<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR317561_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemeen verbindend voorschrift van de gemeenteraad van de gemeente Krimpen aan den IJssel houdende gemeentelijke regelgeving op het gebied van openbare orde en veiligheid Algemene Plaatselijke Verordening Krimpen aan den IJssel 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Krimpen aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Krimpen aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://www.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-110433.html">Gemeenteblad 2016, 110433</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening Krimpen aan den IJssel 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemw</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002458">DHW</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-08-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-04-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is opnieuw bekendgemaakt op 11 augustus 2016.</al><al>Deze regeling vervangt de Algemene plaatselijke verordening Krimpen aan den IJssel 2006.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening Krimpen aan den IJssel 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 20 augustus 2013; </al><al>Gelet op het bepaalde in de Gemeentewet en de Drank- en Horecawet; </al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de volgende </al><al><vet>Algemene Plaatselijke Verordening Krimpen aan den IJssel 2013</vet>,
                        onder gelijktijdige intrekking van de Algemene Plaatselijke Verordening
                        2006. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>weg:</al><lijst><li nr="1."><al>de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide</al><al>parkeerterreinen;</al></li><li nr="2."><al>de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke
                            pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en
                            andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken,
                            gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik
                            zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare
                            stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen
                            gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk
                            recht bevoegd is, zijn afgesloten;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>openbaar water: alle wateren die – al dan niet met enige beperking –
                            voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn;</al></li><li nr="c."><al>openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="d."><al>bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld
                                    op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="e."><al>rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap
                                    heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="f."><al>voertuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en
                            onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering
                            van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan
                                            drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten;</al></li><li nr="h."><al>woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd
                            of tot woning bestemd;</al></li><li nr="i."><al>bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening 2003 daaronder
                            wordt verstaan;</al></li><li nr="j"><al>gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet
                            daaronder wordt verstaan; </al></li><li nr="k."><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten,
                            waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;</al></li><li nr="l."><al>het college: burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="m."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                    lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="n."><al>wijkverbod: een door de burgemeester gegeven bevel om zich
                                    gedurende de in het verbod aangegeven periode niet op te houden
                                    in het aangegeven gebied.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning
                            of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. </al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht
                                    weken verdagen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist
                                    wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel
                                    2.1.5.1, zesde lid, artikel 2.1.5.2 of artikel 4.3.2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend
                            minder dan vijf weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of
                            ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te
                            behandelen.</al></li><li nr="2."><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of
                            ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten
                            hoogste twaalf weken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al>1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing
                            kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en
                            beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in
                            verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</al><al>2 Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing
                            is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen
                            na te komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden</al></li></lijst><al>na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen
                            dat</al><al>intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen
                            ter</al><al>bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;</al><al>c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen</al><al>niet zijn of worden nagekomen;</al><al>d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                            binnen een</al><al>daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn,
                            binnen een</al><al>redelijke termijn;</al><al>e.indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><al>1.Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing,
                                    onnodig op te</al><al>dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven
                                    tot wanordelijkheden.</al><al>2.Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval waardoor
                                    er wanordelijkheden</al><al>ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van
                                    publiek aanleiding gevende</al><al>gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te
                                    ontstaan, dan wel</al><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op een daartoe</al><al>strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de</al><al>door hem aangewezen richting te verwijderen.</al><lijst><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op
                                            openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid
                                            of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het
                                            derde lid gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                            betogingen, vergaderingen en</al></li></lijst><al>godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld
                                    in de Wet</al><al>openbare manifestaties.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Optochten en betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.1</nr><titel>Optochten (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.2</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><al>1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden,</al><al>moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 4
                                    weken voordat</al><al>de betoging zal worden gehouden, schriftelijk kennis geven aan
                                    de burgemeester,</al><al>met inachtneming van wat in artikel 2.1.2.4, eerste lid,
                                    hierover is bepaald.</al><al>2.Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld
                                    in artikel 1, eerste lid,</al><al>juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.3</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel
                                    2.1.2.2, eerste lid,</al><al>genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in
                                    behandeling nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.4</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging
                                                  houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en
                                                  het tijdstip van aanvang en</al></li></lijst></li></lijst><al>van beëindiging;</al><al>d.de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats
                                    van</al><al>beëindiging;</al><lijst><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                            samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig</al></li></lijst><al>verloop te bevorderen.</al><al>2.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van</al><al>de kennisgeving is vermeld.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3.1</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                        stukken of</titel></kop><al><vet>afbeeldingen</vet></al><al>1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek</al><al>te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of
                                    bekend te maken op</al><al>of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten
                                    daarvan.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot
                                            bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden
                                            of het aan huis bezorgen</al></li></lijst><al>van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.</al><al>4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.1</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d. (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.2</nr><titel>Dienstverlening (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.3</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><al>1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar,</al><al>filmoperateur of gids op te treden op of aan door de
                                    burgemeester aangewezen</al><al>wegen of gedeelten daarvan.</al><al>2.De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en</al><al>uren.</al><lijst><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het
                                            verbod.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig
                                            beschikken) van toepassing.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.1</nr><titel>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of
                                    een weggedeelte</al><al>anders te gebruiken dan overeenkomstig de bestemming
                                    daarvan.</al><lijst><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing
                                            op:</al><lijst><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze
                                                  geen gevaar of hinder kunnen</al></li></lijst></li></lijst><al>opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële
                                    doeleinden</al><al>worden gebruikt;</al><al>b.zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor
                                    voetgangers</al><al>bestemde gedeelte van de weg en mits:</al><al>-geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte
                                    bevindt;</al><al>en</al><al>-geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat,
                                    zich op</al><al>minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde
                                    gedeelte</al><al>van de weg bevindt;</al><lijst><li nr="-"><al>geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande
                                            gevel reikt;</al><lijst><li nr="c."><al>de voorwerpen of stoffen, die
                                                  noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg</al></li></lijst></li></lijst><al>gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits
                                    degene die de</al><al>werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat
                                    onmiddellijk na</al><al>het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de
                                    voorwerpen of</al><al>stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd
                                    is;</al><lijst><li nr="d."><al>voertuigen;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                            worden geopenbaard;</al></li><li nr="f."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;</al></li><li nr="g."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.2, vijfde
                                            lid;</al></li><li nr="h."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.</al><lijst><li nr="3."><al>Het is verboden op, aan, over of boven de weg
                                                  voorwerpen of stoffen waarop</al></li></lijst></li></lijst><al>gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                    brengen of te</al><al>hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie
                                    of plaats van</al><al>bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor
                                    de bruikbaarheid</al><al>van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    danwel een belemmering</al><al>vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al><al>4.Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder
                                    weg verstaan wat artikel</al><al>1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al><lijst><li nr="5."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                            geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan
                                                  de weg, gevaar oplevert</al></li></lijst></li></lijst><al>voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig
                                    gebruik</al><al>daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig
                                    beheer en</al><al>onderhoud van de weg;</al><al>b.indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                    verband met de</al><al>omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al><al>c.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                    gebruikers</al><al>van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><lijst><li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen
                                            voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover
                                            dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2,
                                            eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene
                                            bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="7."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in
                                            het daarin geregelde onderwerp</al></li></lijst><al>wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                                    Wegenverordening</al><al>Zuid-Holland.</al><al>8.De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet
                                    voor zover in het daarin</al><al>geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet.</al><lijst><li nr="9."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt
                                            niet voor bouwwerken.</al></li><li nr="10."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt
                                            niet voor zover in het geregelde</al></li></lijst><al>onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.2</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                        veranderen van een weg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                            vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan
                                            op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard
                                            of breedte van de wegverharding te veranderen of
                                            anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg
                                            van een weg.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                            verstaan wat artikel 1 van de</al></li></lijst><al>Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle
                                    niet-openbare</al><al>ontsluitingswegen van gebouwen.</al><lijst><li nr="3."><al>De vergunning wordt verleend</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag,
                                                  indien de activiteiten zijn verboden bij een
                                                  bestemmingsplan, beheersverordening,
                                                  exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;</al></li><li nr="b."><al>oor het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                            zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                            door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer</al></li></lijst><al>rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, het Provinciaal
                                    wegenreglement, </al><al>de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening. </al><al>5.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het
                                    leggen, omleggen,</al><al>vernieuwen, herstellen en verwijderen van kabels en buizen met
                                    toebehoren in wegen</al><al>door een bedrijf dat zich in het kader van de openbare
                                    voorzieningen bezighoudt met</al><al>de levering van gas, elektriciteit, water en warmte.</al><al>6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beschikken)
                                    van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.3</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd
                                            gezag:</al></li><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                            uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                            weg.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                            verstaan wat artikel 1 van de</al></li></lijst><al>Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al><lijst><li nr="3."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt
                                            geweigerd</al></li><li nr="-"><al>indien door het maken of veranderen van een uitweg het
                                            verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht</al></li><li nr="-"><al>het maken of veranderen van een uitweg zonder noodzaak
                                            ten koste gaat van</al></li></lijst><al>een openbare parkeerplaats; </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>indien door het maken of veranderen van een
                                                  uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze
                                                  wordt aangetast; </al></li><li nr="b."><al>indien er sprake is van een uitweg van een
                                                  perceel dat al door een andere uitweg wordt
                                                  ontsloten, en de aanleg van de tweede uitweg ten
                                                  koste gaat van een openbare parkeerplaats of het
                                                  openbaar groen</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in
                                            het daarin geregelde onderwerp</al></li></lijst><al>wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de
                                    Waterschapskeur of</al><al>de Wegenverordening Zuid-Holland.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.1</nr><titel>Veroorzaken van gladheid (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.2</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>1.De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                    beschikking stelt, mede ten</al><al>behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is
                                    verplicht ze te voorzien</al><al>van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de
                                    in de omgeving</al><al>van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg
                                    achtergelaten winkelwagentjes</al><al>terstond te verwijderen of te doen verwijderen.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.3</nr><titel>Hinderlijke beplanting of voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                    hebben op zodanige wijze</al><al>dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of
                                    daaraan op andere wijze hinder</al><al>of gevaar oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.4</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan</al><al>of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare
                                    nutsvoorziening, te openen,</al><al>onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.5</nr><titel>Kelderingangen e.d. (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.6</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><al>1.Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden
                                    dan wel in</al><al>duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan
                                    gedurende de door het</al><al>college aangewezen periode.</al><al>2.Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of</al><al>binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de
                                    open lucht betreft,</al><al>brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen
                                    of te laten liggen.</al><al>3.Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet
                                    voor zover in het daarin</al><al>geregelde onderwerp wordt voorzien door het bepaalde in artikel
                                    429, aanhef en</al><al>onder 3º, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                    zover het roken plaatsvindt</al><al>in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al>1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde</al><al>deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad,
                                    puntdraad of andere</al><al>scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan
                                    2,2 meter boven</al><al>dat gedeelte van de weg.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    prikkeldraad, schrikdraad,</al><al>puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand
                                    dan 0,25 m uit de</al><al>uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van
                                    een afscheiding zijn</al><al>aangebracht.</al><al>3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de</al><al>Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al><al>4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een
                                    voorwerp te hebben dat</al><al>niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.9</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><al>1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat</al><al>bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het
                                    college,</al><al>voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar
                                    verkeer of de</al><al>openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd
                                    of verwijderd.</al><al>2.Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld
                                    in het eerste lid zijn</al><al>besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen
                                    van een voorwerp,</al><al>bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.</al><al>3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet,
                                    of de</al><al>Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.10</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><al>1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                    weerszijden van voor</al><al>stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen</al><al>voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn
                                    aan te merken als</al><al>bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen indien de</al><al>elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat
                                    toelaat.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten
                                    die deel uitmaken van de</al><al>hoogspanningslijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.11</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                            beschadigen, te verontreinigen, te</al></li></lijst><al>versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te
                                    belemmeren of in</al><al>gevaar te brengen;</al><al>b.bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                    geplaatst op de</al><al>onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te
                                    beschadigen of</al><al>op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te
                                    belemmeren.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de
                                    Vaarwegenverordening Zuid-</al><al>Holland.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek
                                toegankelijke</al><al>verrichting van vermaak, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                        de Gemeentewet</al></li></lijst><al>en artikel 5.2.4 van deze verordening;</al><lijst><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet
                                        gelegenheid geven</al></li></lijst><al>tot dansen;</al><al>e.betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                openbare</al><al>manifestaties;</al><al>f.activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.2.1, 2.1.4.1, 2.1.4.2,
                                2.1.4.3 en 2.3.3.1</al><al>van deze verordening.</al><al>2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid,
                                een optocht, niet zijnde een betoging zoals bedoeld in artikel
                                2.1.2.2 van deze</al><al>verordening, op de weg, een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd
                                op of aan de weg. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                evenement te</al><al>organiseren.</al><lijst><li nr="2."><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al></li><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li><li nr="3."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig
                                        beschikken) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2a</nr><titel>Meldingsplichtige evenementen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Geen vergunning is vereist voor een evenement, indien:</al></li><li nr="a."><al>Het aantal aanwezigen niet meer dan 50 personen
                                        bedraagt;</al></li></lijst><al>b De activiteit op een werkdag of een zaterdag plaatsvindt tussen
                                10.00 uur en 24.00 uur of op een zon- of feestdag tussen 13.00 uur
                                en 23.00 uur; </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="c."><al>Er geen muziek ten gehore wordt gebracht op een
                                                werkdag of een zaterdag vóór 10.00 uur en na 23.00
                                                uur en op een zon- of feestdag vóór 13.00 uur en na
                                                22.00 uur;</al></li><li nr="d."><al>De activiteit geen overmatige geluidshinder
                                                veroorzaakt;</al></li><li nr="e."><al>De activiteit geen gebruiksmelding op grond van het
                                                Besluit Brandveilig gebruik bouwwerken
                                                (Gebruiksbesluit) vereist met uitzondering van die
                                                gevallen waarbij de aanvrager ten tijde van de
                                                melding al beschikt over een gebruiksvergunning op
                                                grond waarvan het evenement kan plaatsvinden; </al></li><li nr="f."><al>De activiteit geen of zeer geringe beperking van het
                                                gebruik van de openbare weg veroorzaakt en het niet
                                                noodzakelijk is om verkeersmaatregelen te treffen en
                                                de activiteit geen belemmering vormt voor het
                                                verkeer en de hulpdiensten;</al></li><li nr="g."><al>Er slechts kleine objecten worden geplaatst, met een
                                                oppervlakte van minder dan 10 m2 per object;</al></li><li nr="h."><al>De activiteit niet bedrijfsmatig is en om niet wordt
                                                georganiseerd; </al></li><li nr="i."><al>De activiteit plaatsvindt onder verantwoordelijkheid
                                                van één organisator; </al></li><li nr="j."><al>Omwonenden vooraf worden geïnformeerd over de
                                                activiteit. In de kennisgeving moeten de
                                                activiteiten, de begin- en eindtijd en een
                                                telefoonnummer van een contactpersoon worden
                                                vermeld; </al></li><li nr="k."><al>De straat of buurt schoon na afloop van de
                                                activiteit schoon wordt opgeleverd. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De organisator dient de activiteit tenminste 10 werkdagen,
                                        voorafgaand aan het </al><al> evenement, te melden aan de burgemeester.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan na ontvangst van de melding besluiten
                                        een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te
                                        vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare
                                        veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                        komt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1.Onder openbare inrichting wordt verstaan, een inrichting als
                                    bedoeld in artikel 1, eerste</al><al>lid , van de Drank- en Horecawet waarin het horecabedrijf wordt
                                    uitgeoefend, zomede de daarbij behorende terrassen</al><lijst><li nr="2."><al>Onder openbare inrichting wordt voorts verstaan, de voor
                                            publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen
                                            of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende
                                            terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken
                                            die niet uitsluitend als winkel of woning worden
                                            gebruikt, alsmede de niet voor publiek toegankelijke
                                            lokaliteiten welke voor het publiek op de weg bereikbaar
                                            zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel
                                            5.2.3, voor zover daar regelmatig of op gezette
                                            tijden:</al></li><li nr="a."><al>gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei
                                            eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te
                                            verbruiken;</al></li><li nr="b."><al>amusement of ontspanning wordt aangeboden, met
                                            uitzondering van een speelautomatenhal, of</al></li><li nr="c."><al>voorstellingen of vertoningen van porno-erotische aard
                                            worden gegeven dan wel door middel van automaten
                                            dergelijke voorstellingen of vertoningen kunnen worden
                                            gegeven.</al></li><li nr="3."><al>Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
                                            besloten ruimte van de</al></li></lijst><al>inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar sta- of
                                    zitgelegenheid kan worden</al><al>geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden
                                    geschonken of spijzen</al><al>voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</al><al>4.Onder exploitant wordt in deze paragraaf verstaan: degene die
                                    een openbare inrichting</al><al>exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2.3.1.2 of
                                    2.3.1.3.</al><lijst><li nr="5."><al>Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:</al></li><li nr="a."><al>de gezinsleden van de exploitant, alsmede zijn elders
                                            wonende bloed- en</al></li></lijst><al>aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en
                                    met de derde</al><al>graad;</al><al>b.de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                    artikel 438 van het</al><al>Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438,
                                    derde lid,</al><al>van het Wetboek van Strafrecht;</al><al>c.de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                    dringende redenen</al><al>noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>Exploitatievergunning openbare inrichting</titel></kop><al>1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de</al><al>burgemeester.</al><lijst><li nr="2."><al>De burgemeester weigert of trekt de vergunning in
                                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vestiging of de exploitatie van de openbare
                                                  inrichting in strijd is met een geldend
                                                  bestemmingsplan of met een stadsvernieuwingsplan
                                                  of een leefmilieuverordening in de zin van de Wet
                                                  op de stads- en dorpsvernieuwing.</al></li><li nr="b."><al>de exploitant of beheerder van de inrichting
                                                  onder curatele staat, </al></li><li nr="c."><al>de exploitant of beheerder van de inrichting is
                                                  ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij, </al></li><li nr="d."><al>de exploitant of beheerder van de inrichting
                                                  niet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft
                                                  bereikt, </al></li><li nr="e."><al>de exploitant of beheerder van de inrichting in
                                                  enig opzicht van slecht levensgedrag is. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk
                                            weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of
                                            gedeeltelijk intrekken, of wijzigen, indien:</al></li><li nr="a."><al>naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het
                                            woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting
                                            door de aanwezigheid van de inrichting nadelig wordt
                                            beïnvloed, </al></li><li nr="b."><al>aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken
                                            is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
                                            activiteiten in of vanuit de inrichting, die gevaar
                                            kunnen veroorzaken voor de openbare orde of een
                                            bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de
                                            omgeving van de inrichting, </al></li><li nr="c."><al>de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de
                                            inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn
                                            inrichting strafbare feiten worden gepleegd, </al></li><li nr="d."><al>de exploitant of beheerder zich schuldig maakt aan
                                            discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid,
                                        </al></li><li nr="e."><al>zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben
                                            voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven
                                            van de inrichting gevaar kan veroorzaken voor de
                                            openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of
                                            leefklimaat in de omgeving van de inrichting, </al></li><li nr="f."><al>er sprake is van een gewijzigde exploitatie of een
                                            wijziging van exploitant waarvoor geen nieuwe vergunning
                                            is aangevraagd, of </al></li><li nr="g."><al>er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen
                                            werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of
                                            krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                            Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, </al></li><li nr="h."><al>indien blijkt dat de vergunning als gevolg van onjuiste
                                            of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend; </al></li><li nr="i."><al>indien de exploitant of beheerder van de inrichting de
                                            bepalingen in deze paragraaf, dan wel de voorschriften
                                            behorende bij de vergunning, overtreedt. </al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde
                                            weigeringsgrond houdt de</al></li></lijst><al>burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk,
                                    waarin het</al><al>horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de
                                    openbare inrichting, de</al><al>spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of
                                    bloot zal komen te</al><al>staan door de exploitatie van de openbare inrichting en de wijze
                                    van bedrijfsvoering door de exploitant of beheerder van de
                                    inrichting in deze of andere openbare inrichtingen. </al><al>5.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de
                                    burgemeester in geval van</al><al>een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer
                                    bij de openbare inrichting </al><al>behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over
                                    de</al><al>ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.</al><al>6.Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de
                                    burgemeester de in het</al><al>vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van
                                    een of meer bij de openbare inrichting horende terrassen
                                    weigeren:</al><al>a.indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel
                                    gevaar</al><al>oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig
                                    en veilig</al><al>gebruik daarvan;</al><al>b.indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                    doelmatig beheer en</al><al>onderhoud van de weg.</al><lijst><li nr="c."><al>indien het gebruik afbreuk doet aan andere publieke
                                            functies van de openbare ruimte, inclusief de
                                            bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan</al></li><li nr="7."><al>Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor
                                            zover in het daarin geregelde</al></li></lijst><al>onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatwerken of de</al><al>Wegenverordening Zuid-Holland.</al><al>8.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beschikken)
                                    niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2a</nr><titel>Eisen houder van een horecabedrijf (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>b Aanwezigheid van en toezicht door de exploitant van de
                                        openbare inrichting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers
                                            geopend te hebben, zonder dat de exploitant van de
                                            openbare inrichting aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant van een openbare inrichting is verplicht
                                            er voortdurend op toe te zien dat in de inrichting geen
                                            strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval
                                            de feiten</al></li></lijst><al>genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen zeden), XX
                                    (mishandeling), XXII (diefstal)</al><al>en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                    Strafrecht, in de</al><al>Opiumwet en in de Wet wapens en munitie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>c Vergunningaanvraag</titel></kop><al>1.De burgemeester stelt nadere regels vast omtrent de gegevens
                                    en bescheiden die bij</al><al>de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd.</al><lijst><li nr="2."><al>Per openbare inrichting wordt niet meer dan één aanvraag
                                            tegelijk in behandeling genomen.</al></li><li nr="3."><al>De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de
                                            exploitant van de openbare inrichting en op naam gezet
                                            van de exploitant van de openbare inrichting; de
                                            vergunning is niet overdraagbaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>d Beslistermijn</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2 beslist de
                                    burgemeester binnen twaalf weken na</al><al>de datum waarop hij de aanvraag met de bijbehorende gegevens en
                                    bescheiden heeft</al><al>ontvangen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste twaalf
                                    weken worden verdaagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>e Geldigheidsduur exploitatievergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in
                                        artikel 2.3.1.2, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van
                                        drie jaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en
                                        het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën van
                                        horecabedrijven een andere geldigheidsduur vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>f Beëindiging van de exploitatie</titel></kop><al>1.De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van
                                    de openbare inrichting feitelijk</al><al>heeft beëindigd.</al><al>2.Uiterlijk binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                    exploitatie, geeft de</al><al>houder daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>g Wijziging exploitatie</titel></kop><al>De exploitatie kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
                                    exploitant, indien de</al><al>burgemeester heeft besloten een nieuwe vergunning te
                                    verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>h Verplichting tot aanwezigheid van de
                                        exploitatievergunning in de openbare inrichting</titel></kop><al>De exploitant van een openbare inrichting is verplicht:</al><al>a.de exploitatievergunning of een afschrift daarvan, in de
                                    openbare inrichting aanwezig te</al><al>hebben;</al><al>b.de vergunning op eerste vordering ter inzage af te geven aan
                                    een toezichthouder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2.</nr><titel>i Handel in openbare inrichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de
                                            handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene
                                            maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste
                                            lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant van de openbare inrichting laat niet toe
                                            dat een handelaar of een voor hem</al></li></lijst><al>handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft,
                                    verkoopt of op enig andere </al><al>wijze overdraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.3</nr><titel>Opheffing vergunningplicht</titel></kop><al>1.De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel
                                    2.3.1.2 niet geldt voor een of</al><al>meer in dat besluit aangeduide soorten openbare inrichtingen in
                                    de gehele gemeente dan</al><al>wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de
                                    gemeente.</al><al>2.De exploitatie van een openbare inrichting waarop een besluit
                                    als bedoeld in het eerste lid</al><al>van toepassing is, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon-
                                    en leefsituatie in</al><al>de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde niet
                                    op ontoelaatbare wijze</al><al>nadelig worden beïnvloed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.4</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><al>1.Het is de houder van een openbare inrichting verboden dit voor
                                    bezoekers geopend te</al><al>hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten
                                    verblijven:</al><al>op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en
                                    op zaterdag en</al><al>zondag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.</al><al>2.De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift
                                    andere</al><al>sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare
                                    inrichting of een daartoe behorend</al><al>terras.</al><al>3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde</al><al>onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde
                                    voorschriften.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.5</nr><titel>Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</titel></kop><al>1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of</al><al>gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner
                                    beoordeling, voor</al><al>een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de
                                    krachtens artikel 2.3.1.4 geldende</al><al>sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.6</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting</titel></kop><al>Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende
                                    de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge
                                    een op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit </al><al>gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.7</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting de orde te
                                    verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.8</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1.1
                                    geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet,
                                    treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd
                                    bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1.2 tot en met
                                    2.3.1.5.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>1.inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de
                                    uitoefening van beroep of</al><al>bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of
                                    gelegenheid tot kamperen</al><al>wordt verschaft;</al><al>2.houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin
                                    de feitelijke leiding heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.2</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                    houden van een inrichting</al><al>staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan
                                    schriftelijk kennis te geven aan de</al><al>burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.3</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al> (<vet>vervallen</vet>) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.4</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                    kampeerder is verplicht</al><al>onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar
                                    waarheid zijn of haar naam,</al><al>adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking,
                                    dag van aankomst, alsmede</al><al>de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.1</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><al>1.Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke</al><al>gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                                    bedrijfsmatig is de</al><al>mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld
                                    of in geld</al><al>inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al><al>2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te</al><al>exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van
                                    toepassing op:</al><al>a.speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste
                                    lid, onder b,</al><al>van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;</al><al>b.speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de
                                    Kamer van</al><al>Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al><al>c.speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                    kleine</al><al>kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen
                                    te beoefenen,</al><al>of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de
                                    Wet op de</al><al>kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a,
                                    van de Wet op</al><al>de kansspelen te verrichten.</al><lijst><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al></li><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                            woon- en</al></li></lijst><al>leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                    openbare orde op</al><al>ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie
                                    van de</al><al>speelgelegenheid;</al><al>b.indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is
                                    met een geldend</al><al>bestemmingsplan.</al><al>4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beschikken)
                                    niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.2</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                            a, van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c, van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de</al></li></lijst><al>Wet;</al><al>e.laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                    30, onder e, van de</al><al>Wet.</al><al>2.In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                    toegestaan, waarvan</al><al>maximaal twee kansspelautomaten.</al><al>3.In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                    toegestaan, met dien</al><al>verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn
                                    toegestaan.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><al>1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                gesloten woning,</al><al>een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of
                                dat lokaal behorend</al><al>erf te betreden.</al><al>2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten
                                voor publiek</al><al>toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al><al>3.Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                woning of het</al><al>lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.</al><al>4.De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                bedoelde verboden</al><al>ontheffing te verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><al>1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat
                                vanaf de weg</al><al>zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al><al>2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                rechthebbende op de weg of</al><al>op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar
                                is:</al><al>a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan
                                te plakken,</al><al>te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen
                                aanbrengen;</al><al>b.met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding,
                                letter, cijfer of</al><al>teken aan te brengen of te doen aanbrengen.</al><al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien gehandeld wordt</al><al>krachtens wettelijk voorschrift.</al><al>4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen</al><al>en bekendmakingen.</al><al>5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                gebruiken voor het</al><al>aanbrengen van handelsreclame.</al><al>6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van
                                de</al><al>meningsuitingen en bekendmakingen.</al><al>7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                toestemming is verplicht die</al><al>aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter
                                inzage af te</al><al>geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><al>1.Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar
                                water te vervoeren</al><al>of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,
                                kleur- of verfstof of</al><al>verfgereedschap.</al><al>2.Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                of gereedschappen</al><al>niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als
                                verboden in artikel 2.4.2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4a</nr><titel>Verbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te
                                    vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk
                                    toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te
                                    vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid
                                    bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4b</nr><titel>Mosquito op openbare plaatsen</titel></kop><al>1.De burgemeester kan besluiten tot plaatsing van een apparaat, dat
                                een hoge zoemtoon</al><al>voortbrengt die alleen jongeren tot circa 26 jaar kunnen horen, op
                                een door hem aangewezen openbare plaats waar structurele overlast
                                door jongeren wordt veroorzaakt, voor een periode van zes maanden,
                                inden dit in het belang van het handhaven van de </al><al>openbare orde en het woon- en leefklimaat noodzakelijk is. </al><al>2.Na het verstrijken van de in het eerste lid bepaalde termijn wordt
                                de Mosquito</al><al>verwijderd. Verlenging van de termijn is slechts dan mogelijk indien
                                uit een evaluatie nadrukkelijk blijkt dat de inzet van de Mosquito
                                gelet op de handhaving van de openbare </al><al>orde en het woon- en leefklimaat noodzakelijk is. </al><al>3.De aanwezigheid van het apparaat als bedoeld in het eerste lid is
                                op duidelijke wijze</al><al>kenbaar voor een ieder die de desbetreffende openbare plaats
                                betreedt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te
                                bevinden in of op bij</al><al>de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen,
                                plantsoenen,</al><al>groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of
                                paden.</al><al>2.Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><al>1.Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                rubberbanden te rijden over</al><al>de berm, de glooiing of de zijkant van een weg.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien dat rijden door de</al><al>omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover
                                in het daarin</al><al>geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken of</al><al>de Wegenverordening Zuid-Holland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een
                                        beeld, monument,</al></li></lijst><al>overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig,
                                hekheining of</al><al>andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                straatmeubilair;</al><al>b.zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers
                                of</al><al>bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of
                                hinder</al><al>wordt veroorzaakt.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het
                                daarin geregelde</al><al>onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het
                                Wetboek van</al><al>Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><al>1.Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te
                                gebruiken indien dit</al><al>gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het
                                woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast
                                veroorzaken.</al><lijst><li nr="2."><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door
                                        het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                        gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                        alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor</al></li><li nr="a."><al>een terras dat deel uitmaakt van een inrichting als bedoeld
                                        in artikel 1 van de</al></li></lijst><al>Drank – en Horecawet;</al><al>b.De plaats, niet zijnde een inrichting als bedoeld onder a,
                                waarvoor een ontheffing</al><al>geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                        houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                        drempel van een</al></li></lijst><al>gebouw te zitten of te liggen.</al><al>2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van
                                flatgebouwen,</al><al>appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                gebouwen die voor</al><al>publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te
                                bevinden in een voor</al><al>gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden</al><al>in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel,
                                wachtlokaal voor een</al><al>openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het</al><al>publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te
                                bezigen voor een ander</al><al>doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan</al><al>tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw
                                dan wel in de ingang</al><al>van een portiek indien:</al><al>a.dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                gebruiker van dat gebouw of</al><al>dat portiek;</al><al>b.daardoor die ingang versperd wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen</al><al>zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college
                                of de burgemeester</al><al>aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst
                                of plechtigheid</al><al>gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de
                                bezoekers van het</al><al>terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                gebouw,</al><al>woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze
                                persoon</al><al>dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip
                                bevindende</al><al>persoon, te bespieden.</al><al>2.Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een
                                gebouw, woonwagen</al><al>of woonschip bevindende persoon te bespieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.14</nr><titel>Bewakingsapparatuur (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.15</nr><titel>Nodeloos alarmeren (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.16</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>(<vet>vervallen</vet>) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.17</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><al>1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te</al><al>laten lopen:</al><al>a.op de weg, zoals bedoeld in artikel 1.1, onder a, sub 1, zonder
                                dat die hond `</al><al>aangelijnd is;</al><al>b.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte</al><al>kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het
                                college</al><al>aangewezen plaats;</al><al>c.op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een
                                ander</al><al>identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet
                                kennen.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een
                                hond zich vanwege</al><al>zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als
                                zodanig</al><al>aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van
                                een hond deze</al><al>aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.18</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><al>1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                dat die hond zich</al><al>niet van uitwerpselen ontdoet:</al><al>a.op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor
                                het</al><al>verkeer van voetgangers;</al><al>b.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte</al><al>kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;</al><lijst><li nr="c."><al>op een andere door het college aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste
                                        lid gestelde gebod wordt</al></li></lijst><al>opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor
                                draagt dat de</al><al>uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.19</nr></kop><al><vet>Gevaarlijke honden </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                        gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder
                                        van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en
                                        muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft op een
                                        openbare plaats of op het terrein van een ander.</al></li><li nr="2."><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                        verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met
                                        een lengte, gemeten van de hand tot de halsband, van ten
                                        hoogste 1,50 meter</al></li><li nr="3."><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                        verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf
                                        die:</al></li><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van
                                        beide stoffen;</al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals
                                        is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van een mens
                                        niet mogelijk is; en</al></li><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                        afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de
                                        bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
                                        aanwezig zijn</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.4.17. eerste lid
                                        onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid
                                        voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op
                                        aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van
                                        een microchip die met een chipreader afleesbaar is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.20</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of
                                        opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid
                                        aangewezen plaatsen, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide
                                        dieren:</al></li><li nr="a."><al>aanwezig te hebben; dan wel</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                        hen ter</al></li></lijst><al>voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare
                                gezondheid</al><al>gestelde regels; dan wel</al><al>c.aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is
                                aangegeven</al><al>of mede is aangegeven; dan wel </al><lijst><li nr="d."><al>te voeren</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                        plaats een daarbij</al></li></lijst><al>aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan
                                wel aanwezig</al><al>te hebben anders dan met inachtneming van de door het college
                                gestelde regels, dan</al><al>wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is
                                aangegeven.</al><al>3.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                binnen een</al><al>krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente
                                ontheffing verlenen</al><al>van het in het tweede lid gestelde verbod.</al><al>4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.21</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.22</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat</al><al>niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
                                verplicht ervoor te</al><al>zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg
                                niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.23</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>1.De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die
                                duiven niet kunnen</al><al>uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te
                                bepalen tijdvak dat</al><al>ligt tussen 1 maart en 1 juli.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gesteld gebod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp</al></li></lijst><al>wordt voorzien door de Provinciale ophokverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.24</nr><titel>Bijen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bijen te houden:</al></li><li nr="a."><al>binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere
                                        gebouwen waar</al></li></lijst><al>overdag mensen verblijven;</al><lijst><li nr="b."><al>binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op
                                        een afstand van ten hoogste</al></li></lijst><al>zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht
                                van twee meter</al><al>hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit - en
                                invliegen van de bijen</al><al>te voorkomen.</al><al>3.Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                niet voor zover de</al><al>bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld
                                in dat lid.</al><al>4.Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt
                                niet voor zover in het</al><al>daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening
                                Zuid-Holland.</al><al>5.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.25</nr><titel>Hinder door dieren</titel></kop><al>Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor
                                een omwonende of</al><al>overigens voor de omgeving hinder ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.26</nr><titel>Hinder door bromfietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig
                                te gedragen, dat</al><al>daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder
                                ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.27</nr><titel>Hinder door vrachtauto’s</titel></kop><al>1.Het is verboden een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder a,
                                van het Reglement</al><al>verkeersregels en verkeerstekens op zodanige wijze te beladen of te
                                lossen dat</al><al>daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving
                                (geluid)hinder wordt</al><al>veroorzaakt.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.28</nr><titel>Carbidschieten</titel></kop><al>1.Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen
                                calciumcetylide</al><al>(carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op
                                explosieve</al><al>wijze te ontbranden.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                        ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin
                                        geregelde onderwerp wordt</al></li></lijst><al>voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de
                                Wet</al><al>milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het
                                Wetboek van</al><al>Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.29</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a.handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene
                                maatregel van</al><al>bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                Strafrecht;</al><al>b.verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op
                                andere wijze</al><al>overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de
                                handelaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><al>1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte
                                of ongeregelde</al><al>goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een
                                doorlopend en een</al><al>door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin
                                vermeldt hij</al><al>onverwijld:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                        goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor
                                        zover dat mogelijk</al></li></lijst><al>is – soort, merk en nummer van het goed;</al><lijst><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van
                                        het goed;</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                        verkregen.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                        verplichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                                    van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht </al><al>a.de burgemeester binnen drie dagen in kennis te stellen:</al><al> 1<sup>e</sup> dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                vermelding van zijn woonadres en het </al><al> adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;</al><al> 2<sup>e</sup> van een verandering van de onder a, sub
                                1<sup>e</sup>, bedoelde adressen; </al><al> 3<sup>e</sup> als hij het beroep van handelaar niet langer
                                uitoefent; </al><al> 4<sup>e</sup> dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs
                                uit een misdrijf afkomstig is of voor de </al><al> rechthebbende verloren is gegaan; </al><lijst><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Handel in horecabedrijven (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:</al><al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels</al><al>met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                                (Vuurwerkbesluit) van</al><al>toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens
                                    de</titel></kop><al><vet>verkoopdagen</vet></al><al>1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk</al><al>ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen
                                aanwezig</al><al>te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente
                                waar het bedrijf</al><al>is of zal worden gevestigd.</al><al>2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd
                                in het belang van</al><al>de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van
                                overlast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2.</nr></kop><al><vet>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens
                                    de</vet></al><al><vet>Verkoopdagen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                        nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen
                                        dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden
                                        zonder een vergunning van het college</al></li><li nr="2."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend
                                        voor de duur van een jaar.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan het college de
                                        vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde
                                        tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten
                                        of wijzigen indien:</al></li><li nr="a."><al>in of vanuit het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet
                                        of zich feiten hebben voorgedaan waardoor de openbare orde
                                        en veiligheid of het woon- en leefklimaat in de omgeving van
                                        het vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed;</al></li><li nr="b."><al>de exploitant of de beheerder betrokken is bij of ernstige
                                        nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of
                                        strafbare feiten in of vanuit het vuurwerkverkooppunt, dan
                                        wel toestaat of gedoogt dat in het vuurwerkverkooppunt
                                        strafbare feiten worden gepleegd of activiteiten
                                        plaatsvinden waarmee de openbare orde of het woon- en
                                        leefklimaat nadelig wordt beïnvloed;</al></li><li nr="c."><al>de exploitant of beheerder in enig opzicht van slechts
                                        levensgedrag is;</al></li><li nr="d."><al>de vestiging of de exploitatie van het vuurwerkverkooppunt
                                        in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend
                                        ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening,
                                        een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="e."><al>de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat
                                        kan veroorzaken;</al></li><li nr="f."><al>geen melding is gedaan op grond van het Vuurwerkbesluit</al></li><li nr="4."><al>De vergunningaanvraag wordt ingediend door de exploitant van
                                        de inrichting</al></li><li nr="5."><al>De vergunning is in de inrichting aanwezig</al></li><li nr="6."><al>De vergunning vervalt:</al></li><li nr="a."><al>indien de beslissing op een aanvraag om een nieuwe
                                        vergunning van kracht is geworden;</al></li><li nr="b."><al>zodra de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk is
                                        beëindigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><al>1.Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                college in het</al><al>belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen
                                plaats.</al><al>2.Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een
                                voor publiek</al><al>toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of
                                overlast kan</al><al>veroorzaken.</al><al>3.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor
                                zover in het daarin</al><al>geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder
                                1, van het</al><al>Wetboek van Strafrecht.</al><al>4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al><al>(<vet>wordt geschrapt</vet>) </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten</al><al>of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of
                                op een voertuig te</al><al>bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het
                                kennelijke doel om middelen</al><al>als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen</al><al>betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij
                                behulpzaam te zijn of daarin te</al><al>bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Verzamelingen van personen in verband met drugs</titel></kop><al>1.Het is verboden op of aan wegen, die door de burgemeester zijn
                                aangewezen indien</al><al>de openbare orde dat in verband met het openlijke gebruik van en/of
                                de handel in</al><al>middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, naar
                                zijn oordeel</al><al>noodzakelijk maakt, aan een verzameling van meer dan vier personen
                                deel te nemen.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet als de
                                verzameling personen geen</al><al>verband houdt met het openlijk gebruik van en/of de handel in
                                middelen als bedoeld</al><al>in de artikel 2 en 3 van de Opiumwet.</al><al>3.Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in
                                het eerste lid</al><al>bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een
                                ambtenaar van politie</al><al>zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te
                                verwijderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Openlijk drugsgebruik (vervallen</titel></kop><al>) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Weggooien van spuiten e.d.</titel></kop><al>Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals
                                naalden, reservoirs, zuigers</al><al>en dergelijke of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare
                                weg dan wel in</al><al>afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van
                                het voorwerp te doen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het</al><al>tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen
                                op een door hem</al><al>aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikelen
                                2.1.1.1, 2.1.2.1, 2.4.7,</al><al>2.4.9, 2.4.10 en 2.6.3 groepsgewijs niet naleven.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8A</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                                Drank- en Horecawet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8a.1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>alcoholhoudende drank ,</al></li><li nr="-"><al>paracommerciële rechtspersoon,</al></li></lijst><al>dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8a.2</nr><titel>Regulering paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een paracommercieel rechtspersoon kan, onverminderd het bepaalde
                                    in artikel 2.3.1.4, alcoholhoudende drank uitsluitend
                                    verstrekken vanaf een uur voor de aanvang en tot uiterlijk een
                                    uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in
                                    verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende
                                    drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en
                                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet
                                    rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende
                                    rechtspersoon betrokken zijn.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9.1</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van</al><al>de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij
                                ernstige vrees voor het</al><al>ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen
                                voor het publiek</al><al>openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Verblijfsontzeggingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10.1</nr><titel>Wijkverboden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en
                                    veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, het
                                    voorkomen of beperken van aantastingen van het woon-of
                                    leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de
                                    gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of
                                    de openbare orde verstorende handelingen verricht een verbod
                                    opleggen om zich te bevinden in het in dat verbod aangewezen
                                    gebied gedurende een in het verbod neergelegde periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de
                                    burgemeester aan degenen aan wie eerder een wijkverbod als
                                    bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie
                                    wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of de
                                    openbare orde verstorende handelingen verricht, een verbod
                                    opleggen om zich gedurende een in dat wijkverbod genoemd tijdvak
                                    van ten hoogste dertig dagen ten bevinden in het in het verbod
                                    aangewezen gebied.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een wijkverbod krachtens het tweede lid kan slechts worden
                                    opgelegd indien strafbare feite of andere de openbare orde
                                    verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van
                                    een eerder wijkverbod, opgelegd op basis van het eerste of
                                    tweede lid, zijn geconstateerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde
                                    wijkverboden, indien dat in verband met de persoonlijke
                                    omstandigheden noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd wijkverbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11.1</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid eveneens ten aanzien van andere, door de raad aan te wijzen
                                    openbare plaatsen.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a.<cursief>prostitutie: </cursief>het zich beschikbaar stellen tot
                                het verrichten van seksuele handelingen</al><al>met een ander tegen vergoeding;</al><al>b.<cursief>prostituee: </cursief>degene die zich beschikbaar stelt
                                tot het verrichten van seksuele</al><al>handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>c.<cursief>seksinrichting: </cursief>de voor het publiek
                                toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig</al><al>of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen
                                worden verricht, of</al><al>vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een
                                seksinrichting</al><al>worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                sekstheater, een</al><al>parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                erotische massagesalon,</al><al>al dan niet in combinatie met elkaar;</al><al>d.<cursief>escortbedrijf: </cursief>de natuurlijke persoon, groep
                                van personen of rechtspersoon die</al><al>bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                prostitutie aanbiedt die op</al><al>een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al>e.<cursief>sekswinkel: </cursief>de voor het publiek toegankelijke,
                                besloten ruimte waarin hoofdzakelijk</al><al>goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen
                                te worden</al><al>verkocht of verhuurd;</al><al>f.<cursief>exploitant: </cursief>de natuurlijke persoon of personen
                                of rechtspersoon of rechtspersonen die</al><al>een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot
                                vertegenwoordiging van die</al><al>rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of
                                personen;</al><al>g.<cursief>beheerder: </cursief>de natuurlijke persoon of personen
                                die de onmiddellijke feitelijke leiding</al><al>uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf;</al><lijst><li nr="h."><al><cursief>bezoeker: </cursief>degene die aanwezig is in een
                                        seksinrichting, met uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
                                        6.2;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
                                        wegens dringende</al></li></lijst><al>redenen noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd
                                    bestuursorgaan<cursief>: </cursief>het college of, voor zover
                                het</al><al>betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
                                erven als bedoeld in</al><al>artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het
                                college over de uitoefening</al><al>de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder</al><al>vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.</al><lijst><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in
                                        ieder geval vermeld:</al></li><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder;</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf en;</al></li><li nr="d."><al>de locatie van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li><li nr="3."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig
                                        beschikken) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder:</al></li><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                        ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant
                                        en de beheerder niet:</al></li><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                        Strafrecht in een</al></li></lijst><al>psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a
                                van het</al><al>Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;</al><al>b.binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot
                                een</al><al>onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                rechter in</al><al>Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint
                                Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een
                                andere</al><al>rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel
                                tot</al><al>voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het
                                Wetboek van</al><al>Strafvordering is toegelaten;</al><al>c.binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                uitspraken</al><al>onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van
                                €500 of</al><al>meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste
                                lid, onder a</al><al>van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens
                                overtreding</al><al>van:</al><al>1.bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet,
                                de</al><al>Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;</al><al>2.de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                249,</al><al>250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater
                                en</al><al>453 van het Wetboek van Strafrecht;</al><al>3.de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel
                                8 of</al><al>juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al><al>4.de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                de</al><al>kansspelen;</al><lijst><li nr="5."><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></li><li nr="6."><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                        gelijk gesteld:</al></li><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel
                                        74, tweede lid onder</al></li></lijst><al>a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a
                                van de</al><al>Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan
                                €375</al><al>bedraagt;</al><lijst><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                        straf.</al></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                        wordt:</al></li><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                        datum van</al></li></lijst><al>beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al><al>b.bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                van de</al><al>intrekking van deze vergunning.</al><al>5.De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen
                                exploitant of</al><al>beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor
                                ten minste een</al><al>maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de
                                vergunning</al><al>bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij
                                aannemelijk is dat hem</al><al>terzake geen verwijt treft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben en daarin</al><al>bezoekers toe te laten of te laten verblijven:</al><lijst><li nr="a."><al>op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 07.00
                                        uur;</al></li><li nr="b."><al>op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 07.00uur.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als
                                        bedoeld in artikel 1.4</al></li></lijst><al>voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden
                                vaststellen.</al><al>3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                bevinden gedurende</al><al>de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede
                                lid, dan wel krachtens</al><al>artikel 3.2.4, eerste lid, gesloten dient te zijn.</al><al>4.Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                voorzover in het daarin</al><al>geregelde onderwerp wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer
                                gebaseerde</al><al>voorschriften.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><al>1.Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen
                                of in geval van</al><al>strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd
                                bestuursorgaan:</al><al>a.tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of tweede
                                lid, geldende</al><al>sluitingsuren vaststellen;</al><al>b.van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                gedeeltelijke of</al><al>algehele sluiting bevelen.</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                bestuursrecht,</al><al>maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde
                                besluit openbaar</al><al>bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben, zonder dat de</al><al>ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of
                                beheerder in de</al><al>seksinrichting aanwezig is.</al><al>2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien
                                dat in de</al><al>seksinrichting:</al><al>a.geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                feiten</al><al>genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX
                                (mishandeling), XXII</al><al>(diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek
                                van</al><al>Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en</al><al>b.geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het
                                bij of</al><al>krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><al>1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze,</al><al>passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te
                                lokken:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of
                                        gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                        tijden.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod, kan door</al></li></lijst><al>politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een
                                bepaalde</al><al>richting te verwijderen.</al><al>3.Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen
                                kan door</al><al>politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en
                                tijden bedoeld in</al><al>het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een
                                bepaalde richting te</al><al>verwijderen.</al><al>4.De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede
                                lid, genoemde</al><al>belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven
                                als bedoeld in</al><al>het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn,
                                anders dan in een</al><al>openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de
                                tijden</al><al>bedoeld in het eerste lid.</al><al>5.De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod
                                indien dat in verband</al><al>met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk
                                is.</al><al>6.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegd</al><al>verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.7</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te</al><al>exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde
                                of de woon- en</al><al>leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.8</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische</titel></kop><al><vet>goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><al>1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop</al><al>goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                stukken dan wel</al><al>afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te
                                stellen, aan te</al><al>bieden of aan te brengen:</al><al>a.indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft</al><al>bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                aanbrengen</al><al>daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar
                                brengt;</al><al>b.anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                het</al><al>belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                regels.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                het tentoonstellen,</al><al>aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen,
                                gedrukte of</al><al>geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het
                                openbaren van</al><al>gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                Grondwet.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><al>1.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2 neemt het bevoegd
                                bestuursorgaan het</al><al>besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.2.1,
                                eerste lid, binnen</al><al>twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al><al>2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                twaalf weken</al><al>verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                        geweigerd indien:</al></li><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                        3.2.2 gestelde</al></li></lijst><al>eisen;</al><al>b.de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf in strijd</al><al>is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of</al><al>leefmilieuverordening;</al><al>c.er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                personen</al><al>werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 250a van het
                                Wetboek van</al><al>Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                of de</al><al>Vreemdelingenwet bepaalde.</al><al>2.De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de
                                aanwijzing of</al><al>vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, eerste lid, kan worden
                                geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                        overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting
                                        van de woon- en</al></li></lijst><al>leefklimaat;</al><lijst><li nr="d."><al>in het belang van de veiligheid van personen of
                                        goederen;</al></li><li nr="e."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                        prostituee.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al>1.De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                vergunning vermelde</al><al>exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf feitelijk heeft</al><al>beëindigd.</al><al>2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                geeft de exploitant</al><al>daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid,
                                onder b, het beheer in</al><al>de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd,
                                geeft de exploitant</al><al>daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer
                                schriftelijk</al><al>kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al><al>2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                indien het bevoegd</al><al>bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de
                                verleende</al><al>vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen.
                                Het bepaalde in</al><al>artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al>3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                beheer worden</al><al>uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een
                                aanvraag als</al><al>bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag
                                is besloten.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor
                            het</titel></kop><structuurtekst><al><vet>uiterlijk aanzien van de gemeente</vet></al></structuurtekst><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of B als bedoeld in het
                                        Besluit</al></li><li nr="c."><al>collectieve festiviteit: festiviteit of activiteit die niet
                                        specifiek aan een of een klein aantal inrichtingen is
                                        verbonden</al></li><li nr="d."><al>incidentele festiviteit: festiviteit die gebonden is aan een
                                        of een klein aantal inrichtingen is verbonden</al></li><li nr="e."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor
                                    door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                    festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                    dagdelen</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3.148 van het Besluit geldt niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing krachtens het eerste of tweede lid kan het
                                    college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer
                                    delen van de gemeente</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit onverwijld
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3.</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant van een inrichting kan maximaal zes incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar houden waarbij de artikelen 2.17,
                                    2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn mits de
                                    exploitant op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, voor de
                                    aanvang daarvan, doch uiterlijk om 22 uur het college kennis
                                    heeft gegeven van de festiviteit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een inrichting kan maximaal zes incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar houden waarbij artikel 3.148 van
                                    het Besluit niet van toepassing is mits de exploitant op de dag
                                    waarop de festiviteit plaatsvindt, voor de aanvang daarvan, doch
                                    uiterlijk om 22 uur, het college kennis heeft gegeven van de
                                    festiviteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer
                                    het hiervoor vastgestelde formulier volledig en naar waarheid is
                                    ingevuld en tijdig is ingeleverd op de plaats die op het
                                    formulier is vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of het Besluit op een zodanige wijze toestellen of
                                    geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder ontstaat</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                    openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                                    milieuverordening</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.6</nr><titel>(Geluid)hinder door bromfietser e.d.</titel></kop><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer zich met een</al><al>motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor
                                voor een omwonende of</al><al>overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.7</nr><titel>(Geluid)hinder door onversterkte muziek vanuit
                                    inrichtingen</titel></kop><al>In afwijking van artikel 2.18, eerste lid, onder f, van het Besluit
                                algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt onversterkte
                                muziek tussen 23 uur en 7 uur niet buiten beschouwing gelaten bij
                                het geluidsniveau van een openbare inrichting. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de</al><al>gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig
                                te parkeren of enig</al><al>ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide
                                tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen</al><al>buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen
                                    en</titel></kop><al><vet>putten buiten gebouwen</vet></al><al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich</al><al>niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de
                                veiligheid, nadeel voor de</al><al>gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor
                                anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;</al></li><li nr="b."><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op
                                        de stronk</al></li></lijst><al>uitlopen;</al><lijst><li nr="c."><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                        houtopstand;</al></li><li nr="d."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                        ingevolge</al></li></lijst><al>artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al><al>e.iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
                                ulmi</al><al>(Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);</al><al>f.iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
                                behorende tot de</al><al>soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en
                                Scolytus</al><al>pygmaeus.</al><al>2.In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                inbegrip van</al><al>verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of
                                ernstige</al><al>beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen
                                hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.2</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag
                                        houtopstand te vellen of te doen vellen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is slechts van
                                        toepassing op door het college</al></li></lijst><al>aangewezen waardevolle, beeldbepalende bomen, alsmede op bomen die
                                zich</al><al>bevinden in door het college aangewezen gebieden.</al><lijst><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor:</al></li><li nr="a."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                        landbouwgronden,</al></li></lijst><al>beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of
                                wilgen;</al><lijst><li nr="b."><al>vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen
                                        als kerstbomen en</al></li></lijst><al>geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;</al><lijst><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                        geveld;</al></li><li nr="f."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                        Bosschap</al></li></lijst><al>geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een
                                bebouwde</al><al>kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:</al><lijst><li nr="-"><al>ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;</al></li><li nr="-"><al>ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
                                        gerekend</al></li></lijst><al>over het totale aantalrijen;</al><al>g.houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet
                                of</al><al>krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks
                                onverminderd het</al><al>bepaalde in artikel 4.3.6;</al><al>h.houtopstand, waarvan de gemeente de eigenares of de rechthebbende
                                is,</al><al>wanneer het vellen daarvan gebeurt ter vervanging van verloren
                                gegane</al><al>beplanting op openbaar terrein;</al><al>i.houtopstand ten aanzien waarvan bij een geldend bestemmingsplan of
                                bij een</al><al>geldend voorbereidingsbesluit is bepaald dat het verboden is deze te
                                vellen</al><al>zonder schriftelijke vergunning van het college
                                (aanlegvergunning);</al><al>j.houtopstand in tuinen of erven behorende bij woningen welke niet
                                zichtbaar is</al><al>vanaf de openbare weg en niet voorkomt op de door het college
                                opgestelde</al><al>lijst van waardevolle tuin- of erfbomen.</al><al>4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beschikken) van
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><al>1.De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met
                                toestemming</al><al>van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die
                                krachtens</al><al>publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te
                                beschikken.</al><al>2.Wanneer het bureau LASER een afschrift heeft toegezonden van de
                                ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet,
                                beschouwt het bevoegd gezag dit afschrift</al><al>mede als een vergunningaanvraag. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3a</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan in elk geval worden geweigerd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                        dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.4</nr><titel>Vergunning ex lege</titel></kop><al>(Vervallen )</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.5</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan
                                        behoren dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig
                                        het door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden
                                        herplant.</al></li><li nr="2."><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven,
                                        dan kan daarbij tevens</al></li></lijst><al>worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke
                                wijze niet geslaagde</al><al>beplanting moet worden vervangen.</al><al>3.Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van
                                feitelijk nietgebruik</al><al>tot het moment van definitief worden van de vergunning, oftewel tot
                                het</al><al>moment dat:</al><al>a.de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is verstreken zonder dat
                                bezwaar</al><al>of beroep is ingediend;</al><lijst><li nr="b."><al>beslist is op een verzoek om een voorlopige
                                        voorziening;</al></li><li nr="c."><al>beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot
                                        voorlopige</al></li></lijst><al>voorziening is gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.6</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><al>1.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoel in deze
                                afdeling van toepas- sing is, zonder vergunning van het bevoegd
                                gezag is geveld dan wel op andere wijze te</al><al>niet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde
                                van de grond waarop </al><al>zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde
                                tot het treffen van </al><al>voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten
                                overeenkomstig de </al><al>door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het
                                bevoegd gezag te </al><al>stellen termijn. </al><al>2.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan
                                kan daarbij worden</al><al>bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze
                                niet geslaagde</al><al>beplanting moet worden vervangen.</al><al>3.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                deze afdeling van toe-</al><al>passing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het
                                bevoegd gezag aan de </al><al>zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt
                                dan wel aan </al><al>degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen
                                bevoegd is, de verplichting </al><al>opleggen om overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven
                                aanwijzingen binnen een </al><al>door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen,
                                waardoor die dreiging wordt weggenomen. </al><al>4.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en
                                met derde lid is</al><al>opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te
                                voldoen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.7</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4.3.2, artikel 4.3.5 of artikel 4.3.6 schade
                                lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
                                zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet
                                anderszins is verzekerd, </al><al>kent het bevoegd gezag hem op zijn verzoek een naar billijkheid te
                                bepalen </al><al>schadevergoeding toe. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.8</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><al>1.Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het
                                oordeel van het</al><al>college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor
                                vermeerdering</al><al>van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door
                                het college is</al><al>aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te
                                stellen termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen
                                        of zodanig te</al></li></lijst><al>behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.</al><al>2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                van geheel</al><al>ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4
                                cm, voorhanden</al><al>of in voorraad te hebben of te vervoeren. Het college kan ontheffing
                                verlenen van dit</al><al>verbod.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats
                                        buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in
                                        de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het
                                        uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                        opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de
                                        openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te
                                        slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:</al></li><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                        voer- of</al></li></lijst><al>vaartuigen of onderdelen daarvan;</al><lijst><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                        gewoonlijk</al></li></lijst><al>voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het
                                plaatsen of</al><al>aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                anderszins</al><al>voor een commercieel doel;</al><al>d.mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                verzameling</al><al>ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten,</al><al>afbraakmaterialen en oude metalen;</al><al>2.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de
                                Verordening</al><al>Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Handelsreclame</titel></kop><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 2.1
                                van de Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat
                                bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden
                                gebruikt voor recreatief nachtverblijf. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ontheffing kan worden geweigerd in het belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de openbare veiligheid;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de volksgezondheid;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de bescherming van het milieu;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 4.5.2, eerste lid, is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 4.5.2, vierde lid.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a.weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de
                                Wegenverkeerswet</al><al>1994;</al><lijst><li nr="b."><al>voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>fietsen, bromfietsen;</al></li></lijst><al>3 invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels
                                en</al><al>verkeerstekens 1990;</al><lijst><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen,
                                        rolstoelen.</al></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan
                                        gedurende de tijd die nodig</al></li></lijst><al>is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van
                                passagiers of voor</al><al>het onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><al>1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                gewoonte van maakt</al><al>voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te
                                verhandelen,</al><al>verboden:</al><al>a.drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                op de weg te</al><al>parkerenbinnen een cirkel met een straal van 25 meter met
                                als middelpunt een van deze voertuigen; dan wel</al><lijst><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                        verstaan:</al></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                        lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                        personen tegen</al></li></lijst><al>betaling.</al><lijst><li nr="3."><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                        gerekend:</al></li><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                        worden verricht</al></li></lijst><al>die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd
                                die nodig is</al><al>voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al><al>b.voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste
                                lid</al><al>genoemde persoon.</al><al>4.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2a</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen of
                                    weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel
                                    het te koop aan te bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het eerste lid bedoelde verbod ontheffing
                                    verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen</al><al>gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie
                                achtereenvolgende dagen op</al><al>de weg te parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
                                        rijtechnisch in onvoldoende</al></li></lijst><al>staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                toestand verkeert.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover de Wet
                                milieubeheer van</al><al>toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><al>1) Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                voor andere verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan op drie
                                achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben </al><al>2) Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod. </al><al>3) De ontheffing wordt in elk geval geweigerd indien het parkeren
                                naar het oordeel van het college buitensporig is met het oog op de
                                verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk voor het
                                uiterlijk aanzien van de gemeente. </al><al>4) Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in
                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                Wegenverordening Zuid-Holland of de Verordening Bescherming
                                Landschap en Natuur Zuid-Holland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                van handelsreclame,</al><al>op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee
                                handelsreclame te maken.</al><al>2.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van</al><al>meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter op de weg te
                                parkeren.</al><al>2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                ontheffing verlenen. Deze</al><al>ontheffing wordt in ieder geval geweigerd, indien het parkeren naar
                                zijn oordeel</al><al>buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                parkeerruimte of</al><al>schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><lijst><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op
                                        werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks tussen
                                        08.00 uur en 18.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op campers,
                                        kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze
                                        voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                        de weg worden geplaatst of gehouden.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan wegen of weggedeelten aanwijzen, waar het in
                                        afwijking van het in</al></li></lijst><al>het eerste lid gestelde verbod, is toegestaan om een aldaar bedoeld
                                voertuig te</al><al>parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                lengte heeft van meer</al><al>dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te
                                parkeren bij een</al><al>voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige
                                wijze dat</al><al>daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw
                                op hinderlijke</al><al>wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
                                aangedaan.</al><al>2.Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                gebruikt wordt voor het</al><al>uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het
                                voertuig ter</al><al>plaatse noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar
                                te parkeren waar</al><al>bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen
                                daarvan hinder of</al><al>overlast kunnen ondervinden.</al><al>2.Dit verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien</al><al>door de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.10</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door
                                dan wel deze te doen of</al><al>te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege
                                aangelegde</al><al>beplanting of groenstrook.</al><lijst><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al></li><li nr="a."><al>op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder a;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                        uitvoering van</al></li></lijst><al>werkzaamheden door of vanwege de overheid;</al><al>c.op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                terreinen die</al><al>mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</al><al>3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen
                                    of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde
                                    periode onafgebroken te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                inzameling van</al><al>geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te
                                bieden.</al><al>2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het
                                bij het</al><al>aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of
                                gedrukte</al><al>stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld
                                of goederen,</al><al>indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat
                                de opbrengst</al><al>geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                bestemd.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                inzameling die in besloten</al><al>kring gehouden wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.</nr><titel>Venten e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de openlucht gelegen plaats of aan huis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of
                                    geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden
                                    geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet, dit met uitzondering van door het college aangewezen
                                    openbare plaatsen of door het college aangewezen dagen en
                                    uren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het aan huis afleveren door of vanwege degene die dit doet ter
                                    exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Winkeltijdenwet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als
                                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet
                                    of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.2.4;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in
                                    artikel 5.2.3.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college te
                                    venten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het derde lid kan worden
                                    geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de vrijheid van het verkeer of de
                                    verkeersveiligheid;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                    of in een deel van de gemeente redelijkerwijs valt te verwachten
                                    dat door het verlenen van de vergunning een redelijk
                                    verzorgingsniveau ter plaatse in gevaar komt.’</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                    diensten aan te bieden, gebruik makend van fysieke middelen,
                                    zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                    Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                    2.2.2</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                    daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt
                                    ingenomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het derde lid kan worden
                                    geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de vrijheid van het verkeer of de
                                    verkeersveiligheid;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                    of in een deel van de gemeente redelijkerwijs valt te verwachten
                                    dat door het verlenen van de vergunning een redelijk
                                    verzorgingsniveau ter plaatse in gevaar komt;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met
                                    de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het derde lid wordt geweigerd
                                    wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Wet milieubeheer.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder e, geldt niet voor
                                    bouwwerken.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het verbod in het derde lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zuid-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4.</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder snuffelmarkt verstaan: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en
                                    onder h, van de Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een evenement als bedoeld in artikel 2.2.2</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod van het derde lid geldt niet voor ruimten die
                                    uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik
                                    zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het derde lid kan worden
                                    geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van een markt als bedoeld in artikel 160, eerste
                                    lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beschikken)
                                    van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><al>1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden
                                zonder</al><al>vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig,
                                op, in of boven</al><al>openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                voorwerpen waarop</al><al>gedachten of gevoelens worden geopenbaard.</al><al>3.Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop
                                gedachten of</al><al>gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te
                                hebben, indien</al><al>deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                bevestiging gevaar</al><al>opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het
                                doelmatig en</al><al>veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het
                                doelmatig beheer</al><al>en onderhoud van het openbaar water.</al><al>4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door de Scheepvaartverkeerswet, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de</al><al>Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Vaarwegenverordening
                                Zuid-Holland, de</al><al>Telecommunicatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><al>1<cursief>. </cursief>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats
                                in te nemen of te hebben dan wel een</al><al>ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het
                                college aangewezen</al><al>gedeelten van openbaar water.</al><al>2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                                een ligplaats</al><al>met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid
                                aangewezen gedeelten</al><al>van openbaar water:</al><al>a.nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                volksgezondheid,</al><al>veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;</al><lijst><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor
                                        zover in het daarin geregelde</al></li></lijst><al>onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                Binnenvaartpolitiereglement,</al><al>de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Vaarwegenverordening
                                Zuid-</al><al>Holland of de Verordening Bescherming Landschap en Natuur
                                Zuid-Holland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Nadere aanwijzingen bevoegd gezag</titel></kop><al>1.Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2
                                bepaalde kan het college</al><al>aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met
                                betrekking tot het</al><al>innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van
                                de openbare</al><al>orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien
                                van de gemeente.</al><al>2.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege
                                het college</al><al>gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                gebruik van een</al><al>ligplaats op te volgen.</al><al>3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in
                                het daarin geregelde</al><al>onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                Wet beheer</al><al>rijkswaterstaatswerken, de Vaarwegenverordening Zuid-Holland of de
                                Verordening</al><al>Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met</al><al>het krachtens de artikelen 5.3.2, tweede lid, en 5.3.3
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><al>1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te
                                brengen in de</al><al>toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens,
                                dijken, wallen, kaden,</al><al>trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                pompen,</al><al>waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of
                                sluizen.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken,</al><al>het Binnenvaartpolitiereglement of de Vaarwegenverordening
                                Zuid-Holland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water</al><al>aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor
                                dadelijk gebruik</al><al>ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><al>1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar
                                water ophoudt,</al><al>verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan
                                hinder of</al><al>gevaar kan ondervinden.</al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
                                beheer</al><al>rijkswaterstaatswerken of de Provinciale Vaarwegenverordening
                                Zuid-Holland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.8</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                vaartuig in</al><al>openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te
                                begeven of te</al><al>bevinden.</al><al>2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                vaartuig, liggend in of</al><al>aan een openbaar water, los te maken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in</titel></kop><structuurtekst><al><vet>natuurgebieden</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><al>1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                motorvoertuig als bedoeld</al><al>in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel
                                1, onderdeel i van het</al><al>Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan
                                wel, ter</al><al>voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                houden of te doen</al><al>houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of
                                een bromfiets</al><al>met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al><lijst><li nr="2."><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door
                                        het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij
                                        regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                        overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                        van de omgeving</al></li></lijst><al>en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al><al>c.in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                eerste lid</al><al>bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</al><al>3.Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan
                                wat artikel 1 van</al><al>de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al><al>4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit
                                geluidproductie sportmotoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.2</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><al>1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden,
                                parken,</al><al>plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te
                                rijden of zich te</al><al>bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z,
                                Reglement</al><al>verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in
                                artikel 1, onder</al><al>i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets
                                of een paard.</al><al>2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen
                                ten aanzien van het gebruik van</al><al>deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van natuur- of
                                        milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                        bestuurders van motorvoertuigen</al></li></lijst><al>en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:</al><al>a.ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening
                                en van</al><al>andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels
                                en</al><al>verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat</al><al>aangewezen hulpverleningsdiensten;</al><al>b.die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                exploitatie van de</al><al>door het college aangewezen plaatsen;</al><al>c.die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk
                                voorschrift</al><al>moeten worden uitgevoerd;</al><al>d.van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen
                                gelegen</al><al>binnen de door het college aangewezen plaatsen;</al><al>e.voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                de onder</al><al>d bedoelde personen.</al><lijst><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts
                                        niet:</al></li><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van
                                        de</al></li></lijst><al>Wegenverkeerswet 1994;</al><al>b.binnen de bij of krachtens de provinciale verordening
                                ‘Stiltegebieden’</al><al>aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of
                                krachtens</al><al>die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.</al><al>5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.1</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><al>1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                                inrichtingen in de</al><al>zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te
                                stoken of te</al><al>hebben.</al><lijst><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft:</al></li><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                        dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                        afvalstoffen</al></li></lijst><al>worden verbrand;</al><al>c.vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar,
                                overlast of</al><al>hinder voor de omgeving oplevert.</al><lijst><li nr="3."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>De ontheffing kan worden geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde en veiligheid;</al></li><li nr="b."><al>ter bescherming van de woon- en leefomgeving;</al></li><li nr="c."><al>ter bescherming van de flora en de fauna.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
                                        wordt voorzien door</al></li></lijst><al>artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht
                                of de Provinciale</al><al>milieuverordening.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Straatnaamborden, huisnummers e.d.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Gedoogplicht aanduidingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Verwijdering e.d. aanduidingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Vloekverbod</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.1</nr><titel>Vloekverbod</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in het openbaar de naam van God vloekende te
                                        gebruiken.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        gedachten of gevoelens</al></li></lijst><al>worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet of voor
                                zover het</al><al>Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als</al><al>bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of
                                nabestaande(n)</al><al>gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.2</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><al>1.Incidentele asverstrooiing is verboden op andere plaatsen dan op
                                de gemeentelijke</al><al>begraafplaats “Waalhoven”.</al><al>2.Het college kan een besluit nemen waarin de plaatsen genoemd in
                                het eerste lid voor</al><al>een bepaalde termijn worden onttrokken aan de mogelijkheid voor
                                asverstrooiing.</al><al>3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor
                                de asbus op</al><al>grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het
                                verbod voor het</al><al>verstrooien op andere plaatsen dan op de plaatsen genoemd in het
                                eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.3</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt.</al><al>voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                            gestraft met hechtenis</al><al>van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                            bovendien</al><al>worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                                verordening bepaalde zijn belast, de buitengewoon
                                opsporingsambtenaren van de Groenservice Zuid-Holland voor het
                                verzorgingsgebied van het Natuur- en recreatieschap Krimpenerwaard,
                                voor zover dit gebied behoort tot het grondgebied van de gemeente
                                Krimpen aan den IJssel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen
                                met dit toezicht belasten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de</al><al>bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken
                            tot handhaving van</al><al>de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de
                            gezondheid van</al><al>personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder
                            toestemming van de</al><al>bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                                    haar bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>De Algemene plaatselijke verordening Krimpen aan den IJssel 2006
                                    wordt</al></li></lijst><al>ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening
                            Krimpen aan den IJssel 2006, die golden op het moment van de
                            inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening
                            overeenkomstige bepalingen kent, gelden als besluiten genomen krachtens
                            deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening
                            Krimpen aan</al><al>den IJssel 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel in
                        zijn openbare vergadering van 14 november 2013 </ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>