<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR318770_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelasting</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laren</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Larens Journaal 27-12-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelasting 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=GEMEENTEWET">Gemeentewet, art. 147 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=GEMEENTEWET">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=GEMEENTEWET">Gemeentewet, art. 220 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-12-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 2013/65-VI</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Financiën en economie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2013’, vastgesteld op 19 december 2012, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. De 'Verordening onroerende-zaakbelastingen 2013' vervalt met ingang van de datum van heffing van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014, zijnde 1 januari 2014.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van
            onroerende-zaakbelastingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsbesluit </al><al>2013/65-VI</al><al/><al>De raad van de gemeente Laren;</al><al/><al>gelezen voorstel 2013/65 d.d. 5 november 2013 van burgemeester en
                        wethouders;</al><al/><al>gelet op de artikelen 147 jo. 149 en 220 tot en met 220h van de
                        Gemeentewet;</al><al/><al> BESLUIT: </al><al/><al>vast te stellen de:</al><al/><al> "verordening op de heffing en de invordering van
                        onroerende-zaakbelastingen" </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastigplicht</titel></kop><al> 1. Onder de naam "onroerende-zaakbelastingen" worden ter zake van
                            binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen
                            geheven: een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient,
                            al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk
                            recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; een
                            eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van
                            een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                            recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. </al><al>2. Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><al> a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                            gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in
                            gebruik heeft gegeven: degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is
                            bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel
                            in gebruik is gegeven; b. het ter beschikking stellen van een onroerende
                            zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die
                            onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende
                            zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig
                            te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3.
                            Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het
                            begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is
                            vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al> 1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 2. Een onroerende
                            zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van
                            hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor
                            die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van
                            die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar
                            zijn aan woondoeleinden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al> De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het tijdvak waarbinnen het in artikel 1 bedoelde kalenderjaar valt.
                            Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                            op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt
                            de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                            tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al> 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van: ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                            geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond,
                            alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend
                            wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond
                            als voedingsbodem te gebruiken; glasopstanden, die bedrijfsmatig worden
                            aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond
                            daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; onroerende zaken
                            die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het
                            houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke
                            aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende
                            zaken die dienen als woning; één of meer onroerende zaken die deel
                            uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen
                            landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van
                            die wet bedoelde voorwaarden met uitzondering van de daarop voorkomende
                            gebouwde eigendommen; natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan
                            duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
                            rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of
                            nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen,
                            beheerd worden; openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar
                            vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
                            waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                            organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                            met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
                            werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater
                            en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                            publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                            zodanige werken die dienen als woning; werktuigen die van een onroerende
                            zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis
                            aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                            gebouwde eigendommen zijn aan te merken; onroerende zaken voor zover die
                            bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente,
                            met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd
                            zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; straatmeubilair,
                            waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen – niet zijnde
                            gebouwen – welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het
                            publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente,
                            zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten,
                            fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen; plantsoenen, parken en
                            waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente
                            het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met
                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als
                            woning; begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                            delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2. De
                            vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                            bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al><al> a. de gebruikersbelasting 0,1401%; b. de eigenarenbelasting voor
                            onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1123%; voor
                            onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,1925%. 2.
                            Indien de heffingsmaatstaf beneden € 12.000,- blijft, wordt geen
                            belasting geheven. 3. Het bedrag van de belasting wordt per
                            belastingaanslag naar beneden afgerond op hele euro’s. 4. Voor
                            belastingbedragen tot € 4,54 vindt geen invordering plaats. Voor de
                            toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een
                            aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                            onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                            belastingbedrag. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al> 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in één termijn die vervalt op de
                            laatste dag van de tweede maand volgende op de maand die in de
                            dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van het
                            eerste lid geldt, in het geval dat het totaalbedrag van de op één
                            aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één
                            aanslag bevat, het bedrag daarvan meer is dan € 100,- en zolang de
                            verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso
                            kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in
                            negen gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de
                            dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen
                            telkens één maand later. 3. De Algemene Termijnenwet is niet van
                            toepassing op het in de voorgaande leden gestelde termijnen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en
                                wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en invordering van de
                            onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al> 1. De "Verordening onroerende-zaakbelastingen 2013", vastgesteld in de
                            vergadering van de gemeenteraad van 19 december 2012, wordt ingetrokken
                            met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                            heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare
                            feiten die zich vóór die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening
                            treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de
                            bekendmaking. 3. De datum van de ingang van de heffing is 1 januari
                            2014. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening
                            onroerende-zaakbelastingen 2014".</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Laren in zijn openbare
                        vergadering van 18 december 2013.</ondertekening><ondertekening> drs. T.W. Zwemmer drs. E.J. Roest</ondertekening><ondertekening> griffier voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>