<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR31751_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Nadeelcompensatieverordening De Ronde Venen 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">De Ronde Venen</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-06-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Ronde Venen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Ronde Vener,
                02-06-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Nadeelcompensatieverordening gemeente De Ronde Venen 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 3:4, lid 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-06-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>0027/10</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is bij besluit van 3 januari 2011 van de raad van De Ronde Venen geldend verklaard voor het gehele grondgebied van de gemeente.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Nadeelcompensatieverordening De Ronde Venen 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="27*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="73*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Het college</al></entry><entry colname="col2"><al>het college van burgemeester en wethouders van de
                                            gemeente De Ronde Venen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Project</al></entry><entry colname="col2"><al>een complex van met elkaar samenhangende bouwkundige
                                            en/of infrastructurele werken en/of civieltechnische
                                            activiteiten, die door of in opdracht van de gemeente in
                                            het kader van de uitvoering van haar publieke taken
                                            binnen (een deel van) een bepaald gebied voor een
                                            periode van ten minste drie maanden worden
                                            uitgevoerd;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Besluit</al></entry><entry colname="col2"><al>een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van
                                            de Algemene wet bestuursrecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verzoeker</al></entry><entry colname="col2"><al>een belanghebbende die een verzoek tot nadeelcompensatie
                                            indient;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nadeel</al></entry><entry colname="col2"><al>de financiële schade die wordt ondervonden als direct
                                            gevolg van het project of een besluit;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nadeelcompensatie</al></entry><entry colname="col2"><al>de vergoeding van het nadeel;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Adviseur</al></entry><entry colname="col2"><al>een persoon of commissie belast met het adviseren over
                                            de door het college te nemen beschikking op een verzoek
                                            tot nadeelcompensatie;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Drempelbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>een door verzoeker aan de gemeente te betalen bedrag
                                            voor het in behandeling nemen van een verzoek tot
                                            nadeelcompensatie.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het recht op nadeelcompensatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kent op verzoek van degene die schade heeft geleden als
                            direct gevolg van een project of een schadeveroorzakend besluit
                            nadeelcompensatie toe, wanneer deze schade redelijkerwijs niet of niet
                            geheel te zijnen laste hoort te blijven en verzoeker voor de vergoeding
                            van de schade niet of niet voldoende anderszins verzekerd is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De compensatie van het nadeel vindt plaats in geld of, indien dat naar
                            het oordeel van het college geschikter is, op ander wijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een verzoeker meent dat hij schade heeft geleden als gevolg van
                            een project of een besluit, kan hij zich voor het bepalen van het nadeel
                            en voor de vergoeding daarvan met een schriftelijk verzoek tot het
                            college wenden. Het verzoek wordt ingediend zo spoedig als
                            redelijkerwijs mogelijk is, maar niet later dan twaalf maanden na
                            beëindiging van dat project of het onherroepelijk worden van het
                            schadeveroorzakende besluit. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek bevat ten minste:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de verzoeker;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de aanduiding van het project of het besluit dat het gestelde
                                    nadeel naar het oordeel van verzoeker heeft veroorzaakt; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van de redenen waarom de gemeente gehouden zou
                                    zijn de schade te vergoeden die het gevolg zou zijn van het
                                    project of het besluit;</al></li><li nr="e."><al>een opgave van de aard en eigen inschatting van de omvang van
                                    het nadeel en een specificatie van het ingeschatte bedrag van
                                    het nadeel; </al></li><li nr="f."><al>een omschrijving van de wijze waarop het nadeel naar het oordeel
                                    van verzoeker dient te worden vergoed, te weten in geld of in
                                    natura, en, als een vergoeding in geld wordt gewenst, een opgave
                                    van het bedrag dat naar het oordeel van de verzoeker vergoed
                                    dient te worden;</al></li><li nr="g."><al>een ondertekening door de verzoeker.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van het verzoek. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het verzoek naar het oordeel van het college onvolledig is, wordt
                            de verzoeker in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen vier weken te
                            herstellen. Desgewenst kan het college verlangen dat de verzoeker binnen
                            de gestelde termijn door het college omschreven financiële en/of fiscale
                            bescheiden overlegt, waaruit het nadeel kan worden afgeleid, voor zover
                            het verzoek betrekking heeft op nadeel in de vorm van derving van winst
                            of inkomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien rechtsmiddelen zijn aangewend tegen het project of besluit, kan
                            de behandeling van de aanvraag worden opgeschort tot het moment waarop
                            in de aangespannen procedure onherroepelijk uitspraak is gedaan. Het
                            college stelt de verzoeker schriftelijk van de opschorting op de
                            hoogte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het in behandeling nemen van een verzoek wordt een drempelbedrag
                            geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de mededeling van ontvangst wijst het college de verzoeker erop dat
                            voor het behandelen van de aanvraag een drempelbedrag verschuldigd is en
                            deelt hem mede dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag
                            van verzending van de mededeling op de rekening van de gemeente dan wel
                            op een aangegeven plaats moet zijn gestort. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het drempelbedrag is gelijk aan het drempelbedrag dat wordt geheven voor
                            het in behandeling nemen van verzoeken om een tegemoetkoming in
                            planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke
                            ordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De nadeelcompensatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Schade die binnen het normale maatschappelijk risico of het normale
                            ondernemersrisico valt wordt niet vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In ieder geval blijft voor rekening van de verzoeker:</al><lijst><li nr="a."><al>bij schade in de vorm van inkomstenderving: een gedeelte gelijk
                                    aan twintig procent van het inkomen, onmiddellijk voorafgaande
                                    aan de schade;</al></li><li nr="b."><al>bij schade in de vorm van omzetvermindering: een gedeelte gelijk
                                    aan twintig procent van de omzet die verzoeker heeft behaald in
                                    dezelfde periode in het vorige kalenderjaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de nadeelcompensatie niet in geld, maar anderszins plaatsvindt,
                            zal de waarde van de compensatie nooit hoger zijn dan het bedrag in
                            geld, waarop de verzoeker aanspraak had kunnen maken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan op advies van de adviseur aan de verzoeker die daarom
                            heeft verzocht tevens een bijdrage toekennen in de redelijkerwijs door
                            hem gemaakte deskundigenkosten, dienend om het verzoek correct en
                            volledig te kunnen indienen en/of toelichten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien en voor zover het verzoek wordt toegewezen, kent het college een
                            vergoeding toe van de wettelijke rente over de toegekende
                            nadeelcompensatie. Deze rente wordt vergoed vanaf de datum van ontvangst
                            van het verzoek dan wel, wanneer de behandeling van het verzoek op grond
                            van artikel 3, vijfde lid, is opgeschort, met ingang van de datum waarop
                            in de aangespannen procedure onherroepelijk uitspraak is gedaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vereenvoudigde afhandeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist zonder het advies van de adviseur in te winnen
                            binnen acht weken na de dag van ontvangst indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond
                                    is;</al></li><li nr="b."><al>indien het verzoek zonder nader onderzoek voor toewijzing
                                    vatbaar is;</al></li><li nr="c."><al>de schade minder dan € 1.500 betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de beslistermijn een keer met ten hoogste vier weken
                            verlengen. De verzoeker wordt daarover schriftelijk geïnformeerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een verzoek is in ieder geval kennelijk niet-ontvankelijk indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het nadeel op grond van een andere regeling op voldoende wijze
                                    kan worden weggenomen;</al></li><li nr="b."><al>het drempelbedrag niet tijdig is betaald.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een verzoek is in ieder geval kennelijk ongegrond indien:</al><lijst><li nr="a."><al>kennelijk geen rechtstreeks gevolg bestaat tussen het project en
                                    het door belanghebbende gestelde nadeel; </al></li><li nr="b."><al>de verzoeker actief of lijdelijk het door het project of besluit
                                    veroorzaakte nadeel heeft afgewacht, terwijl hij het ontstaan
                                    daarvan had kunnen voorkomen door het treffen van maatregelen
                                    welke redelijkerwijze van hem mochten worden verwacht;</al></li><li nr="c."><al>Het nadeel kennelijk niet het maatschappelijk aanvaardbaar
                                    risico van belanghebbende zodanig overschrijdt, dat dit alle
                                    relevante omstandigheden in aanmerking genomen redelijkerwijs
                                    niet te zijner laste behoort te blijven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de adviseur eerder in gelijksoortige gevallen heeft geadviseerd,
                            kan het college besluiten het verzoek niet voor te leggen aan de
                            adviseur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Behandeling van het verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het verzoek niet wordt afgehandeld overeenkomstig het bepaalde in
                            artikel 6, wordt de aanvraag binnen vier weken nadat de aanvraag
                            volledig is, om advies voorgelegd aan de adviseur. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college informeert de verzoeker over de opdracht aan de adviseur en
                            de te volgen procedure.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De adviseur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wijst het
                            college een adviseur aan die beschikt over voldoende deskundigheid
                            inzake advisering op het gebied van schade. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste
                            lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft
                            op schade vanwege inkomens- of winstderving en er, gezien de
                            complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra
                            deskundigheid, wijst het college een tweede adviseur aan die deskundig
                            is op het gebied van accountancy of van financieel- economische
                            bedrijfsvoering. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie,
                            waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Onafhankelijkheid van de adviseur</titel></kop><al>Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het
                        college. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij het project of
                        het besluit waarop de aanvraag betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Betrokkenheid aanvrager bij aanwijzing adviseur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt, nadat de opdracht tot advisering zoals bedoeld in
                            artikel 7, eerste lid, is verstrekt, het de aanvrager schriftelijk op de
                            hoogte van de aanwijzing van:</al><al>a. een adviseur als bedoeld in artikel 8, eerste lid, of</al><al>b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 8, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Het onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De adviseur stelt een onderzoek in naar:</al><lijst><li nr="a."><al>de vraag of sprake is van nadeel dat verzoeker heeft geleden als
                                    gevolg van rechtmatige besluiten over en/of rechtmatige
                                    handelingen in een project;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het nadeel;</al></li><li nr="c."><al>de vraag of sprake is van normaal maatschappelijk risico of
                                    normaal ondernemersrisico als bedoeld in artikel 9 en zo nee, of
                                    en zo ja, in hoeverre het nadeel redelijkerwijs niet of niet
                                    geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven;</al></li><li nr="d."><al>de vraag of de vergoeding van het nadeel niet of niet voldoende
                                    op andere wijze wordt gewaarborgd;</al></li><li nr="e."><al>de vraag of en in hoeverre er aanleiding bestaat om een bijdrage
                                    in de deskundigenkosten toe te kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt aan de adviseur alle op de aanvraag betrekking
                            hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het
                            oordeel van de adviseur noodzakelijke bescheiden ter beschikking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3, tweede en vierde lid, verschaft
                            de verzoeker de adviseur binnen een door hem te stellen redelijke
                            termijn alle gegevens en bescheiden die de adviseur nodig heeft voor de
                            uitvoering van zijn taak en waarover de verzoeker redelijkerwijs kan
                            beschikken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De adviseur kan inlichtingen inwinnen bij derden. Hieronder valt het
                            recht om een externe deskundige in te schakelen bij de beoordeling van
                            het verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Werkwijze van de adviseur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan
                            die de adviseur bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat of
                            bijstaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De adviseur organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de verzoeker
                            en de ambtelijke vertegenwoordiger(s) namens het college in de
                            gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk
                            de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te
                            verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan
                            de adviseur kenbaar te maken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een bezichtiging ter plaatse nodig wordt geacht voor een goede
                            advisering bepaalt de adviseur het tijdstip van de bezichtiging en
                            nodigt de verzoeker en de ambtelijke vertegenwoordiger(s) voor de
                            plaatsopneming uit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van de in het tweede lid bedoelde hoorzitting en van de in het derde lid
                            bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid
                            van, de adviseur een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te
                            brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur binnen zestien
                            weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept
                            daarvan aan het college en aan de verzoeker. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De adviseur kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij
                            aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De verzoeker en het college worden in de gelegenheid gesteld om binnen
                            vier weken na de toezending van het conceptadvies schriftelijk hierop te
                            reageren. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur binnen
                            vier weken na het verstrijken van de in het zevende lid bedoelde termijn
                            een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn
                            betrokken. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De adviseur kan de in het zevende lid termijn van vier weken onder
                            opgaaf van redenen eenmalig met vier weken verlengen, van welke
                            verlenging mededeling wordt gedaan aan het college en de verzoeker.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de
                            adviseur binnen twee weken na het verstrijken van de in het zevende lid
                            bedoelde termijn een advies uit aan het college.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>De adviseur kan de termijn van twee weken eenmalig met twee weken
                            verlengen, van welke verlenging mededeling wordt gedaan aan het college
                            en de verzoeker.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De beslissing op het verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst van het advies van de adviseur beslist het
                            college op het verzoek om nadeelcompensatie en maakt het dit besluit
                            bekend aan de verzoeker. Het college zendt een kopie van zijn besluit
                            aan de adviseur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de beslistermijn een keer onder opgaaf van redenen met
                            ten hoogste vier weken verlengen. De verzoeker wordt daarover
                            schriftelijk geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Uitbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college nadeelcompensatie vaststelt, vindt uitbetaling plaats
                            op een door de verzoeker aangegeven rekening, direct na het
                            onherroepelijk worden van het besluit op het verzoek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen op aanvraag van de verzoeker
                            besluiten tot het toekennen van een voorschot op de nadeelcompensatie.
                            Het verstrekken van een voorschot vindt alleen plaats nadat de adviseur
                            in het conceptadvies heeft geadviseerd tot nadeelcompensatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het voorschot bedraagt maximaal 100% van het in het in artikel 12
                            bedoelde conceptadvies opgenomen bedrag aan uit te keren
                            nadeelcompensatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met het verstrekken van het voorschot wordt geen recht op
                            nadeelcompensatie erkend of verleend. Aan het verstrekken van het
                            voorschot kan het college voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het voorschot wordt alleen verleend als de verzoeker schriftelijk de
                            verplichting aanvaardt tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling,
                            wanneer op grond van het definitieve besluit van het college op het
                            verzoek en de bij dat besluit behorende gegevens blijkt dat het
                            voorschot geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verstrekt. Over het
                            terug te betalen voorschot is wettelijke rente verschuldigd. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan voor het verstrekken van een voorschot zekerheidstelling
                            verlangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Indien een strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot een
                        beslissing die onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt, kan het
                        college in uitzonderlijke gevallen van deze verordening afwijken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Nadeelcompensatieverordening
                        gemeente De Ronde Venen 2010”. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 mei 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al><vet>Inleiding </vet></al><al/><al>Uitvoering van werkzaamheden taken en besluiten ter behartiging van het algemeen
                    belang door of in opdracht van de gemeente kunnen tot gevolg hebben dat derden
                    financieel nadeel ondervinden dat redelijkerwijs niet of niet geheel te hunner
                    laste dient te blijven. Het gaat daarbij om schade die wordt geleden ten gevolge
                    van handelen door of in opdracht van de gemeente dat op zich niet onrechtmatig
                    is. Voor vergoeding komt alleen in aanmerking aantoonbare financiële schade als
                    gevolg van inkomens/omzetvermindering Deze schade zal de gemeente naar
                    billijkheid vergoeden, tenminste voor zover niet op een andere wijze in
                    vergoeding van schade is voorzien. </al><al>Met het vaststellen van deze nadeelcompensatieverordening wordt beoogd een
                    regeling in het leven te roepen die benadeelden voldoende zekerheid biedt. De
                    verordening regelt hoe een verzoek om nadeelcompensatie kan worden ingediend en
                    op welke wijze het eventuele nadeel dat niet ten laste van de getroffene behoort
                    te blijven, zal worden vergoed. </al><al>De raad beoogt met het vaststellen van deze nadeelcompensatieverordening geen
                    aansprakelijkheden in het leven te roepen die naar de huidige stand van het
                    recht niet bestaan. </al><al>Grondslag van de nadeelcompensatie </al><al>Er bestaat nog geen wettelijk recht op vergoeding van schade die voortvloeit uit
                    een rechtmatige overheidsdaad. Wel zijn er enkele specifieke wettelijke
                    regelingen voor de vergoeding van schade, bijvoorbeeld de tegemoetkoming in
                    verband met planschade op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voor
                    zover een specifieke regeling geldt, is de nadeelcompensatieverordening niet van
                    toepassing. </al><al>De grondslag voor compensatie van nadeel dat niet ten laste van de getroffene
                    behoort te blijven berust op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met
                    name van belang zijn de belangenafweging en het evenredigheidsbeginsel (artikel
                    3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Wanneer sprake is van onevenredige
                    benadeling van burgers, kan dit tot gevolg hebben dat een op zich rechtmatige
                    daad onrechtmatig wordt. Het bieden van nadeelcompensatie kan die
                    onrechtmatigheid wegnemen. </al><al>Voordat een besluit wordt genomen, dient op basis van alle relevante gegevens
                    een evenredige belangenafweging plaats te vinden. In het kader van deze
                    belangenafweging is het van belang, dat de voor een of meer belanghebbenden
                    nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot
                    de met het besluit te dienen doelen. Indien een burger onevenredig nadeel
                    ondervindt van een overigens rechtmatige overheidshandeling, behoort hem een
                    compensatiemogelijkheid ter beschikking te staan. Hierin kan worden voorzien
                    door de toepassing van een nadeelcompensatieverordening. </al><al>Reikwijdte van de regeling </al><al>Deze nadeelcompensatieverordening ziet uitsluitend op schade als gevolg van
                    rechtmatige feitelijke uitvoeringshandelingen en rechtmatige besluiten door of
                    in opdracht van de gemeente De Ronde Venen.</al><al>Indien eenmaal is vastgesteld dat als gevolg van een feitelijke
                    uitvoeringshandeling of maatregel van de gemeente schade is veroorzaakt, dient
                    de vraag te worden beantwoord of en zo ja, in welke mate deze schade
                    redelijkerwijs ten laste van getroffene behoort te blijven. Behoort de schade
                    tot het normaal maatschappelijk risico en/of het normale ondernemersrisico, dan
                    komt deze niet voor vergoeding in aanmerking. Elke burger en elk bedrijf moet
                    een zeker ongemak en financieel nadeel dulden als gevolg van de omstandigheid
                    dat hij tezamen met anderen op een beperkt grondgebied in een gemeenschap
                    verenigd leeft. De nadelige gevolgen van dit rechtmatig overheidshandelen, dat
                    als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden gezien, behoren in
                    beginsel voor rekening van betrokkene te blijven. Zo zijn bijvoorbeeld het
                    afsluiten, reconstrueren, aanleggen en verleggen van wegen maatschappelijke
                    ontwikkelingen in het algemeen belang die in beginsel geduld moeten worden. </al><al>Dat bepaalde ontwikkelingen geduld moeten worden neemt echter niet weg dat zich
                    feiten en omstandigheden kunnen voordoen waardoor een bepaalde burger of een
                    bepaald bedrijf zo zwaar wordt getroffen, dat het nadeel redelijkerwijs niet of
                    niet geheel te zijnen laste kan blijven. Het hieruit voortvloeiende onevenredige
                    nadeel komt voor vergoeding in aanmerking, tenzij het nadeel anderszins
                    verzekerd is of op grond van een andere regeling gedekt wordt. </al><al>Ook indien de benadeelde het risico van het nadeel (passief of actief) heeft
                    aanvaard, komt hij niet voor vergoeding van het nadeel in aanmerking. </al><al>Van actieve risicoaanvaarding is sprake wanneer de benadeelde de nadeel
                    toebrengende handeling heeft of had kunnen voorzien. Uitgangspunt is dat men
                    zorgvuldig dient te onderzoeken welke maatregelen gelden, al zijn aangekondigd
                    of te verwachten zijn. Daarnaast is van belang of de benadeelde een bepaalde
                    keuze heeft gemaakt, waaraan bijvoorbeeld kostenoverwegingen ten grondslag
                    lagen. Indien hij zich in een goedkopere, maar risicovollere situatie heeft
                    begeven, heeft de benadeelde het risico van mogelijk nadeel aanvaard. </al><al>Van passieve risicoaanvaarding is sprake wanneer de benadeelde tekort is
                    geschoten in de zorg voor de eigen belangen. Hieronder vallen allerlei vormen
                    van "riskant stilzitten", zoals het niet tijdig nemen van redelijke
                    schadebeperkende maatregelen of het aannemen van een afwachtende, berustende
                    houding. </al><al>Deze regeling is niet van toepassing op schade die het gevolg is van een
                    onrechtmatige daad of wanprestatie, aangezien deze onderwerpen worden beheerst
                    door het burgerlijke recht.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit artikel worden enkele kernbegrippen van de regeling omschreven. De
                        belangrijkste omschrijving is die van het begrip “project”, omdat daarin is
                        aangegeven waarop de onderhavige regeling betrekking heeft. De regeling ziet
                        uitsluitend op de feitelijke uitvoering van werkzaamheden gedurende een
                        substantiële periode van ten minste drie maanden, door of in opdracht van de
                        gemeente De Ronde Venen. Daarnaast heeft de regeling betrekking op besluiten
                        in de zin van de Algemene wet bestuursrecht die op zich rechtmatig zijn,
                        maar schade veroorzaken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het recht op nadeelcompensatie</titel></kop><al>Het eerste lid van dit artikel bevat de maatstaf aan de hand waarvan wordt
                        gekeken of nadeelcompensatie zal worden toegekend. </al><al>Ten eerste moet de schade het rechtstreekse gevolg zijn van een besluit of
                        van de feitelijke uitvoering van werkzaamheden door of in opdracht van de
                        gemeente De Ronde Venen. Er moet dus sprake zijn van causaal verband. </al><al>Om te beoordelen of er sprake is van causaal verband tussen het nadeel en
                        het besluit of het project dient een vergelijking te worden gemaakt tussen
                        de toestand zoals deze door het handelen al dan niet tijdelijk is geworden
                        en de toestand zoals deze zonder het handelen zou zijn geweest op hetzelfde
                        moment. </al><al>Ten tweede moet het gaan om nadeel dat redelijkerwijs niet of niet geheel te
                        zijner laste behoort te blijven. Nadeel dat geacht wordt tot het normaal
                        maatschappelijk risico en/of het normale ondernemersrisico te behoren komt
                        niet voor vergoeding in aanmerking. Het moet dus gaan om onevenredig nadeel.
                        In artikel 5 wordt dit nader uitgewerkt. </al><al>Het nadeel komt niet voor vergoeding in aanmerking indien het anderszins is
                        verzekerd. Deze nadeelcompensatieverordening heeft een aanvullend karakter.
                        Deze regeling treedt dan ook niet in de plaats van bestaande (wettelijke)
                        compensatieregelingen. </al><al>Het tweede lid bepaalt dat het nadeel kan worden gecompenseerd in de vorm
                        van geld of op andere wijze. Nadeelcompensatie in natura kan worden
                        toegekend op verzoek van de verzoeker, op verzoek van het college of op
                        advies van de adviseur. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het verzoek</titel></kop><al>In dit artikel worden regels gegeven voor de indiening van een verzoek om
                        nadeelcompensatie. </al><al>In het eerste lid is bepaald dat het verzoek om nadeelcompensatie zo spoedig
                        als redelijkerwijs mogelijk is na het optreden van de schade of na het
                        onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit schriftelijk bij
                        het college moet worden ingediend, in ieder geval binnen twaalf maanden
                        nadat het project is afgerond. Deze termijn biedt de verzoeker voldoende
                        mogelijkheid om het verzoek met financiële gegevens te onderbouwen, met name
                        met de omzet- en/of jaarcijfers. Aan de hand van cijfers over de periode van
                        het project en de cijfers over een vergelijkbare periode in het voorgaande
                        jaar kan de benadeling worden geconcretiseerd. </al><al>Het tweede lid bepaalt aan welke vereisten een verzoek moet voldoen. De
                        verzoeker kan zijn voorkeur kenbaar maken met betrekking tot de wijze van
                        compensatie van het geleden nadeel. Indien de verzoeker compensatie in geld
                        wenst, dient hij in het verzoek de hoogte van het naar zijn oordeel te
                        vergoeden bedrag te vermelden. Een eigen inschatting volstaat, de verzoeker
                        wordt niet verplicht een externe deskundige in te schakelen voor de bepaling
                        van de aard en de omvang van de schade en voor de keuze van de wijze waarop
                        het nadeel vergoed dient te worden. </al><al>Het college moet op grond van het derde lid de ontvangst van het verzoek
                        bevestigen. </al><al>In het vierde lid is bepaald dat het college overeenkomstig het bepaalde in
                        de Awb een aanvrager in de gelegenheid moet stellen een onvolledige aanvraag
                        binnen de daarvoor gestelde termijn alsnog compleet te maken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><al>In dit artikel is bepaald dat een drempelbedrag wordt geheven om een
                        aanvraag in behandeling te nemen, op dezelfde wijze als dat gebeurt bij
                        verzoeken om een tegemoetkoming in verband met planschade op grond van de
                        Wro. </al><al>In het eerste lid is vastgelegd dat een drempelbedrag wordt geheven.</al><al>In het tweede lid is geregeld dat het verzoek pas in behandeling wordt
                        genomen nadat de verzoeker het drempelbedrag heeft betaald.</al><al>Omdat de planschaderegeling en de nadeelcompensatieregeling gelijkenis
                        vertonen, is het redelijk in beide gevallen hetzelfde drempelbedrag te
                        hanteren. In het derde lid is deze koppeling tussen beide regelingen dan ook
                        gemaakt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De nadeelcompensatie</titel></kop><al>Schade die behoort tot het normaal maatschappelijk risico komt niet voor
                        vergoeding in aanmerking. Elke burger en elk bedrijf moet een zeker ongemak
                        en financieel nadeel dulden als gevolg van de omstandigheid dat hij tezamen
                        met anderen op een beperkt grondgebied in een gemeenschap verenigd leeft. De
                        nadelige gevolgen van dit rechtmatig overheidshandelen, dat als een normale
                        maatschappelijke ontwikkeling moet worden gezien, behoren in beginsel voor
                        rekening van betrokkene te blijven.</al><al>Met de in het tweede lid gehanteerde percentages wordt aansluiting gezocht
                        bij de jurisprudentie die is ontwikkeld met betrekking tot
                        nadeelcompensatie. In de jurisprudentie wordt in zijn algemeenheid 20% van
                        de totale schade of omzetdaling aangemerkt als behorend tot het normaal
                        maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico. </al><al>Het derde lid stelt een grens aan de waarde van de compensatie, indien de
                        nadeelcompensatie niet in geld maar op andere wijze plaatsvindt. De waarde
                        van de compensatie in natura mag niet hoger zijn dan het bedrag in geld
                        waarop de verzoeker aanspraak zou kunnen maken. Wanneer de waarde van de
                        compensatie op andere wijze groter zou zijn dan het bedrag in geld waarop de
                        verzoeker aanspraak zou kunnen maken, kan het college besluiten alsnog
                        nadeelcompensatie in geld toe te kennen. </al><al>Wanneer het inwinnen van deskundigenadvies noodzakelijk is, zullen de kosten
                        daarvan in beginsel op grond van het vierde lid door het college worden
                        vergoed.</al><al>In het vijfde lid is de betaling van wettelijke rente geregeld voor die
                        gevallen waarin de door verzoeker geleden schade wordt vergoed.</al><al>Ook indien de benadeelde het risico van het nadeel (passief of actief) heeft
                        aanvaard, komt hij niet voor vergoeding van het nadeel in aanmerking.
                        Verwezen wordt naar het algemene deel van de toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vereenvoudigde afhandeling</titel></kop><al>Het eerste lid bepaalt dat het college verzoeken zonder advies van de
                        adviseur kan afhandelen. Het is onnodig om voor eenvoudige en duidelijke
                        gevallen de zware procedure van behandeling van het verzoek om
                        nadeelcompensatie door een externe adviseur of adviescommissie te volgen.
                        Indien een verzoek naar het oordeel van het college kennelijk
                        niet-ontvankelijk, kennelijk gegrond of kennelijk ongegrond is, wordt het
                        verzoek zonder behandeling door de adviseur of de adviescommissie toe- of
                        afgewezen. Hetzelfde geldt als de schade een beperkt bedrag betreft,
                        namelijk minder dan € 1.500. </al><al>In het derde lid is bepaald in welke gevallen een verzoek niet-ontvankelijk
                        is. Dit is het geval wanneer de verzoeker op een andere manier een
                        vergoeding kan ontvangen en wanneer het drempelbedrag niet is betaald. </al><al>Het vierde lid omschrijft in welke gevallen een verzoek kennelijk ongegrond
                        is. Dit is het geval wanneer er geen causaal verband bestaat tussen het
                        project en het nadeel, wanneer sprake is van actieve of passieve
                        risicoaanvaarding en wanneer sprake is van schade die kennelijk valt binnen
                        het maatschappelijk aanvaardbaar risico en/of het normale
                        ondernemersrisico.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Behandeling van het verzoek</titel></kop><al>Dit artikel beschrijft de procedure tot aanwijzing van de adviseur.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De adviseur</titel></kop><al>Een adviseur kan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze
                        tussen een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt aan het college
                        overgelaten. Een adviesbureau gespecialiseerd in schadebeoordeling kan dus
                        worden aangewezen als adviseur bedoeld in het eerste lid, of als één van de
                        adviseurs, als bedoeld in het tweede en derde lid.</al><al>Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of meerdere adviseurs
                        noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg om telkens
                        dezelfde adviseur(s) aan te wijzen en dus te kiezen voor een vaste adviseur
                        / vaste adviescommissie.</al><al>In het eerste lid van dit artikel is bepaald aan welke vereisten de adviseur
                        moet voldoen. Door het stellen van eisen aan de deskundigheid wordt de
                        inbreng van specifieke kennis en kundigheid bij de beoordeling van het
                        verzoek om nadeelcompensatie verzekerd. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat het college in bijzondere gevallen in
                        plaats van een, twee adviseurs kan aanwijzen. In zijn algemeenheid zal dit
                        zich alleen voordoen in uitzonderlijk complexe gevallen, waarbij het
                        ondervonden nadeel moeilijk is vast te stellen of in geld is uit te drukken.
                        De tweede adviseur dient om die reden bijzondere deskundigheid op het gebied
                        van accountancy of financieel-economische bedrijfsvoering te bezitten.</al><al>In het derde lid is bepaald dat de eerste adviseur voorzitter is van de
                        commissie, wanneer twee adviseurs met de advisering worden belast.</al><al>In het vierde lid is vastgelegd dat een van beide adviseurs als rapporteur
                        zal optreden. Beide adviseurs bepalen in onderling overleg wie deze taak op
                        zich neemt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Onafhankelijkheid van de adviseur</titel></kop><al>Naar analogie van de in de “Procedureverordening voor advisering
                        tegemoetkoming in planschade”opgenomen regeling is ook in deze verordening
                        bepaald dat een adviseur niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid
                        van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd. </al><al>Voorts bepaalt het artikel dat een adviseur niet betrokken mag zijn bij het
                        besluit of project waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit betreft
                        deskundigen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de in het geding
                        zijnde project of de in het geding zijnde besluit. Gedacht kan bijvoorbeeld
                        worden aan personen behorende tot de risicoanalysecommissie die optreedt in
                        het kader van planologische maatregelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Betrokkenheid aanvrager bij aanwijzing adviseur</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat de verzoeker schriftelijk op de hoogte moet worden
                        gebracht van de aanwijzing van een adviseur of adviescommissie. In het geval
                        dat meerdere adviseurs worden aangewezen, worden deze aanwijzingen in één
                        brief aan de verzoeker bekendgemaakt.</al><al>Het college moet binnen twee weken na het verstrijken van de termijn tot het
                        indienen van een verzoek tot wraking beslissen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Het onderzoek</titel></kop><al>In het eerste lid is bepaald aan de hand van welke vragen de adviseur het
                        verzoek moet onderzoeken. Het zal niet altijd nodig zijn alle in het eerste
                        lid genoemde vragen te beantwoorden. Wanneer bijvoorbeeld uit het onderzoek
                        blijkt dat het nadeel niet het gevolg is van het genoemde project of
                        besluit, kan de beantwoording van de overige vragen achterwege blijven. </al><al>Onder deskundigenkosten als bedoeld in het eerste lid onder e, vallen niet
                        de kosten van rechtskundige bijstand. De Afdeling bestuursrechtspraak van de
                        Raad van State heeft in haar uitspraak van 4 februari 2000 (AB 2000, nr.
                        427) bepaald dat deze kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen
                        nadat de adviseur de schade heeft bepaald.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college de adviseur de gegevens verschaft die
                        nodig zijn voor het onderzoek naar de gegrondheid van het verzoek. Tot die
                        gegevens behoren niet alleen het verzoek met de daarbij behorende
                        bescheiden, maar alle informatie die voor de beoordeling van het verzoek
                        noodzakelijk of dienstig kan worden geacht. </al><al>Het derde lid bepaalt dat als de adviseur dit nodig vindt, de verzoeker
                        andere gegevens dient over te leggen dan die, genoemd in artikel 3, tweede
                        en vierde lid.</al><al>Het vierde lid stelt de adviseur in de gelegenheid inlichtingen in te winnen
                        bij derden. Inlichtingen die deze derden verschaffen moeten in het advies
                        worden vermeld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Werkwijze van de adviseur</titel></kop><al>Het eerste lid regelt de ambtelijke ondersteuning van de adviseur. De op
                        grond van dit artikellid aangewezen persoon heeft geen stem bij de
                        advisering over het verzoek.</al><al>Het tweede lid biedt de gelegenheid tot het horen van de aanvrager en het
                        college. Wanneer de verzoeker aangeeft geen behoefte te hebben aan het geven
                        van een mondelinge toelichting, ziet de adviseur eveneens af van het horen
                        van het college. </al><al>Het derde lid maakt het mogelijk dat de adviseur de situatie ter plaatse in
                        ogenschouw gaat nemen. De adviseur heeft echter niet de bevoegdheid plaatsen
                        te betreden tegen de wil van de rechthebbende. </al><al>De in het vierde lid bedoelde verslaglegging kan worden overgelaten aan de
                        op grond van het eerste lid aangewezen persoon. Vanzelfsprekend is de
                        adviseur verantwoordelijk voor de inhoud van de verslagen die naar
                        aanleiding van het verzoek worden opgesteld. </al><al>De leden vijf tot en met elf regelen de mogelijkheid om te reageren op het
                        voorgenomen advies van de adviseur en de termijnen die hierbij gehanteerd
                        dienen te worden. Indien het naar het oordeel van de adviseur niet redelijk
                        is dat het nadeel geheel of ten dele ten laste van de verzoeker blijft
                        beschrijft hij in het conceptadvies tevens de omvang en vorm van de toe te
                        kennen nadeelcompensatie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De beslissing op het verzoek</titel></kop><al>Het college besluit binnen zes weken na ontvangst van het definitieve advies
                        op het verzoek om nadeelcompensatie. De beslissing op het verzoek moet
                        worden gemotiveerd. Ter motivering van het besluit kan het college volstaan
                        met een verwijzing naar het door de adviseur uitgebracht advies, indien het
                        advies zelf de motivering bevat en de beslissing in overeenstemming is met
                        het advies van de adviseur. Bij een afwijking van het advies moet deze
                        afwijking worden gemotiveerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Uitbetaling</titel></kop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling van de vergoeding. In het eerste lid is
                        bepaald dat uitbetaling in beginsel pas plaatsvindt nadat het
                        toekenningsbesluit onherroepelijk is geworden. </al><al>Soms is geruime tijd is gelegen tussen het indienen van het verzoek en het
                        onherroepelijk worden van de beslissing. Dit geldt zeker als de verzoeker
                        rechtsmiddelen tegen het besluit aanwendt. Omdat het om grote bedragen kan
                        gaan, is het niet ondenkbaar dat de verzoeker in de periode tot de
                        uitbetaling in financiële problemen komt. Om die reden is in het tweede en
                        derde lid de mogelijkheid opgenomen de verzoeker een voorschot te betalen. </al><al>Het vierde lid bepaalt dat het verstrekken van een voorschot geen erkenning
                        van het recht op nadeelcompensatie inhoudt.</al><al>In het vijfde en zesde lid zijn waarborgen opgenomen voor de terugbetaling
                        van een voorschot of van voorschotten, in het geval dat uiteindelijk
                        afwijzend op het verzoek wordt beslist. Het college kan zekerheidstelling
                        vragen om te voorkomen dat de verzoeker niet in staat is het voorschot terug
                        te betalen, wanneer uiteindelijk definitief wordt vastgesteld dat geen recht
                        op nadeelcompensatie bestaat.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In uitzonderlijke gevallen kan een strikte toepassing van de regels van de
                        verordening leiden tot een voor de verzoeker onbillijk besluit. In die
                        gevallen kan het college toepassing geven aan de hardheidsclausule en ten
                        gunste van de verzoeker afwijken van het bepaalde in de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>