<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>317996_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening Cuijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Cuijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-01-04</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-129537.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dAlgemene%2bPlaatselijke%2bVerordening%2bCuijk%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20160104%26epd%3d20160104%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=1&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad d.d. 29 december 2015, nr. 129537</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening Cuijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:r:BWBR0005416"> Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-03-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging van de artikelen 2:28, 2:29, 2:48, 2:57, 2:59, 4:1, 4:3, 4:30 en 6:2</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>algemeen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.05 november
                            2013;</vet></al><al></al><al>Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al></al><al>­</al><al><vet>B e s l u i t</vet></al><al></al><al>vast te stellen de navolgende verordening:</al><al></al><al>“Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Cuijk.” </al><al>overeenkomstig de aangehechte en als zodanig gewaarmerkte bijlage.</al><al></al><al></al><al><vet></vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. openbare plaats: plaats die krachtens bestemming of vast gebruik
                            openstaat voor het publiek.;</al><al>b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                            Wegenverkeerswet 1994; </al><al>c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere
                            wijze toegankelijk zijn;</al><al>d. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op
                            grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;</al><al>e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens
                            een zakelijk of persoonlijk recht;</al><al>f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                            Bouwverordening;</al><al>g.gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                            Woningwet;</al><al>h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten,
                            waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;</al><al>i. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid,
                            van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel
                                2:11, artikel 2:12 of artikel 4:11. </al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk karkater van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of
                            krachtens deze verordening anders is bepaald.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><al>a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                            verstrekt;</al><al>b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                            inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning,
                            intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de
                            belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is
                            vereist;</al><al>c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al><al>d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                            binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een
                            gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;</al><al>e. indien de houder dit verzoekt.</al><al><vet></vet></al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag of het
                            bevoegd bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><al>a. de openbare orde;</al><al>b. de openbare veiligheid;</al><al>c. de volksgezondheid;</al><al>d. de bescherming van het milieu.</al><al></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><paragraaf><kop><label>Afdeling </label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats: </al><al>- zich te begeven naar een samenscholing; </al><al>- deel te nemen aan een samenscholing;</al><al>- te vechten;</al><al>- zich onnodig op te dringen of; </al><al>- door uitdagend gedragen aanleiding te geven tot
                                    ongeregeldheden.</al><al></al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of hij
                                    een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan
                                    wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    ongeregeldheden zijn afgezet</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het derde lid geldt niet voor personeel van
                                    hulpverleningsdiensten en gemeente.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen <vet></vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                    te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten
                                    minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk
                                    kennis aan de burgemeester.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat: </al><al> a. naam en adres van degene die de betoging houdt;</al><al> b. het doel van de betoging;</al><al> c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip
                                    van aanvang en beëindiging;</al><al> d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                    plaats van beëindiging;</al><al> e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al><al> f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om
                                    een regelmatig verloop te bevorderen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                    het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag.</al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2.3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2.3)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het
                                    aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                    afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met
                                    de publieke functie ervan</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een
                                    weggedeelte te gebruiken, anders dan overeenkomstig de
                                    bestemming daarvan. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                            worden geopenbaard; </al></li><li nr="b."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24; </al></li><li nr="c."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18. </al></li></lijst><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan in het belang van de openbare orde of de
                                    woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van
                                    terrassen, uitstallingen en reclame op basis waarvan het bevoegd
                                    gezag vergunningsvrije objecten kan aanwijzen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden op, in, over of boven de weg een voorwerp of
                                    stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te
                                    plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of
                                            plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg;
                                        </al></li><li nr="b."><al>gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                            het doelmatig en veilig gebruik daarvan; of</al></li><li nr="c."><al>een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg. </al></li></lijst><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onverminderd artikel 1:8 kan de vergunning, zoals bedoeld in het
                                    eerste of vijfde lid, worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                            gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                            het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg; van een belemmering voor de
                                            bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake
                                            wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,80 meter
                                            wordt gelaten op voetpaden en van 4,50 meter op de
                                            rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd
                                            verkeeruitstallingen.</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zich zelf, hetzij
                                            in verband met de omgeving, niet voldoet aan redelijke
                                            eisen van welstand; </al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen
                                            onroerende zaak. </al></li></lijst><al></al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement.</al><al></al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al><vet></vet></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11</nr><titel>(Omgevings) vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een weg
                                    aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te
                                    graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te
                                    veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
                                    aanleg van een weg. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend</al><al>a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                    activiteite verboden bij een bestemmingsplan,
                                    beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit;</al><al> b. door het college in de overige gevallen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg mede
                                    verstaan: niet‑openbare ontsluitingswegen van gebouwen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het
                                    uitvoeren van hun publieke taak. </al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement,
                                    de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.12</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het maken, veranderen van een
                                    uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg te
                                    maken naar de weg-of verandering te brengen in een bestaande
                                    uitweg naar de weg: </al><al> a. indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de
                                    weg te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet
                                    van tevoren een aanvraag heeft ingediend bij het college, onder
                                    indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een
                                    foto van de bestaande situatie; </al><al>b. indien het college het maken of veranderen van de uitweg
                                    heeft verboden. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaat.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg: </al><al> a. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt
                                    gebracht; </al><al>b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare
                                    parkeerplaats; </al><al>c. indien het openhaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze
                                    wordt aangetast; </al><al> d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al
                                    door re wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten
                                    koste gaat van het uiterlijk aanzien van de omgeving. </al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal
                                    wegenreglement. </al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht ( positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat. </al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.17</nr><titel>Kelderingangen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan
                                    wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan tussen 1 maart en 1 november. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan,
                                    voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                    voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. </al><al></al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                    zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. </al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                    Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden
                                    van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere
                                    objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan
                                    twee meter te plaatsen of te hebben</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de
                                    bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten
                                    die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden: </al><al> a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                    verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige
                                    andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; </al><al> b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                    geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg
                                    te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                    daarvan te verijdelen bf te belemmeren. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de
                                    Provinciale vaarwegenverordening. </al><al></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting </al><al> van vermaak, met uitzondering van: </al><al> a. bioscoopvoorstellingen;</al><al>b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                    de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;</al><al>c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al><al>d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                    gelegenheid geve dansen; tot</al><al>ansen;</al><al>e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                    Wet openbare manifestaties;</al><al>f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze
                                    verordening.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan: </al><al>a. een herdenkingsplechtigheid;</al><al>b. een braderie;</al><al>c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                    2:3 van dveze erordening,</al><al>e weg;</al><al>d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                    weg.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor eendaagse
                                    evenementen, indien: </al><al> a. het evenement betreft een kleinschalige activiteit in de
                                    buitenlucht en heft gezien de aard geen invloed op de openbare
                                    orde en veiligheid, zoals een straatfeest, barbecue,
                                    rommelmarkt.</al><al> b. het aantal bezoekers, inclusief deelnemers, bedraagt niet
                                    meer dan 250 personen tegelijkertijd;</al><al>c. het evenement vindt plaats tussen 10.00 en 24.00 uur;</al><al>d. het evenement omvat niet meer dan 2 straten;</al><al>e. niet langer dan tot 23.00 uur wordt muziek ten gehore
                                    gebracht die een geluidsniveau van 70 dB(A), gemeten op de gevel
                                    van de dichtstbijzijnde gevel, niet mag overstijgen; versterkte
                                    livemuziek is niet toegestaan. Ingeval van overtreding van dit
                                    voorschrift zullen kosten van metingen bij de organisator in
                                    rekening worden gebracht.</al><al>f. er zijn geen ingrijpende verkeersmaatregelen vereist, anders
                                    dan het onttrekken van parkeer- plaatsen en het eventueel
                                    afsluiten van een straat met een beperkte verkeersfunctie.
                                    Doorgaande wegen worden niet afgesloten. Kosten van deze
                                    maatregelen komen voor rekening van de organisator.</al><al>g. er worden slechts kleine objecten geplaatst met een
                                    oppervlakte van minder dan 80 m2. Indien dit object een tent of
                                    tijdelijk bouwsel betreft,dan dient aan een aantal
                                    brandveiligheidsvoorschriften te worden nageleefd. Deze worden
                                    na de melding toegezonden. Brandkranen dienen vrij gehouden te
                                    worden van obstakels; </al><al>h. de doorgang van de hulpverleningsdiensten dient gewaarborgd
                                    te zijn. Er dient op de weg een vrije ruimte beschikbaar te zijn
                                    van 3,50 meter;</al><al>i.er is een organisator die direct aanspreekbaar is en
                                    verantwoordelijk is voor de naleving van de algemene regels en
                                    de criteria van de melding;</al><al>j. de locatie dient beschikbaar en toegankelijk te zijn. De
                                    gemeente bepaalt of de locatie hieraan voldoet;</al><al>k. er is geen inzet van hulpdiensten nodig;</al><al>l. het is niet toegestaan drank te schenken in glaswerk;</al><al>m. de organisator stelt de burgemeester tenminste vier weken
                                    voorafgaand aan het evenement in kennis met een door de
                                    burgemeester vastgesteld meldingsformulier;</al><al>n. Indien binnen twee weken na ontvangst van het
                                    meldingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is
                                    verzonden kan het evenement zoals gemeld plaatsvinden.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan binnen twee weken na ontvangst van het
                                    meldingsformulier besluiten het organiseren van een evenement
                                    als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de
                                    openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het
                                    milieu in gevaar komt. </al><al></al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een feest,
                                    muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg, voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10
                                    juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994. </al><al></al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al><al></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen en alcoholverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder openbare inrichting wordt in deze paragraaf verstaan: de
                                    voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                    bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                    logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren
                                    of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.
                                    Onder een openbare inrichting worden in ieder geval verstaan:
                                    een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar,
                                    discotheek, buurthuis of clubhuis.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder openbare inrichting als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
                                    aanhorigheden.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
                                    besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het openbare
                                    inrichting waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en
                                    waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of
                                    spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                                    verstrekt.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afdeling 8 wordt verstaan onder:</al><al>a. de wet: de Drank- en Horecawet;</al><al>b. de begrippen:</al><al>alcoholhoudende drank,</al><al>horecabedrijf,</al><al>horecalokaliteit,</al><al>inrichting,</al><al>paracommerciële rechtspersoon,</al><al>sterke drank,</al><al>slijtersbedrijf en</al><al>zwak-alcoholhoudende drank,</al><al>dat wat daaronder wordt verstaan in de wet.</al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een
                                    openbare inrichting exploiteert. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Afdeling 8 verstaat niet onder bezoekers:</al><al>a. de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende
                                    bloed‑ en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de
                                    zijlijn tot en met de derde graad;</al><al>b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                    artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen
                                    bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht;</al><al>c. de leidinggevende die vermeld staat op het aanhangsel bij de
                                    vergunning, bedoeld in artikel 29, tweede lid van de wet, met
                                    betrekking tot die inrichting;</al><al>d. de persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 30a,
                                    eerste lid van de wet, is gevraagd, mits de ontvangst van die
                                    aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is
                                    beslist;</al><al>e. personen die werkzaam zijn ten dienste van de inrichting of
                                    de exploitatie ervan;</al><al>f. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                    dringende redenen noodzakelijk is.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatievergunning openbare inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al><vet></vet>Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren
                                    zonder vergunning van de burgemeester.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al><vet></vet>De burgemeester weigert de vergunning indien de
                                    exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het
                                    geldend bestemmingsplan.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de
                                    vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn
                                    oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in
                                    de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al><vet></vet>Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting
                                    die zich bevindt in:</al><lijst><li nr="a."><al><vet></vet>een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                            Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
                                            openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de
                                            winkelactiviteit;</al></li><li nr="b."><al><vet></vet>een zorginstelling;</al></li><li nr="c."><al><vet></vet>een museum of</al></li><li nr="d."><al><vet></vet>een bedrijfskantine of – restaurant.</al></li></lijst><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al><vet></vet>De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve
                                    vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan
                                    openbare inrichtingen indien:</al><lijst><li nr="a."><al><vet></vet>zich in de zes maanden voorafgaand aan de
                                            inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten
                                            gepaard gaande met geweld, overlast op straat of
                                            drugsgebruik en –handel hebben voorgedaan in of bij de
                                            inrichting dan wel</al></li><li nr="b."><al><vet></vet>indien de houder van de inrichting zich nieuw in
                                            de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden
                                            voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of
                                            derde lid van deze verordening. Onder een
                                            nieuw-vestiging wordt ook verstaan: overname van een
                                            bestaande inrichting, wijziging in de ondernemingsvorm
                                            of de bedrijfsvoering.</al></li></lijst><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al><vet></vet>De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een
                                    incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a. </al><al></al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al><vet></vet>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de houder van een openbare inrichting, waarvoor een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet
                                    is vereist, verboden dit voor bezoekers open te hebben, aldaar
                                    bezoekers toe te laten en te laten verblijven:</al><al>a. van zondag op maandag, maandag op dinsdag, dinsdag op
                                    woensdag en woensdag op donderdag, van donderdag op vrijdag
                                    tussen 01:30 uur en 07:00 uur;</al><al>b. van vrijdag op zaterdag en zaterdag op zondag tussen 03:00
                                    uur en 07:00 uur; </al><al>c. tijdens carnaval van zondag op maandag, maandag op dinsdag
                                    tussen 03:00 uur en 07:00 uur; </al><al>d. in de nacht aan het begin van: tweede Paasdag,
                                    Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste Kerstdag en tweede
                                    Kerstdag, en de nacht na: Koningsdag en Hemelvaartsdag, tussen
                                    03:00 uur en 07:00 uur;</al><al>e. van zondag op maandag, maandag op dinsdag, dinsdag op
                                    woensdag en woensdag op donderdag, tijdens de kermis in het
                                    betreffende deel van de gemeente waar de jaarlijkse kermis wordt
                                    gehouden tussen 03:00 uur en 07:00 uur;</al><al>f. van zondag op maandag, maandag op dinsdag, dinsdag op
                                    woensdag en woensdag op donderdag, van donderdag op vrijdag van
                                    de week waarin de vierdaagsefeesten worden gehouden tussen 02.00
                                    uur en 07.00 uur;</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het de houder
                                    van een openbare inrichting waarvoor géén vergunning als bedoeld
                                    in artikel 3 van de Drank- en Horecawet is vereist, verboden dit
                                    voor bezoekers open te hebben, aldaar bezoekers toe te laten en
                                    te laten verblijven: </al><lijst><li nr="a."><al>van zondag op maandag, maandag op dinsdag, dinsdag op
                                            woensdag en woensdag op donderdag, van donderdag op
                                            vrijdag tussen 02:00 uur en 07:00 uur,</al></li><li nr="b."><al>van vrijdag op zaterdag en zaterdag op zondag tussen
                                            04:00 uur en 07:00 uur;</al></li><li nr="c."><al>tijdens carnaval van zondag op maandag, maandag op
                                            dinsdag tussen 04.00 uur en 07.00 uur; </al></li><li nr="d."><al>in de nacht aan het begin van: tweede Paasdag,
                                            Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste Kerstdag en
                                            tweede Kerstdag, en de nacht na: Koningsdag en
                                            Hemelvaartsdag, tussen 04.00 uur en 07.00 uur;</al></li><li nr="e."><al>van zondag op maandag, maandag op dinsdag, dinsdag op
                                            woensdag en woensdag op donderdag, tijdens de kermis in
                                            het betreffende deel van de gemeente waar de jaarlijkse
                                            kermis wordt gehouden tussen 04.00 uur en 07.00
                                            uur.</al></li></lijst><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 en 2 gelden de sluitingstijden niet in de
                                    nacht van Oud op Nieuw</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste, tweede en derde lid is het de
                                    houder van een openbare inrichting, waarbij de exploitatie
                                    berust bij een paracommerciële rechtspersoon, verboden het
                                    horecabedrijf voor het publiek geopend te hebben en aldaar
                                    bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00:30 uur
                                    en 07.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift
                                    andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk
                                    openbare inrichting of een daartoe behorend terras.</al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet
                                    milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al><al></al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester kan, met uiterste terughoudendheid, ontheffing
                                    verlenen van de in lid 1, 2, 4 van dit artikel genoemde
                                    sluitingstijden</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                    toepassing op de aanvraag om ontheffing als bedoeld in dit
                                    artikel.<onderstreept></onderstreept></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of
                                    meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens
                                    artikel 2.29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk
                                    sluiting bevelen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van
                                    de Opiumwet.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting</titel></kop><al>Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de
                                tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.29 of ingevolge een op
                                grond van artikel 2.30 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich
                                daarin of aldaar te bevinden.</al><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel binnen openbare inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig
                                    voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze
                                    overdraagt.</al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren. </al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting geen inrichting is in de zin van
                                artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd
                                bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.28 tot en met 2.31.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34a Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven</nr></kop><al>De burgemeester kan voorschriften verbinden aan een vergunning als
                                bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet in het belang van de
                                handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid, de
                                volksgezondheid en betreffende de sluitingstijden die zijn genoemd
                                in de artikelen 2.29 en 2.30. </al><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34b</nr><titel>Schenktijden bij paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Paracommerciële rechtspersonen mogen uitsluitend alcoholhoudende
                                    drank verstrekken gedurende de periode beginnende met <vet>één
                                        uur</vet> voor aanvang en eindigende met <vet>één uur</vet>
                                    na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire
                                    doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële
                                        rechtspersoon,<vet></vet><vet>maar niet voor 12.00 uur en
                                        niet later dan 24.00 uur.</vet></al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Schenktijden bij paracommerciële rechtspersonen gericht op
                                    sport. Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op
                                    activiteiten van sportieve aard mogen daarnaast uitsluitend
                                    alcoholhoudende drank verstrekken tot één uur na collectieve
                                    trainingen en clubbijeenkomsten en tot twee uren na (oefen)
                                    wedstrijden maar:</al><al>a. Niet voor <vet>12:00 uur en niet later dan 24:00 uur</vet> op
                                    maandag tot en met zaterdag;</al><al>b. Niet voor <vet>11:00 uur en niet later dan 24:00 uur</vet> op
                                    zondag.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het schenken van alcohol tijdens specifieke
                                    jeugdactiviteiten dienen paracommerciële rechtspersonen interne
                                    regels op te stellen. </al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34c</nr><titel>Verboden bijeenkomsten bij paracommerciële
                                    rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is paracommerciële rechtspersonen verboden om bijeenkomsten
                                    waarbij alcoholhoudende drank wordt verstrekt, te houden van
                                    persoonlijke aard of bijeenkomsten te houden die gericht zijn op
                                    personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van
                                    de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om de mogelijkheid tot het houden van
                                        bijeenkomsten<vet></vet>openlijk aan te prijzen, waaronder
                                    inbegrepen de verhuur van de inrichting en inventaris. Voor het
                                    aanprijzen van de inrichting voor verhuur geldt dat in dezelfde
                                    vermelding en dezelfde (website)pagina duidelijk en
                                    uitdrukkelijk wordt vermeld dat het verstrekken van alcohol niet
                                    is toegestaan. </al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit geldt niet indien sprake is van activiteiten die
                                    rechtstreeks vallen onder de statutaire doelstellingen van de
                                    rechtspersoon en voor de toegestane bijeenkomsten uit artikel
                                    2:34d.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34d</nr><titel>Toegestane bijeenkomsten bij paracommerciële
                                    rechtspersonen</titel></kop><al>Voor paracommerciële rechtspersonen zijn onderstaande bijeenkomsten
                                waarbij alcoholhoudende drank wordt verstrekt toegestaan, met
                                inachtneming van de schenktijden in artikel 2:34c:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van rechtspersonen die zich richten op
                                        activiteiten van sportieve of recreatieve aard voor zover
                                        het betreft:</al><al>a. afscheidsfeesten van leden van het bestuur;</al><al>b.jaarfeesten ter afsluiting van het seizoen;</al><al>c.clubkampioenschappen en -jubilea;</al><al>d.nieuwjaarsbijeenkomsten voor de leden;</al><al>e.ledenvergaderingen;</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al></al></li></lijst><al></al><lijst><li nr="b."><al>ten aanzien van rechtspersonen die zich richten op
                                        activiteiten van sociaal-culturele aard voor zover het
                                        betreft:</al><al>a.jaarfeesten van en voor de leden van verenigingen en
                                        stichtingen die structureel gebruik maken van het pand;</al><al>b.afscheidsfeesten van leden van het bestuur van
                                        verenigingen en stichtingen, die structureel gebruik maken
                                        van het pand;</al><al>c.sociaal-culturele evenementen, waarbij het evenement
                                        centraal staat;</al><al>d.kerstvieringen;</al><al>e.vergaderingen van en voor de leden van verenigingen en
                                        stichtingen die structureel gebruik maken van het pand;</al><al>f.afscheidsfeesten van leden van het bestuur;</al><al>g.nieuwjaarsbijeenkomsten;</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al></al></li></lijst><al></al><lijst><li nr="c."><al>ten aanzien van rechtspersonen die zich richten op
                                        activiteiten van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard
                                        voor zover het betreft:</al><al>a.ctiviteiten en vieringen, die direct verband houden met de
                                        levensbeschouwelijke of godsdienstige aard van de
                                        instelling;</al><al>b.afscheidsfeesten van leden van het bestuur;</al><al>c.ledenvergaderingen;</al><al>d.overige strikt verenigingsgerelateerde activiteiten voor
                                        leden;</al><al>e.nieuwjaarsbijeenkomsten voor de leden;</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al></al></li></lijst><al></al><lijst><li nr="d."><al>ten aanzien van rechtspersonen die zich richten op
                                        activiteiten van educatieve aard voor zover het
                                        betreft:</al><al>a.lessen en cursussen;</al><al>b.bestuursvergaderingen;</al><al>c.afstudeerbijeenkomsten en diploma-uitreikingen;</al><al>d.schoolfeesten voor leerlingen (max. 3 x per jaar);</al><al>e.sportdagen (max. 1 x per jaar).</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al></al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34e</nr><titel>Beleidsregels vergunningen en ontheffingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan een tijdelijke ontheffing verlenen van de in
                                    artikel 2:34b en c genoemde schenktijden en bijeenkomsten.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan beleidsregels vaststellen betreffende de
                                    uitvoering van deze afdeling, zoals over ontheffingen voor
                                    schenktijden en bijeenkomsten bij paracommercie.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de aanvraag om een ontheffing op grond van deze regels en op
                                    grond van art. 4 lid 4 van de Drank- en Horecawet is paragraaf
                                    4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34f</nr><titel>Verbod verstrekken van sterke drank door paracommerciële
                                    rechtspersonen </titel></kop><al>Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te
                                verstrekken in een inrichting die:</al><lijst><li nr="4."><al>deel uitmaakt van een gebouw dat uitsluitend of in hoofdzaak
                                        wordt gebruikt voor het geven van onderwijs;</al></li><li nr="5."><al>deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel
                                        uitsluitend of in hoofdzaak gebruikt wordt door personen
                                        jonger dan 18 jaar;</al></li><li nr="6."><al>deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel in
                                        hoofdzaak in gebruik is bij één of meer sportorganisaties of
                                        –instellingen.</al></li></lijst><al></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van
                                vertrek te verstrekken.</al><al></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                    omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                    enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                    voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op: </al><al>a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                    eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is
                                    verleend;</al><al>b.speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de
                                    Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al><al>c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                    kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                    kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                    bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                    handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de
                                    kansspelen te verrichten.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><al>a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon
                                    en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed
                                    door de exploitatie van de speelgelegenheid;</al><al>b. indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is
                                    met een geldend bestemmingsplan.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Kansspelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>a. Wet: de Wet op de kansspelen</al><al> b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                    c, van de Wet;</al><al> c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                    30, onder d, van de Wet;</al><al> d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                    30, onder e, van de Wet.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee
                                    kansspelautomaten toegestaan.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                    toegestaan. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek
                                    toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden. </al><al></al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: </al><al> a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                    aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze
                                    aan te brengen of te doen aanbrengen; </al><al> b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                    afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen
                                    aanbrengen. </al><al></al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. </al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. </al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij
                                    zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,
                                    kleur of verfstof of verfgereedschap. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde
                                    materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn
                                    bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben. </al><al> het maken van sporen te voorkomen. </al><al><vet><cursief></cursief></vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44a</nr><titel>Vervoer geprepareerde voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te
                                    vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk
                                    toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te
                                    vergemakkelijken.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid
                                    bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                    handelingen.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden: </al><al> a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een
                                    beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                    toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting,
                                    verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; </al><al> b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan
                                    gebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig
                                    overlast of hinder wordt veroorzaakt. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het
                                    Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod is niet van toepassing op: </al><al> a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Drank- en Horecawet; </al><al> b. de plaats niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder
                                    a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de
                                    Drank en Horecawet . </al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden: </al><al> a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                    houden; </al><al> b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                    drempel van een gebouw te zitten of te liggen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw. </al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50a</nr><titel>Gebiedsontzegging / verblijfsverbod</titel></kop><al>Het is degene aan wie dit door of namens de burgemeester in het
                                belang van de openbare orde of zedelijkheid is bekendgemaakt,
                                verboden zich anders dan in een openbaar middel nan vervoer te
                                bevinden op of aan door of namens de burgemeester aangewezen wegen
                                en plaatsen gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt
                                gedurende de in de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste
                                twaalf weken.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><al>a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                gebruiker van dat gebouw of dat portiek; </al><al>b. daardoor die ingang versperd wordt. </al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><al>a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                    zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of
                                    op een andere door het college aangewezen plaats;</al><al>b. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is
                                    aangelijnd </al><al>c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen
                                    plaats indien de hond niet is aangelijnd; of</al><al>d. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband
                                    of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder
                                    duidelijk doet kennen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
                                    door het college aangewezen plaatsen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van
                                    toepassing op de eigenaar of houder van een hond:</al><al> a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                    sociale hulphond laat begeleiden; of</al><al>b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                    geleidehond of sociale hulphond.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><al> a. binnen de bebouwde kom op de weg;</al><al> b. binnen de bebouwde kom op een voor het publiek toegankelijke
                                    en kennelijk</al><al> als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                    speelweide;</al><al> c. op een andere door het college aangewezen plaats.</al><al></al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid onder a niet geldt.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
                                    worden verwijderd.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene, bedoeld in het eerste lid is verplicht binnen de
                                    bebouwde kom een deugdelijke voorziening bij zich te hebben
                                    waarin of waarmee hij/zij de uitwerpselen kan meenemen zoals een
                                    hondenpoepzakje of een hondenpoepschepje. Deze voorziening moet
                                    op eerste vordering getoond worden aan de met het toezicht
                                    belaste ambtenaar.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander.</al><al>is.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:</al><al>a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van
                                    beide stoffen;</al><al>b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals
                                    is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet
                                    mogelijk is; en</al><al>c.zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                    afgesloten ruimte bf een geringe opening van de bek toelaat en
                                    dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder d,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in door het college aangewezen plaatsen
                                    buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare
                                    gezondheid daarbij aangeduide dieren: </al><al>a. aanwezig te hebben, of </al><al>b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                    hen gestelde regels, of </al><al>c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                    aanwijzing is aangegeven. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al><al></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze Paragraaf wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                    onverwijld: </al><al>a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                    goed; </al><al>b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; </al><al>c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor
                                    zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; </al><al>d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                    goed; </al><al>e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                                    van Strafrecht </titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><al>a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                stellen: </al><al>1° dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van
                                zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende
                                vestiging; </al><al>2° van een verandering van de onder a, sub l°, bedoelde adressen; </al><al>3° als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; </al><al>4° dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een
                                misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; </al><al>b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register
                                ter inzage te geven; </al><al>c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar
                                zijn; </al><al>d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in
                                bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. </al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>(Dit artikel is verplaatst naar Paragraaf 8 (Toezicht op
                                horecabedrijven) onder artikel 2:32).</al><al></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:</al><al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
                                </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al><al></al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een
                                    voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks
                                    gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73a</nr><titel>Carbid schieten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder carbid schieten wordt verstaan: het in een
                                    bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van
                                    acethyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide
                                    (carbid) en water of gas(mengsels) met vergelijkbare
                                    eigenschappen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in de open lucht met carbid te schieten.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod in het tweede lid geldt niet indien het carbid
                                    schieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur – 18.00
                                    uur, mits:</al><al> a. bij het carbid schieten wordt gebruik gemaakt van bussen met
                                    een maximale inhoud van 40 liter;</al><al> b. het carbid schieten plaats vindt op een afstand van ten
                                    minste 100 m¹ van gebouwen, bouwwerken of andere werken
                                    waarbinnen dieren verblijven;</al><al> c. het vrijschootsveld tenminste 100 m¹ bedraagt en zich binnen
                                    dit schootsveld geen personen en/of openbare wegen of paden
                                    bevinden; </al><al> d. degene die met carbid schiet redelijkerwijs alle maatregelen
                                    heeft genomen ter voorkoming van gevaar voor mens en dier.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    in het tweede lid opgenomen verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van
                                    Strafrecht</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al></al><al></al><al></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74a</nr><titel>Openlijk drugsgebruik</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke
                                plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als
                                bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen,
                                dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te verrichten of ten
                                behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te
                                hebben.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74b</nr><titel>Samenscholing in verband met drugs </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats aan een verzameling van
                                    meer dan twee personen deel te nemen, indien redelijkerwijze kan
                                    worden aangenomen dat deze verzameling van personen verband
                                    houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als
                                    bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet, of indien deze verzameling
                                    verband houdt met de handel in middelen als bedoeld in artikel 2
                                    van de Opiumwet.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder die zich bevindt in een verzameling van personen als
                                    in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend
                                    bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of
                                    zich in de aangewezen richting te verwijderen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling15</label><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in een of meer van de navolgende artikelen van
                                deze verordening groepsgewijs niet naleven:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 2:1 (samenscholing en ongeregeldheden);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2:10 (voorwerpen op, aan of boven de weg);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2:11 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                                        weg);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2:16 (openen straatkolken en dergelijke);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2:48 (verboden drankgebruik);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2:49 (verboden gedrag bij of in gebouwen);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2:50 (hinderlijk gedrag in voor publiek
                                        toegankelijke ruimten);</al></li><li nr="-"><al>artikel 2:73 (gebruiken van consumentenvuurwerk)</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76 Veiligheidsrisicogebieden</nr></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder toegankelijke
                                    plaatsen: </al><al> a. de al dan in niet particuliere handen zijnde
                                    parkeerterreinen in de gemeente</al><al>b. parkeergarage onder winkelcentrum Mae Cuijk.asburg t</al><al></al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                                was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder
                                tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al><al>d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al>e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                                particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;</al><al>f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon
                                of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf
                                exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                                rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al><al>g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of
                                escortbedrijf;</al><al>h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                uitzondering van:</al><al>1. de exploitant;</al><al>2. de beheerder;</al><al>3. de prostituee;</al><al>4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al><al>5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van
                                deze verordening;</al><al>6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd
                                    bestuursorgaan<cursief>:</cursief> het college of, voor zover
                                het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                                behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de
                                burgemeester.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.13 genoemde belangen, kan het college
                                over de uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels
                                vaststellen.</al><al></al><al></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke
                            </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><al>a. de persoonsgegevens van de exploitant;</al><al>b. de persoonsgegevens van de beheerder; en</al><al>c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al><al>a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                    ouderlijke macht of de voogdij;</al><al>b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al><al>c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant
                                    en de beheerder niet:</al><al>a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                    Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met
                                    toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter
                                    beschikking gesteld;</al><al>b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot
                                    een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer
                                    door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare
                                    lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint
                                    Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf
                                    waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige
                                    hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                    Strafvordering is toegelaten;</al><al>c. binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><al>- bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;</al><al>- de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                    417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                    Strafrecht;</al><al>- de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                    artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                    1994;</al><al>- de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet
                                    op de Kansspelen;</al><al>- de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al><al>- de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al><al>a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel
                                    74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel
                                    76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375
                                    bedraagt;</al><al>b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><al>a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al><al>b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van de intrekking van deze vergunning.</al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem ter zake geen verwijt treft.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                    verblijven:</al><al>a. op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 05.00 uur;</al><al>b. op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 05.00 uur.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als
                                    bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor
                                    zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de
                                    op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3.13, tweede lid, genoemde belangen
                                    of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk
                                    kan het bevoegd bestuursorgaan:</al><al>a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.6, eerste of
                                    tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al><al>b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                    gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien
                                    dat in de seksinrichting:</al><al>a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval
                                    de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden),
                                    XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX
                                    (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede
                                    Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet
                                    wapens en munitie; en</al><al>b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd
                                    met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente<cursief>.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al><al>a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                    bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                    aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    in gevaar brengt;</al><al>b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan
                                    in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    gestelde regels.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al><al></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al><al>a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                    3.5 gestelde eisen;</al><al>b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                    stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al><al>c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
                                    met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij
                                    of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                    bepaalde.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of
                                    vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden
                                    geweigerd in het belang van:</al><al> a. de openbare orde;</al><al> b. het voorkomen of beperken van overlast;</al><al>c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                    leefklimaat;</al><al>d. de veiligheid van personen of goederen;</al><al> e. de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al> f. de gezondheid of zedelijkheid;</al><al> g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al><al></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.1, onder g, het
                                    beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                    feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3.13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al><al></al><al><vet></vet></al><al></al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><al>a. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; </al><al>b. inrichting: inrichting type A, type B of type C als bedoeld in
                                het Besluit;</al><al>c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;</al><al>d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één
                                of een klein aantal inrichtingen is verbonden; </al><al>e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden
                                is aan één of een klein aantal inrichtingen; </al><al>f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van
                                artikel 1 van de Wet Geluidhinder worden aangemerkt als
                                geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende
                                bij de betreffende inrichting;</al><al>g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1
                                van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige
                                terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de
                                betreffende inrichting;</al><al>h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                versterkt.</al><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet
                                    voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                    festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                    dagdelen. </al><al> plaatsvinden.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve
                                    van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel
                                    4.113, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het
                                    college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer delen van de gemeente. </al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen. </al><al> de fest</al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>6. Jaarlijks stelt het college de randvoorwaarden vast
                                    waarbinnen de festiviteiten mogen plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 4 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
                                    toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste vier
                                    weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in
                                    kennis heeft gesteld. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 4 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te
                                    houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148,
                                    eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de
                                    houder van de inrichting ten minste vier weken voor de aanvang
                                    van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving. </al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. </al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat. </al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Jaarlijks stelt het college de randvoorwaarden vast waarbinnen
                                    de festiviteiten mogen plaatsvinden.</al><al></al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De geluidsnormen die bepaald zijn in de randvoorwaarde als
                                    bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de
                                    inrichting en niet voor de buitenruimte.</al><al></al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al> Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals
                                    bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van
                                    het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel
                                    van toepassing, met dien verstande dat:</al><al>a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige
                                    gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze
                                    gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in
                                    redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van
                                    geluidsmetingen;</al><al>b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij
                                    gevoelige terreinen op de grens van het terrein;</al><al>c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor
                                    zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten
                                    en verblijfsruimten;</al><al>d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de
                                    tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.</al><al>e. Tabel</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"></colspec><colspec colname="colB"></colspec><colspec colname="colC"></colspec><colspec colname="colD"></colspec><tbody><row><entry><al></al></entry><entry><al><vet>7.00 – 19.00 uur</vet></al></entry><entry><al><vet>19.00 – 23.00 uur</vet></al></entry><entry><al><vet>23.00 – 7.00 uur</vet></al></entry></row><row><entry><al>L<inf>Ar,LT </inf>op de gevel van gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry><al>50 dB(A)</al></entry><entry><al>45 dB(A)</al></entry><entry><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>L<inf>Ar,LT </inf>in in- en aanpandige
                                                  gevoelige gebouwen</al></entry><entry><al>35 dB(A)</al></entry><entry><al>30 dB(A)</al></entry><entry><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>L<inf>Amax</inf> op de gevel van gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry><al>70 dB(A)</al></entry><entry><al>65 dB(A)</al></entry><entry><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>L<inf>Amax</inf> in in- en aanpandige
                                                  gevoelige gebouwen</al></entry><entry><al>55 dB(A)</al></entry><entry><al>50 dB(A)</al></entry><entry><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de duur van 3 uur per dag, gedurende maximaal 2 dagen per
                                    week is tot 22.00 uur onversterkte muziek, vanwege het oefenen
                                    door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en
                                    fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en
                                    avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het
                                    eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met
                                    onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als
                                    versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van
                                    deze verordening van toepassing is. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van de gestelde normen in
                                    dit artikel.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluid- en lichthinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen
                                    of geluid- of lichtapparaten in werking te hebben of handelingen
                                    te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluid-
                                    of lichthinder wordt veroorzaakt.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer
                                    gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de
                                    Wegenverkeerswet 1994, het Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1994, de Zondagswet, de Wet openbare
                                    manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                                    milieuverordening.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6a</nr><titel>(Geluid)hinder door dieren</titel></kop><al>Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                                de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een
                                omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.
                            </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats ziin
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde inrichting of
                                plaats.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al><al></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3 Het bewaren van houtopstanden</nr><label></label></kop><sub-paragraaf><kop><label>Dit onderwerp wordt geregeld in de Bomenverordening van de gemeente Cuijk</label></kop></sub-paragraaf></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                    gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel
                                    voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, om op door het
                                    college aangewezen plaatsen buiten een inrichting in de zin van
                                    de Wet milieubeheer, die in de openlucht of buiten de weg zijn
                                    gelegen,de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te
                                    plaatsen of aanwezig te hebben:</al><al> a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                    voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al><al> b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al><al> c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:28 of onderdelen
                                    daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan
                                    geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een
                                    commercieel doel; of</al><al>d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil,
                                    een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                    landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een
                                    bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben. </al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid nadere regels stellen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke
                                    ordening of de Provinciale milieuverordening Noord- Brabant. </al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</nr></kop><al>(Vervallen)</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningsplicht (verlichte) reclame</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                    op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te
                                    voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding
                                    in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.</al><al></al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan categorieën van handelsreclame aanwijzen,
                                    waarvoor onder nader te bepalen algemene voorwaarden, het in het
                                    eerste lid gestelde verbod niet geldt. </al><al></al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet
                                    Algemene bepalingen omgevingsrecht gebaseerde voorschriften, of
                                    als de Monumentenwet, de gemeentelijke monumentenverordening of
                                    artikel 2.10 van deze Verordening van toepassing is. </al><al></al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf,
                                                  hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                  redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                                  overlast voor gebruikers van de in de nabijheid
                                                  gelegen onroerende zaak;</al></li><li nr="d."><al>indien de reclame geen verband heeft met de
                                                  onroerende zaak waarop zij wordt aangebracht.</al></li></lijst></li></lijst><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:28</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:29</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. </al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid. </al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van: </al><al>a. de bescherming van natuur en landschap; </al><al>b. de bescherming van een stadsgezicht. </al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:30</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel
                                    4:29, eerste lid niet geldt</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadert regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 4:29, vierde lid. </al><al></al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze Paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van
                                het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met
                                uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en
                                rolstoelen;</al><al>b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het
                                Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990). </al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><al>a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                    toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een
                                    straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;
                                    dan wel</al><al>b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                    verstaan:</al><al>a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                    lessen;</al><al>b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                    personen tegen betaling.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                    gerekend:</al><al>a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                    verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks
                                    gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze
                                    werkzaamheden;</al><al>b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het
                                    eerste lid genoemde persoon.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer . </al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                                    magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk
                                    voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of
                                    mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:</al><al>a. in de bebouwde kom langer dan op zeven achtereenvolgende
                                    dagen op de weg te plaatsen of geplaatst te hebben;</al><al>b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar
                                    dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien
                                    van de gemeente.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Parkeerverordening Cuijk of het Provinciaal wegenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur. </al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing: </al><al>a. op de weg; </al><al>b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of
                                    vanwege de overheid; </al><al>c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                    terreinen die voor dit doel zijn bestemd. </al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. </al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om op door het college aangewezen op de weg
                                    gelegen plaatsen in het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                    gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter
                                    voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, fietsen of
                                    bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of
                                    plaatsen te laten staan.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                    verkeren, op de weg te laten staan.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen
                                    in het belang van de beschikbare parkeerruimte langer dan een
                                    periode van vier weken onafgebroken van de voor het stallen van
                                    fietsen of bromfietsen bestemde voorzieningen gebruik te maken.
                                </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. </al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: </al><al>a. instellingen die zijn vermeld op het landelijke
                                    collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving;</al><al>b. in de gemeente Cuijk gevestigde verenigingen en stichtingen,
                                    die krachtens statuten en activiteiten een doel nastreven dat
                                    van algemeen (gemeenschaps) belang is en die geld of goederen
                                    inzamelen buiten de periodes die door het Centraal Bureau
                                    Fondsenwerving zijn toegewezen aan gecertificeerde instellingen
                                    en zich tenminste drie weken voorafgaand aan de datum van
                                    inzameling hebben gemeld bij de gemeente</al><al>c. een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. </al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al><al></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze Paragraaf wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in
                                    de open lucht gelegen plaats of aan huis.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><al> a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene
                                    die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Winkeltijdenwet </al><al> b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                    dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als
                                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet
                                    of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22; </al><al> c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                    dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als
                                    bedoeld in artikel 5:17. </al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag
                                    tussen 19 en 10 uur. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van lid 2 is het in de periode dat de landelijke
                                    zomertijd geldt, verboden te venten op zondagen en maandag t/m
                                    zaterdag tussen 21.00 en 10.00 uur.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet . </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet
                                    voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, van de Grondwet.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het
                                    eerste lid beperken door een verbod in te stellen: </al><al>a. op door het college aangewezen openbare plaatsen, of </al><al>b. voor bepaalde dagen en uren. </al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al><al></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling 4</label><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder standplaats: het vanaf
                                    een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen
                                    plaats te knop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een
                                    kraam, een wagen of een tafel. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan: </al><al>a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; </al><al>b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                    2:24. </al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd: </al><al>a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband
                                    met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; </al><al>b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                    gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te
                                    verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een
                                    standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk
                                    verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. </al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het
                                    Provinciaal wegenreglement. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt
                                    niet voor bouwwerken. </al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt
                                    in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al><al>a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste
                                    lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al><al>b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren: </al><al>a. vanwege strijd met het bestemmingsplan;</al><al>b. indien de burgemeester het organiseren van de snuffelmarkt
                                    verboden heeft in het belang van de openbare orde, de openbare
                                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu;</al><al>c. indien degene die voornemens is een snuffelmarkt te
                                    organiseren daarvan niet tevoren melding heeft gedaan.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid,
                                    onder c uiterlijk vier weken voorafgaand aan de snuffelmarkt met
                                    vermelding van: </al><al>a. naam en adres van de organisator;</al><al> b. adres van het gebouw waar de snuffelmarkt gehouden
                                    wordt;</al><al> c. de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt
                                    gehouden;</al><al> d. de frequentie van het houden van de snuffelmarkt;</al><al>e. het soort van goederen en diensten dat wordt aangeboden en
                                    verhandeld;</al><al>f. het aantal standplaatsen; en</al><al>g. het te verwachten aantal bezoekers.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De snuffelmarkt kan worden gehouden indien de burgemeester niet
                                    binnen twee weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat
                                    het organiseren van de snuffelmarkt wordt verboden in het belang
                                    van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid
                                    of het milieu. De burgemeester geeft daarvan binnen twee weken
                                    na ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van
                                    redenen bericht.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet.</al><al><vet></vet></al><al></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk vier weken tevoren een
                                    melding aan het college.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin
                                    geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water: </al><lijst><li nr=""><al>a. nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                            orde, volksgezondheid,veiligheid, milieuhygiëne en het
                                            aanzien van de gemeente;</al><al>b. beperkingen stellen naar soort en aantal
                                            vaartuigen.</al></li></lijst><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement , de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken , de Provinciale vaarwegenverordening, of
                                    de Provinciale landschapsverordening.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of
                                    de Provinciale landschapsverordening. </al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbaar water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht,
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al><al><cursief></cursief></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover het daarin geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening. </al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al><al></al><al></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd
                                    dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                                    toepassing is. Het college kan daarbij regels stellen voor het
                                    gebruik van deze terreinen:</al><al>a. in het belang van het voorkomen of beperken van
                                    overlast;</al><al>b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                    van de omgeving en ter bescherming van andere
                                    milieuwaarden;</al><al>c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in
                                    het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                    publiek.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld
                                    in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste
                                    lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij
                                    regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze
                                    terreinen:</al><al>a. in het belang van het voorkomen van overlast; </al><al>b. in het belang van de bescherming van natuur- of
                                    milieuwaarden;</al><al>c in het belang van de veiligheid van het publiek.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:</al><al>a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister
                                    van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                    hulpverleningsdiensten;</al><al>b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al><al>c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al><al>d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                    percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste
                                    lid bedoeld;</al><al>e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging
                                    van de onder d bedoelde personen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><al>a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van
                                    de Wegenverkeerswet 1994;</al><al>b. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening
                                    ‘Stiltegebieden’ aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                    motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                    aangewezen als ‘toestel’.</al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht ( positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><lijst><li nr="1."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="2."><al>sportterreinen;</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                            afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen,
                                            passages en galerijen;</al></li></lijst><al>d.. de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek
                                    toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen,
                                    speelweiden en aanlegplaatsen voor vaartuigen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al><al></al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen </nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op
                            grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van
                            de rechterlijke uitspraak.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><al></al><al> a. de buitengewone opsporingsambtenaren als bedoeld in het Wetboek
                                van Strafvordering, die zijn aangesteld bij de gemeenschappelijke
                                regeling werkorganisatie Cuijk, Grave, Mil en Sint Hubert. </al><al></al><al>b. de buitengewone opsporingsambtenaren die vallen onder het
                                convenant aangaande de boa-pool.</al><al></al><al>c. de algemene opsporingsambtenaren, als bedoeld in artikel 141 van
                                het Wetboek van Strafvordering.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Algemene Plaatselijke Verordening Cuijk 2008, vastgesteld in de
                                raadsvergadering van 7 mei 2012, wordt ingetrokken.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen – hoe ook genaamd – verleend krachtens
                                de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, blijven - indien
                                en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of de
                                ontheffing betrekking heeft ook is opgenomen in deze verordening -
                                van kracht tot de termijn waarvoor zij werden verleend, is
                                verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen, opgelegd krachtens de verordening
                                bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, blijven - indien en voor zover
                                de bepalingen op grond waarvan zij zijn opgelegd ook in deze
                                verordening zijn opgenomen- van kracht tot de termijn waarop zij
                                zijn opgelegd is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen bedoeld in het eerste lid en
                                verplichtingen bedoeld in het tweede lid, worden geacht
                                vergunningen, ontheffingen en verplichtingen in de zin van deze
                                verordening te zijn.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de vergunnings- dan wel ontheffingsplicht, opgenomen in de
                                verordening bedoeld in artikel 6:4 lid 2, in deze verordening is
                                vervangen door de meldingsplicht, worden de desbetreffende
                                vergunningen en ontheffingen als melding aangemerkt, waarbij het
                                bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is. </al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien op een aanvraag om vergunning of ontheffing, die is ingediend
                                vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening vóór dit
                                tijdstip nog niet is beslist, zijn voor zover een vergunning of
                                ontheffing ingevolge deze verordening eveneens is vereist, de
                                bepalingen in de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, van
                                toepassing, tenzij aanvrager door de toepassing daarvan in een
                                nadeliger positie komt.</al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid wordt een aanvraag
                                om een vergunning of ontheffing, die op grond van de verordening
                                bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, is ingediend en waarop vóór het
                                tijdstip van inwerkingtreding nog niet is beslist en ten aanzien
                                waarvan in deze verordening een meldingsplicht geldt, aangemerkt als
                                een melding in de zin van deze verordening.</al><al></al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing
                                is vereist krachtens deze verordening en die niet voorkomen in de
                                verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, zijn niet van
                                toepassing:</al><al>a. gedurende drie maanden na inwerkingtreding van deze
                                verordening;</al><al>b. na de onder a. genoemde termijn, voor zover de aanvraag binnen de
                                termijn als bedoeld in artikel 1:2 is ingediend totdat
                                onherroepelijk op die aanvraag is beslist</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bepaalde in het zevende lid, aanhef en onder a., is ten aanzien
                                van meldingen die zijn vereist krachtens deze verordening en ten
                                aanzien waarvan in de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede
                                lid, geen vergunnings- dan wel ontheffingsvereiste gold van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift, betreffende een
                                vergunning of ontheffing verleend krachtens de verordening bedoeld
                                in artikel 6:4, tweede lid, dat voor of na het tijdstip bedoeld in
                                artikel 6:4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende
                                beroepstermijn,wordt beslist met toepassing van de verordening
                                bedoeld in artikel 6:4, tweede lid.</al><al></al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid,
                                heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die
                                verordening genomen nadere regels, beleidsregels en
                                aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de
                                aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze
                                verordening en voor zover zij niet eerder zijn gewijzigd, vervallen
                                of ingetrokken. </al><al></al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al><vet>Wijzigingen voor paracommercie bij het inwerkingtreden van deze
                                    verordening: </vet>In navolging van de in artikel III van de Wet
                                tot wijziging van de Drank- en Horecawet van 24 mei 2012 opgenomen
                                overgangsregeling voor paracommerciële rechtspersonen, vervallen op
                                het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening voor
                                paracommerciële inrichtingen de voorschriften en beperkingen die in
                                eerder verleende Drank- en horecawet vergunningen zijn gesteld (over
                                de persoonlijke bijeenkomsten, het aanprijzen ervan en de
                                schenktijden voor alcohol).</al><al><vet></vet></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            Cuijk.</al><al></al><al></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten door de raad van de gemeente Cuijk in zijn openbare
                        vergadering </al><al>van 14 december, 2015.</al><al></al><al></al><al>De raad voornoemd,</al><al></al><al>R.M. van der Weegen</al><al>griffier </al><al></al><al>Mr. W.A.G. Hillenaar</al><al>voorzitter</al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>