<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR318382_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Uitkijkpost, 24-10-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012, na 1e wijziging</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416">Gemeentewet, art. 147,lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703">Wet werk en bijstand, art.8, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703">Wet werk en bijstand, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-10-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-10-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>12-2969</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>WWB toeslagen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening werkt terug tot en met 1 januari 2012.</al><al>In afwijking van artikel 10 is deze verordening vanaf 1 januari 2013 van toepassing op de belanghebbenden op wie op grond van artikel 78w van de wet de huishoudinkomenstoets nog tot 1 januari 2013 wordt toegepast. Tot 1 januari 2013 gelden de bepalingen uit de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012.</al><al>Artikel 12 bevat een overgangspbepaling.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de wet</vet>: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al><vet>gehuwdennorm</vet>: de norm bedoeld in artikel 21
                                        eerste lid, onder c van de wet</al></li><li nr="c."><al><vet>belanghebbende</vet>: degene wiens belang rechtstreeks
                                        bij een besluit is betrokken op grond van artikel 1:2 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="d."><al><vet>college</vet>: het college van burgemeester en
                                        wethouders van de gemeente Heiloo.</al></li><li nr="e."><al><vet>woning</vet>: een woning als bedoeld in artikel 1,
                                        onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, als mede een woonwagen
                                        of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de
                                        wet;</al></li><li nr="f."><al><vet>woonkosten</vet>: 1°. indien een huurwoning wordt
                                        bewoond, de per maand geldende huurprijs, bedoeld in artikel
                                        1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag;2°. Indien een
                                        eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
                                        omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in
                                        verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                        zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen
                                        bedrag voor onderhoud.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>CATEGORIEËN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieaanduiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de belanghebbende aan wie bijstand kan worden verleend, geldt
                                een categorieaanduiding.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder, of</al></li><li nr="c."><al>gehuwden.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet bedraagt 20% van de
                                gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in
                                wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft en die daarom de
                                noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet bedraagt 10% van de
                                gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder die met
                                één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft en
                                daarom de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de toepassing van lid 2 worden de volgende personen niet in
                                aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>kinderen van 21 jaar en ouder voor zover zij
                                        studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet
                                        studiefinanciering 2000 en hun verdere inkomsten dusdanig
                                        beperkt zijn dat zij in combinatie met de studiefinanciering
                                        het bedrag genoemd in artikel 3:18 WSF2000 niet
                                        overschrijden;</al></li><li nr="b."><al>asielzoekers die buiten een opvangcentrum gehuisvest
                                        zijn.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF DE TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlagingen gehuwdennorm</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10% van
                                de gehuwdennorm voor de belanghebbenden, die met één of meer anderen
                                hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en die daarom de
                                noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen delen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlagingen woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 20% van
                                de gehuwdennorm, indien een woning wordt bewoond waaraan voor de
                                belanghebbende geen woonkosten, als bedoeld in artikel 1, onder f
                                van deze verordening verbonden zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt bij voorrang
                                toegepast op de toeslag als bedoeld in artikel 3 van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van 21
                                        jaar betreft;</al></li><li nr="b."><al>10% van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van 22
                                        jaar betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging vastgesteld op de
                                hoogte van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze
                                toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van het
                                eerste lid zou leiden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van de verordening
                                geschiedt zodanig, dat de toepasselijke norm voor de
                                uitkeringsgerechtigde tenminste bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>45% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>65% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>75% van de gehuwdennorm voor een gezin.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en
                                waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                uitkeringsgerechtigde afwijken van de bepalingen in deze
                                verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden
                                van overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening Wet werk
                                en bijstand 2012, na 1e wijziging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na
                                bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2012.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 10 is deze verordening vanaf 1 januari 2013
                                van toepassing op de belanghebbenden op wie op grond van artikel 78w
                                van de wet de huishoudinkomenstoets nog tot 1 januari 2013 wordt
                                toegepast. Tot 1 januari 2013 gelden de bepalingen uit de
                                Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Heiloo in zijn openbare
                        raadsvergadering van 8 oktober 2012.</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Toelichting op de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) dient de gemeenteraad een verordening
                    vast te stellen met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm als
                    bedoeld in artikel 8 lid 1 onder c juncto artikel 30 WWB.</al><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemene noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. De
                    bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en met 24
                    WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen: artikelen 25
                    tot en met 30 WWB.</al><al>Burgemeester en wethouders verhogen in bepaalde gevallen de norm met een toeslag
                    en passen in bepaalde gevallen een verlaging toe. Dit beleid is categoriaal: uit
                    de verordening blijkt voor welke categorieën en op grond van welke criteria een
                    verhoging of verlaging van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt. Op die
                    manier kan een uitkeringsgerechtigde concreet uit de verordening afleiden welke
                    verhoging of verlaging in zijn of haar situatie geldt.</al><al>Bij het afbakenen van categorieën is rekening gehouden met in de praktijk
                    eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er ook gekozen voor een forfaitaire
                    benadering. De verordening omschrijft alleen de situaties waarin iemand geacht
                    wordt lagere noodzakelijke kosten van bestaan te hebben. Hierdoor wordt
                    rekenwerk met werkelijke kosten voorkomen.</al><al><cursief><vet>Norm</vet></cursief></al><al>Voor personen van 21 tot en met 65 jaar bestaan er drie basisnormen (artikel 21
                    WWB):</al><lijst><li nr="a."><al>gezin: 100% van het wettelijk minimumloon (de gezinsnorm)</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gezinsnorm</al></li><li nr="c."><al>alleenstaanden: 50% van de gezinsnorm </al></li></lijst><al><cursief><vet>Toeslagen</vet></cursief></al><al>Een toeslag op de norm wordt verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande
                    ouder. De maximale toeslag van 20% van de gezinsnorm kan zonder nader
                    onderscheid worden toegekend. De uitkering is dan ten hoogste:</al><lijst><li nr="a."><al>90% van de gezinsnorm voor alleenstaande ouders;</al></li><li nr="b."><al>70% van de gezinsnorm voor alleenstaanden. </al></li></lijst><al>Burgemeester en wethouders houden echter rekening met de mogelijkheid van het
                    kunnen delen van kosten. Deze mogelijkheid wordt aanwezig geacht als een ander
                    of meerdere anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De
                    alleenstaande of de alleenstaande ouder kan dan kosten als woonkosten, vaste
                    lasten, kosten van duurzame gebruiksgoederen en dergelijke delen. Burgemeester
                    en wethouders stellen in die gevallen de toeslag op een lager percentage vast.
                    De toeslag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is uitgewerkt in artikel
                    3 van de verordening.</al><al><cursief><vet>Verlagingen</vet></cursief></al><al>De WWB kent de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="a."><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                            ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden
                            (artikel 26 WWB);</al></li><li nr="b."><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al></li><li nr="c."><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie
                            (artikel 28 WWB);</al></li><li nr="d."><al>verlaging in verband met lager minimum jeugdloon voor 21- en 22 jarigen
                            (artikel 29 WWB). </al></li></lijst><al><cursief><vet>Individualisering</vet></cursief></al><al>Het is niet noodzakelijk alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet
                    geregelde gevallen of uitzonderlijke situaties geldt het
                    individualiseringsbeginsel. Burgemeester en wethouders kunnen de bijstand op
                    grond van artikel 18 lid 1 WWB afwijkend vast stellen.</al><al>De werking van de verordening beperkt zich tot uitkeringsgerechtigden van 21 tot
                    65 jaar. Voor jongeren van 18 tot 21 jaar is deze verordening niet van
                    toepassing.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>De gezinsnorm is de norm per kalendermaand, zoals bedoeld in artikel 21, eerste
                    lid WWB. Voor het hanteren van de gezinsnorm is gekozen, omdat dit artikel 21 de
                    hoogte hiervan aangeeft. Deze norm is gelijk aan het netto minimumloon zoals
                    bedoeld in artikel 37 lid 1 WWB.</al><al>Het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, “een gebouwde
                    onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan
                    wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende
                    aanhorigheden”.</al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de
                    begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in
                    het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen.</al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen
                    naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden
                    gelijkgesteld.</al><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven
                    hebben dezelfde betekenis als in de WWB.</al><al><vet>Artikel 2 Categorieaanduiding </vet></al><al>De regels van deze verordening zijn van toepassing voor de
                    uitkeringsgerechtigden van 21 jaar doch jonger dan 65 jaar. Voor jongeren van 18
                    tot 21 jaar is deze verordening niet van toepassing.</al><al><vet>Artikel 3 Toeslagen</vet></al><al><cursief><vet>Lid 1</vet></cursief></al><al>Op grond van artikel 30, tweede lid, onder a, WWB is de gemeenteraad verplicht
                    om te bepalen dat de toeslag 20% van de gezinsnorm bedraagt voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of
                    toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in het eerste lid van artikel 3
                    van deze verordening.</al><al><cursief><vet>Lid 2</vet></cursief></al><al>Wanneer in de woning van de belanghebbende een ander zijn hoofdverblijf heeft,
                    wordt er vanuit gegaan dat deze bepaalde kosten kan delen (bijvoorbeeld huur en
                    stookkosten). Het is niet van belang of de belanghebbende de kosten
                    daadwerkelijk deelt. Dat is een verantwoordelijkheid van de
                    uitkeringsgerechtigde zelf.</al><al>Omdat de belanghebbende niet alle noodzakelijke kosten van bestaan kan delen,
                    ontvangt hij wel een toeslag, maar deze is lager dan de toeslag zoals genoemd in
                    het eerste lid en bedraagt 10% van de gezinsnorm. De toeslag is ook 10% als meer
                    dan één ander zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. Zolang er sprake is
                    van een zelfstandige huishouding, blijft een deel van de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan uitsluitend voor rekening van de belanghebbende.</al><al><cursief><vet>Lid 3</vet></cursief></al><al>Het derde lid sluit bepaalde personen uit als degene die in dezelfde woning zijn
                    hoofdverblijf heeft.Inwonende kinderen die niet (meer) in de norm begrepen zijn
                    , maar waarvan niet verwacht kan worden dat ze bijdragen in de kosten vallen
                    onder deze bepaling.</al><al>Asielzoekers die buiten een opvangcentrum gehuisvest zijn, krijgen een
                    vergoeding in het kader van de Regeling toekenning bevoegdheid aan COA tot
                    uitsluiting bepaalde categorieën asielzoekers van verstrekkingen Rva 1997. De
                    wekelijkse bijdrage is alleen bedoeld voor voedsel, kleding en persoonlijke
                    uitgaven. Er zit dus geen component in voor woonlasten. Deze vergoeding is zo
                    laag dat een bijdrage in de kosten niet is te verwachten. Asielzoekers met een
                    dergelijke vergoeding zijn dan ook uitgesloten als personen die in dezelfde
                    woning hun hoofdverblijf hebben.</al><al><vet>Artikel 4 Verlaging norm gezin</vet></al><al><cursief><vet>Lid 1</vet></cursief></al><al>Wanneer in de woning van de belanghebbende een ander zijn hoofdverblijf heeft
                    (niet zijnde een gezinslid of ander persoon die tot de gezamenlijke huishouding
                    kan worden gerekend) wordt er vanuit gegaan dat zij bepaalde kosten kunnen delen
                    (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Het is niet van belang of de belanghebbenden
                    de kosten daadwerkelijk delen. Dat is een verantwoordelijkheid van de
                    belanghebbenden zelf.</al><al>Gekozen is, net als bij de alleenstaanden en alleenstaande ouders, voor een
                    verlaging van 10% van de gezinsnorm, ongeacht het aantal anderen dat in de
                    woning zijn hoofdverblijf heeft. Zolang er sprake is van een zelfstandige
                    huishouding, blijft een deel van de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan uitsluitend voor rekening van de belanghebbende.</al><al><cursief><vet>Lid 2</vet></cursief></al><al>Met de wijziging van de wet per 1 januari 2012 is de gezinsnorm ingevoerd. Dit
                    betekent dat in voorkomende gevallen drie of meer meerderjarige gezinsleden van
                    één bijstandsuitkering moeten leven. Het is niet redelijk om in een dergelijk
                    geval de norm ook nog te verlagen, ook al kunnen de woonkosten gedeeld worden
                    met een derde. Deze bepaling heeft ook betrekking op een eventuele verlaging als
                    bedoeld in artikel 5, 6 of 7.</al><al><cursief><vet>Lid 3</vet></cursief></al><al>De inhoud van het vierde lid van artikel 4 van deze verordening is
                    overeenkomstig die van artikel 3, derde lid van deze verordening.</al><al><vet>Artikel 5 Verlaging woonsituatie</vet></al><al><cursief><vet>Lid 1</vet></cursief></al><al>Burgemeester en wethouders verlagen de norm of de toeslag (verder) op grond van
                    artikel 27 WWB als de uitkeringsgerechtigde lagere kosten van bestaan heeft door
                    zijn woonsituatie.Als aan een door de belanghebbende bewoonde woning geen
                    woonkosten zijn verbonden verlagen burgemeester en wethouders de norm met 20%
                    van de gezinsnorm. Dit betekent dat wanneer de woonlasten namens de
                    belanghebbende door een ander worden betaald (bijv de ex-echtgenoot of de
                    vertrokken partner) dit niet langer als “verkapte alimentatie” wordt gezien. In
                    een dergelijke situatie wordt de bijstand met 20% van de gezinsnorm
                    verlaagd.</al><al>Onder de woonkosten van een huurwoning wordt verstaan de op de aanvangsdatum van
                    het lopende tijdvak huurtoeslag geldende huurprijs per maand. Indien een eigen
                    woning wordt bewoond wordt onder de woonkosten het volgende verstaan: de tot een
                    bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de
                    woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben
                    van de woning te betalen zakelijke lasten. Dat zijn de rioolrechten, het
                    eigenaarsaandeel van de onroerende-zaakbelasting, de brandverzekering, de
                    opstalverzekering en het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten.</al><al><cursief><vet>Lid 2</vet></cursief></al><al>Wanneer de belanghebbende gen woonkosten heeft kan de norm worden verlaagd. De
                    verlaging van de norm zal bij voorrang plaatsvinden op de toeslag die
                    belanghebbende op grond van artikel 3 van deze verordening ontvangt.</al><al><vet>Artikel 6. Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</vet></al><al>Burgemeester en wethouders hebben de bevoegdheid om op grond van artikel 29 van
                    de wet een verlaging toe te passen als het van oordeel is, dat gezien de hoogte
                    van het minimumloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden.</al><al>Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een
                    22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe
                    te passen dan voor een 22-jarige.In het tweede lid wordt geregeld dat de
                    verlaging voor een 21- of 22 jarige alleen kan plaatsvinden op de toeslag
                    genoemd in artikel 3 van deze verordening.</al><al><vet>Artikel 7. Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>De verschillende verlagingen in deze verordening zien toe op verschillende
                    omstandigheden bij de uitkeringsgerechtigden en kunnen elk afzonderlijk als
                    redelijk worden aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen,
                    dat het college de norm vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten
                    vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van een toereikende
                    uitkering. In voorkomende gevallen zou het college op grond van artikel 30,
                    vierde lid van de wet de bijstandsnorm moeten vaststellen. Daarom is er voor
                    gekozen om reeds in deze verordening een absoluut minimumbedrag vast te leggen,
                    waarop het college de norm (inclusief eventuele toeslag en verlagingen)
                    tenminste moet vaststellen. Dit laat onverlet dat in concrete omstandigheden het
                    bij samenloop ook denkbaar is dat de norm hoger moet worden vastgesteld. Zie
                    bijv. de jurisprudentie t.a.v. de samenloop van een verlaging i.v.m.
                    medebewoning en het ontbreken van woonkosten (CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698).Het
                    individualiseringsbeginsel kan dus met zich meebrengen dat bij samenloop ook bij
                    een resterende norm die boven de in dit artikel genoemde percentages ligt, al
                    aanleiding is om tot verhoging daarvan over te gaan, gelet op alle
                    omstandigheden van de belanghebbende.</al><al><vet>Artikel 8. Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening
                        niet voorziet</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 9. Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 10. Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 11. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>