van excessief, hinderlijk en ontsierend gebruik van de weg kunnen
                    door de gemeentelijke wetgever aan regels worden gebonden. Zie bij voorbeeld de
                    beide Dordtse arresten van de Hoge Raad, HR 15 juni 1971, NJ 1971, 432, m.nt.
                    W.F. Prins, VR 1972, nr. 32, m.nt. A. Herstel, OB 1972, XIV.1.2.2, nr. 32566 en
                    25 april 1972, NJ 1972, 296, m.nt. W.F. Prins, VR 1972, nr. 113, m.nt. A.
                    Herstel, OB 1972, XIV. 1.2.2, nr. 32567, NG 1972 blz. S 75, m.nt. J.H. van der
                    Veen.</al><al>3.<vet>Plaatsing en rubricering parkeerexcessenbepalingen</vet></al><al>Gezien de ruime uitleg van het begrip “parkeerexces” is het niet nodig om een
                    onderscheid te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg:
                    gevallen die excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als
                    “parkeerexcessen” moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander
                    motief aan het stellen van regels (in hoofdzaak) ten grondslag ligt. Er bestaat
                    geen noodzaak deze soorten in aparte verordeningen onder te brengen, een
                    parkeerexcessenverordening respectievelijk de algemene plaatselijke
                    verordening.</al><al>Het verdient aanbeveling de betreffende bepalingen in hun geheel onder te
                    brengen in de algemene plaatselijke verordening, en wel in een hoofdstuk “Andere
                    onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente”. Plaatsing in dit hoofdstuk
                    verdient de voorkeur boven plaatsing in een ander hoofdstuk, omdat aan deze
                    bepalingen meerdere motieven ten grondslag liggen.</al><al>Met het onder één noemer -die van het parkeerexces- brengen van de betreffende
                    bepalingen blijken de aan de bepalingen ten grondslag liggende motieven niet
                    steeds uit de tekst van de bepalingen. Het is daarom verstandig, dat in de
                    toelichting op de bepalingen deze motieven tot uitdrukking worden gebracht. Een
                    van de voordelen van deze aanpak is, dat artikelen, die een zelfde gedraging
                    verbieden, doch op grond van verschillende motieven, in één artikel kunnen
                    worden samengebracht.</al><al>In afdeling 5.1 “<cursief>parkeerexcessen</cursief>” is ook een aantal
                    onderwerpen opgenomen, welke niet kan worden aangeduid als
                        “<cursief>parkeerexcessen</cursief><cursief>in eigenlijke zin</cursief>”,
                    waarvan gesproken kan worden als het gaat om gedragingen op de weg in de zin van
                    de WVW 1994. Daar deze voorschriften door het publiek wel als zodanig (zullen)
                    worden ervaren wordt er de voorkeur aan gegeven om ook deze onderwerpen in deze
                    paragraaf te regelen. Men denke hierbij aan een onderwerp als het
                        “<cursief>aantasten van groenvoorzieningen</cursief>”.</al><al>4.<vet>Beperking tot gedragingen op de weg?</vet></al><al>Bij parkeerexcessen “<cursief>in eigenlijke zin</cursief>” gaat het om
                    gedragingen op de weg in de zin van de WVW 1994. Onder weg verstaat de APV
                    ingevolge artikel 1:1 hetzelfde als de WVW 1994 daaronder verstaat. In artikel
                    1, eerste lid onder b., van de WVW 1994 wordt het begrip wegen als volgt
                    omschreven “alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met
                    inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende
                    paden en bermen of zijkanten”.</al><al>In de afdeling “<cursief>Parkeerexcessen</cursief>” zijn niet uitsluitend
                    onderwerpen geregeld welke als parkeerexcessen “<cursief>in eigenlijke
                        zin</cursief>” kunnen worden aangeduid. Zo hebben de artikelen 5:6, eerste
                    lid onder b. en 5:9 ook betrekking op gedragingen buiten de weg in de zin van de
                    WVW 1994. Beperking van de hierin neergelegde verbodsbepalingen tot “<cursief>op
                        de weg</cursief>” ligt niet voor de hand, wanneer men let op het motief dat
                    aan deze bepalingen ten grondslag ligt. Deze bepalingen strekken niet (mede) ter
                    bescherming van verkeersbelangen.</al><al>Bedoelde gedragingen zijn daarom in die verbodsbepalingen ook strafbaar gesteld,
                    indien zij buiten de weg (in de zin van de WVW 1994) zijn gepleegd. Indien aan
                    een bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de
                    werkingssfeer van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin van de
                    WVW 1994). Zie bijvoorbeeld de artikelen 5:2 en 5:7, tweede lid.</al><al>Aan de andere bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven ten
                    grondslag. Toch regelen ook deze bepalingen slechts gedragingen op de weg (in de
                    zin van de WVW 1994). Voor zover deze gedragingen plaatsvinden buiten de weg,
                    kan hiertegen reeds op basis van andere voorschriften in voldoende mate worden
                    opgetreden. Zie bij voorbeeld (model) artikel 4:19 (Aanwijzing kampeerplaatsen,
                    niet in deze Apv opgenomen)</al><al>Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de bepalingen betreffende
                    parkeerexcessen -zowel de “<cursief>eigenlijke</cursief>” als de
                        “<cursief>oneigenlijke</cursief>”- zoveel mogelijk in een afdeling
                    samengevoegd. De bedoelde gedragingen zullen door het publiek immers alle als
                    parkeerexces worden ervaren.</al><al>Voor in de begripsomschrijvingen van artikel 5:1 opgenomen definitie(s) van
                        “<cursief>voertuig</cursief>” en “<cursief>parkeren</cursief>” is
                    aansluiting gezocht bij de (in de) wegenverkeerswetgeving (voor deze begrippen
                    gebruikte definities). Uit de verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan
                    niet slechts betrekking hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW
                    1994).</al><al>5.<vet>Vervangende parkeergelegenheid</vet></al><al>Complementair aan de vaststelling van parkeerexcessenbepalingen zal voor
                    bepaalde categorieën voertuigen -in het bijzonder voor vrachtwagens- de
                    aanwezigheid van vervangende parkeergelegenheid moeten worden bezien.</al><al>Uitgangspunt dient te zijn dat de betreffende ondernemingen in principe zelf
                    hiervoor behoren te zorgen. De indruk bestaat, dat er (met name buiten de
                    werkuren) in diverse gevallen op de bedrijfsterreinen toch voldoende
                    parkeergelegenheid voor de eigen vrachtwagens is of kan worden gecreëerd. In
                    beginsel is het niet onredelijk te achten, dat de chauffeurs die op enige
                    afstand van hun bedrijven wonen, hun vrachtwagens ’s avonds en in het weekeinde
                    niet meer voor de woning, maar bij voorbeeld op het eigen bedrijfsterrein
                    parkeren en dat zij zich, evenals andere forensen, met “normale” vervoermiddelen
                    begeven van het bedrijf naar de woning en omgekeerd.</al><al>Bij onderscheidene bedrijven ontbreekt evenwel de hiervoor benodigde ruimte.
                    Verder zijn de kosten, verbonden aan het creëren van eigen parkeergelegenheid,
                    dermate hoog, dat er de voorkeur aan gegeven zal worden het parkeren van die
                    vrachtwagens, waarvoor het bestaande eigen terrein geen plaats biedt, te doen
                    geschieden op openbare wegen en terreinen.</al><al>Om aan de zich hier voordoende praktische bezwaren tegemoet te komen, zou de
                    overheid het parkeren kunnen blijven toelaten (of wellicht zelfs
                    parkeergelegenheid kunnen scheppen) op parkeerterreinen en op die wegen waar het
                    parkeren van vrachtwagens op weinig of geen bezwaren stuit. Hoewel er niet a
                    priori van een plicht van de gemeentelijke overheid tot aanleg van vervangende
                    parkeergelegenheid kan worden gesproken, mag er anderzijds van worden uitgegaan
                    dat naleving van de hier bedoelde verbodsbepalingen met des te meer reden
                    gevergd kan worden, wanneer de belanghebbende een andere parkeerplaats als
                    alternatief ter beschikking staat. In het bijzonder kan zulks het geval zijn ten
                    aanzien van exploitanten van bestaande bedrijven, aan wie onder omstandigheden
                    bezwaarlijk een ontheffing kan worden onthouden, wanneer een redelijk te
                    realiseren alternatief voor hen ontbreekt.</al><al>Voor het geval van gemeentewege tot aanleg van een parkeerplaats wordt
                    overgegaan, zal er wellicht van het gemeentebestuur een zekere waarborg worden
                    verwacht dat voertuigen op een dergelijk parkeerterrein veilig kunnen worden
                    gestald. In het algemeen kan niet worden gesteld, dat de gemeentelijke overheid
                    een dergelijk verlangen dient te honoreren. Immers, parkeerterreinen hebben, zo
                    zij al onder toezicht staan, dit toezicht zelden ook ’s nachts; bovendien is de
                    toezichthouder in het algemeen niet aansprakelijk voor aan de gestalde
                    voertuigen door derden toegebrachte schade; men denke hierbij aan de zogenaamde
                    exoneratieclausules.</al><al>Ten slotte zij erop gewezen dat een eventueel door de gemeente aan te leggen
                    parkeerterrein voor vrachtwagens zal moeten passen binnen een planologisch kader
                    (bestemmingsplan).</al><al>Parkeerplaatsen zouden kunnen worden aangeduid met een bord model E4 van bijlage
                    1 van het RVV 1990.</al><al>De aanduiding van parkeerplaatsen voor vrachtwagens in het kader van de
                    voorkoming van parkeerexcessen moet gebeuren op basis van de betreffende
                    bepalingen uit de APV en niet op basis van verkeersborden die gebaseerd zijn op
                    de wegenverkeerswetgeving.</al><al>6.<vet>Ontheffingen</vet></al><al>Bij de onderscheidene verbodsbepalingen is aangegeven ten aanzien van welke
                    bepalingen de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen als een
                    noodzakelijk element moet worden beschouwd. Met name zal ten aanzien van
                    bestaande bedrijven aan het verlenen van een ontheffing, waaraan voorschriften
                    kunnen worden verbonden en welke een naar plaats of tijd beperkt karakter
                    hebben, niet steeds kunnen worden ontkomen.</al><al>7.<vet>Overleg met vervoerders(organisaties)</vet></al><al>Het behoeft geen nader betoog dat het wenselijk is overleg te plegen met de
                    betrokken chauffeurs en bedrijven betreffende de vaststelling of uitvoering van
                    parkeerregelingen van vrachtwagens e.d.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State bevestigt dat een gemeentelijke
                    parkeerexcessenregeling niet strijdig is met de Wegenverkeerswet (oud) en haar
                    uitvoeringsregelingen, zoals het RVV (oud). ARRS 3-12-1992, JG 93.0120.</al><tussenkop>Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Weg</tussenkop><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “weg” verstaan hetgeen artikel
                    1:1 van deze verordening daaronder verstaat. Zie de toelichting bij dit artikel.
                    Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden
                    met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen
                    behorende paden en bermen of zijkanten. De artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6,
                    eerste lid, onder a, 5:7, tweede lid, en 5:8 hebben derhalve slechts op “echte”
                    parkeerexcessen betrekking. De andere artikelen in deze afdeling strekken zich
                    ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Zie voorts de
                    algemene toelichting bij deze afdeling.</al><al>Ook voor het openbaar verkeer openstaande parkeerterreinen kunnen onder de
                    definitie van “weg” in de zin van de WVW 1994 worden gebracht. Hiervoor pleiten
                    de volgende argumenten. De WVW 1994 bevat blijkens haar considerans regels
                    inzake het verkeer op de weg. Wat in die wet onder “wegen” wordt verstaan is
                    hiervoor reeds vermeld. Artikel 2 van de WVW 1994 bepaalt dat, met inachtneming
                    van de voorschriften van de WVW 1994, bij of krachtens algemene maatregel van
                    bestuur nadere regelingen worden gesteld nopens het verkeer op de wegen.</al><al>In een van die algemene maatregelen van bestuur, het RVV 1990, worden
                    gedragsregels gegeven voor parkeerplaatsen. Zie bij voorbeeld in artikel 24 e.v.
                    en artikel 46 RVV 1990.</al><al>Onder parkeerplaats wordt ook een parkeerterrein begrepen. Al vallen
                    parkeerterreinen onder de werking van de onderhavige parkeerexcessenbepalingen,
                    dit neemt niet weg dat zij in een aantal gevallen daarvan zullen moeten worden
                    uitgezonderd. Te denken valt bij voorbeeld aan het parkeren van vrachtwagens.
                    Het is immers evident dat parkeerterreinen een belangrijke functie vervullen ten
                    behoeve van een redelijke verdeling van de beschikbare parkeerruimte, zie verder
                    de toelichting bij artikel 5:7.</al><tussenkop>Voertuigen</tussenkop><al>De begripsbepaling en de toelichting hierop zijn, zoals bij het begrip "weg" ook
                    al opgenomen onder de algemene begripsbepalingen in artikel 1:1 van deze
                    Apv.</al><al>Tot uitgangspunt is genomen de definitie van “voertuigen” die in artikel 1,
                    onder al, van het RVV 1990 wordt gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel
                    zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en
                    wagens. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d.
                    is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime
                    strekking zouden krijgen.</al><al>Fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie
                    van voertuigen. Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden
                    daarom als voertuig beschouwd.</al><tussenkop>Artikel 5:1 Begripsbepaling parkeren</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in
                    artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder
                    parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die
                    nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van
                    passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Het oude
                    artikel 5.1.1, onder c. gaf deze definitie letterlijk weer. Verwijzing naar de
                    definitie is wetstechnisch te verkiezen omdat bij wijziging van de definitie in
                    het RVV de definitie in de APV niet behoeft te worden herzien.</al><al>De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan
                    van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde
                    verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en
                    het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die
                    door deze modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen
                    van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf
                    stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van
                    parkeren.</al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich
                    ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan”
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><tussenkop>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Regelmatig kwam de vraag naar voren of rijschoolhouders en taxibedrijven die in
                    de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto’s op de weg parkeren ook
                    onder het verbod van het eerste lid van dit artikel vallen. De Afdeling
                    rechtspraak van de Raad van State heeft omtrent deze vraag beslist dat het bij
                    elkaar parkeren van drie of meer taxi’s door een exploitant van een taxibedrijf
                    niet valt onder de werking van deze bepaling, ARRS 28-9-1984, nr. R03.83.7524
                    (APV Schijndel). De rijschoolhouder die een aantal voertuigen bij elkaar
                    parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van dit
                    artikel.</al><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde twijfel
                    over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan
                    een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term
                    “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf.</al><al>De in het derde lid gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het
                    normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de
                    exploitant.</al><al>Het bepaalde bij artikel 5:2 kan niet als een soort “escape” fungeren ten
                    opzichte van de andere in deze afdeling opgenomen verbodsbepalingen. Artikel 5:2
                    mag met andere woorden niet gelezen worden in verband met de andere artikelen in
                    de afdeling, in die zin dat de “faciliteit” die in artikel 5:2 is besloten
                    -garagehouders enz. mogen twee auto’s sowieso op de weg laten staan- ook
                    impliceert dat zij een autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot voertuig
                    enz. ongelimiteerd lang op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte die hen is
                    aangewezen dezelfde blijft.</al><al>Immers, in artikel 5:2 bestaat het excessieve in de ruimte die door het aantal
                    voertuigen in beslag wordt genomen, in bij voorbeeld de artikelen 5:4 en 5:5
                    bestaat het excessieve met name in het niet gerechtvaardigde doel om gedurende
                    lange tijd parkeerruimte in beslag te nemen met wrakken of daarvan nauwelijks te
                    onderscheiden vehikels. Dit doel is, indien zulks door garagehouders geschiedt,
                    even onduldbaar als wanneer particulieren zich hieraan bezondigen.</al><al>Het bepaalde bij artikel 5:2 geeft de daarin genoemde personen dus niet een
                    “vrijstelling” om voertuigen te parkeren in afwijking van de andere
                    verbodsbepalingen in deze afdeling. Aldus besliste de Hoge Raad in zijn arrest
                    van 16 februari 1970, nr. 65705 (parkeerexcessenverordening Maassluis, niet
                    gepubliceerd).</al><tussenkop>Derde lid, onder a.</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op
                    buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden
                    geacht (verkeersmotief).</al><al>Bij het opstellen van deze bepaling is er naar gestreefd de delictomschrijving
                    zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering
                    moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene
                        “<cursief>zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte</cursief>” van
                    de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen
                        “<cursief>hem toebehoren of zijn toevertrouwd</cursief>”, onder
                    omstandigheden problemen opleveren. Vandaar dat het begrip 'kennelijk' is
                    toegevoegd. De woorden “drie of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast
                    niet onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft
                    op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt,
                    blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s)
                    van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het eerste
                    lid, onder b).</al><al>Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het
                    zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen
                    buiten de weg.</al><al>De gemeente dient zelf het aantal meters in te vullen. In de APV’s van Rotterdam
                    en Den Haag bijvoorbeeld wordt een straal van 25 meter genoemd. De gemeente
                    Utrecht houdt een straal van 50 meter aan.</al><tussenkop>Derde lid, onder b.</tussenkop><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake
                    geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd
                    over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</al><al>Met het oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de strafbaarheid van
                    het herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de omstandigheid dat er
                    sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen
                    van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet -met het oog op de vorengenoemde
                    bezwaren- hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de
                    onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die betrokkene “toebehoren of zijn
                    toevertrouwd”. Wel zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de
                    weg als het veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden bij artikel
                    2:27. Met het oog op het toenemend aantal klachten is een strafbepaling welke
                    zich in het bijzonder richt tot de onderhavige activiteiten, wenselijk naast
                    genoemde (algemene) verbodsbepalingen.</al><al>Gelet op de strekking van deze bepaling kan zij niet als een
                    “parkeerexcessenbepaling” in de strikte betekenis van het woord worden
                    aangemerkt. Gezien het verband met de andere in deze afdeling opgenomen
                    bepalingen is het niettemin wenselijk het onderhavige voorschrift in deze
                    afdeling op te nemen.</al><al>Met de hier bedoelde bepaling kan naar verwachting beter worden opgetreden tegen
                    met het slopen en repareren van voertuigen gepaard gaande geluid- en
                    stankoverlast en verontreiniging van de weg.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Ingevolge de aanhef is slechts diegene strafbaar die bij herhaling de weg als
                    werkplaats voor reparatie- of sloopdoeleinden gebruikt. Ook voor andere personen
                    dan bedoeld in het derde lid aanhef is het verboden de weg als werkplaats voor
                    voertuigen te gebruiken.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Wanneer in de gemeente een automarkt wordt gehouden, zoals in de gemeente
                    Utrecht, is nog de volgende uitzondering toegevoegd: “<cursief>Het in het eerste
                        lid (oud, nu derde lid) gestelde verbod is niet van toepassing op het
                        parkeren van voertuigen waarvoor een standplaats op een automarkt is
                        aangewezen, op deze standplaats gedurende de tijd dat deze markt wordt
                        gehouden</cursief>.” </al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>De Afdeling rechtspraak keurde zelfs de weigering van de gemeente Binnenmaas om
                    ontheffing te verlenen voor het parkeren van meer dan twee auto’s bij elkaar
                    goed. Het feit dat het bedrijf ter plaatse was toegestaan deed daaraan niet af.
                    Het behoud van het beperkte aantal parkeerplaatsen in de omgeving van het
                    bedrijf woog zwaarder. ARRS 16-8-1988, AB 1989, 373.</al><tussenkop>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</tussenkop><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks
                    sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                    beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.</al><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
                    omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                    voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag
                    op de beschikbare parkeerruimte gelegd. Wanneer de lokale overheid dit gedrag
                    als ongewenst beschouwt en het daarom wil tegengaan, moet er voor gewaakt worden
                    dat de verbodsbepaling niet al te diep in het verkeer ingrijpt. Het gaat te ver
                    wanneer een eigenaar zijn voertuig niet meer voor zijn woning zou kunnen
                    parkeren omdat er een bordje te koop achter de voorruit hangt. Waar precies de
                    grens van het ingrijpen ligt kan niet altijd helder aangegeven worden. Wanneer
                    een groot aantal voertuigen bij elkaar te koop wordt aangeboden, is het
                    duidelijk dat die grens overschreden is. Hoe zit het evenwel met twee voertuigen
                    die bij een druk bezocht winkelcentrum te koop aangeboden worden? Vaak moet aan
                    de hand van de plaatselijke omstandigheden beoordeeld worden of de grens wel of
                    niet overschreden is.</al><al>Het verdient daarom geen aanbeveling een algemeen verbod in de APV op te nemen.
                    Gekozen is voor een constructie waarin het college de bevoegdheid heeft gebieden
                    aan te wijzen waar het verbod van kracht is. In Utrecht zijn gebieden als
                    bedoeld in het eerste lid aangewezen.</al><al>Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is van overlast kan het
                    college het verbod activeren.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, (Begripsbepaling parkeren)
                    wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich
                    niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere
                    belanghebbenden bij het voertuig.</al><al>Het artikel is in 2008 in het kader van de deregulering facultatief gemaakt.
                    Gemeenten dienen een afweging te maken of zij dit artikel nodig achten. De
                    gemeente Utrecht wenst dit artikel te behouden vanwege de omgeving van de
                    automarkt. </al><tussenkop>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</tussenkop><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hierbedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die
                    gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig,
                    moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                    krijgen.</al><al>Deze bepaling ziet slechts op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil zeggen op
                    het plaatsen en hebben van defecte voertuigen op de weg (in de zin van de WVW
                    1994). Het zou te ver gaan deze gedragingen ook buiten de weg te verbieden.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Blijkens de jurisprudentie stuit een verbod langer dan op drie achtereenvolgende
                    dagen te parkeren, niet op bezwaren, HR 13-6-1972, VR 1972, nr. 105, OB 1973,
                    XIV.1.2.2, nr. 34064, over de APV van Delft, waarin een termijn van twee dagen
                    werd aangehouden; HR 5-5-1975, nr. 67792 (niet gepubliceerd) over de
                    Parkeerexcessenverordening van Nijmegen, waarin een termijn van zeven dagen werd
                    aangehouden.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, wordt het begrip “parkeren” zo
                    uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><tussenkop>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</tussenkop><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of
                    bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in
                    het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen
                    en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus
                    primair om die reden excessief. Daarnaast kan echter ook het zo juist genoemde
                    verkeersmotief een rol spelen bij het uitvaardigen van dit verbod.</al><al>Ofschoon een wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar
                    strekking en het verband met de andere bepalingen wel als
                    parkeerexcessenbepaling aan te merken.</al><al>De onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken
                    op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de openlucht opslaan van
                    wrakken vindt reeds regeling in de model Afvalstoffenverordening en tevens in
                    artikel 10.17 van de Wet milieubeheer. De delictsomschrijving bevat derhalve
                    niet tevens het bestanddeel “van de weg af zichtbaar”.</al><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen
                    de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze
                    bepaling.</al><tussenkop>Artikel 5:6 Kampeermiddelen en dergelijke</tussenkop><tussenkop>Eerste lid, onder a.</tussenkop><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder
                    geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens,
                    keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd
                    in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te
                    maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan,
                    aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt overtreding van deze bepaling niet
                    langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan
                    verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten
                    (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als
                    vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het excessieve van het hier
                    bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het buitensporige gebruik
                    van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen
                    wordt niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn
                    kampeerwagen, caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken,
                    respectievelijk na de reis op te ruimen.</al><al>Ook met betrekking tot deze gevallen zou het voorzien in vervangende
                    parkeergelegenheid, waar dit soort voertuigen kan worden gestald, overwogen
                    kunnen worden. Verwezen wordt naar hetgeen hierover in de algemene toelichting
                    is gesteld.</al><al>Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg -vaak juist ook in
                    woonwijken- zou ervoor gekozen kúnnen worden om de redactie van de bepaling in
                    het eerste lid onder a stringenter te redigeren en direct voor de gehele
                    gemeente (of een gedeelte daarvan) van toepassing te verklaren:</al><al>a.langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen (binnen de bebouwde kom) op
                    de weg te plaatsen of te hebben;</al><tussenkop>Eerste lid, onder b.</tussenkop><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg
                    in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een
                    “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt
                    op een weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, wordt het begrip “parkeren” zo
                    uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State stelde de gemeente Beverwijk in
                    het gelijk enerzijds in de aanwijzing van een weg waar parkeren van een
                    kampeerwagen langer dan 48 uur niet is toegestaan en anderzijds in de weigering
                    hiervan ontheffing te verlenen. De verkeersveiligheid en het aanbod van
                    parkeerruimte waren in het geding. ARRS 11-3-1993, AB 1993, 553.</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat het college
                    van zijn bevoegdheid om voor een bepaalde locatie te bepalen dat er niet met een
                    kampeerwagen e.d. mag worden geparkeerd (zoals in art. 5.1.5, eerste lid, onder
                    b (oud) bedoeld), slechts gebruik kan maken voor zover het gaat om een locatie
                    die geen “weg” is in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Binnenplein is weg in
                    de zin van de WVW en valt daarmee niet onder “aangewezen plaats” uit de
                    APV-bepaling. ABRS 18-4-1997, JG 97.0210 m.nt. A.B. Engberts.</al><tussenkop>Artikel 5:7 Parkeren van grote voertuigen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het
                    parkeren van grote voertuigen -in het bijzonder vrachtwagens- op wegen in de
                    stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan.
                    Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt
                    ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze
                    parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij
                    schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid
                    van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                    inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht
                    vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz. Op den
                    duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te
                    geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de
                    bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de
                    jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren
                    van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de recente
                    verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer)
                    redelijkerwijze als “normaal” verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 5:7 en
                    5:8 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit
                    excessief is, kan worden tegengegaan. </al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt aan de gemeentebesturen mogelijkheden te verschaffen om
                    aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten
                    staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote
                    voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor
                    monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open
                    landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon
                    betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s
                    bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het
                    zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.</al><al>Aangezien over de vraag of er van aantasting van de schoonheid van stad, dorp of
                    landschap sprake is, verschillend kan worden geoordeeld, is er de voorkeur aan
                    gegeven het verbod niet zonder meer te doen werken, doch een nader oordeel van
                    het gemeentebestuur in dezen maatgevend te doen zijn. Aangezien de plaatsen waar
                    ontsiering van de hiervoor vermelde objecten zich kan voordoen, vrijwel steeds
                    aan te geven zullen zijn, is de bepaling aldus geredigeerd dat het verbod
                    slechts geldt ten aanzien van die plaatsen die het college heeft
                    aangewezen.</al><al>Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van
                    grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel
                    betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen.</al><al>Wat het motief: bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft,
                    dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan
                    om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of
                    karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van
                    een “parkeerexces”.</al><al>In het licht van het motief dat ten grondslag ligt aan het in het eerste lid
                    bedoelde verbod verdient het aanbeveling zowel een lengte- als een
                    hoogtecriterium te hanteren. Zeer wel denkbaar is immers dat een voertuig
                    weliswaar nog geen lengte van 6 meter heeft, doch niettemin op grond van de
                    hoogte schadelijk moet worden geacht voor het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente.</al><al>Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het
                    gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name niet vereist dat de bij
                    openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen van
                    schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens worden gewezen op de
                    subjectieve redactie van de onderhavige bepaling.</al><al>Niet apart zijn vermeld de oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde verbod
                    zou dan immers zelfs gelden voor het kleinste aanhangwagentje. Primair ware hier
                    echter te reguleren het parkeren van grote voertuigen.</al><al>Bij de aanwijzing van plaatsen waar volgens besluit van het college grote
                    voertuigen met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente niet mogen worden geparkeerd, zal eventueel rekening moeten worden
                    gehouden met een provinciale verordening die - geheel of gedeeltelijk -
                    hetzelfde terrein uit hoofde van hetzelfde motief bestrijkt, bij voorbeeld een
                    verordening bescherming landschapsschoon.</al><al>Binnen de verboden zones zullen in ieder geval uitzonderingen moeten worden
                    gemaakt ten behoeve van autobussen in lijndienst.</al><al>Een speciaal probleem wordt gevormd door de vraag, hoe dit verbod onder de
                    aandacht van belanghebbenden te brengen. Het is in ieder geval gewenst, dat de
                    in de gemeente gevestigde ondernemingen door de gemeente in kennis worden
                    gesteld van dit verbod. In veel gemeenten wordt een systeem toegepast, waarbij
                    langs de naar de gemeente toeleidende wegen door middel van aanwijzingsborden
                    kenbaar wordt gemaakt, dat binnen de (bebouwde kom van de) gemeente het parkeren
                    van grote voertuigen slechts is toegelaten op de als zodanig aangeduide
                    parkeergelegenheden. </al><al>Zie voor de gemeente Utrecht: het Uitvoeringsbesluit d.d. 27 februari 2007, DSO
                    07.015121, waarin de wegen (m.n. in industriegebieden) zijn aangewezen, waarop
                    wél geparkeerd mag worden door grote voertuigen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een
                    excessief gebruik van de weg.</al><al>Met betrekking tot dit motief: buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt,
                    dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér
                    voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een
                    parkeerexces in deze zin opleveren.</al><al>In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens
                    minder opportuun.</al><al>Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote voertuigen niet
                    toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing is gebaseerd op
                    de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks mede in verband
                    met het bepaalde in het derde lid. Geschiedt een aanwijzing door middel van een
                    verwijzing naar een plattegrond (zie onder eerste lid) dan kan bij voorbeeld
                    door het gebruik van verschillende kleuren bij het arceren van de plaatsen waar
                    niet geparkeerd mag worden, worden aangegeven welk motief ten grondslag ligt aan
                    de aanwijzing of dat beide motieven daaraan ten grondslag liggen. Zeer wel
                    denkbaar is echter dat aan een aanwijzing beide motieven ten grondslag kunnen
                    liggen.</al><al>Zie wat betreft de vraag, hoe dit verbod kenbaar kan worden gemaakt, de
                    toelichting op het eerste lid.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, wordt het begrip “parkeren” zo
                    uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
                    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is.</al><al>Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het
                    college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden
                    kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor
                    het in het eerste lid gestelde verbod.</al><al>Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede
                    lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan
                    bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden
                    krachtens het hierop volgende artikel 5:8.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven
                    verboden een ontheffing te verlenen.</al><al>Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een
                    onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.</al><al>Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken.
                    Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven -ongeacht de aard- kunnen
                    worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.</al><al>Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik
                    dienen te worden gemaakt:</al><lijst><li nr="∙"><al>voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare
                            werken en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke
                            nabijheid van het werk worden geparkeerd;</al></li><li nr="∙"><al>voor chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen,
                            waaruit blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen
                            parkeerterrein gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder
                            ontheffing in moeilijkheden zou komen.</al></li></lijst><al>Verder zou een soepel ontheffingenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover het
                    gaat om bij voorbeeld:</al><lijst><li nr="∙"><al>rijdende winkels;</al></li><li nr="∙"><al>wagens van kermisexploitanten;</al></li><li nr="∙"><al>wagens van bedrijven die in geval van bij voorbeeld ongevallen in het
                            wegverkeer terstond moeten kunnen “uitrukken” (sleepwagens e.d.);</al></li><li nr="∙"><al>voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten
                            (auto’s met speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken
                            (elektrowagens met beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de
                            parkeerplaats moeten worden gesteld.</al></li></lijst><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende
                    de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>De instelling van een parkeerverbod voor grote voertuigen dient of te gebeuren
                    op basis van de APV of op basis van een verkeersbesluit
                    (Wegenverkeerswetgeving). Een combinatie hiervan is niet mogelijk. Zie Vz. AGRS
                    27-4-1993 (B03.93.0018), JU 941157 (VNG-databank).</al><al>Ontheffingenbeleid van gemeenten Grave en Stad Delden, waarbij geen ontheffingen
                    worden verleend voor het parkeren van grote voertuigen in een woon buurt, wordt
                    door de Voorzitter van de ARRS als niet onredelijk aangemerkt. Vz. ARRS
                    18-12-1992,S03.92.4266, JU 931114 (VNG-databank) en Vz. ARRS
                    16-9-1993,S03.93.3369, JU 941013 (VNG-databank).</al><al>De weigering een ontheffing te verlenen voor het parkeren van een groot voertuig
                    wordt vernietigd, omdat er geen sprake is van een hoge parkeerdruk ter plaatse,
                    zoals werd aangevoerd. ARRS 4-5-1993, JG 93.0353 .Bij een verzoek om
                    bestuursdwang in geval van het parkeren van een groot voertuig, waarbij het
                    uiterlijk aanzien in het geding is, dient het college een goede belangenafweging
                    te maken tussen enerzijds de redelijke eisen van welstand en anderzijds de
                    belangen van de eigenaar van het voertuig. De belangenafweging acht de Afdeling
                    rechtspraak niet onredelijk. ARRS 3-6-1991, JG 92.0301.</al><al>Wanneer (nagenoeg) de gehele bebouwde kom wordt aangewezen als gebied waar geen
                    vrachtwagens mogen worden geparkeerd, dient het college zich ervan te
                    vergewissen dat geschikte alternatieve parkeergelegenheid aanwezig is, waarbij
                    ook rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de geparkeerde
                    vrachtwagens. ABRS 15-5-2001, nr. 200002098/1.</al><tussenkop>Artikel 5:8 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 5:7.</al><al>Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan
                    uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of
                    gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan
                    belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten
                    gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al>Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is, blijkt uit een reeds oude uitspraak van
                    de Hoge Raad (HR 16 januari 1986, NJ 1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde
                    zinsnede in de APV van Enschede verbindend achtte.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, wordt het begrip “parkeren” zo
                    uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    "hoogwerkers", meetwagens e.d.</al><al>Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze
                    mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde
                    parkeren.</al><tussenkop>Artikel 5:9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                    stoffen</tussenkop><al>In de modelversie Apv is deze bepaling vervallen omdat in de Wet milieubeheer
                    tegenwoordig dermate uitvoerige eisen aan voertuigen voor het uitrijden en
                    verspreiden van mest e.d. zijn opgenomen, dat de toegevoegde waarde van dit
                    artikel gering is.</al><al>In de Apv Utrecht wenst men dit artikel te behouden. Dit artikel stelt namelijk
                    regels over stankverspreidende voertuigen, hetgeen meer kan zijn dan enkel
                    voertuigen die rijden met mest.</al><al>Deze bepaling ziet op hinder en overlast die voor bewoners of gebruikers van
                    nabijgelegen gebouwen of terreinen kunnen ontstaan door het parkeren van
                    voertuigen met stankverspreidende stoffen, zoals vrachtauto's van
                    destructiebedrijven, vismeelfabrieken e.d. </al><al>Onder de werking van deze bepaling valt ook het doen of laten staan van
                    voertuigen met stankverspreidende stoffen buiten de weg in de zin van de WVW. Om
                    die reden is besloten het artikel te laten staan.</al><tussenkop>Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen.</al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het
                    groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</al><al>Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een “oneigenlijk”
                    parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de “weg” (in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de
                    bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden
                    bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over openbare
                    beplantingen enz. wordt verboden.</al><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel
                    deel uit van de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien de
                    berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de desbetreffende weg
                    betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de berm, zoals
                    parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto’s, motoren
                    e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten -met uitzondering van het trottoir,
                    het voetpad, het fietspad of het ruiterpad- mogen worden geparkeerd. Onder deze
                    andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de bermen van een
                    weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als ongewenst moet
                    worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden ingesteld. Dit kan
                    door plaatsing van het bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990 met een onderbord,
                    waarop staat dat het parkeerverbod alleen geldt voor de berm. Het is tevens
                    mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is, bijvoorbeeld uit
                    oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de berm wel kan
                    worden toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde bord E1
                    noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de berm wel
                    is toegestaan.</al><al>Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de bermen begrijpt, is het in
                    artikel 5:10 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving
                    voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening
                    wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de
                    Wegenverkeerswet). </al><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit
                    te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing
                    behoren te zijn op een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in
                    groenvoorzieningen.</al><al>Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen “doen of laten staan” in
                    plaats van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een
                    plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid
                    veroorzaakt.</al><al>Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige gevallen
                    ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht
                    met zich mee brengen.</al><al>Zie voorts HR 27 oktober 1930, NJ 1931, blz. 62, waarbij een bepaling in de APV
                    van Assen, volgens welke het in de kom van de gemeente verboden was zich te
                    bevinden op de van gemeentewege aangelegde grasperken, verbindend werd geacht.
                    De bewering dat de gemeentelijke wetgever niet bevoegd zou zijn naast het
                    algemene verbod van artikel 461, Wetboek van Strafrecht bedoelde verbodsbepaling
                    uit te vaardigen, ging niet op.</al><al>Deze APV-bepaling had naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk ten doel
                    “maatregelen te nemen tegen beschadiging van stadsbosch en door de gemeente
                    aangelegde grasperken, derhalve zorg voor de instandhouding van gemeentelijk
                    terrein, zijnde een onderwerp dat de huishouding van de gemeente betreft”.</al><al>Indien het in artikel 5.1.10 (oud) bedoelde voertuig een door een
                    woonwagenbewoner bewoonde woonwagen is, zal het college deze niet met toepassing
                    van bestuursdwang op grond van artikel 61 Woonwagenwet uit de gemeente kunnen
                    doen verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten toestemming is
                    verleend als bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing op grond van het
                    vierde lid van dat artikel is uitgevaardigd. Zie Wnd. Vz. ARRS 24 juni 1983, nr.
                    RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout).</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst.
                    Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</al><al>Afdeling 5.2 Collecteren</al><tussenkop>Artikel 5:11 Inzameling van geld of goederen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In het kader van de vermindering van regelgeving en de vereenvoudiging van
                    vergunningen is gekeken of de inzamelingsvergunning gehandhaafd dient te worden
                    of dat er andere mogelijkheden zijn variërend van afschaffen van de vergunning
                    tot een algemene regel.</al><tussenkop>Achtergrond</tussenkop><al>Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de
                    liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen,
                    verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van
                    volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de
                    inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat maar een ander
                    (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de
                    opbrengst naar het goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het
                    geval is.</al><al>Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken
                    primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen
                    in handen hebben. Dit is destijds verwoord in de Memorie van Toelichting (MvT)
                    bij het wetsontwerp tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met een
                    bepaling omtrent telefonische colportage voor een goed doel (Kamerstuk 15678,
                    Stb. 1982,12). Bijlage bij dit kamerstuk was het rapport van de Werkgroep
                    misbruik bij charitatieve acties. Deze interdepartementale werkgroep werd in
                    1976 ingesteld naar aanleiding van kamervragen met als opdracht te rapporteren
                    op welke wijzen zich bij charitatieve acties misbruik kan voordoen en of en in
                    hoeverre dit kan worden bestreden.</al><al>In de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook de overheid heeft een taak om het
                    misbruik dat in sommige gevallen van de betere gevoelens van de mensen en van
                    hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden. Niet alleen is dit nodig ter
                    bescherming van het publiek, maar ook ter bescherming van de bonafide
                    charitatieve instellingen, die voor de financiering van hun activiteiten in
                    meerdere of mindere mate zijn aangewezen op de offerzin van het publiek.</al><al>Het rapport stelt vast, dat in de jurisprudentie in het algemeen wordt
                    aangenomen dat de gemeentelijke wetgever regelend mag optreden ten aanzien van
                    zowel het venten als het collecteren in de gemeente. De gemeentelijke wetgever
                    dient in zijn regeling van het venten echter wel een uitzondering te maken voor
                    het venten met gedrukte stukken, daar hij anders in strijd komt met artikel 7
                    van de Grondwet.”</al><tussenkop>Huidige ontwikkelingen</tussenkop><al>Inmiddels zijn we dertig jaar verder. De vraag is of in de huidige maatschappij
                    nog steeds behoefte is aan een beschermende overheid zowel in het kader van het
                    toezicht op bonafide instellingen als van de beperking van het aantal
                    inzamelingen met het oog op het voorkomen van overlast voor burgers.</al><al>Goede doelen gebruiken steeds nieuwe methoden om geld in te zamelen. Jarenlang
                    was de huis-aan-huis-collecte de meest voorkomende vorm, tegenwoordig worden
                    mensen via de post (direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct
                    dialogue), door shows op tv en concerten (Live Aid, Dance4life) direct of
                    indirect aangesproken. Bij de gehanteerde methoden -of het nu per brief of
                    mondeling is- wordt vaak een sterke morele aanspraak gedaan op de geldgever (die
                    op een relatief eenvoudige manier zeer veel goeds kan doen).</al><al>Dat de goede doelenbranche steeds verder is geprofessionaliseerd wordt ook
                    duidelijk vanwege het inschakelen van professionele (commerciële)
                    fondswervingsbedrijven. Deze sales- en marketingbedrijven zijn gericht op het
                    werven van klanten (leden of donateurs) voor hun opdrachtgevers. Ze hebben
                    getrainde, resultaatgerichte mensen in dienst. Zowel de fondsenwerver op straat
                    als de uitvoerende instelling kan worden afgerekend op het aantal binnengehaalde
                    machtigingen (klanten/leden/donateurs).</al><al>De professionele fondsenwervers willen hun activiteiten met enige regelmaat
                    uitvoeren, niet alleen huis-aan-huis, maar ook op straat. De
                    inzamelingsvergunning in de APV is destijds met een ander uitgangspunt
                    ontwikkeld, namelijk spreiding middels het collecterooster. De meeste burgers
                    zijn mondig genoeg om aan te geven of zij al dan niet gediend zijn van een
                    inzamelingsactie. Er zijn echter nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving
                    die enige bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt regelmatig aangegeven
                    dat het bij bezoek aan de deur, voor wat voor reden dan ook, verstandig is een
                    legitimatie te vragen.</al><al>De nieuwe methoden van fondsenwerving leveren veel geld op en zullen daarom niet
                    snel verdwijnen. Tegelijkertijd kunnen de diverse werkwijzen voor de burger
                    overlast opleveren omdat men soms meerdere malen per dag aangesproken wordt door
                    een goed doel. De branche zelf erkent dat er irritatie is maar geeft aan dat het
                    persoonlijk contact de meest indringende manier is om klanten of donateurs te
                    werven.</al><al>Interessant is dat in Denemarken de wetgever het verboden heeft potentiële
                    klanten te benaderen per telefoon, mail, automatisch oproepsysteem, of
                    persoonlijk tenzij de ontvanger van tevoren hiermee akkoord is gegaan.</al><al>De commercialisering en professionalisering en het feit dat er sprake is van een
                    lucratieve markt, doen vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van een
                    inzamelingsvergunning ongewenst zijn. Verwacht wordt een grote toename van al
                    dan niet commerciële inzamelaars die zich op de dan vrije markt zullen begeven.
                    De gevolgen hiervan ondervindt de burger aan zijn voordeur of op straat. Dit is
                    voor de VNG de reden om de inzamelingsvergunning niet te schrappen uit de
                    model-APV.</al><tussenkop>Aanpassingen herziening model-APV mei 2007</tussenkop><al>Bij de dereguleringsactie heeft de model-APV enkele voor de gehele APV geldende
                    wijzigingen doorgevoerd. In artikel 1:7 van de model-APV is het uitgangspunt van
                    een vergunning voor onbepaalde tijd opgenomen, tenzij bij de vergunning of
                    ontheffing anders is bepaald. Wat betreft de inzamelingsvergunning wordt een
                    doorlopende vergunning verstrekt voor de instellingen die voorkomen op het
                    collecterooster. In de meeste gemeenten is dit al het geval. De VNG heeft
                    hiertoe geadviseerd bij Lbr. 89/140, 16 oktober 1989. Elders in deze toelichting
                    wordt een model gegeven.</al><al>Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster wordt een vergunning
                    voor bepaalde tijd afgegeven. Voor bijvoorbeeld een lokale sportclub die
                    huis-aan-huis wil collecteren voor een nieuw clubhuis, zal doorgaans een
                    vergunning voor een week worden afgegeven in een collectevrije periode.</al><al>Een algemene regel waarbij niet-keurmerkinstellingen die niet op het rooster
                    voorkomen worden vrijgesteld van de vergunningsplicht, eventueel gekoppeld aan
                    een meldingsplicht, is niet zinvol. Het verlenen van een incidentele vergunning
                    is immers maatwerk. Vaak betreft het een lokale organisatie waarbij specifiek
                    voor die organisatie geldende voorwaarden worden gesteld. Juist doordat de
                    gemeente bij deze instellingen niet kan afgaan op een oordeel van het CBF dient
                    deze zelf een afweging te maken of sprake is van een bonafide instelling.
                    Daarbij is het uitgangspunt van het collecterooster dat er slechts één
                    organisatie per week huis-aan-huis mag collecteren met het oog op het voorkomen
                    van overlast.</al><al>Een lex silencio positivo is mogelijk, zeker voor door het CBF-goedgekeurde
                    collectes, omdat hiervoor al afstemming met en toestemming (keurmerk) van het
                    CBF is verkregen, maar voegt niets toe. De landelijke instellingen op het
                    collecterooster hebben immers een doorlopende vergunning. De landelijke
                    instellingen doen een aanvraag om in een bepaalde week te mogen inzamelen. Beide
                    partijen (gemeente en aanvrager) zullen er voor zorgen dat de vergunning ruim
                    voor die tijd is verleend, omdat bij overschrijden van de termijn de vergunning
                    geen nut heeft. Gezien het collecterooster is namelijk uitwijken naar een andere
                    week niet eenvoudig. Er zijn overigens geen signalen ontvangen uit de praktijk
                    dat het niet halen van de termijnen een probleem is.</al><al>De inzamelingsvergunning bevatte in het verleden geen weigeringsgronden. Gezien
                    de ontwikkelingen op het gebied van inzamelen (mogelijk meerdere aanvragen voor
                    inzamelen op straat, waarbij je een maximumstelsel wilt hanteren) is het gewenst
                    om weigeringgronden te kunnen hanteren. Door een andere inrichting van de
                    model-APV zijn bij de herziening van de model-APV in mei 2007 de
                    weigeringgronden nu niet meer per artikel opgenomen, maar in hoofdstuk 1
                    benoemd. De weigeringsgronden van artikel 1:8 model-APV zijn dus ook van
                    toepassing op de inzamelingsvergunning.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college
                    nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels
                    collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de
                    inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd
                    wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in
                    geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te
                    doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of
                    aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                    plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor
                    een commercieel doel.</al><al>Deze bepaling ziet formeel ook op inzamelen met collectebussen die op de
                    toonbank van winkels geplaatst zijn. Meestal betreft het hier een collectebus
                    die voor langere tijd geplaatst wordt. Hoewel dit formeel vergunningplichtig is,
                    wordt hier in de praktijk soepel mee omgegaan. Het heeft nog nooit tot klachten
                    van hetzij burgers hetzij organisaties op het collecterooster geleid.</al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) dient bij vreemdelingen die
                    willen collecteren voor een commercieel doel bij de aanvraag om een vergunning
                    een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden voordat tot vergunningverlening
                    kan worden overgegaan. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het
                    kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij
                    een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt
                    veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding
                    van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij
                    de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al><tussenkop>Briefkaartenacties</tussenkop><al>Bij briefkaartenacties worden briefkaarten huis-aan-huis te koop aangeboden.
                    Deze activiteit komt tot stand op initiatief van commerciële organisaties
                    waarbij de naam van een goed doel wordt gebezigd. Er wordt gebruikt gemaakt van
                    studenten bij de verkoop. Een klein deel van de opbrengst komt ten goede aan het
                    goede doel, de rest van de opbrengst aan de initiatiefnemers van de commerciële
                    instelling. Het is verwarrend dat erkende goede doelen (CBF-keur) meewerken aan
                    dergelijke acties, Het CBF dringt er bij de door haar erkende goede doelen dan
                    ook op aan om goed toezicht te houden op de verkoopactiviteiten en de informatie
                    die daarbij vertrekt wordt. Vanwege klachten over deze activiteiten die zowel
                    bij het CBF als bij de goede doelen zijn binnengekomen, is door verschillende
                    instellingen met een goed doel besloten te stoppen met deze activiteiten.</al><tussenkop>Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><al>De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van
                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit is
                    niet het geval. In vaste rechtspraak is een scheiding aangebracht tussen het
                    collecteren enerzijds en het daarbij aanbieden van gedrukte stukken anderzijds
                    (HR 26-05-1987, 106, Vz ARRS 16-08-1979, AB 1979, 297 en 18-10-1979, OB 180, nr.
                    41340, rubriek III.2.2.7). Ook een beroep op artikel 10 van het EVRM en artikel
                    19 van het IVBPR heeft de verbindendheid van een dergelijke bepaling niet
                    aangetast.</al><al>In het tweede lid van artikel 5:11 zijn de beide handelingen -het collecteren en
                    het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken- bewust van elkaar
                    gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare
                    inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of
                    verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Dit houdt dus in dat als een
                    aanvraag om een inzamelingsvergunning wordt geweigerd waarbij de aanvrager van
                    plan was om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het
                    recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan. Daarbij maakt het
                    bijzondere element “... <cursief>indien daarbij te kennen wordt gegeven of de
                        indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig
                        of een ideëel doel is bestemd</cursief>” nog eens duidelijk, dat het gaat om
                    een regeling van het collecteren en niet om een regeling van het venten of
                    colporteren met gedrukte stukken. Huis-aan-huisverkoop van briefkaarten e.d.
                    waarbij te kennen wordt gegeven dat dit geheel of gedeeltelijk plaatsvindt ten
                    behoeve van het goede doel is op basis van het bovenstaande dan ook een
                    vergunningplichtige activiteit. De uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2000,
                    NJ 2000, 482 waar door commerciële kaartverkooporganisaties nog wel eens naar
                    verwezen wordt, doet daar niet aan af. Bij deze kaartverkoopacties is het
                    voornaamste doel het inzamelen van geld (veelal deels ten behoeve van het goede
                    doel).</al><tussenkop>Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of inzamelen (onder
                    gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken)</tussenkop><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                    onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Venten
                    of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, eerste
                    lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de
                    kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van
                    gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de
                    verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer
                    voor deze stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt
                    gevraagd. Denk hierbij aan de verkoop van abonnementen op kranten of
                    tijdschriften. Verkrijgt men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag
                    of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken,
                    bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een
                    duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake
                    van een collecte. De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning
                    van die actie uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte.
                    Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort, zonder vergunning gehouden
                    inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden, dat te kennen is
                    gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is
                    bestemd voor een ideëel doel.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het derde lid van artikel 5:11 is een uitzondering op de vergunningplicht
                    opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. Voor deze
                    uitdrukking is aansluiting gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch
                    colporteren voor charitatieve doeleinden wordt verboden. De uitdrukking “in
                    besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de
                    persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of
                    verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het
                    begrip “besloten kring” veronderstelt een nauwere band dan alleen het
                    gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere
                    gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band
                    tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk
                    lidmaatschap van een grote organisatie als een vak- of een omroepvereniging.
                    Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde kerkgenootschap. Wordt de actie
                    echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door een
                    plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake
                    kunnen zijn van een besloten kring.</al><tussenkop>Het Centraal Bureau Fondsenwerving</tussenkop><al>Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de
                    inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het
                    CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse
                    gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig door het CBF
                    geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor nadere informatie. Het CBF is zo het
                    eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van
                    fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad
                    bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten
                    aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met
                    alle gemeenten en een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een
                    “collectenplan” gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF
                    jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt
                    waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een
                    week wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere
                    instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De
                    fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle
                    gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken
                    instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen mogelijk.</al><tussenkop>Direct dialogue</tussenkop><al>Direct dialogue is een fondsenwervingmethode waarbij mensen worden aangesproken
                    en gevraagd om donateur of lid te worden van een instelling voor een goed doel
                    en waarbij een intekenlijst wordt aangeboden. Het publiek geeft een machtiging
                    af. In de algemene toelichting is hierover al een en ander opgemerkt. Het is een
                    wervingsmethode die de laatste jaren snel populair is geworden. Bij het
                    opstellen van de bepaling van de model-APV is met deze methode geen rekening is
                    gehouden. Deze zag immers voornamelijk op landelijk georganiseerde inzamelingen
                    huis-aan-huis.</al><al>Tot voor kort was de meest voorkomende vorm van direct dialogue inzameling op
                    plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het winkelgebied of bij
                    stations. Tegenwoordig wordt deze vorm van inzamelen ook huis-aan-huis
                    toegepast. Dit maakt de vergunningverlening complexer. Duidelijk is dat voor de
                    huis-aan-huiswerving rekening gehouden dient te worden met het collecterooster.
                    De vergunning voor huis-aan-huis direct dialogue kan dan ook alleen verleend
                    worden voor de vrije perioden, waarin ook ruimte dient te zijn voor lokale
                    instellingen.</al><al>Organisaties die gebruik maken van direct dialogue, willen graag meerdere malen
                    per jaar, gedurende enkele dagen leden werven. Een systeem van
                    vergunningverlening zoals aan de huis-aan-huiscollecten ten grondslag ligt (één
                    keer per jaar één week) voldoet niet aan deze behoefte. Duidelijk is ook dat er
                    een verschil is tussen huis-aan-huis collecteren en inzamelingen op straat. Een
                    groot aantal huis-aan-huiscollecten geeft eerder dan een groot aantal
                    straatcollecten aanleiding tot afkeer en wrevel onder de bevolking (AR
                    02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3).</al><al>Niet elke gemeente heeft te maken met direct dialogue-activiteiten, maar
                    gemeenten die regelmatig aanvragen krijgen kunnen overwegen om beleidsregels
                    vast te stellen. De gemeente kan aangeven hoeveel instellingen op een zelfde dag
                    een inzamelingsvergunning krijgen voor straatwerving, waarbij ook gekeken kan
                    worden naar het aantal wervers dat per instelling ingezet mag worden. Ook kan de
                    gemeente bepalen op welke plaatsen gebruik kan worden gemaakt van de vergunning.
                    Afgewogen dient te worden welke plekken het meest wenselijk zijn vanuit de
                    belangen van de wervende instelling en welke plekken geschikt zijn in het kader
                    van verkeersveiligheid, openbare orde en overlast. De in artikel 1:8 opgenomen
                    weigeringgronden geven de gemeente de mogelijkheid aan de hand van daar genoemde
                    criteria een maximumstelsel te hanteren.</al><al>Er bestaat een Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct Dialogue
                    Donateurswervers Nederland. In deze gedragscode zijn regels opgenomen voor het
                    werven van leden en donateurs door middel van persoonlijke gesprekken. Enkele
                    van die regels zijn: de dienstverleners en hun medewerkers zullen zich aan
                    landelijke en lokale regelgeving houden (o.a. de APV), geen gebruik maken van
                    een intimiderende of agressieve werkwijze, de wervers hebben altijd een
                    identificatie bij zich en zijn goed getraind en geïnformeerd.</al><tussenkop>Direct dialogue in relatie tot venten</tussenkop><al>Het komt de laatste tijd regelmatig voor dat gemeenten benaderd worden door
                    marketing- en salesorganisaties die een vergunning aanvragen om huis-aan-huis
                    klanten te werven voor hun opdrachtgevers. Een opdrachtgever kan een
                    charitatieve instelling zijn waarvoor leden worden geworven door middel van een
                    intekenlijst, maar ook een bedrijf dat producten verkoopt. Bijvoorbeeld een
                    energie- of telefonieleverancier werft huis-aan-huis klanten waarbij aan de deur
                    een contract wordt ondertekend.</al><al>De vergunningen die mogelijk op deze activiteiten van toepassing zijn, zijn de
                    inzamelingsvergunning (artikel 5:11 Apv) en de ventvergunning (artikel 5:12
                    e.v.). Wat betreft de inzamelingsvergunning is het verwarrend dat het niet het
                    charitatieve doel zelf is dat de vergunning aanvraagt, maar de commerciële
                    organisatie in opdracht van een goed doel. Voor de hand ligt dat aan deze
                    instelling bij het verlenen van de inzamelingsvergunning dezelfde voorwaarden
                    worden opgelegd als aan een charitatieve instelling, dus ook het terugkoppelen
                    van wat ingezameld is (hoeveel machtigingen en voor welk bedrag).</al><al>Bij venten ziet de vergunningplicht zowel op het aanbieden van goederen als het
                    aanbieden van diensten. Het werven van klanten voor energieleveranciers valt
                    onder het aanbieden van diensten. Doel is immers om via deze methode een
                    contract af te sluiten voor de levering van een dienst. Een andere vorm van
                    venten is het op straat of huis-aan-huis verkopen van producten als een hotelbon
                    of bon voor vakantiepark.</al><tussenkop>Gemeentelijk beleid met betrekking tot de verlening van de
                    inzamelingsvergunningen</tussenkop><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van inzamelingsvergunningen heeft
                    twee uitgangspunten: de inzameling geschiedt door bonafide te achten
                    instellingen en in het kader van overlast wordt het aantal collecten beperkt en
                    gelijkmatig over het jaar verdeeld. Desgewenst wordt een onderscheid gemaakt
                    tussen inzamelingen huis-aan-huis en op straat.</al><al>De collecten van landelijke instellingen, voorkomende op het collecterooster
                    krijgen een doorlopende vergunning. De gemeente volgt hierbij het CBF en de
                    Stichting Collecteplan. Instellingen die niet op dit collecterooster voorkomen
                    en een vergunning vragen voor een vrije periode of voor werving op straat dienen
                    door de gemeente beoordeeld te worden. Bij de beoordeling van de aanvragen
                    worden in de praktijk onder meer de volgende criteria gehanteerd (indien van
                    toepassing):</al><lijst><li nr="∙"><al>de instelling moet als bonafide zijn aan te merken (advies inwinnen bij
                            CBF);</al></li><li nr="∙"><al>de instelling moet specifiek plaatselijke kenmerken bezitten; en/of</al></li><li nr="∙"><al>de voorgenomen actie is geen duplicering van andere al “gevestigde”
                            inzamelingen ten bate van een identiek doel, met name dat van
                            instellingen vermeld op het collecteplan; en/of</al></li><li nr="∙"><al>de opbrengst van de voorgenomen collecte moet worden besteed ten behoeve
                            van personen of instellingen buiten de kring van collecterende
                            instellingen; en/of</al></li><li nr="∙"><al>de aanvragende instelling mag geen (controversiële) politieke doeleinden
                            nastreven;</al></li><li nr="∙"><al>controle van de begroting op besteding van de gelden;</al></li><li nr="∙"><al>tellen onder toezicht van een notaris;</al></li><li nr="∙"><al>betalingsbewijs achteraf (dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt aan
                            doel);</al></li><li nr="∙"><al>gesloten bus, legitimatie inzamelaars etc.;</al></li><li nr="∙"><al>onderschrijven Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct
                            Dialogue Donateurswervers Nederland.</al></li></lijst><tussenkop>Jurisprudentie collectevergunning en textiel</tussenkop><al>Het Intergemeentelijk Orgaan Rivierenland (IOR) had een inzamelvergunning voor
                    textiel verleend aan een charitatieve instelling. Het bestuur van het IOR
                    besloot uit oogpunt van doelmatigheid de inzameling van textiel zelf ter hand te
                    nemen en de samenwerking met de charitatieve instelling te beëindigen. In een
                    spoedprocedure bij de Raad van State werd door de instelling betoogd dat er geen
                    sprake was van een afvalstof, omdat het textiel met het oogmerk op hergebruik
                    werd ingeleverd en ingezameld.</al><al>De Raad van State oordeelde echter anders. Het ingezamelde textiel (draagbare en
                    niet-draagbare kleding, lakens, dekens, grote lappen stof en gordijnen) is aan
                    te merken als een huishoudelijke afvalstof, omdat de aangeboden kleding
                    kennelijk ongesorteerd wordt aangeboden en daarom nog een sorteerbewerking moet
                    ondergaan. Een deel van de ingezamelde textiel kan namelijk gebruikt worden
                    overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming, een deel is slechts geschikt voor
                    een ander gebruik en een deel is onbruikbaar. De Raad van State verwijst ook
                    naar een uitspraak van het Hof van Justitie, waarin werd geoordeeld dat het
                    toepassingsgebied van het begrip afvalstof afhangt van de term “zich ontdoen
                    van”. In de genoemde feiten ligt volgens de Raad van State een aanwijzing
                    besloten dat de huishoudens zich van het textiel hebben willen ontdoen,
                    voornemens zijn zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moeten ontdoen. De
                    inzameling is daarom primair een verantwoordelijkheid van de lokale gemeente.
                    Voor de collectevergunning heeft de uitspraak van de Raad van State de volgende
                    consequentie. De inzameling van textiel valt onder het toepassingsgebied van de
                    afvalstoffenverordening (voorheen afdeling 4.2 van de model-APV, nu uitgebracht
                    als aparte model-Afvalstoffenverordening ) Het verstrekken van een
                    inzamelingsvergunning voor de inzameling van textiel is hierdoor niet mogelijk,
                    omdat textiel in nagenoeg alle gevallen kan worden beschouwd als een afvalstof
                    in de zin van artikel 1.1, eerste lid, Wet milieubeheer. Het is namelijk niet
                    aannemelijk dat een burger zijn textiel gesorteerd kan aanbieden. Immers deze
                    kan niet weten voor welke bestemming hij bijvoorbeeld lappen of kleren aanbiedt
                    (hergebruik, poetslap of onbruikbaar). Een sorteerbewerking lijkt hierdoor
                    altijd noodzakelijk. Gesteld kan worden dat de gemeente op grond van artikel
                    10.22 Wet milieubeheer een zorgplicht heeft voor de inzameling van textiel,
                    hierdoor is de model-Afvalstoffenverordening van toepassing. Dat betekent
                    overigens niet dat de gemeente de inzameling van textiel zelf ter hand moet
                    nemen. De inzameling van textiel kan nog steeds worden overgelaten aan
                    charitatieve instellingen. De gemeente kan bijvoorbeeld op grond van artikel 7,
                    tweede lid, van de model-Afvalstoffenverordening besluiten een charitatieve
                    instelling aan te wijzen als inzamelaar van textiel. Ook kan het college op
                    grond van artikel 11 van de model-Afvalstoffenverordening besluiten een
                    inzamelvergunning te verlenen aan een charitatieve instelling. Het CBF
                    informeert gemeenten ook over charitatieve instellingen welke kleding
                    inzamelen.</al><al>ABRS 28-01-2003, nr. 200206958.</al><tussenkop>Jurisprudentie overig</tussenkop><al>Noch een APV-vergunning inzake het inzamelen van geld en goed, noch een
                    vergunning voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en/of groot
                    huisvuil is vereist. Inzameling van kleding is geen inzameling van huisvuil.
                    Inzamelen bij een centraal inzamelpunt is geen inzameling aan de weg of aan
                    huis. Vz. ARRS 19-01-1993, JG 93.0355 , Gst. 1994, 6983, 3 m.nt. EB.</al><al>Het beleid van het college dat -conform het advies van het Centraal Archief van
                    het Inzamelingswezen- sedert 1985 aan landelijk opererende instellingen die in
                    de zgn. vrije periode collecteren, de voorwaarde wordt gesteld tot het binnen
                    twee jaar overleggen van een financiële verantwoording, in de vorm van een
                    jaarverslag met een accountantsverklaring, is niet onredelijk. ARRS 28-02-1989,
                    AB 1989, 251.</al><al>Een groot aantal huis-aan-huiscollecten kan eerder dan een groot aantal
                    straatcollecten aanleiding geven tot afkeer en wrevel onder de bevolking. ARRS
                    02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3, m.nt. J.M. Kan.</al><al>Een inzameling is openbaar als deze aan de openbare weg of van daaraf zichtbaar
                    dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats plaatsvindt. HR
                    31-10-1938, NJ 1939, 235.</al><al>Het te koop aanbieden van bonnetjes op zich zelf en zonder dat is aangegeven tot
                    welk doel de opbrengst van de verkoop strekt, is nog niet aan te merken als het
                    houden van een openbare inzameling. HR 07-11-1932, W. 1933, 12584.</al><al>Het zich tot verschillende personen wenden om een geldelijke bijdrage, levert
                    het houden van een inzameling van geld op, ook indien op die verzoeken slechts
                    één gift is ontvangen. HR 21-03-1927, NJ 1927.</al><al>De collectevergunning geldt voor liefdadige én commerciële inzamelingen.
                    Daarnaast rechtvaardigt de ABRS het door de gemeente gelegde verband tussen
                    inzamelingsvergunningen voor textiel en het afvalstoffenbeleid, JG 00.0187
                    .</al><tussenkop>Lex silencio positivo</tussenkop><al>Het toepassen van de lex silencio is mogelijk voor door het CBF-goedgekeurde
                    collectes, omdat hiervoor al afstemming met en toestemming (keurmerk) van het
                    CBF is verkregen.</al><al>Afdeling 5.3 Straathandel</al><tussenkop>Artikel 5:12 Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Het eerste lid</tussenkop><al>Dit artikel heeft betrekking op de straathandel, waaronder zowel de ambulante
                    handel (venten) als de verkoop vanuit een standplaats wordt verstaan. De verkoop
                    vanuit een standplaats kan weer onderverdeeld worden in vaste standplaatsen en
                    tijdelijke standplaatsen, alsmede mobiele verkooppunten. Mobiele verkooppunten
                    zijn vitrines, toonbanken e.d. die vanuit winkels en horeca-inrichtingen de weg
                    op worden gereden.</al><al>Het venten moet onderscheiden worden van enerzijds de collectevergunning en
                    anderzijds de standplaatsvergunning. Onder venten met goederen wordt verstaan:
                    de uitoefening van kleinhandel waarbij goederen of diensten aan willekeurige
                    voorbijgangers worden aangeboden dan wel het huis-aan-huis aanbieden van
                    goederen of diensten. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is.
                    De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het
                    tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen venten. HR 26-03-1974, NJ
                    1974, 239.</al><al>Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of
                    colporteren is sprake wanneer voor de goederen een reële contraprestatie in de
                    vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen
                    goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld of goederen.
                    Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig bedrag of een
                    weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag
                    aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk
                    kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen
                    worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt. </al><al>Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder vergunning gehouden
                    inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden dat te kennen is
                    gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is
                    bestemd voor een ideëel doel. </al><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats betreft de
                    periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                    aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een
                    standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde
                    plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een
                    aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het innemen van een standplaats voor tien
                    minuten vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR 26-03-1974,
                    NJ 1974, 239. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</al><tussenkop>Artikel 5:13 Ventverbod of ventvergunning</tussenkop><tussenkop>Het eerste lid </tussenkop><al>Hoewel in de meeste gemeenten een vergunningstelsel voor het venten is
                    afgeschaft omdat het venten geen overlast e.d. oplevert, is er in Utrecht voor
                    gekozen het vergunningstelsel als preventief toezichtmiddel te behouden. Dit
                    gezien de overlastsituaties in de binnenstad en overige winkelcentra. Volgens de
                    Dienstenrichtlijn is een vergunning alleen proportioneel als een controle
                    achteraf onvoldoende is.</al><tussenkop>Venten met gedrukte stukken </tussenkop><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor het
                    openbaren van gedachten of gevoelens middels de drukpers. In de jurisprudentie
                    is bepaald dat het aanbieden van of venten met gedrukte stukken onder artikel 7
                    van de Grondwet valt. Het maken van handelsreclame wordt niet tot de vrijheid
                    van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid, van de Grondwet.</al><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de
                    praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een
                    groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met prentbriefkaarten.
                    De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in het kader van een
                    commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte stukken
                    betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen
                    worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de
                    opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te
                    komen aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op
                    grond van overtreding van een Apv-bepaling waarin een ventverbod wordt
                    vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk.</al><al>In een geval van verkoop van posters met reproducties van aquarellen en
                    afbeeldingen van foto’s al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat deze
                    voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting van kunst
                    bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke gedrukte stukken
                    gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens openbaren als bedoeld in art.
                    7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de
                    inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                    resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod. Een
                    constructie waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het verlenen
                    van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wel toelaatbaar.
                    De beperking van de verkoop van drukwerk waarop een mededeling staat, is gelet
                    op artikel 7 van de Grondwet, niet mogelijk voor zover het betreft de inhoud van
                    het drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers “iedere openbaarmaking
                    van een -meer of minder weloverwogen- gedachte of een gevoelen, ongeacht de
                    intenties of motieven van degene die zich uit” (Kb 5 juni 1986, Stb. 339). Wel
                    kan de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare orde en veiligheid
                    naar tijd en plaats worden ingeperkt.</al><tussenkop>Daklozenkrant </tussenkop><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:7. Als verkoop
                    plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de
                    eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te
                    overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigt. Immers
                    niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit
                    zijn van een identiteitsbewijs van de koepelorganisatie waarmee ze kunnen
                    aantonen dat ze officiële straatkrantverkopers zijn. </al><tussenkop>Jurisprudentie </tussenkop><al>Strafrechtelijk verleden staat in de weg aan het verlenen van ventvergunning.
                    Geen uitzondering op het beleid gezien de aard van de gepleegde feiten en de
                    veelvuldige veroordelingen. ARRS 26-07-1993, AB 1994, 2 m.nt. LJJR. Zie ook Vz.
                    ARRS 20-10-89, JG 90.0181. Let op: Sinds de inwerkingtreding van de
                    Dienstenrichtlijn dienen aanvullende argumenten binnen het begrip openbare orde
                    in de zin van de Dienstenrichtlijn aanwezig te zijn en gerelateerd te worden aan
                    het concrete gedrag van de dienstverlener. Enkel een strafrechtelijke
                    veroordeling uit het verleden is onvoldoende.</al><al>Relatie Colportagewet en ventverbod uit de APV. Colportagewet niet uitputtend
                    bedoeld. HR 20-10-1992, JG 93.0258 , NJ 1993, 155, Gst.1993, 6972, 5 m.nt.
                    EB.</al><al>Verkoopactiviteiten vanuit rijdende winkel is vergunningplichtig op grond van de
                    APV. De regeling in de APV is niet in strijd met de Vestigingswet Bedrijven 1954
                    (inmiddels ingetrokken). Aan toetsing van de APV-bepaling aan artikel 30 van het
                    EG-verdrag komt de afdeling niet toe. ABRS 27-11-1998, Gst.1999, 7090, 4 m.nt.
                    HH. Het aanbieden van goederen in een rijdende winkelwagen kan aan regels worden
                    gebonden ten behoeve van de handhaving van de openbare orde. Er is sprake van
                    venten. ARRS 15-06-1984, Gst. 1984, 6789, 4 m.nt. J.C. Schroot.</al><al>Van venten is sprake als de venter zijn waren voortdurend vanaf een andere
                    plaats aanbiedt, tenzij hij zijn clientèle aan het bedienen is. Er geldt een
                    verbod tot het aanbieden vanaf een vaste plaats. Het tijdelijk stilstaan in
                    afwachting van klanten is in strijd met de verleende ventvergunning. HR
                    26-03-1974, NJ 1974, 239. Maar let op, de Raad van State oordeelt dat "eerst
                    wanneer met een zekere permanentie de waren op een bepaalde plaats worden
                    aangeboden kan worden gesproken van een standplaats." ABRS 23-03-1998, AB 1998,
                    277.</al><al>Venten met gedrukte of geschreven stukken wordt aangemerkt als een middel van
                    bekendmaking dat zelfstandige betekenis heeft naast andere middelen . HR
                    17-03-1953, NJ 1953, 389, Wachttorenarrest en HR 20-06-1950, NJ 1950, 619.</al><al>Terechte weigering van ventvergunning. Het reguleren van de ambulante handel is
                    een zaak die tot de gemeentelijke huishouding behoort. Pres. Rb. Assen
                    31-10-1996, JG 97.0078 </al><al>Wanneer ondanks verleende ventvergunning feitelijk vanaf een standplaats wordt
                    gehandeld, dient een aanschrijving te worden gebaseerd op het innemen van een
                    standplaats zonder vergunning en niet op het handelen in strijd met de
                    ventvergunning. Gelet op de definitiebepalingen in de APV sluiten venten en het
                    innemen van een standplaats elkaar uit, zodat deze artikelen niet naast elkaar
                    aan de aanschrijving ten grondslag kunnen worden gelegd. ABRS 23-03-1998, AB
                    1998,- 277. Venten met posters valt onder de vrijheid van meningsuiting. Posters
                    zijn een bepaalde uiting van kunst of ludiek van aard. Er kan daarom niet gezegd
                    worden dat de posters geen gedachten of gevoelens openbaren. HR 21-03-2000, NJ
                    2000, 482.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften last onder bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in
                    het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4
                    naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt
                    hierover alle onzekerheid weggenomen.</al><al>Dienstenrichtlijn Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat
                    vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de
                    bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze
                    uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een
                    dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen
                    belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt;
                    transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de
                    vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder
                    dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene
                    toelichting en het commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van
                    artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is
                    vastgesteld dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan.</al><al>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000 In het kader van de Vreemdelingenwet
                    2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke
                    toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan.
                    Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij
                    een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een
                    document te overleggen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige
                    informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene
                    toelichting.</al><tussenkop>Overige regelgeving</tussenkop><al>Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de APV van
                    toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de
                    straathandel.</al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</al><al>Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege
                    strijd met een geldend bestemmingsplan. Wanneer wel een vergunning, zoals
                    vereist krachtens artikel 5:13 APV, wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die
                    in het geldende bestemmingsplan worden gesteld, van kracht. Het college moet een
                    aanvraag voor het innemen van een standplaats dan mede opvatten als een verzoek
                    om vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan. In een
                    dergelijk geval wordt een aanvraag gebruikt voor twee afzonderlijke procedures.
                    Het is dan niet nodig twee afzonderlijke aanvragen in te dienen.</al><tussenkop>Winkeltijdenwet</tussenkop><al>De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden
                    van winkels en het leveren van goederen aan particulieren. De bepalingen uit de
                    Winkeltijdenwet gelden ook voor de verkoop van goederen vanaf een standplaats
                    (artikel 2, tweede lid, Winkeltijdenwet). </al><al>Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Winkeltijdenwet is het verboden een
                    winkel voor het publiek geopend te hebben op zondag, op werkdagen voor 06.00 uur
                    en na 22.00 uur, op de wettelijk erkende feestdagen en na 19.00 uur op Goede
                    Vrijdag, 4 mei en 24 december. Ingevolge artikel 5 van de Winkeltijdenwet kan
                    bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling worden verleend van de in
                    artikel 2 genoemde verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zondag en
                    de wettelijk erkende feestdagen. In het Vrijstellingenbesluit winkeltijdenwet
                    worden o.a. van het verbod in artikel 2 van de Winkeltijdenwet uitgezonderd: het
                    in of op het terrein van ziekenhuizen, verpleeghuizen en bejaardenoorden te koop
                    aanbieden en verkopen van eet- en drinkwaren, prentbriefkaarten, nieuwsbladen en
                    tijdschriften en bloemen en planten. Het college kan op verzoek ontheffing
                    verlenen voor het te koop aanbieden en verkopen van voornoemde artikelen op ten
                    hoogste 250 meter van de publieksingang van een ziekenhuis of verpleeghuis,
                    vanaf een half uur voor de aanvang van de bezoektijden tot het einde daarvan.
                    Voorts geldt het verbod niet voor de verkoop van bloemen en planten in stations
                    dan wel op een afstand van maximaal 100 meter daarvan. Het college kan op
                    verzoek ontheffing verlenen van het verbod voor de verkoop van bloemen en
                    planten op een afstand van ten hoogste 100 meter van een openbaar vervoer
                    knooppunt. Het verbod van artikel 2 geldt voorts niet voor het te koop aanbieden
                    en verkopen van voor directe consumptie geschikte eetwaren en alcoholvrije
                    dranken. De raad kan bij verordening bepalen, indien naar zijn oordeel
                    plaatselijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, dat voornoemde
                    vrijstelling niet geldt voor (delen van) de betreffende gemeente. Ook ten
                    aanzien van begraafplaatsen is een aparte regeling opgenomen voor de verkoop van
                    bloemen en planten. Het verbod genoemd in artikel 2 van de Winkeltijdenwet geldt
                    niet voor het te koop aanbieden en verkopen van bloemen en planten op een
                    begraafplaats dan wel op een afstand van ten hoogste 100 meter van de
                    publieksingang daarvan, gedurende de openingstijden van die begraafplaats. Zie
                    het Vrijstellingenbesluit voor een volledig overzicht van alle uitzonderingen op
                    het verbod van artikel 2 Winkelwet.</al><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Winkeltijdenwet geschiedt
                    door de politie en de Belastingdienst/FIOD-ECD. </al><al>Zie ook de Winkeltijdenverordening Utrecht 2012. Op 7 februari 2013 heeft de
                    Gemeenteraad de winkeltijdenverordening aangepast. Kern van deze aanpassing van
                    de winkeltijdenverordening is het afschaffen van de zon- en feestdagenregeling
                    en koopzondagen (artikel 6), afschaffen van de ontheffing op zon- en feestdagen
                    voor bijzondere situaties (artikel 9). Dit heeft gevolgen voor de regels
                    standplaatsen omdat die verwijzen naar de winkeltijdenverordening. </al><al>In deze verordening is o.a. bepaald dat geen ontheffing wordt verleend voor
                    Nieuwjaarsdag, Eerste Paasdag, Eerste Pinksterdag en Eerste Kerstdag, dat blijft
                    bestaan.</al><tussenkop>Warenwet</tussenkop><al>Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet
                    (roerende zaken waaronder eetwaren, met inbegrip van kauwpreparaten andere dan
                    tabak, en drinkwaren alsmede bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
                    onroerende zaken) zijn de bepalingen uit de Warenwet van toepassing. De Warenwet
                    stelt regels met betrekking tot de goede hoedanigheid en aanduiding van waren.
                    Daarnaast stelt de Warenwet regels met betrekking tot de hygiëne en degelijkheid
                    van producten. Met betrekking tot het toezicht op de naleving van de bepalingen
                    van de Warenwet is een afzonderlijk regime van toepassing. De voorschriften die
                    uit de Warenwet voortvloeien gelden naast de voorschriften die door het college
                    gesteld kunnen worden op basis van een standplaatsvergunning.</al><al>Wet milieubeheer</al><al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen
                    die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen
                    gelden ook voor een standplaatshouder, voor zover zijn verkoopplek als
                    “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de regelgeving die geldt voor
                    bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan
                    bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Denk ook aan vis- en oliebollenkramen.
                    Naast de Wet milieubeheer is ook de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010 van
                    belang.</al><tussenkop>Gebruik van de openbare weg</tussenkop><al>Voor het innemen van een standplaats op de openbare weg is een vergunning
                    vereist. In veel gevallen zal de gemeente de eigenaar of rechthebbende van de
                    openbare weg zijn. Op grond hiervan kan de gemeente van degene die op de
                    openbare weg met vergunning een standplaats inneemt een vergoeding bedingen voor
                    het gebruik van het deel van de openbare weg. De grondslag voor het bedingen van
                    een dergelijke vergoeding kan gegeven worden in een retributieverordening of in
                    een huurovereenkomst. In een retributieverordening kan afhankelijk van het
                    formaat en de locatie van de standplaats een bepaald bedrag worden vastgesteld.
                    Voor wat betreft de huurovereenkomst kan worden opgemerkt dat een beleid kan
                    worden vastgesteld met betrekking tot de plaats en de grootte van de
                    standplaats. Per in te nemen locatie kan een vaste prijs worden berekend. De
                    huurprijs en andere voorwaarden die in een huurovereenkomst worden bedongen
                    mogen geen belemmering vormen voor het innemen van een standplaats. Uit
                    jurisprudentie is gebleken dat het bedingen van een hoge huurprijs voor het
                    gebruik van de openbare weg niet zover kan gaan dat een feitelijke belemmering
                    ontstaat voor het innemen van een standplaats waarvoor een vergunning is
                    verleend, zie Vz. ARRS 12-04-1991, JG 91.0369 . Met betrekking tot de keuze
                    tussen het vaststellen van een retributieverordening en het aangaan van een
                    huurovereenkomst moet opgemerkt worden dat een dergelijke keuze consequent
                    gehanteerd dient te worden. (Zie hierover de algemene leerstukken met betrekking
                    tot de tweewegenleer).</al><tussenkop>Het tweede lid </tussenkop><al>Het college kan beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel
                    of niet tot het afgeven van een vergunning voor straathandel wordt overgegaan.
                    Het vaststellen van een dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen
                    bekendgemaakte criteria worden aangegeven, die bij de beoordeling van een
                    vergunningaanvraag worden gehanteerd, is blijkens de jurisprudentie
                    toegestaan.</al><tussenkop>Het vierde lid </tussenkop><al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                    standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt.
                    Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die
                    zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al><tussenkop>Artikel 5:13a Vrijmarkt Koninginnedag</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Voor het uitoefenen van straathandel is een vergunning vereist (artikel 5:13
                    APV). Om de jaarlijkse vrijmarkt in het kader van de viering van Koninginnedag
                    mogelijk te maken, kan de burgemeester bepalen dat daarvoor in bepaalde gebieden
                    tijdelijk geen vergunning vereist is. Van de vergunningplicht wordt alleen de
                    niet-commerciële verkoop door particulieren uitgezonderd. Handelaren moeten voor
                    straathandel altijd een vergunning hebben.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Omdat er voor de verkoop op de vrijmarkt geen vergunning is vereist, heeft de
                    burgemeester de bevoegdheid nadere regels te stellen aan de vrijmarkt. Hij kan
                    dit doen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van
                    overlast, de verkeersveiligheid, de veiligheid van personen of goederen, de
                    zedelijkheid of de gezondheid of de bescherming van het milieu.</al><al>Naast de jaarlijkse vrijmarkt in de binnenstad vinden ook in de (buiten)wijken
                    van de stad festiviteiten plaats ter ere van Koninginnedag. Deze worden veelal
                    georganiseerd door zogenaamde 'oranjeverenigingen'. Omdat deze verenigingen
                    naast vrijmarkten vaak ook andere activiteiten organiseren, vragen zij een
                    evenementenvergunning aan. In die gevallen staan de regels in de
                    vergunning.</al><tussenkop>Artikel 5:14 Standplaats voor een ander doel dan straathandel</tussenkop><al>De in artikel 5:13 genoemde standplaatsen hebben betrekking op straathandel.
                    Standplaatsen kunnen echter ook voor andere dan commerciële doeleinden worden
                    opgericht. Ook die standplaatsen zijn vergunningplichtig. </al><tussenkop>Lex silencio positivo</tussenkop><al>Het toepassen van de lex silencio is mogelijk. Het betreft een lichte vergunning
                    en heeft met name tot doel het screenen van degene die een standplaats wenst te
                    gebruiken, anders dan voor commerciële doeleinden.</al><al>Afdeling 5.4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                    natuurgebieden</al><tussenkop>Artikel 5:15 Crossterreinen</tussenkop><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s,
                    motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                    verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol
                    in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al>Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke regelingen zo al van toepassing
                    kunnen zijn.</al><al>1.<vet>Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en Apv</vet></al><al>Alvorens in te gaan op de vraag welke regelingen van toepassing kunnen zijn op
                    het crossen op daarvoor - al dan niet legaal - ingerichte terreinen, worden
                    eerst enige kanttekeningen geplaatst bij een verkeersrechtelijk aspect in
                    verband met de leeftijd van de crossers.</al><al>Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW 1994 jo. artikel 5 van het
                    Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts worden bestuurd door personen
                    die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het verkeersrechtelijk regime is
                    echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op
                    een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het
                    openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag
                    wanneer sprake is van een zodanige weg wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 1:1 van de model-APV. Zoals daar bleek, gaat het er om of een weg
                    feitelijk voor het openbaar verkeer gesloten is.</al><tussenkop>Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op de
                    weg in de zin van de WVW 1994</tussenkop><al>Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in
                    de WVW 1994, plaatsvindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de
                    WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden
                    is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
                    Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de
                    deelnemers aan de wedstrijd. </al><tussenkop>Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op
                    andere wegen dan bedoeld in de zin van de Wegenverkeerswet 1994</tussenkop><al>Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg in
                    de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5:15 van toepassing zijn. Artikel 5:15
                    ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het
                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een
                    wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend
                    voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen,
                    medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld.</al><al>Indien artikel 5:15 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel
                    5:21 niet meer aan de orde. Zie verder de toelichting op artikel 5:21.</al><tussenkop>Auto- of motorsportactiviteit zonder wedstrijdkarakter op de
                    weg</tussenkop><al>Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de
                    evenementenbepalingen van de APV van toepassing (art. 5:20 e.v.). De
                    burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of
                    gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het
                    evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en
                    motorsportevenementen, die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten,
                    oldtimerritten e.d.</al><al>2.<vet>Wet milieubeheer en Apv</vet></al><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de
                    weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte
                    terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken,
                    plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst
                    bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige
                    terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:15 en
                    5:16 van deze APV.</al><tussenkop>Wet milieubeheer</tussenkop><al>De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de
                    werking van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer.</al><al>In bepaalde gevallen moet een motor(sport)terrein worden aangemerkt als een
                    inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. In het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen opgesomd waarvoor
                    krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning vereist is. De
                    regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van het
                    besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of terreinen,
                    geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van:
                    bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in
                    wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve
                    doeleinden.</al><al>In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving
                    “gelegenheid bieden” is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein, dat in
                    enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk te maken, onder
                    dit besluit valt.</al><al>Vervolgens vermeldt de nota van toelichting dat enige accommodatie evenwel nodig
                    zal zijn voordat kan worden vastgesteld of sprake is van een dergelijke
                    inrichting, bijvoorbeeld in de vorm van een begrenzing. Indien elke, al dan niet
                    beoogde, begrenzing van de plaats waar de genoemde activiteiten zich afspelen
                    ontbreekt, zal bezwaarlijk van een inrichting kunnen worden gesproken
                    (bijvoorbeeld wanneer een aantal liefhebbers van modelvaartuigen regelmatig met
                    elkaar hun bootjes laat varen op een grote plas of waterweg).</al><al>Op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer is het college bevoegd om op
                    een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19
                    te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd
                    of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van
                    wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen,
                    en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de
                    vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten
                    (categorie 19.2).</al><al>Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de motieven van de Wet
                    milieubeheer, zijnde de gevolgen voor het milieu of de bescherming van het
                    milieu.</al><tussenkop>Apv</tussenkop><al>De regeling in de Apv is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in
                    categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor
                    motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of
                    zeer incidenteel worden gebruikt.</al><al>In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de
                    werkingssfeer ten opzichte van de Wet milieubeheer in ieder geval moeten zijn
                    afgebakend.</al><al>Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming
                    van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare
                    orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of
                    de deelnemers.</al><al>In de in het tweede lid genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein
                    slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden
                    van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van
                    KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen c.q.
                    aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en - eventueel - dat de
                    crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging
                    er - ter voorkoming van ongelukken - zorg voor draagt dat toezicht door
                    volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.</al><al>3.<vet>Zondagswet</vet></al><al>Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op zondag
                    zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan
                    200 m van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het tweede lid van dit
                    artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod voor de tijd na 13.00 uur
                    ontheffing te verlenen.</al><al>De training voorafgaand aan de motorcrosswedstrijd kan als deze voor publiek
                    toegankelijk is, reeds aangemerkt worden als een openbare vermakelijkheid als
                    bedoeld in artikel 4 van de Zondagswet.</al><al>4.<vet>Wet op de ruimtelijke ordening en Apv</vet></al><al>Een terrein dat men wil gaan gebruiken als motorcrossterrein zal in de meeste
                    gevallen gelegen zijn in een gebied met de bestemming “agrarisch gebied” of
                    “natuurgebied”.</al><al>De vraag is dan of voor het gebruik van het betreffende terrein als
                    motorcrossterrein vrijstelling kan worden verleend van het gebruikvoorschrift.
                    Indien aannemelijk is dat het gebruik van een terrein ten behoeve van het
                    motorcrossen zal leiden tot een onomkeerbare wijziging van de bestemming van dit
                    terrein, dan zal dit gebruik enkel worden toegestaan na een
                    bestemmingsplanwijziging.</al><al>5.<vet>Privaatrechtelijk optreden</vet></al><al>Verschillende gemeenten zijn er toe overgegaan een aan de gemeente in eigendom
                    toebehorend terrein aan te wijzen waarop de motorcrossport beoefend kan worden.
                    Veelal geschiedt dit om de overlast die wordt ondervonden als gevolg van het
                    crossen in natuur- en bosgebieden te beperken.</al><al>Indien van gemeentewege een terrein ter beschikking wordt gesteld voor het
                    crossen, rijst de vraag naar de eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid
                    van de gemeente voor ongevallen en andere schade. Daarbij dient ervan uit gegaan
                    te worden dat het crossterrein niet een weg is in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving. Is daarvan wèl sprake, dan is het -behoudens ontheffing;
                    zie de artikelen 10 en 148 WVW 1994- eenvoudigweg verboden aldaar te
                    “crossen”.</al><al>Civielrechtelijk brengt het feit dat een terrein met goedvinden van de gemeente
                    als crossterrein wordt gebruikt, voor haar de verplichting mee ervoor te zorgen
                    dat geen gevaarlijke situaties te creëren zijn. Het ligt op de weg van de
                    gemeente om het terrein aan te passen aan het doel waartoe het dient.</al><al>In het kader van de regels die het college kan stellen op basis van het tweede
                    lid van artikel 5:15 kunnen bijvoorbeeld leeftijdsgrenzen worden gesteld aan de
                    gebruikers van het terrein of eisen als aangegeven in artikel 110 van de WVW
                    1994 jo artikel 5 van het Reglement rijbewijzen. Uitsluiting van
                    aansprakelijkheid voor schade (ongevallen e.d.) kan de gemeente zoveel mogelijk
                    beperken; bijvoorbeeld door een bord te plaatsen bij de ingang van het terrein
                    waarop zijn aangegeven de voorwaarden waaronder van het terrein gebruik mag
                    worden gemaakt (onder andere de waarschuwing, dat gebruikers van het terrein dit
                    voor eigen risico gebruiken en de mededeling, dat de gemeente aansprakelijkheid
                    afwijst voor ongevallen en andere schade als gevolg van crossen). Het plaatsen
                    van een dergelijk bord wil overigens niet zeggen dat de gemeente gevrijwaard is
                    van aansprakelijkheid.</al><al>Er is overigens nog een privaatrechtelijke mogelijkheid waardoor de gemeente aan
                    haar zorgverplichting kan voldoen, namelijk door het sluiten van een gebruiks-
                    of huurovereenkomst met de plaatselijke vereniging. De gemeente moet zich dan
                    wel realiseren dat het desbetreffende terrein dan ook alleen ter beschikking
                    wordt gesteld ten behoeve van het crossen door leden van die vereniging.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Wanneer in het kader van een evenement, zoals bedoeld in de artikel 2.2.1 (oud)
                    en 2.2.2 (oud) van de model-APV, op een crossterrein, zoals in deze bepaling
                    bedoeld, motor(sport)activiteiten worden gehouden zijn er meerdere bevoegde
                    organen in het spel. Goed onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het
                    evenement, waarvoor de burgemeester het bevoegd gezag is om een vergunning te
                    verlenen en anderzijds de motor(sport)activiteiten, waarvoor het college het
                    bevoegd gezag is. ARRS 3-6-1994, JG 95.0055 m.nt. A.B. Engberts, AB 1994, 602
                    m.nt. RMvM, Gst. 1995, 7006, 4 m.nt. EB.</al><al>Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur. In casu
                    geen schending van de zondagsrust, omdat het motorcrossterrein 4 km buiten de
                    bebouwde kom ligt. Pres. Rb. Utrecht 6-6-1995, JG 95.0316 m.nt. A.B. Engberts,
                    KG 1995, 292.</al><tussenkop>Artikel 5:16 Beperking verkeer in natuurgebieden</tussenkop><al>1.<vet>Inleiding</vet></al><al>Vele gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van
                    motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder,
                    schade aan de flora, verstoring van wild e.d.</al><al>Verder worden natuurgebieden, parken e.d. steeds vaker door ruiters en
                    fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en
                    fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden
                    verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent
                    vaak ook schade aan flora en fauna.</al><al>Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in
                    natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zgn. “wilde
                    crossen” (op wegen en paden en “off the road”) en het crossen op daartoe
                    speciaal gebruikte motorterreinen.</al><al>Op het crossen op motorterreinen is artikel 5:33 van de model-APV van
                    toepassing.</al><al>De redactie van artikel 5:16 is aangepast overeenkomstig het systeem van artikel
                    5:15. Op grond van het eerste lid van artikel 5:16 geldt een algeheel verbod om
                    zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te
                    bevinden. Het college kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar
                    dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze
                    terreinen.</al><al>2.<vet>Maatregelen</vet></al><al>Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het “wildcrossen” of
                    overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat het in feite om een meer algemeen
                    vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter bescherming van het
                    milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer, ruiter- of
                    fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren?</al><al>Een mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is
                    het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de
                    wegenverkeerswetgeving.</al><al>Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november 1991 de wegbeheerder
                    bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 WVW 1994).</al><al>Volgens de WVW 1994 kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden
                    overgegaan indien deze maatregelen de veiligheid op de weg verzekeren,
                    weggebruikers en passagiers beschermen, strekken tot het in stand houden van de
                    weg en de bruikbaarheid van de weg waarborgen, de vrijheid van het verkeer
                    waarborgen, strekken tot voorkoming of beperking van door het verkeer
                    veroorzaakte overlast, hinder of schade, strekken tot het voorkomen of beperken
                    van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie
                    van objecten of gebieden en tenslotte een doelmatig of zuinig energieverbruik
                    bevorderen (artikel 2, eerste tot en met derde lid, WVW 1994). De WVW 1994 geeft
                    derhalve ook mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van
                    milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat van de weg gebruik
                    maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de WVW 1994 door middel
                    van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een regeling ten aanzien
                    van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994.</al><al>Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een
                    natuurgebied kan een regeling worden opgenomen in de APV.</al><al>Hierbij moet in het oog worden gehouden dat met betrekking tot het onderhavige
                    onderwerp ook een provinciale regeling kan gelden. Indien er reeds een
                    provinciale regeling bestaat inzake de beperking van gemotoriseerd verkeer in
                    natuurgebieden, welke regeling - deels - strekt ter bescherming van dezelfde
                    belangen, zal - althans indien een gemeente geheel of gedeeltelijk gelegen is in
                    een “natuurgebied” als bedoeld in de provinciale verordening - de werkingssfeer
                    van het gemeentelijk voorschrift ten opzichte van de provinciale verordening
                    moeten worden afgebakend.</al><tussenkop>2.1 Maatregelen op basis van de Wegenwet/feitelijke sluiting en sluiting
                    krachtens artikel 461 Wetboek van Strafrecht</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Ook langs feitelijke en privaatrechtelijke weg zou men kunnen komen tot
                            het weren van gemotoriseerd verkeer uit bepaalde natuurgebieden. In de
                            eerste plaats valt te denken aan het plaatsen van palen, klap- of
                            draaihekjes bij de toegangen tot de in zo’n gebied gelegen wegen. De
                            eigenaar van een weg zal men het recht tot het nemen van zodanige
                            maatregelen niet kunnen ontzeggen. Hoe zit dit echter als deze weg is
                            aan te merken als een openbare weg in de zin der Wegenwet? Hiervoor zijn
                            wij ingegaan op de beperkingen in het gebruik van een openbare weg als
                            gevolg van het beperkt openbaar rechtskarakter van die weg. Openbare
                            wegen in natuurgebieden zullen veelal - op grond van de gesteldheid van
                            de weg of op grond van het gebruik dat van de weg pleegt te worden
                            gemaakt - een zodanig beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ook ten
                            aanzien van deze openbare wegen zal de eigenaar deze beperking feitelijk
                            mogen realiseren door het plaatsen van klap- en draaihekjes, palen e.d.
                            bij de toegangen tot die wegen en wel zodanig dat alleen voetgangers en
                            fietsen vrij kunnen passeren. Aan deze handelwijze kleeft een aantal
                            bezwaren. Deze handelwijze is in de eerste plaats niet toepasbaar ten
                            aanzien van openbare wegen die niet een beperkt openbaar rechtskarakter
                            hebben. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de
                            Wegenwet dienen de rechthebbende en de onderhoudsplichtige dan alle
                            verkeer over de openbare weg te dulden. Wij tekenen hierbij nog aan dat
                            het gedeeltelijk - bij voorbeeld alleen voor gemotoriseerd verkeer -
                            onttrekken van wegen aan het openbaar verkeer niet mogelijk is (Kb 26
                            september 1955, AB 1956, blz. 357, m.nt. M. Troostwijk). Ook is het
                            volgens de Kroon niet mogelijk een weg aan het openbaar verkeer te
                            onttrekken om hem vervolgens weer onmiddellijk open te stellen voor bij
                            voorbeeld voetgangers en fietsers (Kb 11 mei 1982, AB 1982, 378, m.nt.
                            J.R. Stellinga). Een dergelijke maatregel kan wel door middel van een
                            verkeersbesluit worden genomen, zoals hiervoor is beschreven. Ook mag
                            verwacht worden dat het onttrekken van een aantal in het buitengebied
                            gelegen wegen aan het openbaar verkeer op bezwaren zal stuiten van met
                            name landbouwers. Verder wordt ten aanzien van het afsluiten van wegen
                            door middel van hekjes en slagbomen nog opgemerkt, dat de bereikbaarheid
                            van bos- en natuurgebieden voor de brandweer en in verband met
                            onderhoudswerkzaamheden zal verslechteren. Bovendien zullen slagbomen
                            gemakkelijk geopend kunnen worden. Ten slotte is het plaatsen van
                            hekjes, slagbomen en dergelijke een kostbare aangelegenheid. </al></li><li nr="-"><al>Men zou -in de tweede plaats- kunnen denken aan het plaatsen bij de
                            toegangen tot de wegen in een bepaald natuurgebied van borden waarop de
                            toegang voor motorvoertuigen en bromfietsen voor onbevoegden krachtens
                            artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht wordt verboden: “Verboden
                            toegang voor....; art. 461 Wetboek van Strafrecht”. Deze methode kan
                            echter niet worden toegepast, indien het gaat om openbare wegen in de
                            zin van de Wegenwet. Zie HR 21 juni 1966, NJ 1966, 416, m.nt. W.F.
                            Prins, OB 1967, XIV.3, nr. 26667, AB 1967, blz. 186, NG 1966, blz. 432,
                            Verkeersrecht 1966, blz. 227, m.nt. R.J. Polak (Bromfietsverbod Sneek),
                            en HR 23 december 1980, NJ 1981, 171, m.nt. Th.W. van der Veen, AB 1981,
                            237, NG 1981, blz. S63, m.nt., Verkeersrecht 1981, blz. 58, m.nt. J.J.
                            Bredius (rijverbod Schiermonnikoog). </al></li><li nr="-"><al>Sommige gemeentebesturen hebben de volgende aanpak tot wering van
                            gemotoriseerd verkeer uit natuurgebieden overwogen:</al><lijst><li nr="a."><al>onttrekking van de openbare wegen (“openbaar” in de zin van de
                                    Wegenwet) aan het openbaar verkeer volgens de daartoe in de
                                    artikelen 9 e.v. van de Wegenwet voorgeschreven procedure; en
                                    aansluitend daaraan:</al></li><li nr="b."><al>geslotenverklaring op privaatrechtelijke basis van de wegen in
                                    dat gebied voor (recreatief) gemotoriseerd verkeer, namelijk
                                    door het plaatsen van borden “Verboden toegang voor...., art.
                                    461 Wetboek van Strafrecht”.</al></li></lijst></li></lijst><al>Aan deze aanpak wordt om twee redenen de voorkeur gegeven:</al><lijst><li nr="∙"><al>De Wegenwet zou zich er tegen verzetten dat wegen die voor al het
                            verkeer openbaar zijn, ter behartiging van andere belangen dan
                            verkeersbelangen bij verordening voor het gemotoriseerd verkeer gesloten
                            zouden worden. Of deze opvatting juist is, is de vraag.</al></li><li nr="∙"><al>Artikel 461 WvSr. is niet op openbare wegen van toepassing.</al></li></lijst><al>Ook de hier bedoelde aanpak stuit overigens op bezwaren, met name in die
                    gevallen dat de wegen niet in eigendom zijn bij de overheid. De overheid is dan
                    immers van de particuliere eigenaren afhankelijk, met name waar het de
                    geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer betreft. Bovendien is de
                    toegankelijkheid van dergelijke wegen voor het publiek niet meer verzekerd,
                    indien deze wegen eenmaal aan het openbaar verkeer zijn onttrokken. De
                    particuliere eigenaar zou zijn weg immers ook voor alle publiek, dus ook voor
                    voetgangers en fietsers, kunnen afsluiten. De overheid bezit dan geen
                    machtsmiddelen daartegen op te treden. Deze machtsmiddelen bezit zij wél ten
                    aanzien van wegen die -zij het ook beperkt- voor het openbaar verkeer
                    toegankelijk zijn in de zin van de Wegenwet.</al><al>Zie de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van 25 maart 1982, NG 1983 blz. S
                    145,, AB 1983, 64, m.nt. Van der Veen (Helmond) en van 5 november 1982, Gst.
                    1983, 6745, 10, m.nt. J.M. Kan (Wittem). Blijkens deze uitspraken kan (en moet!)
                    de gemeentelijke overheid de onderhouds- en de duldingsplicht van de eigenaar
                    van een openbare weg met toepassing van bestuursdwang afdwingen, indien deze
                    plicht wordt verzaakt.</al><al>Men kan -zoals hierboven reeds bleek- aan genoemde consequenties niet ontkomen
                    door een weg slechts beperkt aan het openbaar verkeer te onttrekken, in die zin
                    dat hij alleen openbaar zal zijn voor bepaalde categorieën verkeersdeelnemers.
                    Bovendien, ook al zou een weg een beperkt openbaar rechtskarakter hebben, dan
                    nog zou artikel 461 WvSr. waarschijnlijk niet toepasselijk kunnen zijn.</al><al>Hiervoor werd er reeds op gewezen dat de hele onttrekkingsprocedure tijdrovend
                    is en dat de onttrekking op bezwaren zal stuiten van met name landbouwers. Zou
                    men de hier bedoelde methode toepassen, dan zou het in ieder geval noodzakelijk
                    zijn voor de onttrekking aan het openbaar verkeer met de particuliere eigenaren
                    duidelijke afspraken te maken en deze schriftelijk vast te leggen. Wij vermelden
                    hier nog, dat de onttrekking van een openbare weg aan het openbaar verkeer
                    onvoorwaardelijk moet geschieden en zonder tijdsbepaling (circulaire van de
                    minister van verkeer en waterstaat aan de colleges van gedeputeerde staten, BS
                    1933, nrs. 203 en 245, WGB 1933, blz. 225).</al><al>3.<vet>Verordening stiltegebieden</vet></al><al>Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer een
                    verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of
                    beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Deze
                    verordening wordt de provinciale milieuverordening (PMV) genoemd en vervangt de
                    oude verordeningen op grond van artikel 122 van de Wet geluidhinder.</al><al>Volgens de model-PMV is het onder meer verboden een aantal toestellen te
                    gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een
                    motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor
                    bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten.</al><al>Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 24 van
                    de WVW 1994 zijn niet toegestaan.</al><al>In Utrecht zijn geen bij of krachtens de provinciale 'Verordening
                    stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden.</al><al>4.<vet>Beperking gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden in relatie tot artikel
                        1 van de Grondwet</vet></al><al>De vraag rijst of het ontzeggen van de toegang tot een bepaald natuurgebied voor
                    motorrijders en bromfietsers zich verdraagt met het antidiscriminatieverbod van
                    artikel 1 van de Grondwet. Deze vraag werd aan de orde gesteld in een zitting
                    van de kantonrechter te Harderwijk op 19 september 1985. De geverbaliseerde
                    voerde aan dat het verbod “... discriminerend is ten aanzien van motorrijders,
                    bromfietsers en hun duopassagiers. Terreinwagens, motoren met zijspan, auto’s en
                    vrachtwagens mogen van de onverharde wegen wel gebruik maken. De officier van
                    justitie bestreed deze opvatting. Hij stelde dat het gemeentebestuur een keuze
                    heeft gemaakt tussen de belangen van voetgangers en flora en fauna en de
                    belangen van motorrijders en bromfietsers die zittend op hun voertuig van de
                    natuur willen genieten.”</al><al>De officier meende dat de belangen van flora en fauna en de belangen van
                    voetgangers die hinder ondervinden van motorrijders, prevaleren boven de
                    belangen van motorrijders. De kantonrechter schaarde zich achter de officier van
                    justitie. Hij meende dat er geen sprake was van discriminatie van motorrijders
                    en bromfietsers omdat hun bewegingsvrijheid niet verder dan noodzakelijk voor
                    het doel dat het college voor ogen staat wordt beperkt.</al><al>De Rechtbank in hoger beroep en de Hoge Raad in cassatie hebben inmiddels de
                    uitslag van de kantonrechter onderschreven (HR 19 mei 1987, AB 1988, nr. 216,
                    APV Nunspeet).</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Wanneer wordt overgegaan tot het aanwijzen van een natuurgebied, waarbinnen
                    gemotoriseerd verkeer verboden is, zoals in deze bepaling bedoeld, is het
                    verstandig te bezien in hoeverre een overgangsregeling noodzakelijk is voor
                    personen die - al dan niet bedrijfsmatig - met een motorvoertuig gebruik maken
                    van dit natuurgebied. Vanwege het ontbreken van een overgangsregeling trof de
                    Voorzitter van de ARRS een voorlopige voorziening, waarbij aan belanghebbende
                    alsnog een tijdelijke ontheffing werd verleend. Vz. ARRS 30-8-1990, AB 1991, 432
                    m.nt. PCEvW, Gst. 1991, 6929, 7 m.nt. JT.</al><tussenkop>Wijziging 2007</tussenkop><al>In 2007 (ledenbrief Lbr.07/125) zijn het derde lid sub b en het derde lid sub d
                    gewijzigd. De bepaling op deze plaatsen dat het college gebieden kon aanwijzen,
                    is geschrapt, omdat het college dat al kan op grond van het eerste lid.</al><tussenkop>Lex silencio positivo (ontheffing)</tussenkop><al>Het toepassen van de lex silencio is mogelijk.</al><al>Afdeling 5.5 Verbod vuur te stoken</al><tussenkop>Artikel 5:17 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                    anderszins vuur te stoken</tussenkop><al>Benadrukt moet dat het nieuwe regiem voor het verbranden van afvalstoffen buiten
                    inrichtingen in de Wet milieubeheer er helaas niet beter, maar juist
                    onduidelijker op is geworden. Voorheen hoefde er op grond van artikel 5.5.1
                    model-APV slechts één ontheffing te worden verleend, waarin zowel de bescherming
                    van het milieu als van de openbare orde en veiligheid werden geregeld.</al><al>Artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer beperkt zich nu echter alleen tot de
                    bescherming van het milieuhygiënische belang. Indien het college de openbare
                    orde- en veiligheidsaspecten wil reguleren is het verlenen van een (tweede)
                    ontheffing op grond van de APV noodzakelijk.</al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>De afbakening met de Wet milieubeheer in het vijfde lid is komen te vervallen,
                    omdat in het eerste lid de afbakening heeft plaatsgevonden door de zinsnede
                    “buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer”. In de vorige versie van
                    artikel 5.5.1(oud) model-APV stond overigens alleen nog “buiten inrichtingen”.
                    De afbakening met de Wet milieubeheer is door de nieuwe formulering scherper
                    neergezet.</al><tussenkop>Voor welke afvalstoffen kan er een ontheffing op grond van artikel 10.63,
                    tweede lid, Wet milieubeheer worden gegeven en wat is de reikwijdte van de
                    wet?</tussenkop><al>Uit de kamerbehandeling van het wetsvoorstel blijkt dat de ontheffing kan worden
                    verleend voor de volgende zaken:</al><lijst><li nr="∙"><al>vreugdevuren, zoals paas- en oudejaarsvuren en kampvuren.</al></li><li nr="∙"><al>instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen, in het kader van
                            klein landschapsbeheer.</al></li></lijst><al>De minister gaf tegenover de Kamer voorts aan dat fruitsnoeihout en
                    aardappelloof onder de ontheffing zouden kunnen vallen. Hij sprak in zijn
                    algemeenheid over hout dat men van bomen of struiken afhaalt om het natuurlijke
                    proces om welke reden dan ook te bevorderen. Ook riet zou ons inziens hieronder
                    kunnen vallen. Voor welke gevallen er nog meer een ontheffing kan worden
                    gegeven, is sterk afhankelijk van de lokaal specifieke situatie, bijvoorbeeld
                    indien er sprake is van een heidegebied of specifieke beplanting. Op grond van
                    artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer is het in ieder geval verboden
                    ontheffing te verlenen voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen. Verder
                    is het meeverbranden van allerlei afvalstoffen (banden, verf, afgewerkte olie)
                    verboden.</al><al>Artikel 10.2 Wet milieubeheer ziet alleen toe op het verbranden van afvalstoffen
                    buiten inrichtingen. Dit betekent dat, indien er sprake is van een inrichting in
                    de zin van de Wet milieubeheer, het verbrandingsverbod hierop niet van
                    toepassing is. Hiervoor geldt namelijk een ander wettelijk regiem. De
                    verbranding van afvalstoffen binnen een inrichting dient enerzijds te worden
                    geregeld in de milieuvergunning of wordt anderzijds geregeld in een van de
                    zogenaamde artikel 8.40-Besluiten, waarin algemene milieuregels zijn opgenomen
                    voor homogene bedrijfscategorieën.</al><al>Tevens dient rekening gehouden te worden met de gemeentelijke zorgplicht voor de
                    inzameling van huishoudelijk GFT-afval (groente-, fruit- en tuinafval) op grond
                    van artikel 10.21 Wet milieubeheer. GFT-afval, afkomstig van huishoudens, dient
                    in de eerste plaats door de burger te worden aangeboden aan de aangewezen
                    inzameldienst. Het buitengebied wordt door gemeenten soms vrijgesteld van de
                    inzamelplicht in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen. In deze
                    gevallen kan een ontheffing voor het verbranden van tuinafval worden
                    gerechtvaardigd. Voor wat betreft stedelijke of bebouwde komgebieden, is het
                    verlenen van een ontheffing minder gerechtvaardigd. Immers, de gemeente draagt
                    zorg voor inzameling van huishoudelijk tuinafval en ook grof tuinafval, een
                    ontheffing voor het verbranden van snoeihout, lijkt daarmee niet wenselijk.</al><al>Benadrukt dient te worden dat het aan het bevoegde gezag is om zelf invulling te
                    geven aan het ontheffingenbeleid. Dit geldt zeker ook voor een absoluut
                    verbrandingsverbod. Ook al geeft de Wet milieubeheer de mogelijkheid om een
                    ontheffing te verlenen, dit betekent niet dat een gemeente ook verplicht is dit
                    te doen. Gemeenten kunnen dus –óók onder het regiem van de Wet milieubeheer- een
                    absoluut stookverbod blijven hanteren. Het verdient aanbeveling om een absoluut
                    stookverbod in een beleidsnota of milieubeleidsplan vast te leggen.</al><tussenkop>Kan het bestaande ontheffingenbeleid van het college worden
                    gecontinueerd, maar thans op basis van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer?</tussenkop><al>Bij de behandeling van het wetsvoorstel betreffende artikel 10.2 heeft de
                    minister aangedrongen op een terughoudend ontheffingenbeleid (zie o.a.
                    Kamerstukken II 2000/ 01, 26 638, nr. 24). Ook de VNG adviseert haar leden een
                    terughoudend ontheffingenbeleid te voeren, waarbij ook wordt gekeken naar
                    alternatieve verwerkingsmethoden (het zogenaamde alara-beginsel). Indien een
                    gemeente reeds een terughoudend beleid voert, kan het bestaande
                    ontheffingenbeleid worden gecontinueerd.</al><al>Wel verdient het sterk de aanbeveling om het ontheffingenbeleid schriftelijk
                    vast te leggen in bijvoorbeeld beleidsregels. Op deze manier beschikt het
                    bevoegde gezag over een duidelijk afwegingskader, op grond waarvan de beslissing
                    om een ontheffing te verlenen kan worden gebaseerd.</al><tussenkop>Welke procedure moet worden gevolgd voor het verlenen van een ontheffing
                    op basis van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer?</tussenkop><al>Bij de ontheffingverlening op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer dient de volgende procedure gevolgd te worden. Op grond van artikel
                    10.64 Wet milieubeheer zijn de artikelen 8.5–8.25 Wet milieubeheer van
                    overeenkomstige toepassing op een ontheffing van het verbrandingsverbod. In
                    artikel 8.6 Wet milieubeheer wordt afdeling 3.4 van de Algemene Wet
                    Bestuursrecht van toepassing verklaard, dat wil zeggen de uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure.</al><al>Dit is een tamelijk omslachtige procedure, reden waarom de VNG dit als één van
                    de knelpunten in het kader van het project Herijking VROM-wetgeving bij het
                    ministerie van VROM heeft ingebracht. Evenals het ministerie van VROM is de
                    procedure voor de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer zeer omslachtig voor een dergelijke ontheffing.</al><al>Aanvankelijk wilde het ministerie van VROM de procedure versoepelen door een
                    AMvB op grond van artikel 10.2, tweede lid, Wet milieubeheer vast te stellen. In
                    deze AMvB zou voor een aantal categorieën verbrandingen een vrijstelling worden
                    verleend, met een set van algemene regels waaraan de verbrandingen zouden moeten
                    voldoen. Het ministerie van VROM heeft inmiddels gekozen voor een andere
                    oplossing.</al><tussenkop>Versoepeling van de procedure artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer
                    op komst</tussenkop><al>In de nieuwe Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure die op 1 juli 2006 in
                    werking is getreden, zijn de openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4.
                    Awb) en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.5 Awb)
                    samengevoegd tot één afdeling 3.4 Uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure.</al><al>In de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb is artikel
                    10.64 Wet milieubeheer uitgebreid met een derde lid:</al><al>“<cursief>In afwijking van het eerste lid is afdeling 3.4, van de Algemene wet
                        bestuursrecht niet van toepassing op een ontheffing als bedoeld in artikel
                        10.63, tweede lid</cursief>.”</al><al>Hiermee wordt uitdrukkelijk gesteld dat de nieuwe afdeling 3.4. Awb niet van
                    toepassing is op de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer. In dit geval wordt teruggevallen op de minimale procedurele eisen
                    van de Awb.</al><tussenkop>Welke voorschriften kunnen worden verbonden aan een ontheffing op grond
                    van artikel 10.63, tweede lid Wet milieubeheer?</tussenkop><al>Aan een ontheffing kunnen de volgende voorschriften worden verbonden. Gedacht
                    kan worden aan het voorschrift dat:</al><lijst><li nr="∙"><al>het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de
                            omgeving;</al></li><li nr="∙"><al>de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter
                            plaatse aanwezig dient te zijn en zorg dient te dragen voor een goed
                            brandend vuur, zodat zo min mogelijk rookontwikkeling plaatsvindt;</al></li><li nr="∙"><al>de verbranding niet mag plaatsvinden in de periode tussen zonsondergang
                            en zonsopgang;</al></li><li nr="∙"><al>verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde
                            afstand tot bouwwerken;</al></li><li nr="∙"><al>van de voorgenomen verbranding het hoofd van de afdeling milieuzaken van
                            de dienst ... of zijn plaatsvervanger of de alarmcentrale van de
                            regionale brandweer, tenminste één uur voor de verbranding telefonisch
                            moet worden geïnformeerd (telefoon ...).</al></li></lijst><al>In de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer kunnen ook voorschriften
                    worden opgenomen over bodembeschermende voorzieningen en maatregelen. Veel
                    gemeenten eisen een bodembeschermende voorziening, bijvoorbeeld een betonplaat
                    of zandbed. De grondslag van een dergelijk voorschrift is in dit geval artikel
                    10.63, tweede lid, Wet milieubeheer. Het verdient de aanbeveling om in de
                    ontheffing ook een verwijzing naar de zorgplicht van artikel 13 Wet
                    bodembescherming op te nemen.</al><tussenkop>Hoe kan het beste worden omgegaan met gevallen van bestrijding van
                    bepaalde ziektes?</tussenkop><al>In enkele gevallen, bijvoorbeeld bij de bestrijding van bepaalde ziektes is het
                    noodzakelijk op korte termijn passende maatregelen, zoals het verbranden van de
                    zieke bomen, te nemen. De procedure van ontheffingverlening duurt in deze
                    gevallen te lang om telkens een ontheffing te verlenen. Daarom zou voor deze
                    gevallen de ontheffing bij voorbaat verleend kunnen worden, waarbij in de
                    ontheffing nauwkeurig wordt aangegeven in welke gevallen en onder welke
                    omstandigheden van de ontheffing gebruik mag worden gemaakt. Een aantal
                    gemeenten eist bijvoorbeeld een verklaring van de Plantenziektenkundige Dienst
                    te Wageningen. Als voorschrift kan worden opgenomen dat in geval van verbranding
                    van met ziekte aangetast hout, besmet en niet-besmet snoeihout zoveel mogelijk
                    moet worden gescheiden.</al><tussenkop>Kan een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer voor onbepaalde tijd worden verleend?</tussenkop><al>Nee, volgens het ministerie van VROM hangt de beantwoording van deze vraag samen
                    met het karakter van de ontheffing. Het gaat om een ontheffing van een wettelijk
                    verbod of een uitzondering op de regel. Het verlenen van een ontheffing voor
                    onbepaalde tijd verhoudt zich hiermee per definitie niet. Het zou daarmee een
                    soort vergunningstelsel worden. Een ontheffing zal derhalve altijd voor een
                    bepaalde tijd verleend moeten worden. De precieze omvang voor een bepaalde tijd
                    is onder andere afhankelijk van de invulling van het in artikel 10.63, tweede
                    lid, Wet milieubeheer opgenomen criterium. Na verloop van tijd kunnen er
                    bijvoorbeeld mogelijkheden komen om de betreffende afvalstoffen op een
                    hoogwaardiger wijze te verwerken in plaats van te verbranden. Tevens is de
                    looptijd van de ontheffing afhankelijk van de formulering van de ontheffing
                    zelf. Naarmate bijvoorbeeld de tijdsperiode waarin verbrand mag worden exacter
                    in de ontheffing staat geformuleerd (bijvoorbeeld twee keer veertien dagen in de
                    nader omschreven periode, bijvoorbeeld het snoeiseizoen met melding aan de
                    gemeente) is het volgens VROM denkbaar dat een ontheffing voor maximaal drie
                    jaar wordt verleend. Als de periode niet exact staat omschreven, stuit een
                    dergelijke looptijd van een ontheffing op bezwaren. Er zijn dus verschillende
                    mogelijkheden voor de duur van een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede
                    lid, Wet milieubeheer. Variërend van bijvoorbeeld een ontheffing per keer tot
                    een jaarlijkse ontheffing tot een ontheffing voor een periode van drie jaar.
                    Gemeenten hebben dus de beleidsvrijheid om zelf de duur van een ontheffing te
                    bepalen.</al><tussenkop>Artikel 5:17 </tussenkop><tussenkop>De aanvullende werking van artikel 5.17</tussenkop><al>Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen
                    altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de
                    bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het
                    college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische
                    argumenten.</al><al>Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet
                    milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de
                    openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften
                    verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het
                    belang van het milieu. Artikel 5.17 vult daarom voor wat betreft deze aspecten
                    de Wet milieubeheer aan.</al><al>Voor artikel 5:17 APV betekent dit concreet het volgende. Artikel 5:17, tweede
                    lid, APV biedt de mogelijkheid om -naast de ontheffing op grond van de Wet
                    milieubeheer- een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde
                    en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de
                    APV dan aan de Wet milieubeheer. Tevens wordt het college de mogelijkheid
                    geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de
                    openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. </al><tussenkop>Kan de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer en de ontheffing op grond van artikel 5:17, tweede lid, model-APV
                    worden gecombineerd tot één te verlenen ontheffing?</tussenkop><al>Er is een aantal redenen om dit niet te doen. In de eerste plaats zijn de
                    gronden waarop het besluit wordt genomen, gebaseerd op twee verschillende
                    wettelijke regelingen. Het gaat dus om twee verschillende afwegingskaders.
                    Indien beide afwegingskaders in één ontheffing wordt verwerkt, is de vraag in
                    hoeverre een dergelijk besluit juridisch stand houdt. Bovendien wordt, indien
                    bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen het ene besluit, het bezwaar daarmee
                    impliciet eveneens gericht tegen het andere besluit. Tenslotte is ook de
                    strafbaarstelling verschillend. Overtreding van de ontheffing op grond van
                    artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer wordt strafbaar gesteld in de Wet op
                    de economische delicten (Wed), terwijl overtreding van artikel 5:17 strafbaar
                    wordt gesteld op grond van artikel 154 Gemeentewet.</al><al>Het verschil in wettelijke grondslag (Wet milieubeheer versus Gemeentewet), het
                    verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil in
                    strafbaarstelling (Wet op de economische delicten versus Gemeentewet) pleit
                    ervoor om een systeem van twee separate ontheffingen te hanteren. Dit neemt niet
                    weg dat gemeenten de aanvraag voor beide ontheffingen kunnen coördineren. Het
                    blijven echter wel twee afzonderlijke besluiten.</al><tussenkop>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer wordt geweigerd, wat betekent dit voor de ontheffing op grond van
                    artikel 5:17 Apv?</tussenkop><al>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer
                    wordt geweigerd, is er geen ruimte meer voor een ontheffing op grond van artikel
                    5:17 Apv. Dit volgt uit het systeem van de wet. Een ontheffing op grond van
                    artikel 5:17 Apv kan in dit geval namelijk nooit worden verleend wegens strijd
                    met de Wet milieubeheer. De aanvraag voor een ontheffing op grond van artikel
                    5:17 Apv hoeft daarom niet in behandeling te worden genomen.</al><tussenkop>Uitzonderingen artikel 5:17 </tussenkop><al>In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het
                    eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt
                    verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren –waarbij geen
                    afvalstoffen worden verbrand-, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor
                    koken, bakken en braden niet onder het nieuwe regiem van de Wet milieubeheer. Er
                    is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen.
                    Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, (de begrippen: 'overlast of
                    hinder', wél voorkomend in de model bepaling, maar niet opgenomen in de Apv
                    Utrecht ter voorkoming van hoeveelheid klachten) voor de omgeving. Vooral binnen
                    de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name
                    terrashaarden en vuurkorven. </al><al>Instrumenten voor aanpak van deze problematiek: buurtbemiddeling, optreden
                    wijkagent(en) en zonodig civielrechtelijk optreden (bewijs van onrechtmatige
                    hinder leveren).</al><al>De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Het eerste lid
                    regelt namelijk het aanleggen, stoken of hebben van vuur, maar in de genoemde
                    uitzonderingsgevallen is geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De
                    gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit
                    eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of
                    hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die
                    niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het
                    verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen).</al><tussenkop>Lex silencio positivo (ontheffing)</tussenkop><al>Het toepassen van de lex silencio is mogelijk. Als er samenloop is met andere
                    regelgeving dient het van rechtswege verlenen van de ontheffing synchroon te
                    verlopen met de andere toestemmingen.</al><al>Afdeling 5.6 Straatnaamborden, huisnummers e.d.</al><tussenkop>Artikel 5:18 Gedoogplicht aanduidingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:19 Verwijdering e.d. aanduidingen</tussenkop><al>De betreffende afdeling 6.6 en bijbehorende artikelen komen niet (meer) voor in
                    de model Apv. </al><al>In de Apv Utrecht zijn ze behouden, met uitbreiding in artikel 5:18 (jo. artikel
                    5:19) van de gedoogplicht naar aanduidingen voor brandkranen en brandputten. </al><al>Zie jurisprudentie bij artikel 2:15a. Verwijdering e.d. voorzieningen voor
                    verkeer en verlichting.</al><al>Afdeling 5.7A Binnenevenementen</al><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De huidige APV kent reeds een vergunningplicht voor evenementen op of aan de
                    openbare plaats of het openbaar water (buitenevenementen) en een voor
                    evenementen in gebouwen (binnenevenementen).</al><al>Gelet op het feit dat binnenevenementen, net als de buitenevenementen, een
                    uitstralend effect hebben op de woon- en leefomgeving, de openbare orde en
                    eventueel de (verkeers)veiligheid, zedelijkheid en gezondheid, geldt voor grote
                    binnenevenementen een vergunningplicht.</al><al>Een vergunningstelsel biedt de mogelijkheid om voorafgaand aan de
                    vergunningverlening met de organisator goede afspraken te maken omtrent de
                    organisatie en het verloop van het evenement. </al><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen
                    stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is
                    aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen
                    voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven. Het begrip "toezicht" is ruimer dan alleen de handhaving van de
                    openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en
                    veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien
                    de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan
                    ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig
                    afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht. Overigens laat het bepaalde
                    in deze afdeling de overig bevoegdheden van de burgemeester in het kader van de
                    Gemeentewet onverlet. </al><tussenkop>Artikel 5:20 Begripsbepaling binnenevenement</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><tussenkop>Aanhef </tussenkop><al>In de aanhef van het eerste lid is voor de beschrijving van het begrip evenement
                    in het kader van deze afdeling voor zover mogelijk aangesloten bij de reeds
                    bestaande begripsbepaling van artikel 5:30 e.v. Apv (buitenevenementen). De
                    omschrijving is uiteraard toegespitst op het feit dat het in deze afdeling om
                    evenementen in gebouwen of gedeelten daarvan gaat. Activiteiten die niet aan de
                    omschrijving voldoen, vallen niet binnen de vergunningplicht van deze afdeling.
                    Zo vallen bijvoorbeeld feesten, als drive-in shows, die in of op vaartuigen
                    plaatsvinden niet onder de begripsomschrijving van dit artikel. Een vaartuig
                    valt immers niet onder de definitie van gebouw zoals bedoeld in artikel 1:1 van
                    deze verordening. Desalniettemin geldt voor dit soort evenementen wel degelijk
                    een vergunningplicht op grond van artikel 5:30 Apv.</al><al>Bouwwerken als tenten vallen in principe onder de definitie van bouwwerk als
                    bedoeld in artikel 1:1 van deze verordening. Veelal worden tijdelijke bouwsels
                    als tenten kortstondig (enkele dagen) neergezet ten behoeve van een evenement
                    dat op of aan de weg plaatsvindt.</al><al>Een bouwvergunning wordt hier in de praktijk dan ook niet voor afgegeven omdat
                    de tijdsduur die gemoeid is met een dergelijke procedure in geen verhouding
                    staat tot de korte tijd dat het bouwsel is opgericht. Evenementen die in
                    dergelijke tijdelijke bouwsels op of aan de weg plaatsvinden vallen onder de
                    vergunningplicht van artikel 5:30 van deze verordening (buitenevenementen).</al><al>Te denken valt hierbij onder andere aan tentfeesten en circussen.</al><al>Het evenement moet voor het publiek toegankelijk zijn, wil het aan de
                    begripsomschrijving van dit artikel voldoen en daarmee onder de vergunningplicht
                    van deze afdeling vallen. Aan dit criterium is in de praktijk al snel voldaan.
                    Zo doet het al dan niet heffen van een entreeprijs niets af aan het feit dat een
                    evenement voor het publiek toegankelijk is. De zinsnede "al dan niet met enige
                    beperking" is dan ook uitsluitend toegevoegd om hier geen misverstand over te
                    laten bestaan.</al><al>Daarnaast moet het gaan om een verrichting van vermaak, dat wil zeggen dat het
                    amusementsgehalte de boventoon voert. Zo zullen handelsbeurzen,
                    vaktentoonstellingen en het maken van examens over het algemeen niet worden
                    gezien als verrichtingen van vermaak. Dit betekent overigens niet dat dergelijke
                    activiteiten in het geheel niet onder regelgeving of een vergunningplicht vallen
                    (hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan regelgeving of vergunningen op het
                    gebied van milieu of brandveiligheid). Muziekfestivals en dansfestijnen zullen
                    daarentegen wel als verrichtingen van vermaak worden aangemerkt. Ook
                    vechtevenementen als kooigevechten worden gezien als evenement omdat hier veelal
                    het geweldsamusement voorop staat. </al><tussenkop>Eerste lid: Uitzonderingen</tussenkop><al>In de aanhef van dit artikel wordt, net als in artikel 5:20 van deze
                    verordening, uitgegaan van een algemeen geldend criterium ten aanzien van de
                    definiëring van het begrip evenement. Vervolgens wordt een aantal evenementen
                    opgesomd dat in ieder geval niet onder de werking van de bepalingen van deze
                    afdeling valt (de zogenaamde negatieve benaderingsmethode). Hierbij moet gedacht
                    worden aan evenementen waarvoor reeds hogere regelgeving geldt. Zo zijn
                    betogingen, samenkomsten en vergaderingen (onderdeel a) al geregeld in de Wet
                    openbare manifestaties (zie ook de toelichting bij artikel 2:6) en kent de Wet
                    op de Kansspelen een eigen toezichtregime voor kansspelen (onderdeel h.) in de
                    zin van die wet. </al><al>Daarnaast zijn evenementen uitgezonderd omdat hiervoor specifieke bepalingen
                    elders in de Apv zijn opgenomen. Dit geldt voor de onderdelen: </al><lijst><li nr="d."><al>(bepaalde voetbalwedstrijden),</al></li><li nr="f."><al>(markten) en</al></li><li nr="h."><al>(speelgelegenheden).</al></li></lijst><al>Voorts zijn een aantal activiteiten uitgezonderd omdat het niet noodzakelijk is
                    hiervoor een vergunningplicht in het leven te roepen. Zo leveren bioscoop- en
                    theatervoorstellingen (onderdeel b.) in de praktijk niet of nauwelijks problemen
                    op. Het in een vroeg stadium maken van afspraken met een organisator teneinde
                    een goed verloop van de voorstelling te waarborgen is dan ook niet aan de orde.
                    De belangen ter bescherming waarvan een vergunningplicht voor dit soort
                    voorstellingen in het leven geroepen zou moeten worden doen zich hier in het
                    algemeen niet voor. Voor sekstheaters is reeds een vergunningplicht in het leven
                    geroepen op grond van artikel 3:2, eerste lid (artikel 70 (oud), eerste
                    lid).</al><al>Voor wat betreft sportwedstrijden (onderdeel c.) kan niet ontkend worden dat een
                    zeker amusementsgehalte een rol speelt. In het algemeen is het echter zo dat het
                    sportieve element de boventoon voert. De sportwedstrijden onder auspiciën van
                    het NOC*NSF zijn in dit opzicht dan ook aan allerlei wedstrijd- en spelregels
                    gebonden. Dit geldt echter niet voor bepaalde vechtevenementen, zoals
                    bijvoorbeeld kooigevechten, waarvoor op sportief gebied nauwelijks of geen
                    regels gelden. Voor dit soort evenementen kan dan ook gesteld worden dat niet
                    het sportieve element maar het geweldsamusement de boventoon voert. </al><al>Dergelijke vechtevenementen vallen onder de begripsomschrijving van dit artikel
                    en hiervoor geldt dan ook de vergunningplicht van artikel 5:21, eerste lid.</al><al>Ook activiteiten in horecabedrijven die in de uitoefening van het horecabedrijf
                    gebruikelijk zijn, vormen een uitzondering en vallen derhalve niet onder de
                    vergunningplicht. Voor activiteiten die in het horecabedrijf gebruikelijk zijn
                    kan aansluiting worden gezocht bij hetgeen hieromtrent vermeld is in de
                    zogenaamde exploitatievergunning (vergunning die is afgegeven op basis van de
                    Horecaverordening Utrecht 2004). Zo zal het gelegenheid geven tot dansen in een
                    discotheek bezwaarlijk als evenement gezien kunnen worden.</al><al>Andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteiten, bijvoorbeeld
                    moddergevechten, kunnen wel als evenement worden aangemerkt.</al><tussenkop>Artikel 5:21 Verbodsbepaling</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het eerste lid introduceert de vergunningplicht. Hierbij is een ondergrens
                    aangegeven, evenementen met méér dan tweeduizend bezoekers vallen onder de
                    vergunningplicht van deze afdeling. Evenementen van een geringere omvang zijn
                    derhalve niet vergunningplichtig. Hierbij speelt de verwachting dat de belangen
                    waarvoor de vergunningplicht in het leven is geroepen niet of nauwelijks in het
                    geding zullen zijn bij evenementen waarbij het bezoekersaantal van tweeduizend
                    niet wordt overschreden een rol. De tijdsduur van vierentwintig uur is genoemd
                    met het oog op meerdaagse evenementen. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Dit lid introduceert de mogelijkheid om bepaalde categorieën van evenementen van
                    de vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid uit te zonderen, ondanks het
                    feit dat deze evenementen wel voldoen aan de begripsomschrijving van artikel
                    5:20.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Op grond van artikel 1:4 van deze verordening kunnen aan de vergunning
                    voorschriften en beperkingen verbonden worden voor zover deze strekken tot
                    bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is
                    vereist. In het kader van deze afdeling zullen de voorschriften dan ook gesteld
                    worden in het belang van de openbare orde, het voorkomen en beperken van
                    overlast, de verkeersveiligheid, de veiligheid van personen en goederen, de
                    zedelijkheid of gezondheid. Ook zonder vergunningstelsel kan de burgemeester,
                    gelet op zijn bevoegdheden zoals neergelegd in de Gemeentewet, eisen stellen aan
                    een evenement. Een organisator loopt immers het risico dat indien hij niet aan
                    bepaalde eisen voldoet, de burgemeester bijvoorbeeld besluit het evenement te
                    verbieden op grond van artikel 174 Gemeentewet. Voordeel van een
                    vergunningstelsel is echter dat een organisator min of meer verplicht wordt om
                    in een vroeg stadium overleg te plegen met het bestuursorgaan omtrent de te
                    verlenen vergunning. In dit overleg kunnen en zullen ook vaak goede afspraken
                    gemaakt worden omtrent bijvoorbeeld de handhaving van de openbare orde en
                    veiligheid en de inspanningen die door de organisator moeten worden gedaan om
                    het evenement op een goede manier te organiseren en te laten verlopen. Deze
                    afspraken kunnen dan ook in de vergunning meegenomen worden. </al><al>Het afsluiten van een verzekering tegen aansprakelijkheid met een toereikende
                    dekking is in het derde lid van dit artikel als aanvulling op artikel 1:4
                    opgenomen. Deze aanvulling vloeit voort uit de aanbevelingen van de commissie
                    Schutte (n.a.v. het trapincident d.d. 6 augustus 2006) ter verbetering van de
                    vergunningverlening en de veiligheid van evenementen in de openbare ruimte.
                    Omdat, gelet op de ondergrens die verbonden is aan de vergunningplicht voor
                    binnenevenementen, altijd sprake is van een aanzienlijk bezoekersaantal, is deze
                    aanbeveling overgenomen voor de binnenevenementen en wordt het afsluiten van een
                    goede dekkende verzekering hiermee altijd een aan de vergunning verbonden
                    voorschrift. Voor een toereikende dekking zal bijvoorbeeld de aard van de
                    risico’s die het evenement met zich meebrengt afgezet moeten worden tegen de
                    gedekte gebeurtenissen en hiermee dient het te verzekeren bedrag in verhouding
                    te staan.</al><al>Op grond van artikel 1:6 van deze verordening bestaat de mogelijkheid om de aan
                    een vergunning verbonden voorschriften te wijzigen of zelfs nieuwe voorschriften
                    aan de vergunning te verbinden. Immers uit informatie, feiten of gegevens na
                    vergunningverlening kan blijken dat wijzigingen noodzakelijk zijn. Te denken
                    valt bijvoorbeeld aan informatie die bij politie kan inkomen over onvoorzien
                    bezoekersgedrag of het feit dat een evenement een verhoogd risico met zich
                    meebrengt in verband met verstoring van het evenement door buitenstaanders,
                    extreme weersomstandigheden, enz.</al><tussenkop>Artikel 5:22 Nadere regels</tussenkop><al>Vergunningvoorschriften die voor alle of bepaalde categorieën van evenementen
                    zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit artikel door het college worden
                    vastgesteld als algemeen verbindende voorschriften. Dit artikel ziet dus op
                    delegatie van regelgevende bevoegdheden als bedoeld in artikel 156, eerste lid,
                    van de Gemeentewet. </al><al>Vanzelfsprekend zijn de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende
                    voorschriften hierbij van overeenkomstige toepassing.</al><al>Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf, in dit geval de burgemeester, over
                    zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van de
                    Algemene wet bestuursrecht. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen
                    beleidsregels het bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een vaste
                    gedragslijn bij het toepassen van de betreffende bevoegdheid. Het verschil
                    tussen nadere regels en beleidsregels bestaat hieruit dat beleidsregels een
                    inherente afwijkingsbevoegdheid kennen. Dit betekent dat op grond van
                    beleidsregels weliswaar een bepaalde gedragslijn wordt gevolgd, maar dat hiervan
                    in bijzondere gevallen kan worden afgeweken.</al><al>Bij de toepassing van nadere regels kan in het geheel niet van de gedragslijn
                    worden afgeweken. Indien het wenselijk is om een bevoegdheid als regel op een
                    bepaalde wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen anders te kunnen
                    besluiten, ligt het in de rede om daarover geen "nadere regel" maar een
                    beleidsregel vast te stellen.</al><tussenkop>Artikel 5:23 Indienen aanvraag</tussenkop><al>Om een aanvraag om vergunning te kunnen beoordelen is het van belang dat de
                    organisator de nodige gegevens en bescheiden verschaft. Met het oog hierop is in
                    dit artikel bepaald dat de organisator gebruik dient te maken van een
                    aanvraagformulier en dat de aanvraag vergezeld dient te gaan van een
                    veiligheidsplan. In het veiligheidsplan dient de organisator aan te geven hoe
                    invulling wordt gegeven aan zijn verantwoordelijkheid voor een goed verloop van
                    het evenement.</al><al>Te denken valt hierbij onder andere aan gegevens met betrekking tot beveiliging,
                    contactperso(o)n(en), ontruimingsplan, inrichting van de locatie (tekeningen op
                    schaal), brandpreventie, kaartverkoop, verwacht aantal bezoekers, profiel van de
                    doelgroep, vervoers- en parkeerplan, beleid inzake alcohol, drugs en wapens,
                    risicoanalyse, maatregelen op het gebied van gezondheid, communicatie en vormen
                    van overleg.</al><al>Indien niet of niet volledig voldaan wordt aan het bepaalde in dit artikel dan
                    kan de burgemeester, nadat de organisator in de gelegenheid is gesteld de
                    omissie te verhelpen, besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten op grond
                    van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al>Daarnaast is in artikel 5:27 eerste lid, onder a, een weigeringsgrond opgenomen
                    voor het geval de aanvraag wel in behandeling wordt genomen, maar de organisator
                    in gebreke blijft met het aanvullen van gegevens en bescheiden. Gelet op het
                    imperatieve karakter van artikel 5:27 eerste lid, onder a, betekent dit dat de
                    vergunning geweigerd moet worden.</al><tussenkop>Artikel 5:24 Vereisten organisator</tussenkop><al>In dit artikel zijn een aantal vereisten opgenomen waaraan een organisator moet
                    voldoen om voor een vergunning in aanmerking te komen. Deze eisen zijn opgenomen
                    omdat de persoon van de organisator van belang is voor een goede voorbereiding
                    en organisatie van het evenement. Dit zal immers van grote invloed zijn op het
                    verloop van het evenement. Een organisator heeft dan ook een speciale
                    verantwoordelijkheid in deze. Hij zal het evenement gedegen en deskundig moeten
                    voorbereiden, organiseren en begeleiden. Ook zal hij het door hem in te zetten
                    personeel alsmede bezoekers moeten kunnen aanspreken op hun gedrag. Hierbij zal
                    het eigen gedrag van de organisator een grote rol spelen. </al><al>Zo mag een organisator niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn. In
                    het kader van deze afdeling worden in ieder geval de volgende zaken als
                    voorbeelden van slecht levensgedrag beschouwd: betrokkenheid bij
                    geweldsdelicten, witwaspraktijken, gebruik en/of handel in drugs, rijden onder
                    invloed, discriminatie, eerdere weigering van een vergunning vanwege
                    levensgedrag en dergelijke. Uitsluitend gedragingen die in een periode van vijf
                    jaar voorafgaand aan de aanvraag hebben plaatsgevonden, zullen worden meegenomen
                    in de beoordeling omtrent het levensgedrag. Dit om te voorkomen dat iemand
                    levenslang wordt achtervolgd door in het verleden gemaakte fouten. Indien de
                    burgemeester bekend is met gedragingen van een organisator die getuigen van
                    slecht levensgedrag, dient de vergunning geweigerd te worden.</al><al>De leeftijdseis is in overeenstemming met wat naar de huidige inzichten aan
                    personen van die leeftijd kan worden overgelaten. Van een persoon die deze
                    leeftijd heeft bereikt, mag een zekere mate aan levenservaring,
                    verantwoordelijkheidsgevoel en overwicht verwacht worden. Het criterium dat een
                    organisator aantoonbare ervaring moet hebben met vergelijkbare evenementen is in
                    het leven geroepen om te voorkomen dat volkomen onervaren organisatoren
                    evenementen organiseren die de nodige impact hebben op de belangen die de
                    vergunningplicht van deze paragraaf juist beoogd te beschermen.</al><al>Immers juist vanwege het ontbreken van de nodige ervaring is de kans groot dat
                    de voorbereiding van een evenement te wensen overlaat met alle gevolgen van
                    dien.</al><al>Van de burgemeester kan dan ook niet verwacht worden dat hij aan een dergelijk
                    evenement zijn medewerking verleent, noch dat hij bij de begeleiding van het
                    evenement en de aanvraag daarvan dat deel voor zijn rekening neemt waar de
                    aanvrager nu juist door gebrek aan ervaring in gebreke blijft. Gebrek aan
                    ervaring zal in beginsel pregnanter aan de orde zijn naarmate het evenement
                    risicovoller is en/of de grootschaligheid van het evenement toeneemt.</al><al>De ontheffingsmogelijkheid in het tweede lid is opgenomen om te voorkomen dat
                    uitsluitend de eis omtrent vergelijkbare ervaring een onredelijke weigeringgrond
                    zou kunnen opleveren. Hierbij valt te denken aan kleinschalige risicoloze
                    evenementen, waarbij de onervarenheid van de organisator niet in enig opzicht
                    kan leiden tot ernstige aantasting van de belangen ter bescherming waarvan het
                    vergunningstelsel in deze paragraaf in het leven is geroepen.</al><al>Indien een organisator niet voldoet aan één of meer van de in deze bepaling
                    gestelde eisen moet de vergunning worden geweigerd op grond van artikel 5:27
                    eerste lid, onder b. </al><tussenkop>Artikel 5:25 Maximum aantal personen</tussenkop><al>De mogelijkheid om een maximum aantal toe te laten personen vast te stellen is
                    met deze wijziging omgezet in een verplichting. In de praktijk blijkt dat voor
                    binnenevenementen altijd een maximum aantal toe te laten personen wordt
                    opgenomen in de vergunning. Hiervan wordt een evenementenorganisator ook in een
                    vroeg stadium op de hoogte gesteld, zodat hiermee rekening gehouden kan worden.
                    Uit oogpunt van veiligheid wordt als uitgangspunt een norm gehanteerd zoals deze
                    op basis van het Bouwbesluit is vastgelegd (zie punt 7, pagina 7 van het
                    Ministeriële Geschrift MG 2003 – 19 d.d. 17-070-2004 betreffende
                    Bouwregelgeving: brandveiligheid, gebruiksvergunning).</al><al>Niet alleen de fysieke veiligheid van het gebouw speelt bij het vaststellen van
                    het aantal toe te laten personen een rol, ook een aantal andere factoren zoals
                    de aard van het evenement, het risicoprofiel van de bezoekers e.d. kunnen een
                    reden zijn om een maximum aantal toe te laten personen vast te stellen. Dit komt
                    dan ook tot uitdrukking in deze bepaling.</al><tussenkop>Artikel 5:26 Evenementenkalender</tussenkop><al>De Evenementenkalender draagt bij aan een goede programmering van verschillende
                    evenementen (zowel “binnen” als “buiten”evenementen). Deze programmering is om
                    een aantal redenen van essentieel belang: het voorkomen van wildgroei van
                    evenementen in kwantitatieve zin, het waarborgen van een goede kwaliteit en het
                    spreiden van evenementen in de stad en over het gehele jaar (of voor
                    buitenevenementen “het seizoen” dat over het algemeen loopt van april tot en met
                    oktober). Wanneer een organisator tijdig zijn voornemens voor het houden van een
                    evenement in het komende jaar bekend maakt, dan kan zijn plan bij de
                    vaststelling van de Evenementenkalender meegewogen worden. Vermelding van een
                    evenement op de kalender houdt niet automatisch in dat een vergunning wordt
                    verleend, maar geeft de aanvrager wel een beginseltoestemming voor een datum
                    waar, bij ongewijzigde omstandigheden, de beoordeling van zijn aanvraag op
                    gebaseerd kan worden. Concrete invulling van de aanvraag kan uiteraard alsnog
                    leiden tot een afwijzing. Immers het verzoek om een evenement op de kalender te
                    plaatsen is geen aanvraag om vergunning. De aanvraag om vergunning dient apart
                    op het daartoe vastgestelde formulier te geschieden. Wel is het zo dat een
                    “gereserveerde” plek op de evenementenkalender een weigeringsgrond kan zijn voor
                    een ander evenement. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de locatie: ook
                    aanvragen in de nabijheid van een reeds via de evenementenkalender
                    “gereserveerde” locatie kunnen geweigerd worden om te voorkomen dat evenementen
                    elkaar “in de weg zitten” (hierbij valt o.a. te denken aan geluid,
                    zichtbaarheid, trek van publiek). Bij de jaarlijkse vaststelling van de
                    evenementenkalender zal rekening gehouden worden met de jaarlijks terugkerende
                    evenementen. Hierbij dient wel aangemerkt te worden dat een organisator een
                    dergelijk evenement tijdig dient aan te melden.</al><al>Ook nadat de evenementenkalender is vastgesteld zullen nog aanvragen
                    binnenkomen.</al><al>Deze aanvragen zullen per geval en in relatie tot de reeds vastgestelde
                    evenementenkalender bekeken worden. </al><al>Dit betekent niet dat deze aangevraagde evenementen op voorhand worden
                    uitgesloten van een vergunning. Bij de behandeling van deze aanvragen worden de
                    criteria van de evenementenbepalingen afgewogen en “strijd met de
                    Evenementenkalender” is één van die criteria.</al><tussenkop>Artikel 5:27 Weigeringsgronden</tussenkop><al>In dit artikel zijn de weigeringsgronden opgenomen, waarbij wordt opgemerkt dat
                    de algemene weigeringsgronden nu zijn ondergebracht in artikel 1:8 van deze Apv
                    (vorige versie artikel 121h, tweede lid).</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In dit lid zijn de imperatieve weigeringsgronden opgenomen. Het bepaalde onder
                    a. vormt een imperatieve weigeringgrond voor het geval een organisator niet
                    voldoet aan de vereisten voor het indienen van een aanvraag zoals deze worden
                    gesteld in artikel 5:23. Zie ook de toelichting bij artikel 5:23.</al><al>Uiteraard vormt het niet voldoen aan één of meer van de in het eerste lid van
                    artikel 5:24 gestelde eisen een weigeringsgrond. Zie ook de toelichting bij
                    artikel 5:24.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In tweede lid is bepaald dat de vergunning geweigerd kan worden indien de
                    belangen genoemd in dit lid (dus met inbegrip van de belangen, als genoemd in
                    artikel 1:8) in het geding zijn. Gebruik van het werkwoord "kunnen" geeft aan
                    dat de burgemeester een beoordelingsmarge heeft. Deze kan namelijk weigeren,
                    maar hoeft dit niet. Is voldaan aan één of meer criteria op grond waarvan de
                    vergunning geweigerd kan worden, dan dient een goede belangenafweging plaats te
                    vinden. Het besluit zal dan ook goed gemotiveerd moeten worden. </al><al>De weigeringsgrond genoemd onder a. is van belang indien door het evenement of
                    een opeenstapeling van evenementen aannemelijk is dat niet meer voldaan kan
                    worden aan de normale hulpvraag van burgers. Voorop dient te staan dat deze
                    hulpvraag niet in het gedrang mag komen door de commerciële activiteiten van
                    organisatoren van evenementen. </al><al>In het tweede lid, onder b. is de mogelijkheid geschapen om een vergunning te
                    weigeren indien uit de aanvraag en de daarbij overlegde gegevens en bescheiden
                    reeds blijkt dat een organisator onvoldoende waarborgen kan bieden voor een goed
                    en ordentelijk verloop van het evenement.</al><al>De vergunning kan ook gedeeltelijk geweigerd worden. Zo hoeft niet de gehele
                    vergunning geweigerd worden indien blijkt dat een deel van de aanvraag niet
                    gehonoreerd kan worden. Een gedeeltelijke weigering kan bijvoorbeeld betrekking
                    hebben op de tijd waarop het evenement plaatsvindt.</al><al>Naast het weigeren van de vergunning kan het voorkomen dat zich omstandigheden
                    voordoen die het intrekken van een vergunning noodzakelijk maken. Artikel 1:6
                    van deze verordening biedt hiervoor een grondslag. Uiteraard bestaat ook de
                    mogelijkheid om de vergunning gedeeltelijk in te trekken. Handelen in strijd met
                    de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen vormt bijvoorbeeld
                    een intrekkingsgrond. Zo kan de vergunning ingetrokken worden indien de
                    organisator zich niet houdt aan de in de vergunning gestelde voorschriften. Een
                    intrekking is zelfs gerechtvaardigd indien het aannemelijk is dat de
                    vergunninghouder zich niet aan de voorschriften zal houden. Ook op grond van
                    gewijzigde omstandigheden en/of onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden
                    kan de vergunning ingetrokken worden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden
                    aan het intrekken van een vergunning voor een aanvankelijk risicoloos evenement,
                    waarvan -nadat de vergunning is verleend- aannemelijk wordt, dat de risico's
                    veel groter zijn dan ten tijde van de vergunningverlening te voorzien was. Op
                    grond van deze nieuwe gegevens en feiten zou bijvoorbeeld een ander
                    veiligheidsplan en/of andere voorschriften aan de vergunning verbonden
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 5:28 Samenloop</tussenkop><al>Met de opname van deze bepaling is beoogd te voorkomen dat voor de verschillende
                    activiteiten die op een evenement plaatsvinden aan diverse personen vergunning
                    verleend moet worden. Onder evenement wordt immers verstaan alle activiteiten
                    die als hoofd- of deelzaken bijdragen aan het geheel van het evenement. In het
                    voorgestelde systeem van vergunningverlening is de uitbesteding van onderdelen
                    van het evenement aan derden niet van belang voor de vergunningverlening. Het
                    gevolg hiervan is dat de organisator en ondernemers of bedrijven
                    privaatrechtelijk aan elkaar zijn gebonden zonder gemeentelijke bemoeienis. In
                    dit regime is het niet mogelijk om als ondernemer bepaalde activiteiten te
                    ontplooien zonder dat een overeenkomst is gesloten met de organisator. Uiteraard
                    geldt dit niet zodra hogere regelgeving in het geding is. Zo zal een
                    organisator, indien hij alcohol wil schenken, gewoon een ontheffing op grond van
                    de Drank- en horecawet dienen aan te vragen.</al><tussenkop>Artikel 5:29 Ordeverstoring</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al>Afdeling 5.7B Buitenevenementen</al><al>Een beleidsinstrument bij uitstek om een evenwicht te realiseren tussen de
                    wenselijkheid van het houden van bepaalde evenementen en de overlast die daarmee
                    gepaard gaat is het hanteren van een vergunningplicht. </al><al>De vergunningverlening voor een evenement is op zichzelf de verantwoordelijkheid
                    van de burgemeester, die op grond van de Gemeentewet belast is met het toezicht
                    op openbare samenkomsten, publieke vermakelijkheden en op voor het publiek
                    openstaande gebouwen en terreinen (zie ook de algemene toelichting bij afdeling
                    5.7A Binnenevenementen). Ook publiekssamenkomsten met een besloten karakter, dat
                    wil zeggen voor een groot aantal bezoekers die op uitnodiging bij elkaar komen,
                    is eveneens de vergunningplicht in deze regeling opgenomen wanneer een dergelijk
                    evenement op of aan de weg of het openbaar water plaatsvindt. </al><tussenkop>Artikel 5:30 Begripsbepaling buitenevenement</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het begrip evenement is algemeen omschreven. Onder deze definitie vallen dan ook
                    alle soorten evenementen voor zover deze op of aan de weg of het openbaar water
                    plaatsvinden, zoals sportevenementen en straat- en buurtfeesten op de openbare
                    weg, maar ook herdenkingsplechtigheden en optochten niet zijnde openbare
                    manifestaties. Daarnaast vallen ook kermissen, circussen en braderieën onder de
                    definitie. Aangezien de genoemde activiteiten dezelfde uitstraling kunnen hebben
                    als een evenement is het logisch dat de toetsingscriteria, die bij een evenement
                    van belang zijn, ook hierop van toepassing zijn.</al><al>Van de definitie zijn uitgezonderd activiteiten die reeds onder een ander
                    wettelijk regime vallen. Bioscoopvoorstellingen behoren niet tot de
                    uitzonderingen. Utrecht kent geen openluchtbioscoop waarmee de noodzaak om
                    dergelijke bioscoopvoorstellingen onder de uitzonderingen te laten vallen niet
                    aan de orde is. Bioscoopvoorstellingen in de open lucht vallen aldus onder de
                    definitie van evenement.</al><tussenkop>Klein evenement</tussenkop><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals een buurt- of straatfeest is
                    in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger
                    gekozen voor een meldingsplicht. Een buurt- en straatfeest valt onder het begrip
                    evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In artikel 5:30
                    lid 1 onder c is een klein evenement daarom gedefinieerd. Het moet gaan om
                    kleinschalige activiteiten die niet langer duren dan één dag en die zich in de
                    openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden en de
                    sociale cohesie te bevorderen.</al><al>Deze activiteiten kunnen niet plaatsvinden op doorgaande wegen zoals
                    wijkontsluitingswegen.</al><tussenkop>Artikel 5:31 Verbodsbepaling</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid is de vergunningplicht vastgelegd. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Deze bepaling biedt de mogelijkheid om een organisator te verplichten een
                    adequate verzekering af te sluiten zodat eventueel ontstane schade vergoed kan
                    worden, ook aan derden. Uit de redactie blijkt (“kan”) dat deze verplichting
                    niet standaard hoeft te worden opgelegd. Uiteraard moge het duidelijk zijn dat
                    de aard, omvang en karakter van het evenement hierbij een rol zal spelen. Zo
                    ligt het voor de hand dat deze verplichting wordt opgelegd bij een groot en
                    risicovol evenement. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 5:21, derde lid. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Een evenementenvergunning kan slechts aan één organisator worden verleend.
                    Afzonderlijke onderdelen of activiteiten van het evenement worden op deze wijze
                    niet apart vergund. Uitbesteding van onderdelen of organisatie van bepaalde
                    activiteiten van het evenement aan derden is op deze wijze niet van belang voor
                    de vergunningverlening. Een organisator is verantwoordelijk voor het gehele
                    evenement, ook voor die onderdelen die hij uitbesteed aan een “onderaannemer”.
                    Dit speelt bijvoorbeeld een rol bij kermissen en braderieën waarbij de
                    vergunning wordt verleend aan één organisator, die het evenement veelal in
                    samenwerking met derden, zoals exploitanten van een kermisattractie of
                    standhouders, regelt.</al><tussenkop>Géén lex silencio toepassen bij:</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:21 en 5:31 grote evenementen</tussenkop><al>Er zijn verschillende redenen dwingende redenen van algemeen belang, met name de
                    openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een lex silencio positivo af
                    te zien.</al><al>Bij grote evenementen vindt er doorgaans ook het nodige overleg plaats tussen de
                    organisatie van het evenement en de gemeente over de
                    (vergunning)voorwaarden.</al><al>Het is hierbij van belang om deze voorwaarden (die vaak specifiek van aard zijn,
                    zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers) in een
                    vergunning vast te leggen. Het specifieke van deze voorwaarden en bepalingen,
                    samen met het intensieve overleg, maakt de vergunning voor grote evenementen
                    niet geschikt voor het principe van de lex silencio.</al><tussenkop>Artikel 5:32 Kennisgeving straat- en buurtfeesten</tussenkop><al>Voor het organiseren van evenementen zoals een straat- of buurtfeest is in het
                    kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor
                    een meldingsplicht. Een buurt- en straatfeest valt onder het begrip evenement,
                    maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In dit artikel is een
                    buurt- en straatfeest daarom gedefinieerd. Het moet gaan om kleinschalige
                    activiteiten die niet langer duren dan één dag en die zich in de openbare ruimte
                    afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden en de sociale cohesie te
                    bevorderen.</al><al>Deze activiteiten kunnen niet plaatsvinden op doorgaande wegen zoals
                    wijkontsluitingswegen, busroutes of uitrukroutes van nood- en hulpdiensten.</al><al>Afzethekken moeten voldoen aan landelijke richtlijnen CROW 96b
                    (publicatiereeks). Als er sprake is van een afsluiting zal er door de gemeente
                    moeten worden gekeken of er in het achterliggend gebied nog andere
                    verkeersmaatregelen moeten worden getroffen (bijv. omdraaien rijrichtingen of
                    toestaan dat er in twee richtingen gereden mag worden of de afsluiting zal
                    moeten worden begeleid door omleidingsborden.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Locaties waar buurt- en/of straatfeesten kunnen worden gehouden, zijn:
                    pleintjes, grasveldjes, sportveldjes, e.d. De gemeente Utrecht wenst echter geen
                    straat- of buurtfeesten in parken.</al><tussenkop>Eerste lid, onder a. en b.</tussenkop><al>Het aantal personen dat aanwezig is, moet lokaal worden vastgesteld. Om te
                    voorkomen dat bijv. de Amsterdamsestraatweg in de gemeente Utrecht een
                    straatfeest organiseert is onder a. een bezoekersmaximum opgenomen. Eveneens is
                    de tijd gedurende welke het evenement plaatsvindt vastgesteld.</al><tussenkop>Eerste lid, onder c.</tussenkop><al>Voor het houden van een buurt- en/of straatfeest is enige vorm van geluid, mits
                    beperkt, toegestaan. De gemeenteraad dient wel de afweging te maken tussen de
                    sociale cohesie van de buurt en de overlast die het geluid kan hebben voor de
                    overige buurtbewoners. Er is voor gekozen dat het tussen 23.00 uur en 07.00 uur
                    stil moet zijn. Uiteraard kan de gemeente andere tijdstippen kiezen.</al><al>Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte muziek omdat beide vormen van
                    geluid onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor buurtbewoners.</al><tussenkop>Eerste lid, onder d.</tussenkop><al>De Drank- en Horecawet bepaalt dat er geen vergunning of ontheffing nodig is
                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>er een besloten feest wordt gehouden, waar</al></li><li nr="b."><al>geen entree wordt gevraagd en waar </al></li><li nr="c."><al>gratis alcohol wordt geschonken.</al></li></lijst><al>Er moet dan wel voldaan worden alle drie vereisten, Wanneer er sprake is van het
                    vragen en betalen van een vaste bijdrage impliceert dit dat er sprake is van het
                    anders dan om niet verstrekken van alcoholische drank (artikel 1 jo. 3 Drank en
                    Horecawet, Uitspraak Hoge Raad van 10 februari 1987, N.J. 1987, nr. 836). In
                    laatstgenoemde geval kan de burgemeester op grond van artikel 35 van de Drank-
                    en Horecawet voor het eendaagse evenement een ontheffing verlenen (uitsluitend
                    voor zwak alcoholhoudende drank).</al><tussenkop>Eerste lid, onder e.</tussenkop><al>Hier wordt met object bedoeld een kleine partytent, een barbecuetoestel, een
                    springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte bepaalt het aantal te
                    plaatsen voorwerpen. Uiteraard mag ook hier het verkeer, waaronder voetgangers
                    geen hinder van ondervinden.</al><tussenkop>Eerste lid, onder f.</tussenkop><al>Een C1-bord (RVV 1990): Gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en
                    geleiders van rij- of trekdieren of vee. Zie www.crow.nl. </al><tussenkop>Eerste lid, onder h.</tussenkop><al>Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels
                    te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan
                    een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.</al><tussenkop>Eerste lid, onder i.</tussenkop><al>De organisator stelt de burgemeester tenminste twee weken voorafgaand aan het
                    evenement in kennis van het evenement. De gemeente heeft er belang bij, zodat de
                    burgemeester op de hoogte is, teneinde zonodig preventieve maatregelen te
                    treffen, om tijdig op de hoogte te zijn van een initiatief dat zich afspeelt in
                    de buitenlucht. </al><tussenkop>Eerste lid, onder j. en k.</tussenkop><al>Bij toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn is het een vereiste om de
                    meldingplichtige een ontvangstbevestiging te sturen. Daarin wordt vermeld dat
                    het evenement mag plaats vinden, indien de burgemeester niet binnen een bepaalde
                    termijn reageert.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te verbieden
                    of alsnog aan een vergunning te verbinden. Dit is o.a. mogelijk, als de openbare
                    orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                    komt.</al><al>Zie verder de belangen genoemd in artikel 1:8 en artikel 5:37.</al><tussenkop>Artikel 5:33 Nadere regels</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 5:22.</al><tussenkop>Artikel 5:34 Indienen aanvraag</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 5:23. In de praktijk wordt reeds sinds lange
                    tijd gebruik gemaakt van aanvraagformulieren. In tegenstelling tot het bepaalde
                    bij binnenevenementen is het voor buitenevenementen niet altijd noodzakelijk dat
                    een aanvraag vergezeld gaat van een veiligheidsplan. Te denken valt aan kleine
                    evenementen zoals bijvoorbeeld een straatbarbecue. Naarmate evenementen groter
                    of risicovoller zijn, zal de noodzaak voor een veiligheidsplan ook groter zijn.
                    Vandaar dat het derde lid de mogelijkheid biedt om een veiligheidsplan bij de
                    aanvraag te eisen. Het tweede lid onder d is opgenomen o.a. in verband met het
                    bepaalde in artikel 5:31, derde lid en artikel 5:38.</al><tussenkop>Artikel 5:35 Vereisten organisator</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 5:24. Het tweede lid van artikel 5:35. biedt
                    echter ruimere ontheffingsmogelijkheden dan bij artikel 5:24 het geval is. De
                    ondergrens voor de vergunningplicht zoals deze bij binnenevenementen is gesteld
                    (vergunningplicht vanaf 2.000 personen), geldt niet voor buitenevenementen. Bij
                    buitenevenementen kan het dan ook gaan om kleinschalige evenementen eventueel
                    door jongeren georganiseerd. Zonder ruimere ontheffingsmogelijkheden zouden deze
                    buitenevenementen geen kans krijgen. </al><tussenkop>Artikel 5:36 Evenementenkalender</tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 5:26.</al><tussenkop>Artikel 5:37 Weigeringsgronden</tussenkop><al>In dit artikel zijn de weigeringsgronden opgenomen, waarbij wordt opgemerkt dat
                    de algemene weigeringsgronden nu zijn ondergebracht in artikel 1:8 van deze Apv
                    (vorige versie artikel 121s, tweede lid).</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In dit lid zijn de imperatieve weigeringsgronden opgenomen. Is niet voldaan aan
                    de vereisten zoals deze aan het indienen van een aanvraag of aan een organisator
                    zijn gesteld, dan móet de vergunning geweigerd worden. Het bevoegd
                    bestuursorgaan heeft hierin geen beleidsvrijheid. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid is bepaald dat de vergunning geweigerd kan worden indien de in
                    dit lid genoemde belangen, met inbegrip van de in artikel 1:8 genoemde belangen,
                    in het geding zijn. Gebruik van het werkwoord “kunnen” geeft aan dat de
                    burgemeester een beoordelingsmarge heeft. Deze kan namelijk weigeren, maar hoeft
                    dit niet. Is voldaan aan één of meer criteria op grond waarvan de vergunning
                    geweigerd kan worden, dan dient een goede belangenafweging plaats te vinden. Het
                    besluit zal dan ook goed gemotiveerd moeten worden. De criteria op grond waarvan
                    geweigerd kan worden spreken voor zich. Zo is het onder b genoemde belang in
                    ieder geval in het geding indien gevaar bestaat voor een onaanvaardbare
                    belasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement en is de
                    verkeersveiligheid of de veiligheid van personen en goederen al gauw in het
                    geding als gevaar bestaat voor ernstige verkeersbelemmeringen. Zo wordt het
                    mogelijk om een op zichzelf aantrekkelijk evenement op een bepaalde plaats niet
                    toe staan, als op die plaats gedurende het jaar al een groot aantal evenementen
                    plaatsvindt (het toestaan van nog een evenement zou dan kunnen leiden tot een
                    onaanvaardbare belasting voor de omgeving of omwonenden). Ongewenste cumulatie
                    van evenementen op één plaats kan hiermee voorkomen worden. </al><al>Uiteraard dient hierbij al rekening te worden gehouden bij het plaatsen op en
                    het vaststellen van de Evenementenkalender. Bij het in artikel 1:8 onder f
                    genoemde belang moet gedacht worden aan bijvoorbeeld verontreiniging van bodem
                    of omgeving, (de vrees voor) het niet voldoen door de organisator aan eisen die
                    de milieuwetgeving aan het betreffende evenement stelt, indien van
                    toepassing.</al><al>Voor buitenevenementen kan het beslag dat wordt gedaan op de ruimte ook een
                    reden zijn om de vergunning te weigeren (onderdeel a). Hieraan kan bijvoorbeeld
                    gedacht worden als een evenement zoveel ruimte in zou nemen dat normaal gebruik
                    via of in de resterende (omliggende) ruimte ernstig bemoeilijkt wordt. Daarnaast
                    kan het zo zijn dat het karakter van een locatie zich niet verdraagt met de aard
                    van het evenement (zo kan een plein in een stil hofje zich wellicht lenen voor
                    een ingetogen akoestisch miniconcert, maar niet voor een kermis of iets
                    dergelijks). </al><tussenkop>Artikel 5:38 Schorsende werking andere vergunningen</tussenkop><al>In het algemeen moeten reeds verstrekte en geldende vergunningen uit oogpunt van
                    rechtszekerheid hun rechtsgeldigheid behouden. Er kunnen zich echter situaties
                    voordoen waarbij het noodzakelijk is dat gedurende een evenement tijdelijk even
                    geen gebruik van dergelijke vergunningen gemaakt kan worden bijvoorbeeld ter
                    bescherming van één of meer van de belangen waarvoor de vergunningplicht voor
                    evenementen in het leven is geroepen (zie o.a. de weigeringgronden genoemd onder
                    artikel 5:37 of artikel 1:8). Zo kan het noodzakelijk zijn dat voor een veilig
                    verloop van een evenement tijdelijk geen gebruik kan worden gemaakt van
                    bijvoorbeeld een vergunning voor een standplaats of voor het opbreken van de
                    weg. Indien dit het geval is, zal uiteraard altijd eerst gezocht moeten worden
                    naar alternatieven zodanig dat wel gebruik van de eventueel te schorsen
                    vergunning gemaakt kan worden. Mogelijk kan een standplaatshouder gedurende het
                    evenement op een andere locatie staan of kan een andere route gekozen worden
                    zodat de wegwerkzaamheden toch doorgang kunnen vinden. Als geen alternatief
                    voorhanden is, biedt dit artikel als ultimum remedium de mogelijkheid om een
                    geldende vergunning tijdelijk te laten wijken ten gunste van het evenement. Let
                    wel schorsing van een geldende vergunning kan niet aan de orde zijn indien de
                    evenementenorganisator in het kader van het door hem te organiseren evenement
                    zelf deze activiteiten wenst uit te voeren: zo kan een vergunning voor inname
                    van een standplaats voor bijv. een snackwagen niet worden geschorst omdat de
                    evenementenorganisator hier zelf een snackwagen wenst te (doen) plaatsen. </al><tussenkop>Artikel 5:39 Samenloop en Ordeverstoring</tussenkop><al>Zie de toelichtingen bij de artikelen 5:28 en 5:29. In aanvulling op de
                    toelichting bij artikel 5:28 kan nog opgemerkt worden dat het moet gaan om
                    activiteiten die samenhangen met het evenement en ook in tijdsduur hieraan in
                    redelijkheid gerelateerd zijn. Zo hoeft bijv. niet separaat een vergunning
                    aangevraagd te worden voor bijvoorbeeld bewegwijzering van het naar het
                    evenemententerrein, maar wordt dit meegenomen in de evenementenvergunning. Ook
                    het plaatsen van bijvoorbeeld reclameborden voor het evenement kunnen in de
                    evenementenvergunning meegenomen worden, mits het om een redelijke termijn
                    voorafgaand aan het evenement gaat (hiermee kan dus niet geregeld worden dat
                    maanden van tevoren “reclame” voor het evenement kan worden gemaakt).</al><al>Afdeling 5.8 Overige bepalingen</al><al><vet>Detectorverbod</vet> (artikel 123 oud, vervallen)</al><al>In de vorige Apv-versie was dit artikel nog opgenomen, ter voorkoming van
                    beschadiging op terreinen waar archeologisch onderzoek wordt gedaan.</al><al>De betreffende bepaling is niet meer opgenomen in de model-Apv, aangezien nut en
                    noodzaak in de gemeente Utrecht ontbreekt: de bepaling wordt niet
                    toegepast.</al><tussenkop>Artikel 5:40 Destructie</tussenkop><al>De destructie van dode dieren en dierlijk afval dient de hygiëne en voorkomt
                    zoveel mogelijk dat de gezondheid van mensen in gevaar komt. Ook de verspreiding
                    van besmettelijke dierziekten wordt hierdoor beperkt. In de vorige verordening
                    bestond de wettelijke grondslag voor het artikel uit de Destructiewet. Per 1
                    januari 2008 werd deze buiten werking gesteld. Bovengenoemde zaken werden vanaf
                    dat moment geregeld binnen de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD).
                    Destructie heet in deze wet “verwerking”.</al><al>Werd onder de Destructiewet uitsluitend gesproken over honden en katten, in de
                    GWWD is sprake van gezelschapsdieren. Gezelschapsdieren zijn alle dieren die
                    legaal in Nederland gehouden mogen worden. Daaronder vallen honden en katten,
                    maar ook bepaalde hagedissen, vissen, muizen en wandelende takken. </al><al>Op grond van de doelstellingen van de door de GWWD toebedeelde taken aan
                    gemeenten, valt er geen onderscheid te maken tussen diersoorten waarvoor dit
                    artikel al dan niet moet gelden. Het is de eigenaar of houder van een dood
                    gezelschapsdier die het beste de afweging kan maken om het dier voor destructie
                    aan te bieden bij de gemeente. Bij zo’n afweging spelen factoren een rol als het
                    voorkomen van soortgelijke dieren in het wild. Een dode vogel in de tuin of een
                    muis in de muizenval zal over het algemeen niet bij de gemeente aangeboden
                    worden.</al><al>Soms gebruiken eigenaren alternatieve legale afvoermogelijkheden (begraven,
                    afvoer in de huisvuilcontainer) voor sommige dieren. De particuliere dierhouder
                    zal zijn huisdier uit emotionele overwegingen waarschijnlijk niet snel ter
                    destructie aanbieden. In dat soort situaties kiezen eigenaren voor het begraven
                    of cremeren van het huisdier.</al><al>Voor gezelschapsdieren die de eigenaar laat inslapen door tussenkomst van een
                    dierenarts, zorgt de dierenarts dat dit ter verwerking wordt aangeboden.</al><al>In geval er sprake is van een besmettelijke dierziekte waarvoor maatregelen
                    getroffen moeten worden, dan voorziet het vierde lid van dit artikel. Daarin
                    wordt artikel 81h, vijfde lid van de GWWD aangehaald op grond waarvan de
                    minister aanwijzingen kan geven.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en
                    slotbepalingen</tussenkop><al>Gelet op het belang van effectieve handhaving van de APV-voorschriften is hier
                    een algemene introductie opgenomen over bestuurlijk toezicht,
                    bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. </al><tussenkop>Handhaving algemeen</tussenkop><al>Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving door anderen van
                    rechtsregels te bevorderen. De belangrijkste redenen voor een goede handhaving
                    zijn in het kort:</al><al>Door een goede handhaving zal de overheid uiteindelijk in steeds grotere mate
                    het door haar beoogde doel bereiken. Door handhaving kan de achteruitgang van de
                    kwaliteit van de samenleving worden tegengegaan. De rechtszekerheid en de
                    gelijke behandeling van burgers dienen te worden gewaarborgd. Dit kan door een
                    goed handhavingsbeleid te voeren. De relatie van rechtszekerheid en
                    rechtsgelijkheid met handhaving wordt verder uitgediept. De geloofwaardigheid,
                    betrouwbaarheid en integriteit van bestuurders zullen het ambtelijk en
                    maatschappelijk draagvlak vergroten.</al><al>Handhaving kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn. Hoofdstuk 5
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een opsomming van de aan het
                    bestuursorgaan toekomende dwangmiddelen en de regels die bij de toepassing van
                    de dwangmiddelen in acht genomen moeten worden. Hierna worden deze dwangmiddelen
                    en regels toegelicht. Ook is er een korte introductie tot de strafrechtelijke
                    handhaving opgenomen.</al><tussenkop>Toezicht</tussenkop><al>In veel wetten worden, ter handhaving van de regelgeving, aan bepaalde
                    ambtenaren toezichtbevoegdheden toegekend. Zij mogen plaatsen betreden,
                    inlichtingen en inzage van stukken vorderen, monsters nemen en vervoermiddelen
                    zoeken. Dit handhavingstoezicht, ook wel controle genoemd, wordt beheerst door
                    het bestuursrecht. De algemene regels zijn opgenomen in titel 5.2 van de Awb. In
                    bijzondere wetten kunnen bevoegdheden anders zijn.</al><al>Toezicht vindt plaats in een stadium waarin (nog) geen sprake is van een
                    redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. In het strafrecht ligt
                    dit anders. Om tot opsporing te komen moet er in beginsel wel sprake zijn van
                    een vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. Bepaalde
                    opsporingsbevoegdheden vereisen zelfs een ontdekking op heterdaad.</al><al>Toezichthouders worden meestal belast met het toezicht op de naleving van de
                    voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de wet of verordening op grond
                    waarvan zij als toezichthouder zijn aangewezen. Zo worden in artikel 100
                    Woningwet de ambtenaren Bouw- en woningtoezicht aangewezen als toezichthouders
                    op het gebied van de Woningwet. Met deze aanwijzing moeten zij niet alleen
                    toezicht houden op de naleving van de bepalingen in de Woningwet zelf, maar ook
                    op de naleving van hetgeen krachtens wettelijk voorschrift anderszins is
                    bepaald. Te denken valt hierbij aan de voorschriften bij een
                    bouwvergunning.</al><tussenkop>Strafrechtelijke handhaving</tussenkop><al>Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze
                    genormeerd. In artikel 1:6 van de Awb is bepaald dat de Awb niet van toepassing
                    is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten noch op de
                    tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het handelen van
                    strafrechtelijke organen wordt genormeerd door de regels van het Wetboek van
                    Strafrecht en door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende materiële
                    normen zijn verwoord en waarin soms ook van de algemene strafvordering
                    afwijkende strafprocessuele bevoegdheden zijn opgenomen, en het Wetboek van
                    Strafvordering, dat algemene regels van strafprocesrecht bevat, bevoegdheden in
                    het leven roept en de grenzen van de bevoegdheden bepaalt.</al><al>Op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak te
                    zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van
                    hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van deze algemene politietaak, alsmede
                    op grond van de last die in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van
                    Strafvordering aan de aldaar genoemde ambtenaren wordt gegeven om strafbare
                    feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren onderzoek doen. Een opsomming
                    van de daarbij te hanteren methoden ontbreekt. Algemene opsporingsmethoden zijn
                    niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Er zijn wel bijzondere
                    opsporingsbevoegdheden geregeld. Dit zijn observatie, infiltratie, de
                    pseudo-koop of pseudo-dienstverlening, het stelselmatig inwinnen van informatie,
                    het onderzoek doen in een besloten plaats zonder toestemming van de
                    rechthebbende, het opnemen van vertrouwelijke communicatie, het onderzoek van
                    telecommunicatie en het stelselmatig volgen of waarnemen.</al><al>Opsporingsambtenaren kunnen, naast dat zij bevoegd zijn opsporingshandelingen te
                    verrichten, ook bevoegd zijn tot het uitoefenen van controlebevoegdheden die in
                    bijzondere wetten worden toegekend. Op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet
                    bijvoorbeeld kan een ambtenaar de bestuurder van een voertuig vorderen zijn
                    voertuig te doen stilhouden, terwijl het vijfde lid van het artikel bepaalt dat
                    de bestuurder op eerste vordering van de opsporingsambtenaar verplicht is
                    medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Als een bevoegde ambtenaar van
                    deze bevoegdheid gebruikmaakt en de ademtest wijst een te hoog alcoholpromillage
                    uit, dan is er een verdenking ontstaan en gaat controle over in opsporing.</al><tussenkop>Last onder bestuursdwang, last onder dwangsom en gedogen</tussenkop><al>De Gemeentewet kent in artikel 125 aan het gemeentebestuur een algemene
                    bevoegdheid toe tot oplegging van een last onder bestuursdwang.</al><al>In artikel 5:21 van de Awb is de last onder bestuursdwang als volgt
                    gedefinieerd: Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie,
                    inhoudende:</al><al>"a.<cursief>een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding,
                        en</cursief></al><al>b.<cursief>de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk
                        handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt
                        uitgevoerd</cursief>."</al><al>Het feitelijk handelen omvat onder meer: het doen wegnemen, ontruimen, beletten,
                    in de vorige toestand herstellen of het treffen van maatregelen om verdere
                    nadelige gevolgen van een overtreding te voorkomen.</al><al>Het uitoefenen van een last onder bestuursdwang is dus zuiver gericht op het
                    feitelijk in overeenstemming brengen met de bestuursrechtelijke voorschriften
                    van een onwettige situatie. Dit heeft dus een herstellende werking en heet
                    daarom “herstelsanctie”.</al><al>Onder overtreding van een voorschrift wordt ook verstaan het niet nakomen van
                    voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, zoals bijvoorbeeld
                    geluidsvoorschriften bij een milieuvergunning.</al><al>In artikel 5:32 van de Awb is aangegeven dat een bestuursorgaan dat bevoegd is
                    om last onder bestuursdwang toe te passen, ook bevoegd is om een last onder
                    dwangsom op te leggen. Het opleggen van een last onder dwangsom is een middel om
                    de overtreder door het opleggen van een last om te betalen, te bewegen de
                    overtreding te beëindigen. Bijna vanzelfsprekend hoort hier de vraag bij welk
                    instrument het geschiktst is om aan de geconstateerde overtreding een einde te
                    maken. Deze vraag zal steeds beantwoord moeten worden aan de hand van feiten, de
                    omstandigheden en de belangen die aan de orde zijn. De wet laat zich hier niet
                    over uit. </al><al>De eerste stap in een handhavingscyclus zal zijn dat een overtreding plaatsvindt
                    dan wel gaat plaatsvinden. Dat betekent dat er een onderzoek moet worden gedaan.
                    Met behulp van de toezichtsbevoegdheden wordt de situatie onderzocht. Hiervan
                    zal de ambtenaar een rapport van bevindingen moeten opmaken. Bij de
                    voorbereiding van een besluit moet immers worden voldaan aan het
                    zorgvuldigheidsbeginsel.</al><al>Er is een beginselplicht tot handhaven en het kan een keuze zijn van het
                    bestuursorgaan om niet over te gaan tot handhaven. De met de wet strijdige
                    situatie wordt dan gedoogd. Is een bestuursorgaan op de hoogte van de
                    overtreding, maar wordt er geen actie nomen, dan is er sprake van passief
                    gedogen. Het toepassen van bestuursdwang is een bevoegdheid, geen absolute
                    verplichting. Een gemeente heeft dus de mogelijkheid om het belang van de
                    handhaving door middel van bestuursdwang af te wegen tegen andere belangen,
                    zoals de mogelijkheid om een andere bestuursrechtelijke sanctie in te zetten of
                    over te gaan tot het gedogen. Deze vrijheid is echter betrekkelijk. Uit
                    jurisprudentie blijkt dat er een beginselplicht tot handhaving bestaat.
                    Bijvoorbeeld: ABRS 22 maart 2001, BR2001/778, Dwangsom Camping Nunspeet . Enkel
                    in geval van bijzondere omstandigheden kan van handhavend optreden worden
                    afgezien. Het is goed dit te beseffen. Indien er namelijk een veelheid aan
                    regelgeving binnen een gemeente bestaat, en de gemeente wordt op handhaving van
                    die regels aangesproken, is zij in beginsel dus verplicht hier gevolg aan te
                    geven. De handhaafbaarheid speelt dus een grote rol bij het opstellen van
                    regels.</al><tussenkop>Artikel 6.1 Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt EUR 225,00
                    en van de tweede categorie EUR 2.250,00. Het is overigens uiteindelijk de
                    strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt,
                    tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient
                    de rechter op grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht
                    van de verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt EUR
                    2,00 (artikel 23, tweede lid, WvSr).</al><tussenkop>Strafbaarheid rechtspersonen</tussenkop><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                    rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag
                    van de naasthogere categorie “<cursief>indien de voor het feit bepaalde
                        boetecategorie geen passende bestraffing toelaat</cursief>” (artikel 23,
                    zevende en achtste lid WvSr). Dat betekent dat voor overtredingen van de APV
                    door een rechtspersoon de rechter de mogelijkheid heeft een boete van de derde
                    categorie op te leggen (EUR 4.500,00).</al><tussenkop>Medebewindsvoorschriften</tussenkop><al>In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de
                    verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de
                    strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is
                    veelal in deze wetten opgenomen. De opsomming in het eerste en tweede lid van
                    dit artikel bevatten dan ook geen in deze verordening opgenomen voorschriften,
                    op overtreding waarvan straf is bedreigd in de bijzondere wet.</al><tussenkop>Hechtenis?</tussenkop><al>In het eerste lid van dit artikel is de mogelijkheid van hechtenis opgenomen
                    omdat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat in bepaalde gevallen de
                    rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging van een
                    vrijheidsstraf.</al><tussenkop>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                    vergunningsvoorschriften</tussenkop><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan
                    levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens
                    artikel 1:4 van de APV gegeven beperkingen en voorschriften bij een vergunning
                    of een ontheffing.</al><al>Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 1:4, tweede lid, op.
                    Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens de APV een
                    vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden
                    voorschriften en beperkingen na te komen.</al><tussenkop>Omgevingsvergunning</tussenkop><al>Overtredingen van omgevingsvergunningen en de voorschriften van de
                    omgevingsvergunningen zijn op grond van de Wet economische delicten strafbaar.
                    Hierdoor is het niet meer mogelijk om deze overtredingen nogmaals strafbaar te
                    stellen in deze verordening. Om deze redenen zijn een aantal artikelen van de
                    strafbepaling uitgezonderd.</al><tussenkop>Artikel 6.2 Opsporingsambtenaren en toezichthouders</tussenkop><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek van
                    Strafvordering ontlenen is een nadere regeling in de Apv niet nodig. De
                    aanwijzing als toezichthouder in de Apv is de grondslag voor het hebben van
                    opsporingsbevoegdheid. Zie verder de toelichting onder het kopje
                    Opsporingsambtenaren.</al><tussenkop>Aanwijzen toezichthouders</tussenkop><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). Op grond van artikel
                    6:2 Apv kunnen toezichthouders worden aangewezen. Hiernaast kunnen
                    toezichthouders door het college dan wel de burgemeester worden aangewezen.</al><al>Een toezichthouder moet zich kunnen legitimeren (artikel 5:12 Awb). Het
                    legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                    verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. </al><tussenkop>Het evenredigheidsbeginsel</tussenkop><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een toezichthouder
                    mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voor dit redelijkerwijs voor de
                    vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet
                    te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                    toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden
                    of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend
                    hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een
                    toezichthouder moet toezien.</al><tussenkop>Bevoegdheden toezichthouder</tussenkop><al>In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders
                    toegekend. </al><tussenkop>Toezicht en opsporing</tussenkop><al>De meeste bepalingen van de Apv bevatten ge- en verboden. Op de naleving hiervan
                    dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden. Dit kan
                    op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk -door onder andere het toepassen
                    van een last onder bestuursdwang dan wel het opleggen van een last onder
                    dwangsom- en strafrechtelijk. Voor beide vormen van handhaving dienen personen
                    te worden aangewezen met toezichthoudende respectievelijk
                    opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de aanwijzing van de toezichthouders is een
                    bepaling opgenomen in de Apv. De opsporingsambtenaren worden aangewezen in de
                    artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen
                    beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig
                    vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel.
                    Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de
                    voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken
                    dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit ook niet
                    automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van
                    bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken van de vergunning of het
                    toepassen van een last onder bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer
                    passende reactie.</al><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden
                    kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden
                    die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de
                    opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht
                    overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                    die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden
                    genomen.</al><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de volgende.</al><lijst><li nr="∙"><al>Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot
                            burgers en bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking.
                            Opsporing dient gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening.</al></li><li nr="∙"><al>Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd
                            door de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opsporing wordt geregeld in
                            het WvSv.</al></li></lijst><tussenkop>Opsporingsambtenaren</tussenkop><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    regiopolitie. Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid).</al><tussenkop>Gemeentelijke verordeningen en opsporing</tussenkop><al>Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de Gemeentewet, met
                    inachtneming van de Awb, de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen worden
                    verleend (zie verder de toelichting bij artikel 6.3). Hun overige
                    opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het WvSv. De gemeenteraad heeft
                    hiernaast niet de bevoegdheid om andere opsporingsbevoegdheden te creëren.
                    Ingevolge artikel 1 WvSv mag bij gemeentelijke verordening geen regeling worden
                    gegeven omtrent de opsporing of het bewijs van de in die verordening strafbaar
                    gestelde feiten.</al><al>Ook in een aantal bijzondere wetten worden opsporingsambtenaren aangewezen. Dit
                    is met name van belang voor de, in deze verordening opgenomen,
                    medebewindsvoorschriften. Een speciale regeling geldt voor de op de artikelen
                    437 en 437ter van het WvSr gebaseerde en in afdeling 2.10 bepalingen ter
                    bestrijding van heling van goederen opgenomen bepalingen. De in de artikelen 551
                    en 552 van het WvSv geregelde opsporings- en toezichtbevoegdheden komen reeds
                    toe aan de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 WvSv. </al><tussenkop>Toezichthoudende ambtenaren belasten met opsporing?</tussenkop><al>Gezien het voorgaande zijn toezichthoudende ambtenaren vanuit hun aanstelling in
                    hun functie niet automatisch belast met opsporing. Dit zal in veel gevallen ook
                    niet nodig zijn. Veelal kan volstaan worden met toezichthoudende bevoegdheden.
                    De aanwijzing hoeft dan niet direct in de verordening te geschieden (artikel
                    6.2, eerste lid), maar kan aan het college worden gedelegeerd (tweede lid).
                    Indien namelijk de handhaving van bepaalde wettelijke voorschriften voornamelijk
                    bestuursrechtelijk geschiedt (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te
                    beschikken over opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men
                    strafrechtelijk wil gaan handhaven. In die situatie is het vaak ook niet
                    noodzakelijk om alle toezichthouders opsporingsbevoegdheden te geven. Veelal kan
                    worden volstaan met één of enkele opsporingsambtenaren. Ook kan soms de hulp
                    ingeroepen worden van een algemeen opsporingsambtenaar (ambtenaar van
                    politie).</al><tussenkop>Artikel 6.3 Binnentreden woningen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen
                    kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan
                    toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van woningen
                    zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis
                    van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde “huisrecht” regelt. Het
                    betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel
                    waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de
                    bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel, zij het
                    wat beperktere, vormvoorschriften van de Awbi (zie de toelichting , Algemene wet
                    op het binnentreden (Awbi), a. vormvoorschriften). In de toelichting bij artikel
                    6.3 is reeds ingegaan op de bevoegdheid om alle plaatsen te betreden met
                    uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoners.</al><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6.3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>De tijdelijke afwezigheid van de bewoner, bijvoorbeeld wegens vakantie of opname
                    in een ziekenhuis, leidt er niet toe dat de ruimte het karakter van woning
                    verliest (HR 4 januari 1972, NJ 1972, 121).</al><al>Met een woning verbonden ruimten die in het geheel niet voor bewoning zijn
                    bestemd en die van buitenaf via een eigen ingang kunnen worden betreden
                    -bijvoorbeeld een praktijkruimte of een winkel- vallen niet de bescherming van
                    het huisrecht. de bescherming van de woning vallen voorts niet de trappen en
                    portalen die tot een woning en andere lokaliteiten toegang geven (HR 16 december
                    1907, W 8633), dus ook -zo mag worden aangenomen- niet de gemeenschappelijke
                    trappen en portalen in een flatgebouw.</al><tussenkop>Artikel 6.4 Inwerkingtreding</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de
                    Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in werking
                    treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is
                    aangewezen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid van artikel 6.4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude
                    verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe
                    verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude verordening
                    vervalt.</al><tussenkop>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</tussenkop><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                    inwerkingtreding van deze verordening.</al><al>De overgangsbepaling zoals deze nu (à la model Apv) luidt, is een verregaande
                    vereenvoudiging van de oude regeling. Het betreft in dit artikel besluiten,
                    genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, dus de oude
                    verordening. De besluiten waar het om gaat zijn vergunningen, ontheffingen (het
                    oude eerste lid), voorschriften en beperkingen (het oude tweede lid) als bedoeld
                    in artikel 1:4 (het oude tweede lid), nadere regels, beleidsregels en
                    aanwijzingbesluiten (het oude zevende lid). </al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius).</al><tussenkop>Artikel 6.6 Citeertitel</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE B BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2013, NR. 69</titel></kop><tussenkop>Algemene plaatselijke verordening: Transponeringstabellen</tussenkop><al>De nummering van dit model wijkt op enkele plaatsen sterk af van de nummering
                    van de vorige versie. Om de aansluiting tussen de versies gemakkelijker te
                    maken, zijn hieronder transponeringstabellen opgenomen.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="68*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>artikel nieuwe versie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>vorige versie</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:2 Beslistermijn</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                                        ontheffing</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                        ontheffing</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:7 Termijnen</al></entry><entry colname="col2"><al>4, 3<sup>e</sup> lid + 8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</al></entry><entry colname="col2"><al>15, 2<sup>e</sup> lid;65, 2<sup>e</sup> lid;121h,
                                        2<sup>e</sup> lid; 121s, 2<sup>e</sup> lid</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:1 Bevel politie weg te vervolgen of zich te
                                        verwijderen</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:3 Verblijfsontzegging</al></entry><entry colname="col2"><al>10a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:4 Veiligheidsrisicogebieden</al></entry><entry colname="col2"><al>10b</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:5</vet></al><al> Cameratoezicht op openbare plaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>68b</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:6 Kennisgeving openbare manifestaties op openbare
                                        plaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Afwijking termijn (vervallen, opgenomen in art.2:6)</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Te verstrekken gegevens (vervallen, opgenomen in
                                        art.2:6)</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:7 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of
                                            gedrukte stukken of afbeeldingen (vervallen)</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>14</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Dienstverlening (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>15</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:8 Straatartiest</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:9 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de
                                        weg</al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:9a Uitstallingen </al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:10 Deponeren van goederen op de weg</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                                        weg</al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Uitzichtbelemmerende beplanting of gevaarlijk
                                            voorwerp (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>21</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:13 Openen straatkolken e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Kelderingangen e.d. (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>23</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:14 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</al></entry><entry colname="col2"><al>24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
                                            (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>25</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Vallende voorwerpen (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>26</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</al></entry><entry colname="col2"><al>27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:15a Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer
                                        en verlichting</al></entry><entry colname="col2"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Objecten onder hoogspanningslijn
                                            (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Veiligheid op het ijs (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>30</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Benzinepompen op of nabij de weg
                                            (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>31</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:16 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:17 Vergunningplicht</al></entry><entry colname="col2"><al>33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:18 Indienen aanvraag</al></entry><entry colname="col2"><al>33a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:19 Weigeringsgronden</al></entry><entry colname="col2"><al>33b</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:20 Bevel politie</al></entry><entry colname="col2"><al>33c (34 ontbr.)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:21 Speelgelegenheden</al></entry><entry colname="col2"><al>35</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:22 Speelautomaten</al></entry><entry colname="col2"><al>35a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:22a Spelen om geld</al></entry><entry colname="col2"><al>36</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:23 Betreden gesloten woning of lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:24 Vervoer inbrekerswerktuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>37a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:25 Bezit of vervoer van hulpmiddelen voor
                                        winkeldiefstal</al></entry><entry colname="col2"><al>37c</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:26 Betreden van plantsoenen e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:27 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:28 Hinderlijk drankgebruik</al></entry><entry colname="col2"><al>40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:29 Verboden gedrag bij of in gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:30 Hinderlijk gedrag in voor het publiek
                                        toegankelijke ruimten</al></entry><entry colname="col2"><al>42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:31 Liggen of slapen op of aan een openbare
                                        plaats</al></entry><entry colname="col2"><al>43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:32 Neerzetten van fietsen e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>44+45a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:33 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                        kermisterrein e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>45</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:34 Bespieden van personen</al></entry><entry colname="col2"><al>46</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Sleuteladres (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>49</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Alarminstallaties (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>50</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:35 Loslopende honden</al></entry><entry colname="col2"><al>51</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:36 Verontreiniging door honden</al></entry><entry colname="col2"><al>52</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:37 Gevaarlijke honden</al></entry><entry colname="col2"><al>53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Gevaarlijk ras of type hond
                                        (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>54</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:38 Houden van hinderlijke of schadelijke
                                        dieren</al></entry><entry colname="col2"><al>41a+55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Verbod voeren van dieren (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>55a</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bedelarij (niet opgenomen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>--</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Wilde dieren (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>56</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Loslopend vee (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>57</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bijen (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>58</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:39 Begripsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>59</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Verplichtingen met betrekking tot het
                                            verkoopregister (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>60</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:40 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van
                                        het Wetboek van Strafrecht</al></entry><entry colname="col2"><al>61+62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
                                            (vervallen+ opgenomen in artikel 2:40 onder
                                        d)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>62</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:41 Verkoop van fietsen e.d. op een openbare
                                        plaats</al></entry><entry colname="col2"><al>63</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:42 Begripsbepaling consumentenvuurwerk</al></entry><entry colname="col2"><al>64</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:43 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                                        tijdens de verkoopdagen</al></entry><entry colname="col2"><al>65</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:44 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                        jaarwisseling</al></entry><entry colname="col2"><al>66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:45 Handel in verdovende middelen</al></entry><entry colname="col2"><al>68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bestuurlijke ophouding (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>68a</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:2 Seksinrichtingen </al></entry><entry colname="col2"><al>70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Overgangsbepaling (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>71</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Sekswinkels (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>72</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:3 Straatprostitutie</al></entry><entry colname="col2"><al>73</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:1 Overige geluidhinder </al></entry><entry colname="col2"><al>74</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Straatvegen (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>80</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:2 Natuurlijke behoefte doen </al></entry><entry colname="col2"><al>81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:3 Toestand van sloten en andere wateren en niet
                                        openbare riolen en putten buiten gebouwen </al></entry><entry colname="col2"><al>83</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:4 Plakken en kladden </al></entry><entry colname="col2"><al>122 (excl.klad.)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:5 Vervoer plakgereedschap e.d. </al></entry><entry colname="col2"><al>37b</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:5a Winkelwagentjes </al></entry><entry colname="col2"><al>75</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:6 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>84</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:7 Velvergunning</al></entry><entry colname="col2"><al>85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:8 Aanvraag vergunning </al></entry><entry colname="col2"><al>86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:9 Vervallen vergunning</al></entry><entry colname="col2"><al>87</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:10 Vergunningvoorschriften en weigeringsgronden
                                    </al></entry><entry colname="col2"><al>88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:11 Bijzondere vergunningvoorschriften </al></entry><entry colname="col2"><al>89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:12 Afstand van de grenslijn </al></entry><entry colname="col2"><al>90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:13 Herplant-/instandhoudingsplicht</al></entry><entry colname="col2"><al>91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Schadevergoeding (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>92</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:14 Bestrijding van boomziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>93</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bescherming groenvoorzieningen
                                            (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>94</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Beschermde planten (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>95</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Verlichting in bomen (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>95a</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                            enz. (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>96</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Stankoverlast door gebruik van meststoffen
                                            (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>97</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                                        e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>101</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>102</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>103</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</al></entry><entry colname="col2"><al>104</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:6 Kampeermiddelen en dergelijke</al></entry><entry colname="col2"><al>105</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:7 Parkeren van grote voertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>107</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:8 Parkeren van uitzichtbelemmerende
                                        voertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>108</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                        stoffen</al></entry><entry colname="col2"><al>109</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door
                                        voertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>110</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:11 Inzameling van geld of goederen </al></entry><entry colname="col2"><al>111</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:12 Begripsbepalingen </al></entry><entry colname="col2"><al>112 (geen begripsbepalingen) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:13 Straathandel: mobiele verkooppunten</al></entry><entry colname="col2"><al>112</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:14 Standplaats voor een ander doel dan
                                        straathandel</al></entry><entry colname="col2"><al>113</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Verkoopbijeenkomsten (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>114</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Verbod tot handel in vee of paarden buiten het
                                            marktterrein (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>115</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:15 Crossterreinen</al></entry><entry colname="col2"><al>116</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:16 Beperking verkeer in natuurgebieden</al></entry><entry colname="col2"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:17 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
                                        inrichtingen of anderszins vuur te stoken</al></entry><entry colname="col2"><al>118</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:18 Gedoogplicht aanduidingen</al></entry><entry colname="col2"><al>119</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:19 Verwijdering e.d. aanduidingen</al></entry><entry colname="col2"><al>120</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:20 Begripsbepaling binnenevenement</al></entry><entry colname="col2"><al>121a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:21 Verbodsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>121b</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:22 Nadere regels</al></entry><entry colname="col2"><al>121c</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:23 Indienen aanvraag</al></entry><entry colname="col2"><al>121d</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:24 Vereisten organisator</al></entry><entry colname="col2"><al>121e</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:25 Maximum aantal personen</al></entry><entry colname="col2"><al>121f</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:26 Evenementenkalender</al></entry><entry colname="col2"><al>121g</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:27 Weigeringsgronden</al></entry><entry colname="col2"><al>121h</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:28 Samenloop</al></entry><entry colname="col2"><al>121i</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:29 Ordeverstoring</al></entry><entry colname="col2"><al>121j</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:30 Begripsbepaling buitenevenement</al></entry><entry colname="col2"><al>121k</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:31 Verbodsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>121l</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:32 Kennisgeving straat- en buurtfeesten</al></entry><entry colname="col2"><al> --</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:33 Nadere regels</al></entry><entry colname="col2"><al>121o</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:34 Indienen aanvraag</al></entry><entry colname="col2"><al>121p</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:35 Vereisten organisator</al></entry><entry colname="col2"><al>121q</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:36 Evenementenkalender</al></entry><entry colname="col2"><al>121r</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:37 Weigeringsgronden</al></entry><entry colname="col2"><al>121s</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:38 Schorsende werking andere vergunningen</al></entry><entry colname="col2"><al>121t</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:39 Samenloop en Ordeverstoring</al></entry><entry colname="col2"><al>121u</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Detectorverbod (vervallen)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>123</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:40 Destructie</al></entry><entry colname="col2"><al>124</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6:1 Strafbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>125</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6:2 Toezichthouders</al></entry><entry colname="col2"><al>126a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6:3 Binnentreden woningen </al></entry><entry colname="col2"><al>127</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude
                                        verordening </al></entry><entry colname="col2"><al>128</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6:5 Overgangsbepaling </al></entry><entry colname="col2"><al>129</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6:6 Citeertitel </al></entry><entry colname="col2"><al>130</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>