<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR31752_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nijkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nijkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Stad Nijkerk, 13-03-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, art. 147, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0027779&amp;artikel=41">Wet investeren in jongeren, art. 41, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-03-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013-003A</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR353481_1">Afstemmingsverordening WWB 2013</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren
            </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Nijkerk;</al><al>gelezen het collegevoorstel van 6 oktober2009;</al><al>gelet op artikel 147 lid 1 van de Gemeentewet;</al><al>gelet op artikel 8 lid 1 sub b en artikel 18 van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al>gelet op artikel 41 lid 1 van de Wet investeren in jongeren;</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen de volgende</al><al><vet>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand en Wet investeren in
                            jongeren</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>WWB: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>WIJ: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="c."><al>Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                    inkomen; </al></li><li nr="d."><al>Uitkering: de norm als bedoeld in paragraaf 3.2 van de WWB,
                                    verhoogd of verlaagd conform de Verordening toeslagen en
                                    verlagingen Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren,
                                    dan wel de inkomensvoorziening als bedoeld in de artikelen 26
                                    tot en met 29 van de WIJ, verhoogd of verlaagd conform diezelfde
                                    verordening;</al></li><li nr="e."><al>Re-integratie: (al dan niet gedeeltelijke) uitstroom uit de WWB
                                    of WIJ, dan wel maatschappelijke participatie of sociale
                                    activering;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij anders is bepaald, wordt aan de in deze verordening gehanteerde
                            begrippen die betekenis toegekend die in de WWB respectievelijk WIJ is
                            aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1a</nr><titel>Wijziging betekenis begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Waar in deze verordening de begrippen 'alleenstaande', 'alleenstaande
                            ouder' en 'gezin' worden gebruikt, hebben deze vanaf 1 januari 2012
                            dezelfde betekenis als in artikel 4 van de WWB.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over 'gehuwde(n)' of
                            'gehuwdennorm' hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                            betekenis als 'gezin', bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                            'gezinsnorm', bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WWB.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend
                            besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het
                            bestaan dan wel de uit de artikelen 9, 17 en 55 WWB, artikel 44 en 45
                            WIJ, artikel 30c, tweede lid of derde lid van de Wet SUWI voortvloeiende
                            verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, of zich jegens het college
                            zeer ernstig misdraagt, wordt de uitkering overeenkomstig de bepalingen
                            van deze verordening verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                            omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op
                            de bijzondere bijstand indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                    toepassing van artikel 12 van de WWB; of </al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn
                                    aanspraak op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de duur en het percentage waarmee de bijzondere
                            bijstand wordt verlaagd vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot verlaging van uitkering</titel></kop><al>In het besluit tot verlagen van de uitkering worden in ieder geval vermeld:
                        de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee
                        de uitkering wordt verlaagd en -indien van toepassing - de reden om af te
                        wijken van een standaardverlaging als bedoeld in artikel 7 van deze
                        verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afzien van verlaging van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van verlaging van de uitkering indien de gedraging
                            meer dan één jaar voor constatering van die gedraging door het college
                            heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                            inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte
                            uitkering is verleend. Verlaging van de uitkering wegens schending van
                            de inlichtingenplicht vindt niet plaats na verloop van drie jaren nadat
                            de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van verlaging van de uitkering indien het
                            daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van verlaging van de uitkering op grond van
                            dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk
                            mededeling gedaan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de gedraging een schending van de inlichtingenplicht betreft,
                            ziet het college, onder het geven van een schriftelijke waarschuwing, af
                            van een verlaging indien die gedraging niet heeft geleid tot het ten
                            onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een uitkering, tenzij
                            het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt
                            binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder
                            aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden die tot gevolg hebben dat de verplichtingen
                        op grond van de artikelen 9, 17 en 55 van de WWB dan wel de artikelen 44 en
                        45 van de WIJ dan wel artikel 30 c, tweede en derde lid van de Wet SUWI niet
                        of onvoldoende zijn nagekomen, worden voor de toepassing van artikel 7
                        onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                                        het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van
                                        de registratie; </al></li><li nr="b."><al>het niet ondertekenen of het niet aan het college
                                        verstrekken van het ondertekende trajectplan.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                        naar de mogelijkheden tot re-integratie;</al></li><li nr="c."><al>het niet meewerken aan een plan tot arbeidsinschakeling.
                                    </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die re-integratie belemmeren; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door
                                        het college aangeboden voorziening gericht op re-integratie;
                                    </al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate voldoen aan een individueel
                                        opgelegde verplichting, die gericht is op
                                        re-integratie;</al></li><li nr="d."><al>het stellen van onredelijke eisen aan het verrichten van
                                        algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="e."><al>het niet meewerken aan behoud of bevorderen van
                                        arbeidsbekwaamheid;</al></li><li nr="f."><al>het niet naar beste vermogen verrichten van opgedragen
                                        werkzaamheden of activiteiten;</al></li><li nr="g."><al>het niet onderwerpen aan noodzakelijke behandeling van
                                        medische aard op medisch advies;</al></li><li nr="h."><al>het niet voldoen aan individueel opgelegde verplichtingen op
                                        grond van artikel 55 WWB.</al></li><li nr="i."><al>het onvoldoende meewerken door een belanghebbende jonger dan
                                        27 jaar aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een
                                        plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de WWB.</al></li><li nr="j."><al>het door een persoon jonger dan 27 jaar onvoldoende nakomen
                                        van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB
                                        of artikel 55 WWB gedurende vier weken na de melding zoals
                                        bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 WWB.</al></li><li nr="k."><al>het niet voldoen aan de aan de ontheffing, die een
                                        alleenstaande ouder heeft, als hem op grond van artikel 9a
                                        WWB 2012 een ontheffing van de arbeidsplicht is
                                        verleend.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><al>a.het niet, niet tijdig of onvolledig nakomen van de
                                inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de WWB of
                                artikel 44, eerste en tweede lid van de WIJ of artikel 30c, tweede
                                en derde lid Wet SUWI. Dit geldt eveneens indien het niet nakomen
                                van de inlichtingenplicht pas na beëindiging van de uitkering wordt
                                geconstateerd, tenzij na de gedraging de volledige ten onrechte
                                betaalde uitkering wordt teruggevorderd;</al></li><li nr="5."><al>Vijfde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; </al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid; </al></li><li nr="c."><al>het herhaaldelijk niet verschijnen op oproepen in het kader
                                        van re-integratie dan wel re-integratievoorzieningen;</al></li><li nr="d."><al>het tonen van tekortschietend besef van de
                                        verantwoordelijkheid van de voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="e."><al>het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of
                                        zijn ambtenaren onder omstandigheden die rechtstreeks
                                        verband houden met de uitvoering van de WWB dan wel de
                                        WIJ.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De hoogte van de verlaging</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging vastgesteld op:</al><lijst><li nr="1."><al>vijf procent van de uitkering bij gedragingen van de eerste
                                categorie; </al></li><li nr="2."><al>tien procent van de uitkering bij gedragingen van de tweede
                                categorie; </al></li><li nr="3."><al>twintig procent van de uitkering bij gedragingen van de derde
                                categorie; </al></li><li nr="4."><al>vijftig procent van de uitkering bij gedragingen van de vierde
                                categorie;</al></li><li nr="5."><al>honderd procent van de uitkering bij gedragingen van de vijfde
                                categorie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ingangsdatum en duur van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast met ingang van de eerste van de
                            kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging van
                            de uitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                            uitgegaan van de voor die maand geldende uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende
                            kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
                            uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende
                            kracht worden opgelegd indien de uitkering is beëindigd en niet de
                            gehele uitkering vanaf het moment van de gedraging anders dan vanwege
                            afstemming wordt teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in het tweede of derde lid wordt uitgegaan
                            van de geldende uitkering ten tijde van de gedraging. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een verlaging wordt, behalve bij recidive, voor de periode van één maand
                            toegepast.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien er meerdere verlagingen worden opgelegd die bij elkaar meer
                            bedragen dan 100%, dan wordt over de eerste maand de uitkering met 100%
                            verlaagd. Het restant aan verlaging wordt de volgende maand toegepast.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                        verschillende gedragingen zoals genoemd in artikel 6, verlaagt het college
                        de uitkering:</al><lijst><li nr="1."><al>met het hoogste percentage dat bij de afzonderlijke gedraging hoort,
                                indien er een rechtstreeks verband tussen de gedragingen is; </al></li><li nr="2."><al>met het percentage dat de som is van de percentages behorend bij de
                                verschillende gedragingen, indien de gedragingen los staan van
                                elkaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen een jaar na bekendmaking van een
                            besluit tot verlaging van de uitkering opnieuw schuldig maakt aan een
                            verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie wordt de duur
                            van de verlaging verdubbeld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de eerdere verwijtbare gedraging reeds recidive betrof, wordt de
                            duur van de verlaging verdrievoudigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd, wordt gelijkgesteld
                            het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                            bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand Nijkerk wordt
                            ingetrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na bekendmaking.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening WWB.</al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Nijkerk d.d.</ondertekening><ondertekening>26 november 2009,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>de heer mr. F.E. CONTANT de heer mr. drs. G. D. RENKEMA</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening
                    zijn beperkter van aard dan de verplichtingen in de WWB. Een ander belangrijk
                    verschil is dat de inkomensvoorziening niet kan worden verlaagd door
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van het
                    bestaan. Dus onverantwoord interen op het vermogen of verwijtbare werkloosheid
                    leidt niet tot verlaging van de inkomensvoorziening. De duurzame participatie
                    van jongeren heeft voorrang gekregen boven het gedrag, dat eigenlijk is aan te
                    merken als maatregelwaardig gedrag.</al><al>De afstemmingsverordening WWB was toe aan herziening. De komst van de WIJ is
                    aanleiding geweest deze te herzien en tegelijkertijd samen te voegen met de
                    verordening WIJ. Een aantal afstemmingen is gezien de beperktere reikwijdte van
                    de WIJ niet van toepassing voor jongeren tot 27 jaar. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2 Het verlagen van de uitkering</tussenkop><al>In deze Afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van de verplichtingen (inclusief de verplichting zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen en de verplichting geen onredelijke eisen te stellen)
                    betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van een (in principe)
                    vaste procentuele verlaging van de uitkering. Afwijking van de
                    standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Overigens kan er onder de WIJ niet worden afgestemd voor tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid, zie hiervoor ook de toelichting bij artikel 6.</al><tussenkop>Artikel 3 De berekeningsgrondslag</tussenkop><al>18 tot 21-jarigen ontvangen een lage norm, die indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld met bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud. Indien de
                    verlaging alleen op die lage norm wordt toegepast, zou dit leiden tot
                    rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Vandaar artikel 3 lid 2.</al><al>In het geval van bijzondere bijstand anderszins kan het voorkomen dat een beroep
                    op die bijzondere bijstand er niet dan wel tot een lager bedrag zou zijn
                    geweest, indien belanghebbende geen afstemmingswaardige gedraging zou hebben
                    gepleegd. Incidentele bijzondere bijstand kan met 100% worden verlaagd (artikel
                    6 lid 5 onder d). Bij periodiek bijzondere bijstand ligt het, analoog aan
                    bijvoorbeeld algemene bijstand, in de rede om de eerste maand te verlagen.</al><tussenkop>Artikel 4 Het besluit tot toepassen van een verlaging</tussenkop><al>Een besluit moet kenbaar zijn en deugdelijk gemotiveerd (Algemene wet
                    bestuursrecht).</al><tussenkop>Artikel 5 Afzien van een verlaging</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 6 Indeling in categorieën</tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. De uitkering kan alleen verlaagd worden indien er een
                    verband bestaat tussen de ernstige misdraging en omstandigheden die verband
                    houden met het uitvoeren van de WWB en WIJ. Er is sprake van een zeer ernstige
                    gedraging jegens het college of zijn ambtenaren indien belanghebbende de toegang
                    tot het stadhuis wordt ontzegd, indien er aangifte wordt gedaan bij de politie
                    of indien door belanghebbende veroorzaakte schade op hem wordt verhaald.</al><al>Er kan geen verlaging worden toegepast als een klant zich agressief heeft
                    gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met
                    de uitvoering van de WWB of de WIJ (bijvoorbeeld een medewerker van een
                    re-integratiebedrijf). Het is in dat geval wellicht wèl mogelijk om op andere
                    gronden de uitkering te verlagen.</al><al>Let op het verschil tussen artikel 18 lid 2 van de WWB en artikel 41 lid 1 van
                    de WIJ. In de WIJ wordt het niet betonen van genoegzaam besef (zoals
                    bijvoorbeeld verwijtbare werkloosheid of het te snel interen van vermogen) NIET
                    afstemmingswaardig geacht. Lid 5 onder d geldt dus niet voor de WIJ!</al><tussenkop>Artikel 7 De hoogte van de verlaging</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 8 Ingangsdatum en duur</tussenkop><al>Verlaging van de uitkering kan in beginsel op drie manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering;</al></li><li nr="2."><al>met terugwerkende kracht indien de uitkering nog niet is
                            uitbetaald;</al></li><li nr="3."><al>door middel van verlaging van de bijstandsuitkering in de eerstvolgende
                            maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Er hoeft in dat geval niet overgegaan te worden tot
                    herziening en terugvordering van de uitkering. </al><al>Wanneer het verlagen van de lopende uitkering niet mogelijk is, wordt bij
                    bepaling van de hoogte van de verlaging uitgegaan van de norm zoals die gold ten
                    tijde van de gedraging.</al><al>Wanneer een uitkering nog niet (volledig) is uitbetaald, wordt de verlaging in
                    principe toegepast over de uitkering die nog moet worden uitbetaald. </al><al>In het geval dat de uitkering al is beëindigd, kan de verlaging met
                    terugwerkende kracht worden uitgevoerd. In dat geval moet de uitkering wel
                    worden herzien en teruggevorderd. Extra aandachtspunt bij afstemmen met
                    terugwerkende kracht is de rechtszekerheid; er kan niet worden afgestemd over
                    een periode die ligt vóór de gedraging. En indien de volledige uitkering vanaf
                    het moment van de gedraging los van de afstemming al geheel wordt
                    teruggevorderd, kan er natuurlijk geen afstemming worden opgelegd. Een verlaging
                    kan dan wel worden opgelegd bij eventuele terugkeer in de uitkering (uiteraard
                    rekening houdend met artikel 5 lid 1).</al><tussenkop>Artikel 9 Samenloop van gedragingen</tussenkop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een uitkeringsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden en waartussen rechtstreeks verband bestaat met betrekking tot de
                    gevolgen voor het recht op een de uitkering of de hoogte van de uitkering
                    etcetera. </al><tussenkop>Artikel 10, 11 en 12 </tussenkop><al>Deze artikelen spreken voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>