<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR317994_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Zevenaar 2014.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gmb-2014-133</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Zevenaar 2014.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 5 Wmo</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>13-707</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Zevenaar 2014.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr></kop><al>Begripsbepalingen</al><al>In deze Verordening wordt verstaan onder:</al><al>a.Wet:</al><al>Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).</al><al>b.College:</al><al>College van burgemeester en wethouders van Zevenaar</al><al>c.Belanghebbende:</al><al>een persoon met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een
                        psychosociaal probleem die behoefte heeft aan compensatie ten behoeve van
                        het bevorderen van zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer en het
                        zelfstandig functioneren, die voor zichzelf of, met behulp van een
                        machtiging, door een ander een aanmelding of een aanvraag doet of laat
                        doen.</al><al>d.Compensatieplicht:</al><al>de plicht van het college aan personen met een beperking, een chronisch
                        psychisch of een psychosociaal probleem voorzieningen te bieden ter
                        compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en
                        maatschappelijke participatie om hen in staat te stellen een huishouden te
                        voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen
                        per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                        verbanden aan te gaan. Artikel 4 van de wet verplicht het college om daarmee
                        een resultaat te bereiken dat in het concrete individuele geval als
                        compensatie kan gelden. </al><al>e.Zelfredzaamheid:</al><al>het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf
                        voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke
                        verkeer mogelijk maken.</al><al>f.Maatschappelijke participatie</al><al>normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van
                        een huishouden, het normale gebruik van de woning, het zich in en om de
                        woning verplaatsen, het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt
                        gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen, het
                        ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van lokale sociale
                        verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke
                        leven.</al><al>g.Psychosociaal probleem:</al><al>een situatie van verlies van zelfstandigheid en, met name, een gebrek aan
                        mogelijkheden tot deelname aan het maatschappelijk verkeer, veroorzaakt door
                        belemmeringen die iemand ondervindt in zijn relatie met anderen, met zijn
                        sociale omgeving<sup>[1]</sup>. </al><al>h.Aanmelding:</al><al>de mededeling van een belanghebbende aan het college dat hij beperkingen
                        ondervindt op grond waarvan hij verzoekt een afspraak te maken voor een
                        gesprek.</al><al>i.Gesprek:</al><al>het eerste contact na een aanmelding waarin met degene die maatschappelijke
                        ondersteuning zoekt zijn gehele situatie wordt geïnventariseerd ten aanzien
                        van de beperkingen en de gevolgen daarvan, de te bereiken resultaten, de te
                        kiezen oplossingen via eigen mogelijkheden of via mogelijkheden van het
                        netwerk dan wel via algemene, algemeen gebruikelijke, collectieve,
                        (wettelijk) voorliggende en individuele voorzieningen. </al><al>j.Aanvraag:</al><al>het verzoek van een belanghebbende om in aanmerking te komen voor één of
                        meerdere voorzieningen om een resultaat te bereiken in het kader van deze
                        verordening.</al><al>k.Algemene voorziening:</al><al>een voorliggende voorziening die weliswaar niet bestemd is voor, noch te
                        gebruiken is door alle personen als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de wet,
                        maar die anderzijds door iedereen waarvoor de voorziening wel bedoeld is op
                        eenvoudige wijze te verkrijgen of te gebruiken is, zonder een ingewikkelde
                        aanvraagprocedure.</al><al>l.Algemeen gebruikelijke voorziening:</al><al>een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden van de aanvrager,
                        aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen
                        beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. </al><al>m.Collectieve voorziening:</al><al>een voorziening die individueel wordt verstrekt op basis van artikel 4 Wmo
                        maar die door meerdere personen tegelijk wordt gebruikt.</al><al>n.Meerkosten</al><al>kosten die uitgaan boven de kosten die als algemeen gebruikelijk zijn te
                        beschouwen</al><al>o.Wettelijk voorliggende voorziening:</al><al>een voorziening op grond van een wettelijke bepaling anders dan de Wmo,
                        waarmee het resultaat van de compensatieplicht geheel of gedeeltelijk kan
                        worden bereikt of de aanspraak kan leiden tot het voorkomen van compensatie
                        door het college.</al><al>p.Individuele voorziening:</al><al>een voorziening die door het college ten behoeve van één persoon op basis
                        van artikel 4 Wmo wordt verstrekt.</al><al>q.Gebruikelijke zorg:</al><al>De zorg die huisgenoten worden geacht elkaar te bieden, omdat zij als
                        leefeenheid een gemeenschappelijk huishouden voeren en op die grond een
                        gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                        huishouden.</al><al>r.Leefeenheid</al><al>Alle bewoners die gemeenschappelijk een woning bewonen met als doel een
                        duurzaam huishouden te voeren.</al><al>s.Huisgenoot</al><al>Iedere meerderjarige met wie de belanghebbende duurzaam gemeenschappelijk
                        een woning bewoont;</al><al>t.Voorziening in natura:</al><al>een voorziening, in te zetten om het resultaat te bereiken, in de vorm van
                        goederen in (bruik)leen, huur of in eigendom, of als persoonlijke
                        dienstverlening.</al><al>u.Persoonsgebonden budget:</al><al>een geldbedrag, zoals bedoeld in artikel 6 van de wet, waarmee de aanvrager
                        een of meer aan hem te verlenen individuele voorzieningen kan verwerven, en
                        waarop de in deze verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                        te stellen regels van toepassing zijn. </al><al>v.Financiële tegemoetkoming:</al><al>een tegemoetkoming in de kosten van een individuele voorziening welke kan
                        worden afgestemd op het inkomen en vermogen van de aanvrager en diens
                        echtgenoot. </al><al>w.Mantelzorger:</al><al>een persoon die mantelzorg in de zin van artikel 1, lid 1 onder b van de wet
                        biedt.</al><al>x.Hoofdverblijf:</al><al>de woonruimte waar belanghebbende zijn woonplaats heeft of zal hebben in de
                        zin van artikel 10 l1 en 11 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.</al><al>y.Woning</al><al>een woonruimte voor permanente bewoning bestemt en geschikt en waarbij geen
                        wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid
                        en toilet met andere woningen worden gedeeld</al><al>z.Gemeenschappelijke ruimte</al><al>gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden
                        woningen, bestemd en noodzakelijk om de woning van de belanghebbende vanaf
                        de toegang tot de woning te bereiken</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2. Resultaatgerichte compensatie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr></kop><al>De te bereiken resultaten</al><al>De op basis van artikel 4 lid 1 van de wet via compenserende maatregelen te
                        bereiken resultaten zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="b."><al>wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</al></li><li nr="e."><al>de dagelijkse gebruikelijke zorg voor in het huishouden aanwezige
                                minderjarige kinderen;</al></li><li nr="f."><al>zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="g."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te
                                nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                activiteiten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3. Hoe te komen tot de te bereiken resultaten</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr></kop><al>Scheiding aanmelding en aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Aan een aanvraag voor een individuele voorziening ex artikel 1, lid
                                1 aanhef en onder g sub 6 van de wet kan een aanmelding voor een
                                gesprek vooraf gaan indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een belanghebbende betreft, die nog niet eerder een
                                        aanvraag in het kader van de wet heeft gedaan;</al></li><li nr="b."><al>het een belanghebbende betreft, die al eerder een gesprek
                                        heeft gevoerd maar waarbij sprake is van gewijzigde
                                        omstandigheden of gewijzigde te bereiken resultaten;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende of het college daarom verzoekt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien belanghebbende aangeeft direct een aanvraag in te willen
                                dienen vervalt het gestelde in het eerste lid<vet>.</vet></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr></kop><al>Aanmelding voor een gesprek</al><al>Een aanmelding voor een gesprek kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of
                        telefonisch worden gedaan bij het College door of namens een belanghebbende.
                    </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr></kop><al>Het gesprek</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het voeren van het gesprek wordt het begrippenkader van de
                                International Classification of Functions, Disabilities and Health
                                als basis gehanteerd.</al></li><li nr="2."><al>In het gesprek wordt ook het maatschappelijk netwerk van de
                                belanghebbende in kaart gebracht, waaronder de gebruikelijke zorg,
                                de mantelzorg en de overige sociale netwerken. Zonodig wordt
                                geïnventariseerd welke belemmeringen er bestaan bij de uitvoering
                                van de mantelzorg aan belanghebbende.</al></li><li nr="3."><al>Als aan belanghebbende mantelzorg wordt verleend, zal de
                                mantelzorger bij het gesprek betrokken worden indien de
                                belanghebbende dat wenst.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr></kop><al>Het verslag</al><lijst><li nr="1."><al>Het gesprek kan worden afgesloten met een verslag welke wordt
                                toegestuurd aan belanghebbende. Opmerkingen van belanghebbende over
                                de inhoud van dit verslag kunnen als bijlage aan het verslag worden
                                toegevoegd. Uitsluitend een door belanghebbende ondertekend verslag
                                geldt als aanvraagformulier als bedoeld in artikel 7 lid 3.</al></li><li nr="2."><al>Na het voeren van een gesprek kan een betrokkene, gebruik makend van
                                het ondertekende verslag van het gesprek, dat in die situatie als
                                aanvraagformulier dient, een aanvraag indienen voor een individuele
                                voorziening ex artikel 1, lid 1 aanhef en onder g sub 6 van de
                                wet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4. De aanvraag van een individuele voorziening</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr></kop><al>De aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag van een individuele voorziening moet schriftelijk
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="2."><al>Indien een aanvraag mondeling (via de telefoon of op een andere
                                manier) plaatsvindt wordt dit zo spoedig mogelijk schriftelijk
                                bevestigd. Bij deze bevestiging wordt een aanvraagformulier
                                meegezonden.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het vorige lid wordt een ondertekend verslag als
                                bedoeld in artikel 6 als aanvraagformulier beschouwd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr></kop><al>Beperkende voorwaarden en weigeringsgronden</al><lijst><li nr="1."><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak voor het te bereiken resultaat langdurig is,
                                        tenzij kortdurende hulp bij het huishouden leidt tot het te
                                        bereiken resultaat.</al></li><li nr="b."><al>de te verstrekken voorziening als de
                                        goedkoopst-compenserende voorziening aan te merken is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening algemeen gebruikelijk is voor de
                                        persoon van de aanvrager</al></li><li nr="b."><al>indien de belanghebbende niet zijn hoofdverblijf heeft of
                                        zal hebben in de gemeente Zevenaar en/of niet in de
                                        Gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven of zal
                                        staan.</al></li><li nr="c."><al>voor zover er aan de zijde van de belanghebbende geen sprake
                                        is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de
                                        situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen
                                        waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="d."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        belanghebbende voorafgaand aan het moment van aanvragen
                                        heeft gemaakt tenzij de noodzaak, adequaatheid en
                                        passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten
                                        achteraf kan worden vastgesteld;</al></li><li nr="e."><al>als de voorziening waarop de aanvraag betrekking heeft al
                                        eerder krachtens deze of een aan deze verordening
                                        voorafgaande verordening is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                        verstreken tenzij: deze voorziening verloren is gegaan als
                                        gevolg van omstandigheden die niet aan de belanghebbende
                                        zijn toe te rekenen, of deze voorziening niet meer adequaat
                                        is ter compensatie van de beperkingen</al></li><li nr="f."><al>voor zover bij of krachtens enige andere wettelijke regeling
                                        aanspraak op de voorziening bestaat;</al></li><li nr="g."><al>indien er geen sprake is van geobjectiveerde beperkingen
                                        vastgesteld aan de hand van reguliere
                                        onderzoeksmethoden</al></li><li nr="h."><al>indien een voorziening niet noodzakelijk is vanwege
                                        redelijkerwijs te vergen oplossingen van de aanvrager, diens
                                        huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van
                                        anderen in diens omgeving, zoals familieleden aan het
                                        oplossen van de beperkingen in de maatschappelijke
                                        participatie.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5. Beoordeling van de te bereiken resultaten</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1. Algemene regels</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr></kop><al>Beoordeling van de te bereiken resultaten op het gebied van maatschappelijke
                        participatie</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het te bereiken resultaat wordt rekening gehouden met de
                                persoonskenmerken en de behoeften van de belanghebbende, alsmede met
                                diens vermogen om zelf, al dan niet met behulp van anderen, in
                                oplossingen voor de beperkingen in de maatschappelijke participatie
                                te kunnen voorzien.</al></li><li nr="2."><al>Alle algemeen gebruikelijke, algemene en collectieve voorzieningen
                                die beschikbaar en bruikbaar zijn worden in dat kader in alle
                                gevallen beoordeeld.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2. De te bereiken resultaten</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr></kop><al> Een schoon en leefbaar huis</al><lijst><li nr="1."><al>Het eerste te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het kunnen wonen in een huis dat schoon is.
                                Dit geldt ten aanzien van de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en
                                sanitaire ruimten.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op een schoon en leefbaar huis kan een individuele
                                voorziening getroffen worden voor het lichte en/of het zware
                                huishoudelijke werk.</al></li><li nr="3."><al>Indien de belanghebbende een of meer (meerderjarige) huisgenoten
                                heeft die beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen
                                wordt dit eerst in het kader van gebruikelijke zorg beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheid beschikbaar en
                                bruikbaar is worden ten aanzien van die onderdelen geen individuele
                                voorzieningen verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>Een belanghebbende kan, in afwijking van het vierde lid, tijdelijk
                                in aanmerking komen voor huishoudelijke hulp indien degene die
                                gebruikelijke zorg levert, overbelast is of dreigt te geraken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr></kop><al>Wonen in een geschikt huis </al><lijst><li nr="1."><al>Het tweede te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de
                                woning waar men over beschikt. Dit geldt ten aanzien van de
                                woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimten, berging, tuin
                                of balkon.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een individuele
                                voorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid,
                                toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte woning
                                of een geschikt te maken woning welke verhuizing kan leiden tot het
                                te bereiken resultaat, gaat deze mogelijkheid in beginsel voor op
                                het verlenen van een woningaanpassing (primaat verhuizen). Deze
                                beoordeling vindt alleen plaats indien de aanpassing van de te
                                verlaten woning het bedrag van het primaat verhuizen als genoemd in
                                het Besluit te boven gaat.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheid beschikbaar is
                                en bruikbaar is worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt. Wel behoort het verlenen van
                                een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten tot de
                                mogelijkheden.</al></li><li nr="5."><al>Losse woonunit: Het college kan een herplaatsbare losse woonunit
                                verstrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan
                                        of een aanzienlijke verbouwing van een woning, en</al></li><li nr="b."><al>die woning het (mede)eigendom is van de belanghebbende,
                                        of</al></li><li nr="c."><al>die woning het eigendom is van een verhuurder die niet
                                        bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te
                                        stellen aan personen met beperkingen.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Een verhuiskostenvergoeding wordt niet verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat de aanvraag is
                                        ingediend, tenzij daarvoor door het college schriftelijk
                                        toestemming is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager verhuist vanuit of naar een woonruimte die niet
                                        geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden;</al></li><li nr="d."><al>de aanvrager verhuist naar een AWBZ-instelling of naar een
                                        andere op zorgverlening gerichte instelling;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager verhuist naar een woning in de gemeente
                                        Zevenaar vanuit een andere gemeente;</al></li><li nr="f."><al>de nieuwe woonruimte niet adequaat is en er problemen worden
                                        ondervonden bij het normale gebruik van de woning.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Woonwagen en woonschip</al></li></lijst><al>Onder een voorziening als bedoeld in dit artikel wordt eveneens verstaan de
                        aanpassing van een woonschip en een woonwagen. Een voorziening voor een
                        woonschip en een woonwagen wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het woonschip ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een
                                woonvoorziening op een door de gemeente aangewezen ligplaats lag,
                                dan wel de woonwagen op een gemeentelijke standplaats stond, zoals
                                bedoeld in artikel 1 lid 1, onder H van de Woningwet;</al></li><li nr="b."><al>de technische levensduur van het woonschip dan wel de woonwagen nog
                                minimaal vijf jaar is;</al></li><li nr="c."><al>het woonschip nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven
                                liggen, dan wel de standplaats van de woonwagen niet binnen vijf
                                jaar voor opheffing in aanmerking komt.</al><lijst><li nr="8."><al>Terugbetaling bij verkoop</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze Verordening een
                                woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de
                                woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10
                                jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning
                                onverwijld aan het college te melden.</al></li><li nr="b."><al>De onder a bedoelde eigenaar dient bij verkoop van de woning binnen
                                10 jaar na de aanpassing de kosten van de woonvoorziening, minus de
                                afschrijvingskosten en eigen bijdrage dan wel eigen aandeel in de
                                kosten, terug te betalen aan de gemeente Zevenaar, indien de
                                aanpassing heeft geleid tot waardevermeerdering van de woning.</al></li><li nr="c."><al>Het College stelt in het Besluit nadere regels voor de in dit
                                artikel bedoelde terugbetaling.</al><lijst><li nr="9."><al>Bezoekbaar maken:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>In afwijking van het gestelde in artikel 8 lid 2 onder b kan een
                                woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één
                                woonruimte indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf
                                heeft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                                zorginstellingen erkende AWBZ-instelling of in een kleinschalige
                                woonvorm met 24-uurs-adl-assistentie.</al></li><li nr="b."><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></li><li nr="c."><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het College in het
                                Besluit vast te leggen maximumbedrag.</al></li><li nr="d."><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de persoon met
                                beperkingen de woonruimte, meer specifiek de woonkamer en een toilet
                                kan bereiken.</al><lijst><li nr="10."><al>Op grond van dit artikel wordt geen individuele voorziening
                                        verstrekt indien:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van
                                een verhuizing waartoe op grond van beperkingen in het normale
                                gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen andere
                                belangrijke reden aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij
                                daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het
                                college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten
                                anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra
                                trapleuningen in niet specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte
                                woongebouwen</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende verhuisd is naar een woonruimte die niet geschikt
                                is het gehele jaar door bewoond te worden;</al></li><li nr="e."><al>verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling
                                gericht op het verstrekken van zorg</al></li><li nr="f."><al>de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
                                voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                materialen.</al></li><li nr="g."><al>de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau
                                dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw.</al><lijst><li nr="11."><al>De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing
                                        op:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
                                trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen,
                                recreatiewoningen, kamerverhuur en</al></li><li nr="b."><al>het treffen van voorzieningen in specifiek op mensen met beperkingen
                                gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in
                                gemeenschappelijke ruimten of</al></li><li nr="c."><al>voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige
                                meerkosten meegenomen kunnen worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr></kop><al>Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften</al><lijst><li nr="1."><al>Het derde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het voorzien zijn van de dagelijks benodigde
                                hoeveelheid voedsel voor maaltijden en andere momenten waarop iets
                                genuttigd wordt evenals toiletartikelen en schoonmaakartikelen. Ook
                                de noodzakelijke bereiding van maaltijden kan hieronder vallen.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op het beschikken over goederen voor primaire
                                levensbehoeften kan een individuele voorziening worden getroffen ten
                                aanzien van het doen van boodschappen, alsmede het bereiden en
                                aanreiken van maaltijden.</al></li><li nr="3."><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen of voor
                                zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare boodschappenservice of maaltijdvoorziening die in de
                                individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te
                                bereiken resultaat wordt deze mogelijkheid eerst beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn, worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr></kop><al>Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding</al><lijst><li nr="1."><al>Het vierde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het aanwezig zijn van kleding in gewassen en
                                zo nodig gestreken, opgevouwen of opgehangen staat.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op het beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                kleding kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien
                                van het wassen, drogen en strijken en opruimen van de was.</al></li><li nr="3."><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen, wordt dit
                                eerst in het kader van gebruikelijke zorg beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheid beschikbaar en
                                bruikbaar is wordt ten aanzien van die onderdelen geen individuele
                                voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr></kop><al>Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren</al><lijst><li nr="1."><al>Het vijfde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit de dagelijkse, gebruikelijke zorg voor in het
                                huishouden aanwezige minderjarige kinderen.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op het thuis laten zorgen voor de dagelijkse
                                gebruikelijke zorg voor in het huishouden aanwezige minderjarige
                                kinderen die nog niet voor zich zelf kunnen zorgen wordt in beginsel
                                tijdelijk een voorziening worden verleend, voor zover de ouder(s) of
                                huisgenoten geen gebruikelijke zorg kan of kunnen leveren.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare voor- tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere
                                opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van de
                                belanghebbende kunnen leiden tot het te bereiken resultaat worden
                                deze mogelijkheden eerst beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr></kop><al>Zich verplaatsen in en om de woning </al><lijst><li nr="1."><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich verplaatsen in en
                                om de woning bestaat uit het in staat zijn tot normaal gebruik van
                                de woning. De woonkamer, de keuken, het slaapvertrek en/of de
                                slaapvertrekken, het toilet en de douche, de berging, de tuin of het
                                balkon moeten bereikbaar zijn.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een
                                individuele voorziening worden getroffen bestaande uit een rolstoel
                                voor dagelijks zittend gebruik.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare rolstoelpool die in de individuele situatie van de
                                belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat, worden deze
                                mogelijkheden eerst beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr></kop><al>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</al><lijst><li nr="1."><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal
                                verplaatsen per vervoermiddel bestaat uit het kunnen doen van
                                dagelijkse boodschappen, het kunnen onderhouden van sociale
                                contacten en het deelnemen aan activiteiten, alles binnen de directe
                                woon- en leefomgeving die onder de normale deelname aan het
                                maatschappelijke verkeer van de belanghebbende vallen.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, kan
                                een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het
                                verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen
                                over de langere afstand binnen de directe woon- en
                                leefomgeving.</al></li><li nr="3."><al>De te verstrekken vervoersvoorzieningen zullen maatschappelijke
                                participatie door middel van lokale verplaatsingen in beginsel
                                maximaal een omvang per jaar van 1600 kilometer mogelijk maken.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare scootmobielpool of van collectief vraagafhankelijk vervoer
                                van deur tot deur die in de individuele situatie van de
                                belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat worden deze
                                mogelijkheden eerst beoordeeld.</al></li><li nr="5."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr></kop><al>De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen
                        aanrecreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten</al><lijst><li nr="1."><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om
                                contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve,
                                maatschappelijke of religieuze activiteiten bestaat uit het zo
                                mogelijk kunnen afleggen van bezoeken en het deelnemen aan
                                activiteiten, alles binnen de directe woon- en leefomgeving die
                                onder de normale deelname aan het maatschappelijke verkeer van de
                                persoon met beperkingen vallen.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen
                                en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                activiteiten kan een individuele voorziening worden getroffen ten
                                aanzien van het vervoer naar de bestemmingen als bedoeld in lid
                                1.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een of meer
                                aanwezige en bruikbare (vrijwilligers)organisaties die in de
                                individuele situatie van belanghebbende kan leiden tot het te
                                bereiken resultaat, worden deze mogelijkheden eerst beoordeeld. Bij
                                het bereiken van het resultaat op of vanaf de bestemmingen wordt
                                beoordeeld of de belanghebbende gebruik kan maken van een of meer
                                aanwezige en geschikte (vrijwilligers)organisaties.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn, worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>Een belanghebbende kan voor een financiële tegemoetkoming in de
                                kosten van aanschaf, reparatie en onderhoud van een sportvoorziening
                                in aanmerking komen indien aantoonbare beperkingen sportbeoefening
                                zonder sportvoorziening onmogelijk maken.</al></li></lijst><al>Het College stelt in het Besluit nadere regels voor de
                        sportvoorziening.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6. Verstrekking in natura, als persoonsgebonden budget en als
                            financiële tegemoetkoming, eigen bijdrage en eigen aandeel</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1. Verstrekking van voorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr></kop><al>Mogelijke verstrekkingwijzen</al><lijst><li nr="1."><al>De te treffen voorzieningen kunnen verstrekt worden als voorziening
                                in natura, als persoonsgebonden budget en als financiële
                                tegemoetkoming. De aanvrager wordt door het College vooraf, in
                                duidelijke en begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de vorm van
                                de voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het College stelt in het Besluit nadere regels vast rond de
                                verstrekking, bedragen en verantwoording van individuele
                                voorzieningen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2. Verstrekking in natura</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr></kop><al>Inhoud beschikking</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het treffen van een voorziening in natura wordt in de
                                beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze deze voorziening bijdraagt aan het bereiken
                                        van het resultaat;</al></li><li nr="b."><al>juridische grondslag;</al></li><li nr="c."><al>welke de te treffen voorziening is;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking is;</al></li><li nr="e."><al>hoe de voorziening in natura verstrekt wordt en;</al></li><li nr="f."><al>of er sprake is van een overeenkomst waarin deze
                                        verstrekking is geregeld;</al></li><li nr="g."><al>of een eigen bijdrage verschuldigd is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij een afwijzing vermeldt de beschikking de gronden van deze
                                afwijzing.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3. Verstrekking als persoonsgebonden budget</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr></kop><al>Overwegende bezwaren</al><al>Het College legt in het Besluit vast in welke situaties in ieder geval
                        sprake is van overwegende bezwaren zodat er geen persoonsgebonden budget
                        verstrekt wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr></kop><al>Inhoud beschikking</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een
                                persoonsgebonden budget wordt in de beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze deze voorziening bijdraagt aan het bereiken
                                        van het resultaat,</al></li><li nr="b."><al>de juridische grondslag,</al></li><li nr="c."><al>dat een persoonsgebonden budget niet mag worden besteed aan
                                        de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening als
                                        bedoeld in artikel 8 lid 2 onder a,</al></li><li nr="d."><al>voor welk te bereiken resultaat het persoonsgebonden budget
                                        gebruikt moet worden, eventueel aangevuld met een programma
                                        van eisen waaraan bij de besteding voldaan moet worden,</al></li><li nr="e."><al>wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en hoe deze
                                        omvang tot stand is gekomen,</al></li><li nr="f."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het
                                        persoonsgebonden budget bedoeld is,</al></li><li nr="g."><al>welke regels gelden ten aanzien van verantwoording van het
                                        persoonsgebonden budget,</al></li><li nr="h."><al>of een eigen bijdrage verschuldigd is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij een afwijzing vermeldt de beschikking de gronden van de
                                afwijzing.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4. Verstrekking als financiële tegemoetkoming</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr></kop><al>Inhoud beschikking</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een financiële
                                tegemoetkoming wordt inde beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze deze voorziening bijdraagt aan het bereiken
                                        van het resultaat</al></li><li nr="b."><al>de juridische grondslag;</al></li><li nr="c."><al>voor welk te bereiken resultaat de financiële tegemoetkoming
                                        bestemd is;</al></li></lijst></li></lijst><al> d. wat de duur van de verstrekking is;</al><lijst><li nr=" e."><al>of er sprake is van een overeenkomst waarin deze verstrekking is
                                geregeld;</al></li><li nr="f."><al>wat de hoogte van de financiële tegemoetkoming is.</al></li><li nr="g."><al>of een eigen aandeel verschuldigd is</al><lijst><li nr="2."><al>Bij een afwijzing vermeldt de beschikking de gronden van de
                                        afwijzing.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5. Eigen bijdrage en eigen aandeel</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr></kop><al>Eigen bijdragen en eigen aandeel</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het verstrekken van een individuele voorziening is een eigen
                                bijdrage of een eigen aandeel verschuldigd ten aanzien van de
                                volgende resultaten:</al><lijst><li nr="a."><al>een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="b."><al>wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                        kleding;</al></li><li nr="e."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                        behoren;</al></li><li nr="f."><al>zich verplaatsen in, om en nabij de woning;</al></li><li nr="g."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en
                                        deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of
                                        religieuze activiteiten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan het College met inachtneming van
                                de regels van het landelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                in het gemeentelijk Besluit vaststellen in welke gevallen een eigen
                                bijdrage of een eigen aandeel wordt gevraagd, wat de omvang en duur
                                daarvan is.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 7. Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en
                            besluitvorming, intrekking en terugvordering</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr></kop><al>Advisering</al><lijst><li nr="1."><al>Het College is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, de belanghebbende
                                of bij gebruikelijke zorg diens relevante huisgenoten:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en</al></li><li nr="b."><al>tijdstip en hem te bevragen.</al></li><li nr="c."><al>op een door het College te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe</al></li><li nr="d."><al>aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of
                                        onderzoeken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het College is bevoegd een door hem daartoe aangewezen
                                adviesinstantie om advies te vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het handelt om een aanvraag van een persoon die niet eerder
                                        een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een
                                        gesprek als bedoeld in artikel 3 is gevoerd;</al></li><li nr="b."><al>het handelt om een aanvraag van een persoon die wel eerder
                                        een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in
                                        artikel 3 heeft gevoerd, maar waarvan de medische
                                        omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde
                                        omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort
                                        van voorziening kunnen beïnvloeden;</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt;</al></li><li nr="d."><al>het bedrag van de voorziening hoger is dan € 20.000,- dan
                                        vraagt het College in ieder geval om medisch advies.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr></kop><al>Wijziging situatie</al><al>Degene aan wie bij of krachtens deze Verordening dan wel de voorafgaande
                        Verordeningen een voorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk
                        en schriftelijk aan het College mededeling te doen van feiten en
                        omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                        invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr></kop><al>Intrekking</al><lijst><li nr="1."><al>Het College kan een besluit, genomen op grond van deze of de hieraan
                                voorafgaande Verordeningen, geheel of gedeeltelijk intrekken
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet volledig meer is of wordt voldaan aan de
                                        voorwaarden gesteld bij of krachtens deze Verordening, dan
                                        wel de voorafgaande Verordeningen, geldend op het moment
                                        waarop de beschikking voor de betreffende voorziening is
                                        afgegeven;</al></li><li nr="b."><al>beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat
                                        die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste
                                        gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                        genomen.</al></li><li nr="c."><al>de persoon met beperkingen is verhuisd naar een andere
                                        gemeente, is overleden of er andere wijzigingen in de
                                        noodzaak voor het gebruik van de voorziening hebben plaats
                                        gevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een besluit tot verlening van een naturavoorziening, een
                                persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming kan geheel
                                of gedeeltelijk worden ingetrokken indien blijkt dat het budget of
                                de financiële tegemoetkoming binnen 6 maanden na uitbetaling van het
                                budget, of 12 maanden na uitbetaling van de financiële
                                tegemoetkoming, niet of niet volledig is aangewend voor de
                                bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft
                                plaatsgevonden.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het gestelde in het voorgaande lid kan een besluit
                                tot verlening van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het
                                huishouden geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien dit
                                persoonsgebonden budget binnen het kalenderjaar waarover het
                                verstrekt is, niet of niet volledig is besteed conform de
                                verstrekkingsvoorwaarden bij of krachtens deze Verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr></kop><al>Terugvordering en verrekening</al><lijst><li nr="1."><al>Indien het recht op een voorziening is ingetrokken/herzien kan op
                                basis daarvan een reeds uitbetaald persoonsgebonden budget of een
                                financiële tegemoetkoming worden teruggevorderd.</al></li><li nr="2."><al>Ingeval het recht op een in eigendom of een in bruikleen verstrekte
                                voorziening is ingetrokken/herzien kan deze voorziening worden
                                teruggevorderd of teruggehaald indien de voorziening is verleend op
                                basis van onjuist verstrekte gegevens.</al></li><li nr="3."><al>Ingeval het besluit tot toekenning van het recht op een in natura
                                verstrekte voorziening is ingetrokken kan het bedrag dat het College
                                heeft betaald aan de leverancier(s) worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van onjuist verstrekte
                                gegevens.</al></li><li nr="4."><al>Een anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitbetaald
                                persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming kan worden
                                teruggevorderd indien belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen
                                dat het bedrag ten onrechte is ontvangen.</al></li><li nr="5."><al>De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn.
                                De hoogte van het (periodieke) bedrag van verrekening moet in
                                redelijke verhouding staan tot de compensatieplicht.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 8. Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr></kop><al>Hardheidsclausule</al><al>Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                        afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                        verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr></kop><al>Indexering</al><al>Het College kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening
                        en het op deze verordening berustende gemeentelijk Besluit maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Zevenaar geldende bedragen verhogen of verlagen aan
                        de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie, zoals bepaald in artikel
                        4.5 lid 1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Stb. 2006,
                        450).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr></kop><al>Inwerkingtreding</al><al>Deze Verordening treedt in werking op 1 januari 2014 onder intrekking van de
                        Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Zevenaar 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr></kop><al>Citeertitel</al><al>Deze Verordening wordt aangehaald als Verordening voorzieningen
                        maatschappelijke ondersteuning Zevenaar 2014.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Zevenaar gehouden op 27 november 2013,</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>J.E. Krosse J.A. de Ruiter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting behorend bij de Verordening voorzieningen maatschappelijke
                        ondersteuning Zevenaar 2014</titel></kop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>De opbouw van deze Verordening is geheel anders dan die van de voorafgaande
                    Verordening. In deze Verordening ligt het zwaartepunt op de te behalen
                    resultaten in plaats van de aanspraak op voorzieningen. Deze resultaten worden
                    besproken in het zogenaamde “gesprek”. Dit is een open gesprek waarin samen met
                    de persoon die compensatie behoeft, een zo volledig mogelijke inventarisatie
                    gemaakt wordt van zijn<sup>[2]</sup> situatie, zijn mogelijkheden en
                    onmogelijkheden, zijn wensen en individuele specifieke kenmerken en de problemen
                    die om een oplossing vragen. Leidend hierbij is het te bereiken resultaat. Op
                    basis hiervan kan bekeken worden welke mogelijkheden er zijn om dit resultaat te
                    bereiken met oplossingen die al voorhanden zijn, zoals eigen mogelijkheden,
                    mogelijkheden binnen eigen netwerk, (wettelijk) voorliggende voorzieningen,
                    algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen of collectieve
                    voorzieningen. Daarna wordt duidelijk op welke punten er eventueel nog
                    individuele voorzieningen nodig zijn. Na het gesprek volgt eventueel een
                    aanvraag voor individuele voorzieningen. Door deze wijze van werken wordt het
                    proces om te komen tot oplossingen in twee delen gesplitst: een
                    inventarisatiefase, gekarakteriseerd door het “gesprek” en een fase van
                    aanvraag, beoordeling en toekenning van individuele voorzieningen. </al><al>Na de begripsomschrijvingen ligt de focus op de te bereiken resultaten. Daarin
                    zal per onderdeel van de Wmo, zoals geschetst in artikel 4 lid 1 van de wet (een
                    huishouden voeren, zich verplaatsen in en om de woning, zich lokaal verplaatsen
                    per vervoermiddel en medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden
                    aangaan) uitgewerkt worden wat daarbij als resultaat bereikt moet worden. Daarna
                    wordt ingegaan op de procedure van het gesprek en de individuele aanvraag. </al><tussenkop><vet>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</vet></tussenkop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a.Wet</al><al>Waar staat Wet wordt bedoeld de Wet maatschappelijke ondersteuning.</al><al>b.College</al><al>Waar staat College wordt bedoeld: College van burgemeester en wethouders.</al><al>c.Belanghebbende</al><al>Een persoon met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een
                    psychosociaal probleem die behoefte heeft aan compensatie ten behoeve van het
                    bevorderen van zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig
                    functioneren, die voor zichzelf of, met behulp van een machtiging, door een
                    ander een aanvraag doet of laat doen.</al><al>d.Compensatieplicht</al><al>Het oorspronkelijk wetsvoorstel wijzigde door een amendement waarmee de
                    compensatieplicht werd verankerd in artikel 4 Wmo (TK 2005/06, 30 131, nr. 65).
                    Dat artikel bepaalt dat het College de genoemde personen moet compenseren door
                    het verlenen van voorzieningen als zij beperkingen hebben in hun zelfredzaamheid
                    en maatschappelijke participatie. Onder de Wmo geldt de compensatieplicht voor
                    mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en een
                    psychosociaal probleem zodat hun zelfstandig functioneren wordt bevorderd dan
                    wel wordt behouden en zij deel kunnen nemen aan het maatschappelijke verkeer
                    (artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 5° en 6° Wmo). </al><al>De wetgever gaat uit van mensen met een somatische, psychogeriatrische of
                    psychiatrische of anderszins chronische psychische aandoening of beperking, of
                    een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap (TK 2004/05, 30 131,
                    nr. 3, p. 29). Is het verlies van zelfstandig functioneren of een gebrek aan
                    deelname aan het maatschappelijk verkeer het gevolg zijn van iemands problemen
                    in zijn relatie met zijn sociale omgeving is sprake van een ‘psychosociaal
                    probleem’ (TK 2004/05, 30 131, nr. 3, p. 29). </al><al/><al>In artikel 4 Wmo is de wettelijke aanspraak op maatschappelijke ondersteuning
                    gerelateerd aan de aard en ernst van de beperkingen. Artikel 4 van de Wmo legt
                    het College de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag
                    gelden. De gemeente heeft dus een resultaatsverplichting, maar mag zelf bepalen
                    welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde doel of resultaat
                    te bereiken (TK 2005-2006, 30 131, nr. 98, p. 38). Zie de eerste uitspraak van
                    de Centrale Raad CRvB 10-12-2008, nr. 08/3206 WMO.</al><al>e.Zelfredzaamheid</al><al>dat is het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om
                    zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke
                    verkeer mogelijk maken.</al><al>f.Maatschappelijke participatie.</al><al>Artikel 4 lid 1 Wmo brengt mee dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke
                    participatie de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het College moet
                    zijn gericht. Onder maatschappelijke participatie wordt in ieder geval
                    verstaan:</al><al>• het kunnen voeren van een huishouden;</al><al>• het normale gebruik van de woning;</al><al>• het zich in en om de woning kunnen verplaatsen;</al><al>• het zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij
                    regionale,</al><al>bovenregionale, en landelijke vervoerssystemen; en</al><al>• het kunnen ontmoeten van medemensen en het aangaan van en onderhouden van
                    socialeverbanden om op die manier deel te kunnen nemen aan het lokale sociale
                    maatschappelijke</al><al>leven.</al><al>Met maatschappelijk verkeer wordt de omgang bedoeld met personen en instanties
                    buiten het directe eigen leefverband. Het gaat hier om een breed begrip. In dat
                    verband wordt niet alleen gedoeld op maatschappelijk verkeer dat nodig is voor
                    het levensonderhoud, zoals het doen van boodschappen, maar ook om de meerwaarde
                    van recreatieve activiteiten en bezoeken van vrienden en kennissen. Dit vereist
                    bijvoorbeeld mobiliteit, al dan niet met behulp van hulpmiddelen als rolstoelen
                    en voorzieningen van speciaal vervoer (EK 2005-2006, 30 131, C, p. 59).</al><al>g.Psychosociaal probleem</al><al>Is het verlies van zelfstandig functioneren of een gebrek aan deelname aan het
                    maatschappelijk verkeer het gevolg zijn van iemands problemen in zijn relatie
                    met zijn sociale omgeving is sprake van een ‘psychosociaal probleem’ (TK
                    2004/05, 30 131, nr. 3, p. 29).</al><al>Het begrip psychosociaal probleem is vanuit de AWBZ in de Wmo opgenomen, maar
                    inmiddels als “grondslag” uit de AWBZ geschrapt. Dit is gebeurd omdat gebleken
                    is dat deze grondslag in de AWBZ financieel moeilijk te beheersen was. In de Wmo
                    heeft – volgens de parlementaire behandeling - dit begrip een heel specifieke
                    betekenis. Deze betekenis wordt hier als begripsomschrijving gehanteerd en is
                    overgenomen uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 29-04-20LJN:
                    BI6832). Het betreft met name en verlies van zelfstandigheid of deelname aan het
                    maatschappelijk verkeer, de kerndoelstelling van de Wmo.</al><al>h.Aanmelding</al><al>Indien gebruik wordt gemaakt van de aanmelding wordt niet direct gesproken van
                    een aanvraag. Samen met de belanghebbende en eventueel aanwezige mantelzorger(s)
                    worden verschillende aspecten van het gesprek doorlopen. Allereerst gaat dat
                    over het onderzoek naar de situatie van de belanghebbende, zijn behoeften en de
                    te bereiken resultaten in de zin van informatie en advies over het oplossen van
                    de ondervonden beperkingen. Dit is dan uitgangspunt voor de beoordeling welke
                    resultaten bereikt kunnen worden met algemeen gebruikelijke voorzieningen,
                    voorzieningen op grond van een andere wettelijke aanspraak, algemene
                    voorzieningen die voor iedereen beschikbaar zijn. Ook wordt de eigen
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager besproken. Dit traject kan uiteindelijk
                    leiden tot een feitelijke aanvraag voor een individuele voorziening. Het gesprek
                    is evenwel geen vrijblijvende zaak: het gesprek is mede de basis voor de
                    eventuele aanvraag voor een individuele voorziening. Van het gesprek worden
                    aantekeningen gemaakt die zonodig uitgewerkt worden tot een verslag, dat bij de
                    aanvraag gevoegd kan worden om te voorkomen dat zaken dubbel gedaan moeten
                    worden.</al><al>i.Het gesprek</al><al>Onder "het gesprek" wordt de situatie verstaan waarbij degene die problemen
                    ondervindt op het terrein waarop de compensatieplicht van toepassing is, zich
                    aanmeldt en na die aanmelding in gesprek komt met een vertegenwoordiger van het
                    College, die samen met betrokkene en eventueel aanwezige mantelzorger(s)
                    inventariseert waar zij problemen ondervinden, wat betrokkene nog zelf kan, wat
                    de te bereiken resultaten zijn, wat de behoeften daarbij zijn, welke oplossingen
                    er in de maatschappij beschikbaar zijn via algemene voorzieningen, algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen, voorliggende voorzieningen en collectieve
                    voorzieningen, zodat een basis ontstaat voor het zoeken naar oplossingen voor de
                    problemen. Met die oplossingen wordt het te bereiken resultaat gerealiseerd.
                    Voor zover die resultaten niet in het gesprek al te behalen zijn, zal een
                    vervolg noodzakelijk zijn in de vorm van een aanvraag waarop het College
                    beslist.</al><al>j.Aanvraag</al><al>De aanvraag in het kader van de Wmo kan volgen op het gesprek. Het moge
                    duidelijk zijn dat het gesprek achterwege kan blijven als de situatie volstrekt
                    helder is en betrokkene goed bekend is bij de gemeente. Hiervan kan sprake zijn
                    bij bijvoorbeeld vervanging van voorzieningen wegens het bereiken van de
                    afschrijvingstermijn, of als een goed bekende aanvrager een nieuwe aanvraag
                    doet.</al><al>Het College doet vanzelfsprekend nog wel zorgvuldig onderzoek teneinde een
                    beslissing te kunnen nemen op de aanvraag. De aanvraag wordt schriftelijk
                    gedaan. </al><al>k.Algemene voorzieningen</al><al>Dit zijn voorzieningen, met name diensten of een combinatie van dienst en
                    product, die weliswaar niet bestemd zijn voor, noch te gebruiken zijn door alle
                    inwoners; anderzijds zijn ze door iedereen waarvoor ze wel bedoeld zijn op
                    eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen of te
                    gebruiken. Het College moet echter een beslissing nemen op de aanvraag (die
                    gericht is op een van vier taakvelden) waarin wordt gesteld dat de beoogde
                    algemene voorziening voldoende compenserend is Voorbeelden zijn:</al><al> De dagrecreatie voor ouderen </al><al> De sociale alarmering </al><al> De boodschappenbus, de supermarktservice, de vrijwillige boodschaphulp</al><al> De maaltijdservice en het eetcafé</al><al> Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de
                    buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice</al><al> De (ramen)wasservice </al><al> De rolstoel-pools en scootmobiel-pools voor incidentele situaties</al><al> De kort durende huishoudelijke hulp</al><al> Kinderopvang in al zijn verschijningsvormen </al><al>Een algemene voorziening is dus per definitie geen individuele voorziening en de
                    Wmo-regels rond eigen bijdragen/eigen aandeel gelden niet. </al><al>l.Algemeen gebruikelijke voorziening</al><al>een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden van de aanvrager,
                    aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen
                    had, zou (hebben kunnen) beschikken. </al><al>m.Collectieve voorzieningen</al><al>Dit zijn Wmo-voorzieningen die individueel worden verstrekt maar die toch door
                    meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Tot nu toe is het collectief
                    (vraagafhankelijk) vervoer (cvv) het meest duidelijke voorbeeld.</al><al>Cvv is geen algemene voorziening, omdat de normale aanvraagprocedure geldt, er
                    een beschikking wordt afgegeven en bezwaar en beroep mogelijk is. </al><al>n.Meerkosten</al><al>Het begrip meerkosten hangt nauw samen met het begrip algemeen gebruikelijk. De
                    meerkosten zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met het
                    compenseren van de ondervonden beperking in de maatschappelijke participatie.
                    Een persoon zonder beperkingen heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat
                    daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. De noodzakelijke meerkosten met
                    betrekking tot een voorziening die voor een persoon als de aanvrager algemeen
                    gebruikelijk kunnen voor compensatie in aanmerking komen.</al><al>o.Wettelijk voorliggende voorziening</al><al>De wettelijk voorliggende voorzieningen zijn die voorzieningen in wetgeving en
                    in regelgeving vastgelegd, die op basis van artikel 2 van de wet voorgaan op de
                    Wmo. Te denken valt aan de Zorgverzekeringswet, de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten en verschillende arbeidsongeschiktheidswetten. </al><al>p.Individuele voorziening</al><al>In dit lid wordt de individuele voorziening gedefinieerd. Deze is niet voor
                    iedereen beschikbaar, maar uitsluitend voor diegenen die onder artikel 4 van de
                    wet vallen. Er wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze
                    voorziening, de voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar
                    en beroep open. Verder zijn alle regels van de Wmo van toepassing, zoals die
                    rond eigen bijdragen en eigen aandeel.</al><al>q.Gebruikelijke zorg</al><al>Als in een leefeenheid meerdere meerderjarige personen wonen hebben zij
                    gezamenlijk de taak al het zich voordoende huishoudelijke werk te verrichten.
                    Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de verdeling en dit uitgangspunt heeft een
                    verplichtend karakter. </al><al>r.Leefeenheid</al><al>Uitgangspunt van het begrip leefeenheid is dat het gaat om een gemeenschappelijk
                    huishouden waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de verantwoordelijkheid
                    voor het functioneren van dat huishouden primair bij de leefeenheid berust. Deze
                    verantwoordelijkheid brengt mee dat de personen van 18 jaar en ouder die tot de
                    leefeenheid worden gerekend geacht worden gebruikelijke zorg te verlenen aan
                    elkaar.</al><al>s.Huisgenoot</al><al>Iedere meerderjarige persoon die tot de leefeenheid van de aanvrager
                    behoort.</al><al>t.Voorziening in natura</al><al>Omschreven is in dit lid wat een voorziening in natura is.</al><al>u.Persoonsgebonden budget</al><al>Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag dat de aanvrager onder bepaalde
                    voorwaarden in deze Verordening en het Besluit mag besteden aan een
                    compenserende voorziening die vergelijkbaar is met een naturavoorziening.</al><al>v.Financiële tegemoetkoming</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven of anderszins als compenserende voorziening kan gelden.
                    Er kan bijvoorbeeld een forfaitair bedrag door het College worden verstrekt.
                    Denk bijvoorbeeld aan een verhuiskostenvergoeding.</al><al>w.Mantelzorger</al><al>Dit geeft een begripsomschrijving van de mantelzorger. Daarvoor is aansluiting
                    gezocht bij de begripsomschrijving van mantelzorg zoals de wet die geeft in
                    artikel 1 lid 1 onder b.</al><al>x.Hoofdverblijf</al><al>Het begrip hoofdverblijf biedt nogal eens problemen. Het gaat om de woning
                    (bestemd en geschikt voor permanente bewoning) waar de belanghebbende zijn vaste
                    woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de
                    gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of zal staan, dan wel het
                    feitelijk woonadres indien de belanghebbende met een briefadres in de
                    gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of zal staan.</al><al>y.Woning</al><al>Een woonruimte voor permanente bewoning bestemt en geschikt en waarbij geen
                    wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en
                    toilet met andere woningen worden gedeeld</al><al>x.Gemeenschappelijke ruimte</al><al>gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen,
                    bestemd en noodzakelijk om de woning van de belanghebbende vanaf de toegang tot
                    de woning te bereiken</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 2 Resultaatgerichte compensatie</vet></tussenkop><al>Hoofdstuk 2 betreft de te bereiken resultaten, die afgeleid zijn uit de in
                    artikel 4 genoemde doelstellingen van de compensatieplicht.</al><al>Er zijn hieruit 8 te bereiken resultaten afgeleid: </al><lijst><li nr="a."><al>een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="b."><al>wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</al></li><li nr="e."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;</al></li><li nr="f."><al>zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="g."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen
                            aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten.</al></li></lijst><al>Op deze 8 terreinen heeft het College een resultaatverplichting: door de te
                    nemen algemene of individuele maatregelen moet het gestelde resultaat bereikt
                    kunnen worden. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Hoe te komen tot de te bereiken resultaten</tussenkop><tussenkop>Artikel 3. Scheiding aanmelding en aanvraag</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat het mogelijk is een scheiding aan te brengen tussen een
                    aanmelding en een aanvraag. Dit kan in een drietal situaties. </al><lijst><li nr="a."><al>Wanneer iemand zich voor het eerst meldt voor een individuele
                            voorziening.</al></li><li nr="b."><al>Wanneer iemand zich niet voor het eerst meldt, maar wanneer er sprake is
                            van gewijzigde omstandigheden die een nieuw gesprek rechtvaardigen.</al></li><li nr="c."><al>Indien ofwel belanghebbende ofwel de gemeente dat gewenst vindt.</al></li></lijst><al>Dit uitgangspunt wordt terzijde gezet als betrokkene aangeeft direct een
                    aanvraag te willen doen. </al><tussenkop>Artikel 4. Aanmelding voor een gesprek</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de betrokkene om een gesprek kan verzoeken middels een
                    aanmelding. Het gesprek leidt in principe niet tot een beschikking. Daarom kan
                    een aanmelding ook mondeling (telefonisch of op een andere manier) worden
                    gedaan, hetgeen in principe niet automatisch voor een formele aanvraag, zoals in
                    Hoofdstuk 4 genoemd, geldt.</al><al>Na een aanmelding wordt binnen een bepaald aantal werkdagen een afspraak voor
                    het gesprek gemaakt. </al><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Het gesprek is voor iedereen die voor het eerst een beroep doet op de
                    compensatieplicht in het kader van de Wmo de logische start. Wie door eerdere
                    aanvragen en een eerder gesprek al bekend is kan wellicht de fase van het
                    gesprek overslaan. Dit zal niet altijd het geval zijn. Na een gewijzigde
                    situatie kan het van belang zijn een nieuw of een aanvullend gesprek te
                    houden.</al><al>Tijdens het gesprek wordt – geheel uitgaande van degene die aangeeft behoefte te
                    hebben aan compensatie, verder belanghebbende genoemd – een complete
                    inventarisatie gemaakt. Deze inventarisatie heeft nadrukkelijk het startpunt bij
                    de belanghebbende en inventariseert:</al><al> De beperking, het chronisch psychisch probleem of het psychosociaal probleem
                    dat basis is van de behoefte aan compensatie.</al><al> De mogelijkheden die de betrokkene ondanks dit probleem heeft.</al><al> De onmogelijkheden die de betrokkene ondervindt als gevolg van het ondervonden
                    probleem of de ondervonden problemen.</al><al> De resultaten die betrokkene wil bereiken op de verschillende in deze
                    Verordening weergegeven terreinen.</al><al> Hetgeen betrokkene inmiddels zelf heeft gedaan om bestaande belemmeringen op
                    te lossen.</al><al> De mogelijkheden die betrokkene heeft om deze resultaten via eigen
                    oplossingen, via algemene voorzieningen, via algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen, via andere wettelijke aanspraken of via collectieve voorzieningen
                    te bereiken.</al><al> De mogelijkheden die de gemeente in principe biedt om de problemen via een
                    individuele voorziening op te lossen.</al><tussenkop>Artikel 5. Het gesprek.</tussenkop><al>Het gesprek wordt in principe bij de betrokkene thuis gevoerd. Er is een aantal
                    argumenten aan te voeren waarom dit de meest geschikte plek is: het is de
                    vertrouwde omgeving van betrokkene, een professional kan zich gemakkelijker
                    aanpassen aan wisselende plaatsen dan een niet-professional, het kan relevant
                    zijn de leefomgeving van de belanghebbende te zien om de loop van het gesprek
                    beter te begrijpen, et cetera. Ook is het mogelijk het ten kantore van degene
                    die als professional aan het gesprek deelneemt te houden. Dit omdat bijvoorbeeld
                    in de thuissituatie door allerlei omstandigheden (kleine kinderen?) een gesprek
                    niet mogelijk of uiterst ingewikkeld is.</al><al>Verder is het mogelijk dat de betrokkene aangeeft het gesprek liever elders te
                    voeren. Dat zou kunnen zijn bij een vertrouwenspersoon of een naast
                    familielid.</al><al>Lid 1 geeft aan dat het ICF de basis is voor het begrippenkader van het gesprek.
                    In de toelichting op het amendement waarmee de compensatieplicht in het huidige
                    artikel 4 Wmo werd verankerd, staat dat de ICF als hulpmiddel kan dienen om de
                    behoefte aan voorzieningen in het individuele geval vast te stellen (TK 2005/06,
                    30 131, nr. 65). Hiermee heeft toepassing van de ICF geen verplichtend karakter.
                    De ICF hanteert de term ‘functioneringsprobleem’. Dit is een overkoepelende term
                    voor stoornissen, beperkingen en participatieproblemen. Activiteiten zijn
                    onderdeel van iemands handelen zoals lopen, zitten, schoonmaken, et cetera.
                    Onder stoornissen worden afwijkingen in of verlies van functies of anatomische
                    eigenschappen verstaan. Participatieproblemen zijn de problemen die iemand heeft
                    met het deelnemen aan het maatschappelijk leven. De compensatieplicht heeft
                    vanzelfsprekend alleen betrekking op de vier wettelijke resultaatgebieden en
                    niet op de gehele ICF. </al><al>Lid 2 spreekt voor zich.</al><al>Lid 3 spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 6. Het verslag.</tussenkop><al>Lid 1 van dit artikel bepaalt dat het gesprek kan worden afgesloten met een
                    verslag. Het verslag wordt binnen 5 werkdagen aan betrokkene beschikbaar
                    gesteld. Verder wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld correcties of
                    aanvullingen aan te brengen in het verslag. Deze komen niet in de plaats van het
                    oorspronkelijke verslag, maar worden daaraan toegevoegd.</al><al>Als het verslag door betrokkene is ondertekend en het is voorzien van zijn naam,
                    adres en een dagtekening kan het verslag functioneren als aanvraagformulier voor
                    een individuele aanvraag, als dat (mede) de uitkomst is van het gesprek.</al><al>Daarbij dient men zich te realiseren dat het gesprek gevoerd wordt vanuit de
                    betrokkene en zijn beperkingen, behoeften en persoonskenmerken. Van het verslag
                    kan niet verwacht worden dat het alleen een objectieve weergave van de situatie
                    van betrokkene weergeeft. Ook zal het verslag subjectieve aspecten bevatten die
                    als zodanig herkenbaar moeten zijn. Bestaat er uiteindelijk behoefte aan een
                    verdere objectieve onderbouwing, dan zal dat eventueel na de aanvraag nog plaats
                    moeten hebben.</al><al>Lid 2 bepaalt dat het mogelijk is, indien daar aanleiding toe bestaat, met het
                    verslag van het gesprek een formele aanvraag bij de gemeente in te dienen. </al><tussenkop>Hoofdstuk 4 De aanvraag van een individuele voorziening</tussenkop><tussenkop>Artikel 7. De aanvraag</tussenkop><al>In lid 1 is geregeld dat een aanvraag van een individuele voorziening altijd
                    schriftelijk moet worden gedaan. Dit is een verplichting op grond van artikel
                    4:1 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarin is bepaald dat, tenzij bij
                    wettelijk voorschrift anders bepaald, een aanvraag tot het geven van een
                    beschikking schriftelijk moet worden ingediend.</al><al>Lid 2 bepaalt dat indien een aanvraag mondeling (via telefoon of op een andere
                    manier)</al><al>wordt ingediend de gemeente deze indiening schriftelijk moet bevestigen onder
                    gelijktijdige toezending van het aanvraagformulier.. </al><al>Van belang is dat de termijn waarbinnen de aanvraag moet uitmonden in een
                    beschikking (in principe 8 weken) pas begint te lopen vanaf het moment dat het
                    aanvraagformulier, volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde bijlagen
                    waaronder het eventuele verslag van het gesprek, bij de gemeente is
                    binnengekomen. </al><al>Lid 3 bepaalt dat, als er een gesprek is gevoerd waarvan een verslag is gemaakt
                    dat is ondertekend, dit ondertekende verslag van het gesprek als
                    aanvraagformulier beschouwd kan worden.</al><tussenkop>Artikel 8. Beperkende voorwaarden en weigeringsgronden</tussenkop><al>Er geldt een aantal beperkingen bij het verstrekken van voorzieningen.</al><al>Lid 1 onder a. Langdurig noodzakelijk</al><al>Of een belanghebbende langdurig noodzakelijk is aangewezen op een (individuele)
                    voorziening is afhankelijk van zijn individuele situatie. Deze bepaling is in
                    het algemeen toegestaan maar er is geen medische eindtoestand vereist voordat
                    aanspraak bestaat op een voorziening. Nog geen medische eindsituatie betekent
                    dus niet dat geen voorziening moet worden verleend. Het kan zijn dat
                    belanghebbende tijdelijk een hulpmiddel kan lenen zoals dat bij de uitleen van
                    hulpmiddelen onder de AWBZ et geval was.</al><al>Het College moet beoordelen of belanghebbende gelet op de beperkingen langdurig
                    aangewezen is op een (tijdelijke) voorziening. Voor huishoudelijke verzorging
                    geldt in ieder geval een uitzondering (EK 2005/06, 30 131, C, p. 45).
                    Bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld
                    huishouden. Als deze kortdurende hulp bij het huishouden binnen een gemeente
                    niet geleverd kan worden als algemene voorziening, waardoor geen individuele
                    voorziening meer nodig zal zijn, zal deze hulp als individuele voorziening
                    verstrekt moeten worden.</al><al/><al>Lid 1 onder b. Goedkoopst compenserend</al><al>Dit lid bepaalt dat voorzieningen die in het kader van deze Verordening worden
                    verstrekt naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest
                    goedkope voorziening dienen te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met
                    het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog
                    toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de
                    voorziening meer compenserend maken, zullen in principe niet voor vergoeding in
                    aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een
                    voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt.
                    Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar
                    product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het
                    kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij
                    een verantwoord niveau dient te worden aangesloten, maar ook niet meer dan dat.
                    Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die
                    duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de persoon met
                    beperkingen bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. </al><al/><al>Lid 2 onder a. Algemeen gebruikelijk</al><al>Deze bepaling heeft als doel te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt
                    waarvan, gelet op de omstandigheden van de aanvrager met beperkingen,
                    aannemelijk is dat deze daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen
                    beperkingen zou hebben gehad. Het College beoordeelt of daar op het moment van
                    de aanvraag sprake van is.</al><al>Het College verstrekt dus geen voorziening als aannemelijk is dat de aanvrager
                    daar - gelet op zijn omstandigheden - over zou (hebben kunnen) beschikken als
                    hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelijk
                    voor de persoon als aanvrager als deze:</al><lijst><li nr="1."><al>normaal in de handel verkrijgbaar is; en</al></li><li nr="2."><al>niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en</al></li><li nr="3."><al>niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en</al></li><li nr="4."><al>naar geldende maatschappelijke normen past binnen het normale
                            bestedingspatroon van de aanvrager.</al></li></lijst><al>De eerste drie vragen hebben betrekking op de vraag of de voorziening algemeen
                    gebruikelijk is. Daarvoor geldt dat het inkomen van de aanvrager niet relevant
                    is (Rechtbank Arnhem 16-08-2012, BX8032 Wmo). De vraag onder punt vier gaat over
                    het antwoord op de vraag of de voorziening voor de persoon van de aanvrager
                    algemeen gebruikelijk is.</al><al>Uitzonderingen hierop zijn mogelijk als de voorziening vanwege omstandigheden
                    van de belanghebbende toch niet algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat dan
                    bijvoorbeeld om een plotseling</al><al>optredende beperking waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan
                    normaal moeten worden vervangen dan wel aangeschaft.</al><al>Voorzieningen die zijn afgeschreven worden algemeen gebruikelijk geacht en als
                    renovatie aangemerkt. Voorbeelden zijn badkamers, sanitair, keuken, kranen,
                    e.d.</al><al/><al>lid 2 onder b. Woonplaats in Zevenaar.</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de Wvg, geen specifieke bepaling opgenomen
                    waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente
                    woonachtige personen, hoewel artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit
                    artikel is opgenomen om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen van personen
                    met beperkingen die niet in Zevenaar hun woonplaats hebben. In een
                    uitzonderingssituatie kan iemand, die nog niet in de gemeente Zevenaar zijn
                    woonplaats heeft, toch in aanmerking komen voor een woonvoorziening. Hierbij kan
                    worden gedacht aan een persoon, die binnen relatief korte termijn gaat verhuizen
                    en de beschikking krijgt over woonruimte in de gemeente Zevenaar.</al><al/><al>lid 2 onder c. Geen meerkosten door opgetreden beperking.</al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden
                    tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                    meebrengt. </al><al/><al>Lid 2 onder d. Kosten gemaakt voor beschikking.</al><al>Uitgangspunt is dat geen aanspraak kan worden gemaakt op een (individuele)
                    voorziening als deze reeds zonder (schriftelijke) toestemming van het College is
                    gerealiseerd, is aangekocht of de aanvrager anderszins onomkeerbare handelingen
                    is aangegaan. Het doel van deze bepaling is om het College niet in de positie te
                    brengen dat de noodzaak, adequaatheid en passendheid van aangevraagde
                    voorziening niet meer kunnen worden beoordeeld. Kan dat nog wel zal het College
                    overgaan tot het beoordelen van de aanvraag (CRvB 15-02-2012, nr. 09/4037 Wmo).
                    Het College kan volstaan met het verlenen van de goedkoopst-compenserende
                    voorziening.</al><al/><al>lid 2 onder e. Eerdere verstrekking nog niet afgeschreven.</al><al>Dit artikel bepaalt dat als de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder in het
                    kader van deze of hieraan voorafgaande verordeningen (Wmo en WVG) is verstrekt
                    en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening is nog niet verstreken,
                    dan wordt de aanvraag afgewezen. </al><al>Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte
                    voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan
                    belanghebbende zijn toe te rekenen. Hieronder wordt ook verstaan het risico dat
                    verzekerd kan worden. Als in een woning bijvoorbeeld een traplift, een
                    verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit
                    gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de
                    opstalverzekering worden gedekt. Als bij bijvoorbeeld brand blijkt dat de woning
                    onvoldoende verzekerd is, dan bestaat op dat moment geen aanspraak op een
                    voorziening.</al><al>Ook zijn situaties uitgezonderd als de verstrekte voorziening niet meer adequaat
                    is.</al><al/><al>lid 2 onder f. Andere wettelijke regeling.</al><al>Dit artikel bepaalt dat wettelijk voorliggende voorzieningen voor gaan op het
                    verlenen van voorzieningen op grond van de Wmo (art. 2 Wmo). In voorkomende
                    gevallen moet er een noodzaak zijn tot ondersteuning én er moet aanspraak
                    bestaan op een andere wettelijke regeling. Voorbeelden zijn de
                    Zorgverzekeringswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en verschillende
                    arbeidsongeschiktheidswetten. Het College kan de aanvraag in voorkomende
                    gevallen weigeren.</al><al/><al>lid 2 onder g. Geen persoon met beperkingen.</al><al>Indien de aanvrager geen geobjectiveerde beperkingen ondervindt valt hij/zij dus
                    buiten de doelgroep van de wet c.q. Verordening. Er bestaat dan geen recht op
                    een voorziening.</al><al/><al>Lid 2 onder h bepaalt dat het College met het oog op te verlenen voorzieningen
                    rekening mag houden redelijkerwijs te vergen medewerking van de aanvrager, diens
                    huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving,
                    zoals familieleden. Op voorhand kan niet worden gesteld wanneer daarvan sprake,
                    dat is afhankelijk van de individuele situatie. Te denken valt aan het
                    reorganiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van
                    de keuken nodig is. Ook kan worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht
                    of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening verleend
                    hoeft te worden (CRvB 01-06-2011, BQ8290 Wmo).</al><al>Onder dit artikel valt ook de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager. De
                    regering meent dat gemeenten kunnen zorgdragen voor een goed samenhangend
                    stelsel van ondersteuning van burgers die niet goed in staat zijn in bepaalde
                    situaties zelf of samen met anderen oplossingen te realiseren. Voor die gevallen
                    die door de burgers onmogelijk zelf kunnen worden geregeld, behoort de overheid
                    verantwoordelijkheid te nemen (TK 2004/05, 30 131, nr. 3). De Centrale Raad
                    oordeelt dat de eigen verantwoordelijkheid van burgers een grote rol speelt (zie
                    bijvoorbeeld CRvB 21-05-2012, BW6810 Wmo, CRvB 05-06-2013, en CRvB 19-06-2013:
                    12-5062 Wmo). In voorkomende gevallen kan het College de aanvraag weigeren omdat
                    er geen noodzaak tot ondersteuning bestaat.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Beoordeling van de te bereiken resultaten</tussenkop><al>In paragraaf 1 worden de algemene regels die voor alle 8 te bereiken resultaten
                    gelden, opgesomd. Het betreft dan met name het maken van een afweging. Waarom
                    deze maatregel, deze voorziening wel en die niet. Zeker als de te verstrekken
                    voorziening niet (precies) datgene is wat betrokkene wenst, is dit van groot
                    belang: het gaat immers om het te bereiken resultaat en het College zal dan aan
                    moeten kunnen geven waarom dit toch als maatwerk kan gelden.</al><al>In paragraaf 2 wordt dan per te bereiken resultaat besproken wat de globale
                    kaders zijn.</al><tussenkop>Artikel 9. Beoordelen van de te bereiken resultaten op het gebied van
                    maatschappelijke participatie.</tussenkop><al/><al>In lid 1 is vastgelegd dat het College rekening houdt met de persoonskenmerken
                    en behoeften van de aanvrager, zoals artikel 4 Wmo voorschrijft. Dit betekent
                    dat het College die persoonskenmerken en behoeften als vertrekpunt van het
                    onderzoek en de afweging neemt. Bij het onderzoek zal gekeken worden naar wat
                    nodig is, wat mogelijk is en hoe maatwerk ten aanzien van de te bereiken
                    resultaten mogelijk is. Het College kijkt daarbij ook naar de mogelijkheden van
                    belanghebbende om het resultaat zelf te bereiken, bijvoorbeeld met een bepaald
                    hulpmiddel of hulp van anderen.</al><al/><al>Lid 2 bepaalt dat, algemeen gebruikelijke, algemene en collectieve voorzieningen
                    die voor betrokkene beschikbaar en in praktijk ook daadwerkelijk bruikbaar zijn,
                    eerst beoordeeld dienen te worden. Dat wil zeggen dat allereerst beoordeeld moet
                    worden of via deze voorzieningen, de te bereiken resultaten ook daadwerkelijk
                    bereikt kunnen worden. Als deze voorzieningen niet leiden tot het te bereiken
                    resultaat zal naar andere oplossingen gezocht moeten worden en komen individuele
                    voorzieningen ter beoordeling in beeld.</al><tussenkop>Paragraaf 2. De te bereiken resultaten</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Een schoon en leefbaar huis.</tussenkop><al>In lid 1 wordt geschetst wat het te bereiken resultaat is ten aanzien van een
                    schoon en leefbaar huis. Dit resultaat houdt in dat iedereen moet kunnen wonen
                    in een huis dat schoon is. Er worden wel beperkingen gesteld ten aanzien van de
                    omvang van de woning, zoals het aantal kamers, de oppervlakte van de kamers,
                    waarbij uitgangspunt is de omvang van een nieuwe woning binnen de sociale
                    woningbouw. Dit uitgangspunt is niet star: er zijn altijd mogelijkheden bij te
                    stellen naar boven of naar beneden (maatwerk). Onder de ruimten die onder dit
                    principe vallen zijn te rekenen: een woonkamer, de aanwezige en gebruikte
                    slaapkamers, de keuken en de sanitaire ruimten. Ook een eventuele berging die
                    daadwerkelijk onder het normaal gebruik van de woning valt, zal meegenomen
                    worden. </al><al/><al>In lid 2 wordt geschetst welke individuele voorzieningen beschikbaar gesteld
                    kunnen worden om een schoon en leefbaar huis te bereiken. Dat kan via licht en
                    zwaar huishoudelijk werk, dat wil zeggen het droog, schoon en stofvrij maken en
                    houden van de woning. Hierbij zal het te bereiken resultaat altijd centraal
                    dienen te staan. Daarbij valt bijvoorbeeld het reinigen van de ramen aan de
                    buitenkant niet onder de compensatieplicht.</al><al/><al>Lid 3 gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg. </al><al>Er wordt rekening gehouden met huisgenoten uit de leefeenheid vanaf 18 jaar.
                    Wanneer die beschikbaar en in staat zijn huishoudelijke taken over te nemen zal
                    allereerst gekeken moeten worden of dit mogelijk is. Alle huisgenoten vanaf 18
                    jaar zijn met elkaar verantwoordelijk voor het voeren van een huishouden. Dat
                    betekent dat wanneer één van de huisgenoten die het huishoudelijk werk normaal
                    gesproken doet, uitvalt, via een herverdeling de andere huisgenoten deze taken
                    zullen moeten overnemen. Alleen als er geen huisgenoten zijn of als de
                    huisgenoten met enige regelmaat langdurig afwezig zijn kan er plicht tot
                    compensatie bestaan. Ook aanwezige personen jonger dan 18 jaar, zoals
                    thuiswonende kinderen, worden geacht hun bijdrage aan het huishouden te leveren
                    door hun kamer bij te houden en hand- en spandiensten te verrichten.</al><al>Niet gewend zijn huishoudelijk werk te verrichten is in beginsel geen reden tot
                    compensatie. In die gevallen kan tijdelijk hulp worden ingezet voor het aanleren
                    van huishoudelijke taken. Alleen (dreigende) overbelasting van huisgenoten, kan
                    compensatieplicht betekenen. Door onderzoek zal deze overbelasting vastgesteld
                    moeten worden.</al><al/><al>Lid 4 bepaalt dat indien er sprake is van gebruikelijke zorg en er geen reden is
                    om aan te nemen dat deze gebruikelijke zorg niet uitgevoerd kan worden, er in
                    principe geen individuele voorziening toegekend zal kunnen worden. </al><al/><al>Lid 5 bepaalt dat er bij (dreigende) overbelasting van degene die gebruikelijke
                    zorg geacht wordt te leveren in afwijking van lid 4 tijdelijk hulp bij het
                    huishouden kan worden geïndiceerd.</al><tussenkop>Artikel 11. Wonen in een geschikt huis.</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Als het gaat om het wonen in een geschikte woning hebben we het over de
                    woonvoorzieningen, zowel bouwkundig als niet-bouwkundig. Uitgangspunt is daarbij
                    dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. Het is niet zo dat
                    een gemeente voor een woning moet zorgen: dat is een eigen verantwoordelijkheid
                    van de aanvrager. Het is uitgangspunt dat iedereen altijd zoekt naar een voor
                    hem op dat moment meest geschikte beschikbare woning gelet op de
                    beperkingen.</al><al>Heeft iemand een woning, dan zal de compensatieplicht betekenen dat eventuele
                    problemen met het normale gebruik van de woning opgelost worden. Daarbij kan
                    veelal gekozen worden uit meerdere mogelijke oplossingen.</al><al>Ook nu gaat het weer om woningen op het niveau sociale woningbouw. De ruimten
                    zijn dan ook weer de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten. Er
                    kan altijd afgeweken worden naar boven of beneden, maar omvangrijke woningen en
                    zeer grote ruimten zullen niet als uitgangspunt voor compensatie gelden.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Onder het normale gebruik van de woning vallen ook de bereikbaarheid,
                    toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Daaronder vallen bijvoorbeeld
                    de doorgang van de entree en deuren, het verwijderen van drempels of het
                    minimaliseren van hoogteverschillen bij de voordeur of achterdeur van de woning.
                    Onder de bruikbaarheid van de woning vallen ook het kunnen verrichten van
                    normale (elementaire) woonfuncties. Denk aan een te gebruiken keuken voor iemand
                    die rolstoelafhankelijk is of het kunnen bereiken van de bovenverdieping omdat
                    daar de slaapkamer en natte cel gelegen zijn.</al><al/><al>Lid 3</al><al>Dit lid bepaalt dat het College het primaat van verhuizen kan hanteren in plaats
                    van het verlenen van een woningaanpassing. Uit de jurisprudentie blijkt dat het
                    hanteren van het primaat van verhuizing niet in strijd is met de Wmo (TK
                    2005/06, 30 131, nr. 29, p. 100 en CRvB 09-12-2009, nr. 08/3766 WMO). Het
                    College dient in het kader van zorgvuldige besluitvorming de in de
                    jurisprudentie ontwikkelde criteria in acht te nemen. Dat wil zeggen dat in een
                    afweging zal worden bepaald hoe de behoeften van de aanvrager zich verhouden tot
                    de belangen (met name financiële) van de gemeente. Dit uitgangspunt volgt uit
                    artikel 8 lid 1 onder b van deze Verordening (goedkoopst compenserend).
                    Verhuizing naar een geschikte woning of een geschikt te maken woning kan als
                    compenserende maatregel worden aangemerkt waarbij het verstrekken van een
                    tegemoetkoming in de verhuis-en inrichtingskosten tot de mogelijkheden behoord.
                    Dit betekent dat van de belanghebbende wordt verwacht dat een beschikbare
                    geschikte of geschikt te maken woning wordt geaccepteerd (huurwoning) of wordt
                    aangekocht (koopwoning). Bovendien kan het zijn dat een woning niet kan worden
                    aangepast. Er bestaat dan sowieso een noodzaak tot verhuizing.</al><al/><al>Lid 4.</al><al>Als er voorliggende voorzieningen zijn of alternatieve voorzieningen zijn die
                    goedkoper zijn, zal eerst beoordeeld worden of het hanteren hiervan nog leidt
                    tot maatwerk, zodat via deze voorzieningen het resultaat bereikt zou kunnen
                    worden.</al><al/><al>Lid 5.</al><al>Ten aanzien van de vraag of er aangepast dient te worden of dat het plaatsen van
                    een herplaatsbare woonunit ook een oplossing kan zijn, spelen afwegingen over
                    afschrijving van de voorziening en over de vraag of de voorziening later
                    hergebruikt kan worden een belangrijke rol. Gestreefd wordt aanpassingen die
                    bestaan uit een aanbouw alleen dan te realiseren als vastgelegd kan worden dat
                    deze aanpassing tijdens de gehele looptijd beschikbaar kan blijven voor een
                    persoon met beperkingen. Dit zal over het algemeen uitsluitend te realiseren
                    zijn bij huurwoningen van sociaal verhuurders. In andere situaties zal indien
                    mogelijk gekozen worden voor het plaatsen van een losse woonunit.</al><al/><al>Lid 6.</al><al>Als een verhuizing de goedkoopst compenserende oplossing is kan een
                    verhuiskostenvergoeding worden verstrekt, met uitzondering van de in dit lid
                    genoemde situaties.</al><al/><al>Lid 7.</al><al>In dit lid is vastgelegd, dat bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen
                    voor woonschepen en woonwagens onder voorwaarden verstrekt kunnen worden.</al><al/><al>Lid 8.</al><al>Dit lid heeft als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van
                    de waardestijging, die het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op
                    grond van de wet. De datum van de (notariële) verkoop is daarbij bepalend.</al><al/><al>Lid 9.</al><al>Onder de Wvg en ook Wmo zijn AWBZ-bewoners uitgesloten van het recht op
                    woonvoorzieningen. Onder de Wvg werd hierop een bovenwettelijke uitzondering
                    door gemeenten gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar maken van een woonruimte
                    voor bezoek aan ouders en broers of zussen of aan de partner. Deze uitzondering
                    was gebaseerd op de Verordening. Verdere verplichtingen dan hier genoemd in de
                    Verordening heeft de gemeente daarom niet. “Bezoekbaar maken” wordt in de
                    Verordening daarom gelimiteerd tot het kunnen bereiken van de woonruimte, de
                    woonkamer en een toilet en wordt bovendien in financiële zin door het College
                    gemaximeerd. </al><al/><al>Lid 10 </al><al>Op grond van dit lid wordt geen individuele voorziening verstrekt indien:</al><al>a.Geen aanleiding voor verhuizing.</al><al>Het kan voorkomen dat de belanghebbende verhuist terwijl daar gelet op de
                    beperkingen in de woning geen aanleiding voor was of als wordt verhuisd van een
                    adequate naar een inadequate woning. Is hier sprake van, dan wordt het College
                    de mogelijkheid ontnomen om nog te kunnen bepalen wat de
                    goedkoopst-compenserende oplossing had kunnen zijn.</al><al>Is de verhuizing geen gevolg van het ondervinden van beperkingen in het normale
                    gebruik van de woning en bestond er geen belangrijke reden om toch te verhuizen,
                    dan weigert het College een voorziening. Als belangrijke redenen kunnen
                    bijvoorbeeld worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van
                    werk. Gelet op de tekst van artikel 4 lid 2 Wmo (waaronder verandering van
                    woning in verband met wijziging van leefsituatie) moet op basis van de
                    individuele situatie worden beoordeeld of de woonvoorziening wordt geweigerd. In
                    geval van samenwoning of huwelijk houdt het College ook rekening met de keuze
                    die de belanghebbende maakt in welke woning men gaat samenwonen. Ook in dat
                    geval moet er een belangrijke reden zijn waarom naar de woning wordt verhuisd
                    waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht.</al><al>b.Verhuizing naar een inadequate woning.</al><al>Verhuist de belanghebbende niet naar de voor hem/haar beschikbare meest
                    geschikte woning, dan wordt de voorziening in beginsel afgewezen. Deze afwijzing
                    leidt uitzondering als het College schriftelijk toestemming verleent om te
                    verhuizen. Uit deze eis volgt dat de belanghebbende een aanvraag heeft ingediend
                    voordat is verhuisd, door een woning of een kavel aan te kopen contact heeft
                    (gehad) met het College. Door geen contact op te nemen met het College over de
                    mogelijkheden, brengt een aanvrager zich in een lastige bewijspositie. Dit
                    betekent dat de aantoonplicht dat er geen (andere) geschiktere beschikbare
                    woningen waren bij de aanvrager ligt. Zonder dat aan te tonen kan het College de
                    aanvraag om een woonvoorziening afwijzen (CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO
                    e.a.,CRvB 15-04-2009, nr. 07/682 WVG en Rechtbank Arnhem 20- 09-2011, nr. AWB
                    11/1222).</al><al>c.Gemeenschappelijke ruimten.</al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in
                    hoofdzaakzijn gericht op het individu, worden in beginsel geen
                    voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. </al><al>De gemeenteraad is bevoegd om te bepalen dat aanpassingen aan gemeenschappelijke
                    ruimten gelimiteerd worden (CRvB 02-11-2011, nr. 10/6238 WMO-T). Andere dan de
                    limitatief opgesomde voorzieningen hoeven niet verstrekt te worden. Een
                    uitzondering kan dus worden gemaakt voor de volgende voorzieningen:</al><al>• automatische deuropeners;</al><al>• hellingbanen; en</al><al>• extra trapleuningen</al><al>Zonder aanpassingen aan de gemeenschappelijke ruimten is de woning van de
                    persoon met beperkingen onbereikbaar.</al><lijst><li nr="d."><al>Woningen die niet geschikt of beschikbaar zijn om het gehele jaar te
                            bewonen kunnen niet dienen als hoofdverblijf als bedoeld in deze
                            Verordening. Daarom worden aan woningen of voor verhuizingen naar
                            woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen geen
                            woonvoorzieningen verstrekt (zie bijvoorbeeld CRvB 02-08-2011, nr.
                            09/4366 Wmo).</al></li><li nr="e."><al>Kenmerken toekomstige woonruimte.</al></li></lijst><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat
                    belanghebbenden geen aanspraak (meer) kunnen maken op woonvoorzieningen, hulp
                    bij het huishouden en in de meeste gevallen rolstoelen (art. 2 Wmo). Een
                    verhuiskostenvergoeding wordt geweigerd omdat deze niet bijdraagt aan het
                    bevorderen of behouden van de normale deelname aan het maatschappelijke verkeer.
                    Immers een verhuizing naar een AWBZ-instelling is juist vaak gelegen in de
                    oorzaak dat men niet meer zelfstandig kan wonen.</al><al>f.Aard van de materialen.</al><al>Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen of de
                    slechte staat van onderhoud aan de woning voor problemen zorgen. Denk
                    bijvoorbeeld aan de constructie van een houten vloer in de woning (CRvB
                    01-10-2003, nr. 02/2285 WVG) of een woning die niet voldoet aan de eisen van
                    deze tijd waaronder ook achterstallig onderhoud en de belanghebbende
                    belemmeringen ondervindt vanwege tocht en vocht.</al><al>g.Uitrustingsniveau.</al><al>Het uitrustingsniveau voor de sociale woningbouw is thans neergelegd in het
                    Bouwbesluit 20Woonvoorzieningen die op dat niveau worden verleend zijn van
                    voldoende kwaliteit. Deze bepaling staat in verband met de vraag of een
                    gevraagde woonvoorziening algemeen gebruikelijk is. Dat wil zeggen dat de
                    aanvrager, voor zover de woning niet voldoet aan de eisen, in beginsel de
                    woningeigenaar moet aanspreken om de voorziening te realiseren in of om de
                    woning. Is de aanvrager de eigenaar van de woning zal hij de voorziening zelf
                    moeten realiseren. Verder geldt dat woningen op dit niveau voldoende zijn qua
                    omvang gelet op wat nodig is voor het kunnen uitvoeren van elementaire
                    woonfuncties.</al><al/><al>Lid 11 Uitsluitingen</al><al>Een voorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als
                    zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als
                    zodanig aangemerkt worden. Eenuitzondering zijn aanpassingen aan
                    woonschepen en binnenschepen; deze komen weinig voor en worden apart geregeld in
                    artikel 10 lid 7 van deze Verordening. </al><al>Verder worden geen woonvoorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van
                    woongebouwen voor ouderen of gehandicapten of voorzieningen die, ook in de
                    wooneenheden in dergelijke gebouwen, bij nieuwbouw of renovatie zonder
                    noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Uitgangspunt is dat
                    woningen voor ouderen of gehandicapten toe- en doorgankelijk dienen te zijn voor
                    de doelgroep. Met name woningcorporaties hebben hierin een sociale taak. </al><al>Uitgangspunt bij vakantiewoningen is dat geen woonvoorzieningen worden
                    verstrekt. </al><tussenkop>Artikel 12. Beschikken over goederen voor primaire
                    levensbehoeften</tussenkop><al>Lid 1 beschrijft wat verstaan wordt onder het beschikken over goederen voor
                    primaire levensbehoeften. Het kunnen beschikken over goederen voor primaire
                    levensbehoeften betekent dat de dagelijks benodigde hoeveelheid voedsel voor
                    maaltijden en andere momenten waarop iets genuttigd wordt beschikbaar moet zijn.
                    Hetzelfde geldt voor toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Deze dagelijkse
                    benodigdheden kunnen op vele manieren in huis komen. Compensatie houdt niet in
                    dat de aanvrager zelf de boodschappen moet kunnen doen. Er zal in redelijkheid
                    gezocht worden naar een oplossing waarmee het resultaat bereikt wordt. Te denken
                    valt aan een boodschappenservice. Het College mag wel rekening houden met de
                    mogelijkheid dat belanghebbende boodschappen opspaart.</al><al>Het gaat niet alleen om de ingrediënten maar ook om de maaltijden zelf.
                    Compensatie betekent dat de aanvrager beschikt over de verschillende maaltijden
                    door de dag heen. Daarbij dient rekening te worden met medische geïndiceerde
                    diëten. Het te bereiken resultaat kan behaald worden via een maaltijdservice of
                    via het gebruik maken van gezamenlijke maaltijden. Ook kan het bereiden van
                    maaltijden worden overgenomen voor zover bijvoorbeeld de maaltijdservice niet
                    als compenserende maatregel kan worden aangemerkt.</al><al/><al>Lid 2 stelt welke hulpmiddelen gekozen kunnen worden om dit resultaat te
                    bereiken. Boodschappen kunnen op verschillende manieren gedaan worden. Er kan
                    gebruik gemaakt worden van beschikbare diensten, zoals boodschappenservice. Bij
                    afwezigheid van dergelijke diensten, of indien de kosten van de dienst, zowel
                    wat betreft producten als wat betreft extra bezorgkosten, dat niet
                    rechtvaardigen, kan gekozen worden voor het inzetten van hulp om de boodschappen
                    te doen. Daarbij zal goedkoopst-compenserend leidraad zijn. Ook hier is het te
                    bereiken resultaat van belang en is de manier waarop daaraan ondergeschikt.</al><al/><al>Lid 3 bepaalt dat een bruikbare boodschappenservice of bruikbare
                    maaltijdvoorziening die leidt tot het te bereiken resultaat voorliggend is op
                    eventueel verlenen van individuele voorzieningen. Om te bepalen of een
                    boodschappenservice of maaltijdvoorziening bruikbaar is, zal gekeken moeten
                    worden naar gezinssamenstelling, kosten en concrete beschikbaarheid. Is een
                    dergelijke voorziening niet beschikbaar, kan daar uiteraard geen gebruik van
                    worden gemaakt.</al><al>Lid 4 bepaalt dat indien een voorliggende oplossing aanwezig is, waarmee het
                    resultaat bereikt kan worden, er geen ruimte bestaat voor een individuele
                    voorziening.</al><tussenkop>Artikel 13. Beschikken over schone draagbare en doelmatige
                    kleding</tussenkop><al>Lid 1 </al><al>Gemeenten dienen aanvragers in staat te stellen te beschikken over schone,
                    draagbare en doelmatige kleding. Dit onderdeel is beperkt tot het verzorgen van
                    kleding die iemand in zijn bezit heeft. Begeleiding bij het kopen van kleding
                    valt niet onder de aanspraken van de compensatieplicht.</al><al>Lid 2 </al><al>Schone, draagbare en doelmatige kleding betekent dat er gewassen, gestreken en
                    eventueel gerepareerd moet kunnen worden, alles voor zover de belanghebbende
                    daartoe niet in staat is. Het wassen zal veelal gebeuren met de algemeen
                    gebruikelijke wasmachine. Ook het drogen van de was vindt indien mogelijk plaats
                    op moderne wijzen van drogen: de wasdroger. Voor zover het noodzakelijk is
                    kleding te strijken kan dit ook onder te compenseren problemen vallen. Daarbij
                    is weer uitgangspunt wat in de maatschappij algemeen gangbaar is.</al><al/><al>Lid 3 en 4.</al><al>Als er algemene, collectieve of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn, die
                    tot het te bereiken resultaat kunnen leiden, zal geen ruimte bestaan voor
                    individuele voorzieningen. Hierbij wordt uiteraard gekeken of er wel sprake is
                    van maatwerk.</al><tussenkop>Artikel 14. Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                    behoren</tussenkop><al>Lid 1 spreekt over de dagelijkse zorg van kinderen die tot het gezin behoren.
                    Hier worden minderjarige kinderen bedoeld die nog niet voor zichzelf kunnen
                    zorgen. </al><al>Lid 2 beschrijft mogelijke oplossingen. </al><al>Voor zover een ouder met beperkingen de dagelijkse zorg van kinderen die tot het
                    gezin behoren zelf (tijdelijk) niet kan oplossen en er geen sprake is van
                    gebruikelijke zorg kan er aanspraak bestaan op ondersteuning. Het College kan in
                    voorkomende gevallen ook beoordelen of het opnemen van zorgverlof tot het te
                    bereiken resultaat kan leiden. Compensatie is bedoeld als ondersteuning. Het zal
                    nooit gaan om volledige overname. In die situatie zullen andere oplossingen
                    gezocht moeten worden. Te denken valt aan algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    zoals kinderopvang.</al><al>Het ondersteunen bij de opvoeding in een ontregeld gezin valt onder de Wet op de
                    jeugdzorg en intensieve zorg voor gehandicapte kinderen, die de gebruikelijke
                    zorg overstijgt, valt onder de AWBZ.</al><al>Lid 3 biedt de mogelijke oplossingen waaronder gebruikelijke zorg. Het College
                    kan in voorkomende gevallen ook beoordelen of het opnemen van zorgverlof tot het
                    te bereiken resultaat kan leiden. Het thuis verzorgen van kinderen die tot het
                    gezin behoren zal veelal van kortere duur zijn. De compensatie van het niet zelf
                    verzorgen (en opvoeden) van tot het gezin behorende kinderen zal bij een langere
                    duur opgelost kunnen worden via algemeen gebruikelijke en algemene
                    voorzieningen. Soms zal tijdelijke compensatie van belang zijn om de ouder(s) de
                    gelegenheid te geven een definitieve oplossing te zoeken. Te denken valt aan
                    kinderopvang, gastouders, oppasgrootouders enz. </al><al>Lid 3 en 4.</al><al>Voor- tussen- en naschoolse opvang kinderopvang of andere opvangmogelijkheden
                    die in de individuele situatie van de aanvrager kunnen leiden tot het te
                    bereiken resultaat kunnen het verstrekken van een individuele voorziening
                    onnodig maken. Er zal dus altijd eerst beoordeeld moeten worden of er sprake is
                    van dit soort oplossingsmogelijkheden.</al><tussenkop>Artikel 15. Zich verplaatsen in en om de woning</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Het te bereiken resultaat betekent dat de aanvrager zich in om en nabij zijn
                    woning moet kunnen verplaatsen. Daarbij dient gedacht te worden aan het
                    verplaatsen in het kader van het wonen, waarbij de woning bij alle
                    verplaatsingen centraal staat. Alle andere verplaatsingen, die verder gaan dan
                    de woning (zoals het gaan posten van een brief, het op bezoek gaan bij een
                    buurman of het maken van een ommetje) horen bij het volgende te bereiken
                    resultaat: zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Bij deze verplaatsingen
                    horen wel de verplaatsing naar een centrale hal in een flat, waar veelal de
                    brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van de tuin.
                    Wat de tuin betreft moet het mogelijk zijn in die tuin te komen, de inrichting
                    van de tuin is een eigen verantwoordelijkheid.</al><al>In de woning moeten de normale woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken valt
                    daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de slaapvertrekken, het
                    toilet en de douche. Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen
                    worden, als belanghebbende deze daadwerkelijk gebruikt.</al><al>In principe zullen zolders zonder stahoogte, veelal bereikbaar zonder vaste
                    trap, met bijvoorbeeld een vlizotrap, niet onder de compensatieplicht
                    vallen.</al><al>Het doel hierbij is dat men zich in die ruimten zodanig kan verplaatsen en zich
                    daardoor zodanig kan redden dat normaal functioneren mogelijk is. Om dit
                    resultaat te bereiken wordt compensatie geboden in de vorm van hulpmiddelen. Een
                    voorbeeld is een rolstoel voor verplaatsingen door de ruimte. </al><al>De hulpmiddelen die het te bereiken resultaat kunnen bevorderen kunnen nieuw of
                    gebruikt zijn. Het is niet zo dat de compensatieplicht betekent dat iemand een
                    nieuwe voorziening moet ontvangen, de compensatieplicht betekent dat iemand met
                    de verstrekking het te bereiken resultaat moet kunnen bereiken.</al><al/><al>Lid 2.</al><al>In principe zal een hulpmiddel voor verplaatsing in, om en nabij het huis (onder
                    de Wmo valt in veel gevallen de rolstoel) verstrekt worden als men een
                    dergelijke voorziening voor dagelijks zittend gebruik nodig heeft. Aan een
                    dergelijke noodzaak kan een periode vooraf gaan waarin gebruik wordt gemaakt van
                    andere hulpmiddelen, (ooit) verstrekt op basis van de Zorgverzekeringswet of
                    AWBZ of zelf aangeschaft. </al><al>Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of
                    andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                    verplaatsingsprobleem.</al><al>Een rolstoel die incidenteel zal worden gebruikt valt niet onder deze bepaling.
                    Doorgaans wordt deze gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder
                    een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen
                    kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots, of
                    van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in
                    pretparken, dierentuinen en dergelijke. Uitgangspunt is dat een rolstoel alleen
                    verstrekt wordt indien die noodzakelijk is voor het dagelijks zittend
                    verplaatsen in, om en nabij de woning.</al><al/><al>lid 3 en 4.</al><al>Een rolstoelpool zou kunnen leiden tot een adequate oplossing voor het probleem
                    van het verplaatsen op andere plaatsen dan rond de woning. Daarom zal een
                    rolstoelpool een oplossing kunnen bieden voor diegenen die behoefte hebben aan
                    een oplossing voor incidenteel gebruik waarbij het gebruik niet in en om de
                    woning plaatsvindt.</al><al>Als daar sprake van is zal geen individuele voorziening worden verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 16. Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</tussenkop><al>Lid 1 en 2.</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal verplaatsen per
                    vervoermiddel bestaat uit het kunnen doen van dagelijkse boodschappen (bereiken
                    van winkels), het kunnen onderhouden van sociale contacten en het deelnemen aan
                    activiteiten, alles binnen de directe woon- en leefomgeving. Daarbij kan
                    onderscheidt worden gemaakt tussen het verplaatsen over de korte afstand rond de
                    woning en het verplaatsen over de langere afstand.</al><al>Als de directe woon- en leefomgeving wordt een afstand van 15-20 kilometer
                    rondom de woning als redelijk aangemerkt (dit komt overeen met vijf zones
                    openbaar vervoer). Wel is het zo dat de belanghebbende een minimaal aantal
                    basisvoorzieningen moeten kunnen bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld een
                    NS-station met dienstverlening, winkels voor het doen van boodschappen en het
                    ziekenhuis. De compensatieplicht is gericht op het lokale gebied waarin in
                    bovengenoemde aspecten te bereiken zijn. Wil de belanghebbende sociale contacten
                    onderhouden buiten de directe woon- en leefomgeving, dan geldt daarvoor het
                    landelijke vervoersysteem Valys (standaard- en hoog persoonsgebonden
                    kilometerbudget). Dit brengt mee dat voorzieningen bestemd om zich buiten de
                    eigen leefomgeving te kunnen verplaatsen of mee te nemen, zoals aanhangers en
                    oprijplaten, niet onder de compensatieplicht van het College vallen.</al><al>Artikel 2 Wmo bepaalt dat het College geen maatschappelijke ondersteuning (lees
                    ook voorziening) verleent als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van
                    een andere wettelijke aanspraak. Het moet gaan om een werkelijke aanspraak en
                    daarmee een afdwingbaar recht. Voorbeelden zijn AWBZ-vervoer, leefvervoer WIA en
                    vervoer ten behoeve van onderwijs. Voor medisch vervoer kan aanspraak bestaan op
                    het zittend ziekenvervoer op grond van de Zvw. Indien dat niet het geval is, dan
                    vallen ook bezoeken aan artsen, paramedici, specialisten en voor
                    ziekenhuisonderzoek onder de compensatieplicht van het College.</al><al>Lid 3 en 4.</al><al>De omvang van de te bieden compensatie ligt in beginsel op 1600 kilometer per
                    jaar. Het kan voorkomen dat er een grotere vervoersbehoefte bestaat. Het College
                    zal in het kader van maatwerk moeten beoordelen of dat voor de belanghebbende
                    onder zijn individuele normale deelname aan het maatschappelijk verkeer valt. </al><al>Ook bij de vervoersvoorzieningen kan een scootmobielpool een oplossing bieden
                    voor personen met een beperkte vervoersbehoefte op de korte afstand. Datzelfde
                    geldt voor het zogenaamde vraagafhankelijke vervoer van deur tot deur. Om
                    hierbij te komen tot maatwerk zal de vervoersbehoefte van de aanvrager
                    uitgangspunt zijn van de beoordeling welke voorziening nodig is om het te
                    bereiken resultaat te bereiken. Voor zover belanghebbende gebruik kan maken van
                    het reguliere openbaar vervoer of van (andere) algemeen gebruikelijke
                    vervoermiddelen komen individuele voorzieningen niet in beeld.</al><tussenkop>Artikel 17. De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel
                    te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                    activiteiten.</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om contacten te hebben
                    met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                    activiteiten bestaat uit het kunnen afleggen van bezoeken en het deelnemen aan
                    gewenste activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan familiebezoek, aan het
                    bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken van kerkdiensten, het deelnemen aan
                    het verenigingsleven, maar ook het volgen van cursussen om de vrije tijd op een
                    aangename wijze te kunnen invullen. Voorwaarden hiervoor zijn bijvoorbeeld het
                    zich kunnen verplaatsen naar deze bestemmingen. Daarvoor zal artikel 16 over het
                    algemeen een voldoende oplossing kunnen bieden.</al><al>Lid 2.</al><al>Als een vervoersvoorziening belanghebbende voldoende in staat stelt aan
                    activiteiten deel te nemen kan via artikel 16 het resultaat worden bereikt.</al><al>Lid 3 en 4.</al><al>Als sprake is van andere mogelijkheden, die het probleem op kunnen lossen, zal
                    er geen ruimte meer zijn voor individuele voorzieningen.</al><al>Lid 5 financiële tegemoetkoming sportvoorziening</al><al>Dit lid biedt de mogelijkheid om een financiële tegemoetkoming te verstrekken in
                    de kosten van aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening. Daarmee kan
                    deelgenomen worden aan recreatieve activiteiten en is het mogelijk contacten te
                    hebben met medemensen. </al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Verstrekking in natura, als persoonsgebonden budget en als
                    financiële tegemoetkoming, eigen bijdrage en eigen aandeel</tussenkop><al>Paragraaf 1. Verstrekking van voorzieningen</al><tussenkop>Artikel 18. Mogelijke verstrekkingswijzen</tussenkop><al>In dit artikel wordt allereerst behandeld in welke vormen voorzieningen
                    verstrekt kunnen worden. De mogelijkheden voorziening in natura of een
                    persoonsgebonden budget zijn voorgeschreven in artikel 6 Wmo. De financiële
                    tegemoetkomingen kunnen niet ontbreken omdat artikel 7 lid 2 Wmo spreekt over
                    een “financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in
                    of aan de woonruimte”.</al><al/><al>Paragraaf 2. Verstrekking in natura</al><tussenkop>Artikel 19. Inhoud beschikking</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt in lid 1 welke aspecten bij het verstrekken van een
                    voorziening in natura in de beschikking vastgelegd moeten worden.</al><al>Het gaat er daarbij allereerst om welke voorziening(en) aan de orde zijn. Dit
                    uiteraard in relatie tot de te bereiken resultaten. Vervolgens wordt aangegeven
                    wat de duur van de voorziening is: voor hoe lang wordt iets toegekend of hoe
                    lang moet men in principe de bepaalde voorziening kunnen gebruiken om het
                    resultaat te bereiken. Vervolgens is van belang te vermelden op welke wijze de
                    voorziening in natura verstrekt wordt. Als er sprake is van een overeenkomst
                    wordt deze overeenkomst vermeld.</al><al>Ook andere aspecten, speciaal aspecten die voor deze ene verstrekking gelden,
                    dienen in de beschikking opgenomen te worden.</al><al>Als een eigen bijdrage gevraagd wordt, komt dit in de beschikking te staan. Dit
                    betreft alleen het gegeven dat een eigen bijdrage gevraagd wordt. Hoe hoog de
                    eigen bijdrage is zal door het CAK bepaald worden en door het CAK bij
                    afzonderlijke beschikking worden opgelegd.</al><al/><al>Lid 2 spreekt voor zich.</al><al/><al>Paragraaf 3. Verstrekking als persoonsgebonden budget</al><tussenkop>Artikel 20. Overwegende bezwaren</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat die situaties waarin geen persoonsgebonden budget
                    verstrekt wordt.</al><al>Het College stelt in het Besluit vast in welke situaties in ieder geval sprake
                    is van overwegende bezwaren. Hiermee is niet beoogd om een limitatief stelsel in
                    het leven te roepen. Artikel 6 Wmo geeft het College de bevoegdheid te oordelen
                    over situaties waarin overwegende bezwaren aan de orde kunnen zijn.</al><al>Van overwegende bezwaren kan sprake zijn als vast staat dat belanghebbende niet
                    in staat is de gelden te beheren. Ook kan dit een situatie zijn waarin het gaat
                    om zeer kortdurende hulp bij het huishouden en het verstrekken van een
                    persoonsgebonden budget praktisch niet uitvoerbaar is. Ook het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer kan als het systeem in gevaar komen als vrijheid tot
                    keuze van een persoonsgebonden budget zou leiden tot leegloop een argument zijn
                    geen keuzevrijheid te bieden. </al><tussenkop>Artikel 21. Inhoud beschikking.</tussenkop><al>Lid 1 bepaalt wat er bij het verstrekken van een persoonsgebonden budget
                    vastgelegd moet worden in de beschikking. Het gaat daarbij allereerst om de
                    formulering van het te bereiken resultaat zodat helder is waarvoor het
                    persoonsgebonden budget gebruikt moet worden. </al><al>Als er een programma van eisen wordt verstrekt (waar is het geld voor bedoeld,
                    aan welke eisen moet voldaan zijn) wordt dat ook in de beschikking vastgelegd
                    onder bijvoeging van het program van eisen.</al><al>Vervolgens kan in de beschikking worden vastgelegd wat de omvang van het
                    persoonsgebonden budget is, welk bedrag men ontvangt, met vermelding hoe dat
                    bedrag tot stand is gekomen. Tot slot moet voor wat betreft de verantwoording
                    ook in de beschikking worden vastgelegd wat van degene tot wie de beschikking is
                    gericht in dit opzicht wordt verwacht.</al><al>Bij het vragen van een eigen bijdrage moet dit in de beschikking vermeldt
                    worden, waarbij meegenomen wordt dat het CAK de hoogte van de eigen bijdrage
                    vaststelt en per beschikking op zal leggen.</al><al>Paragraaf 4. Verstrekking van een financiële tegemoetkoming</al><tussenkop>Artikel 22. Inhoud beschikking</tussenkop><al>Lid 1 bepaalt ten aanzien van de financiële tegemoetkoming wat in de beschikking
                    vermeld wordt. Het gaat hier allereerst om de vermelding van het te bereiken
                    resultaat waarvoor de financiële tegemoetkoming gebruikt dient te worden.
                    Daarnaast moet vermeld worden voor welke duur, voor welke periode de financiële
                    tegemoetkoming verstrekt wordt en tenslotte dient hier vermeld te worden of er
                    een overeenkomst van toepassing is op deze verstrekking. Uiteraard moet ook de
                    hoogte van de financiële tegemoetkoming vermeldt worden.</al><al>Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming bestaat de mogelijkheid
                    een eigen aandeel te vragen. Indien dit van toepassing is dient dit in de
                    beschikking vermeld te worden. </al><al/><al>Paragraaf 5 Eigen bijdrage en eigen aandeel</al><tussenkop>Artikel 23. Eigen bijdragen of eigen aandeel.</tussenkop><al>De hoogte en omvang wordt geregeld in het Besluit voorzieningen maatschappelijke
                    ondersteuning Zevenaar 2014. Uiteraard worden de grenzen van het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning in acht genomen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en
                    besluitvorming, intrekking en terugvordering</tussenkop><tussenkop>Artikel 24. Advisering</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Het spreekt voor zich dat het college bevoegd is de aanvrager te verzoeken om
                    inlichtingen en/of gegevens in verband met het onderzoek naar de aanspraak op
                    een voorziening. Als daar aanleiding voor is biedt artikel 24 daartoe de
                    mogelijkheid. Het gaat om gegevens en bescheiden waarover de aanvrager
                    redelijkerwijs kan beschikken. De medewerkingsplicht ligt in het verlengde van
                    de inlichtingenplicht. Voorbeelden van medewerkingsverplichting zijn het gehoor
                    geven aan een oproep van de medisch adviseur of het - via een machtiging -
                    toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of
                    specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg
                    hebben dat het College het recht op een voorziening niet kan vaststellen.
                    Daarbij geldt wel dat het College het recht op een voorziening niet op andere
                    wijze dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan
                    vaststellen (CRvB 17-10-2012, BY0448 Wmo).</al><al>De plicht om gehoor te geven aan de medewerkingsplicht geldt voor zowel de
                    belanghebbende als voor zijn huisgenoten. De medewerkingsplicht voor huisgenoten
                    geldt als aannemelijk is dat door hen geen of slechts beperkt gebruikelijke zorg
                    kan worden verleend als bedoeld in de Verordening.</al><al/><al>Lid 2 geeft de situaties weer waarin een adviesinstantie (over het algemeen een
                    medisch adviseur) om advies gevraagd zal worden.</al><al>Dat kan in ieder geval van belang zijn als het gaat om een aanvraag van een
                    persoon die nog niet bij de gemeente bekend is. In die situatie is het van groot
                    belang te weten wat de aard van de problemen is en welke prognose er bestaat.
                    Dit kan van belang zijn bij de bepaling van de voorzieningen om de gewenste
                    resultaten te bereiken.</al><al>Is de aanvrager bekend, maar is er sprake van gewijzigde omstandigheden, dan kan
                    er ook aanleiding zijn een advies op te vragen. Dat zal zeker het geval zijn als
                    die gewijzigde omstandigheden een andere kijk op de te bereiken resultaten
                    rechtvaardigen.</al><al>Uiteraard zal er een medisch advies moeten zijn bij een afwijzing op medische
                    gronden. En er kunnen zich situaties voordoen dat er anderszins behoefte bestaat
                    aan een medisch advies als er bijvoorbeeld onduidelijkheid is over de
                    beperkingen of de prognose. Verder geldt indien de voorziening het bedrag van €
                    20.000,- te boven gaat dat het College altijd om advies vraagt.</al><tussenkop>Artikel 25. Wijziging situatie</tussenkop><al>Dit artikel voorziet erin dat bij een gewijzigde situatie de plicht bestaat het
                    College hiervan op de hoogte te stellen als men kan vermoeden dat dit invloed
                    kan hebben op de verstrekte voorziening. Verder zal bij overlijden het recht op
                    een voorziening stopgezet kunnen worden en dienen de erven dit zo snel mogelijk
                    te melden. Uiteraard kan de gemeente in deze situatie ook via het GBA kennis
                    hebben van deze omstandigheid.</al><al>Maar andere omstandigheden kunnen minder gemakkelijk kenbaar zijn voor de
                    gemeente. In die situatie kan men op basis van dit artikel verwachten dat
                    wijzigingen worden doorgegeven. </al><tussenkop>Artikel 26. Intrekking</tussenkop><al>Een besluit, genomen op basis van deze Verordening of hieraan voorafgaande
                    verordeningen, kan in bepaalde omstandigheden geheel of gedeeltelijk ingetrokken
                    worden.</al><al>Dit zal gebeuren als bij de toekenning voorwaarden gesteld zijn en daar op enig
                    moment niet of niet meer aan is voldaan. In die situatie bestaat ook de
                    mogelijkheid tot terugvordering. Dat is in artikel 27 geregeld.</al><al>Ook de situatie dat beslist is op onjuist verstrekte gegevens biedt de
                    mogelijkheid een genomen beschikking geheel of ten dele in te trekken. Ook in
                    deze situatie kan terugvordering een mogelijkheid zijn.</al><al>Een beslissing tot verlening van een voorziening in de vorm van een
                    persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming wordt genomen met de
                    bedoeling dat men daar een voorziening mee treft of dat deze wordt ter
                    compensatie. Denk in dat laatste geval aan een verhuiskostenvergoeding. Als
                    binnen 12 maanden na het nemen van de beslissing de voorziening nog niet is
                    getroffen of het bedrag nog niet is besteed, is er ook de mogelijkheid een
                    beslissing geheel of ten dele in te trekken.</al><tussenkop>Artikel 27. Terugvordering en verrekening</tussenkop><al>Indien een besluit is ingetrokken kan tot terugvordering worden overgegaan. Een
                    voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden
                    budget kan worden teruggevorderd. </al><al>Terugvordering van een voorziening die bestaat uit een natura-verstrekking kan
                    ook als achteraf blijkt dat de verstrekking onterecht is geweest doordat er
                    onjuiste gegevens zijn verstrekt. Verder is het College bevoegd om bedragen die
                    zijn toegekend en betaald aan de leverancier van een natura voorziening van
                    belanghebbende terug te vorderen. </al><al>Verder kan het College een ten onrechte betaald bedrag terugvordering indien de
                    belanghebbende redelijkerwijs kon weten dat hij dit bedrag ten onrechte heeft
                    ontvangen. Denk bijvoorbeeld aan een administratieve fout.</al><al>Voor de rechtens afdwingbare invordering van de ten onrechte verstrekte
                    voorziening geldt een privaatrechtelijke procedure.</al><tussenkop>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 28. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van
                    de bepalingen van deze Verordening. Het kan zijn dat het college daarbij advies
                    nodig heeft. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de
                    belanghebbende.</al><al>Na het onderzoek tijdens de aanvraag zou het College aanleiding kunnen zien om
                    de hardheidsclausule toe te passen. In het algemeen geldt echter dat de
                    belanghebbende gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is en zal
                    dat voor het overige ook nader moet onderbouwen. Het College moet in voorkomende
                    gevallen motiveren waarom de hardheidsclausule wel of niet wordt toegepast.</al><tussenkop>Artikel 29. Indexering</tussenkop><al>Bepaalde bedragen zullen jaarlijks aangepast worden zonder dat het College hier
                    iets voor hoeft te doen. Te denken valt daarbij aan de bedragen voor de eigen
                    bijdrage en het eigen aandeel. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
                    Sport zal deze bedragen jaarlijks aanpassen. Het College is op basis van dit
                    artikel ook bevoegd eigen bedragen of het eigen aandeel aan te passen.</al><tussenkop>Artikel 30. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 31. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel regelt tenslotte hoe deze verordening geciteerd wordt.</al><al><sup>[1]</sup> Ontleend aan uitspraak CRvB 29-04-2009. LJN: BI6832. Dit is een
                    omgewerkt citaat uit de parlementaire behandeling in die uitspraak
                    geciteerd.</al><al><sup>[2]</sup> Overal waar in deze tekst de mannelijke vorm staat kan ook de
                    vrouwelijke vorm worden gelezen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>