<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR318650_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening onroerende zaakbelastingen 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-02-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 2014, 4</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende zaakbelastingen 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikelen 160 tot en met 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-02-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB13.0165</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt de Verordening onroerende zaakbelastingen 2013, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de belastbare feiten, die zich vóór 1 januari 2014 hebben voorgedaan</al><al>Ingangsdatum heffing: 1 januari 2014</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening onroerende zaakbelastingen 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam "onroerende zaakbelastingen" worden ter zake van binnen de
                            gemeente gelegenonroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient,
                            al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk
                            recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar
                            van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                            beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij gebruikersbelasting wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik
                            is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik
                            heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd
                            de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in
                            gebruik is gegeven;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                            gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter
                            beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
                            heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
                            aan wie de zaak ter beschikking is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genot hebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt zakelijk recht aangemerkt degene
                            die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale
                            registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genot
                            hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            Hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van Hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van Hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                            op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt
                            de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20
                            tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                    cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                                    ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt
                                    voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de
                                    ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek
                                    of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat
                                    uit de in onderdeel a. bedoelde grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                    eredienst of voor het houden van openbare
                                    bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en
                                    ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken
                                    die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                    voet van de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 1989, 252) aangewezen
                                    landgoed met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde
                                    eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                    heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
                                    rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich
                                    uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon
                                    ten doel stellen, beheerd worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                    rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd
                                    door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                    rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                    werken die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                    afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering
                                    van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                    afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                    werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                    gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li><li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt
                                    voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden
                                    gebruikt voor het geven van onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder worden begrepen alle zodanige
                                    gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn
                                    geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten
                                    dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente,
                                    zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden,
                                    monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;</al></li><li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                    beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van
                                    zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met
                                    uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen
                                    als woning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijstelling met betrekking tot onderdeel j van het eerste lid
                            bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                                heffingsmaatstaf.</al><al> Het percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting (inclusief ondernemersfonds) 0,2597
                                        %</al></li><li nr="b."><al>de eigenarenbelasting</al><lijst><li nr="1."><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning
                                                dienen 0,1339%</al></li><li nr="2."><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot
                                                woning dienen 0,3222 % (inclusief
                                                ondernemersfonds).</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien de heffingsmaatstaf beneden de € 5.000,-- blijft wordt geen
                                belasting geheven.</al></li><li nr="3."><al>Voor belastingaanslagen tot € 10,-- vindt geen invordering plaats.
                                Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één
                                aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende
                                zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                                belastingbedrag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanslagen moeten worden betaald in twee termijnen waarvan de eerste
                            vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                            dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende twee maanden
                            later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de
                            op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar
                            één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 11.350,-- en
                            zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische
                            betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten
                            worden betaald in tien (10) gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt
                            één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende
                            termijnen telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid
                            gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Het college van Burgemeester en Wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en invordering van onroerende zaak
                        belastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>De Verordening onroerende zaakbelastingen 2013, vastgesteld bij Raadsbesluit
                        van 7 november 2012, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2014, met
                        dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die
                        zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2014.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening onroerende zaak
                        belastingen 2014".</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering van 16 december 2013.</ondertekening><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>