Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
De Ronde Venen

Nadeelcompensatieverordening De Ronde Venen 2010

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDe Ronde Venen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingNadeelcompensatieverordening De Ronde Venen 2010
CiteertitelNadeelcompensatieverordening gemeente De Ronde Venen 2010
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling is bij besluit van 3 januari 2011 van de raad van De Ronde Venen geldend verklaard voor het gehele grondgebied van de gemeente.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art. 149
  2. Algemene wet bestuursrecht, art. 3:4, lid 2
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

03-06-2010Nieuwe regeling

20-05-2010

De Ronde Vener, 02-06-2010

0027/10

Tekst van de regeling

Intitulé

Nadeelcompensatieverordening De Ronde Venen 2010

 

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

Het college

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen;

Project

een complex van met elkaar samenhangende bouwkundige en/of infrastructurele werken en/of civieltechnische activiteiten, die door of in opdracht van de gemeente in het kader van de uitvoering van haar publieke taken binnen (een deel van) een bepaald gebied voor een periode van ten minste drie maanden worden uitgevoerd;

Besluit

een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

Verzoeker

een belanghebbende die een verzoek tot nadeelcompensatie indient;

Nadeel

de financiële schade die wordt ondervonden als direct gevolg van het project of een besluit;

Nadeelcompensatie

de vergoeding van het nadeel;

Adviseur

een persoon of commissie belast met het adviseren over de door het college te nemen beschikking op een verzoek tot nadeelcompensatie;

Drempelbedrag

een door verzoeker aan de gemeente te betalen bedrag voor het in behandeling nemen van een verzoek tot nadeelcompensatie.

Artikel 2 Het recht op nadeelcompensatie

  • 1.

    Het college kent op verzoek van degene die schade heeft geleden als direct gevolg van een project of een schadeveroorzakend besluit nadeelcompensatie toe, wanneer deze schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste hoort te blijven en verzoeker voor de vergoeding van de schade niet of niet voldoende anderszins verzekerd is.

  • 2.

    De compensatie van het nadeel vindt plaats in geld of, indien dat naar het oordeel van het college geschikter is, op ander wijze.

Artikel 3 Het verzoek

  • 1.

    Indien een verzoeker meent dat hij schade heeft geleden als gevolg van een project of een besluit, kan hij zich voor het bepalen van het nadeel en voor de vergoeding daarvan met een schriftelijk verzoek tot het college wenden. Het verzoek wordt ingediend zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is, maar niet later dan twaalf maanden na beëindiging van dat project of het onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit.

  • 2.

    Het verzoek bevat ten minste:

    • a.

      de naam en het adres van de verzoeker;

    • b.

      de dagtekening;

    • c.

      de aanduiding van het project of het besluit dat het gestelde nadeel naar het oordeel van verzoeker heeft veroorzaakt;

    • d.

      een vermelding van de redenen waarom de gemeente gehouden zou zijn de schade te vergoeden die het gevolg zou zijn van het project of het besluit;

    • e.

      een opgave van de aard en eigen inschatting van de omvang van het nadeel en een specificatie van het ingeschatte bedrag van het nadeel;

    • f.

      een omschrijving van de wijze waarop het nadeel naar het oordeel van verzoeker dient te worden vergoed, te weten in geld of in natura, en, als een vergoeding in geld wordt gewenst, een opgave van het bedrag dat naar het oordeel van de verzoeker vergoed dient te worden;

    • g.

      een ondertekening door de verzoeker.

  • 3.

    Het college bevestigt de ontvangst van het verzoek.

  • 4.

    Indien het verzoek naar het oordeel van het college onvolledig is, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen vier weken te herstellen. Desgewenst kan het college verlangen dat de verzoeker binnen de gestelde termijn door het college omschreven financiële en/of fiscale bescheiden overlegt, waaruit het nadeel kan worden afgeleid, voor zover het verzoek betrekking heeft op nadeel in de vorm van derving van winst of inkomen.

  • 5.

    Indien rechtsmiddelen zijn aangewend tegen het project of besluit, kan de behandeling van de aanvraag worden opgeschort tot het moment waarop in de aangespannen procedure onherroepelijk uitspraak is gedaan. Het college stelt de verzoeker schriftelijk van de opschorting op de hoogte.

Artikel 4 Drempelbedrag

  • 1.

    Voor het in behandeling nemen van een verzoek wordt een drempelbedrag geheven.

  • 2.

    In de mededeling van ontvangst wijst het college de verzoeker erop dat voor het behandelen van de aanvraag een drempelbedrag verschuldigd is en deelt hem mede dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling op de rekening van de gemeente dan wel op een aangegeven plaats moet zijn gestort.

  • 3.

    Het drempelbedrag is gelijk aan het drempelbedrag dat wordt geheven voor het in behandeling nemen van verzoeken om een tegemoetkoming in planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 5 De nadeelcompensatie

  • 1.

    Schade die binnen het normale maatschappelijk risico of het normale ondernemersrisico valt wordt niet vergoed.

  • 2.

    In ieder geval blijft voor rekening van de verzoeker:

    • a.

      bij schade in de vorm van inkomstenderving: een gedeelte gelijk aan twintig procent van het inkomen, onmiddellijk voorafgaande aan de schade;

    • b.

      bij schade in de vorm van omzetvermindering: een gedeelte gelijk aan twintig procent van de omzet die verzoeker heeft behaald in dezelfde periode in het vorige kalenderjaar.

  • 3.

    Indien de nadeelcompensatie niet in geld, maar anderszins plaatsvindt, zal de waarde van de compensatie nooit hoger zijn dan het bedrag in geld, waarop de verzoeker aanspraak had kunnen maken.

  • 4.

    Het college kan op advies van de adviseur aan de verzoeker die daarom heeft verzocht tevens een bijdrage toekennen in de redelijkerwijs door hem gemaakte deskundigenkosten, dienend om het verzoek correct en volledig te kunnen indienen en/of toelichten.

  • 5.

    Indien en voor zover het verzoek wordt toegewezen, kent het college een vergoeding toe van de wettelijke rente over de toegekende nadeelcompensatie. Deze rente wordt vergoed vanaf de datum van ontvangst van het verzoek dan wel, wanneer de behandeling van het verzoek op grond van artikel 3, vijfde lid, is opgeschort, met ingang van de datum waarop in de aangespannen procedure onherroepelijk uitspraak is gedaan.

Artikel 6 Vereenvoudigde afhandeling

  • 1.

    Het college beslist zonder het advies van de adviseur in te winnen binnen acht weken na de dag van ontvangst indien:

    • a.

      het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is;

    • b.

      indien het verzoek zonder nader onderzoek voor toewijzing vatbaar is;

    • c.

      de schade minder dan € 1.500 betreft.

  • 2.

    Het college kan de beslistermijn een keer met ten hoogste vier weken verlengen. De verzoeker wordt daarover schriftelijk geïnformeerd.

  • 3.

    Een verzoek is in ieder geval kennelijk niet-ontvankelijk indien:

    • a.

      het nadeel op grond van een andere regeling op voldoende wijze kan worden weggenomen;

    • b.

      het drempelbedrag niet tijdig is betaald.

  • 4.

    Een verzoek is in ieder geval kennelijk ongegrond indien:

    • a.

      kennelijk geen rechtstreeks gevolg bestaat tussen het project en het door belanghebbende gestelde nadeel;

    • b.

      de verzoeker actief of lijdelijk het door het project of besluit veroorzaakte nadeel heeft afgewacht, terwijl hij het ontstaan daarvan had kunnen voorkomen door het treffen van maatregelen welke redelijkerwijze van hem mochten worden verwacht;

    • c.

      Het nadeel kennelijk niet het maatschappelijk aanvaardbaar risico van belanghebbende zodanig overschrijdt, dat dit alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen redelijkerwijs niet te zijner laste behoort te blijven.

  • 5.

    Indien de adviseur eerder in gelijksoortige gevallen heeft geadviseerd, kan het college besluiten het verzoek niet voor te leggen aan de adviseur.

Artikel 7 Behandeling van het verzoek

  • 1.

    Indien het verzoek niet wordt afgehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, wordt de aanvraag binnen vier weken nadat de aanvraag volledig is, om advies voorgelegd aan de adviseur.

  • 2.

    Het college informeert de verzoeker over de opdracht aan de adviseur en de te volgen procedure.

Artikel 8 De adviseur

  • 1.

    Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wijst het college een adviseur aan die beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van schade.

  • 2.

    Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op schade vanwege inkomens- of winstderving en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid, wijst het college een tweede adviseur aan die deskundig is op het gebied van accountancy of van financieel- economische bedrijfsvoering.

  • 3.

    Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is.

  • 4.

    De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.

Artikel 9 Onafhankelijkheid van de adviseur

Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het college. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij het project of het besluit waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 10 Betrokkenheid aanvrager bij aanwijzing adviseur

  • 1.

    Het college stelt, nadat de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verstrekt, het de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van:

    a. een adviseur als bedoeld in artikel 8, eerste lid, of

    b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 8, tweede lid.

Artikel 11 Het onderzoek

  • 1.

    De adviseur stelt een onderzoek in naar:

    • a.

      de vraag of sprake is van nadeel dat verzoeker heeft geleden als gevolg van rechtmatige besluiten over en/of rechtmatige handelingen in een project;

    • b.

      de omvang van het nadeel;

    • c.

      de vraag of sprake is van normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico als bedoeld in artikel 9 en zo nee, of en zo ja, in hoeverre het nadeel redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven;

    • d.

      de vraag of de vergoeding van het nadeel niet of niet voldoende op andere wijze wordt gewaarborgd;

    • e.

      de vraag of en in hoeverre er aanleiding bestaat om een bijdrage in de deskundigenkosten toe te kennen.

  • 2.

    Het college stelt aan de adviseur alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur noodzakelijke bescheiden ter beschikking.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 3, tweede en vierde lid, verschaft de verzoeker de adviseur binnen een door hem te stellen redelijke termijn alle gegevens en bescheiden die de adviseur nodig heeft voor de uitvoering van zijn taak en waarover de verzoeker redelijkerwijs kan beschikken.

  • 4.

    De adviseur kan inlichtingen inwinnen bij derden. Hieronder valt het recht om een externe deskundige in te schakelen bij de beoordeling van het verzoek.

Artikel 12 Werkwijze van de adviseur

  • 1.

    Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de adviseur bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat of bijstaan.

  • 2.

    De adviseur organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de verzoeker en de ambtelijke vertegenwoordiger(s) namens het college in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur kenbaar te maken.

  • 3.

    Als een bezichtiging ter plaatse nodig wordt geacht voor een goede advisering bepaalt de adviseur het tijdstip van de bezichtiging en nodigt de verzoeker en de ambtelijke vertegenwoordiger(s) voor de plaatsopneming uit.

  • 4.

    Van de in het tweede lid bedoelde hoorzitting en van de in het derde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies.

  • 5.

    Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan het college en aan de verzoeker.

  • 6.

    De adviseur kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen.

  • 7.

    De verzoeker en het college worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het conceptadvies schriftelijk hierop te reageren.

  • 8.

    In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur binnen vier weken na het verstrijken van de in het zevende lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken.

  • 9.

    De adviseur kan de in het zevende lid termijn van vier weken onder opgaaf van redenen eenmalig met vier weken verlengen, van welke verlenging mededeling wordt gedaan aan het college en de verzoeker.

  • 10.

    In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur binnen twee weken na het verstrijken van de in het zevende lid bedoelde termijn een advies uit aan het college.

  • 11.

    De adviseur kan de termijn van twee weken eenmalig met twee weken verlengen, van welke verlenging mededeling wordt gedaan aan het college en de verzoeker.

Artikel 13 De beslissing op het verzoek

  • 1.

    Binnen zes weken na ontvangst van het advies van de adviseur beslist het college op het verzoek om nadeelcompensatie en maakt het dit besluit bekend aan de verzoeker. Het college zendt een kopie van zijn besluit aan de adviseur.

  • 2.

    Het college kan de beslistermijn een keer onder opgaaf van redenen met ten hoogste vier weken verlengen. De verzoeker wordt daarover schriftelijk geïnformeerd.

Artikel 14 Uitbetaling

  • 1.

    Indien het college nadeelcompensatie vaststelt, vindt uitbetaling plaats op een door de verzoeker aangegeven rekening, direct na het onherroepelijk worden van het besluit op het verzoek.

  • 2.

    Het college kan in bijzondere gevallen op aanvraag van de verzoeker besluiten tot het toekennen van een voorschot op de nadeelcompensatie. Het verstrekken van een voorschot vindt alleen plaats nadat de adviseur in het conceptadvies heeft geadviseerd tot nadeelcompensatie.

  • 3.

    Het voorschot bedraagt maximaal 100% van het in het in artikel 12 bedoelde conceptadvies opgenomen bedrag aan uit te keren nadeelcompensatie.

  • 4.

    Met het verstrekken van het voorschot wordt geen recht op nadeelcompensatie erkend of verleend. Aan het verstrekken van het voorschot kan het college voorwaarden verbinden.

  • 5.

    Het voorschot wordt alleen verleend als de verzoeker schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling, wanneer op grond van het definitieve besluit van het college op het verzoek en de bij dat besluit behorende gegevens blijkt dat het voorschot geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verstrekt. Over het terug te betalen voorschot is wettelijke rente verschuldigd.

  • 6.

    Het college kan voor het verstrekken van een voorschot zekerheidstelling verlangen.

Artikel 15 Hardheidsclausule

Indien een strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot een beslissing die onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt, kan het college in uitzonderlijke gevallen van deze verordening afwijken.

Artikel 16 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking.

Artikel 17 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als “Nadeelcompensatieverordening gemeente De Ronde Venen 2010”.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 mei 2010.

De voorzitter, De griffier,

Algemene toelichting

Inleiding

 

Uitvoering van werkzaamheden taken en besluiten ter behartiging van het algemeen belang door of in opdracht van de gemeente kunnen tot gevolg hebben dat derden financieel nadeel ondervinden dat redelijkerwijs niet of niet geheel te hunner laste dient te blijven. Het gaat daarbij om schade die wordt geleden ten gevolge van handelen door of in opdracht van de gemeente dat op zich niet onrechtmatig is. Voor vergoeding komt alleen in aanmerking aantoonbare financiële schade als gevolg van inkomens/omzetvermindering Deze schade zal de gemeente naar billijkheid vergoeden, tenminste voor zover niet op een andere wijze in vergoeding van schade is voorzien.

Met het vaststellen van deze nadeelcompensatieverordening wordt beoogd een regeling in het leven te roepen die benadeelden voldoende zekerheid biedt. De verordening regelt hoe een verzoek om nadeelcompensatie kan worden ingediend en op welke wijze het eventuele nadeel dat niet ten laste van de getroffene behoort te blijven, zal worden vergoed.

De raad beoogt met het vaststellen van deze nadeelcompensatieverordening geen aansprakelijkheden in het leven te roepen die naar de huidige stand van het recht niet bestaan.

Grondslag van de nadeelcompensatie

Er bestaat nog geen wettelijk recht op vergoeding van schade die voortvloeit uit een rechtmatige overheidsdaad. Wel zijn er enkele specifieke wettelijke regelingen voor de vergoeding van schade, bijvoorbeeld de tegemoetkoming in verband met planschade op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voor zover een specifieke regeling geldt, is de nadeelcompensatieverordening niet van toepassing.

De grondslag voor compensatie van nadeel dat niet ten laste van de getroffene behoort te blijven berust op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met name van belang zijn de belangenafweging en het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Wanneer sprake is van onevenredige benadeling van burgers, kan dit tot gevolg hebben dat een op zich rechtmatige daad onrechtmatig wordt. Het bieden van nadeelcompensatie kan die onrechtmatigheid wegnemen.

Voordat een besluit wordt genomen, dient op basis van alle relevante gegevens een evenredige belangenafweging plaats te vinden. In het kader van deze belangenafweging is het van belang, dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Indien een burger onevenredig nadeel ondervindt van een overigens rechtmatige overheidshandeling, behoort hem een compensatiemogelijkheid ter beschikking te staan. Hierin kan worden voorzien door de toepassing van een nadeelcompensatieverordening.

Reikwijdte van de regeling

Deze nadeelcompensatieverordening ziet uitsluitend op schade als gevolg van rechtmatige feitelijke uitvoeringshandelingen en rechtmatige besluiten door of in opdracht van de gemeente De Ronde Venen.

Indien eenmaal is vastgesteld dat als gevolg van een feitelijke uitvoeringshandeling of maatregel van de gemeente schade is veroorzaakt, dient de vraag te worden beantwoord of en zo ja, in welke mate deze schade redelijkerwijs ten laste van getroffene behoort te blijven. Behoort de schade tot het normaal maatschappelijk risico en/of het normale ondernemersrisico, dan komt deze niet voor vergoeding in aanmerking. Elke burger en elk bedrijf moet een zeker ongemak en financieel nadeel dulden als gevolg van de omstandigheid dat hij tezamen met anderen op een beperkt grondgebied in een gemeenschap verenigd leeft. De nadelige gevolgen van dit rechtmatig overheidshandelen, dat als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden gezien, behoren in beginsel voor rekening van betrokkene te blijven. Zo zijn bijvoorbeeld het afsluiten, reconstrueren, aanleggen en verleggen van wegen maatschappelijke ontwikkelingen in het algemeen belang die in beginsel geduld moeten worden.

Dat bepaalde ontwikkelingen geduld moeten worden neemt echter niet weg dat zich feiten en omstandigheden kunnen voordoen waardoor een bepaalde burger of een bepaald bedrijf zo zwaar wordt getroffen, dat het nadeel redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste kan blijven. Het hieruit voortvloeiende onevenredige nadeel komt voor vergoeding in aanmerking, tenzij het nadeel anderszins verzekerd is of op grond van een andere regeling gedekt wordt.

Ook indien de benadeelde het risico van het nadeel (passief of actief) heeft aanvaard, komt hij niet voor vergoeding van het nadeel in aanmerking.

Van actieve risicoaanvaarding is sprake wanneer de benadeelde de nadeel toebrengende handeling heeft of had kunnen voorzien. Uitgangspunt is dat men zorgvuldig dient te onderzoeken welke maatregelen gelden, al zijn aangekondigd of te verwachten zijn. Daarnaast is van belang of de benadeelde een bepaalde keuze heeft gemaakt, waaraan bijvoorbeeld kostenoverwegingen ten grondslag lagen. Indien hij zich in een goedkopere, maar risicovollere situatie heeft begeven, heeft de benadeelde het risico van mogelijk nadeel aanvaard.

Van passieve risicoaanvaarding is sprake wanneer de benadeelde tekort is geschoten in de zorg voor de eigen belangen. Hieronder vallen allerlei vormen van "riskant stilzitten", zoals het niet tijdig nemen van redelijke schadebeperkende maatregelen of het aannemen van een afwachtende, berustende houding.

Deze regeling is niet van toepassing op schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad of wanprestatie, aangezien deze onderwerpen worden beheerst door het burgerlijke recht.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit artikel worden enkele kernbegrippen van de regeling omschreven. De belangrijkste omschrijving is die van het begrip “project”, omdat daarin is aangegeven waarop de onderhavige regeling betrekking heeft. De regeling ziet uitsluitend op de feitelijke uitvoering van werkzaamheden gedurende een substantiële periode van ten minste drie maanden, door of in opdracht van de gemeente De Ronde Venen. Daarnaast heeft de regeling betrekking op besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht die op zich rechtmatig zijn, maar schade veroorzaken.

Artikel 2 Het recht op nadeelcompensatie

Het eerste lid van dit artikel bevat de maatstaf aan de hand waarvan wordt gekeken of nadeelcompensatie zal worden toegekend.

Ten eerste moet de schade het rechtstreekse gevolg zijn van een besluit of van de feitelijke uitvoering van werkzaamheden door of in opdracht van de gemeente De Ronde Venen. Er moet dus sprake zijn van causaal verband.

Om te beoordelen of er sprake is van causaal verband tussen het nadeel en het besluit of het project dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de toestand zoals deze door het handelen al dan niet tijdelijk is geworden en de toestand zoals deze zonder het handelen zou zijn geweest op hetzelfde moment.

Ten tweede moet het gaan om nadeel dat redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven. Nadeel dat geacht wordt tot het normaal maatschappelijk risico en/of het normale ondernemersrisico te behoren komt niet voor vergoeding in aanmerking. Het moet dus gaan om onevenredig nadeel. In artikel 5 wordt dit nader uitgewerkt.

Het nadeel komt niet voor vergoeding in aanmerking indien het anderszins is verzekerd. Deze nadeelcompensatieverordening heeft een aanvullend karakter. Deze regeling treedt dan ook niet in de plaats van bestaande (wettelijke) compensatieregelingen.

Het tweede lid bepaalt dat het nadeel kan worden gecompenseerd in de vorm van geld of op andere wijze. Nadeelcompensatie in natura kan worden toegekend op verzoek van de verzoeker, op verzoek van het college of op advies van de adviseur.

Artikel 3 Het verzoek

In dit artikel worden regels gegeven voor de indiening van een verzoek om nadeelcompensatie.

In het eerste lid is bepaald dat het verzoek om nadeelcompensatie zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is na het optreden van de schade of na het onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit schriftelijk bij het college moet worden ingediend, in ieder geval binnen twaalf maanden nadat het project is afgerond. Deze termijn biedt de verzoeker voldoende mogelijkheid om het verzoek met financiële gegevens te onderbouwen, met name met de omzet- en/of jaarcijfers. Aan de hand van cijfers over de periode van het project en de cijfers over een vergelijkbare periode in het voorgaande jaar kan de benadeling worden geconcretiseerd.

Het tweede lid bepaalt aan welke vereisten een verzoek moet voldoen. De verzoeker kan zijn voorkeur kenbaar maken met betrekking tot de wijze van compensatie van het geleden nadeel. Indien de verzoeker compensatie in geld wenst, dient hij in het verzoek de hoogte van het naar zijn oordeel te vergoeden bedrag te vermelden. Een eigen inschatting volstaat, de verzoeker wordt niet verplicht een externe deskundige in te schakelen voor de bepaling van de aard en de omvang van de schade en voor de keuze van de wijze waarop het nadeel vergoed dient te worden.

Het college moet op grond van het derde lid de ontvangst van het verzoek bevestigen.

In het vierde lid is bepaald dat het college overeenkomstig het bepaalde in de Awb een aanvrager in de gelegenheid moet stellen een onvolledige aanvraag binnen de daarvoor gestelde termijn alsnog compleet te maken.

Artikel 4 Drempelbedrag

In dit artikel is bepaald dat een drempelbedrag wordt geheven om een aanvraag in behandeling te nemen, op dezelfde wijze als dat gebeurt bij verzoeken om een tegemoetkoming in verband met planschade op grond van de Wro.

In het eerste lid is vastgelegd dat een drempelbedrag wordt geheven.

In het tweede lid is geregeld dat het verzoek pas in behandeling wordt genomen nadat de verzoeker het drempelbedrag heeft betaald.

Omdat de planschaderegeling en de nadeelcompensatieregeling gelijkenis vertonen, is het redelijk in beide gevallen hetzelfde drempelbedrag te hanteren. In het derde lid is deze koppeling tussen beide regelingen dan ook gemaakt.

Artikel 5 De nadeelcompensatie

Schade die behoort tot het normaal maatschappelijk risico komt niet voor vergoeding in aanmerking. Elke burger en elk bedrijf moet een zeker ongemak en financieel nadeel dulden als gevolg van de omstandigheid dat hij tezamen met anderen op een beperkt grondgebied in een gemeenschap verenigd leeft. De nadelige gevolgen van dit rechtmatig overheidshandelen, dat als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden gezien, behoren in beginsel voor rekening van betrokkene te blijven.

Met de in het tweede lid gehanteerde percentages wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie die is ontwikkeld met betrekking tot nadeelcompensatie. In de jurisprudentie wordt in zijn algemeenheid 20% van de totale schade of omzetdaling aangemerkt als behorend tot het normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico.

Het derde lid stelt een grens aan de waarde van de compensatie, indien de nadeelcompensatie niet in geld maar op andere wijze plaatsvindt. De waarde van de compensatie in natura mag niet hoger zijn dan het bedrag in geld waarop de verzoeker aanspraak zou kunnen maken. Wanneer de waarde van de compensatie op andere wijze groter zou zijn dan het bedrag in geld waarop de verzoeker aanspraak zou kunnen maken, kan het college besluiten alsnog nadeelcompensatie in geld toe te kennen.

Wanneer het inwinnen van deskundigenadvies noodzakelijk is, zullen de kosten daarvan in beginsel op grond van het vierde lid door het college worden vergoed.

In het vijfde lid is de betaling van wettelijke rente geregeld voor die gevallen waarin de door verzoeker geleden schade wordt vergoed.

Ook indien de benadeelde het risico van het nadeel (passief of actief) heeft aanvaard, komt hij niet voor vergoeding van het nadeel in aanmerking. Verwezen wordt naar het algemene deel van de toelichting.

Artikel 6 Vereenvoudigde afhandeling

Het eerste lid bepaalt dat het college verzoeken zonder advies van de adviseur kan afhandelen. Het is onnodig om voor eenvoudige en duidelijke gevallen de zware procedure van behandeling van het verzoek om nadeelcompensatie door een externe adviseur of adviescommissie te volgen. Indien een verzoek naar het oordeel van het college kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk gegrond of kennelijk ongegrond is, wordt het verzoek zonder behandeling door de adviseur of de adviescommissie toe- of afgewezen. Hetzelfde geldt als de schade een beperkt bedrag betreft, namelijk minder dan € 1.500.

In het derde lid is bepaald in welke gevallen een verzoek niet-ontvankelijk is. Dit is het geval wanneer de verzoeker op een andere manier een vergoeding kan ontvangen en wanneer het drempelbedrag niet is betaald.

Het vierde lid omschrijft in welke gevallen een verzoek kennelijk ongegrond is. Dit is het geval wanneer er geen causaal verband bestaat tussen het project en het nadeel, wanneer sprake is van actieve of passieve risicoaanvaarding en wanneer sprake is van schade die kennelijk valt binnen het maatschappelijk aanvaardbaar risico en/of het normale ondernemersrisico.

Artikel 7 Behandeling van het verzoek

Dit artikel beschrijft de procedure tot aanwijzing van de adviseur.

Artikel 8 De adviseur

Een adviseur kan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze tussen een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt aan het college overgelaten. Een adviesbureau gespecialiseerd in schadebeoordeling kan dus worden aangewezen als adviseur bedoeld in het eerste lid, of als één van de adviseurs, als bedoeld in het tweede en derde lid.

Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of meerdere adviseurs noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg om telkens dezelfde adviseur(s) aan te wijzen en dus te kiezen voor een vaste adviseur / vaste adviescommissie.

In het eerste lid van dit artikel is bepaald aan welke vereisten de adviseur moet voldoen. Door het stellen van eisen aan de deskundigheid wordt de inbreng van specifieke kennis en kundigheid bij de beoordeling van het verzoek om nadeelcompensatie verzekerd.

In het tweede lid is bepaald dat het college in bijzondere gevallen in plaats van een, twee adviseurs kan aanwijzen. In zijn algemeenheid zal dit zich alleen voordoen in uitzonderlijk complexe gevallen, waarbij het ondervonden nadeel moeilijk is vast te stellen of in geld is uit te drukken. De tweede adviseur dient om die reden bijzondere deskundigheid op het gebied van accountancy of financieel-economische bedrijfsvoering te bezitten.

In het derde lid is bepaald dat de eerste adviseur voorzitter is van de commissie, wanneer twee adviseurs met de advisering worden belast.

In het vierde lid is vastgelegd dat een van beide adviseurs als rapporteur zal optreden. Beide adviseurs bepalen in onderling overleg wie deze taak op zich neemt.

Artikel 9 Onafhankelijkheid van de adviseur

Naar analogie van de in de “Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade”opgenomen regeling is ook in deze verordening bepaald dat een adviseur niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd.

Voorts bepaalt het artikel dat een adviseur niet betrokken mag zijn bij het besluit of project waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit betreft deskundigen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de in het geding zijnde project of de in het geding zijnde besluit. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan personen behorende tot de risicoanalysecommissie die optreedt in het kader van planologische maatregelen.

Artikel 10 Betrokkenheid aanvrager bij aanwijzing adviseur

Dit artikel bepaalt dat de verzoeker schriftelijk op de hoogte moet worden gebracht van de aanwijzing van een adviseur of adviescommissie. In het geval dat meerdere adviseurs worden aangewezen, worden deze aanwijzingen in één brief aan de verzoeker bekendgemaakt.

Het college moet binnen twee weken na het verstrijken van de termijn tot het indienen van een verzoek tot wraking beslissen.

Artikel 11 Het onderzoek

In het eerste lid is bepaald aan de hand van welke vragen de adviseur het verzoek moet onderzoeken. Het zal niet altijd nodig zijn alle in het eerste lid genoemde vragen te beantwoorden. Wanneer bijvoorbeeld uit het onderzoek blijkt dat het nadeel niet het gevolg is van het genoemde project of besluit, kan de beantwoording van de overige vragen achterwege blijven.

Onder deskundigenkosten als bedoeld in het eerste lid onder e, vallen niet de kosten van rechtskundige bijstand. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 4 februari 2000 (AB 2000, nr. 427) bepaald dat deze kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen nadat de adviseur de schade heeft bepaald.

Het tweede lid bepaalt dat het college de adviseur de gegevens verschaft die nodig zijn voor het onderzoek naar de gegrondheid van het verzoek. Tot die gegevens behoren niet alleen het verzoek met de daarbij behorende bescheiden, maar alle informatie die voor de beoordeling van het verzoek noodzakelijk of dienstig kan worden geacht.

Het derde lid bepaalt dat als de adviseur dit nodig vindt, de verzoeker andere gegevens dient over te leggen dan die, genoemd in artikel 3, tweede en vierde lid.

Het vierde lid stelt de adviseur in de gelegenheid inlichtingen in te winnen bij derden. Inlichtingen die deze derden verschaffen moeten in het advies worden vermeld.

Artikel 12 Werkwijze van de adviseur

Het eerste lid regelt de ambtelijke ondersteuning van de adviseur. De op grond van dit artikellid aangewezen persoon heeft geen stem bij de advisering over het verzoek.

Het tweede lid biedt de gelegenheid tot het horen van de aanvrager en het college. Wanneer de verzoeker aangeeft geen behoefte te hebben aan het geven van een mondelinge toelichting, ziet de adviseur eveneens af van het horen van het college.

Het derde lid maakt het mogelijk dat de adviseur de situatie ter plaatse in ogenschouw gaat nemen. De adviseur heeft echter niet de bevoegdheid plaatsen te betreden tegen de wil van de rechthebbende.

De in het vierde lid bedoelde verslaglegging kan worden overgelaten aan de op grond van het eerste lid aangewezen persoon. Vanzelfsprekend is de adviseur verantwoordelijk voor de inhoud van de verslagen die naar aanleiding van het verzoek worden opgesteld.

De leden vijf tot en met elf regelen de mogelijkheid om te reageren op het voorgenomen advies van de adviseur en de termijnen die hierbij gehanteerd dienen te worden. Indien het naar het oordeel van de adviseur niet redelijk is dat het nadeel geheel of ten dele ten laste van de verzoeker blijft beschrijft hij in het conceptadvies tevens de omvang en vorm van de toe te kennen nadeelcompensatie.

Artikel 13 De beslissing op het verzoek

Het college besluit binnen zes weken na ontvangst van het definitieve advies op het verzoek om nadeelcompensatie. De beslissing op het verzoek moet worden gemotiveerd. Ter motivering van het besluit kan het college volstaan met een verwijzing naar het door de adviseur uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en de beslissing in overeenstemming is met het advies van de adviseur. Bij een afwijking van het advies moet deze afwijking worden gemotiveerd.

Artikel 14 Uitbetaling

Dit artikel regelt de uitbetaling van de vergoeding. In het eerste lid is bepaald dat uitbetaling in beginsel pas plaatsvindt nadat het toekenningsbesluit onherroepelijk is geworden.

Soms is geruime tijd is gelegen tussen het indienen van het verzoek en het onherroepelijk worden van de beslissing. Dit geldt zeker als de verzoeker rechtsmiddelen tegen het besluit aanwendt. Omdat het om grote bedragen kan gaan, is het niet ondenkbaar dat de verzoeker in de periode tot de uitbetaling in financiële problemen komt. Om die reden is in het tweede en derde lid de mogelijkheid opgenomen de verzoeker een voorschot te betalen.

Het vierde lid bepaalt dat het verstrekken van een voorschot geen erkenning van het recht op nadeelcompensatie inhoudt.

In het vijfde en zesde lid zijn waarborgen opgenomen voor de terugbetaling van een voorschot of van voorschotten, in het geval dat uiteindelijk afwijzend op het verzoek wordt beslist. Het college kan zekerheidstelling vragen om te voorkomen dat de verzoeker niet in staat is het voorschot terug te betalen, wanneer uiteindelijk definitief wordt vastgesteld dat geen recht op nadeelcompensatie bestaat.

Artikel 15 Hardheidsclausule

In uitzonderlijke gevallen kan een strikte toepassing van de regels van de verordening leiden tot een voor de verzoeker onbillijk besluit. In die gevallen kan het college toepassing geven aan de hardheidsclausule en ten gunste van de verzoeker afwijken van het bepaalde in de verordening.

Artikel 16 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 17 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen toelichting.